Herkomst en betekenis van de veldnaam ‘Kwade Hoek’
Rolf Roos
Met dank aan Frans Beekman
update 30 september 2025
De Kwade Hoek kennen we nu als een groot aangroeiend kustgebied aan de noordoostkant van Goeree in de Haringvlietmonding. Door de terreinbeheerder is een oude houten spant van een scheepswrak neergezet bij de ingang om het gangbare verhaal over de naam Kwade Hoek te onderstrepen: hier vergingen schepen. Maar klopt dat ook? We plozen het krantenarchief van Delpher na en troffen twee strandingen in de 18e, eentje in de 19e en twee in de 20e eeuw. Niet echt veel. In dit artikel speuren we naar de herkomst van de naam en zullen het verband met scheepstrandingen, hoezeer ook een aardig verhaal, relativeren. Want Kwade Hoek en Goedereede..is dat geen prettig woordenpaar?

Bij de entree van de Kwade Hoek 2025. Op de achtergrond ’t Lichie. Het tentoongestelde scheepwrakhout op de voorgrond is niet van de Kwade Hoek afkomstig. Zie ook beeld van een vondst uit 2016 onderaan dit artikel. Dat er (oud) hout ligt betekent natuurlijk niet dat de boot hier is vergaan.
Om de herkomst van een veldnaam als ‘Kwade Hoek’ te achterhalen speurden we oude kaarten van de kust af. Deze zijn afkomstig uit het Nationaal Archief en uit het Streekarchief Goeree-Overflakkee. We hoopten op vermeldingen in tekst en beeld van voor het jaar 1700, maar kwamen niet vroeger dan het jaar 1728. Op oudere kaarten (1698) komen we nog relatief brede duinen tegen, dan Rooklaasduynen geheten. Deze eroderen in de decennia erna echter grotendeels, waarschijnlijk door de steeds dichter bij de kust liggende zeegeul. Tussen 1715 en 1717 waren er ook diverse stormvloeden. De oudste kaartvermelding (in 1728) staat globaal bij de plek van de huidige hoofdingang van het natuurgebied (klik op bijgaande kaart voor uitvergroting).

Detail uit kaart 1728 met de oudste vermelding op een kaart: Quaden Hoek, in de noordoostpunt van Polder de Oude Oostdijk en de noordwestpunt van de polder Rooklaasplaat. Nationaal Archief NA4.VTH2224
Op de kaart uit 1728 is goed te zien dat er ter plekke geen substantiële duinenrij meer ligt. Op een andere kaart uit die tijd spreekt men ook van ‘afneemende stranden’. Omdat de zeegeul van het Goereese Gat in die periode vlak langs de noordoostkant schuurde, kon het water bij hoogwater maar vooral bij diverse stormvloeden rond 1715 binnendringen tot in de polder de Oude Oostdijk en (via ’t Kleine Plaatje) de Rooklaasplaatpolder. Men vreesde voor het in tweeën breken van Goeree en zelfs voor volledige teloorgang van het eiland. Duidelijk was dat de boerenbeheerders van de diverse kleine polders hier de kust niet zelf konden bewaken. De Staten van Holland grepen in en lieten de beste landmeter van die tijd, Nicolaes Cruquius, adviseren en ook een kaart maken. Op zijn verrassend moderne kaart uit 1733 staat wederom een Quaaden Hoek en een aantal nieuwe dijken.
Texeira de Mattos (1941) over de kustversterking in zijn standaardwerk over de eilanden: “Zoo werd [in 1717] o.m. een inlaagdijkje gelegd achter de toen bijna geheel weggespoelde duinen bij den z.g. Kwaden hoek in den noordwesthoek van den tegenwoordigen Bokkepolder. Intusschen had den 26 December 1731 inderdaad een inbraak in de duinen van den Kwaden hoek plaats, waardoor in die duinen ten noorden van den tegenwoordigen Bokkepolder het ‘Klaase’ of ‘Plaatsche’ gat geslagen werd, dat eerst in 1772 weder gedicht werd. Er werden nu van daar tot het hoofd van de haven van Goedereede rijzen hoofden gelegd, wier uitwerking dermate gunstig bleek, dat de kwade hoek nu een goede hoek begon te worden.” Als we Texeira volgen was het leed al in de 18e eeuw geleden, maar in de begroting van de Bokkepolder voor 1802 (uit Streekarchief GO, waterschapsarchief nr 3097) treffen we een begrotingspost voor ‘het Plaatse gat’ van ruim 489 guldens, dus ook toen nog een punt van zorg.

Detail van de kaart van Cruquius uit 1733 (Streekarchief GO). Getoond worden o.a. de Quaaden Hoek, een doorbraak uit 1731 (Het Plaatse Gat) en drie inlaagdijken uit 1717, 1727 en 1732 (die van 1727 is de huidige Nieuwendijk). Ook dijkputten, waarschijnlijk gegraven voor de ‘Inlaage 1717′, en het al van kaarten uit 1698 bekende Korte Dijkje (de kromming in de weg bij A), staan aangegeven. Omdat dit Kromme dijkje reeds voorkomt op kaart 1698 is de Wiel bij dit Kromme dijkje waarschijnlijk van de stormvloed van 1682. In dit lage land van ’t Kleine Plaatje ligt thans een grote poel. De veldnaam ’t Plaatje versprong van het land naar de weg (voorheen Korte Dijkje). Van de inbraak van 26 december 1731 resteert thans geen spoor meer. Het begin van de Helmdijk was in die tijd nog duin. Opvallend is (links) de ‘Nieuwen Inlaag’, blijkbaar was er een verlenging van de Inlaag van 1727 (de huidige Nieuwendijk) voorzien maar deze is nooit aangelegd. De ”bosschages’ ten zuiden van Inlaage 1727 duiden we als grienden: teelt van wilgentenen die voor de kustwerken essentieel waren. (zie ook dossier cultuurhistorie Bokkepolder).

Kaart uit 1874 met behalve de inlaagdijken ook strekdammen die allemaal onder slib en zand verdwenen zijn. De naam ‘Kwade Hoek’ wordt niet vermeld en het Plaatse Gat is verdwenen.
Conclusie: Kwade Hoek = zwakke plek
Op basis van deze kaartbeelden is het duidelijk dat wat we nu ‘zwakke schakel’ noemen toen een ‘Kwade Hoek’ was: een zwakke plek in de verdediging tegen de zee. Nadat de kust weer veilig was geworden en het gevaar van landverlies bedwongen, is deze betekenis op de achtergrond geraakt. Het verhaal van de strandingen vond ingang, ook ingegeven door het wel erg aansprekende aanspoelen van vaten port in 1918 (overigens niet bij de Kwade Hoek maar westelijker). Mythevorming is een groot woord maar enkele strandingen in de afgelopen eeuw klinken anno 2025 luider door dan een stormvloed van 300 jaar terug.
Zo is de naam Kwade Hoek ingegeven door problemen met de zeewering. De naam schoof vanuit een kleine plek op kaarten naar het noorden en het westen. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het de naam van de uitbouwende zandplaat/strandhaak, om vooral in de 20e eeuw spectaculair te groeien, mede door aanslibbingen vanuit het Haringvliet en gevolgen van Deltawerken. Ook de pieren rond de monding van het havenkanaal bij havenhoofd kunnen een grote rol hebben gespeeld.

De naam ‘Kwade Hoek’ verschijnt pas ca 1880 op de de topografische kaart. Op de hier afgebeelde kaart van 1950 ligt de naam een stuk meer zeewaarts dan de oorspronkelijk plek (nabij paal 8 bij de Lantaarn = ’t Lichie), conform de verschuiving in de er aan gegeven betekenis: van zwakke schakel in een bedreigde kust naar aangroeiende zandplaat. In 1950 liggen er al uitgebreide (en beweide) gorsen maar van duinvorming is nog geen sprake. NB de dijkputten van ca 1717 in ’t Kleine Plaatje liggen er nog!
De ramp van 1953
Bij de Stormvloed van 1953 hield de duinenrij ten noorden van de Bokkepolder stand, maar via doorbraken aan de zuidzijde kwam het water ‘achterom’. Het stond achter het duin tot een meter hoog o.a. bij de oude duinboerderij van Mooisje Hoek in het Kleine Plaatje. Later, bij de Deltawerken, lag die boerderij in de weg bij de duindijkverhoging en werd hij bedolven onder tien meter duinzand. Thans is dit de twaalf meter hoge opgang naar de Kwade Hoek. Vee dat verdronken was en tevoorschijn kwam na het droogpompen na de ramp is ter plekke begraven. Mooisje’s boerderij is verdwenen maar zelf leeft hij voort in ‘Het Lichie van Mooisie’ ook bekend als ‘ut lichie van Plae’ie’ (Plaatje). In 2024 is dit oude lichtopstand opnieuw opgericht op de oude kustlijn (ca 1910) van de Kwade Hoek. Moos ontstak vroeger dagelijks het licht.

Bord Noordzeestrand/De Kwade Hoek ca 2005, helaas verdwenen. Deze plek is nadien weer fors verder gegroeid. De strandvlakte op de voorgrond is deels al aan het verzoeten.
Naschrift.
Van Frans Beekman ontvingen we bijgaande mooie foto van wrakhout. Dat het hout er lag betekent vooral dat het er kon aanspoelen (het is niet voor niets een aangroeikust hier) en niet dat de boot in kwestie er verging. Meer vondsten van wrakhout (en liever nog strandingen) welkom! Meer documentatie over echte strandingen van schepen de afgelopen 300 jaar zien we graag onder dit bericht.

Een vondst van een stuk kromhout, Kwade Hoek, 2016. Van links naar links: Arie Spaans, Frans Beekman, Maaike Vervoort, Lieuwe Blanksma en achteraan ook Evert Meelis, daarna Jos Hitzert en Betty van Leeuwen. Allen leden van de ‘Excursieclub’ van m.n. oud-natuurbeschermers die bestond van 2002 tot 2024.
Bronnen
- Texeira de Mattos (1941). De eilanden. AFDELING VII. HET EILAND GOEDEREEDE EN OVERFLAKKEE.
- Jan Both – streekarchivaris. Een geschiedenis van eiland in de Delta; een kort overzicht van de historie van Goeree-Overflakkee
- J. Hoving en A. de Kraker (2013). Cruquius’ aanpak van het Goereese Gat. De casus van de verzanding van het Goereese Gat en de veiligheid van Goeree getoetst tijdens de achttiende eeuw. Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis 22 (2013) 1, 57-68
- Adriaan M.J. de Kraker (2013). Two floods compared. Perception of and Response to the 1682 and 1715 flooding disasters in the Low Countries. In: N. Pfeifer and K. Pfeifer (reds.), Forces of Nature and Cultural Responses. Dordrecht 2013) 287-302.
Bezoek de hotspot Kwade Hoek uit Bloeiende Duinen – hier verkrijgbaar (red.)





Boeiend en leuk onderwerp.
Geschiedenis is altijd mooi, wat een werk!
Bij de motivatie dat de naam Kwade Hoek niets met scheepsstrandingen in oorsprong te maken zou hebben omdat er slechts ca. twee gedocumenteerde vergane schepen zouden zijn geregistreerd in de archieven en aangespoeld hout wel overal vandaan kan komen is het volgende te overwegen:
Dat gaat totaal voorbij aan het feit dat het registreren van strandingen en vergane schepen hoofzakelijk gebeurde bij schepen van grotere waarde of met een lading die substantiële waarde of verzekerde waarde vertegenwoordigde.
De kleinere “werk” schepen zoals vissersschepen en sloepen die stranden en/of vergingen werden niet geregistreerd.
Ook gaat het voorbij aan de enorme hoeveelheid aan scheepsvondsten die juist nu nog steeds op de stranden van de Kwade Hoek aanspoelen.
Deze grote hoeveelheden komen absoluut niet allemaal van zomaar ergens elders vandaan en is wel degelijk plaatselijk gebonden.
Wetenschappelijk kun je niet uit het aantal geregistreerde gestrande schepen motiveren en concluderen dat er dus geen relatie kan zijn met scheepsstrandingen/ vergane schepen en de naam Kwade Hoek. Statistisch zeker niet en praktisch dus ook al niet.
De conclusie is dus dat het best ook zo zou kunnen zijn, omdat er veel strandingen van lokale kleinere schepen (zouden kunnen) zijn geweest, dat de naam Kwade Hoek ook daarop sloeg toen deze als plaatselijke naam in gebruik raakte.
Waar en hoe het ontstaan precies is gegaan en wat er toen mee werd bedoeld is en blijft dus hoogst onzeker.
Het gedane onderzoek werpt wel meer licht op het ontstaan maar roept zelf dus ook vragen op en gaat aan deze zaken voorbij.
Dat betekend dat ik bij de voorlichting over de Kwade Hoek bovenstaande wel degelijk meeneem in het verhaal en het onderzoek beschouw als aanvulling maar niet als sluitend bewijs en het afserveren van dat avontuurlijkere verhaal.
Zoals in ons verhaal staat zijn we zijn uitgegaan van de oudste bronnen (kaarten rond 1730) en de feitelijke landschappelijke problemen in die tijd (doorbraken). Het zou mooi zijn als uit die tijd ook teksten over de Kwade Hoek opduiken, dat vereist echter archief onderzoek. Dat de veldnaam de laatste 100 jaar zowel een andere plek op de kaart als in de mondelinge communicatie een andere betekenis krijgt, doet weinig af aan de aangedragen argumenten, het laat alleen zien dat een naam iets cultureels en veranderlijks heeft, er is een oorsprong en de generaties bouwen er op voort. Er heeft zich hier ondertussen een landschappelijke omwenteling voltrokken: van afslagkust 1650-1850 tot aangroeikust na 1900 met veel aanspoelsel incl wrakhout dat makkelijk tot het idee leidt dat die schepen ook hier vergingen. Zelfs als er een goede statistiek zou zijn van scheepsstrandingen (dat vereist onderzoek), doet dat weinig aan mijn argumentatie af. Niettemin zie ik altijd uit naar nieuwe feiten.(Rolf Roos)