Een zonniger kijk op soorten van de Rode Lijst
André Aptroot
[overgenomen uit De Levende Natuur 2024-4]
Soorten van de Rode Lijst worden vaak geassocieerd met achteruitgang en bedreigingen. Dit artikel laat aan de hand van een robuust voorbeeld – de inventarisatie van mossen en korstmossen in het Noordhollands Duinreservaat – zien dat er ook een positievere kijk mogelijk is. Reageren kan onder dit bericht.

Fig. 1 Verspreiding en abundantie van 25 korstmossen en mossen in 1990, 2000 en 2018 die op de Rode Lijst voorkwamen in 2011 (korstmossen) en 2021 (mossen). De rode stippen zijn de bomen, de mate van roodkleuring van de vakjes geeft het aantal soorten van de Rode Lijst weer per gebied.
Sinds de jaren negentig worden regelmatig en in toenemende mate Rode Lijsten opgesteld, van allerlei soortengroepen en op allerlei schalen, van gemeenten tot wereldwijd. Per land bestaan er verschillende criteria, maar die zijn meestal wel grotendeels gebaseerd op de wereldwijde regels. Die laatste worden overigens regelmatig aangepast en lijken inmiddels op de teksten in een wetboek. Op een Rode Lijst komen soorten die zeer zeldzaam zijn en/of sterk achteruitgegaan zijn in verspreiding of aantallen, of waarvan dat aannemelijk is. Er is gewoonlijk speciale aandacht bij de inventarisatie van een gebied voor een bepaalde soortgroep. Soorten van de Rode Lijst hebben inmiddels gevoelsmatig een belangrijke status gekregen. Ze worden vaak geassocieerd met achteruitgang en bedreigingen. Dit artikel wil aan de hand van een robuust voorbeeld laten zien dat er ook een zonniger kijk mogelijk is. Voor een goede vergelijking zijn betrouwbare en vooral vergelijkbare gegevens nodig. Die zijn verzameld in het Noordhollands Duinreservaat, een natuurgebied van 5.300 hectare gelegen tussen Wijk aan Zee en de Schoorlse Duinen. In dit gebied zijn op 494 bomen of boomgroepen alle mossen en korstmossen op dezelfde manier en grotendeels door dezelfde waarnemer (de auteur) genoteerd in 1990, in 2000 en in 2018. Het totaal aantal aangetroffen soorten bleef ongeveer hetzelfde (134 in 1990, 145 in 2000 en 147 in 2018). De bomen zijn natuurlijk ouder geworden, maar de meeste waren al vanaf het begin volwassen. Kortom, een dataset zonder de gebruikelijke complicaties bij vergelijkingen over een dergelijke lange periode. In de eerste set kaarten (zie fig. 1 )– waarbij is gewerkt met de Rode Lijst voor korstmossen uit 2011 (Aptroot et al., 2012) en voor mossen uit 2012 (Siebel et al., 2013) – is het aantal aangetroffen soorten van de Rode Lijst per kilometerhok te zien. Er is een enorme achteruitgang waarneembaar in het hele gebied. Het ligt voor de hand om hieruit de dramatische conclusie te trekken dat het heel slecht gaat met de epifytische mossen en korstmossen in het gebied; de meest soorten van de Rode Lijst die in 1990 nog voorkwamen zijn in 2018 immers verdwenen.

Fig. 2. Verspreiding en abundantie van 35 soorten van de Rode Lijst in 1990, 2000 en 2018, maar dan volgens volgens de oude Rode lijst van 1990 (Siebel e.a.,1992). De rode stippen zijn de bomen, de mate van roodkleuring van de vakjes geeft het aantal soorten van de Rode Lijst weer per gebied.
In de tweede set kaarten (zie fig. 2) is juist een sterke toename van de soorten van de Rode Lijst te zien. De waarnemingen zijn hetzelfde maar er is gewerkt met de Rode Lijst van 1990 (Siebel e.a.,1992). Sommige soorten die in 1990 op de Rode Lijst stonden zijn inmiddels weer algemeen geworden. Het gaat om maar liefst 35 soorten, waarvan de meeste in 1990 niet eens in het gebied voorkwamen. De vooruitgang is reëel en geen waarnemingseffect. Figuur 2 laat een zonnige kant zien van soorten van de Rode Lijst: soms gaan ze vooruit en komen bij een volgende versie niet meer op de Rijde Lijst terecht. Er bestaat niet zoiets als een intrinsieke waarde van een soort van de Rode Lijst en het laat duidelijk zien dat het met allerlei soorten waarmee het rond 1992 slecht ging inmiddels weer goed gaat.
Dit geldt voor deze periode ook voor mossen en korstmossen op andere niveaus zoals op provinciaal of nationaal niveau, en voor veel meer soortengroepen. Dit decennium zijn er bijvoorbeeld meer soorten paddenstoelen, schimmels en (inheemse of ingeburgerde) vaatplanten, mossen, korstmossen en zelfs vogels (zowel broedvogels als totaal) bekend in Nederland dan ooit tevoren; elke nieuwe druk van Heukels’ Flora bevat honderden soorten meer dan de vorige. Daarover hoor je zelden wat, slecht nieuws overheerst de natuurberichtgeving. Toch is die toename bekend bij alle specialisten. Veel nieuwkomers komen oorspronkelijk uit andere continenten, maar er zijn ook veel soorten die door de klimaatsverandering op eigen kracht Nederland bereiken. Er sterven ook soorten uit, maar veel minder dan er nieuw bij komen; in totaal zijn maar enkele tientallen soorten vaatplanten, mossen en korstmossen in Nederland uitgestorven en nog geen tien (broed)vogels tegenover honderden die erbij zijn gekomen. Hetzelfde geldt voor de meeste groepen insecten, in weerwil van het overheersende nieuws over die groep. Misschien is het een aanrader om ook bij andere vergelijkingen niet alleen naar de meest recent Rode Lijst te kijken. Een dergelijk kaartbeeld roept uiteraard vragen op over de oorzaken van de veranderingen en de betrouwbaarheid van de gegevens. Wat betreft het laatste is al aangegeven dat de waarnemingen gedaan en verwerkt zijn door dezelfde waarnemer, wat de meest optimale situatie is bij herhalingsonderzoek. Omdat de onderzoeksobjecten bomen zijn, is er ook geen enkele twijfel over of de herhalingen dezelfde objecten waren; de meeste bomen zijn zelfs genummerd.
Oorzaken
De oorzaken van de veranderingen in de epifytenvegetatie en de verantwoording daarover is beschreven in het PWN-rapport van Aptroot (2019), dat hieronder online is in te zien. Het gaat om drie belangrijke veranderingen. Ten eerste is de luchtvervuiling van met name zwaveldioxide (en ook fluorwaterstof) sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw snel afgenomen sinds Nederland en de rest van Europa maatregelen namen. Veel korstmossen zijn gevoelig voor luchtvervuiling, maar een paar soorten werden juist algemeen. De groene schotelkorst bijvoorbeeld, ook wel zwavelvreter genoemd, nam sterk af doordat de lucht schoner werd en kwam op de recente Rode Lijst. Ten tweede zijn duinbossen veel dichter geworden; bomen blijven groeien, maar vooral de struiklaag werd veel abundanter, vooral van stekelstruiken die grote grazers niet eten. Bij de laatste onderzoeksronde waren veel oudere bomen omringd door rozen en meidoorns. Hierdoor zijn korstmossen die veel licht nodig hebben – de meeste – aangewezen op hogere takken. Zeer waarschijnlijk heeft dit verschijnsel de te verwachten epifytensuccessie op de steeds ouder wordende stammen verstoord. Er werden opvallend weinig nieuwe soorten aangetroffen op de oudste bomen terwijl er nog vele tientallen soorten potentieel te verwachten zijn. Ten derde is het klimaat in Nederland duidelijk warmer en natter geworden. Talloze epifytensoorten die van warme en natte omstandigheden houden zijn algemener geworden of zelfs nieuw gearriveerd uit zuidelijke streken. Het gaat hierbij met name om korstmossen die een bepaalde alg als symbiont hebben. Waarschijnlijk is hun toename toe te schrijven aan de gunstige Nederlandse omstandigheden voor deze alg.
Verantwoording
De auteur deed het veldwerk, determinaties en gegevensinvoer, ir. H. Kivit de begeleiding, opdracht en de kaarten, drs. C. M. van Herk de correlatie-analyse.
Literatuurlijst
- Aptroot A, 2019. Inventarisatie van epifytische mossen en korstmossen in het Noordhollands Duinreservaat in 2018, met een vergelijking met de situatie in 1990 en 2000.Rapport NV PWN. https://eco-on-site.nl/mirrors/pwn-puur-natuur/pdfs/
- Aptroot, A. 2019. Inventarisatie_van_epifytische_mossen_en_korstmossen_in_het_Noordhollands_Duinreservaat_in_2018_rap.pdf
- Aptroot A, CM van Herk & L.B. Sparrius, 2012. Basisrapport voor de Rode Lijst korstmossen. Buxbaumiella 92: 1-117.
- Siebel H, A. Touw, H. van Melick, G. Dirkse, A. Aptroot & H. van Dobben, 1992. Rode lijst van in Nederland verdwenen en bedreigde mossen en korstmossen. Gorteria 18: 1-20.
- Siebel H, R-J Bijlsma & LB Sparrius, 2013. Basisrapport voor de Rode Lijst mossen. Buxbaumiella 96: 1-75.
Artikel met toestemming van de auteur ontleend aan: De Levende Natuur editie 4 2024




