Heveringen waren tot ca 1700 een kaal begraasd konijnenlandschap met vochtige laagtes. Er waren wel hakhoutpercelen, waaronder het Berckenrijs (zie  Duinen en mensen Voorne over de geschiedenis van dit eens Keizerlijk domein van Karel V). De ontginning van stukjes duin als agrarische kaveltjes ging hand in hand met twee zaken: de aanplant van (knot)elzen rond de vaak omwalde akkertjes en aanleg van greppels voor ontwatering die dan weer overgingen in wat grotere duinrellen om het water richting polder te laten afstromen.

De ‘gewone’ boomsoort op de Heveringen was al eeuwen naast berk vooral de zwarte els, al zullen ook meidoorn en vooral ook duindoorn als singels zijn geplant om te opdringerig vee te weren. Alle hout was ook brandhout dus werd kort gehouden, dan wel kort gegraasd door koe en konijn.

Grote veranderingen kwamen in de 20e eeuw na het verbod op koeienbeweiding en het instorten van de konijnenstand. Na de overdracht van het golfterrein aan het Zuid-Hollands Landschap (samen met meer dan 50 duinhuisjes en kaveltjes) is onvoldoende onderkend dat dit restant van de grote Heveringen een uniek landschap was: een oude, deels gemeenschappelijk gebruikte duinweide, vergelijkbaar met de vroongronden op Schouwen en de Westduinen op Goeree. Een evenwicht tussen recreatie, met de bijbehorende bemestingsdruk van hond en paard, bosontwikkeling en natuurherstel van deze unieke graslanden wordt al 50 jaar bepleit (o.a door Marcus Adriani) en is meer dan ooit nodig.