Duinen-en-mensen-punt-nl-met-payoff

(van Frans Buissink)

Probeer voor je gaat schrijven de inhoud van je verhaal in één zin weer te geven.

Lukt dat niet, overweeg dan om er twee verhalen van te maken of om het teveel aan zijsprongen weg te werken in kaders of bijschriften.

Maak eerst een schema met steekwoorden. Deze verhaallijn moet er logisch uitzien. Probeer om met het einde van je verhaal weer uit te komen bij het begin. Merk je in dit stadium dat je verhaal eigenlijk een opsomming is, altijd moeilijk boeiend te houden, pak het dan ook maar aan als een opsomming in gescheiden alinea’s met tussenkopjes.

Bedenk of je een ‘ik’ of een ‘hij/zij’ in het verhaal gaat gebruiken. Een ik-verhaal kan irritant zijn.

Denk nooit: dat wordt in de intro wel duidelijk gemaakt. Schrijf je verhaal alsof er geen intro bestaat. Want die wordt vaak niet gelezen.

De belangrijkste zin van een verhaal is de eerste zin. Daarmee moet je de lezer je verhaal in trekken. Begin met een emotie die herkenbaar is. Een klein feestje van herkenning. Of met een spannende bewering. Of met een verrassing.

Begin nooit met: “Zoals u al heeft kunnen lezen in …” Dat verhaal hoeft de lezer dus niet te lezen. Of met: “Op 23 maart 1608 stapte Juan Perreira binnen bij de cabillo in het stadje Frontera de Alon.” Wie, wat, waar, waar gaat het over, waar ben ik? De lezer vermoedt een ver-van-zijn-bed-show en kan afhaken. Begin ook nooit met een algemene bewering die iedereen al kent: “Vogels kunnen vliegen. Dat komt omdat ze vleugels hebben.” Het zal wel. Ook zweverige natuurbeschrijvingen in het begin zijn slaapverwekkend.

Gebruik de eerste alinea het liefst voor een concreet verhaal, met dingen die je voor je ziet. Zo’n concrete situatie kan bijna altijd makkelijk naar je verhaallijn toegebogen worden. Maar wacht niet te lang met te laten merken waar je naartoe wilt met je verhaal.

Als je ‘wij’ en ‘ons’ gebruikt, leg dan meteen uit wie dat zijn: een gezelschap biologen, jij en je zuster. Vermijd in ieder geval de akela-stijl: ‘wij’ gebruiken waar ‘men’ bedoeld is.

Journalistiek schrijven is schrijven met de ogen van de lezer. Volg de algemeen gangbare logica. In een gedicht is dat niet nodig, maar in jouw verhaal loopt de lezer mee aan je handje. Hou de volgorde van tijd en plaats bij acties in de gaten. Zet de lezer eerst neer op de plaats waar je hem wilt hebben: de poesta, een duinpan, de oevers van het Noordzeekanaal en ga dan pas vertellen wat er gebeurt. Een verhaal over een zinkende boot kan irritant zijn als je almaar niet weet of de geschiedenis zich op zee afspeelt of in de monding van de Orinoco. Uitzondering is de badkuip van je zuster. Dat zou een verrassende wending kunnen zijn.

Besteed ook aandacht aan de ‘bruggetjes’, de overgangen van de ene alinea naar de andere.

Vermijd zoveel mogelijk abstracte woorden en probeer ze als het even kan te vervangen door concrete voorstellingen. Als je schrijft “mond-en-klauwzeer” dekt dat niet de hele lading, maar is wel beeldender dan “allerlei veeziekten”.

Maak van “zitplaats” “barkruk”, van “vegetatie” “kraaiheide”. Doe ook altijd wat met het woord ‘mooi’. Wat is “mooi weer”? Een schilderachtige sneeuwbui, een regenboog in loodgrijze lucht, of een wolkloze blauwe hemel bij een graadje of drieëntwintig? Een “prachtige plant” kan grote brandweerrode bloemen hebben, zes meter hoog zijn of zaden verspreiden die eruitzien als springende eekhoorns.

Verzin om de vijftien tot twintig regels een nieuw woord, waar het oog van de lezer even wakker van schrikt. Om dat te kunnen hoeft je geen Koot te zijn. Nooit gebruikte samenstellingen zijn makkelijk te maken. Vandaag stond in de krant een “zeurzak’’ voor ‘querulant’. Doe eens “klaproosrood” of “teunisbloemgeel”.

Vermijd te vaak hetzelfde woord en ga het omschrijven. Je kunt in die omschrijving ook nog heel functioneel zijn. Als je bijvoorbeeld van “gaai’’ een ‘‘slimme eikelverzamelaar’’ maakt.

Gebruik geen afkortingen als ‘m.a.w.’, ‘z.s.m.’, ‘vr Chr’. ‘EHS’ mag wel, maar alleen nadat je het een keer volluit geschreven hebt.

Veel fouten worden gemaakt in de ‘consecutio temporis’. Tegenwoordige tijd en verleden tijd worden te makkelijk door elkaar gebruikt en storen de logica.

Als je verhaal af is, loop je het nauwkeurig door en schrap elk woord dat overbodig is. Vooral teutwoordjes als ‘nog weleens’ , ‘soms nog wel’, ‘ als het ware’, ‘mijns inziens’, ‘meestal wel’.  Probeer zinnen in de passieve vorm om te zetten in de actieve. Alhoewel: als de acteur totaal onbelangrijk is of onbekend kan “de regels werden veranderd” juist benadrukken dat het om de ‘regels’ gaat. Wie ze veranderde is niet interessant.

Hak lange zinnen in stukken, maar streef wel naar afwisseling tussen kort en lang.

Schrap ook de laatste zinvan je verhaal, tenzij je er echt van overtuigd bent, dat hij noodzakelijk is.

Voor de redactie van een verhaal

Het verhaal dat een auteur aanlevert is je ruwe materiaal. Dat ga je optuigen met kop, intro, tussenkoppen, streamers en nog wat. Dat allemaal om de lezers uit te nodigen die letterbrei tot zich te nemen.

Formuleer voor jezelf in het kort wat de strekking is van het verhaal. Die strekking laat je vijf keer terug komen. In de kop, in de intro, in opeenvolgende tussenkopjes, in de bijschriften en in het verhaal zelf. Steamers of zogenaamde overleeskoppen gebruik je om de lezer te verrassen.

Ook bestaat er een techniek waarbij je in een brede kantlijn opmerkelijke beweringen uit het verhaal in het kort weergeeft.

Wat betreft de kop: laat die duidelijk zijn. Maak er geen cryptogram van. Gebruik de intro om uit te leggen waarom het tijdschrift juist dit verhaal wil brengen: het is nu de tijd om paddenstoelen te kijken; een zeldzame duinsoort die dreigt te verdwijnen; een prachtplek om van pure duinnatuur te genieten; onlangs vergaderde de Raad van Amsterdam over de damhertenproblematiek, Stichting Duin denkt er het hare van.

(zomer 2015)