Mensen en duinen (epiloog uit: Duinen en mensen Kennemerland, 2009)
Rolf Roos
(uit: Duinen en mensen Kennemerland (2009), bewerkt 2026).
Over verschuivende meningen, niet in de laatste plaats bij de auteur zelf. Over de variatie in waarderingen (“alles van waarde is weerbaar”) en aan het slot een klein pleidooi: hoe houden we ruim zicht en lange stiltes in het duin, ons duin. Het kan wellicht geen kwaad dit laatste halfwilde randje Nederland een klein beetje heilig te verklaren.
De epiloog: een soort inleiding maar een tikje anders. Een inleiding achteraf. Een terugblik na het schrijven van een boek. Over keuzes: wat waarderen we in het duin en haar geschiedenis en waarom? Voorzichtig komen wat trends en grote lijnen terug: ontwikkelingen, niet in de laatste plaats in ons eigen denken. Stilstaan bij het vele verleden en het razende heden. En met lichte schroom en na verwijzingen naar eerdere, soms foute toekomstvoorspellingen, volgen enige futurologie en een wens.
Het duin oogt rustig. Tot je de geschiedenis kent. Het liefst schrijf ik over onderwerpen waar ik weinig van weet, dat maakt het kijken en schrijven net als bij de Chinese dichter het meest fris, het gesprek met boswachter of onderzoeker het meest onbevangen. Ik doe of ik nog nooit van al die plantjes en dieren en het menselijke gewoel heb gehoord en stel zonder veel omhaal de drie moeilijkste vragen: wat is nu het kenmerkende hier (de kern, of meer poëtisch: de ziel van het gebied), wat is voor jou (boswachter, kenner) een hoogtepunt en tenslotte: wat zijn hier de trends, de ontwikkelingen? Onmogelijke vragen voor echte kenners!
Er blijken veel feitjes en uiteenlopende waarderingen te zijn zonder dat er lijn in zit. Of als er wel een lijn, een trend is, wat is dan de verklaring? De wetenschap geeft doorgaans niet thuis. Goed verklarend duinonderzoek bleek schaars ondanks zeer gevulde computers en honderden waarnemers in het duin. Veel waarnemingen, weinig interpretatie. Voor wie aan de kust geboren en getogen is lijkt alles van belang: van het soort zand tot het meest miniscule plantje, van jachthutjes tot kasteelfundamenten. Kennemerland blijkt geen maagdelijk zand te zijn, maar een vat vol verhalen.
Het relaas van de Chinese dichter in het verhaal van Dirk van Weelden stemt weemoedig: “Ik had nooit verwacht een landschap te ontdekken dat zo ijl en ongerept was, zo teer.Ik schreef een gedicht waarin ik zei dat het duinlandschap aan zee ligt te slapen als een eeuwig jong meisje.” De onbevangen ontmoeting: het duin als kwetsbaar landschap, het licht langs de kust. We herkennen het, we genieten ervan, maar zijn al schrijvende op een ander spoor gezet. De onschuld is voorbij: we zien een landschap met meer dan tien menselijke gezichten. Er waren de jacht met de bijbehorende konijnenfok, verstuivingen waarin de mens mede de hand had, er waren landbouw en bosbouw. Er werd oorlog gevoerd. Actueel zijn kustverdediging, waterwinning, recreatie, natuurontwikkeling, luchtvervuiling en de stedelijke omhelzing: hoogbouw, herrie, industrie, molens en mogelijk eilanden op zee. Sinds het boek ‘Bewogen Kustlandschap’ dat ik in 1995 over Noord-Kennemerland schreef, zijn er twee nieuwe menselijke invloeden bekend geworden c.q. bijgekomen: bewoning en benutting – van prehistorie tot het jaar 1000 – en de klimaatverandering van nu waardoor alles harder groeit en de kust niet zonder kunstmatige zandtoevoer op zijn plaats zal blijven.
Slechts af en toe neemt de invloed van de mens af: de verdediging van de zeereep werd minder rigide. Zeker sinds kustbeheerders weten dat een dynamisch duin meer groeit dan een gefixeerd, mag het duin weer stuiven. En natuurlijk grondwater keerde in delen van het landschap terug.

Natuurgebied of park
Het duin heeft een wonderlijke veerkracht, het kent de rijkste natuur van ons land en er is de kans om het te behouden. Het is een veelzijdig landschap waarover beheerders van mening verschillen. Er waren eigenaren die in volle ernst hebben gepleit voor uitroeiing van konijnen, aanplant van naaldhout en ruim baan voor mountainbikers. Maar er zijn ook beheerders die waterwinning stopzetten waar ze kunnen, wisenten introduceren, vossen ruim baan geven – behalve dan in weidevogelreservaten – en een oude tankmuur beschermingswaardig vinden. Ik ontdekte een aantal wetmatigheden. Bijvoorbeeld: een beheerder van een duinterrein is altijd kritisch over de buren. En: meningen van kenners botsen altijd. Een paddenstoelenkenner kijkt met veel plezier naar een perceel naaldbomen, vanwege de oranjegroene melkzwam en de okerkleurige vezeltruffel die eronder groeien. De watermanager weet dat dennen het duin mede verdrogen en wil ze eigenlijk kappen.
Meningen verschuiven, ook die van de duinbezoekers. Velen heb ik horen mopperen over al die nieuwe hekken en spandoeken bij de ingang: “het wordt één groot park.” Terwijl anderen genieten van de mogelijkheid eens een flink beest te ontmoeten. Twee jongetjes legden mij uit dat al die hekken nodig waren “om de dieren te beschermen.” Zo kan je het ook zien. Dat het wilde duin stilletjes aan meer op een park lijkt dan natuurbeheerders willen, doet misschien een beetje pijn. Maar mensen wonen nu eenmaal liever in parken dan woestijnen.
Natuurbeheerders ontkomen ook niet aan forse ingrepen: woekerende waterplanten als watercrassula worden letterlijk met vuur bestreden, Amerikaanse vogelkers laat zich alleen met drukmiddelen als ‘terreurbegrazing’ (met geiten) en een drupje bestrijdingsmiddel indammen, verwilderde schapen planten zich ongebreideld voort en moeten eruit. Met herten loopt een beheerder het risico op verkeersongelukken en de bijbehorende juridische procedures. We leven in metropool Nederland, niet ergens in de oerbossen aan de Pools-Russische grens. Als samenleving willen we natuur zonder risico’s.
Waardering
Schrijven is kiezen. Als ik denk dat iets een leuk feit is volgt de vraag: is het van waarde en het vertellen waard? Wat het boek haalde is gebaseerd op weging van feiten, meningen en beelden. Deels is dat politiek correct en marktconform en als bioloog ben je wat mopperiger over recreatie dan de eigenaar van een fietsenverhuurbedrijf. Deels is het eigen bagage en eigenwijzigheid (‘visie’). Neem nu mijn waardering voor de wisent.
Op 2 april 2007 werden drie wisenten uitgezet in het Kraansvlak, later nog drie. Allemaal uit Polen. Het verhaal: een experiment met een Europees bedreigde soort; beheerders gaan onderzoeken wat de invloed van het dier is op het teveel aan bos en gras. Ik bekeek de nieuwkomer in de duinnatuur en draaide meer dan 180 graden in mijn opinie en deels terug.
Voor ik één wisent in het duin gezien had was ik sceptisch over de Europese bizon. Mooie beesten, ik kende ze uit Artis en wist dat de wisenten in de voormalige Poolse jachtdomeinen van de Russische Tsaren bijgevoerd werden om schade aan de bossen te voorkomen. Maar een wisent in de duinen? Nieuwlichterij! Er zaten ooit wisenten in Nederland, maar elk spoor in de duinen ontbreekt. Archeologische vondsten van hoefafdrukken zijn zonder uitzondering van vee van prehistorische boeren. Een door een wolf of beer afgekloven wisentbot is evenmin aangetroffen. En de beheerders waren nog maar net begonnen met begrazing door vee (o.a. hooglanders) in het Kraansvlak, dus waarom niet eerst de resultaten daarvan afwachten? Met deze scepsis op zak ging ik op bezoek bij de boswachters van Beheereenheid Zuid van het pwn in Overveen, waar ik enkele zacht morrende tegenstanders trof en veel enthousiaste voorstanders. Ik zag beeldschermen met stipjes op de computerkaart van het duin – want de beesten zijn gezenderd. Het Kraansvlak bleek onder hoogspanning te staan en alleen met een boswachter of onderzoeker kon je erin.
Op een mooie namiddag in de herfst van 2008 was het zo ver. Ik kon met een pwn-jeep mee op safari. Want zonder auto: te veel risico. Onderweg vroeg ik de biologen uit: hoe de wisenten zich over het terrein verspreidden, wat ze aten en welk deel van die gigantische hoop gras en struiken, verspreid over 200 hectare, die zes dieren ooit op konden krijgen. En natuurlijk: of ze gevaarlijk waren. Ondanks de stipjes op de computer zagen we de eerste uren alleen een enkele pootafdruk en een dampende hoop stront waar met welbehagen in werd geschept: want wat eten ze nu precies? Hoe langer het zoeken duurde, hoe mooier het Kraansvlak werd: de kardinaalsmutsen begonnen rood te gloeien, het zand van het Verlaten Veld liet diepe schaduwen van een rijtje wisenthoeven zien, damherten renden over het duin en een vos deed of we niet bestonden. We besloten de auto te verlaten en trokken in linie als in een drijfjacht over de heuvelen. Aangekomen aan de voet van de Kennemeralpen – voorbij het punt waar het onmogelijk was geworden om in een sprint de auto te halen – hoorden we gesnuif en gekraak tussen populier en eik.
Ze toonden ons geen blik waardig. Er werd gegeten. De stier toonde alleen belangstelling voor een wisentkoe. Onderweg had ik opgevangen dat het vee dat eerst het Kraansvlak bevolkte een grotere invloed op de vegetatie had dan deze kleine kudde. Maar kennis en feitjes vallen weg als het Afrikagevoel in je opwelt. Ik liep eerder tussen bavianen, buffels en leeuwen en als je dat allemaal overleeft is de spanning gewoon aangenaam. Kortom: ik was meteen gewonnen voor de wisenten. Beleving is ook een argument, nietwaar?
Een week later ontving ik gegevens: de namen van de Poolse dieren, ze bleken een stamboek te hebben, droegen een hele geschiedenis met zich mee. Oorspronkelijk kwamen ze uit onze dierentuinen. Dat zit zo: de enige reden waarom wisenten in Europa niet net als oerossen zijn uitgeroeid, ligt in het grootgrondbezit op de Pools-Russische grens. Daar lagen grote, afgesloten gebieden van de tsaren: bossen, moerassen en ongetemde rivieren, die ook militair-strategisch van belang waren. Ze verschaften tevens redding en dekking aan bosbewoners als wisenten en beren – gewilde jachtobjecten van de Russische heersers in de 18e en 19e eeuw. In de 19e eeuw bloeide natuurstudie op, wat leidde tot dierentuinen. Vele wisenten kwamen als relatiegeschenk van een tsaar aan een bevriend vorstenhuis in dierentuinen terecht, wat de redding van de soort is geworden. Want na uitroeiing van de wisent in het wild in 1921 konden ze vanuit dierentuinen weer in Polen worden uitgezet, waar er nu weer duizend rondlopen. En daar komen onze zes introducés vandaan. Migratiestromen zijn er niet alleen van mensen. Toen ik dit wist dacht ik: wat een moeite. Maar ach, wat zijn ze mooi. Europese natuur.
Alles van waarde is weerbaar
De selectie van beelden en verhalen voor dit boek leidde tot een lijstje van criteria. Geen ranglijst, maar een verzameling waarderingen. We geven vaak een hogere waardering als het plantje, het verschijnsel, het gebied, het object:
[persoonlijke band]
– een eigen ontdekking is;
– méér tot onze verbeelding spreekt of beter past in ons denkraam;
– een minder bezwaard verleden heeft; spelen er negatieve emoties zoals bij oorlog, dan wisselen waarderingen sterk;
– de eigen verzameling aanvult en completer maakt (bijv. een nieuwe soort, een nieuwe nederzetting);
– je van kindsbeen af vertrouwd is (een bewoner van Schoorl die van het dennenbos houdt);
– door jou gemaakt of bedacht is;
[zeldzaamheid en authenticiteit]
– historisch gezien ouder is (bijv. een kasteel); resten uit de oorlog van 1799 zijn voor kenners waardevoller dan uit 19-0-19-5;
– zeldzaam is;
[bekendheid]
– meer zichtbaar of spectaculair is (ploegsporen in oude bodemlagen versus een muntschat); het hemd is nader dan de rok;
– net ontdekt is;
– de krant, het web, een film of boek haalt en daardoor bekend is onder een brede laag van de bevolking;
[wetenschappelijke status]
– wetenschappelijk gezien zeldzaam is (regionaal, nationaal, internationaal);
– door een deskundige van belang wordt geacht;
[status in beheer en beleid]
– door de persoon of de organisatie in kwestie (boswachter, beheerder, wethouder etc.) zelf is bedacht of uitgevoerd (bijv. nieuwe paraboolduinen);
– past in het geldende beheer van een terrein en omschreven staat in een beheerplan;
– in een beleidsdocument staat en zo juridische waarde krijgt: bijv. ‘habitatrichtlijn soort’, Rode Lijstsoort, beschermd natuurgebied.
Wat kan een terreinbeheerder hier nu in de praktijk mee? Allereerst wordt duidelijk dat waardering altijd ook persoonlijk is; waardering is een keuze. Er is steeds een emotioneel, economisch of politiek belang van een persoon of groep in de samenleving. Of het nu gaat om een stuk oud beton of een onooglijk korstmos, hoe iemand het ook waardeert: onzin is het nooit. Waarderingen zijn vaak niet zo bewust en kunnen verschuiven, zeker bij zo’n veelzijdig fenomeen als het duin van Kennemerland. Ieder speelt zijn eigen lied en in elke tijd klinkt andere muziek.
En dan de mooiste keerzijde van dit alles: wat we waarderen krijgt iets weerbaars want er is altijd wel een belangengroep, wetenschapper of kunstenaar, die zijn waardering van een landschap of soort zo belangrijk vindt dat hij invloed wil uit oefenen op hoe het duin beheerd wordt. Een prehistorische akkerlaag wordt weerbaar zodra een archeoloog de waarde ervan op de agenda weet te krijgen. De Bergense dichter Lucebert (‘Alles van waarde is weerloos’) had ongelijk. Alleen het onbenoemde verdwijnt geruisloos.
De zeilen verzetten
“Vergelijkende lijsten toonden aan, dat de flora van het Haarlemsche duin veel armer is dan die van Noordwijk en van Wijk aan Zee. Tal van foto’s toonden den treurigen toestand van ons duin aan. Wij reproduceeren hier het grafmonument (red.: de watertoren van Overveen) (..) we zouden er nog bij kunnen voegen: een woestijn, als gevolg van aardappelcultuur, doode berkebosschen in het gebied van de waterleiding, een drooge kuil, drie meter diep op een plek waar vroeger ‘swinters het water een meter hoog stond.”
Jac. P. Thijsse, 1908
Bossen, ruige duinruggen, meidoorns en hellingen vol duinrozen worden in Kennemerland afgewisseld met gegraven watertjes en laagtes: natte valleien met bloemen of droge vlakten. Er is veel heide in het noorden, weinig in het zuiden.
In de natuur veranderen de kleuren: van zuid naar noord en van oost naar west. En ook door de seizoenen en jaren heen. Hoger worden de bossen. In de natuur veranderen de geluiden. De melancholische jubel van wulpen is vrijwel verdwenen, de schreeuw van roofvogels is gewoon geworden.
Gaat het nu goed met de natuur van Kennemerland? Het ligt er aan waar je naar kijkt en waar je mee vergelijkt. Vergeleken met de rest van Noord-Holland gaat het hier met veel natuur uitstekend. Maar vergeleken met de natuur van 1880 is er veel achteruit gegaan. Soorten van open en natte terreinen verdwijnen, net als in de rest van Nederland. En onopvallend maar wel alarmerend: veel kleine beestjes houden het voor gezien. Het algemene wordt algemener, het zeldzame vaak zeldzamer. Beheerders doen wat ze kunnen. Er zijn gebieden waarmee het beter gaat, bijvoorbeeld: de Kennemerduinen, door herstel van de grondwaterstand. En er zijn gebieden met overwegend neerwaartse trends, bijvoorbeeld Schoorl, waar pas sinds kort begonnen is met het terugdringen van gras en naaldbos en de recreatie forser is dan de natuur aankan.
Dit boek illustreert de cyclus, die elke grote ingreep of functie (landbouw, bosbouw, waterwinning, natuurbescherming, recreatie) doormaakt. Telkens is er een groot of minder groot probleem (cholera door smerig stadswater!) of bijvoorbeeld een prijsvraag (landbouw in 1825), vervolgens een fase met veel ideeën en politiek getrompetter. Dan gaat decennialang de schop in de grond, zonder veel twijfel of noemenswaardige tegenstand. Waterwinning werd al in 1898 door J. van Baren als oorzaak van het verdwijnen van duinnatuur genoemd en tien jaar later wetenschappelijk gefileerd door Prof E. Dubois. Erkenning van het probleem van de overonttrekking volgde toch pas na tientallen jaren, de oplossing na een eeuw. Bosaanplant: eens veel enthousiasme, maar ach nu is er veel spijt…. Uitzichten verdwijnen, de bodem droogt uit, mede door het naaldbos. Evenzo lijkt natuurbescherming nu over haar hoogtepunt heen. Recreatie – en het antwoord van de beheerder: gastheerschap – bevindt zich nu op de weg omhoog. In 1992 was natuurontwikkeling net nieuw en vond het bij veel duinbeheerders een warm onthaal, maar wel in combinatie met een pleidooi voor afsluiting van grote delen van de duinen. Nu durft men dat niet meer zo te stellen.
Als de mammoettanker ‘Duingebruik en duinbeheer’ een bepaalde koers heeft ingezet duurt het wel even voor men beseft – of: voor men de gedachte toelaat – dat de bakens moeten worden verzet. Sinds kort spelen cultuurhistorie en archeologie een rol in de afweging van ingrepen. Maar kennis daarvan was al lang beschikbaar. Ook signalen om een visie te ontwikkelen op welke cultuursporen wel of niet behouden moeten worden klinken al geruime tijd. Ingrepen tegen verzuring, vermesting en verdroging zijn al minstens dertig jaar urgent, maar pas de laatste tien jaar hebben ze vleugels gekregen door een relatief ruimhartig rijks- en Europees beleid en de eigen inzet: het ombuigen van technieken voor waterwinning, het vrijstellen van menskracht voor projecten.
Over klimaatverandering is het denken maar net begonnen. In 2001 liep het pwn voorop door korstmosonderzoekers Laurens Sparrius en André Aptroot het Noordhollands Duinreservaat te laten inventariseren.
Het leverde een primeur op: koudeminnende soorten gingen achteruit en warmteminnende soorten verschenen. Hier een eerste bewijs voor invloed van klimaatverandering op natuur. En waar rook is, is vuur: overal blijkt de natuur op drift. Nu, bijna tien jaar later, staat het antwoord op klimaatverandering nog in de kinderschoenen.
Vooruitblik
In de aanloop tot dit boek heb ik duinbeheerders en boswachters gebruskeerd door te zeggen dat ik het niet over de toekomst wilde hebben. Verleden en heden zijn al complex genoeg en toekomstplannen….een flink deel haalt de uitvoering nooit en zou in dit boek ‘ruis’ geven. Wat wel uitgevoerd wordt pakt steevast anders uit dan gedacht. Neem nu de Kerf van Schoorl. In 1995 publiceerde ik het toekomstbeeld van de ontwerpers, als impressie getekend door Ulco Glimmerveen. De zee zou blijvend binnendringen; de zeereep zou gaan stuiven; er zou een zoutminnende vegetatie ontstaan met een paarsrode gloed van lamsoor en zeekraal en slechts een enkele bezoeker zou de drassigheid trotseren.
De zoutminnende planten kwamen er inderdaad, alleen niet lamsoor maar zeerus. De kluten bleven weg, mede doordat dit nieuwe landschap een topattractie bleek. De Kerf bleef mede open door de vele wandelaars en crossers. Zee en wind vulden de luwe ruimtes achter de zeereep bij de Kerf weer relatief snel met zand en aanspoelsel. Overstroming is nu een incident. Een kerf zoals bij Schoorl, aangelegd op een plek waar de natuur dat niet zou doen, gaat vanzelf weer dicht. Als een huid die zich sluit. Wel hebben we ervaren dat een gat in de zeereep geen veiligheidsrisico hoeft te geven. En onverwachte dingen: een beetje extra zand overpoederde landinwaarts de heide en deze begon uitbundiger te bloeien, dus toch een paarse gloed al is het van andere bloemen dan voorzien.
Kortom: niets veroudert sneller dan een toekomstvisie. In 1992 pleitte Stichting Duinbehoud in ‘Duinen voor de wind’ voor het uitzetten van edelherten in Zuid-Kennemerland. Geen mal idee. Maar hebben ze daar al niet teveel herten? Er kwamen wisenten. Eerst 6 Poolse dieren en die zaten niet stil; sinds mei 2009 zijn er 2 Hollandse duinwisentjes bij.
Een ree of damhert dat het Noordzeekanaal wist over te steken geeft hoofdbrekens: komen er straks niet teveel en wie betaalt de kosten bij auto-ongelukken? De ontwikkelingen gaan snel. Sinds 2009 staan er borden ‘overstekend wild’ aan de Zeeweg en Heereweg bij Castricum.
Intussen leek de duinlandbouw verdwenen, maar boeren uit de streek laten halfwilde rassen grazen in het duin en bezorgen mij via de lokale slager smakelijk duinlamsvlees. Het enige wat zeker lijkt over de toekomst van het duin: veel bewoning zal er niet zijn. Of stijgt het water net als 1500 jaar geleden, toen het achterland te nat werd voor bewoning, zodat we die stap vanzelf weer zullen maken?
Dat we een krachtige rijks- en provinciale overheid, weloverwogen beheerders en welbespraakte natuurverenigingen nodig hebben om dit tere landschap niet door kleine deelingrepen en snelle projectjes van lokale wethouders te laten verhakselen, is de open deur die aan het einde van een te liberaal tijdperk best een duwtje kan hebben. En aan de inhoudelijke voeding van zo’n overheid dragen boswachters met een enthousiast verhaal, duinonderzoekers met feiten en afwegingen, wetenschappers met een zekere distantie, kunstenaars met een eigen blik en, mogelijk, ook dit boek bij.
De lege plek
Bij de start van het schrijven kwam ik een kaartje tegen, waarop te zien was waar in West-Nederland 2000 jaar geleden mensen woonden (grijs)). Vergelijking met de kaart van nu – de verschillen in kustlijn negerend – toont een treffend contrast: waar vroeger mensen woonden – in het duin – woont nu bijna niemand meer. En op de plekken waar vroeger onherbergzame moerassen lagen wonen nu twee miljoen mensen. Het duin is de nieuwe lege plek. En: de laatste lege plek. Leeg geworden door een samenloop van omstandigheden. Er waren na bewoning rond het jaar 700 eeuwenlang verstuivingen met onvoorstelbare zandzeeën. De grootschalige pogingen tot duinlandbouw in de 19e eeuw gingen net voor de uitvinding van kunstmest ten onder. Bosbouw leek even rendabel. Vervolgens claimde waterwinning de volledige ruimte ten koste van zandwinning en bouwplannen; oorlog zorgde voor groot sloopwerk; natuurbescherming wees op de planten en dieren en wat ze nodig hebben en tenslotte kwam de recreatie: die miljoenen mensen willen ook wel eens wat anders dan rechte straten. Zonder lege ruimte geen heldere geest. En misschien is dat nu wel de grootste uitdaging: hoe houden we ruim zicht en lange stiltes in het duin, ons duin. Het kan wellicht geen kwaad dit laatste halfwilde randje Nederland een klein beetje heilig te verklaren.





