over de site | contact | info auteurs | toegang auteurs
  • Home
  • Nieuws
  • Thema’s
    • Ontstaan van de kust
      • Duinen als zeewering
      • Klimaat en duinen
    • Archeologie
    • Zeedorpen
    • Jacht
    • Duinlandbouw
    • Cartografie
    • Veldnamen
    • Militaire kustverdediging
    • Waterwinning
    • Natuur en landschap
      • Flora en vegetatie
      • Fauna
      • Bos
      • Natuurbeheer
    • Strand
    • Recreatie
    • Beeldende kunst
  • Gebieden
    • Zeeland
    • Zuid-Hollandse eilanden
    • Zuid-Hollandse vasteland
    • Zuid-Kennemerland
      • Amsterdamse Waterleidingduinen
      • Nationaal Park Zuid-Kennemerland
      • Kennemerstrand
    • Noord-Kennemerland
      • Wijk aan Zee
      • Noordhollands Duinreservaat
      • Bergen
      • Schoorlse Duinen
    • Noordkop
      • Camperduin-Petten
      • Zwanenwater
      • Zijpe- en Hazepolder
      • Callantsoog
      • Noordduinen
      • Den Helder
    • Texel
      • Zuidpunt van Texel
      • Duinen bij Den Hoorn
      • Duinen bij De Koog
      • Ten noorden van De Koog
    • Vlieland
    • Terschelling
    • Ameland
    • Schiermonnikoog
    • Rottumerplaat / Rottumeroog
  • Landschapselementen
    • Eendenkooien
    • Landgoederen
    • Wegen en paden
    • Kanalen
    • Stuifdijken
    • Agrarisch
    • Militair
    • Heemtuinen
    • Recreatief
  • Portretten
  • Onderzoek
  • Hotspots
  • Programma
rss

Artikel

04
DEC
2025

Beweiding op de Kwade Hoek 1875-1975

GoereeNatuurbeheer
Tags : beweiding, kwadehoek
Posted By : Redacteur
Comments : 0

Rolf Roos

  • Met dank aan Frans Beekman, Annelies Breen, Geert Faasse, Nico Lievaart, Maaike, Lenie en Kommer Tanis (jr. jr.) en Jan & Corrie van Splunter .
  • Artikel-in-spe voor tijdschrift ‘De Oude Waerelt’ van Hist. Ver. De Motte). Aanvullingen zeer welkom.
  • 18 oktober 2025, update 4 december 2025

“Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. ” (Opzichter Jan Vlietland, 1966)

Rond 1900 stond er, behalve in de polder, ook vee in bijna elk duin- of gors van het voormalige eiland Goeree. Het buitendijkse land was vanouds bezit van het waterschap of de staat, maar het werd uitgebaat (verpacht) of, later, in beheer gegeven aan terreinbeheerders. Op het gors stonden melkkoeien, jongvee en af en toe een stier. Ook paarden, die je in de avondzon vanaf het duin kon zien rondrennen. Het vee was van aanwonenden (tot ca 1950 had bijna iedereen in de duinrand wel een koe of varken), kleine veeboeren langs het duin of uit de polder. Soms kwamen er over water aangevoerde dieren voor zomerbeweiding. Uit bovenstaand citaat blijkt dat de boswachter in 1971 niet helemaal scherp had wie wel en niet boer was op het gors, en dat lag, zoals zal blijken, niet aan hem.

Want hoe ging dat met de beweiding op de Kwade Hoek, wie waren er eigenaren en pachters, wie waren er onderpachters? We focussen ons op de periode 1945-1975 en een conflict dat toen speelde, maar vermelden eerst de oudere gegevens. We onderzoeken oude teksten, kaarten en foto’s en spreken direct betrokkenen. Dat zijn o.a. bewoners van de Oostdijkseweg: Jan van Splunter (geb. 1940) en Annelies Breen (1942), die  de jaren 50 – 70 actief hebben meegemaakt. Ook komen we meer te weten over de eerste boer op het gors na de oorlog, Kommer Tanis (bijgenaamd Kommer de Brommer sr.), via Maaike, de vrouw van boer Kommer de Brommer jr. Ook hàar zoon Kommer (jr. jr., veehouder) en dochter Lenie (van de bloemenwinkel de Korenbloem uit Goedereede) maken ons verder wegwijs. We putten verder uit schriftelijke bronnen, o.a. uit het Beheersplan 1971 (zie hiervoor ook het inleidend artikel op deze site) en gebruiken divers kaartmateriaal. Diverse koeienwachters passeren de revue en ook heibel over de pacht en de aantallen stuks vee waar zelfs de directeur van Natuurmonumenten zich nog mee bemoeit. Vreemdste bijvangst bij al dit speurwerk: een door koeien uitgelopen stuifgat in de zeereep werd een ook nu nog zichtbaar ‘koeiengat’. En we vonden in het gors een oude (vooroorlogse) veedrenkput terug, en wel een zeer grote met opgeworpen wallen rondom. Nodig als zoet water voor het rondzwervende vee? Daarover meer in een apart artikel.

Uitzicht op de gorzen en strandweide rond 1965. Links boven kleine stipjes: koeien.

Wat weten we van voor de oorlog?

Uit 1851 zijn veilingstukken bekend waarin een onderhoudsplicht van de zeereep wordt vermeld plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Of er echt al vee liep is niet bekend  Waarschijnlijk wel in de duinen, maar niet op strand of gors (dat er toen nog niet was).

Uit het einde van de 19e eeuw (Wentholt, 1912) weten we dat het gors na 1879 tussen de toenmalige strekdammen ontstond en begroeid raakte. Het heette toen nog niet ‘Kwade Hoek’. Anno 1912 verpachtte het Rijk, de eigenaar, het stuk gors tussen Havenhoofd (paal 4) en de huidige opgang van de Kwade Hoek (paal 8) voor fl. 200 per jaar, voor beweiding. Zie verder ons artikel over het ontstaan van de Kwade Hoek als natuurgebied.

We hebben tot nu toe weinig andere bronnen over beweiding tot 1945. Zeker is dat er toen wel koeien liepen, aldus Kees Hana toen hij in 1938 op de fiets richting Kwade Hoek reed:

Topografische kaart met landschap Kwade Hoek ca 1935 toen Kees Hana het bezocht: alleen gors (groen strand) en geen duinen. Klik op kaart voor uitvergroting.

“Het landschap van de buitenste duinrichels doet opvallend sterk denken aan de Muy op Texel, alleen het groote meer ontbreekt hier. Als je niet zoo duidelijk den Voornschen wal aan de overzijde van het Goereesche Gat zag, zou je kunnen denken op Noordvaarder, Vliehors of Onrust verzeild geraakt te zijn. Wat een strandvlakte! Even naar zee loopen is een heele wandeling. Maar wat is dat daar nu in de verte? Een kudde schapen? Het lijkt wel zoo, doch wanneer de dieren wat dichterbij komen, zien we ineens, dat het allemaal koeien zijn, die hier grazen op het breede, begroeide strand; een jongen houdt de kudde zoo’n beetje bij elkaar.”

Opvallend is dat Hana alleen spreekt van een ‘breed’ en ‘begroeid’ strand en niet van duinen.

Prof. Th. Weevers, kenner van de duinnatuur van Goeree, maakt in een publicatie uit 1940 gewag van ‘sterke beweiding’, maar specificeert dit helaas niet.

“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuldig is”.

Uit de oorlogsjaren zelf  weten we tenslotte via een verslag van boswachter Arie Blokland dat er toen geen vee op het gors was, er geen mensen mochten komen en de vogels het gebied meer in bezit namen.

Koeienwachters

Voor de oorlog waren koeienwachters (kinderen, maar ook volwassenen) op Goeree een bekend fenomeen. Kinderarbeid was nog gewoon, en mocht je niet te slim zijn uitgevallen of gewoon pech hebben dan was het bewaken van de koeien ook voor een ouder iemand een aardig baantje, zij het met een minimale verdienste. Zie de foto gemaakt in de nabijgelegen Oostduinen. Het beweidingsgebied kan zeker over de toen nog lage zeereep doorgelopen hebben naar de destijds kleinere Kwade Hoek richting Havenhoofd, maar van voor de oorlog hebben we daar geen beelden van. In grote delen van de  duinen vindt stopzetting van de beweiding in de vijftiger en zestiger jaren plaats, behalve in de Westduinen, de Vuurtorenvallei en de Kwade Hoek. De Oost-en Middelduinen zullen mede daardoor verruigen; thans zijn  ze weer beweid.

Ook in  de oorlog waren er veehouders op de Kwade Hoek. De vader van Kommer Tanis uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam, vertelde aan Kommer  dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943  of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boer  nog maar een enkele plag meenam toen was het hommeles met de Duitsers. ” (interview met Kommer Tanis dd 16 januari 2026)

Naoorlogse bronnen

Een eerste archiefstuk uit 1947 schept helderheid over de pachtsommen en toegekende betekenis van het gors van de Kwade Hoek.  Vogelkenner van der Kloot, (bestuurslid Stichting Natuurmonument de Beer die zich decennia over o.a. de Kwade Hoek ontfermde), achtte in een advies aan zijn bestuur de botanische waarden laag ’ten gevolge van de intensieve beweiding’, wellicht had hij Weevers, 1940, slecht gelezen want Weevers meldt vele bijzondere planten. Elders schrijft van de Kloot dat deze pachtsom ‘zeer laag’ is en men wellicht het oostelijk deel alleen hoefde te verpachten (en de rest tot ‘Natuurmonument’ bestempelen d.w.z. zonder beweiding. Dit is later (jaren ’70?) ook gebeurd.

Uit: Van de Kloot, 1947. Overzicht van de eigendoms- en beheersverhoudingen in het duingebied van het eiland Goeree. SAA 999-2639

Een tweede passage schetst de scheve verdeling van lusten en lasten van de na de oorlog ook door koeien begraasde particuliere duinen van de familie Breen. Ze deden en faciliteerden alles wat maar een beetje geld opbracht: beweiding, jacht, kamperen en zandafgraven.

We lezen verder in  een verslag uit 1957 van de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) dat er ‘wilde paarden’ spartelden in de meertjes die waren ontstaan. Hoe wild was deze noordwestelijke uithoek van Goeree? Of werd het gors zelfs gecultiveerd en behekt voordat vanaf ca 1975 het natuurbeheer de boventoon ging voeren bij de nieuwe beheerder, Natuurmonumenten? Uit 1961 hebben we de beschikking over een doorwrocht verhaal van Westhoff e.a.. We citeren wat hij over beweiding zegt, duidelijk met een opvallend positieve toon, geheel anders dan bij Weevers voor de oorlog en van der Kloot in 1947 (pag.56):

Beweiding Kwade Hoek rond 1965; het vee is van Kommer de Brommer sr. en jr. en werd gemolken nabij ‘Haveneind’ (Havenhoofd). We kijken noordwaarts richting lage duintjes die het gors van de zee afschermen. Een niet herkenbare figuur, mogelijk Kommer de Brommer jr., lijkt het vee oostwaarts richting melkplek bij Haveneind te drijven.

“De Kwade Hoek, aan de noordkust van Goeree langs het Haringvliet gelegen, behoort tot het terreintype dat men wel aanduidt als “groene stranden”. (..) Evenwijdig aan de kust strekken zich een aantal lage, smalle, onderbroken duinrichels uit, waartussen min of meer vochtige, langgerekte duinvalleien liggen, die op onregelmatige tijden nog door de vloed worden bereikt. Aan de landzijde wordt dit geheel tenslotte afgesloten door een hoger oprijzende duinenrij, die als zeewering fungeert. Het gebied wordt in uiteenlopende intensiteit matig tot licht door vee beweid. Vermoedelijk is dit in zoverre een stabiliserende factor, dat het vee, door de vegetatie en het oppervlak der lage duintjes te storen, deze verhindert verder op te groeien, zodat de valleien niet van de zee worden afgesloten. Uit het oogpunt van het voortbestaan van de botanische betekenis van het gebied is dit een positieve invloed.”

Bakker et al melden in hun duinvalleien-rapport uit 1979:

“In 1967 adviseerde het Biologisch Station “Weevers Duin” zelfs een uitbreiding van de beweiding: “In het gebied van de Kwade Hoek vindt beweiding plaats met jongvee; (tot 1967 melkvee op het schor) ± 100 stuks. Niet in het hele gebied (v.n.l. in het oostelijk deel). Voorgesteld wordt een iets groter aantal te laten grazen in het gehele terrein”.

“Momenteel (red.: 1979) wordt het oostelijk deel (Groene Strand) beweid met ongeveer 50 stuks melkvee, gedurende het gehele seizoen op één zelfde gedeelte, binnen afrastering. Vroeger schaarde men het vee op een klein deel in, men liet dit “afgrazen” en verplaatste het vee vervolgens naar een ander terreingedeelte.”

Kaartbeelden

De topografische kaart van vlak na de oorlog toont een landschap, ogenschijnlijk zonder hekken. Gors, duin en dijk gingen in elkaar over. Let op enkele details, waarvan we sommige zullen bespreken: het kleine uitsteeksel van het duin richting zee, het ‘slurfje’ tussen een paal 7 en 8 en de rechte slootjes in twee kreken op het gors. Strekdammen uit ca 1830 zijn niet meer aangegeven, maar waren toen nog wel voor de weinige recreanten, stropers en boswachters zichtbaar. Vlakbij de ‘lantaarn’ (’t Lichie van Moosje’) is met een rood puntje de rond 1978 onder de nieuwe zeereep verdwenen duinboerderij van Moosje Hoek te vinden met een klein door elzen omzoomd huiskaveltje, naast de ongetwijfeld toen zeer bloemrijke graasgronden van het Plaatje (met daarin nog dijkputten uit ca 1715). Het Plaatje is nu deels parkeerplaats. Bos was afwezig.  Vrijwel de hele Bokkepolder bestond uit grasland (met weidevogels en orchideeën) en akkerland.

Topografie van de Kwade Hoek rond 1950: zeereep, ’t Plaatje (tussen paal 7 en 8) en de Bokkepolder.

Jan van  Splunter

Jan van Splunter, voorjaar 2025. Let op de voorgrond: foto van jongvee aan de duinrand.

Jan van Splunter, jager, woont al levenslang op het buurtschap Oostdijk, aan de Oostdijkse weg nabij de opgang naar de Kwade Hoek. Hij maakt ons verder wegwijs. Hij is via familie verweven met de Oostdijkse weg en de Nieuwendijk en kent het landschap en al haar bewoners van net na de oorlog. Vroeger waren er duintjes bij en op de Helmdijk, die volgens Jan zijn afgegraven in 1953 (en eerder al in de oorlog, red.). Alles was destijds open; vee liep over dijken, duinen en gors (groene strand) en er waren nauwelijks bomen. Er liepen koeien van lokale bewoners en veehouders, maar ook kwamen er per boot koeien van elders (Putten, Dordrecht). In die tijd net na de oorlog waren er koeienwachters. Jan van Splunter: “Maar er verdronk wel eens een koe, zeiden ze, en die werd dan achter een bunker van de Stellingweg geslacht en verkocht.”

Op nr. 8 langs diezelfde Nieuwendijk woonde rond 1950 Leun Temmink, waarvan het verhaal de ronde doet dat hij de dag begon met een cognacje (vieux) met een rauw ei. Hij had 3-4 koeien en was ook koeienwacht in het duin tot aan Havenhoofd. Zijn vrouw heette Lammetje (Lammechien). Leun plaagde Lammetje met de oneliner: “als je niet ….doet dan breng ik je naar de markt”. Annelies Breen herinnert zich hoe ze met een akertje (kleine melkbus voor ca 5 liter) hier als kind melk ging halen (ca 1955).

Op Nieuwendijk 12 woonde een oom van Jan, Arend van Splunter. Volgens Jan had hij al voor de oorlog 5-6 koeien terwijl zijn oom Jaap van Splunter, boerenknecht geen vee had en in het buurhuisje op nr. 14 woonde.

Uit die tijd kennen een foto van het kaal gevreten gors met slechts een enkele koe, van de hand van Kees Hana (1963)

Uit het verhaal van Jan van Splunter komt een beeld naar voren van een open landschap waar een ieder naast een hoekje eigen grond ook dijk, duin en gors benutte en diverse personen koeienwachter waren of een paar koeien hadden, steeds met een schamel inkomen. Het gors heette in de volksmond “het weiland”, aldus Kommer Hoek uit Ouddorp. Bij boswachter Jan Vlietland heet het ‘de grasvlakte’ of het ‘grasland’.

De eigendommen en pacht van Jacob Breen

Luchtfoto 1943. Na de oorlog was het landschap open en vrijwel boomloos. De Kwade Hoek was een smalle aangroeikust: een groen strand met slechts een enkele, onderbroken, duinenrij. De 19e-eeuwse strekdammen zijn hier al niet meer zichtbaar.

Kommer de Brommer sr en jr. ca 1955

Annelies Breen woont met haar man sinds 1988 langs de Oostdijkse weg maar komt vanaf haar tiende, 1952, veel in het gebied omdat haar vader Jaap (Jacob) Breen (1905-1983) hier 40 hectare duin en duinrand bezat, die hij weer had geërfd van zijn vader, ook een Jacob (1865-1928). Het was familiebezit geworden bij een veiling van rijksgronden in 1851. Overigens inclusief een verbod op beweiding door paarden of vee 70 meter vanaf de buitenrand der zeeduinen. Maar of dit ooit is gecontroleerd? Jacob Breen bezat 40 hectare duin: o.a. de hele zeereep tot aan Havenhoofd, die grotendeels werd onteigend toen de zeereep bij de Deltawerken moest worden verhoogd. Bovendien pachtte Jacob, in aanvulling op zijn duinbezit van 40 hectare, na de oorlog het gors dat hij weer onderverhuurde aan veehouders, waaronder Kommer de Brommer sr. en jr.

Zeereep bij Kwade Hoek volgens hoogtekaart; klik op de kaart voor uitvergroting dan worden in het gors diverse sloten zichtbaar.

Jacob Breen graaf een afwateringsgreppel op het gors, ca 1965

Over haar vader, Jacob, vertelt Annelies dat hij de naoorlogse beplanting van o.a. de Stellingweg op zich nam. Hij liet zich daarbij adviseren door Cees Sipkes uit Oostvoorne die diverse exoten aanvoerde. De Stellingweg en het duin van de zeereep waren ook zijn bezit (zie ook artikel elders op deze site). Jacob heeft volgens Annelies ook eigenhandig sloten gegraven op het gors om de afwatering te verbeteren waardoor het beter begaanbaar was voor koeien (zie de slootjes op de topografische kaart hierboven en bijgaand detail van de hoogtekaart 2025 met diverse slootjes en rechte kreken). Graafwerk van meer dan een halve eeuw geleden blijft lang zichtbaar.

Melken met de hand rond 1955 op het gors bij Haveneind. Linksachter Kommer Tanis sr.

Volgens Lenie Tanis is haar grootvader Kommer Tanis (Kommer de Brommer sr.) begonnen met vee dat er vlak na de oorlog rondliep en dat hij via Jacob Breen en een Dordrechtse veeboer voor een zacht prijsje kon overnemen. “Hij wilde helemaal geen boer worden, maar startte met 20 drachtige koeien en werd vervolgens levenslang boer, na 1975 op Breengronden aan de binnenduinrand.” Kommer jr. volgde hem op (maar na ca 1973 niet meer op het gors) en zijn zoon Kommer jr. jr. is tot op heden veehouder.

Annelies vertelt weer een ander verhaal door, van haar vader, namelijk dat rond 1947 Kommer de Brommer sr. vee weidde op het gors van de Kwade Hoek en naar haar vader Jacob riep: “Het duin bij ’t Plaatje gaat er aan”. Omdat de koeien een vaste looproute hadden van het gors naar de (melk)stal (destijds hier maar later ter hoogte van Havenhoofd) was er een pad geërodeerd en een stuifgat in de duinen ontstaan: het ‘koeiengat’. Het bevond zich tussen het lichtopstand (de lantaarn) ’t Lichie van Moosje en Huize De Bult. Het bijzondere is dat de plek op de luchtfoto 1943 en op de topografische kaart 1950 goed te zien is als een ‘slurfje’. En ook ann0 2025 zit hier nog een uitstulping. Omdat het duin op Goeree oost-west is georiënteerd kan in een periode met veel zuidenwind bij een stuifgat zo’n vorm zijn ontstaan. Annelies Breen vertelt dat Jacob Breen vele jaren helm heeft geplant om het duin te behouden, zeker van 1947 tot 1972, 25 jaar lang. Dit was overigens een verplichting vanuit het waterschap.

Dat brengt ons naar februari 1953, de ramp waarbij de zeereep het hield maar delen van Goeree (ook de Bokkepolder) ‘achterom’ onder liepen via dijkdoorbraken, waarbij veel vee verdronk. Daarna wilde de overheid het duin en zeker de zeereep weer in eigen hand hebben. Eind jaren 60 volgde gedeeltelijke onteigening en daarna de kunstmatige ophoging van de zeereep, zie ook onderstaande luchtfoto met de start van de aanleg van de nieuwe zeereep ter hoogte van de huizen van Haveneind.

Een luchtfoto uit 1970 met daarop de eerste sporen van duinverzwaring bij Havenhoofd, en enkele bomkraters en vele slootjes (ter ontwatering van het gors).

Gedonder rond de verpachting 1965 -1971 1970 door de ogen van Jan Vlietland

Volgens boswachter/opzichter Jan Vlietland in 1965 doen koeien in de Parnassiavallei (ook bekend als Parnassiaslenk) het gebied daar geen goed:

” Mijn inziens is het echter wel nodig om er een wijziging in aan te brengen voor wat betreft de Parnassiavallei. Het lijkt me voor de groei van de Parnassia niet bevorderlijk wanneer die vallei voor de bloei wordt beweidt. Door de drassige bodem worden dan veel planten in de grond getrapt. Ook na de bloei is dat wel zo, maar dan is in ieder geval het zaad eraf. Ik geloof dat maaien toch de beste oplossing zal blijken te zijn. Laat ook de heer Beeftink daar zijn mening eens over geven.” (Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)

Kattendoorn op een schor.

Moeraspaardenbloem

Deze discussie zal later in de zeventiger jaren leiden tot een oostelijk (beweid) en westelijk (onbeweid) deel, een situatie die we tot op heden (2025) aantreffen. Bovendien is melkvee geheel verdwenen en het aantal stuks jongvee tegenwoordig te laag om zeekweek en verruiging geheel terug te dringen. De vroeger beschreven ‘grasvlakte’ vol gele rolklavers en roze kattendoorns (een typische soort die het bij veel beweiding goed uithoudt, want stekelig) is vervangen door een landschapsbeeld van lage duindoornduintjes en brakke moerasplanten (een zeer zeldzame levensgemeenschap) en in de laagtes veel ‘echte’ zoutplanten met daartussen plekken die kort begraasd worden, soms wat zoeter zijn met ook veel bijzondere soorten, waaronder, sinds 2025, moeraspaardenbloem. Zie artikel op deze site.

Maar terug naar 1965 en de aansturing van de beweiding. Ook daarover heeft Jan Vlietland in de richting van zijn bestuur een noot te kraken want hij blijkt onvoldoende zicht te hebben wie er vee inschaart en wil geen koeien meer buiten rasters waardoor ze in het water terecht komen:

“Zoals ik reeds zei zou het ook goed zijn op de een of andere manier te voorkomen dat, zoals dat woensdag het geval was, dieren in het water komen, dus dat er na 1 november geen vee meer aanwezig is. Ook zou ik graag in het vervolg willen weten van wie er niet op de Kwade Hoek loopt. Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. Het beroerde is namelijk dat zo’n bezoek zich meestal uitstrekt tot de broedkolonies, wat natuurlijk voor de grote stern niet goed is. Het zou wel goed zijn als ik dan op de inscharingsdag daarbij aanwezig was, om ook de mensen persoonlijk te zien. “(Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)

Ook uit maandverslagen 1971 (zie fragment mei) van Jan Vlietland blijkt dat de verhouding Kommer Tanis jr niet zonder zorgen is. Zo gaf Jan Vlietland geen toestemming voor het strooien van kunstmest. Maar of dat nooit gebeurd is valt niet te achterhalen. In juni maakt Jan Vlietland zich geen zorgen meer over de grasgroei voor het vee; zie fragment juni.  In augustus rapporteert hij dat er sprake is van overbeweiding en schrijft in oktober over tijdig weghalen van het vee door de boer (Tanis)  als de waterstanden in het najaar weer toenemen.

Jacob Breen en de pacht

Jacob Breen, eigenaar van de duinrand, was sinds de oorlog hoofdpachter van het gors en we komen hem dan ook tegen in het Beheersplan van Stichting de Beer over de Kwade Hoek uit 1971:

“Een deel van bet Groene Strand is verpacht aan de heer J. Breen te Goedereede. Deze heeft weer onderverpacht aan een melkveehouder te Goedereede. Deze schaart in. Het aantal stuks melkvee is vastgesteld door bet Bestuur van de Stichting in overleg met een natuurwetenschappelijke adviescommissie en de pachter in verband met de botanische waarde van bet Groene strand. (…) De onderpachter beweidt volgens advies van een natuurwetenschappelijke adviescommissie. De beweiding vindt plaats in twee fasen. Het oostelijke deel eerst, na half juli het westelijke deel.

In de richting van de zee is het Groene Strand afgesloten door een puntdraadheining. De plaats hiervan kan wisselen. Overleg hierover vindt plaats via de natuurwetenschappelijk medewerker. Het melken van het vee gebeurt aan het eind van de toegangsweg naar het Groene Strand. Normaliter wordt het Groene Strand alleen betreden door de (geregistreerde) boeren tijdens het melken en bij eventueel bezoek van de veearts tijdens het inscharen of bij andere incidentele gebeurtenissen. Bij het inscharen is de opzichter aanwezig. Het hek dat toegang geeft tot de weg naar het Groene Strand is gesloten. Een slot is niet mogelijk en onpraktisch. De boeren moeten zorg dragen voor het sluiten na toegang of vertrek.”

Vee en melkmachine nabij Haveneind, ca 1973 met op horizon de net nieuwe Haringvlietsluizen.

Tot zover de regelgeving. De praktijk moet weerbarstiger zijn geweest. In de verhalen van Maaike, Lenie en Kommer Tanis (jr. jr.) komt deels een ander verhaal naar voren. “Er werd niet gemolken bij ‘Het Zwarte Hek” (thans een ijzeren hek dat de huidige pachter Grinwis gebruikt) maar helemaal achteraan bij het Haveneind (zie foto). Eerst met de hand, later stond daar een melkmachine.” Onderhoud van de heiningen was voor de boer. De foto’s vertellen een eigen verhaal.

In deze jaren verdwijnt Stichting de Beer geleidelijk uit het zicht en wordt de directeur van Natuurmonumenten, Hessels, penvoerder, soms ook op briefpapier van de Stichting. Er is gedoe over aantallen dieren en beweidingsschema’s en het is bepaald onhandig dat er niet één enkele pachter is (J. Breen) maar verschillende onderpachters. Er lopen koeien en soms paarden van diverse boeren, genoemd worden ‘de heer Tanis’ en ‘de heer Grinwis’. In de archieven van Natuurmonumenten bij het Amsterdams Stadsarchief lezen we de brieven die tenslotte aansturen op de beëindiging van de pacht aan Jacob Breen.

Te zout, minder gras?

Eind jaren 60 was productie op gors zo hoog dat er werd gehooid. Op de trekker zitten Kommer Tanis (Kommer de Brommer jr.) en zoon Kommer; jongetje met wit overhemd: onbekend.

In een brief van Hessels aan ’s Rijks Domeinen (eigenaar van het gors) van 16 augustus 1974 weten we dat Jacob Breen op 16 november 1973 een brief kreeg van Stichting de Beer, waarin wordt gesteld dat het ‘weidegebied’, zoals het gors toen werd genoemd, door afsluiting van het Haringvliet ‘regelmatiger door de zee overspoeld’ is en er langer plassen blijven staan; het zoutgehalte van het grondwater is sterk gestegen.

“Een en ander heeft in ieder geval een duidelijke vermindering van de grasgroei ten gevolge gehad en onze verwachting is dat in de komende jaren de grasgroei nog verder zal afnemen. Zoals u zult begrijpen komt hierdoor minder gras voor het te weiden vee beschikbaar, zodat in de komende jaren minder stuks vee hier hun kostje kunnen ophalen.” Zie fragment uit archiefstuk 999-2634 SAA)

Door Jacob Breen wordt een regeling getroffen met Kommer de Brommer jr zodat bij binnendijks verder kon.

Op 24 juli 1974 (SAA 999-2634, zie fragment) schrijft Hessels weer een brief aan Breen met behalve een analyse een duidelijke aanzegging: na “te veel dieren” en misstanden wil hij via de Grondkamer van hoofdpachter Breen af. Op 16 aug 1974 verstuurt  Hessels aan Domeinen, de grondeigenaar,  met een analyse van de verminderde grasgroei en uitbrekend vee door meer overstroming na afsluiting van de Haringvliet. Hessels doet het verzoek aan de grondkamer tot beëindiging van het oude contract met Breen om later een nieuwe overeenkomst te sluiten met Grinwis (tot op heden de pachter, niet meer met melkvee maar alleen met jongvee). De resten van de melkinstallatie zijn nog te vinden bij opgang ‘Het Zwarte hek’. Hier staat tegenwoordig in de zomer een grote kuip met schoon leidingwater voor de pinken die in de zomer het gors begrazen.

Een handgeschreven brief van de directeur

Van een paar maanden later is er nog een document op briefpapier van Stichting de Beer (penvoerder Hessels) aan J. Breen (d.d. 9 sept 1974). In het  handgeschreven stuk gaat het over een minimum van 30 G.V.E. (red.: grootvee-eenheden – hier  wordt waarschijnlijk bedoeld: maximum) in het ‘weidegebied’ d.w.z. 100 pinken of, veel beter i.v.m. broedvogels, 20 melkkoeien. Ook wordt gesteld dat vijf paarden te veel is, drie is beter. Bovendien: alleen beweiding tussen 15 mei tot 15 oktober. Verwezen wordt naar vaste vakken en geen begrazing van een westelijk deel met o.a. ‘Parnassiavallei’ , dat tot op heden deels wordt gemaaid om het open te houden. Ook worden klachten over vertrapping gememoreerd.

In 1974 blijken er vier onderpachters te zijn in het gebied waar Jan Vlietland, opzichter in die jaren, het toezicht doet:

  • Grinwis met 72 stuks rundvee waarvan 52 melkkoeien
  • Komtebedde met 3 stuks rundvee
  • Van der Zee met 3 paarden
  • Ketting met 6 paarden

De noodzaak van beweiding ten behoeve van natuurbeheer staat niet ter discussie. Er komt daarna een regeling met Grinwis, “die van de beweiding zijn inkomen moet hebben”. Hessels concludeert: “voor het voeren van een optimaal natuurbeheer het beste zou zijn dat onze stichting zelf deze kwestie kan regelen”.  Anno 2025 loopt er nog steeds vee van Kommer Grinwis uit Ouddorp. De grote openheid, nattigheid en de korte begrazing van de jaren 60 is voorbij. In het nog steeds bij hoogwater en springtij door zeewater overstroomde gebied zijn naast kortgrazige stukken ook vele plekken met hoge zeekweek en diverse lage duintjes waar de duindoorn het volhoudt.

Conclusie uit handgeschreven brief van Hessels, 9 september 1974

 

Koeienschor Kwade Hoek 2025. Delen met dominantie van zeekweek worden afgewisseld met kreken en kortgrazige stukken. Het beeld van een strak begraasd gors uit de jaren 60 is verleden tijd. Uit vakliteratuur blijkt dat (op noordelijke kwelders) soortenrijkdom van planten bij ca 0,5 dier per hectare vooruitgaat, maar woelmuizen en insecten op o.a. zeeaster kunnen achteruitgaan en vertrapping van nesten kan een probleem zijn.

Meuleman & Joanknecht, 1980 berichten over 40 stuks melkvee rond die tijd en een positief effect op de natuur. Een algemeen artikel over effecten beweiding  op de kwelders in het noorden treft u hier. Op de Kwade Hoek, een van de weinige meer dan een eeuw lang begraasde gorzen/kwelders in ons land (ook: Ameland, Schiermonnikoog, land van Saaftinge) is helaas door de beheerder geen systematisch onderzoek opgezet (met uitgerasterde delen zonder beweiding) om de effecten te volgen. De rijkdom aan rode lijstsoorten van zoute en brakke milieus is op de Kwade Hoek echter onmiskenbaar hoog.

Tenslotte. De analyse van historisch gebruik is onmisbaar om de huidige stand van een natuurgebied te begrijpen. Interessant in dit licht is een passage uit de ‘PAS Gebiedsanalyse Duinen Goeree & Kwade Hoek 2017’ (rijksoverheid, hier online te vinden): “De jonge delen van Duinen Goeree & Kwade Hoek (de jonge duinenrij en de Kwade Hoek) zijn dermate jong dat deze geen historisch gebruik hebben.” Op basis van het voorgaande mogen we concluderen dat dit niet berust op kennis van zaken. Zelfs in de wildste delen van de kust is de mensenhand aanwezig en is historische analyse van belang om de ecologische processen op waarde te kunnen schatten.

Bronnenlijst historie Kwade Hoek

Gerelateerde artikelen:

  1. Huizen op ? de Kwade Hoek, een oproep
  2. Alle veldnamen van de Kwade Hoek
  3. Uit de archieven van de Kwade Hoek: broedvogels in 1966
About the Author

Social Share

    Leave a Reply Reactie annuleren

    *
    *

    Doorzoek alle artikelen

    Dossiers

    Landgoederen
    Dijk of duin
    Kwade Hoek, Goeree
    Westduinen, Goeree
    Bokkepolder, Goeree
    Natuurerf
    Zeer natte duinen
    Dennenkap
    Duinschilderijen
    Veldnamen
    Website Natuurmonument de Beer
    hotspots duinen wandeling Bezoek hotspots bloeiende duinen

    Duinen en mensen: boeken & website

    Het project 'Duinen en mensen' omvat een serie boeken + website over de Nederlandse kust. Cultuur en natuur van het kustlandschap worden gelijkwaardig en veelzijdig beschreven. Met honderden nieuwe kaarten en de laatste stand van wetenschap. Kennemerland (2009), Noordkop en Zwanenwater (2011) en Texel (2013). In 2023 verscheen Duinen en mensen Voorne. Meer over het tot stand komen van deze boeken. De website is continu in ontwikkeling en omvat ca 1000 berichten, boeken, films die gerelateerd zijn aan de boeken of de daarin behandelde onderwerpen. De website is een openbaar archief. Mocht u menen rechten te kunnen ontlenen aan gebruikte tekst of beeld, laat het weten dan zoeken we een oplossing. Deze website wordt draaiende gehouden door een vrijwillige redactie. Nog wel beschikbare titels (o.a. Voorne, Texel) zijn elders te bestellen.

    Maandelijks archief van berichten

    Digitale documentatie duinen Voorne

    Deze site van het streekarchief is onderdeel van Kenniscentrum Duinen

    Deze site is tot stand gekomen met steun van het Cultuurfonds en ondergebracht bij het Streekarchief Voorne-Putten

    Redactie: Rolf Roos & Nico van der Wel, m.m.v. Henk Terhell, Machiel van Wijngaarden, Danny Zuurbier, Bob Benschop (eindredactie)
    Ontwerp en ontwikkeling: toomanywords.nl