Natuur in de branding
Bij het afscheid van Joop Schaminée, 17 oktober 2024
In de NRC van 15 oktober 2024 stond een mooie opmaat voor de rede.
Lees hier de afscheidsrede als pdf.
Beste Joop,
In de uitnodiging voor je afscheidsrede op 17 oktober a.s. in Nijmegen las ik de mooie meerduidige titel ‘Zorgen voor de natuur van morgen’. Omdat ik je ook persoonlijk nog wat wil vertellen en vermoed dat je die middag je tijd sterk zal moeten verdelen, doe ik dat per ouderwetse brief en een presentje.
Ik denk dat je met veel genoegen kunt terugkijken op je grote productiviteit en je veelal geslaagde activiteiten ten behoeve van natuurbescherming. Maar net als menige andere oudere natuurpersoon zul je soms ook met verbijstering terugkijken hoe ons land tijdens ons leven in slechts 50 jaar op de schop is gegaan. Het tempo van de veranderingen is nog steeds zeer hoog. In welke gemeente in ons land is het grote woelen van de economie een beetje gedempt en de hele biodiversiteit echt veilig?
De dijk waarachter ik woon, een van de mooiste van Goeree met beemdkroon, moeslook en nachtsilene, is al 40 jaar in beheer bij Natuurmonumenten maar wordt niet mooier. Beheer vindt plaats met te grove machines, hooi blijft deels liggen en inwaaiende mest en gif uit naastgelegen akker helpen ook niet. In een notendop het verhaal van vele oude dijken in de delta.
Daar tegenover staan de nieuwe! De Brouwersdam met een populatie harlekijnen, de Grevelingendam met opkomende duinvalleivegetaties inclusief herfstschroeforchis, en bij mij om de hoek, langs de oprit van de Haringvlietsluizen in een hoge vrij schrale berm op het westen: sinds 2023 een echt grote populatie hondskruid.
Afhankelijk van invalshoek, gebied en gevolgde methode is er een rijkdom aan verhalen te vertellen, sombere en vrolijke. Ik kom recent de nieuwe toon tegen dat er veel meer bijkomt dan er af gaat, als we bijv. kijken naar korstmossen of hogere planten.
Klopt dit? Was ik vroeger slecht geïnformeerd met boeken als ‘Het milieu van de natuur’ of wordt er tegenwoordig heel selectief geshopt in de wereld van data en wetenschap? Waar zit de echte vooruitgang en waarom noemen we dat zo? De verantwoordelijkheid van de wetenschap is nu groter dan ooit. Ik zou het van jou willen horen.
Het presentje ‘Duinen en mensen Voorne’ is koekje van mijn deeg waarvan ik niet weet of je het hebt of niet en anders geef je dit exemplaar maar door, dat is altijd prima. Wat leren we veel van elk boek! Niet in de laatste plaats als makers.
In ‘Duinen en mensen Voorne’ komt de nog steeds ongelofelijke kwaliteit van het – qua soortenaantal – rijkste duingebied van ons land aan bod maar ook het dichtgroeien van belangrijke duincomplexen en de versplintering van de duinen over vele eigenaren, waarvan een enkele particulier het beter blijkt te doen dan een natuurorganisatie. Dat de flora nog zo rijk is rust op drie pijlers: de uiterst kansrijke uitgangssituatie, enkele weloverwogen herstelplannen en toeval: juist in de marge van de grote nieuwe infrastructuur zoals rond de ooit door Adriani c.s. gevreesde Brielse Gatdam ontwikkelde zich nieuwe oeverzones, soms op oude resten van zandplaten. Nog niet van Hoekje Jans gehoord? Gaat het zien!
Mijn conclusie is dat het Voornse duin van nu – gezien de vele honderden nieuwkomers in de flora en ontelbare ingrepen – ook als exotische tuin is op te vatten. Zeer waardevol, dat wel.
Als auteur van toegankelijke ‘natuurboeken’ leun ik altijd op terreinbezoek en interviews en wat er aan openbaar onderzoek en data beschikbaar is. Op Voorne bleek het verlies van onderzoeksstation Weevers’ Duin groter dan gedacht, temeer omdat huidige terreinbeheerders nauwelijks aan gedegen onderzoek en publiceren daarvan blijken toe te komen. Zelfs jaarverslagen, zoals de prachtige van de hand van Victor Westhoff lang geleden, worden niet meer gemaakt. Ik maak me zorgen over de natuur maar evenzeer over terreinbeheerders die meer in zijn voor pr-verhalen dan gedegen reflectie op hun werk. Er zijn dan wel ‘kwaliteitstoetsen’ maar die zijn niet openbaar en worden samengesteld door eigen mensen en je kent de tegeltjeswijsheid over de slager die zijn eigen vlees keurt. Ondanks de gure politieke wind van nu denk ik dat het altijd goed is naar openheid en objectiviteit te streven. Geen angsthazerij zoals tijdens ‘Bleker’. En alleen als iets openbaar is kunnen we het citeren en de feiten checken en er dan weer nieuwe verhalen over vertellen.
Dit brengt me bij ‘zorgen voor taal’ . Sinds ik als student een vegetatiekartering maakte van een moerasje bij Uithoorn en dit aan lokale ambtenaren mocht uitleggen, is taal voor mij de sleutel waar alles om draait. In ons onderzoek hadden we heel bruikbare (en subjectieve) vegetatiegrenzen onderscheiden zoals ‘bloemrijke oeverzone’ als scharnier naar het achterliggende veenmosrietland. Dat zijn lange woorden die je vooral goed kan uitleggen als je met laarzen aan in het veld staat. De overgangen waren vaak belangrijker dan de typen.
Dat er nu een veelheid aan habitattypen worden onderscheiden is wel besteed aan mij, maar is buiten natuurbeleidsland niet te communiceren. Wordt dat wel beseft? Ik kom veel biologen en adviesbureau-medewerkers tegen die tegenwoordig praten in termen van H2130 en andere onbegrijpelijkheden en dan snap ik deels wel waar die gure wind uit BBB-land door wordt gevoed. Natuur is echt van iedereen (of van niemand) en dan moeten we wel een gemeenschappelijke taal weten te spreken. Concrete taal. Beeldende taal. Betrokken taal. En je begrijpt dat ik woorden als ‘grijze duinen’ onhanteerbaar vindt, behalve in het land van grijze muizen.
In mijn boeken heb ik steeds gekozen voor concrete soorten of levensgemeenschappen waarvan ik hoopte dat bij de lezer vanuit de geschetste schoonheid of enige herkenning een lampje zou kunnen gaan branden. Het idee dat er een ecologische imperatief is (‘gij zult natuurbeschermen vanwege onze natuurwetenschappelijke argumenten’) is hoogmoed.
Tenslotte. Planten en vogels (en in het buitenland grote zoogdieren) zijn dominant in ons denken over natuur en daardoor ook bij het prioriteren van natuurgelden en ik vind dat, hoewel zelf plantenliefhebber, even begrijpelijk als onterecht. De laatste decennia is er een revival in de aandacht voor het kleine, de insectjes en de bodemdieren. Dat maakt ons denken rijker maar de keuzes nog lastiger. Wij wonen tegenwoordig op een erf van een halve hectare met een grote rijkdom aan o.a. poelen, graslandjes en bosjes en dus snel met zo’n 300 leuke planten. Statistisch best wel een rijk ‘natuurgebied ‘ maar het oogt door de verzorging en indeling als een park al is hier minstens 90% van de biodiversiteit ’natuurlijk’ in de zin van spontaan. Voor behoud van dit kleine hoekje probeer ik de bestemming gewijzigd te krijgen en dat kan ik niet met mooie volzinnen over allerlei habitattypen, wel met verwijzing naar een mogelijk intact bodemleven (daar zit waarschijnlijk de grootste rijkdom) en de zang van zomertortel, wielewaal en spotvogel. De vliegende Rode Lijstsoorten doen het bij elke bestuurder het beste.
Ik wens jou een mooie lezing en dank je voor al je werk, inspanning en support!
Met mijn groet
Rolf Roos






Prima brief – mooie aanvulling op Schaminees indrukwekkende afscheidsrede. Dank voor het verspreiden. Met vriendelijke groet, Rob van Dam.