‘Wij woonden twee jaar op het strand’
Kees van Rixoort
Dit interview stond in het boek ‘Het Flaauwe Werk, De zee geeft, de zee neemt’, een uitgave van historische vereniging De Motte, Ouddorp, 2008. Het boek werd uitgegeven ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de vereniging in 2009. Toegevoegd 2025 online-versie: topografische kaarten 1953, 1965 en 2025

Plaats van dit verhaal aan de noordkust van Goeree. Na wegslaan oude dijk in buitenset duinenrij in 1953 stonden huizen met uitzicht op zee…zo lang het duurde.
Het lijkt een idylle. Een huis op het strand biedt prachtige vergezichten en — in de zomerse hitte — vrijwel directe toegang tot de verkoelende zee. Een gevoel ergens tussen vrijheid en verlatenheid. Verlatenheid kan de idylle verstoren, maar het wassende zeewater nog veel meer. ‘Als het hoogwater was, stond het water helemaal rondom ons huis. We hebben vaak natte voeten gehad.” Het huis waar Riet Tanis-Hoek opgroeide stond twee jaar op het strand. Ter hoogte van het Flaauwe Werk. De hoge bitumendijk was er nog niet. Toen Rijkswaterstaat die aanlegde, enkele jaren na de watersnoodramp van 1953, was het afgelopen. Weg idylle, weg natte voeten.
Helm planten
De kleine Riet was altijd bij haar vader. Bram Hoek was strandwacht en een van de oprichters van de reddingsbrigade. ‘Dat was nadat de dominee en zijn vrouw waren verdronken. Aan het eind van de pieren waren van die kolken.” Vader Hoek had ook nog een ‘echt’ beroep. Hij was kantonnier in dienst van Rijkswaterstaat. Zijn dochter: ‘Mijn vader hield de duinen in de gaten, van het Plaatje bij de Oostdijk tot de vuurtoren toe. Als het stormde ging hij bij de peilschalen de waterhoogte noteren. De gegevens belde hij door aan Rijkswaterstaat. Als het nodig was riep hij de dijkbewaking bij elkaar. Ja, dat kwam nogal eens voor. Op konijnen jagen deed hij ook, helm planten, doorns knippen. En ik ging altijd mee. Ik vond het prachtig. Die konijnen namen we mee naar huis en daar slachtten we ze. Een slag achter de oren en het was gebeurd.”
Drie woningen
Ze laat een luchtfoto zien van het huis. Een L-vormig gebouw met een langwerpige schuur erachter. Eromheen: alleen zand, duinen en helmgras, verder niets. Boer Westhoeve en Klepper waren de dichtstbijzijnde buren. De laatste woonde in een huis van Den Hollander. Op een klein fotootje met witte rand zijn de drie woningen te zien. In de duinen, geen strand of zee te zien. 1 februari 1953 lag nog in de toekomst. ‘De duinen waren prachtig.”
Hun huis was een dienstwoning met een kantoor. In het kantoor vergaderden de mensen van Rijkswaterstaat. ‘In de directiekamer waren altijd wel vier man’, herinnert Riet zich. ‘Meer foto’s heb ik niet van het huis.” Wel is er een hele stapel van de aanleg van de bitumendijk. Draglines, grondverzet, stoere mannen, vader Bram die riet snijdt of een spade in de grond steekt.
Een zeebeving
Ze vertelt over de ramp en de onheilspellende dag daarvoor. 11 jaar was ze toen. ‘Om twaalf uur was er geen water meer. Het moest hoog water wezen, maar er was niks. Helemaal niks. Mijn vader zat in het praathuis, in het dorp en ik ging naar hem toe om hem te waarschuwen. Maar hij ging niet mee naar huis, hij geloofde het niet.” Riet kreeg een reep chocolade voor de moeite. Later, toen ze weer thuis was, hoorde ze de motor van haar vader. ‘Hij reed direct door naar het strand. Er is nu echt iets aan de hand, zei hij toen hij terug was.
Een zeebeving. Dat voorspelt niet veel goeds. Hij bracht de patronen van het jachtgeweer naar boven. We hebben nog brood gegeten en gingen toen ook naar boven. Moeder moest weg, Die was zwanger en ging naar het Noordje bij de Langedijk.”
Als suikerklontjes
9 Avonds om een uur of tien ging pa nog eens kijken. Het was laag water in plaats van hoog,’ De twee radio’s op accu’s, in het kantonniershuis aanwezig voor als er wat aan de hand was, konden nu wel eens van pas komen. ‘Om elf uur gingen we weer kijken. Wat we zagen was niet normaal: de basaltblokken vlogen als suikerklontjes weg. Eén voor één. Golven zo hoog als de vuurtoren.
Geen mens kan het begrijpen, als hij het niet gezien heeft. Die witte schuimkoppen allemaal…” ‘Toen was het 1 februari. “Om tien over twaalf ging het licht van de vuurtoren uit. Een teken dat het water overal was ingebroken.” Met de boot van de reddingsbrigade ging Bram Hoek naar de haven van Ouddorp. Kijken of er mensen in nood waren. Riet ging mee in het bootje. Bij het haventje zag ze een man die zijn stoel op een tafel had gezet. ‘Ik zit droog’, zei hij bovenop zijn meubelstukken. Nee, hij hoefde niet mee in het bootje. ‘Later keerden we terug. Hij had een hartinfarct gekregen.”
Naar Goeree
‘De dijken waren helemaal weg, maar er was geen water’, beschrijft Riet de situatie rond het kantonniershuis nadat het vuurtorenlicht doofde. ‘Het was ineens weg. In ons huis had een klein beetje water gestaan.” “We gingen met de boot naar Goeree. Kijken of we misschien nog mensen konden redden. Wat je onderweg allemaal niet tegenkwam, drijvend in het water: kippen, andere dieren, huishoudelijke spullen, mensen… Bij Stellendam waren zoveel mensen verdronken, er was gewoon geen beginnen aan. Ach, het is een stukje van je leven wat je nooit meer vergeet. ‘Toen gingen we zakken zand vullen. Om de gaten te vullen Ja, ook toen was ik altijd bij pa.’
Raar en mooi
De ene dag woon je ‘veilig’ achter een dijk, de volgende dag is alles anders. ‘Na de ramp stond ons huis op het strand’, zegt Riet. De dijk was weggeslagen, veel duinen ook. ‘Het was fantastisch. Als je zat te eten, zag je zo de schepen naar je toe komen varen. Raar, maar mooi. In de zomer zag je alle badgasten op het strand. Zelf kon je zo vanuit huis in je badkleding het zeewater in. Terug gingen we douchen in het kantoor van Rijkswaterstaat. Als het hoogwater was, stond het water helemaal rondom ons huis Ja, we hebben die twee jaren vaak natte voeten gehad.”
‘Het huis was niet aangetast door de ramp, er was niks kapot. We hebben nog twee jaar op het strand gewoond. In oktober of november 1955 was er weer een westerstorm. Een hele hoek van het huis sloeg toen weg. Het was te link om er te blijven wonen, want als het water hoog kwam, zou je absoluut natte benen krijgen.”
Het gezin Hoek betrok een noodwoning, afkomstig uit Den Bommel. Later, in 1958, volgde opnieuw een verhuizing. Naar een andere kantonnierswoning, binnen de dijk. Het strandhuis werd gesloopt. Riet: ‘Als het huis er nog zou staan, zou ik niet graag terug willen. Je was er van God en alle mensen verlaten. Alleen in de zomer was er wat drukte op het strand.”
Verlaten
Desondanks kijkt Riet met plezier terug op die periode uit haar leven. ‘Behalve de ramp dan. Dat hoop ik nooit meer mee te maken.’ Verder was het één groot avontuur in een fantastische omgeving. Bijna een idylle. Naar de peilschalen om de waterhoogte vast te stellen, konijnen vangen, helm aanplanten, varen in de reddingsboot. Altijd met vader Bram, die het werk bleef doen tot zijn overlijden in 1967. ‘Bang ben ik nooit geweest. Pa zei: als het water over de bitumendijk komt, dan verzuipen we allemaal. Het is nooit gebeurd.”
Naschrift
Recente info over het Flaauwe werk op Wikipedia
Hierin staan o.a.: “De kruin van de zeedijk lag in het begin van de 21e eeuw op NAP + 9,7 meter. Het buitentalud en de kruin waren voorzien van een deklaag van asfalt. Over de dijk was een fietspad aangelegd. In de Wet op de Waterkering is vastgesteld dat de zeedijk moet voldoen aan de veiligheidsnorm van 1/4000 per jaar. Het Flaauwe Werk voldeed niet aan de veiligheidseisen. Besloten is tot een structurele verbetering en in 2007/2008 is de bestaande dijk over een afstand van 1.5 kilometer 3 meter hoger en landinwaarts 30 meter breder gemaakt. Tevens zijn nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd. De asfaltdijk is niet meer zichtbaar doordat de dijk is overdekt met zand en een geheel vormt met de duinen eromheen.”









