Bergen aan Zee: wat oude heren ons over natuur & landschap leren
Door: Bert Buizer
(2015)
Natuur en landschap zijn vaak de inspiratiebron of de aanleiding voor de werkzaamheden en creaties van letterkundigen, componisten of beeldend kunstenaars. Voor biologen, geografen, geologen en natuurpublicisten vormen natuur en landschap evenzeer een bron van inspiratie, maar met totaal ander resultaat. Publicaties in tijdschriften of in de vorm van boeken vormen de weerslag van hun werkzaamheden. Vaak betreft het nauwkeurige, al dan niet geïllustreerde, beschrijvingen van waarnemingen van planten of dieren, processen en landschappen. Bestudering van deze publicaties – en ook van andere bronnen zoals (lucht-)foto’s, notitieboekjes, interviews etc. – is deel van het vakgebied van de historische ecologie en geografie. Deze takken van wetenschap geven inzicht in de ontstaanswijze en in de ontwikkeling van natuur en landschap in een bepaald gebied. Deze kennis kan worden gebruikt bij natuurbeheer, natuurontwikkeling, maatregelen in de waterhuishouding etcetera. Voor de omgeving van Bergen en Bergen aan Zee kennen we een aantal van dit soort publicaties. We maken nader kennis met enkele van deze studies en hun schrijvers. Veel aandacht krijgt de periode vóór en kort na de Tweede Wereldoorlog; wat oudere lezers zullen sommige van de genoemde personen zeker persoonlijk gekend hebben.
Gegevens van vóór de stichting van Bergen aan Zee
Er zijn belangwekkende en interessante gegevens betreffende natuur en landschap van vóór de stichting van Bergen aan Zee. We beperken ons echter min of meer tot de periode ná 1906. Voor de periode daarvóór biedt de Bergense Kroniek de nodige houvast. Lees Wim Resoort – De duinen van Bergen omstreeks 1900 (Bergense Kroniek, Themanummer 3, 1997– ‘Bergen rond 1900’) en van dezelfde auteur ‘Toestand der duinbeplanting op den vasten wal van Noord-Holland’ (Bergense Kroniek 6:1, 1999). De auteur maakte onder andere gebruik van het eerste gedrukte rapport waarin de Hollandse duinen zijn beschreven en hoe deze geëxploiteerd zouden kunnen worden. Ook J.G.G.Jelles’ ‘Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat’ uit 1968 is nog steeds lezenswaardig. Botanisch van belang zijn onder andere Jakob Jeswiet – Die Entwicklungsgeschichte der Flora der holländischen Dünen. Zürich, 1913 en Laurens Vuyck – De Plantengroei der Duinen. Leiden, 1898.
Om Van Eeden en Van Eeden kunnen we niet heen
Op Frederik Willem van Eeden (Frits voor intimi, 1829-1901) gaan we niet uitgebreid in, maar we laten hem niet helemaal links liggen. We maakten eerder kennis met hem in ‘Een verjaardag aan Zee. Bergen aan Zee, 1906 – 2006’ (Bert Buizer & Frits David Zeiler, Pirola, 2006). ‘De omstreken van Alkmaar’, waarin Bergen niet werd vergeten, werd voor het eerst in 1872 gepubliceerd in het Album der Natuur. In 1886 werd het opgenomen, samen met andere hoofdstukken in de onvolprezen 2-delige bundel ‘Onkruid. Botanische wandelingen’ – Tjeenk Willink, Haarlem. Met zijn zoon, de psychiater en publicist, eveneens Frederik Willem doch voor intimi Fré (1860-1932), maakten we ook al eerder kennis in ‘Oude straten op oude kaarten van Bergen aan Zee’ (Bert Buizer & Frits David Zeiler, Historische Kroniek 10:2, 2003). Of de vooroorlogse Van Eedenstraat nu naar senior of junior werd vernoemd, blijft vooralsnog onduidelijk (Frits David Zeiler – ‘Als je de ‘Boulevard maar niet vergeet’ in ‘Hier is het paradijs niet verloren. Van Gorter tot Van Dis’ – Conserve, 2005.
Met vader en zoon Van Eeden maken we de stap naar historisch Bergen aan Zee. Interessant hierbij is dat een van de adviseurs van mevrouw Van Reenen, Jac. P. Thijsse, een stuk van zijn inspiratie voor zijn populaire boekjes over de natuur, heeft ontleend aan Van Eeden sr. In zijn in 2006 verschenen studie ‘Vóór Heimans en Thijsse. Frederik van Eeden sr. en de natuurbeleving in negentiende-eeuws Nederland’ besteedt Klaas van Berkel ruimschoots aandacht aan de relatie Van Eeden sr. / Thijsse. De voorzichtige conclusie lijkt gerechtvaardigd dat Thijsse via vader en zoon Van Eeden in contact is gekomen met de familie Van Reenen, mede door de kennis die Thijsse’s compaan, E.Heimans al had van de Berger flora (zie aldaar). Op de rol van Thijsse komen we nog terug. Nu eerst…
Met Heimans de duinen in
In 1958 besteedde bioloog Fop. I. Brouwer (1912 – 1991) in ‘Leven en werken van E.Heimans en de opbloei der natuurstudie in Nederland in het begin van de twintigste eeuw’ (Wolters, Groningen) aandacht aan de kennismaking en vriendschap tussen Frederik (Fré) van Eeden jr. en het bekende natuurschrijversduo Heimans en Thijsse. Via hun gezamenlijke uitgever Versluys te Amsterdam maakten ze kennis met elkaar: “Overmorgen moeten wij, mijn vriend Thijsse en ik, naar Bussum….Versluys zegt, dat U gaarne kennis met ons zou maken, wat ons heel veel genoegen deed te hooren….tegen één uur (kunt) u een heel klein zwart kereltje, dat ben ik, en een lange vlasbaardige vent met een plantentrommel gewapend, aan Uw woning verwachten….” En zo komt Eli Heimans (1861-1914), de Amsterdamse hoofdonderwijzer met een brede belangstelling voor planten, vogels en geologie, in beeld. Samen met Thijsse en J.Jaspers richtte hij in 1896 het nog steeds bestaande tijdschrift De Levende Natuur op. Het was op een woensdagavond in mei 1902 dat hij van de heer A.H.Bijleveld te Alkmaar een poederdoosje toegezonden kreeg. Het bevatte een afgebroken bloeitop van een orchideeënstengeltje, geelgroen en zonder blad, gevonden in de Berger duinen. Naar Heimans vermoedde was het de koraalwortel, een bijzondere orchideeënsoort. Op zondag 1 juni van dat jaar trok hij met samen met zijn 13-jarige zoon Jacob – de latere hoogleraar botanie – in gezelschap van Bijleveld de duinen in. Daar, in de duinen ten zuiden van het huidige Bergen aan Zee, werd de vondst – nieuw voor Nederland! – gedaan: “Wie ons dien snikheten Zondag door de duinen achter Bergen gevolgd was en de boschjes had zien doorzoeken, stuk voor stuk en stelselmatig en dat na een marsch van een paar uur in de heete zon, die zou stellig niet willen geloven dat wij zochten naar een onooglijk, geel stengeltje…..En wie de schreeuw ‘Ik heb hem’ …had gehoord…zou gemeend hebben dat er op zijn minst een goudmijn was ontdekt….” (De Levende Natuur 7:80-82)
Bijleveld: een leven in dienst van zeldzame orchideeën
Zoon H.A.S.Bijleveld, destijds woonachtig aan de Jan Apeldoornweg te Bergen, beschrijft kort de geschiedenis – opkomst en ondergang – van deze bijzondere orchideeënsoort in Nederland: “Op 20 mei a.s. in het 60 jaar geleden dat de Nederlandse botanici verblijd werden met een bijzondere vondst….”. Het aantal exemplaren – zesentwintig bij de eerste waarneming – liep op tot boven de honderd, kelderde in de twintiger jaren na kaalkap van de bosjes, en nam af tot één exemplaar in 1942. Na de oorlog, in 1946, ging H.A.S.Bijleveld tevergeefs op zoek naar deze zeer bijzondere plantensoort: “Men kan dit artikel dan ook beschouwen als een necrologie van de koraalwortel” (Gorteria 15(5), 1962). Opvallend was de rol van de familie Van Reenen, waarover Bijleveld sr. in De Levende Natuur van 1936 schrijft: “….nog steeds verheugen in ’t voortbestaan van deze allermerkwaardigste orchidee…..het doeltreffende toezicht…wij denken met groote dankbaarheid aan de eigenaars van deze terreinen, de familie Van Reenen, die, waar het in haar vermogen lag, ter dege het hare tot deze instandhouding heeft bijgedragen!”
Het is opnieuw A.H.Bijleveld, nu in 1926, die de aandacht vraagt voor nog een bijzondere orchideeënsoort in onze duinen: ‘In het land van Neottia’ (De Levende Natuur 10, 1926). Hij beschrijft in dit artikel hoe hij al in 1900 aan Heukels bekend maakte dat de vogelnestorchis, zoals de Nederlandse naam luidt, in onze duinen voorkomt. Is de koraalwortel in ons land al lang uitgestorven, de vogelnestorchis komt tot op de dag van vandaag in de omgeving van Bergen aan Zee voor. Het zijn de belangrijkste Nederlandse groeiplaatsen! De orchideeënrijkdom van de duinen rondom Bergen aan Zee was legendarisch en tot in het Parnassiapark kon men genieten van een groot aantal soorten. G.Blokhuis, verder onbekend in natuurkringen, beschreef deze rijkdom in De Levende Natuur van juli 1911. Hij noemt de welriekende nachtorchis en van de harlekijnorchis vermeldt hij: “Ze komen in Bergen in groote massa’s voor, in 1906 waren de weilanden met een paars kleed overtrokken”. De breedbladige orchis, de grote keverorchis, de slanke Sturmia, de grote muggenorchis: allemaal komen ze in groten getale rondom ons dorp voor. Deze situatie lijkt nu voorgoed voorbij….
We wandelen nog heel even mee met Heimans. Samen met R.Schuiling stelde hij een serie boekjes en wandplaten samen onder de titel ‘Nederlandsche landschappen: handleiding bij de aardrijkskundige wandplaten van Nederland’ (Noordhoff, Groningen). We raadplegen deel twee uit 1912, waarin het duinlandschap bij Schoorl wordt beschreven. Er worden ook uitstapjes gemaakt in de richting van Bergen en Bergen aan Zee en daar gaat het opnieuw om orchideeën als Sturmia, harlekijn en moeraswespenorchis. Even later, de schrijvers wandelen dan naar Bergen aan Zee en langs de Zeeweg naar De Franschman, noteren ze de vogelnestorchis, muggenorchissen, grote keverorchis en “op de bocht van den weg bij den “Franschman” staat het wit van Daslook en geurt het daardoor sterk naar uien”, net zoals we het nu nog kennen. Opvallend is de aandacht die wordt besteed aan de vele natte valleien en de daar groeiende zonnedauw.
Cees Sipkes: plantenliefhebber en ‘natuuradviseur’
Een man die bijzonder lang actief is geweest in en om Bergen aan Zee was Cees Sipkes (1895 – 1989). Na het gymnasium volgde hij een opleiding aan de tuinbouwschool om in 1918 te Overveen een wildeplantenkwekerij te beginnen. Tot 1945 hield zijn kwekerij ‘De Teunisbloem’ stand; een van de eervolle opdrachten die hij ontving was in 1925 de verzorging van de beplanting met inheemse gewassen van Thijsse’s Hof te Bloemendaal. In 1917 verscheen van hem, in twee afleveringen, in De Levende Natuur, ‘Landschap en plantengroei van de Berger duinen’.
Na een korte beschouwing over de verschillen in zand rondom Haarlem en Bergen aan Zee, besteedt Sipkes vooral aandacht aan de vele orchideeënsoorten in onze omgeving. De gevlekte orchis, de vleeskleurige orchis, de harlekijn, de welriekende nachtorchis, de dennenorchis, de vogelnestorchis en de grote keverorchis: hij noemt aantallen variërend van veertig tot ca. duizend stuks. Deze ongekende rijkdom, toen ook al bedreigd: “En tot slot nog een waarschuwing aan plantenzoekers. Wie hier komt om met een bus of rugzak vol orchideeën of zeedistels naar huis te gaan kan wel thuis blijven. De provinciale verordening, die het plukken van genoemde planten verbiedt, wordt hier streng gehandhaafd voor het behoud van de flora van deze prachtige duinstreek. De eigenaar (de familie Van Reenen, schr.) kent de waarde van een ongerepte natuur in zijn bezittingen en zoo zijn er niet veel”
Sipkes adviseerde tot ver in de vorige eeuw vele kustgemeenten over het openbare groen in het weerbarstige klimaat en op meestal zeer voedselarme en droge bodem. De huidige beplanting van het Parnassiapark en een deel van de beplanting van het Russenduin is mede op zijn advies tot stand gekomen. Tot in 1987 voelde hij zich betrokken bij de flora in en om Bergen aan Zee. Zo reageerde hij met een brief en een schets op een idee van enkele dames om de Parnassia weer terug te krijgen in het Parnassiapark. De brief was aan de schrijver dezes gericht, de schets aan het toenmalige hoofd gemeentelijke plantsoenen en groot kenner van onze wilde flora, Luc Blom. Sipkes stelde voor om op de plaats van het huidige open deel van het Engelse veld (het voormalige weilandje) een grote ondiepe plas te realiseren. Op de flauwe oevers zou zich een voorbeeldige, aan vochtige condities gebonden duinflora kunnen ontwikkelen. Hij voegt aan de brief toe: “Mijn leeftijd (toen al 91, schr.) en gezondheid staan mij niet toe er mij ter plaatse mee te bemoeien, maar….” Als Sipkes zich er wel ter plaatse mee had kunnen bemoeien, hadden we mogelijk een unieke waterpartij gehad. Dat is trouwens nu ook nog niet onmogelijk….de grondwaterspiegel en bodem ter plaatse bieden gunstige voorwaarden om een botanisch waardvolle aanleg mogelijk te maken.
Mevrouw Van Reenen, Thijsse en de plantentuin voor de duinflora
Na Heimans komt Jac. Thijsse (1865-1945) op bezoek in het nog piepjonge Bergen aan Zee. Als adviseur van mevrouw Van Reenen bemoeit hij zich met de plantengroei in het Parnassiapark. We citeren De Levende Natuur van 1912, uit het artikel ‘Een plantentuin voor de duinflora’: “Het is daarom met bijzonder veel genoegen, dat ik thans onze lezers kan mededeelen, dat de eigenaars van de Berger Duinen besloten hebben, een groote, lage duinpan, in de nabijheid van de zee, geheel in te richten als botanische tuin voor de duinflora. Het is de beroemde Parnassia-pan bij of liever in de élite-badplaats Bergen aan Zee. Dit epitheton élite beteekent niet, dat alles in Bergen aan Zee duur en onbereikbaar is, maar wel dat men tracht daar alle misstanden te vermijden, die in andere badplaatsen min of meer gevoelige menschen zoo dikwijls hinderen. Zoo zou, bij een ‘gewone’ opvatting de Parnassia-pan zeer zeker verwerkt zijn tot een villa-park, maar nu komen de villa’s om de pan heen en die heele vlakte wordt een plantentuin voor de duinflora”
Ook in De Telegraaf van 29 juli 1912 beschreef hij de plannen voor de duintuin. Zowel in De Telegraaf als in De Levende Natuur riep bij lezers op: “Wie helpt nu mee om dien tuin te bevolken? Natuurlijk mag dit niet geschieden door ontvolking van andere duinplekken. Maar waar een plekje…ten ondergang gedoemd is, kan men gemakkelijk de belangrijkste, de kostbare planten redden en ze opzenden naar het asyl in de Parnassia pan. Bovendien kan men altijd zaden en stekken verschaffen en ook is het volkomen in den haak, als men van de groote overvloed, die elders heerscht, een kleinigheid aan ons zendt”. Er was al correspondentie tussen mevrouw Van Reenen en Thijsse voordat de bovengenoemde berichten verschenen. Zo schreef Thijsse in een brief – te dateren voorjaar 1911 – “Zeer geachte mevrouw, Al lang had ik eens in Bergen aan Zee willen komen, doch ik kan maar steeds geen tijd vinden….Toch moet ik maar eens proberen om op een Zondag uw duintuin te komen bezien….Het overplanten van orchideeën levert grote bezwaren…” Thijsse doelde op de bijzondere eisen die deze plantensoorten aan hun milieu stellen. Hij stelde toch voor om vogelnestorchis en koraalwortel over te planten “…als daar tenminste een boschje is met voldoenden ouden humus, om goeie groeicondities te verzekeren en ’t allerbest is dan nog om een kar met bosgrond van de oorspronkelijke groeiplaats mee te nemen…” De brief eindigt met de mededeling: “Natuurlijk mogen wij zoo openlijk het uitgraven van exemplaren niet in de hand werken, zelfs niet voor het goeden doel. Wat wij persoonlijk uitrichten op ons bekende en vertrouwde plaatsen is natuurlijk heel wat anders”……… In 1914 werd de heemtuin ingericht. Hier werd onder andere gekweekt voor het behoud van de wilde duinflora, maar ook voor uitgifte van zaden, stekken en jonge planten om elders toe te passen. Thijsse berichtte al over deze functie in zijn artikelen “…kunnen wij aan ieder, die er om vraagt de mooiste en zeldzaamste duinplanten verschaffen….” Thijsse leefde voort in de badplaats in de vorm van een idyllisch paadje aan de zuidzijde van het Parnassiapark. Het werd overwoekerd en raakte in de vergetelheid (Buizer & Zeiler, 2003).
Met Mary en Lizzy naar het Parnassiapark en de plantentuin
Over het Parnassiapark en “…de vette donkerpaarse Orchideeën, die er in het tuintje waren…..en de stevige bruingespikkelde blaren…” worden we geïnformeerd in de roman ‘De Zee’ (Van Holkema & Warendorf, ca. 1930) van Marie van Bergen, alias Mary Elisabeth van Reenen (1888-1948), dochter van Jacob en Marie van Reenen-Völter. Zij huwde Hendrik Louis Taets van Amerongen (1884-1963). Het echtpaar bewoonde de voormalige villa De Dennen gelegen op de plaats waar zich nu het gelijknamige hotel bevindt. Zowel het Parnassiapark als de botanische tuin bestaan nog. Na decennia van onzorgvuldig en onachtzaam beheer worden stap voor stap elementen gerestaureerd of gerenoveerd. De gemeentelijke projectgroep ‘Restauratie Parnassiapark’ heeft daarvoor aan het einde van 2007 een ambitieus plan gepresenteerd. Inmiddels is de herinrichting gerealiseerd van de destijds totaal overwoekerde botanische – of heemtuin. Het werkt werd verzet door de heemtuinwerkgroep van het IVN. Op zaterdag 3 juni, in het jubileumjaar 2006, werd deze op feestelijke wijze heropend door Lizzy (Elisabeth) van Lawick van Pabst – van Reenen, achterkleindochter van de stichteres. Met de ingrepen die in de heemtuin zijn gedaan zou terugkeer – op termijn – van enkele orchideeënsoorten mogelijk moeten zijn. Een grote wens zou de hervestiging zijn van de Parnassia…
Bijhouwers studie der Berger duinen
Het eerste grootschalige wetenschappelijke onderzoek dat in de omgeving van Bergen aan Zee werd uitgevoerd, is dat van Jan Tijs Pieter Bijhouwer (1893-1974). Bij het grote publiek is Bijhouwer – later hoogleraar tuin- en landschapsarchitectuur te Wageningen – bekend geworden met zijn boeken Nederlandse boerenerven (1943, Heemschutserie, uitgegeven door Allert de Lange, Amsterdam), Nederlandse Tuinen en Buitenplaatsen (1946, Heemschutserie) en Het Nederlandse Landschap (Kosmos, 1971). Voor ons is zijn proefschrift uit 1926 van belang: ‘Geobotanische studie van de Berger duinen’. Vanaf 1923 doorkruiste Bijhouwer de duinen ten noorden en ten zuiden van Bergen aan Zee: “Zeer erkentelijk ben ik Jhr. Jb. Van Reenen te Bergen voor de vergunning zijn terreinen te mogen exploreren” Voor het verwerken van een deel van zijn in het veld verzamelde gegevens meldt hij: “ Het Bestuur der Berger Schoolvereeniging breng ik hierbij mijn hartelijken dank voor het welwillend afstaan van een werklokaliteit in de nabijheid der duinen…..”
De grote waarde van het werk van Bijhouwer is gelegen in zijn nauwkeurige beschrijvingen van de bodem- en grondwatersituatie, het voorkomen en in kaart brengen van plantensoorten en plantengemeenschappen. Zorgvuldige documentatie van de plekken waar hij zijn waarnemingen verrichtte en de gedeeltelijke weergave op duidelijke verspreidingskaartjes benadrukken de waarde van zijn pionierswerk.
Met Victor Westhoff in de Verbrande Pan
In 1950 borduurden Mieke Hoffmann en de bioloog Victor Westhoff (1916-2001) voort op het werk van Bijhouwer. In De Levende Natuur van 1951 publiceerden zij in een drietal artikelen de bevindingen van hun plantensociologische onderzoek in de Verbrande Pan: ‘…het toonbeeld van een lieflijk arcadisch landschap’. De artikelen geven ook informatie op het gebied van waargenomen paddestoelen, dit in samenwerking met de Alkmaarder G.D.Swanenburg de Veye. Tevens vervaardigden zij een vegetatiekaart met daarop ingetekend talrijke details. We gebruiken de gegevens, naast die uit de aantekenboekjes van Westhoff, nog steeds als referentie. Het meest bijzondere van het werk van Hoffmann en Westhoff zijn de toen aangelegde 36 permanente kwadraten: proefvlakken waarin regelmatig de veranderingen in de plantengroei worden genoteerd en naderhand worden uitgewerkt. Tot op heden worden de proefvlakken opgenomen: een heel bijzondere reeks van waarnemingen! Westhoff heeft grote verdiensten in de natuurbescherming en het natuuronderzoek. Ter nagedachtenis aan hem zijn in zeven, over ons land verspreide landschappen, die hem zeer na aan het hart lagen, zeven identieke beelden geplaatst. In de Verbrande Pan, dicht bij de Zeeweg, staat er een. De beeldend kunstenaar Willem van der Velden beeldde een ‘onderzoeker’ uit: ‘Hij observeert / Hij beschrijft de natuur / De natuur is al haar verscheidenheid / Telkens weer / Hij volgt de natuur’. Bijhouwers resultaten leverden ook een waardevol uitgangspunt (voor wat betreft de Berger duinen) voor het landsdekkende landschapsecologisch onderzoek in de jaren 1976-1979 door Bakker, Klijn en Van Zadelhoff. Een samenvatting van dit onderzoek geeft hun ‘Duinen en duinvalleien. Een landschapsecologische studie van het Nederlandse duingebied’ (Wageningen, 1979). Door deze studie weten we hoe onvoorstelbaar groot de daling van het grondwater in de duinen is en welke dramatische gevolgen dit heeft gehad voor de samenstelling van de flora. Voor de Berger duinen wordt hierop gedetailleerd ingegaan. Met veel inzet van deskundigheid en financiën, ondersteund door gericht en toegepast wetenschappelijk onderzoek, wordt dezer jaren getracht herstel van natuurlijke processen te stimuleren. Een verdere achteruitgang van natuur en landschap poogt men te stoppen dan wel te keren.
De veelzijdige Strijbos
Tot nu toe lag de nadruk op de botanische kwaliteit van de duinen rondom Bergen aan Zee. We gaan nu in op wat onze eerste en een van onze grootste natuurpublicisten, Jan P. Strijbos (1891-1983) over Bergen aan Zee heeft te melden. Voor heel wat generaties natuurfotografen, -liefhebbers en –beschermers was Jan P. zoals hij werd genoemd, de grote inspirator. Tot op hoge leeftijd trok hij door het land met zijn diavoorstellingen en zijn natuurfilms, die hij met zeer luide stem van commentaar voorzag. Hoewel hij was opgeleid voor bouwkundig tekenaar / architect koos hij ervoor om van de pen te leven en in 1935 verscheen zijn eerste boek ‘De Blauwe Reiger’. Jan P. reisde al voor de oorlog naar Spitsbergen, beleefde daar een hachelijk avontuur waarbij hij ternauwernood aan de dood ontsnapte. Zijn ‘Svalbard. Zwerftocht langs de koele stranden van Spitsbergen’ waarin hij over dit voorval verslag doet, is nog steeds de moeite waard om te lezen. Jan P. had een vaste rubriek in dagblad De Telegraaf en op 14 augustus 1927 schrijft hij voor de eerste keer over zijn wandelingen in het Berger duin. De jaren daarop schrijft hij nog diverse malen over duin en bos tussen Bergen en Bergen aan Zee. Opvallend is daarbij de beschrijving van de in ieder geval in de winter zeer hoge waterstand. Vele duinvalleien staan dan blank om in het volgende voorjaar een rijke flora te tonen. Met scherpe pen beschrijft hij de bedreigingen in de vorm van waterwinning, huizenbouw en wegenaanleg tussen bij voorbeeld de Franschman en Duinvermaak: “De welstand van Bergen gebiedt verwerping van dit wegenplan, wijl het de rust en de ongereptheid van het Bergerbosch aantast. En laat in Godesnaam ook den schilderachtigen weg langs den duinvoet naar Schoorl en Groet zoo smal en bochtig en slechts al hij nu is…” (De Telegraaf, 2 maart 1930)
Veel van Strijbos’ natuurcolumns zijn in 1930 in boekvorm uitgebracht onder de titel ‘Waar de Stilte spreekt. Natuurleven van Holland’s blanke stranden en blonde duinen’. De uitgave werd ingeleid door Jac. P. Thijsse en geïllustreerd door S.Kuperus. Uitgever H.J.W.Becht te Amsterdam voorzag de titelpagina van het fraaie acrostichon ‘Hebt in werken bevrediging’. Hoewel we veel minder nauwkeurig de door Strijbos beschreven situaties in het veld terug kunnen vinden als bij Bijhouwer het geval was, levert zijn werk toch een beeld op van een rijk en gevarieerd duingebied met veel dynamiek en veel ruimte voor een bijzondere planten- en dierenwereld.
Historisch is zijn verhaal – ‘De laatste der Mohikanen’ – over het voorkomen van de griel of doornsluiper, in de duinen. Strijbos schatte het aantal broedparen van deze bijzondere vogel in de Berger duinen in de periode 1930-1935 op vijf tot zeven. In zijn artikel in ‘De wandelaar in weer en wind’ 18 (1950) neemt hij ook een eigen foto, gedateerd 6 mei 1934, op van de kale Berger duinen “….Zoals het broedbiotoop van de griel er behoort uit te zien”. Op grote schaal zijn er stuifplekken, is de begroeiing ijl en toont het landschap dynamisch. In 1950 nam Strijbos nog maar één nest met twee eieren waar, waarvan er nog één verloren raakte. Het ornithologische tijdschrift Limosa vermeldt voor 1951 nog een tweetal nesten. In 1980 vatte Strijbos zijn grote kennis van het voorkomen van de griel samen in een artikel in Het Vogeljaar (28:80-88) onder titel: ‘De Griel, een duinvogel die verdwijnen moest’. Net als dit bij de koraalwortel het geval was, bleek ook dit een necrologie te zijn.
Tesch en Pannekoek: het zand en de duinen
De eerste wetenschappelijk onderbouwde studies naar de samenstelling en herkomst van het duinzand zijn van de hand van de geoloog P.Tesch. Hij publiceerde de resultaten in een serie artikelen (‘duinstudies’) in het tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap. Tesch’ inzichten zijn in 1935 uitgebracht als het populaire ‘De vorming van de Nederlandsche duinkust’ (Bibliotheek van de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging Nr. 4, Wolters, Groningen-Batavia). Hierin beschrijft hij de verschillende herkomst van deze zandmassa’s en gaat letterlijk in op de situatie ten noorden en ten zuiden van Bergen aan Zee. In twee afzonderlijke hoofdstukken beredeneert Tesch de verschillende herkomst van het zand waaruit de jonge duinen zijn opgebouwd. Zowel het werk van Bijhouwer als het werk van Tesch hebben in later jaren bijgedragen tot diverse geologische en biologische studies, waaraan de genoemde verschillen ten grondslag liggen. De ‘kalkgrens’ bij Bergen aan Zee is nog steeds een uniek verschijnsel en mede daaraan danken de ‘Duinen bij Bergen’, inclusief het Engelse Veld binnen de bebouwde kom van Bergen aan Zee, hun Europees beschermde status. ‘Geomorphologische waarnemingen in de duinen bij Bergen aan Zee’ verhaalt over de uiterlijke verschijningsvorm van enkele duincomplexen te noorden en ten zuiden van het vooroorlogse Bergen aan Zee. Het artikel is opgenomen in het ‘Gedenkboek Dr. Jac. P. Thijsse’, in 1935 uitgegeven als speciaal nummer van De Levende Natuur ter gelegenheid van “..den 70sten verjaardag van Dr. Jac.P…..en het veertigjarig bestaan van het tijdschrift” De auteur is de internationaal vermaarde geoloog dr. Antonie Johannes Pannekoek (1905-2000), zoon van Antonie Pannekoek (1873-1960), Nederlands astronoom, theoreticus van de sociaal-democratie en later van het radencommunisme. De familie Pannekoek had een (zomer-)huis in Bergen aan Zee.
De geoloog Pannekoek was hoogleraar algemene geologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en verantwoordelijk voor de vakgebieden sedimentologie en geomorfologie. Ongetwijfeld tijdens een verblijf in hun huis ‘Wernau’ aan de Elzenlaan, heeft Pannekoek een aantal duinen getekend, de vorming- en erosieprocessen beschreven en tenslotte geconcludeerd dat studie van de duinen en de plantengroei onlosmakelijk met elkaar verbonden horen te zijn. Pannekoek borduurt met zijn werk voort op het in 1934 verschenen werk van J.W. van Dieren – Organogene Dünenbildung, wanneer hij de duinen van fraaie typenamen voorziet. En passant meldt hij dat de bebossing inmiddels heeft plaatsgevonden en dat brengt ons tot de conclusie dat Pannekoek als een van de laatsten getuige is geweest van het grootschalige dynamische, stuivende duinlandschap rondom ons dorp. Diverse door hem beschreven duincomplexen zijn nog exact in het terrein te lokaliseren.
Van Reenen’s duinbebossingen
Over de bebossing van de duinen schreef J.A. van Steijn in 1933 zijn proefschrift. In detail beschrijft hij dennenaanplant langs de gehele Europese kust. Diep gaat hij in op de Schoorlse bebossingen. Van Steijn noemt, naast de gebieden die onder het ‘Staatsboschbeheer’ vallen, als een van ‘belangrijkste duinbebosschingen in Noordholland’, de ‘particuliere bebosschingen nabij de badplaats Bergen aan Zee’. Het waren Jacob en Marie van Reenen – Völter die, aansluitend bij de kennis op dit gebied, een einde maakte aan ‘een toneel van akelige woestheid, een beeld van armoede, verwaarlozing en dood’ zoals het stuivende duin door Van Eeden werd genoemd. Met de bebossing door de Bouw Exploitatie Maatschappij Beren aan Zee werden aanzien en natuur van de duinen ingrijpend veranderd. Delen van de geschiedenis van de bebossing van de Berger duinen zijn te lezen in de jubileumboeken ‘Bergen aan Zee. Badplaats anno 1906’ (Pirola, Schoorl, 1981) en ‘Een verjaardag aan zee. Bergen aan Zee 1906-2006’ (Pirola, Schoorl, 2006).
Naar inzicht in het uitzicht
Hiermee is onze gang door de ‘Bergense natuur- en landschapsboekenkast’ ten einde gekomen. We besteedden aandacht aan slechts enkele onderwerpen van de duingeschiedenis. Door ook zoveel aandacht te besteden aan alle andere factoren die een rol in de ontwikkeling van natuur en landschap spelen, zoals bosgeschiedenis, waterwinning, houtoogst, jacht, gevolgen van oorlogen etc., kunnen we als het ware natuur en landschap laag voor laag analyseren. Hierdoor ontstaat ‘inzicht in het uitzicht’. De Berger duinen waren beroemd, dat blijkt wel uit de vele, vaak lyrische beschrijvingen. Ook nu vormen de Berger duinen nog steeds een rijk geschakeerd gebied, een lust voor het oog en een genot voor recreant en onderzoeker
Frits David Zeiler brainstormde met de auteur over de opzet en inhoud van dit artikel.

Bello, de tram van Alkmaar naar Bergen aan Zee. Bron: DvH




