Het boerenerf (de stee) van Jan en Nan
Rolf Roos
We staan op het verkeerde moment achter de stallen naar het huiskavel onder de duinrand te kijken. Fel tegenlicht. “Je moet hier vroeg op de ochtend komen,” zegt Jan van de Linde, “als de mist boven het land hangt.” We maken ons er een voorstelling van, zo’n gouden ochtend in april. Zingende merels, koerende duiven, aan de slootkant schieten winterkoninkjes heen en weer.
Zijn vleeskoeien, meest Charolais, grazen nog bij het huis. Ze krijgen hooi van allerlei natuurdijken en mais van een eigen kavel in de nabijgelegen Bokkepolder. Pas tegen de zomer gaan de koeien het duin in, de Middel- en Oostduinen van Goeree, waar ze al jaren de vaste kudde vormen voor seizoensbeweiding en zo het gras helpen kort houden.
Hoe krijgen ze veel natuur? “Je spuit niet, je gebruikt geen kunstmest, en dan groeit er van alles.” “Een beetje opsnoeien, niet te veel zagen.” “Je moet de dingen een beetje met rust laten.” En in de open stallen kunnen de vogels schuilen en slapen.

Op de balken onder golfplaten zitten de nesten van boerenzwaluwen
We zijn op Goeree, aan de Oostdijkseweg, maar erf en land ogen als een boerderij in Frankrijk. Rommelig, maar vol natuur. Hoekjes met takken, oude half verzorgde hagen, laat gemaaide slootkanten. Alles biedt ruimte aan wilde beesten. De stallen staan hier zomer en winter open. Tientallen boerenzwaluwen broeden onder de golfplaten, vluchten mussen scharrelen rond. “In goede jaren hebben we wel 60 nesten, en dan moet ik de ekster wel een beetje wegjagen.”
Jan is hier geboren en getogen. Zijn vrouw Nan komt van richting Rotterdam. “Ik vind de kwikstaartjes erg leuk, en de roodborstjes.” “En met die rode koppies daar ben ik gek op, ook veel… puttertjes he.” “Ja, Nan is van de kleine veugels.”

In het voorjaar staan de Charolais koeien vlak bij de boerderij. De betonnen plaatjes (ankers van van zeemijnen uit de oorlog) zitten vol oranje korstmossen.
Vroeger hadden ze ook melkvee, nu alleen vleeskoeien en wat schapen. Ze houden zoveel van natuur dat ze niet willen vertellen welke zeldzame uil hier broedt, want pottekijkers die zomaar binnenvallen, daar voelen ze niets voor. Rond 30 jaar geleden is hier een uil uit Friesland uitgezet. “Maar eentje zat er al,” zegt Jan.
Zoals een ouderwetse boer betaamt, doen ze het allemaal op geheel eigen wijze. En ze zijn gek op de natuur. Hun natuur. Ze zijn nog steeds bozig dat hun bedrijf in een boekje van de gemeente ooit werd weggezet als weinig verzorgd. “Je moest je rotzooi opruimen” schampert Jan. Waar bemoeien ze zich mee? Kijk eens wat een leven hier van alle mogelijkheden gebruik maakt.
Veel ‘duumpjes’ – winterkoninkjes – die overal hun ingenieuze nestjes vlechten, tot in een oud touw dat jarenlang ergens blijft hangen aan toe. “En een stuk lawaai dat die kleine beestjes maken.” Nan’s ogen twinkelen ook bij de ‘geelvinken’ die zich in maart overal laten horen, de groenlingen. En veel ‘listers’ weet Jan, maar de grote lijster is verleden tijd. Nan: “Ik heb ook altijd hazen met jongen in de tuin.”

Zomertortel
Jan en Nan doen mee met weidevogelbeheer en ook een voerakker voor de zeer bedreigde zomertortel is achter het erf te vinden. “Door George Tanis van de Werkgroep Zomertortel ingezaaid met winterpostelein, dat zaad schijnen ze extra lekker te vinden.” Nan weet dat er soms wel 3 paar zomertortels opduiken. Eén paartje broedt waarschijnlijk op hun erf en zit in hun hoge boom te roepen. En dat is niet de enige duif. Ook Turkse tortels – die regelmatig door een passerende havik worden gegrepen – zitten er volop en in een open stal broeden ook holenduiven.
“Kijk hier staat een oeroude boom.” , zegt Jan. We kijken naar een kleine boom met dikke knoppen die we niet meteen herkennen. Oeroud? Zo’n klein ding? Dan zien we dat het een Ginkgo is, een Japanse notenboom, een bijzondere sierboom, zomaar ergens aangeplant op een hoekje van dit erf. Onmiskenbaar, met zijn in twee lobben gedeeld blad waarvan de nerven zich steeds fijner verdelen, als een waaiertje. Een oerboom, inderdaad, een levend fossiel. “Prachtig geel in het najaar.” weet Jan. Er zijn mannetjes- en vrouwtjesbomen. En als je een mannetje hebt kan je lang wachten op nootjes….
Op en rond hun erf – de stee – is eten. Rust, ruimte. Er liggen balen hooi rond het erf en vogels kunnen bij het voer van de dieren. Ook fazanten scharrelen rond het erf. “Alleen de vlinders gaan wel achteruit” weet Jan. Maar blauwtje, kleine vos, citroentje en allerlei witjes zijn hier nog volop te vinden.





