Texel en de overkant (epiloog uit: Duinen en mensen Texel, 2013)
(Epiloog ontleend aan: Duinen en mensen Texel, 2013, licht bewerkt 2026)
Door langzame aangroei in het zuiden kruipt Texel richting Den Helder. Verheling met de wal wordt echter door geen geoloog voorzien, integendeel. Toch lijkt de Texelse natuur steeds meer op die van de wal, voor een deel omdat soorten spontaan het eiland weten te bereiken en een plekje veroveren. Maar veel meer door wat mensen bewust en onbewust naar het eiland verslepen. Verschillen tussen eiland en vasteland vervagen, waarbij de duinen het langst hun eigenheid lijken te behouden. 2012 was een zeer nat jaar vol met nieuwe beelden en verhalen over Texel, die in dit boek doorgaans langs historische lijnen zijn doorverteld. Ik was als rasechte ‘overkanter’ gespitst op dingen die op Texel anders zijn. Niet om de Texelaars te bewieroken met hun, inderdaad, geweldige duinen, maar om als boekenmaker over de Nederlandse kust te ontdekken wat Texel zo Texels maakt. Wat is, als we naar de duinnatuur kijken, het hart van dit eiland en hoe klopt het?
Hoe alles langzaam verschuift
Mijn eerste kennismaking met Texel was als student biologie. In 1973 volgden we met vele studenten een practicum over allerlei zeebeesten bij het onderzoeksinstituut NIOZ: mossellarven en zeepieren, zeenaaktslakken en zandkokerwormen. Na afloop zwierven we bij guur weer wat rond bij de Mokbaai. Een paar jaar later, in 1980, verbleef ik weken op Texel en Vlieland voor een afstudeervak bij het inmiddels verdwenen Rijksinstituut voor Natuurbeheer. Met medestudent Gertjan Endedijk zocht ik uit of die als ‘bijzonder’ bekend staande Texelse noordse woelmuis last had van concurrentie met de bosmuis. Het bleek vooral andersom.
Waarnemingen uit die nazomer die mij bijbleven: de onverstoorbare vlucht van een velduil boven de oude vuilnisbelt vlak bij ‘t Horntje op de Schilbolsnol, op zoek naar o.a. dwergmuizen – nieuw sinds de vijftiger jaren. En in de Geul, waar de Moksloot onder de weg door naar de Mokbaai loopt: een hermelijn in winterkleed, wit met een zwarte staartpunt, wegvluchtend met zo’n vette noordse woelmuis in zijn bek. BBC Wildlife was er niets bij. Nu, 30 jaar later, spreek ik vogelwachter Aris die vertelt dat hermelijnen uit de Geul vaak de weg oversteken, om in de vruchtbare Mokbaai hun muizen te halen. Vele generaties hetzelfde gedrag.
Maar in enkele tientallen jaren verandert er ook veel. Aan de rand van een valleitje met lijsterbes en galigaan op camping Loodsmansduin, waar we in 2012 een seizoenskamp opslaan, ritselen heel andere muizensoorten rond de tent dan jaren geleden. Kinderen pakken met gemak de trage huisspitsmuisjes die er sinds enkele jaren ronddarren.
Als je niet knijpt bijten ze niet. Vogelwachter Dick Schermer toont mij later in de Slufter hun holletjes tussen het gras en wier, met aangespoelde houtplaten als dak. De natuur gebruikt alle cultuur die er maar voorhanden is. In het aanspoelsel liggen veel meeuwenlijken maar ook een enkele kattenschedel, een veeg teken: elke gevonden kattenschedel staat voor een veelvoud aan verwilderde katten. Met een enkele lifetrap (met wortel en pindakaas als aas) vang ik op de camping aan de lopende band rosse woelmuizen met hun fraaie roodbruine vachtjes. Ook nieuw voor Texel.
Op Texel gebeurt wat op elk eiland in deze wereld gebeurt: de vastelandsnatuur rukt op. Eilandnatuur blijft alleen in strikt isolement zichzelf en dat is voor Texel lang geleden. Veel introducties (bewust en onbewust) zijn blijvertjes, zoals het konijn, de zwarte honingbij, groene kikker, een bosmier, huisspitsmuis en vele anderen (zie ook pag. 52 in Duinen en mensen Texel).
Kattenstaart nabij Eierland
Is de Texelse natuur anders?
Veel kijken en luisteren is nodig voor je op Texel de honderden kleine accentverschillen met het vasteland of met andere Waddeneilanden begint door te krijgen. Met de Noordkop en de meeste Waddeneilanden deelt Texel velden met struikheide en noordhellingen vol eikvarens en kraaiheide. Andere natuur is in de eerste plaats een kwestie van andere verhoudingen, want echte bijzonderheden van Texel, zoals de waddenbraam zijn schaars. Wel zijn veel soorten hier veel meer en andere juist veel minder aanwezig dan elders.
Enkele algemene duinplanten, zoals kattenstaart en gagel, zijn op Texel relatief schaars, terwijl ze wel veel op Terschelling en in het Zwanenwater groeien. Ook de moerasplanten koninginnenkruid, grote engelwortel en moerasspirea zijn mondjesmaat aanwezig in het Texelse duin, daar heeft niemand een goede verklaring voor.
Welriekende nachtorchis is in kleine aantallen in slechts drie Texelse valleitjes te vinden, terwijl er zuidelijker in het Zwanenwater en noordelijker tot op Schiermonnikoog veel meer staan. Vroeger (lees 19e eeuw) was deze witte orchidee op Texel veel algemener maar hij verdween grotendeels als gevolg van bebossing (waardoor de mientgronden aan de binneduinrand verdwenen) en verdroging (ook deels door bos). De verschillen met de kalkrijke vastelandsduinen ten zuiden van Bergen zijn groter: salomonszegel, wilde tijm en kardinaalsmuts ontbreken.
Terug naar de hamvraag: wat is hier nu extra of uniek? Opvallend veel driedistel, vooral in soms iets vochtige duinen met een beetje kalk, zoals op Eierland. Typerend voor het oude land met tuinwallen en de zuidelijke duinen zoals de Bollekamer, zijn de in natte jaren overal rijk bloeiende grasklokjes, al staan deze ook aan de overkant in de duinen bij Huisduinen en bij Bergen.
Er is geen goede verklaring voor het fenomeen van de gevlekte orchis, een ‘echt Texels ding’. Nadat in 2009 oud bollenland werd afgegraven bij de Rommelpot, stonden ze binnen enkele jaren mannetje aan mannetje. Het is steeds deze orchidee (en niet bijv. de rietorchis) die het erg goed doet, ook op verschralend grasland zoals in het Alloo en de Tureluur. Hij staat zelfs massaal in de berm van de Ploegelanderweg, pal naast de straatklinkers. Het valt niet uit te sluiten dat de genetische bagage van deze Texelse gevlekte orchis anders is, want hij lijkt veel minder kieskeurig dan elders in het Hollandse duin. Een uitdaging voor de DNA-biologen van nu.
Veel Texelse troefkaarten zijn waterplanten van duinplassen, met landelijke zeldzaamheden als weegbreefonteinkruid. Op de overgang van vochtige naar droge heide, in duinvalleien en merkwaardig genoeg ook op de hoogste kwelders in de Slufter, staat de diepgeel bloeiende verfbrem, in grote aantallen. Elders in onze duinen staat hij slechts hier en daar. Ook kleurrijk en – door de toegenomen verspreiding – zeer Texels is het in juni bloeiende teer guichelheil. Een succesverhaal voor de plaggende beheerder en een weerspiegeling van schoon grondwater met wat kalk, zowel te zien in de net geplagde Nederlanden als in oudere veldjes, zoals het Kees Dekkers Hok langs het Hoornder Slag. Niet zomaar een zeldzaam bloemetje: roze en bijna lichtgevend, en zoals Kees Bruin het noemt, bij een beetje ‘mokkig’ weer met weinig wind en veel warmte sterk geurend. Teer guichelheil pronkt met ruim bemeten bloemen op minuscule steeltjes en een ragfijn blaadje. Daar kun je mee voor de dag komen, net als met parnassia. Die zit de laatste 10 jaar in alle kalkrijke, vochtige duinen aan de vaste wal in de lift en is op Texel vooral veel in het zuiden te zien.
Mijn botanisch hoogtepunt van 2012 was de bloei van blauwe knoop. Overal in de duinen een echt zeldzame plant die je haast nooit ziet. Maar neem in augustus met de vogelwachter het excursiepad pal achter de vogelhut aan het Westerslag en doorkruis de valleien van de Westerduinen richting de zeereep. De driedistels zijn uitgebloeid, een enkel duinroosje laat zich nog zien, maar in soms wat ruigere en al 50 jaar niet meer beheerde vegetaties staat in een regenrijk jaar als 2012 een zee aan blauwe bloemen, soms tussen de struikheide. Een bijzonder fenomeen in de Nederlandse duinen. Ook elders op Texel blijken flinke plukken van de blauwe knoop te staan.
Meer of minder eiland
Tijdens het werk aan dit boek, vanaf november 2011, probeerde ik bij te houden welke nieuwe soorten zich in een jaar op Texel vestigden. Ik trof zelf een timmerboktor, een kolossale met een spanwijdte van de voelsprieten van 10 cm, op de veerboot vanaf Den Helder. Hij vloog kwiek het eiland op, een eenzaam mannetje. Maar een losse waarneming is nog geen vestiging. Ook zwervende en langstrekkende vogels tellen niet meteen mee, ondanks de permanente stroom van dwerggorzen, zwarte ooievaars en een flink aantal Amerikaanse, Siberische en Aziatische dwaalgasten. Texel is voor hen van belang, maar kortstondig, al kan dat korte pleisteren en op adem komen natuurlijk van cruciaal belang zijn voor hun overleving (het zijn net toeristen). Van echte nieuwkomers is pas sprake als er een Texelse populatie is. Een groep die zich ter plekke voortplant en zich handhaaft. Daarvoor moest ik vooral bij de flora zijn. Het purper schorpioenmos werd na ruim een halve eeuw afwezigheid weer in ons land begroet, ook in de media. In meeuwenkolonies dook de glanzige ooievaarsbek op, in vloedmerken gifsla, de naamgever van een boek van Jan Wolkers, die tot mijn verbazing geen sporen na heeft gelaten in de Texelse natuur of het landschap.
In 2011 vonden medewerkers van Staatbosbeheer een bijzonder blaasjeskruid. Een jaar later kwam dit inmiddels als loos blaasjeskruid geïdentificeerde vleesetertje in bloei en niet zuinig ook: in heel licht brakke en heldere duinplasjes tussen kranswieren. Het kreeg, onterecht natuurlijk, veel minder media-aandacht dan boktor en mos. Als we op een eiland binnen een jaar al te maken hebben met nieuwe soorten, wat is er dan te melden als we een langere periode bekijken? In de 19e eeuw meldde Hugo de Vries na een excursie in 1867 (samen met F.W. van Eeden, Samuel en Dirk Huizinga): ”Het is namelijk zeer in ’t oog loopend dat die planten welke overigens in de Hollandsche duinen bijna nergens ontbreken, op Tessel in ’t geheel niet aangetroffen worden”. Voor een deel is deze waarneming terug te voeren op verschillen in duinmilieu (zuiden zeer kalkrijk, Texel overwegend kalkarm), maar een aantal soorten was halverwege de 19e eeuw gewoon nog niet op Texel gearriveerd.
In de huidige duinflora zien we nauwelijks nog eiland-effecten: gevolgen van het isolement. Voor veel zaden is de zee blijkbaar te overbruggen geweest. Dat geldt zeker voor sporenplanten als mossen en varens die met de wind overal kunnen komen. De door Holkema in 1870 uitputtend beschreven eilandflora was rijker aan zeer bijzondere soorten, maar er ontbrak een aantal nu vrij algemene duin- en bossoorten. Omdat van sommige van deze soorten pas enkele decennia waarnemingen bekend zijn, is hun vestiging en verspreiding goed bekend. De gewone ereprijs bijvoorbeeld is elders een zeer algemene duinplant, op Texel slechts hier en daar aanwezig langs paden en in graslanden, een recente nieuwkomer waarvan de langzame verspreiding op het eiland is te volgen. Enkele soorten zoals valse salie en viltganzerik, die tot en met Den Helder gedijen, zijn nog net niet gearriveerd, al is het eerste aangeplante exemplaar van de valse salie gespot in een heemtuin.
De fauna spreekt soms klare taal
Bij vogels, zoogdieren en dagvlinders is veel duidelijker sprake van een eiland-effect op de soortensamenstelling dan bij de flora. Bij enkele zoogdieren wijkt het uiterlijk zelfs af, zoals bij de waterspitsmuis. Op Texel is het aantal vleermuizen opvallend laag, met alleen de overal algemene dwergvleermuis en de forse laatvlieger, een typische bosrandsoort. Bij de vlinders springt Texel er positief uit met de grote parelmoervlinder. Opvallend is het ontbreken van zilveren maan, koevinkje en oranje zandoogje, die wel alle drie op Terschelling voorkomen. Bij de vogels zijn wulp, blauwe kiekendief en velduil opvallend, maar de dalende aantallen baren zorgen.
Het is onbegrijpelijk dat er geen wetenschappelijk onderzoek loopt naar de effecten van recreatie, grote landschappelijke veranderingen (de hele bosgordel aan de duinvoet) of nieuwe predatoren als de havik. Een eiland dat leeft van recreatie en natuur is gebaat bij kennisvan zaken. Natuur en landschap zijn Texels rijkste, meest zichtbare erfgoed. Behalve over vogels en planten is er inmiddels ook veel bekend over minder aaibare soorten als wantsen en slakken. Vooral bij die laatste soortsgroep is de oversteek over zee een hachelijke, zo niet onmogelijke opgave, al nemen vogels aan hun veren soms slakkeneitjes mee. De noordwaartse slakkentrek is grotendeels – en onbewust – mensenwerk. Naast de al beschreven slakken van de Dennen werd ook de grote glansslak na het midden van de 20e eeuw op Texel per ongeluk geïmporteerd. Als agressieve carnivoor eet deze grote glansslak wormen, huisjesslakken en jonge naaktslakken. Waar deze soort verschijnt, verdwijnt volgens de Texelse slakken-expert Johan Reydon de kelder-glansslak. Ook de bolle duinslak is van oorsprong een Zuid- en West-Europese soort en nieuw op Texel. De oorvormige poelslak is recent aangevoerd, bewust of onbewust, mogelijk met waterlelies en andere vijverplanten. Aanvoer van waterplanten (en daarop zittende beestjes) gebeurt voortdurend, zie bijvoorbeeld de watergentianen in de Rommelweel en zwanenmossels in het Mokslootgebied.
Van de 610 uit Nederland bekende wantsen zijn er in 2005 op Texel 279 gespot, waarvan 10 voor het eerst (tevens nieuw voor de Waddeneilanden). Een voor kenners interessante soort als Emblethis denticollis gedraagt zich invasief en bereikt op Texel (tijdelijk?) de noordwestgrens van zijn verspreidingsgebied. Mogelijk een effect van het warmere klimaat. Zeer opvallend is dat op Texel geen enkel reptiel voorkomt. De zandhagedis komt in wisselende maar toenemende aantallen langs de Nederlandse kust tot bij Den Helder voor, ook op een drietal Waddeneilanden, maar niet op Texel. Mogelijk was de zandhagedis wel present toen de Waddenkust nog min of meer gesloten. Waarschijnlijk raakte Texel rond het jaar 1000 een groot deel van haar duinen kwijt. Toen de huidige duinen zich vanaf de 12e eeuw gingen vormen, was Texel al eiland geworden en onbereikbaar voor de zandhagedis.
Vrijwel alles is verbonden
Texel is al sinds de 12e eeuw een eiland, maar hangt in zekere zin nog aan de wal. Dat geldt voor de natuur, maar zeker ook voor de economie. Zonder toerisme zou Texel niet zo rijk zijn. Van schapen alleen houd je geen duizenden mensen in leven, de walvisvaart is al lang voorbij, de 17e-eeuwse VOC meert hier niet meer af. De boeren weten soms andere markten aan te boren (bier, cranberries). Van de overkant komt verreweg het meeste voedsel, het drinkwater, de meeste energie en het personeel om vakantiehuisjes en hotels schoon te maken.
Net als de economie is de natuur een en al handel, verkeer en wisselwerking. Voor vele vogels is Texel een tankstation: rusten, eten en weer verder. Andere soorten verblijven er permanent, weer andere wonen op Texel en ‘werken’ (lees: eten) elders. Nadat er vossen in het Zwanenwater kwamen, verhuisden de lepelaars naar Texel. Ze gaan echter nog dagelijks terug om te eten bij het Balgzand of in Noord-Hollandse slootjes. Ook de meeuwen van Texel vliegen vaak naar de overkant. Meeuwen die hier broeden snacken letterlijk tot in hartje Amsterdam, op het Leidseplein, zoals een onderzoek van het NIOZ aantoonde.
Een ander geluid
In dit boek plaatsten we bakens om de veranderingen te kunnen duiden. Jac.P. Thijsse was zo’n baken voor de periode 1900 tot 1940. Wie een boek over Texel maakt, begint met Holkema (1867) en kan daarna niet heen om Thijsses Verkade-album uit 1927. Ik las ook andere verhalen van zijn hand over Texel en plaatste een minder bekend deel online. We hebben voor dit boek geput uit die erfenis. De natuur en het landschap van Texel veranderden ook in zijn tijd al sterk (o.a. aanlanding Onrust, bebossing), een flink deel is verdwenen. Maar wat zag en hoorde Thijsse 100 jaar geleden niet en wij nu wel? Even niet dat verdrietige omkijken naar alles wat weg is (kemphanen, watersnippen, Fonteinsnol, mientgronden, oud boerenland, etc.): wat hebben we nu allemaal extra?
Vroeger en nu was er het kabaal van meeuwen, de snerpende roep van sterntjes, het altijd weer blijmoedige en tegelijkertijd melancholieke gejubel van wulpen. Samen vormen deze geluiden de grondtoon van Texel, met de wind en de vroege zang van veldleeuweriken, al is die boven het boerenland vrijwel verdwenen.
Als we vanaf het zuiden door de duinen wandelen, klinken al rond de Mokbaai nieuwe geluiden. In het struikgewas van de Geul zingen nu veel nachtegalen, waarvan de eerste net voor de oorlog opdook. In de nieuwe riet- en wilgenmoerassen op de Hors zitten volkomen nieuwe vogelsoorten die de sfeer bepalen. Blauwborsten in grote aantallen, ook makkelijk te spotten voor beginnende vogelaars zoals ik. Op de wandeling naar het noorden ook allerlei roofvogels die in Thijsses tijd ontbraken, zoals buizerden. Ook de roep van een broedende havik is nu op Texel te horen, net als het gekwetter van eksters. En al die ganzen natuurlijk. Vroeger alleen op trek, nu gewoon broedvogel, zo overvloedig dat het weer discussie geeft. Ver weg broedende slechtvalken komen af en toe een prooi pakken of rusten op de Razende Bol.
Al die andere geluiden zijn een echo van de wal. In de vastelandsduinen nemen bos- en roofvogels al jaren toe, terwijl vogels van hetopen duin als wulp en tapuit achteruit gaan. Het overvloedige bos, hoe aardig dat zich ook ontwikkelt, is in feite voor duinnatuur net zo kwalijk als een hoge recreatiedruk. De ligging van de meeuwenkolonies maakt in een oogopslag duidelijk dat deze dieren in de meest rustige, vaak afgesloten delen nestelen.
Het landschap van Thijsse (overleden in 1945) is te zien op de een na laatste pagina van dit boek. Een luchtfoto uit 1939 die opdook uit een militair archief. Zoek de honderden verschillen in het landschap: in duin en polderland, in de bebouwing, in de omvang van bos en beplanting. De vorm van de kustlijn. Het is een wonder dat het duin zo’n 75 jaar later nog steeds zo rijk is. En het is die rijkdom die het hart van het eiland mede laat kloppen.
’t Eiland op het eiland
’t Eiland: een splinternieuw deel van Texel. Het jongste en meest ongewisse deel. Het is het meest zuidelijk gelegen, de huidige voorpost in de eeuwenoude zuidwaartse beweging van Texel. Er is geen asfalt, geen stuifdijk, geen beheerder. Wellicht bestaat het al niet meer als de inkt van dit drukwerk opgedroogd is. Stormen nemen soms meer dan ze geven. Wie zo ver mogelijk naar het zuiden loopt door zand en vochtige laagtes, komt het vanzelf tegen. Ongeveer 5 meter hoog, 200 meter lang, 30 à 40 meter van het Texelse vasteland (c.q. de Horsduintjes) gescheiden door een bij hoogwater overspoelde strandvlakte. Zuidwaarts ligt het gevaarlijke Marsdiep, noordwaarts de broze aansluiting met Texel waarmee het mogelijk een keer zal versmelten. Goed te zien op de luchtfoto: het zijn de laatste begroeide bulten voor de zee begint. Op deze zeer jonge, wandelende duinen, ontstaan op de kale vlakte, domineren helm en biestarwegras. Voor wie goed zoekt is er een enkele pol zeeraket te zien. Fazanten hebben de weg naar deze zadenrijke duintjes al gevonden. En een drietal zoogdieren staken de laagte, het regelmatig overspoelde strand naar ’t Eiland, al over: konijnen, bosmuizen (’s nachts overal pionierend) en huisspitsmuizen. Die laatste nieuwkomer heeft Texel in slechts 6 jaar tot in haar uithoeken veroverd.
Voor ’t Eiland en haar nieuwe bewoners is Texel de overkant. En wat autochtoon is beslist de natuur uiteindelijk zelf. Wij zijn slechts de waarnemers van komende en gaande gasten, plant en dier.






