Duinen en stuifdijken op Goeree volgens Cees Sipkes, 1965
Cees Sipkes, 1965
Ontleend aan De Levende Natuur DLN 68 (12): 295-299
Red: Op Goeree ligt sinds ongeveer 150 jaar het gorzengebied van de Kwede Hoek. Wat smal en aarzelend begon is inmiddels de zilte top van het Deltagebied. Elders wordt ingegaan op de vele redenen waarom dit gebied groeide. Aangroei van de Kwade Hoek de laatste eeuw was ook deels (bewust) mensenwerk zoals aanleg van een stuifdijk, kort voor 1965. Rond 2000 vond men weer die te kunstmatig en is er een doorgang in gemaakt.
Het stuk van Sipkes dat we hieronder citeren is een mooi tijdsdocument. Er kwamen echter ondanks zijn hoopvolle voorspellingen van de gevolgen van de stuifdijk weinig zoete duinvalleien maar des te meer ruige, brakke schorren. Meer over ontstaan van de Kwade Hoek staat in apart artikel. Dit artikel van Sipkes is ook een mooi te lezen paralel met de wederwaardigheden van boswachter Jan Vlietland uit 1965 en broedvogels in 1966. Plantenmensen en vogelaars leven deels in verschillende werelden. Sipkes meldt ‘hoge voedselrijkdom’ in de buitenduinen, die we behalve op door hem genoemde ‘veek’ ook mogen terugvoeren op de vloed aan meststoffen die de Rijn kwam afzakken. Het Haringvliet lag nog open. Vogelonderzoeker John Beijersbergen, vertelde ons in 2025: “het heeft er zelfs in die jaren naar mest gestonken na zeer hoog water in de rivieren.”
Cees Sipkes, 1965, van wie ook bovenstaande foto is:
Een van de mooiste voorbeelden van kustaanwas is er wel ten westen van Goedereede, waar de Kwade Hoek op weg is een prachtig natuurmonument te worden. Op het brede strand heeft de Rijkswaterstaat hier de laatste jaren de vorming van een stuifdijk in de hand gewerkt en nu, in 1965, is er al iets wat op een duinenrij gelijkt, die het zoute water voor een deel tegenhoudt en het zoete regenwater vasthoudt, zoals in het begin van september duidelijk te zien was (fig. 3). Wat later, toen er minder regen gevallen was, zag het hier en daar groen van de algen. Als er geen tegenslag komt is daar over enige jaren een lange duinvallei van tientallen hectaren met ongekende perspectieven voor flora en fauna. Want ook bepaalde vogels, als Kieviten en Tureluurs, broeden liever in een korte vegetatie dan in de ruigte.
Speciaal voor Goeree is deze nieuwe ontwikkeling van grote waarde. Er komt nog de bovengenoemde Winterbitterling voor, maar het zand is er zeer voedselrijk in de zeeduinen, zodat de successie in de richting van een duinstruweel, gekenmerkt door Liguster en Duindoorn, er zeer snel gaat. Voor Parnassia, Winterbitterling en orchideeën zijn er dan geen levenskansen meer. In de nieuwe duinvallei zijn er weer kansen, vooral omdat er nog wel kleine plekjes zijn met bovengenoemde soorten in de nabije Kwade Hoek. Pirola is op Goeree niet te vinden; het lijkt mij toe dat daarvoor de grond te voedselrijk is. Maar er zijn nog, of in sommige gevallen al, Parnassia, Vleeskleurige orchis (echter niet de typische vorm van de Voornse duinvlakten, die meer moerasplant is en vroeger bloeit, maar de forse var. lobelii, die op Schouwen gevonden is en op Voorne verdwenen. Er is ook nog Moeraswespenorchis en als ik het terrein zo bezie, kan daar zeker Sturmia komen en Teer guichelheil (Anagallis tenella). Pirola en mogelijk ook Muggenorchis. Vóór dit er is verwacht ik in de jonge duinvallei de Gemeenschap van Duizendguldenkruid met Knopige vetmuur. De soorten van de zeereep, bv. de Zeewolfsmelk (in 1963 zelfs de Gele hoornpapaver) zullen op hun oude groeiplaatsen verdrongen worden door Helm en later duinstruweel, maar deze krijgen weer levenskansen op de nieuwe zeereep. Er komt wel weer „veek” (afval) en stikstofrijk zand in de vloedlijnen en het overvloedige plantenvoedsel, nodig voor deze soorten. Zoals deze „zeewering” er nu bij ligt is ze nog wat te kunstmatig van uiterlijk. Is ze eenmaal met Helm beplant en is de zandaanvoer wat ongelijk geworden, dan zal ze spoedig niet meer te onderscheiden zijn van andere zeeduinen, dat hebben we elders gezien.





