Mossen (Bryophyta) hebben zoals gezegd geen enkele verwantschap met de korstmossen. Waar veel korstmossen het liefst vertoeven op langdurig droge plaatsen, gedijen mossen het best onder vochtige omstandigheden. Mossen horen tot de hogere planten (Phanerogamae) maar wijken op verschillende punten af van gewone zaadplanten. Ze hebben geen wortels of vochtvoerende vaten zoals planten. Wel hebben ze blaadjes en steeltjes. Het vocht, met hierin opgeloste voedingsstoffen wordt aangevoerd door de regen met hierin opgeloste voedingsstoffen. Mossen groeien vooral in de vochtigere delen. Doordat mossen bladgroenkorrels in zich dragen produceren ze zuurstof, daarbij wordt koolzuurgas (CO2) opgenomen. Door de fotosynthese in de bladgroenkorrels produceren de mossen hun eigen voedsel. Mossen kunnen de grond vastleggen en zorgen dat er een gunstig, vochtig milieu ontstaat. Hiervan profiteren zaden maar ook allerlei kleine geleedpotigen. Belangrijke factoren voor de standplaats van een mos zijn de luchtvochtigheid en de groeiplaats. De luchtvochtigheid is meer van belang dan het vochtgehalte in de grond. Mossen die op een zuidhelling groeien zijn andere soorten als op de noordhelling. Mossen hebben weinig licht nodig je ziet ze daarom ook heel vaak in de bossen maar ook aan de schaduwzijde van heggen. Tot ergernis van sommige gazonbezitters. Mossen hebben veel functies vervuld bijvoorbeeld als brandstof (turf), vloerbedekking, matrasvulling en isolatiemateriaal.
Omdat mossen geen wortels hebben zijn ze aangewezen op de vochtopname door de bladeren, vaak zijn de blaadjes maar één cel dik. Hierdoor hebben veel mossen complexe en mooie bladstructuren ontwikkeld om uitdroging te minimaliseren en de fotosynthese-efficiëntie te behouden. Bladtanden en lamellen die over de nerven liggen en randen zijn veelvoorkomende voorbeelden. Bladcellen hebben vaak minuscule uitsteeksels, papillen genaamd, die ook een belangrijke rol spelen in de waterrelaties. Door de directe opname van vocht zijn ze gevoelig voor de in het regenwater opgenomen stoffen zoals zwaveldioxide en stikstofdioxide. Ondanks dat er wel stengeltjes zijn mist het mos een stevige structuur en worden mossen nooit erg groot. Overigens missen de stengels een vochttransport systeem zoals dat in andere planten wel aanwezig is. De voortplanting van mossen kan op twee manieren plaatsvinden. De ongeslachtelijke of ook wel vegetatieve voortplanting genoemd en de geslachtelijk voortplanting. Bij de ongeslachtelijke voortplanting zijn er diverse mogelijkheden. Er kan een stukje van de plant afbreken of de plant vormt zelf, speciaal voor dit doel, hele kleine mosplantjes welke ook weer van de moederplant afbreken. Deze klonen zijn genetisch dus gelijk aan de moederplant. De geslachtelijke voortplanting vind plaats door sporen en is daarmee aanmerkelijk ingewikkelder. Wanneer de sporen ontkiemen vormt zich een stelsel van groene celdraden dit noemen we het protonema. Hieruit groeien de mosplantjes, de gametofyten. Hierop ontstaan uiteindelijk de vrouwelijke en mannelijke voortplantingsorganen. De zaadcellen moeten, wil er een bevruchting plaats vinden, de eicel kunnen bereiken. Hiervoor zijn ze uitgerust met twee zweepstaarten. Onder vochtige omstandigheden kunnen ze naar de eicel zwemmen. De rijpe eicel geeft een lokstof af waar de zaadcel op af komt. Na penetratie van de eicel door de zaadcel vind de bevruchting plaats. Niet alle bevruchte eicellen groeien uit tot sporen,sommige groeien uit tot een sporendrager (sporofyt), anderen tot het steeltje die de sporendrager draagt.
Mossen als milieu indicator
Doordat de bladen soms maar een cel dik zijn is mos gevoelig voor zowel lucht- als voor waterkwaliteit. Door bryologisch onderzoek te doen naar de samenstelling, gezondheid en fertiliteit van de mosgemeenschap is men in staat om conclusies te trekken aangaande de milieuomstandigheden. Ook veranderingen als gevolg van klimaat en neerslag kunnen invloed hebben op het voorkomen van mossen.
