over de site | contact | info auteurs | toegang auteurs
  • Home
  • Nieuws
  • Thema’s
    • Ontstaan van de kust
      • Duinen als zeewering
      • Klimaat en duinen
    • Archeologie
    • Zeedorpen
    • Jacht
    • Duinlandbouw
    • Cartografie
    • Veldnamen
    • Militaire kustverdediging
    • Waterwinning
    • Natuur en landschap
      • Flora en vegetatie
      • Fauna
      • Bos
      • Natuurbeheer
    • Strand
    • Recreatie
    • Beeldende kunst
  • Gebieden
    • Zeeland
    • Zuid-Hollandse eilanden
    • Zuid-Hollandse vasteland
    • Zuid-Kennemerland
      • Amsterdamse Waterleidingduinen
      • Nationaal Park Zuid-Kennemerland
      • Kennemerstrand
    • Noord-Kennemerland
      • Wijk aan Zee
      • Noordhollands Duinreservaat
      • Bergen
      • Schoorlse Duinen
    • Noordkop
      • Camperduin-Petten
      • Zwanenwater
      • Zijpe- en Hazepolder
      • Callantsoog
      • Noordduinen
      • Den Helder
    • Texel
      • Zuidpunt van Texel
      • Duinen bij Den Hoorn
      • Duinen bij De Koog
      • Ten noorden van De Koog
    • Vlieland
    • Terschelling
    • Ameland
    • Schiermonnikoog
    • Rottumerplaat / Rottumeroog
  • Landschapselementen
    • Eendenkooien
    • Landgoederen
    • Wegen en paden
    • Kanalen
    • Stuifdijken
    • Agrarisch
    • Militair
    • Heemtuinen
    • Recreatief
  • Portretten
  • Onderzoek
  • Hotspots
  • Programma
rss

Artikel

05
NOV
2025

Aangroei van de Kwade Hoek 1820-1970: ooggetuigen en oude kaarten

Goeree
Tags : kwade hoek, kwadehoek
Posted By : Redacteur
Comments : 1

Rolf Roos

  • Verschijnt op papier in ‘De Oude Waerelt’, tijdschrift van Historische Vereniging ‘De Motte’ van Goeree-Overflakkee, voorjaar 2026
  • Met dank aan: Frans Beekman, Anneke Brouwer, Nico van der Wel

De Kwade Hoek, de aangroeiende noordpunt van Goeree, is na 1975 twee keer zo groot geworden, maar wie op een topografische kaart van rond 1900 kijkt, ziet direct dat het gebied toen nog nauwelijks bestond. In dit artikel proberen we de aangroei en de vorm van het kustlandschap van ca 1820 tot ca 1970 te reconstrueren op basis van schriftelijke bronnen en kaarten. We houden ons aanbevolen voor meer  bronnen en beeld van voor 1970, want voor wie goed leest: de schriftelijke verhalen lopen niet altijd synchroon met het kaartmateriaal. We kunnen wel concluderen dat het huidige natuurgebied ‘Kwade Hoek’ in de periode 1879 – 1910 ontstond.

De toenemende omvang nu (kort aangeduid in diverse recente plannen) staat in schril contrast met de situatie van enkele eeuwen geleden. Eind 17e en begin 18e eeuw was de noordkust van Goeree zo zwak dat na diverse inbraken inlaagdijken (o.a. de latere Bokkepolder) werden aangelegd bij de plek die in 1728 ‘Quaaden Hoek’ werd genoemd, de zwakste plek in de kust op dat moment. Dankzij o.a. strekdammen (uit 1800-1850) is er rond 1900 een ca 200 meter breed strand ontstaan en lijkt de dreiging voorbij.

Hoe is die aangroei precies gegaan? We starten bij de oudste, topografisch redelijk betrouwbare kaart, Gevers 1827, uit het Nationaal Archief. Het toont een smalle, nu nog herkenbare duinenrij en een smal strand. De stippellijn met het woord Cruquius laat zien wat sinds 1733 is verdwenen. De naam Kwade Hoek wordt niet (meer) vermeld; strekdammen zijn deels nog niet aangelegd en worden niet aangegeven. Deze kaart toont helaas niet de zwakke plek in het duin destijds, het Plaatse Gat, bekend van een (laatste) doorbraak op 26 december 1731. Dit punt ligt ter hoogte van de Bokkepolder aan het eind van het inlaagdijkje uit 1717 (onder Huize de Bult langs). Dit Plaatse Gat lag er volgens de polderboekhouding uit 1806 nog wel maar wordt in de 19e eeuw verder niet vermeld. Kortom, de vorm van de aangegeven duintjes en de rechte zeereep moeten we niet te exact interpreteren. Maar het is niet gewaagd te concluderen dat er aan de zeezijde nog geen sprake was van een gors of een strandweide, alleen van een ‘strand’. In de Bokkepolder zijn bosschages aangegeven, waarschijnlijk hakhout voor wilgenteelt ten behoeve van brandhout en voor ‘rijzen’ (rijen wilgentenen voor aanslibbing en aanstuiving c.q. kustbescherming).

Detail van de kaart van Goeree, Gevers, 1827. Nog geen Kwade Hoek te bekennen. De Bokkepolder is deels beplant met hakhout dat kan worden gebruikt voor o.a. stuifschermen. Rond Zeezicht zit echt bos, ook wel ’t Groote bos’ genoemd. De hoge iepen hier sneuvelden pas eind vorige eeuw.

Daarna beschikken we over kaartbeeld van het Kadaster uit 1835. Het verschilt t.a.v. de latere Kwade Hoek nauwelijks met de kaart van Gevers. Er zijn wel drie strekdammen verschenen, onderdeel van de kustzorg door de Staten van Holland.

Detail van Kadasterkaart uit 1835, met strekdammen.

Uit 1851 zijn veilingstukken bekend met een omschrijving voor ons studiegebied: “(…) de gorzen ten westen van de haven van Goedereede tot aan het strand”, d.w.z. geen melding van een ‘Kwade Hoek’, maar wel van schorren (in de Maasregio ‘gorzen’ genoemd). Dit was de aanduiding van groen, slikkig strand met zoutplanten en ook gras (mogelijk slijkgras, kweldergras, fiorin)  (de naam ‘gors’ is hiervan afgeleid). Deze veilingstukken regelen o.a. de privatisering van grote delen van het zeeduin. Ze bevatten ook een onderhoudsplicht voor de kopers van de zeereep plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Uit 1874 is een ‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ bekend die meer strekdammen laat zien en ook een laagwaterlijn tussen de strekdammen die aanslibbing en uitbreiding van groene stranden suggereert. Nog steeds ontbreekt de veldnaam Kwade Hoek. De strekdammen bevatten, zoals we tot op heden kunnen zien (zie foto), ook deels rijen houten palen op de plek waar een kreek de strekdam doorsnijdt. Texeira beschrijft de aanleg in zijn standaardwerk (deel 10 over Goeree- Overflakkee uit 1941):

“Er werden nu van daar tot het hoofd van de haven van Goedereede rijzen hoofden gelegd, wier uitwerking dermate gunstig bleek, dat de kwade hoek nu een goede hoek begon te worden.”

‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ uit 1874 met strekdammen en een laagwaterlijn ertussen.

De aangroei wordt pas echt duidelijk na bestudering van de dissertatie van Wentholt, 1912. Hier zien we een bewerking van bovenstaande kaart en ook het gegeven dat er in 1875 nog een geul met zeer diep water (18m diep) aanwezig was, op slechts ca 200 à 300 meter van de ingang van het huidige natuurreservaat ter hoogte van ’t Plaatje.

Kaart van Wentholt, 1912.

We geven ook een detail uit een andere kaart waarin veel kennis samenkomt: het uitleggen van de pieren van Havenhoofd: de Westhavendam (vier keer tussen 1878 en 1905!) en Oosthavendam (alleen 1901). De vele verlengingen van de Westhavendam weerspiegelen de aangroei tussen 1879 en 1907: dan herkennen we voor het eerst de vorm van de Kwade Hoek van tegenwoordig met een kenmerkende dubbele bochel.

Detail kaart 8 uit Wentholt (1912) met o.a. jaartallen van aanleg van strekdammen. In nog geen dertig jaar is de Kwade Hoek ontstaan.

Uit dezelfde tijd komen de meer betrouwbare topografische kaarten. In de periode 1890-1910 (topografische kaart) bestond de Kwade Hoek als gebiedsnaam nog niet: het is dan de naam voor een stuk zee aan de westzijde van de ingang van de pieren bij Havenhoofd, bepaald geen prettige bocht voor de vissers van Havenhoofd en Goedereede. In plaats van het huidige weidse gorzen- en duingebied lag er een reeks strekdammen onder de kust met een licht aangroeiend strand, maximaal 100, wellicht 200 meter breed. Deze aangroei is mede op het conto van de strekdammen te zetten, maar is mogelijk ook ontstaan als gevolg van veranderingen in de delta door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1867). Daardoor komt er eind 19e maar vooral begin 20e eeuw meer zand en slib tegen de kust (vergelijk ook de aangroei van Voorne in de periode tot 1934).

Topografische kaart 1890-1910, de aangroei die er in 1910 was (zie Wentholt 1912), is nog niet in de kaart verwerkt.

Pierverlenging bevordert aanzanding?

Mede vanwege de aanzanding verlengt men de pieren van Havenhoofd, aan de westzijde zoals gezegd zelfs vier keer. Op de kaart uit ca 1916 zien we zowel de lange nieuwe Havenhoofden als een forse uitbreiding van het gors, inclusief een merkwaardig rechte kreek (gegraven?). De verspreid liggende streepjes tussen paal 5 en 8 tonen grote drassigheid, dan wel stagnerend water. Ter hoogte van paal 8 (bij ’t Plaatje) wordt enige jonge duinvorming aangegeven. Het is zeker niet uitgesloten dat de nieuwe havendammen van Havenhoofd de groei van de Kwade Hoek in die tijd hebben gestimuleerd.

Topografische kaart rond 1930

Paalresten en stenen van strekdam ca 1830.

De naam ‘Kwade Hoek’ hoort nu ook bij het nieuwe gebied. Interessant is dat de strekdammen uit de 19e eeuw niet meer worden weergegeven, terwijl we uit andere bronnen weten dat er rond 1960 nog op gelopen werd. Het gebied komt in een eeuw geleidelijk hoger te liggen (schatting ca 40cm); anno 2025 zijn de strekdammen onder het sediment verdwenen behalve plekken waar een kreek een oude strekdam aansnijdt (zie foto).

Schriftelijke bronnen

Prof. Th. Weevers schrijft twee keer uitgebreid over flora en vegetatie van Goeree, de eerste keer in 1920 (Weevers, 1920). We citeren een passage over de noordkust bij Havenhoofd, pag. 108 en 109, gebaseerd op terreinbezoek in de jaren vlak voor 1920. In de citaten zijn de Latijnse namen van planten door ons vervangen en vet gemaakt. Hij meldt een aantal zaken niet: de veldnaam Kwade Hoek, hij meldt in 1920 ook geen vee of strekdammen. Helaas geeft Weevers geen breedte op van het gebied. Maar wel veel informatie over de flora en zo weten we meer over het landschap. Weevers kunnen we zien als de eerste ooggetuige en beschrijver van de kustaangroei en geeft als plantenkenner een fraai inkijkje in die tijd.

“Vooral is de toeneming van de kust duidelijk ten noorden van de gemeente Goedereede en dit aangroeiende strand vertoont enkele bijzonderheden op floristisch gebied en tevens op dat der landschapsvorming.”

“Het is een zoogenaamd „groen strand”, een strandweide van eenigszins ander karakter dan die op het eiland Voorne. In het Oosten bij de Haven van Goedereede heeft het begroeide strand vrijwel het karakter van den plantengroei van een gors,(..), bij den duinvoet vond ik Fijn goudscherm. Het gors grenst direct aan het Haringvliet en heeft grootendeels een slibbodem met de typische geulen, toch liggen landwaarts in goed ontwikkelde duinen met begroeide valleien, waarvan de flora o.a. gekenmerkt is door Kleine ruit, die ik verder op het eiland niet aantrof. Meer westwaarts, dus naar de volle zee toe, komt vóór de begroeide strook een zandig zeestrand en gaat het gors geleidelijk over in een vochtige strandweide met grootendeels anderen plantengroei. Vóór die strandweide, aan de zeezijde ervan, was beginnende duinvorming en was duidelijk te zien, hoe op een aangroeiend strand de duinpan zich uit een strandweide ontwikkelen kan(…). De plantengroei wees dit ook uit door aanwezigheid v. Moeraswespenorchis, Geelhartje, Duindoorn, Parnassia e. a.”

” De typische strandweide, die tot laat in den zomer moerassig is met zoetwater, daar de jonge duinen ze tegen den vloed beschermen , heeft veel ijzeroer in den bodem. In het laagste deel, in ’t midden, dat den geheelen zomer moerassig blijft, groeien de planten hoog op en zijn de karakteristieke planten allereerst Zilt torkruid, Heen, Riet, Zeerus, Goudzuring, Dotterbloem, Selderij, Zilte zegge. Meer aan den omtrek is de grond iets droger, de plantengroei minder weelderig en komen o. a. voor: Kwelderzegge, Knopbies, Fioringras, Aardbeiklaver, Waterpunge, Dwergbloem, Strandduizendguldenkruid, Fraai duizendguldenkruid, Rode ogentroost. Ondanks herhaald zoeken was Bitterling, van ’t Voornsche groene strand bekend, hier met te vinden. Wel was de heer Kloos zoo vriendelijk mij op te geven, dat  Gele hoornpapaver op Goeree voorkwam in de jonge duinen vóór ’t groene strand, even boven de vloedlijn; dus waar ook Zeewolfsmelk veel te vinden is. Dat het water niet brak is, wordt wel bewezen door het voorkomen van Dotterbloem. die brak water schijnt te mijden en dan ook aan slootkanten en in weiden op Goeree niet te vinden is.

Het voorkomen van dotterbloem tot op het strand is mij ook bekend uit Frankrijk, bij sterke kweldruk vanuit het duin. In zeer natte Voornse duinen zijn dotterbloemen niet zeldzaam in het Waterbosch. Thans ontbreekt deze soort op de Kwade Hoek.

Fijn goudscherm

Uit Weevers’ beschrijving van de flora spingen soms zeer herkenbare zaken naar voren: de kleine ruit die hij noemt, staat nog steeds in de rommelige ‘vrije’ duintjes tussen de Breenstraat van Havenhoofd en de Kwade Hoek, het is het enige stukje duin (ca 5 ha) dat op Goeree in bezit is van Natuurmonumenten  (verworven rond 1975, de rest is door het rijk in bruikleen gegeven om te beheren als natuurgebied). Dit gebiedje achter de bebouwing van Havenhoofd heeft diverse kenmerken van het in vanaf Scheveningen tot Egmond voorkomende zeedorpenlandschap, wat nader onderzoek verdient.

Fijn goudscherm, een nauwelijks te vinden zeldzaamheid, stond bij Weevers in 1920, in 1961 (Westhoff ea, 1961)  en ook nu (2025) op het hogere gors. Uit de vondst van deze soort is mogelijk op te maken dat het gors (deels) al ouder was, want het is een soort van latere, minder vaak overstroomde vegetaties.

Dotterbloem in duinpan op Voorne

Opvallend is dat Weevers de overgang nabij Havenhoofd beschrijft van zout gors via zoetere strandweide achter lage duintjes naar geheel zoete duinpan. Hieruit blijkt dat in de jaren voor 1920 het gebied in ecologische zin deels anders was dan nu, want inclusief een zeer zoet gedeelte dat niet of nauwelijks meer werd overstroomd door de zee en ook beschreven wordt door Meuleman en Joanknecht, 1980.  Zij vermelden een Parnassiavallei (ook bekend als ‘Parnassiaslenk’) met de naamgevende plant en ook o.a. moeraswespenorchis. Deze zoete zone is vrijwel verloren gegaan na sluiting van het Haringvliet in 1971. Het vloedwater werd toen veel zouter en kwam ook dieper en mogelijk ook frequenter het gebied in. Daarvoor zijn wel overstromingen bekend (bv. verslagen Jan Vlietland, 1966). Nu staat parnassia alleen (?) nog in de Bunkervallei maar binnen enkele jaren kan dit weer verschuiven.

Het groene strand van Schiermonnikoog ter hoogte van de Badweg.

De beschrijving van een zoeter wordende strandweide met moeraswespenorchis en parnassia tegen de duinrand lijkt op het huidige groene strand aan de noordzijde van Schiermonnikoog. Hier gaan recreatie en natuur trouwens prima samen.

Hoewel valleivegetaties van jonge zoete duinen zich snel (10-20 jaar) kunnen vestigen, is ook duidelijk dat gors en duin die Weevers hier vlak voor 1920 zag, zeker al begin 1900 in aanleg aanwezig moeten zijn geweest, conform de inzichten van Wentholt, 1912.

Weevers biedt in een tweede publicatie (1940) aanvullingen 

Weevers meldt in 1940 wederom geen veldnaam Kwade Hoek, die moet pas na de oorlog echt zijn ingeburgerd en gepromoot door de nieuwe beheerders (eerst Stichting Natuurmonument de Beer, later Natuurmonumenten). Hij meldt (Weevers, 1940):

“Het strand vlak ten noorden van de stad Goeree is hierbij het meest belangrijk. Daar wordt tengevolge van sterke zandaanvoer een vorming van jonge duinen waargenomen. Zoals in de (..) dissertatie van J. W. van Dieren is uiteengezet, hangt de aangroei of afname van strand en duin ten nauwste samen met de verplaatsing van de zandbanken voor de kust, die door hun nadering van het strand eerst tengevolge van de sterke stroming een afname veroorzaken, die weer voor toename van het duin plaats maakt als de zandbank bij het strand is aangesloten.”

“Hoe dit ook zij, het is duidelijk dat wat op het Groene strand van Goeree oorspronkelijk strandweide was, door latere duinvorming wordt ingesloten en in duinvallei verandert. Hierbij moet echter nog opgemerkt, dat bij de vorming van dit Groene strand de menging van het zand met klei ook een rol speelt. We zijn hier nl. vlak bij de monding van het Haringvliet, dat eigenlijk de hoofdmond van de Rijn genoemd mag worden. Hoe meer wij de monding van de Haven van Goeree naderen, hoe sterker die menging met klei wordt, zodat de strandweide in een gors begint over te gaan. Op die strandwei waren plassen van zeer veranderlijke vorm en geaardheid; in sommige tijden waren er jaren achtereen plassen, die zowel in de zomer als in de winter zoet water bevatten. Omstreeks 1918 was het water erin zo zoet, dat zelfs Dotterbloem er groeide, iets wat wegens het altijd min of meer brak zijn van het slootwater bijna nergens anders op Goeree en Overflakkee het geval is. Later toen door stormvloeden het water brak werd, verdween Dotterbloem en ontwikkelde zich een vegetatie van  Zeerus, Zilt torkruid, Goudzuring, Zeerus. Goudzuring, Selderij, Zilte zegge, Heen en Riet (zie de publicatie Kruidk. Archief 1920). Hoewel in die tijd nog geen sprake was van het maken van een opname, is het duidelijk, dat we te maken hebben met de associatie van Zeerus en zilt torkruid (….)”

“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuld is.”

Kortom: na verzoeting volgt verzilting, het landschap vlak voor de oorlog stuift, en plassen komen en gaan. Hij meldt dat de vegetatie sterk verandert door de koeienbegrazing waarvan hij, anders dan de naoorlogse natuurbeheerders, geen voorstander was. Een heel simpele indicator (voor veel beweiding) is trouwens riet, dat snel wordt weggevreten door koeien en paarden (zie de thans aanwezige rietzone in het noordoosten waar het vee niet kan komen).

Uit de oorlog zijn weinig verhalen. De vader van Kommer Tanis uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam vertelde hem dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943  of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boek  nog maar een enkele plag meenam  toen meegenomen en toen was het hommeles met de Duitsers. ” Meer sporen uit de oorlog volgens Kommer: een restant van een spoorlijn door een slenk heen en er waren bomkraters.

Na de oorlog

Het kaartbeeld van rond 1950 geeft geen grote verrassingen ten opzichte van 30 jaar eerder. Er is een langgerekt gors/strandweide dat ter hoogte van paal 8 nog maar zelden wordt overstroomd en vanaf daar volgens andere bronnen westwaarts ‘Parnassiaweide’ heet. Drie effecten van het agrarisch gebruik zijn zichtbaar: ontwateringsslootjes, een tweetal koeienpitten en het ‘koeiengat’ (slurfje tussen paal 8 en paal 7). Zie hiervoor ons artikel over beweiding. Behalve bij paal 10 zijn geen duintjes aangegeven, maar het gebied was zeker niet overal vlak.

De Kwade Hoek rond 1950.

In 1957 doet de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie Goeree aan (verslag kamp Kijfhoek door Frans Beekman). Ze spreken over de “N.O. hoek van het eiland, bestaande uit een primaire duinvallei en een uitgestrekte, gedeeltelijk begroeide, vogelrijke strandvlakte”. Interessant is dat ze ook melden: “dat de primaire duinvallei al geruime tijd van de zee afgesloten was. Er waren enige meertjes ontstaan waarvan er een zich fantastisch mooi had weten ontwikkelen” met o.a. het boomkranswier Nitella. In een ander meertje ‘poelden’ (zwemmen of spartelen) de ‘wilde’ paardenkuddes van Goeree. Helaas maakten ze in die jaren geen foto’s. Wel kunnen we met luchtfoto’s uit 1943 en 1970 het beeld aardig completeren.

Luchtfoto van de Kwade Hoek uit 1943. Let op de afwezigheid van bomen en struiken, graaf- en loopwerk in de deels stuivende duinen.

Luchtfoto 1970: de lijn dwars door de Kwade Hoek is het koeienraster. Het slotenpatroon op het gors ook nog goed zichtbaar. Om Havenhoofd heen is al een nieuw duinlichaam gelegd, deels over het gors heen.

Slot

Begin 19e eeuw lag er ter hoogte van de latere Kwade Hoek een relatief smal strand zonder gors van betekenis, later die eeuw werd de kustlijn mede door beschermingsmaatregelen (strekdammen) geconsolideerd. Rond 1900 was het in slechts 30 jaar uitgegroeid tot een bescheiden en deels al verzoetend gors, getuige de beschrijvingen van Weevers uit 1920. Daarna is er een sprong voorwaarts door aanlanding van zand en mogelijk een versterking door de toenmalige verlenging van de pieren van Havenhoofd. Uit beschrijvingen blijkt een overwegend zilt milieu, met soms zelfs meertjes, aangroeiende duinen en (tijdelijk) ook verrassend zoete elementen en duinvalleiflora. Er zijn meldingen van sterke beweiding (1940) en ‘wilde paarden’ (na de oorlog). De rol van beweiding, deels door ons beschreven, verdient nader onderzoek. Helaas heeft de beheerder (sinds 1975 Natuurmonumenten) nergens te onderzoeken exclosures (tegen vee afgehekte delen) ingesteld. Ook heeft de beheerder er niet over gepubliceerd en blijven monitoringsrapporten van de vegetatie (elke zes jaar) helaas in de lade. Openbaarmaking zou aan een ieder inzicht kunnen geven in de geweldige allure van het gebied en de trends. Wel publiceert Rijkswaterstaat  uitgebreide rapportages, zoals vegetatiekarteringen waarop we later hopen terug te komen. Een overheid is gelukkig tegenwoordig verplicht te laten zien wat er wordt onderzocht. Dat helpt onze kennis vooruit.

Recent zien we als gevolg van de grote zandsuppleties (aanzanding) bij het Flaauwe Werk weer zanden die verwaaien richting Kwade Hoek: allemaal mensenwerk met grote gevolgen voor een zo natuurlijk ogend landschap.

Openbare bronnen
  • Rijksoverheid, Natura 2000: Duinen Goeree & Kwade Hoek
  • Kwade Hoek op Wikipedia
  • Bronnenlijst historie Kwade Hoek

 

Gerelateerde artikelen:

  1. HOTSPOT wandeling Kwade Hoek, Goeree: 15 bloemen in beeld
  2. Planten, dieren, paddenstoelen & historie van de Bokkepolder (Goeree), vroeger en nu
  3. Huizen op ? de Kwade Hoek, een oproep
About the Author

Social Share

    One Comment

    1. Annelies Breen 1 december, 2025 at 09:44 Reply

      Prachtige geschiedenis van de Kwade Hoek die tegenwoordig een goede Hoek is voor de natuurliefhebber, wandelaar, biologen. Over het woord ‘gors’ meen ik dat het in Goedereede bedoeld wordt met ‘gras’. Verder is dit artikel een mooie aansporing om de flora na te speuren en wat voor mij onbekenden te determineren. BITTERLING stond wel op het gors bij de ingang bij de parkeerplaats aan de Oostdijkseweg. Ik broed op een goede plek waar mijn zwager Frits Aberson in beeld kan komen, de vader van Freek en Robertien. Hartelijke groet, Annelies Breen.

    Leave a Reply Reactie annuleren

    *
    *

    Doorzoek alle artikelen

    Dossiers

    Landgoederen
    Dijk of duin
    Kwade Hoek, Goeree
    Westduinen, Goeree
    Bokkepolder, Goeree
    Natuurerf
    Zeer natte duinen
    Dennenkap
    Duinschilderijen
    Veldnamen
    Website Natuurmonument de Beer
    hotspots duinen wandeling Bezoek hotspots bloeiende duinen

    Duinen en mensen: boeken & website

    Het project 'Duinen en mensen' omvat een serie boeken + website over de Nederlandse kust. Cultuur en natuur van het kustlandschap worden gelijkwaardig en veelzijdig beschreven. Met honderden nieuwe kaarten en de laatste stand van wetenschap. Kennemerland (2009), Noordkop en Zwanenwater (2011) en Texel (2013). In 2023 verscheen Duinen en mensen Voorne. Meer over het tot stand komen van deze boeken. De website is continu in ontwikkeling en omvat ca 1000 berichten, boeken, films die gerelateerd zijn aan de boeken of de daarin behandelde onderwerpen. De website is een openbaar archief. Mocht u menen rechten te kunnen ontlenen aan gebruikte tekst of beeld, laat het weten dan zoeken we een oplossing. Deze website wordt draaiende gehouden door een vrijwillige redactie. Nog wel beschikbare titels (o.a. Voorne, Texel) zijn elders te bestellen.

    Maandelijks archief van berichten

    Digitale documentatie duinen Voorne

    Deze site van het streekarchief is onderdeel van Kenniscentrum Duinen

    Deze site is tot stand gekomen met steun van het Cultuurfonds en ondergebracht bij het Streekarchief Voorne-Putten

    Redactie: Rolf Roos & Nico van der Wel, m.m.v. Henk Terhell, Machiel van Wijngaarden, Danny Zuurbier, Bob Benschop (eindredactie)
    Ontwerp en ontwikkeling: toomanywords.nl