KNNV Haarlem e.o. 125 jaar op de bres voor natuur in Zuid-Kennemerland
Joop Mourik en Anneke Koper
Dit artikel is een bewerking uit 2026 en ontleend aan: De natuur bewonderen en bestuderen, Honderd jaar veldbiologie en natuurbehoud in Zuid-Kennemerland. Serie Haarlemse miniaturen deel 56. Uitgeverij De Vrieseborch, KNNV Afdeling Haarlem en omstreken, 2001. Interessant is dat het vasthoudende inzicht van Kees Sipkes, namelijk dat bebouwing van een enkel huis in het duin rond de Zeeweg van Bloemendaal zou leiden tot een olievlek, geleid heeft tot het geweldige duinlandschap dat we nu nog kennen.
De Natuurhistorische Vereniging (NNV) Haarlem werd op 16 maart 1901 opgericht met als doel natuurkennis te verspreiden en zich in te zetten voor het behoud van de lokale flora en fauna. Na verscheidene acties rondom Haarlem, protesteerde de vereniging vanaf 1926 tegen de dreigende bebouwing van de duinen. Onder aanvoering van Kees Sipkes werd de NNV Haarlem luidruchtig klokkenluider. In de jaren dertig waren de acties ongemeen fel omdat volgens Jac. P. Thijsse de “de vier W’s: woningen, wegen, werkverschaffing en waterleiding zich geducht in het Kennemerduin doen gevoelen.” De successen waren wisselend maar commissies en werkgroepen schudden de overheidsinstanties wakker. Door tenminste een vertraging, maar soms ook volledige afwijzing van voorgenomen bouwplannen en wegenaanleg is in die tijd veel onherstelbare schade voorkomen. Na de oorlog was het tij gekeerd en kon de oprichting van het Nationaal Park De Kennemerduinen worden gevierd. Maar hoe ontstond deze vroege inzet voor de natuur?
De eerste signalen van verontrusting
Excessen in verzamelwoede en jacht brachten al in de beginjaren van de 20e eeuw heftige discussies onder de leden teweeg. De natuur moest beschermd worden tegen “de vernielende invloed van de baldadige of onnadenkende mens.” Maar wat er allemaal aan flora en fauna in de weidegebieden en oeverlanden rondom Haarlem verdween, ontsnapte grotendeels aan de aandacht van de natuurvrienden. Zij hielden zich voornamelijk op in bos en duin. In 1906 voerde de NNV Haarlem een actie voor de bescherming van een zeldzame plant in Haarlem, de Blauwe anemoon, en van het Liedemoerasje. De vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten was net opgericht en er was nog steeds veel verontwaardiging over het plan van Amsterdam om het Naardermeer tot stortplaats van stadsvuil te bestemmen. Het ophogen van zompig rietland met afval was overigens in laag Nederland heel gewoon. Ook de gemeente Haarlem had vergelijkbare plannen. De Haarlemse NNV leden waren bang dat het storten van afval het einde zou betekenen van het bekende bloemenparadijsje langs de Liede. Het bestuur verzocht gemeente Haarlem om het oeverland te mogen huren maar dit bleek onmogelijk. Echter de aandacht was gevestigd en het Liedemoerasje bleef gespaard. Nu is het een natuurmonument van Landschap Noord-Holland. Het is ook nu nog een bijzondere plek met moerasheide o.a. veenbes en kraaiheide.
De Primulabeek verloren, het Naaldenveld ontzien.
De eerste actie tegen de aantasting van de duinen had betrekking op het Naaldenveld en de schilderachtige Primulabeek die de natuurliefhebbers hadden leren kennen door de bundel “Onkruid, botanische wandelingen in Kennemerland” (1886) van F.W. Van Eeden. Tot grote ontzetting van velen was men hier in 1925 begonnen met de aanleg van een weg langs kavels voor toekomstige villabouw. Begin 1926 richtte de Afdeling een verzoekschrift aan de gemeente Bloemendaal, waarin ongerustheid werd uitgesproken en gevraagd werd om het Naaldenveld te ontzien. Het antwoord was dat de gemeente niets tegen de schending kon doen, het terrein was immers particulier bezit. Maar de NNV, onder aanvoering van Kees Sipkes (geboren 1895), liet het er niet bij zitten en organiseerde een protestbijeenkomst. Ook Jac. P. Thijsse sprak zijn bezorgdheid uit: “Helaas zijn we ondanks al onze tentoonstellingen, excursies en andere propaganda-maatregelen nog niet bij machte om ook maar een half procentje uit de beurs van de belastingbetaler te toveren voor het behoud van de mooiste delen van het Nederlandse landschap.” Voor de Primulabeek kwam de reddingsactie te laat en voor het Naaldenveld werd een commissie ingesteld om de schade zoveel mogelijk te beperken. Aan het einde van 1926 ventileerde Sipkes zijn teleurstelling in de krant (welke en datum??).
“Over het Naaldenveld behoef ik niet te spreken. Alleen al de wijze waarop de wegen zijn aangelegd, op verhoogd niveau door een weiland en dwars door de Primulabeek, is in strijd met het respect dat wij mensen moeten hebben voor het natuurschoon.”
Van Zeewegactie tot Nationaal Park
Bij de openstelling in juni 1921 van de zacht kronkelende Zeeweg vanaf Bloemendaal naar wat we nu kennen als Bloemendaal aan zee waren er nog geen tekenen van ongerustheid in NNV kringen. Dat werd anders toen het gemeentebestuur van Bloemendaal op 8 september 1921 plannen bekend maakte om de onkosten van de aanleg te bestrijden door een brede strook duingrond ter weerszijden van de weg aan te kopen en deze te bestemmen als bouwgrond voor villa’s. Een deel van de bouwbestemming was ook al gevonden. Schuin tegenover de Haarlemse watertoren kon wel het nieuwe Raadhuis gebouwd worden. Dit verontrustte de natuurvrienden nog meer, want dat zou weleens het begin kunnen worden van een nieuwe dorpskern in de duinen. Jarenlange strubbelingen volgden met verontruste burgers die op de financiële risico’s wezen, projectontwikkelaars en Gedeputeerde Staten van Noord Holland. In 1929 besloot de gemeenteraad tot aankoop waarna de NNV Haarlem aan de bel trok. Het Naaldenveld stond model: als eenmaal huizenbouw toegestaan werd, zou niet alleen het landschap langs de Zeeweg bedorven worden maar kwam het hele duingebied in gevaar. De schaal van de protesten was aanvankelijk regionaal maar in 1930 besloot het bestuur om de kwestie landelijke bekendheid te geven en er nog een schepje bovenop te gooien. Een Nationaal park was het doel.
De visie van de NNV Haarlem e.o. en de eerste schermutselingen
De eerste tekenen van bezorgdheid dateren uit 1926. Kees Sipkes richt zich tot de kranten en krijgt het bestuur mee om een verzoekschrift aan de gemeenteraad van Bloemendaal te sturen. “Bebouwing langs de Zeeweg en het natuurschoon, er kon een Nationaal park gesticht worden”, zo luidde de titel van het eerste krantenartikel dat hij aan de Zeewegkwestie wijdde. Het natuurschoon van de Bloemendaalse duinen moest ongerept blijven en dus vrij van bebouwing. Dat bleef het uitgangspunt voor alle NNV acties die hun hoogtepunt bereikten in de periode 1929-1933.
In de motivering bij het gemeentelijke aankoopbesluit van oktober 1929 stond dat “het gewenst is om de langs de Zeeweg gelegen terreinen in eigendom te verkrijgen teneinde zodoende in staat te zijn het natuurschoon aldaar zoveel mogelijk te kunnen beschermen”. Daar bespeurde de Afdeling een addertje onder het gras. Het kon toch niet waar zijn dat de gemeente bijna een miljoen gulden uitgaf louter en alleen om het natuurschoon te beschermen? Het addertje zat ‘m in de manier waarop de gemeente deze bescherming meende te kunnen bieden; namelijk door de duingronden vergezeld van een bouwvergunning weer te verkopen. De argwaan was groot en onmiddellijk werd een protestactie op touw gezet.
“De heer Sipkes vindt dat een actie groot moet worden aangepakt. Als dit niet gestuit wordt vreet het verder het noorden in en de ontwikkelende wereldstad heeft een Nationaal Park nodig. Er moet een agitatie comité komen.”
Om te beginnen gingen brieven uit naar de gemeente Bloemendaal en Gedeputeerde Staten van Noord Holland. Maar ook werd aangeklopt bij de Gewestelijke Commissie en bij landelijke organisaties zoals het Hoofdbestuur van de NNV, de ANWB en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. De landelijke natuurorganisaties stelden zich afwachtend op, maar de ANWB plaatste al in december een bericht over “Bedreigd natuurschoon” in het ledenblad De Kampioen.
De voorwaardelijk goedkeuring van Gedeputeerde Staten
Onverwachte steun in de rug kwam al snel van Gedeputeerde Staten. Het raadsbesluit tot aankoop werd eind 1929 goedgekeurd onder de voorwaarde “dat daarmee niet vooruit wordt gelopen op een beslissing tot bebouwing.” Ofwel goedkeuring van aankoop betekende niet automatisch groen licht voor bebouwing. In dit eerste, zij het kleine succes zag de Afdeling een aanmoediging. Het bestuur zette de actie voort om het gevaar van toekomstige bebouwing definitief uit de weg te ruimen. Zonder de krachtige steun van het NNV Hoofdbestuur en Natuurmonumenten helaas. De landelijke natuurorganisaties vonden dat de bouwstemming acceptabel was “mits de bebouwing ruim zou worden opgezet en niet verder het gebied zou indringen”. Deze wel uiterst voorzichtige opstelling schoot de Afdeling in het verkeerde keelgat, juist omdat hierdoor de kern van haar eigen visie ondergraven werd. Namelijk dat de bouw van ook maar één woning als precedent zou werken en dat daarmee andere bebouwing in de toekomst niet tegen te houden zou zijn. Het was hoog tijd om het duingebied definitief veilig te stellen. Steun van Natuurmonumenten was daarvoor wel noodzakelijk.
Een oproep tot aankoop en reservering als natuurpark.
De NNV Haarlem pakte het in 1930 groots aan en richtte een verzoekschrift aan Provinciale Staten met de vraag of “de provincie ertoe zou kunnen besluiten de duinterreinen, begrensd door de spoorbaan Overveen-Zandvoort ten zuiden en de bebouwingen van de gemeente Velsen ten noorden en noordoosten, te kopen en voor natuurpark te reserveren.” Voor de realisatie was de steun van Natuurmonumenten als mogelijk toekomstig beschermheer onontbeerlijk. Het bestuur bleef bij Natuurmonumenten aandringen en nadat verschillende concepten heen en weer waren gegaan ontstond er in juni consensus. Het verzoekschrift werd door beide verenigingen ondertekend en aan Provinciale Staten verzonden. Voor de verwerving van brede steun werden afschriften verstuurd aan particuliere en overheidsorganisaties. In hetzelfde kader stelde Sipkes voor om een speciaal tijdschrift te laten verschijnen dat geheel gewijd was aan de Zeewegactie en de bescherming van het Kennemerlands Natuurschoon. In november 1930 verscheen de Kennemer Wandelaar “in een oplage van 1000 exemplaren, voornamelijk bestemd voor de pers, landelijke natuurorganisaties, gemeentebesturen, het provinciebestuur en leden van de Eerste en Tweede kamer.”
Nieuwe bedreigingen
Nog voordat het blad was verschenen lag er een brandbrief van Natuurmonumenten met het bericht dat het beoogde natuurpark alweer in gevaar was. In het kader van de werkverschaffing had de regering aangekondigd dat in de winter van 1930 begonnen zou worden met de aanleg van een weg door de duinen van IJmuiden naar Noordwijk. Landelijke en gemeentelijke protesten waren voldoende om de uitvoering af te blazen.
Twee jaar later liet Bloemendaal weer wat van zich horen. Nu was het plan opgevat om een verbindingsweg van de Brouwerskolk naar de Zeeweg aan te leggen, dwars door een ongerept deel van de duinrand. Tussen deze weg en de Brouwerskolk zou een nieuwe woonwijk gebouwd kunnen worden. Voor het ontwerp was Leon. A. Springer (oud voorzitter NNV Haarlem) benaderd, maar hij bedankte voor de opdracht. Hij vond dat bebouwing het natuurschoon van deze omgeving teveel schade zou toebrengen. Op 1 oktober riep de vereniging de hulp in van het college van Gedeputeerde Staten om haar invloed uit te oefenen om “te voorkomen dat wederom een van de meest karakteristieke en tevens een der laatste stukjes natuurschoon van Kennemerland verloren gaan.” Doordat inmiddels de Contactcommissie inzake Natuurbescherming was opgericht kon het bestuur volstaan met ondersteuning en kennis van zake. In juni 1933 kwam het bericht van Gedeputeerde Staten dat “mede door het rekest der NNV Afdeling Haarlem goedkeuring is onthouden aan het Raadsbesluit der Gemeente Bloemendaal tot aanleg van een weg langs de Brouwerskolk.” Tegen deze afwijzing ging de gemeente in beroep bij de Kroon. Tijdens de openbare behandeling door de Raad van State hield de heer C. C. van Beaumont namens de NNV Haarlem e.o. een vurig pleidooi voor het behoud van het Brouwerskolkje. De teleurstelling was groot toen in januari 1934 de vernietiging van het besluit van Gedeputeerde Staten bekend gemaakt werd. Daarna kon de Brouwerskolkweg alsnog aangelegd worden en waren de bedreigingen voor de schending van het duingebied nog lang niet uit de lucht. Opnieuw werden acties gevoerd, onder andere tegen de afzanding van de duinen bij Bentveld en tegen een plan van de gemeente Zandvoort om een weg door de duinen achter Koningshof aan te leggen naar de Zandvoorterweg. In februari 1940 kwam de Zeewegkwestie opnieuw aan de orde omdat de gemeente Bloemendaal “nu plannen heeft om terreinen aan de Zeeweg af te zanden.” Kees Sipkes wijst erop dat de gemeente zonder deskundige voorlichting laat graven. Bovendien wijst hij op de wenselijkheid om het ongerept duinterrein tussen Haarlem IJmuiden en Zandvoort tot een Nationaal park te maken. “De regering zal misschien met oog op de komende mobilisatie tot medewerking geneigd zijn.” Zover kwam het in 1940 niet maar tijdens de oorlog rijpten de plannen.
Ontwikkeling van een visie
Onmiddellijk na de bevrijding pakte bestuurslid Sipkes de draad van de duinbeschermingsacties en het ideaal van een Nationaal park weer op. In de bestuursvergadering van 28 juli 1945 zette hij uiteen “wat de NNV kan doen en met welke organisaties samenwerking gezocht moet worden om een grote actie te voeren voor het ongerept bewaren van de 5000 ha duinterrein tussen Zandvoort, Haarlem, IJmuiden en Velsen.” Hij schreef een visie over het toekomstige “Nationaal Duinreservaat bij Haarlem” waarin voor het eerst ook het (herstel)beheer en de gewenste inrichting van het duingebied ter sprake komen. Een overzichtskaart van het uitgestrekte duinterrein had hij ook al paraat, met veldnamen en al. Daarmee keek hij ver vooruit want het Nationaal Park Zuid-Kennemerland van die omvang zou pas in 1995 tot stand komen. Voor de Haarlemse NNV leden hield Kees Sipkes in oktober 1945 een voordracht over zijn visie en later dat jaar volgde de instelling van een Duinreservaat Comité, waarvoor Natuurmonumenten en de Contactcommissie voor Natuurbescherming werden benaderd.
“Tussen Zandvoort, Haarlem, IJmuiden en Velsen ligt het grootste nog gave duingebied van West Europa, alleen doorsneden door de bekende Zeeweg. Door de NNV is er altijd voor geijverd dat dit prachtige landschap een groot natuurmonument zou worden…. Reeds meer dan 25 jaren geleden werd er in het gebouw van de Hollandse Mij der Wetenschappen een duintentoonstelling gehouden met als strekking: ‘De Haarlemse duinen een groot natuurmonument.’ Later voerde de Afdeling Haarlem der NNV een actie tegen bebouwing langs de Zeeweg, omdat dit de waarde van het toekomstige natuurmonument in sterke mate zou verminderen. Schrijver heeft voor de oorlog in de Haarlemse pers menig pleidooi gehouden voor dit doel. Toen is de oorlog gekomen en zijn deze duinen opgenomen in de Duitse kustverdediging en doorgraven met een tankgracht, terwijl op sommige punten reeksen kazematten gebouwd zijn. Wie echter meent dat deze duinen hiermee onherstelbaar vernield zouden zijn, overschat de omvang van deze vernielingen en onderschat de regeneratieve krachten van dit jonge landschap, dat nog maar net in het begin van zijn ontwikkeling is….Wanneer dit gebied tot Nationaal park verklaard zou worden kan dit dienstbaar gemaakt worden aan een zo groot mogelijke groep van onze bevolking…. Een bijzondere terreinbehandeling, aanleg van paden, planten van hout en een vermindering van het aantal konijnen zal daar echter zeker noodzakelijk zijn…. In januari van dit jaar is overleden de bekende popularisator van de natuurstudie: dr. Jac. P. Thijsse. Het plan de bunkerstellingen te laten onderstuiven had zijn volle instemming. Zouden wij zijn nagedachtenis beter kunnen eren dan door dit grote en in ons land mooiste natuurmonument te noemen: THIJSSE RESERVAAT ?” Een (ontleend aan: Nationaal duinreservaat bij Haarlem, door C. Sipkes, 1945 )
De realisatie
Door de algemene malaise na de oorlog liep het initiatief vertraging op en toen Sipkes in verband met een nieuwe werkkring in 1946 naar Voorne vertrok viel de NNV Haarlem stil. Het bestuur verzocht hem om de contacten met Duinreservaat Comité te blijven onderhouden. In de volgende jaren werkte Sipkes, samen met landelijke organisaties, achter de schermen verder aan de totstandkoming van het natuurmonument, zoals blijkt uit artikelen in de krant en brieven. Hij hield het Haarlemse bestuur op de hoogte van de ontwikkelingen, gaf aanwijzingen over de inrichting en het beheer en de rol die de vereniging daarbij zou kunnen spelen. In 1949 was de oprichting aanstaande, “al kan het nog wel een half jaar duren. Ik vind het zeer nodig dat de Afdeling van zich laat horen maar dit is een zeer subtiele affaire. We moeten waken voor technisch volmaakte maar landschap bedervende voorzieningen zoals betonwegen die door overheidsdiensten elders in de duinen zijn aangelegd en tegen jachttoestanden zoals op Voorne die de flora veel schade berokkenen en de recreatie bemoeilijken.” Vinger aan de pols houden was zijn devies en hij besloot zijn raadgevingen voor de inrichting met: “door uitstuivingen en waar mogelijk door afgravingen is veel te bereiken.”
Op 15 april 1950 werd de Stichting Nationaal Park De Kennemerduinen opgericht. Daarmee was het doel bereikt waar de natuurvrienden decennia lang met veel volharding aan gewerkt hadden. Op de feestelijke bijeenkomst in het Krelagehuis (16 maart 1951) ter gelegenheid van het gouden jubileum van de inmiddels Koninklijke NNV afdeling Haarlem e.o. bedankte de burgemeester van Haarlem, mr. P. Cremers, leden en bestuur” voor hun onvermoeibare ijver om de Kennemerduinen als pronkjuweel van het Nederlandse landschap in zijn rijkdom aan schoonheid te bewaren.” Na de pauze hield Kees Sipkes een bevlogen voordracht met lichtbeelden over “Het nationale park de Kennemerduinen, het mooiste geschenk bij ons 50 jarig jubileum.” De dag erna werd een excursie onder zijn leiding gehouden.
Lees verder: Kees Sipkes (1895-1989) in de NNV Haarlem en omstreken.






