Met het programma associa werd nagegaan welk vegetatietype (het meest) van toepassing is (NB tweede getal na veg. type moet liefst 0.0 zijn voor hoge zekerheid)

Ligging proefvlakkenProef vlak 12 40×3 meter Zuidhelling
1979 r32BA01B 58.6 0.7 -0.1 1.0 Echio-Verbascetum typicum
1988 r16BB01D 52.3 0.7 0.0 1.1 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
1993 r16BB01C 44.3 0.4 0.1 0.5 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
1995 r14BC02B 47.8 0.5 0.5 0.6 Medicagini-Avenetum arrhenatheretosum
1997 r16BB01C 46.1 0.4 0.3 0.4 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
1999 r16BB01C 43.7 0.1 0.1 0.1 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2002 r16BB01D 46.0 0.2 0.0 0.4 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
Deze opname is een goed ontwikkelde glanshaverassociatie, waarbij aspecten van de sub-associaties sikkelklaver en gewone veldbies beiden voorkomen. Zachte haver wijst op kalkrijke & droge omstandigheden en indiceert voor de sikkeklaver sub ass. Sikkelklaver komt overigens in de opnamen niet voor, de gewone veldbies wel. Muizenoor, schapenzuring en reukgras (toename), wijzen op oppervlakkige ontkalking en zandige omstandigheden.
In algemene zin zijn er weinig wijzigingen in PQ 12, alleen het eerste jaar wijkt wel duidelijk af en kan i.t.t. tot de andere jaren niet goed tot een glanshaver associatie worden toegewezen. In dat jaar is er veel meer kropaar en kweek en juist amper glanshaver, maar de beemdkroon komt wel al voor. In latere jaren soms niet, terwijl de ‘ruige’ grassen kropaar, kweek en ook engels raaigras afnamen. Schapenzuring nam juist weer af. De reeks stopt echter al in 2002, na 23 jaar.
Naar 20 bij 3 meter 12 c Zuidhelling
2008 r14BC02B 42.4 0.1 0.1 0.1 Medicagini-Avenetum arrhenatheretosum
2012 r14BC02B 41.6 0.2 0.1 0.2 Medicagini-Avenetum arrhenatheretosum
2016 r16BB01D 43.4 0.3 0.0 0.5 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2019 r16BB01C 43.4 0.2 0.1 0.2 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2022 r16BB01C 39.5 0.1 0.2 0.0 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
Deze opname is (de laatste jaren) een goed ontwikkelde glanshaverassociatie op een zuid helling, waarbij aspecten van de sub-associaties sikkelklaver en gewone veldbies beiden voorkomen. Zachte haver wijst op kalkrijke & droge omstandigheden en indiceert voor de sikkelklaver sub ass. In 2008 & 2012 overheerst zelfs het aspect van de kalkrijke droge graslanden en wordt de (verwante) associatie van sikkelklaver en zachte haver geïdentificeerd, een stroomdalgrasland . Maar de kenmerkende soorten sikkelklaver, veldsalie, cilindermos & brede ereprijs zijn niet aanwezig.
De laatste jaren lijken de niet kalkminnende soorten (gewone veldbies, zandzegge, gewoon struisgras) subtiel toe te nemen ten kosten van de wel kalkminnende soort wilde kruisdistel en met name zachte haver die geheel verdween.
Naar 12 b (20x 6 meter) Noord Helling, 32/11 graden, valk bij Helmdijk.
1988 r16BB01C 55.8 0.6 0.2 0.9 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
1993 r16BB01D 37.4 0.1 -0.1 0.1 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
1995 r16BB01D 48.8 0.3 0.0 0.5 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
1997 r16BB01D 47.7 0.6 0.3 0.8 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
1999 r16BB01A 39.4 0.4 0.6 0.3 Arrhenatheretum typicum
2008 r16BB01B 52.5 0.9 0.1 1.3 Arrhenatheretum festucetosum arundinaceae
2012 r16BB01D 60.7 0.9 0.0 1.4 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2016 r16BB01C 59.8 0.6 0.2 0.8 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2019 r16BB01C 49.5 0.3 0.0 0.5 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2022 r16BB01C 49.4 0.3 -0.1 0.5 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
Opname 12 b is een van de langste reeksen (10 opname jaren) en alleen daarom al interessant.
En is door 7 verschillende auteurs opgenomen, maar vanaf 2008 door nog maar 2 verschillende. De locaties is een noordhelling 32 graden/11 graden, die (na 2000?) ook nog eens wat schaduw ontvangt doordat de zuidhelling ter plaatse en aangrenzende Helmdijk bebost zijn. Associa komt voor enkele jaren met een (relatief) minder goed ontwikkeld (en vochtiger) glanshaverhooiland op de proppen; in de jaren 1999 en 2008. Daarna overheerst weer de iets minder kalkrijke en drogere variant: de sub associatie met gewone veldbies, met de laatste jaren de beste ontwikkeling. Kenmerken van de glanshaver subassociatie zachte haver/sikkelklaver (kalkminnende soorten) worden juist gevonden in de begin periode 1993-1997. Je kan ook zeggen: voor een noordhelling is de vegetatie nog goed ontwikkeld en stabiel.
Kruisdistel neemt af, beemdkroon komt er juist bij. Zandsoorten zoals zandzegge, strandkweek, liggende klaver, kleine klaver namen na 1988 al gelijk af. De zachte haver ging meer geleidelijk achteruit. Echte stikstofsoorten (dauwbraam en brandnetel) krijgen evenwel geen voet aan de grond.
Proef vlak 13 20×3 meter zuid helling, 32 graden, westzijde Nieuwendijk
2008 r14BC02B 45.8 0.1 0.2 0.1 Medicagini-Avenetum arrhenatheretosum
2012 r16BB01B 45.6 0.4 0.3 0.5 Arrhenatheretum festucetosum arundinaceae
2016 r16BB01B 45.6 0.4 0.3 0.5 Arrhenatheretum festucetosum arundinaceae
2019 r17AA01B 42.9 0.6 0.6 0.7 Rubo-Origanetum festucetosum arundinaceae
(ass van dauwbraam en Marjolein)
2022 r32CA02 39.7 0.0 0.0 0.0 Bromo inermis-Eryngietum campestris
(kweekdravik associatie, goede match!)
In dit pq is iets opmerkelijks aan de hand, de vegetatie vangt in 2008 aan als een stroomdalgrasland (daarna tot 2016 de verwante sub ass. zachte haver en sikkelklaver van gl.hvr.ass.), met zachte haver en nog weinig glanshaver om in 2022 (sterk) te worden getypeerd als de kweekdravik associatie, een vegetatietype dat normaal langs de rivieren voorkomt. Op plekken met vloedmerk, dus aanvoer van stikstof. Al ontbreken alle kensoorten van die associatie, zoals kweekdravik en geoorde zuring, wijst dit toch op een toename van stikstof (bijv door niet maaien).
Deze ‘kweekdravik associatie’ wordt in 2019 voorafgegaan door de associatie van dauwbraam en marjolein (met zwakke typering). Zeker is dat dauwbraam hier erg toenam en zachte haver verdween. Glanshaver neemt toe en bedekt bijna 50 %, beemdkroon is schaars en zonder trend, evenals kruisdistel. Kweek nam juist sterk af. In het laatste jaar komt ook bosbraam er in. Wordt hier wel gemaaid? Er zijn aanwijzingen dat de vegetatie hier plaatselijk wat verruigd.
Proefvlak 502 12×4 m Zuidhelling, de insteek bij ND 2. Inclinatie 11 graden.
1988 r16BB01D 48.3 0.4 -0.1 0.7 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2002 r16BB01D 54.6 0.7 0.4 0.8 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2006 r16BB01D 49.8 0.5 0.3 0.6 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2010 r16BB01D 49.8 0.5 0.3 0.6 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2014 r16BB01D 53.2 0.6 0.4 0.7 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2017 r16BB01D 53.2 0.6 0.4 0.7 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2019 r16BB01C 46.3 0.4 0.3 0.4 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
Dit pq omvat een groeiplaats van grote thijm, die overigens in 2019 niet meer is gezien. Associa ziet een vrij standvastig type: de kalk- en droogteminnende sub associatie met zachte haver en sikkelklaver van de gl.hvr.ass., waarbij de zekerheid van diagnose met de tijd wel afnam. In 2019 wordt de vegetatie getypeerd als de subass. V.d gl.hvr ass. met gewone veldbies, die wijst op het verschijnen van kalkmijdende soorten. Een verschijnsel wat ook elders op de Nieuwendijk wordt gezien, maar hier nog mee lijkt te vallen omdat er nog altijd kalkminnende soorten staan (beemdkroon, zachte haver, kruisdistel, echt walstro). Toename van kalkmijders zien we dan ook slechts beperkt (reukgras, luzula) , biggenkruid nam zelfs iets af.
Alleen in 2002 werd gewone agrimonie gezien, en de hondsroos alleen in 1988. Zachte haver is constant aanwezig, evenals kruisdistel dat (eerst) ook veel bedekte. Ook goudhaver is constant aanwezig, maar nam af in bedekking. Andere toenemende soorten zijn gewoon struisgras & kropaar.
Al met al is de vegetatie hier zeer stabiel, met in 2019 wel een relatief groot percentage ‘kaal’ van 13 % (andere jaren 2 %) , hetgeen een weerslag kan zijn van enkele zeer droge jaren (of schade aan de vegetatie, hier zo vlak aan de verharding).
Proefvlak 682 60/25(va 1995) x 7 meter, Noord helling 32 gr., uiterste oostzijde Nieuwendijk bij Havenhoofd.
1979 r32CA03A 38.5 0.5 0.7 0.4 Tanaceto-Artemisietum agrostietosum
(wormkruid associatie)
1988 r16BB01B 41.2 0.3 0.1 0.4 Arrhenatheretum festucetosum arundinaceae
1993 r16BB01C 47.2 0.2 0.0 0.3 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
1995 r16BB01C 41.2 0.2 0.1 0.2 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
1997 r16BB01D 49.0 0.5 0.0 0.8 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
1999 r16BB01C 45.0 0.2 0.3 0.1 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2002 r16BB01C 52.3 0.5 0.3 0.7 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2019 r16BB01D 54.8 0.6 0.3 0.8 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
Dit noord geëxponeerde proefvlak wordt wisselend getypeerd als sub ass. met gewone veldbies als subass. met zachte haver/sikkelklaver van de gl.hvr.assoc., wat ook de meest recente diagnose is, uit 2019. Alleen in 1979 was de vegetatie duidelijk anders, toen was de diagnose wormkruid associatie.
Met soorten als kweek (50-75 % bedekking), engels raaigras maar ook storingssoorten als herderstasje, kruldistel, akkerdistel en gewone raket. Wel stond er ook in 1979 al veel glanshaver in de opname.
Uit de analyse van al het materiaal van de Nieuwendijk blijkt ook vaak dat de dijk er in 1979 toch wel wat anders uit zag, alsof de vegetatie nog in een overgangsfase zat van wat ruiger naar de schralere dijk die het nu is. Zo ook hier. Vermoedelijk werd de dijk in 1979 nog niet goed gemaaid (bijv. met maaisel dat bleef liggen) of zelfs nog gemest.
Vanaf 1988 is dit proefvlak een glanshaverassociatie, zij het met een vrij zwakke diagnose. De subassociaties gewone veldbies en glanshaver/sikkelklaver wisselen elkaar af. Zachte haver, die in 1979 nog afwezig was, nam sterk toe, net als kropaar, reukgras en rood zwenkgras. Qua kruiden nam smalle weegbree sterk toe, als ook paardenbloem en gewone kruisdistel. Goudhaver werd alleen in 1988 gezien.
Opvallend aan dit proefvlak is verder het hoge bedekkings aandeel van grassen.
Proefvlak 822 Noord helling 11 graden , 50x 4 meter, midden deel Nieuwendijk, tussen nummer 4 en nummer 6..
2002 r16BB01D 45.2 0.4 0.4 0.4 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2006 r16BB01D 56.9 0.6 0.3 0.8 Arrhenatheretum medicaginetosum falcatae
2010 r16BB01C 62.4 0.9 0.3 1.3 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2014 r16BB01C 54.0 0.6 0.3 0.8 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2017 r16BB01C 41.6 0.0 0.4 -0.2 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
2020 r16BB01C 50.2 0.4 0.2 0.6 Arrhenatheretum luzuletosum campestris
De diagnose is steeds gl.hvr associatie, alleen in 1993 de subass. net rietzwenkgras, in latere jaren de subass. met zachte haver en sikkelklaver/gewone veldbies. Sinds 2010 alleen nog de subass. met gewone veldbies.
Toegenomen soorten: gewone kruisdistel, smalle weegbree, reukgras, rood zwenkgras, gewoon struisgras.
Afgenomen soorten: veldzuring, gewone hoornbloem, fluitenkruid
