Samenvatting onderzoek korstmossen Noordhollands Duinreservaat (Aptroot 2019)

Hier vindt u een pdf van het hele rapport

In 2018 zijn voor de vierde maal de epifytische mossen en korstmossen in het Noordhollands Duinreservaat gekarteerd door het opnemen van een groot aantal vaste meetpunten; eerder gebeurde dit in 1990, 1993 en 2000. In totaal zijn 566 meetpunten onderzocht, elk bestaand uit één of meer bomen (dus in totaal duizenden bomen), verspreid over alle kilometerhokken met bomen of struiken in het terrein. Om zo goed mogelijk te kunnen vergelijken met de vroegere situatie zijn alle bomen bezocht die in 1990 en/of in 2000 zijn onderzocht. Hiervan bleken er 494 nog aanwezig. Daarnaast zijn 72 nieuwe punten opgenomen, waarbij vooral bomen zijn geselecteerd waarop soorten groeien die extra zijn ten opzichte van de al bestaande monsterpunten binnen een kilometerhok. Hiervoor zijn duizenden bomen bekeken.

Het totaal aantal waargenomen soorten is ongeveer gelijk gebleven met 164 in 1990 naar 159 in 2000 en 165 in 2018. Het aantal soorten op de punten die in alle drie perioden zijn onderzocht is wel toegenomen: 134 in 1990, 145 in 2000 en 147 in 2018. Het gemiddeld aantal soorten per punt nam ook toe van 9.9 in 1990 naar 10.3 in 2000 en 10.6 in 2018. In 2018 werden 33 soorten aangetroffen die in 2000 of eerder nooit gevonden zijn (of nooit epifytisch).

De soortensamenstelling is enorm veranderd, de veranderingen tussen 1990 en 2000 zijn in versterkte mate voortgezet tussen 2000 en 2018. De sterkste effecten zijn gecorreleerd aan global warming: zuidelijke soorten zijn enorm toegenomen, noordelijke soorten zijn vrijwel verdwenen (een proces dat al veel eerder begon en gedocumenteerd kan worden aan de hand van de 25 bomen die al sinds 1975 worden opgenomen en nog steeds bestaan). De veranderingen zijn zichtbaar door het hele duingebied, op alle boomsoorten en zowel bij bladmossen, levermossen en diverse groepen korstmossen (vooral de soorten met de zuidelijke alg Trentepohlia erin, maar ook allerlei schildmossen Parmeliaceae).

De zuurminnende soorten (acidofyten) nemen ook af; waarschijnlijk hangt dat ermee samen dat de meeste daarvan noordelijke soorten zijn; baardmossoorten komen nu vrijwel niet meer voor (1 soort op 1 plek gevonden; in 2000 nog 3 soorten op 10 plekken). De veranderingen komen grotendeels overeen met de veranderingen in de rest van Nederland, met een belangrijke uitzondering: de effecten van ammoniakvervuiling zijn in het terrein relatief gering. De effecten van andere soorten luchtvervuiling zoals zwaveldioxide zijn al sinds 2000 niet meer zichtbaar.

Het Noordhollands Duinreservaat is nog steeds een gebied rijk aan epifyten. De oude iepen zijn bijna verdwenen en daarmee ook een paar karakteristieke soorten, maar de meeste soorten die vroeger aan iepen gebonden waren hebben zich weten aan te passen aan andere boomsoorten. Zo werd voor het eerst Parasietkorst Normandina acroglypta aangetroffen op diverse duineiken, op horizontale takken die door beklimming iets met zand zijn aangerijkt. Op bijna alle populieren groeien nu schriftmossen van de geslachten Opegrapha en Alyxoria, waaronder vaak massaal Limoenschriftmos Alyxoria viridipruinosa die in 2000 nog niet eens beschreven was. Gewone esdoorn is rijk aan epifyten geworden en op Spaanse aak werden zelfs grote exemplaren van Groot takmos Ramalina fraxinea en Breed takmos Ramalina canariensis gevonden. Schaduwminnende soorten en soorten die geen directe regen verdragen en dus vooral onder overhangende takken en schuine stammen voorkomen zijn ook toegenomen.

De oude duineiken zijn voor een groot deel erg beschaduwd komen te staan omdat de omringende jongere bomen en struikgewas dicht en hoog geworden zijn. Daardoor zijn er geen interessante soorten op gevestigd maar overheersen Inktspatkorst Arthonia spadicea en Gelobde poederkorst Lepraria finkii op de stammen. Ook vindplaatsen van de in Nederland vrijwel tot oude duineiken in het Noordhollands Duinreservaat beperkte Bleke peperkorst Rinodina effloresecens zijn zo verdwenen, maar gelukkig zijn er weer nieuwe jongere eiken mee gevonden. De snelle kolonisatie van jonge takken met allerlei soorten, zowel korstmossen als Witte schotelkorst Lecanora chlarotera en Purperschaaltje Lecidella elaechroma als niet-gelicheniseerde ascomyceten is een duidelijk (positief) effect dat toe te schrijven is aan de afgenomen luchtverontreiniging met SO2; in 1990 zaten er nog vooral algen op de takken. Een regressie-analyse van de in alle perioden onderzochte punten wijst erop dat de belangrijkste verklarende factoren voor de veranderingen licht en nutriënten zijn.