Roelant Roghman: Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden( ca 1651?)
Boudewijn Bakker en Rolf Roos
(oorspronkelijk 15 jan. 2016, update 5 jan. 2026)
Rembrandt was niet de enige kunstenaar die het uitzicht bij Bloemendaal ter hoogte van het toenmalige landgoed Saxenburg als onderwerp nam. Ten minste drie oud-leerlingen en vrienden hebben hetzelfde uitzicht weergegeven: Ferdinand Bol, Philips Koninck en Gerbrand van den Eeckhout.
Een ander blad, toegeschreven aan Roelant Roghman (ook een goede kennis van Rembrandt) laat hetzelfde landschap zien maar nu gezien vanaf het hoge zandduin rechts op de tekening van Bol, in noordelijke richting, met rechts boven de Wijkermeer.

Roelant Roghman (toegeschreven), Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden, ca 1651?, pen in bruin, penseel in kleur, 16,6 x 27,5 cm, Dresden, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett, inv.nr. C 1920-150
Roghman schetst prachtige waarheidsgetrouwe storthellingen (uiterst rechts).
Fascinerend is ook dat we geologisch gezien de zogenaamde Oude duinen zien (een zgn. strandwal daterend vanaf ca 5000BP), waarop Bloemendaal is gelegen, daarnaast het restant van een oude natte strandvlakte waar Saxenburg in ligt en vervolgens de uit de hand gelopen verstuiving van de Jonge duinen (daterend vanaf 1000BP) en de strandvlakte deels hebben ‘overlopen’. Deze stuifduinen bereikten aan de binnenduinrand de grootste hoogte en werden bovendien door bewoners en eigenaren deels beplant, zodat ze door invallend zand nog hoger werden. Zo ontstonden verderop de beroemde – nu niet meer stuivende – Kopjes van Bloemendaal. In het werk van Bol zien we de landwaartse doorbraak van de zandzee die hier ooit woelde. En Roghman klom er bovenop en had ruim zicht noordwaarts.
Zie verder voor schilderijen van Rembrandt e.a. van dezelfde regio het artikel Duinbeeld. Rembrandt, Bol e.a.: Saxenburg bij Bloemendaal






Geachte/Beste Boudewijn, Rolf en Nico plus medewerkers,
Het aan Roelant Roghman toegeschreven blad toont inderdaad het toenmalige Saxenburg, zij het van een veel vertrouwder kant dan tot nu gedacht. Het weidse landschap komt sterk overeen met het hoofdonderwerp van de adembenemende panoramische ets van zijn veronderstelde leermeester Rembrandt uit 1651. Echter, tijdens het spiegelen van de landschappelijke hoofdkenmerken aan zowel de actuele situatie als aan de ets uit 1651 zijn weliswaar de vele overeenkomsten treffend, maar houd je er tegelijkertijd een draaierig gevoel over; de onderlinge verhoudingen kloppen gewoonweg niet. Na kort reflecteren werd duidelijk: deze weergave is een afspiegeling van de toenmalige werkelijkheid: létterlijk! Bijzonder, want de afbeelding is weliswaar geen etsafdruk maar weldegelijk spiegelverkeerd.
Na ontspiegelen valt alles ineens op zijn plaats. We kijken niet in noordelijke richting maar net als Rembrandt en De Koninck naar het oostzuidoosten, waarbij het praktisch om hetzelfde gezichtsveld gaat. Picturaal bezien is het grootste verschil dat zij waarnamen vanuit een aanzienlijk lager standpunt. Roghman daarentegen neemt ogenschijnlijk een meer zuidelijk gelegen uitgangspositie in, maar dat blijkt gezichtsbedrog zodra je de respectievelijke perspectieven over elkaar heen legt. De al snel meer dan 20 m hogere, en circa 200 m westelijker positie van Roghman heeft als perspectivisch effect dat de herleidbare landschapselementen van de meer nabije onderste beeldhelft minder ver uiteen staan. De niet te overtreffen weidsheid van Rembrandts verbeelding heeft een sterk horizontaal karakter, en daar doet de ruimtelijk meer verticaal gestructureerde Roghman nauwelijks voor onder. Het adembenemend fraaie landschap van Saxenburg, Duin en Daal en het Bloemendaalse Bos in wording ontrolt zich richting de verre horizon.
Naast de verschillen (stijl, techniek, positie met inbegrip van de waarnemingshoogte), zijn er ook andersoortige afwijkingen. Deze topografische aspecten zijn onderwerp van een aanstaande publicatie in een lokaal historisch tijdschrift. Toch willen we op deze plaats een enkele noemen. Het geeft namelijk iets beter houvast aan de datering van deze Roghman. Zo vallen direct de sterke verschillen op qua weergave van de valleibodem-verkaveling van de bleekvelden in de voorgrond. Aan de linkerkant (noord) komen de afbeeldingen van Rembrandt, De Koninck en Roghman nog redelijkerwijs overeen. Waar het midden en de zuidzijde door eerstgenoemde meester heel neutraal worden weergegeven, is bij De Koninck een ongespecificeerd en vagelijk bruin terrein afgebeeld. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om recent ‘aangekard land’ – landaanwinning door demping met aangevoerd grond – zoals lokaal al aangegeven op de kaarten van Okkersz. uit 1599. Dit kennelijk te dempen en volgens historische bronnen visrijke ‘Den Meer’, dat bij Okkersz. nog zo’n viereneenhalve hectare besloeg, is 50 jaar later vrijwel gereed om voor de bleekindustrie en/of agrarische benutting dienst te doen. Ook het telkens weergegeven prieel of vogelhuis, dat bij Rembrandt en Philip de Koninck nog omgeven is door de restanten van het meertje, staat bij Roghman geheel of ten minste grotendeels op land en wordt omringd door allerhande gewas waaronder bomen. Een vergelijkbaar bewijs voor een aanzienlijke tijdsspanne tussen 1651 en het vastleggen door Roghman is het nu tot voorbij het paviljoen doorgezet zijn van de laan en zichtas die zich vanuit huize Saxenburg naar het zuidzuidwesten strekt. Het bijkomende belang hiervan is dat de verschillen in topografie bewijzen dat tussen het vervaardigen door Rembrandt en De Koninck in 1651 en anderzijds dat van Roghman ten minste een decennium gemoeid moet zijn, en vermoedelijk zelfs nog aanzienlijk meer jaren zodat een datering van rond 1670 reëel lijkt.
Een aspect dat voorafgaande aan de definitieve publicatie ook reeds hier verdient te worden aangestipt is het ontbreken van de Haarlemse contour. Het zal met de lichtval van dat moment te maken hebben. Helaas is de ons ter beschikking staande afbeelding onvoldoende scherp om zekerheid te kunnen bieden, maar op de plaats waar je de Grote Kerk (St. BAVO) van Haarlem zou verwachten, zijn net voldoende friemellijntjes aanwezig om aan deze ‘landmark’ te koppelen. En bijvoorbeeld ook de ruïne van Huis te Kleef – vanuit Roghmans standpunt bezien precies tussen de kerk van Haarlem en Bloemendaal in – lijkt afgebeeld.
Nu we over ten minste drie direct vergelijkbare afbeeldingen beschikken, wordt niet alleen het ruimtelijk gebruik en inrichting van dit deel van zuidelijk Kennemerland verder opgehelderd, maar ook de dynamiek tijdens de periode van overgang waarbij het accent verschoof van de neringdoende naar ontspanning zoekende en naar rust en schoonheid verlangende mens.
Voor verdere bespreking – zoals ook over het hoe-en-waarom van de gespiegelde weergave – wordt verwezen naar de aanstaande publicatie.
Wim Bosman en Theo Nieuwenhuizen