Texel vogeleiland
Door Floris de Boer (tekst en fotografie)
Eilanden kunnen gevoelens oproepen. Als je met de TESO-pont oversteekt vanuit Den Helder, tegenwoordig zo snel dat het geen zin meer heeft om een kop koffie te gaan drinken, dan begroet een vrouwenstem de bezoekers op het moment dat de boot het haventje binnenvaart. Welkom op Tessel! En Tesselaars: welkom thuis! Nou ben ik geen Tesselaar. Maar ik voel het toch als thuiskomen. Ik was zestien toen ik er voor het eerst naar toe ging. Op de fiets! En in gezelschap van de drie vrienden, waar ik een vogelclub mee vormde. En sindsdien ben ik er nog vijftig keer geweest. Nou, misschien veertig keer. Soms voor een week, vaak voor een weekend en een doodenkele keer zonder op het eiland te overnachten. “Dag lief, fijn eiland”, schrijft Jan Wolkers als hij op een bepaald moment in zijn leven Texel voor langere tijd moet verlaten. De tranen zitten vlak achter mijn ogen als ik het overschrijf. Kan je van een eiland houden? Ja, dat kan.
Voor kinderen zijn kortere of langere vakanties op Texel fantastisch. Ik sluit niet uit, dat dit komt door de begrenzing die een eiland nou eenmaal eigen is. Je kunt en je wilt er niet af en dus richt je je op de mogelijkheden die er zijn. Op Texel is alles over het algemeen met de fiets bereikbaar. Dat geeft een gevoel van vrijheid. Onze kinderen wilden meestal niet weg als we weer moesten inpakken. Ze vonden dat Texel eigenlijk een klein landje was. Het is verdeeld in provincies. In het zuiden ligt Mokland (hoofdstad Den Hoorn). Daarboven ligt in het westen Bosland (hoofdstad: De Koog) en in het oosten het Hoge Bergland (hoofdstad: Oudeschild). Den Burg, De Waal en Oosterend liggen alle drie in de provincie Waal & Burg, waarvan de hoofdstad omstreden is. De rest van het eiland wordt gevormd door de provincie Eierland met als hoofdstad De Cocksdorp (met c-o-c-k). Ik heb nog gepleit voor Midden-Eierland als hoofdstad, vanwege de centrale ligging, maar dat voorstel heeft het nooit gehaald. Ook zijn er wel plannen geweest om Bosland Fontijnsnollenland te noemen, want dat was een fijn woord. Ging ook weer over. Den Burg is uiteraard de hoofdstad van het hele eiland, zoals Amsterdam dat is van Nederland.
Ik heb mij de vraag gesteld wat nou mijn meest sensationele waarnemingen waren op Texel. Het eiland afficheert zich als het vogeleiland bij uitstek. Jaarlijks wordt een ornithologisch verslag gepubliceerd door de lokale vogelwerkgroep, dat bol staat van dwaalgasten en zeldzaamheden. Ik vrees dat ik het gros van die bijzonderheden nooit te zien krijg. Elk voorjaar organiseert het Vogel Informatie Centrum in De Cocksdorp een z.g. Big Day, waarop soms meer dan vijftig teams met elkaar in competitie gaan om zoveel mogelijk soorten te spotten. Auto’s zijn verboden; iedereen fietst. De winnaars konden dit jaar (2020) op de bewuste dag 135 keer een vinkje zetten, ook bij de vink uiteraard. Als ik op Texel ben race ik niet van hot spot naar hot spot, maar pak ik ook mijn rust. Er is ruimte voor lange strandwandelingen en er zijn momenten waarop de aandacht zich focust op cappuccino met appeltaart. Ik turf wel vlijtig wat ik gezien heb, maar meestal blijf ik ergens hangen tussen de 75 en 80.

Koningseider
In april 2018 dobberde er voor de Tesselse Noordzeekust al dagen, te midden van een grote groep gewone eidereenden een heuse koningseider. Dit is een typische Noordpool-eend, die af en toe als dwaalgast afzakt naar ons land. Echt een bizar dier met een idiote oranje-rode snavel en een soort van hoorntjes op zijn rug. De meeste zoogdieren en landvogels van de Noordpool doen hun uiterste best om zich te camoufleren: ijsbeer, sneeuwvos, lemming, sneeuwuil, etc. Ze zijn allemaal wit. Maar de koningseider viert kennelijk altijd carnaval. Op het eerste gezicht konden we hem niet vinden daar ter hoogte van Paal 20. Tot ik met de telescoop (20x – 60x) op een hoger duin ging staan en enkele honderden meters zee-inwaarts een oranje stip ontwaarde. Zo heb je nog eens plezier van je optische speelgoed. We hebben het dier goed in de peiling en zelfs – suboptimaal – op de plaat gekregen. Een andere keer waren we aan de Waddenzee-kant van het eiland, in het natuurgebied Dijkmanshuizen. Hier zou zich de Amerikaanse wintertaling ophouden. We kregen de vogel inderdaad in beeld, maar iets in mijn achterhoofd bleef het woordje nep herhalen. Toen ik later de twee woorden intikte op Google kreeg ik het adres van de dichtstbij zijnde handelaar waar je een Amerikaanse wintertaling kunt kopen. De Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna (CDNA) heeft de waarneming geaccepteerd, dus wie ben ik om te veronderstellen dat het om een ontsnapt of vrijgelaten individu gaat. Deze twee beschrijvingen illustreren hoe ik mij verhoud tot zeldzaamheden. Ik zal niet nalaten er een blokje voor om te fietsen, maar ik koester ook een zekere scepsis.
Het mooiste is als je je eigen ontdekkingen kunt doen. Nou, jouw dag kan niet meer stuk! Dat zei mijn vrouw nadat ik in de Sluftervlakte ineens een groep van twintig strandleeuweriken gewaar werd. Ze hebben een opvallende geel met zwart gekleurde kop met aan twee kanten wat omhoog staande veertjes, de zo genaamde hoorntjes. Geen onopvallende vogel, zou je zeggen. En meestal in een groepje. Dus die zie je niet over het hoofd, dacht je. Verrassing: ze vliegen een beetje op en verdwijnen weer. Verdwijnen waarin? Dat blijft onduidelijk. Wie de Slufter kent, die weet dat het daar redelijk kaal is. Het zoute zeewater kan in principe overal komen en daarom is er alleen kweldervegetatie. Lamsoor en zeekraal en andere brakwatersoorten. De strandleeuweriken gaan daar helemaal in op. Zonder verrekijker had ik ze niet teruggevonden, vermoed ik, ook al waren ze helemaal niet zo heel ver weg. Het is op een leuke manier vervreemdend om te zien hoe vogels gebruik maken van hun omgeving als ze zich willen verbergen voor gevaar. Ineens zijn ze foetsie. Ik heb ook al een paar keer meegemaakt dat gele kwikstaarten weg kruipen achter een kluit met bloeiende boter- of paardenbloemen. Handig, want opvliegen verraadt je positie en kost energie.
Wij zijn nogal eens in de herfst op Texel. Dat hoeft niet altijd gunstig uit te pakken, maar meestal hebben we geluk. De zon op Texel schijnt gemiddeld honderd uur per jaar méér dan op veel andere plekken in Nederland. Ik kan mij nog het ongelovige gezicht herinneren van onze jongste zoon, toen we met heerlijk weer arriveerden op het eiland, terwijl Den Helder gebukt ging onder zware regenbuien. Het Marsdiep zorgt ervoor dat de depressie niet oversteekt, legde ik uit. Als 9-jarige vond hij de boot al geweldig, maar dat Texel meteorologisch bevoordeeld is en dat je dat ook met je eigen ogen kunt zièn, dat sprak nog meer tot de verbeelding. Een andere keer zou, in verband met windkracht 11 of meer, de laatste boot naar het vastenland al om 19:00 uur gaan. Daarna was aanlanden niet meer verantwoord. Toen we van de boot afreden zei hij: “Ik ben toch zó blij dat we niet gezonken zijn!” Had hij zich toch sappel zitten maken.
Storm hoort er bij op Texel en als het niet stormt dan waait het toch vaak wel stevig. Prettig om het in je rug te hebben, maar je moet ook weer terug. Zo zwoegden we een keer deels langs, deels over de Waddendijk, gebogen over het stuur met alleen maar de warmte van het vakantiehuisje en de borrel die daar klaar stond in gedachten. Laat in de middag. De blik gericht op het plaveisel. Pas op het laatste moment kijk ik naar rechts: het hele weiland staat stampvol met goudplevieren! Vogeltje aan vogeltje. Alle snavels in de richting van de zuidwester die wij aan het trotseren waren. Ze vlogen niet eens op. Wij dorsten niet stil te staan. Hoe noem je zo iets? A close encounter of the third kind. Magisch.

Rosse grutto
Omdat vogeltjes in het najaar meestal van boven naar beneden trekken is het noordelijkste punt van het eiland een goed plekje voor leuke waarnemingen. Ik fiets graag vanuit De Cocksdorp naar de vuurtoren. Vanuit de Roggesloot kan je buitendijks een heel stuk langs de Wadden peddelen. Op een gegeven moment moet je daarmee ophouden, want dan verandert de weg in een talud dat schuin afloopt en ook nog eens bedekt is met fijn grind. Voordat je het weet glij je uit. Ik kan er over meepraten. Los daarvan is het een fijne plek voor rosse grutto’s, zilverplevieren, bonte strandlopers en kanoetjes. Er zitten ook altijd rotganzen, de charmantste soort uit de ganzenfamilie. Ik bezit een telescoop die voldoende lichtsterk is om ook voor digiscoping[1] te gebruiken. Toen ik die apparatuur nog niet in bezit had probeerde ik nog wel eens met een gewone camera dichterbij te komen. Rotganzen zijn niet schuw, maar er zijn natuurlijk grenzen. Op de duur wordt het too close for comfort. Dan ga ik altijd terug. Dat gebeurde deze keer, ergens in de jaren negentig, ook, maar toch ging de hele troep de lucht in, met een luidruchtig ratelend gesnater. Dat geluid is heerlijk om te horen. Ik wilde me al schuldig voelen, maar dat was niet nodig, want de hele gang vloog niet van me weg, maar naar mij toe en streek op een paar meter afstand van mij neer. Ik kreeg alle tijd om foto’s te maken en het licht was ook nog eens goed. Prachtige vogels, ongeacht de ondersoort die je te zien krijgt. Afhankelijk van de plek waar ze hun eieren uitbroeden kennen ze namelijk drie verschijningsvormen: zwartbuiken, witbuiken en zwarte rotganzen.
Doorfietsend richting vuurtoren passeer je rechts de camping De Robbenjager en het daarbij aansluitende duingebied. Er liggen ook wat meertjes. Als je hier gaat rondlopen ben je zelden alleen, maar het is altijd dankbaar. In de loop van de geschiedenis, vraag me niet sinds wanneer, zijn er 287 soorten waargenomen. Saai wordt het nooit daar. Er zijn altijd wel verrassingen. Zelf ben ik al blij met gele kwikstaarten, maar de roodstuitzwaluw is er ook 275[2] keer gespot, waarvan één keer door mij.
Heb ik in al die jaren, vanaf 1963, Texel zien veranderen? Eigenlijk valt dat wel mee. In augustus 1934 verscheen van de hand van Jan Drijver het boek Texel, het vogeleiland. De bekende Jac. P. Thijsse schreef er een voorwoord in. Hij herinnerde zich dat hij een paar jaar, vanaf 1889, op het eiland gewoond had. Er heerste toen een zalige rust, schrijft hij. En, constateert hij met spijt, De Mient, een bloemrijke natte vlakte, moest plaats maken voor de Staatsbossen. Ik heb het gebied nooit anders gekend dan bebost, vooral met naaldhout. Dat geurt altijd zo lekker als je er met warm weer doorheen fietst. Beide mannen, Jac. P. Thijsse en J. Drijver[3], worstelen een beetje met de modernisering van het leven en de steeds grotere stroom toeristen. En vooral met hun eigen rol daarin! Thijsse had als auteur van het populaire Verkade-album over Texel in belangrijke mate aan die groei bijgedragen. En Drijver had een zekere schroom moeten overwinnen, schrijft hij, voordat hij het boek uitbracht waarmee hij uiteraard nog méér vogelaars en natuurliefhebbers ging verleiden om het Marsdiep over te steken. In een bijlage bij dit (leuke) boek beschrijft hij 98 soorten die destijds als Tesselse broedvogels werden beschouwd. Van die 98 waren er toen al acht, waarvan er sinds 1900 nooit meer een nest was gevonden. We hebben het dan over bijvoorbeeld de kwartelkoning, de griel en de duinpieper. Latere inventarisaties – in de jaren negentig – komen uit op 107 soorten. Voor pikzwart pessimisme is dus geen reden. Ook het eilandbestuur heeft best in de gaten, dat al die geld in het laatje brengende recreanten – vooral die buiten het hoofdseizoen – afkomen op de natuur, de rust en vooral op de vogels.
Vossen zijn fraaie beesten, maar op Texel en de andere Waddeneilanden zul je ze niet aantreffen. Op eigen kracht kunnen ze er niet komen, want ze vliegen niet en in het Marsdiep is er veel te veel stroming om een zwempoging te overleven. Af en toe gebeurt het dat onverlaten een dooie vos deponeren in het duin of het bos. Dat is dan bedoeld als grap. De paar keer dat er een dode vos is gevonden wijst sectie op het kadaver uit, dat het dier al een hele tijd dood was en vermoedelijk afkomstig was uit het zuiden des lands. Als we op de wadden vogels willen houden die op de grond broeden, zoals velduilen, wulpen en tapuiten, dan moeten we de eilanden vooral vrij houden van vossen. Ook wilde katten berokkenen een hoop schade. Naar schatting lopen er op Texel zo’n 200 zwerfkatten rond. Regelmatig zijn er gelukkig acties om huiskatten te chippen en de ongechipte zwerfkatten weg te vangen. Dat gebeurt wijselijk op een diervriendelijke manier, met vangkooien, castratie en sterilisatie. Helaas, dat zul je altijd zien, is er nog een tussenvorm, de zo genaamde schuurkat. Die veroorzaakt zeker niet minder schade in natuurgebieden dan de zwerfkat, maar is minder grijpbaar omdat hij eerder de vangkooi zal vermijden en altijd het eigen erf heeft om zich te verschuilen.
Je hoeft niet altijd een verrekijker om je nek te hebben om te genieten van vogels. De laatste jaren overnachten wij – als we op Texel zijn – regelmatig in het complex Prins Hendrik, hetzij in een huisje, hetzij in het hotel. Dat is bij de Lancasterdijk en de Stuifweg. Het ligt vlakbij het vogelreservaat Utopia. Achter de dijk heb je het natuurreservaat De Schorren. Je hoort er altijd het geluid van de vogels op het wad. ‘s Ochtends vroeg maar vooral bij het onder de wol kruipen rond middernacht. Afhankelijk van het getij ver weg of dichterbij. Het gejodel, gepiep en geroep van de wulpen, de scholeksters, de goudplevieren, de bosruiters, het houdt nooit op. Betere muziek om bij in te slapen ken ik niet.
[1] Digitaal fotograferen door de telescoop
[3] Het natuurgebied Drijvers Vogelweid De Bol op Texel is naar hem genoemd.






