De Banken
Door Floris de boer (tekst en fotografie)
Dat was nou echt goed nieuws. Op 18 april 2019 tekenden het Hoogheemraadschap Delfland en het Zuid-Hollands Landschap een overeenkomst, waarbij het beheer over De Banken werd overgedragen van de eerstgenoemde naar de tweede. De Banken, één van de weinige natuurgebiedjes in het drukke, vol gebouwde en bevolkte Westland is daarmee veilig gesteld.
Je vindt De Banken aan het einde van de Verlengde Strandweg in het buitengebied van ’s-Gravenzande. Dat wil zeggen: in zoverre je in die buurt van buitengebied kan spreken. Overal zijn kassen en staan er de villa’s van de glasbouwers. De aanduiding wordt gebruikt voor de twee plasjes achter de duinen en het aanliggende duingebied. Als je met de auto bent is er een (verplichte) parkeerplaats. Als deze bewaakt wordt (dat is bijna altijd) moet je er voor betalen.
De duinen van het Westland waren eeuwenlang een hoofdpijndossier voor Rijkswaterstaat en voorgangers. De smalle duinenrij bij Ter Heijde stelde nooit veel voor. De laatste keer dat het bijna mis ging was tijdens de Watersnoodramp van 1 februari 1953. Een uit vrijwilligers bestaand dijklegertje wist toen, met zandzakken en kruiwagens, te voorkomen dat er een duindoorbraak zou ontstaan. Was dat gebeurd, dan was het hele Westland onder gelopen. Vreemd genoeg is er na de Watersnoodramp weinig initiatief geweest om herhaling te voorkomen. Het Deltaplan voorzag er in ieder geval niet in. Pas veel later, toen er meer dan een halve eeuw voorbij was gegaan, is er een voorziening getroffen, in de vorm van een extra rij duinen. Gekozen is om dat aan de kant van de zee aan te leggen. Die nieuwe duinen zijn niet van de oude te onderscheiden en vormen er landschappelijk dus ook één – aantrekkelijk – geheel mee. Goed gedaan jongens! En de tweede reden voor een pluim op de hoed van Rijkswaterstaat en kompanen is dat ze door deze actie De Banken ongemoeid hebben gelaten.

Wulp
Als jonge jongen fietste ik destijds met enige regelmaat van Den Haag naar Hoek van Holland. Met vriendjes uiteraard. Vanaf Kijkduin gebruikten we daar bij voorkeur het tweestenige paadje voor. Twee stoeptegels breed was het. Dat mocht eigenlijk niet, maar vriendelijke koddebeiers lieten vaak het hangslot open op plaatsen waar het pad de strandopgangen kruiste. En mocht een hek toch op slot zijn dan tilden we de fietsen er gewoon over heen. Eén keer maakte een beambte zelfs zonder een woord te zeggen het hek voor ons open en staarde ons peinzend na. Ook jong geweest. Vooral met wind in de rug en zonder provisorisch opgelapte achterband herinner ik mij gelukzalige momenten op dat pad. In de buurt van Monster broedden de laatste wulpen nog in de duinen. Dat was althans onze conclusie als we wulpen in het voorjaar de wacht zagen houden, fier op zandheuveltjes, of uitbundig jodelend in de lucht. Na het dorp Ter Heijde was je er ineens. We noemden het daar overigens de Plassen van ’s-Gravenzande. Grappig om terug te lezen waar wij in 1961 opgewonden van raakten. Veldleeuweriken waren er toen nog genoeg, maar juist daarom niets bijzonders. Tegenwoordig zie je die haast nergens meer. Met die ene grauwe klauwier op het prikkeldraad waren we best blij, maar tussen Wassenaar en Katwijk zag je ze vaker. Pijlstaarten en kuif-, slob- en bergeenden kwamen in beeld. Bij toeval vonden we ook een nest van een wilde eend. Met uitzondering van de kieviten, scholeksters en de alom aanwezige wulpen kregen we geen steltlopers te zien. Ik vermeld erbij dat we het gedrieën of gevieren met één prismakijker moesten doen. Pas rond de jaarwisseling 1962-1963 kon ik zelf een exemplaar kopen, Made in Japan, van het geld dat ik kreeg voor mijn belofte om tenminste tot 26 maart 1963 niet te roken. Die dag werd ik zestien.
Tegenwoordig ben ik vanuit mijn woonplaats bijna een uur kwijt om met de auto bij De Banken te komen. De route is niet bijster aantrekkelijk. De charme van auto rijden is voor mij vergelijkbaar met scheren of met de afwas doen. Het is niet erg maar ik zou het ook geen passie willen noemen. Zeker bij aardig weer vind ik een uur heen en een uur terug dan ook eigenlijk zonde van de tijd. Een tijd lang kwam ik er dus haast nooit en ook dat wrong een beetje. Een compromis was dus noodzakelijk en ook niet heel ingewikkeld. De fiets gaat op de fietsendrager en de auto brengt mij, binnendoor, in een half uur in Kijkduin. Aan het einde van de Machiel Vrijenhoeklaan is er volop parkeerruimte en nog gratis ook. Vandaar fiets ik dus naar De Banken. Op 16 september 2020 stond er een stevige, frisse noorderwind, die ik op de heenweg dus in de rug had. Door het duin lopen twee prima fietspaden, die zeker niet onderdoen voor het tweestenige paadje dat we vroeger gebruikten. Ongeveer ter hoogte van het natuurgebied Solleveld en de prachtige watertoren van de Westlandse Drinkwater Maatschappij zit er een forse houtduif op het prikkeldraad. Ik vertrouw mijn ogen toch niet helemaal, dus ik stop en kijk door de verrekijker. Havik! De vogel krijgt me in de smiezen en vliegt weg richting zeereep. Maar strijkt daar wel opnieuw neer op een hekje. Een mannetje! Er komt iemand naast mij staan, die uitlegt dat er hier erg veel konijnen in de duinen zitten. De vogel ziet er inderdaad patent en weldoorvoed uit. Bij vogels die niet heel veel moeite hoeven te doen om aan de kost te komen zie je wel vaker dat er een zekere gemakzucht in het gedrag sluipt. Dat hele felle, dat hele waakzame, dat hele verborgene, dat gaat er een beetje van af. Normaal blijft een havik nooit zolang in het zicht. Hij maakt dat hij wegkomt als hij een mens ziet en duikt een bosje in om zich onzichtbaar te maken.
Ik fiets door. Door de pittige wind zijn de plasjes bij De Banken deze keer nogal uitgestorven. Er scharrelt een oeverlopertje rond en een clubje kieviten kleumt wat bij elkaar. Er patrouilleren nog wat groepen putters en kneuen. Vlakbij zit een hele donkerbruine buizerd. Dat is het wel voor vandaag. Twee jaar geleden zag ik hier in dezelfde tijd van het jaar niet minder dan zeven groenpootruiters en verder watersnippen, wintertalingen, tureluurs, paapjes, tapuiten, putters, een waterral, een lepelaar en een verweesde kanoetstrandloper. Weer een andere keer kwam ik er ook goudplevieren en de Temminck’s strandloper tegen.
De Verlengde Strandweg loopt tussen de twee meertjes door, die samen De Banken vormen. Eigenlijk zijn die meertjes onder water staande verlaagde duinvalleien. Die aan de noordkant is het interessantste. Toch loont het de moeite om ook het zuidelijke meertje te inspecteren, want daar scharrelt nog wel eens de waterral langs de rietzoom. Heel vaak staat er ook een groepje lepelaars. De dichtstbijzijnde kolonie waar lepelaars broeden is Oostvoorne (Quackjeswater). Hemelsbreed is dat niet zo ver. Als de jongen wat groter zijn en in principe voor zichzelf zouden kunnen zorgen worden ze door de ouder-vogels ergens in de buurt gedropt op een plek met laagstaand water. Dat kan overal zijn, dus ook hier. De jongen staan dan min of meer veilig voor vossen. De ouders voeden ze daar soms nog heel af en toe, maar het is zeker ook de bedoeling dat er honger gaat ontstaan, om bij het opgroeiende volkje het gevoel aan te wakkeren dat ze zelf wat bij elkaar moeten scharrelen. Het gaat goed met de lepelaar. In Zuid-Hollandse natuurgebieden bestaan er al een tijdje grotere kolonies. Naast de Oostvoornse duinen moet je dan denken aan de Ventjagersplaten in het Haringvliet en de Sassenplaat in het Hollandsch Diep. De huidige populatie in Zuid-Holland bedraagt daarmee tussen de 350 en 400 paren. Er komen ook steeds meer kleinere kolonies bij.
De ruime parkeerplaats tussen beide meertjes, dus langs de toegangsweg, is zeker ook de moeite waard. Vooral gedurende de trektijd in voor en -najaar zijn hier altijd wel tapuiten te zien. Tapuiten zitten graag op verhogingen rond te kijken alsof ze willen zeggen: “Kijk mij eens ontzettend waakzaam zijn”. Er zijn daar paaltjes genoeg om plaats op te nemen. Pootjes en nek worden gestrekt; het is alsof hij op het punt staat om luid protesterend weg te vliegen. Maar als je niet al te wild beweegt, kan je tapuiten desondanks tot heel dichtbij benaderen. Dat hele alerte hoort gewoon bij de habitus van het vogeltje. Voor de tapuit is het misschien leuk dat het stikt van de konijnen in en rond De Banken. Die zijn in het geheel niet schuw en laten zich goed bekijken. Er zijn dus ook overal konijnenholen. Tijdens de trek een tijdje op één plek blijven hangen om aan te sterken is voor vogels heel gewoon. Misschien dat de tapuiten die dat doen ook wel slapen in die holen. Tenslotte nestelt deze soort ook bij voorkeur in deze onderkomens. Na een paar dagen trekken ze dan weer door in de richting van hun winterverblijf, de Afrikaanse savannen.
Minstens even regelmatig laat het paapje zich hier zien. Het paapje is verwant aan de tapuit.
Het is een vogel waar het niet goed mee gaat. Met de tapuit ook niet, maar dat heeft weer een andere reden. Paapjes tref je tegenwoordig vooral aan op de Drentse hei en in hoogveengebieden. In de duinen broedt hij sowieso niet meer. Hoe dat komt? Zeker is dat voor deze grondbroeder de groeiende recreatiedruk slecht uitpakt. Ik snap best dat het voor hondenbezitters heerlijk is om hun huisdier af en toe vrij rond te laten draven. Misschien moeten er wat meer plekken komen waar dat kan. Maar dan ook een strikter beleid om honden in natuurgebieden aan de lijn te houden. Dat hoeft niet per se het hele jaar! Maar wel tijdens de broedtijd.






