Het uitdijende duinheelal (epiloog uit Bloeiende duinen, 2019)
(slothoofdstuk uit: Bloeiende duinen, 2019)
Met een kort bezoek aan Rottumeroog eindigde mijn reis langs de kust. 50 wandelingen met telkens 10 kenmerkende bloemen legde ik vast. Ik kwam voor dit boek op veel plekken, maar niet overal. Op loopafstand vanaf Rottumeroog over het wad lag bijvoorbeeld het strikte reservaat Zuiderduintjes, echt heel verboden toegang, behalve voor een enkele gezegende onderzoeker met ontheffing. Een mens moet wat te verlangen houden.
Rottumeroog was zeer leerzaam, maar niet de ultieme natuurervaring. Daarvoor was de oostelijke horizon met hoge bouwwerken van het nabijgelegen Borkum te grootstedelijk. Meer nog dan het reizen door de ruimte hielp reizen door de tijd om mijn duinheelal te laten uitdijen. Het duurde 50 jaar voor ik er achter kwam dat ik tot mijn 15e levensjaar (1969) bovenop oude afgevlakte Haagse duinen woonde. Als kind had ik geen idee van het verhaal dat in de stadsbodem verstopt zat. Er waren wel aanwijzingen: de bodem van de kleine stadstuin in de Perenstraat, waar ik toen woonde, was schraal en zandig. Voorbij de nabijgelegen straatweg van de Mient (de eens gemeenschappelijk weidegronden) richting Loosduinen lagen de begraafplaatsen Nieuw en Oud Eyk en Duynen, ooit de rand van de stad. Al die namen hadden me op een idee kunnen brengen.
Ik sjeesde op mijn fietsje door de Vruchtenbuurt over de Segbroeklaan (hier was eens moeras, zo leerde ik veel later) langs de rommelige Bosjes van Pex naar het hoge duin achter de Fuutlaan. Daar lagen in de jaren 60 nog open bunkers, verboden maar aantrekkelijk. Zo leer je als kind van duinen houden. Er liepen nog echte veldwachters in het duin, met honden. Zo kreeg je respect voor een overheid die toezicht houdt. Het duin was eng, maar leuk. Mijn plantenkennis ging niet verder dan de witte abeel, vanwege die fraaie zilverachtige blaadjes, en de gemene duindoorn. Er lag een meertje bij de entree waar je niet in mocht. O ja, er waren eetbare bramen.
Als ik in 2018, na 50 jaar, het Haagse duin opnieuw verken, zie ik heel andere duinen. Er is veel kaal zand gekomen. De natuur wordt ontwikkeld. Bunkers liggen soms bloot in het landschap. De omvang van de gebieden valt me tegen – als kind is alles om je heen groot – en de brave Haagse horizon van de jaren 60 is een stedelijke skyline geworden. Omdat ik inmiddels veel planten ken, herken ik allerlei soorten en patronen die ik eerder niet zag.
Dankzij de kaart van Kruikius (ook gespeld als Cruquius) uit 1712 dringt het nu pas goed tot me door dat ongeveer heel Den Haag ooit uit hoge en lage duinen met daartussen strandvlaktes bestond. Dat Eyk en Duynen, waar we onze ouders begroeven, uit ‘oude duinen’ bestond en dat er een restant te zien is van een middeleeuwse kapel van de Hollandse graven (helaas geen spoor meer van oude flora hier). Ik kom erachter dat het Binnenhof op een strategische plek aan de rand van het duinlandschap lag. En dat die keurige Vruchtenwijk een 20e-eeuwse uitbreiding was op lage duinen en landerijen, net als de Vogelwijk en in de 19e eeuw het Statenkwartier. Enzovoorts. Het Westduinpark, het huidige duin bij Den Haag en nu beschermd Natura 2000-gebied, bleek een snipper van de voormalige, onafzienbare Westduinen: de naam uit de middeleeuw- en voor al het duin tussen het Binnenhof en de oude Maasmonding achter Ter Heijde en ’s Gravenzande (weer die graaf van Holland). Zo leer je al werkende, mijn duinheelal dijt voortdurend uit.
Schrijf een boek
Wie van zuid naar noord met het boek is meegereisd, ontdekt vanzelf dat er telkens andere accenten zijn in flora en fauna, steeds andere grenzen, afhankelijk van o.a. regio, leeftijd van het gebied en ligging. De geschiedenis eist natuurlijk steeds haar rol op, want zonder kennis van het historisch gebruik (denk aan boeren, jagers, waterwinners) en het al dan niet bewuste gesleep met planten en dieren door de mens, is het duin niet te begrijpen. Er staan olijfwilgen in het huidige Westduinpark en heel veel bezemkruiskruid. Dat zijn soorten van respectievelijk 90 en 10 jaar geleden, maar er zijn er ook die op eeuwenlang gebruik wijzen (vanaf de middeleeuwen), zoals de bijzondere zeedorpensoorten nabij Scheveningen. Het oudst afgebeelde zeedorpenlandschap uit 1432 staat in dit boek en bleek tot mijn vreugde nabij Den Haag te liggen.
Als je wilt leren hoe een gebied is opgebouwd en hoe de natuur het spel met planten, dieren en de omgeving speelt, is er een goede tip waar ik me nu al bijna een halve eeuw jaar aan houdt: schrijf er een boek over, ook, of eigenlijk liefst, als je er nog niet teveel van afweet. Voor elk terrein en elke soort in dit boek was een veelheid aan tek- sten beschikbaar. Waarin een gebied uitblonk was meestal snel te traceren. Maar zelden trof ik een helder antwoord op de vragen die de leidraad voor dit boek vormen: wat is nu kenmerkend voor deze streek, en wat zijn de trends? Noch op papier noch online boden beheerders veel overzicht. Veel leuke PR-verhalen over verstuivings- projecten en grote grazers, allerlei losse waarnemingen, maar op de vraag ‘Gaat het hier nu goed of slecht, en waarom?’ was zelden een helder antwoord te vinden.
Gaat het ‘goed’?
Een aantal beheerders (Zeepeduinen, Goeree, Voorne, Den Haag, Kennemerland, Hondsbossche duinen) kwam op verzoek met nieuwe getallen of mooie kaartjes die we hebben verwerkt. Het CBS en FLORON publiceerden in 2017 een landelijk overzicht waaruit bleek dat het met soorten van vochtige duinvalleien echt beter gaat, terwijl de soortenrijke droge duingraslanden slechts aarzelend herstellen. Maar teveel somberheid is misplaatst: bij tweederde van de duinsoorten uit de top 100 (zie pag. 238) is volgens de gegevens van FLORON de trend na 2000 positief. Dit past bij het pionierskarakter van veel valleien, waar op een weer vochtige, kale bodem snel veel soorten uit de voeten kunnen. Droog duinzand heeft meer rust en tijd nodig, bijvoorbeeld voor de opbouw van enige humus in de bodem of adequate beweiding. Intussen blijkt uit andere statistiek (van het CBS) dat tot 2017 de hoeveelheid struiken in natte maar vooral in droge duinen nog steeds toeneemt. Dit ondanks de uitgezette kuddes grazers van alle denkbare rassen en soorten; én ondanks al die natuurlijke en kunstmatige verstuivingsprojecten die alles bij elkaar maar enkele procenten van het duin uitmaken. De fraaie openingsbeelden van de hoofdstukken in dit boek weerspiegelen wellicht meer onze wens dan de realiteit.
Een egelstelling in het duinlandschap is dat het open duin (vochtige valleien, droge duinhellingen) moet concurreren met al het bos en struweel dat is aangeplant of zich spontaan uitzaait. Die bomen en struiken groeien bovendien onnatuurlijk hard door extra stikstof en duinvastlegging en ze dempen, zodra ze er eenmaal zijn, ook de dynamiek ter plaatse waardoor ze zich gemakkelijk verder uitbreiden. Met bos en struweel gaat het dus wel ‘goed’, inclusief de bijbehorende vogels en struweelvlinders, terwijl in het open duin de omvang van het leefgebied in 100 jaar veel kleiner werd (met nu mogelijk een aarzelend herstel). Het massaal terugdringen van struweel en bos zal ten koste gaan van de soorten die zich hier genesteld hebben, en van ons ‘conservatieve’ mensen die gehecht zijn aan wat er is, wat we kennen, het landschap van onze jeugd.
Ook ‘goed’ gaat het met honderden soorten planten en dieren die door het warmere klimaat de noordwaartse route door het duin makkelijk namen. Met voor mij als exemplarisch hoogtepunt een foto van Albert de Wilde van de (nieuwe) grote sprinkhaandoder met een eveneens nieuwe sprinkhaansoort – het zuidelijk spitskopje – als prooi. De hele voedselketen in een opgewarmde variant. Hoe het afloopt met de noordelijke soorten die het bij ons van- ouds nog net uithielden, wordt duidelijk gemaakt door André Aptroot aan de hand van korstmossen. Enorme bewegingen bij het bijna onzichtbare.
Het grote verplaatsen
In fysieke zin werden de duinen tot voor kort (zeg het jaar 2000) steeds kleiner. Kustafslag zette de laatste duizenden jaren de toon, tot het grote verplaatsen van zand van zee naar land begon. Naast klimaatverandering is dit de tweede grote omwenteling van de laatste 20 à 30 jaar: de kust groeit aan door mensenwerk, tegen de geologische trend in. Door het massale opspuiten van zand en ook door aanleg van soms lange pieren (bij havens) of strekdammen (zoals bij Eierland op Texel) is in feite een grootschalig experiment met het duinlandschap ‘losgebroken’. Kustversterking staat voorop, maar kan bij slim ontwerp makkelijk samengaan met natuurherstel. En planten en dieren reageren: door al dat extra en vaak kalkrijke zand nemen in kalkarme duinen kleine kalkminnaars als zanddoddegras, middelgrote als zeewolfsmelk en grote als duindoorns toe. Oude grenzen tussen kalkrijk (zuiden) en kalkarm (noorden) vervagen. In het duin zelf zijn met een beetje goede wil meer positieve dan negatieve zaken te melden. We noemden het herstel van duinvalleien, nieuwe en liefst spontane verstuivingen in zeereep en binnen- duinen, de aandacht voor de natuur rond oude zeedorpen, de ‘man- made’ aangroei van de kust met zachte, zandige middelen. Aan de binnenduinrand zijn er door het uitkopen van agrariërs en omvormen van landbouwgrond tientallen nieuwe natuurgebiedjes bijgekomen, soms aaneengeregen tot heuse bufferzones zoals bij het Zwanenwater of op Texel. Oude landgoederenzones zoals op Walcheren, bij Wassenaar en Haarlem staan meer dan ooit in de belangstelling vanwege de onvervangbare natuur. Het duinlandschap wordt zo aarzelend weer een beetje groter, al zal het nooit meer zijn historische dimensies aannemen (inclusief enorme veenmoerassen in het achterland).
En we houden alles scherp in de gaten, want we willen niet verrast worden. Alle slufters van dit land vanaf het Zwin op de grens met België, alle kerven in de zeereep zoals op Schouwen, bij Heemskerk en op Terschelling worden permanent tot op de centimeter nauwkeurig door satellieten gemeten en met zandvangers gevolgd, behalve, wellicht, die op het onbewoonde Rottumeroog en Rottumerplaat. Is er aan de zeezijde enige ruimte, aan de landzijde liggen de kaarten anders. De druk op de ruimte is hier inmiddels zo groot dat er maar weinig binnenduin zal bijkomen. Grote lappen oud en jong duin- landschap zijn opgeslokt door woningbouw en bollenteelt, lang voordat in 1970 het woord milieucrisis werd uitgevonden. Het duin was in mijn woonwijk al dusdanig onder de voet gelopen, dat ik er als jeugdige bewoner geen weet van had. Vrolijke fruitnamen sierden de straten, geen oude namen van verdwenen duinvalleitjes of vergeten stropers. Het slopen van huizen in deze oude woonwijken of van riante villa’s op duintoppen in Bloemendaal en Wassenaar ten behoeve van duinherstel, heeft bij geen enkele partij prioriteit. Dat de doorgaande recreatie- en bebouwingsdruk (ook van hoogbouw) op de rijkste natuur van ons land moet stoppen en er snel een balans gevonden moet worden, is evenwel duidelijk. Graag een jaarlijkse politieke verantwoording over omgaan met ons natuurlijk kapitaal in elke gemeente die duurzaam wenst te zijn. Dan hoeft Wim de Bie niet meer boos te twitteren over de teloorgang van Kijkduin en kan het duinheelal wellicht niet alleen mentaal maar ook fysiek nog uitdijen.
“Ik vind het eigenlijk te gek dat je op deze wereld rondloopt en van niets weet, vandaar dat ik nog even doorwerk. Er is nog zoveel te doen. Van de vogels bijvoorbeeld, weet ik nog helemaal niks, ook helemaal niks!” (Wim de Bie)

De horizon van Terschelling van Noordsvaarder tot West-Terschelling in 2017. Zandgletsjers rukken op. Het meer ligt in een oude, aangelegde Kroonpolder. Bos staat op de horizon nabij de Brandaris. Er staan nu nog lage struiken in het tussengelegen duinlandschap. Wint de successie of het aanstuivende zand?






