Wateratlas van Noord-Holland: dik en toch wat mager?
Rolf Roos
AI-vrij garantie: de auteur staat in voor de herkomst van zijn teksten. Deze garantie geldt niet voor de opgenomen citaten uit het persbericht van dit boek.
Een atlas is, zoals we van de basisschool weten, een boek met kaarten. Als kind verslond ik atlassen. Van de wereld, oude kaarten van Indië, historische kaarten. Kaarten als poorten naar het verleden en voor begrip van het heden. Bij een provinciale atlas van het water verwacht de lezer allerlei kaarten. Van vroegere overstromingen. Ook graag kaarten van waterwegen en hoe we met ons bootje van A naar B kunnen komen. Kaarten met goed en slecht water als we willen zwemmen. Of een kaart waar je het vroegst in het seizoen kan schaatsen, mocht het nog een keer koud worden. Kaarten met waar we ons drinkwater vandaan halen en hoe het waterverbruik groeit. En kaarten over diverse natte narigheid. Zoals: waar zitten al die landbouwgifstoffen in ons water, waar zakken de veenbodems het hardst nu er soms enorme droogte heerst? Waar zijn er wellicht gevaarlijke gebieden nu er ook grote wateroverlast kan optreden? Of over waterkwaliteit vroeger en nu: is die nu vooruitgegaan? Waar en hoe dan? En waarom zijn er in ons land behalve polders ook ‘waterschappen’ en wie trekt daar aan de touwtjes?
Het persbericht meldt: “Aan de hand van gedetailleerde waterstaatskaarten beschrijven deskundige auteurs het systeem dat de mens, economie, natuur, recreatie en landbouw dient.” Een beetje knullige tekst. Want vroeger was het heel simpel: het ging om veiligheid, drinkwater, vervoer en landbouw. Allemaal economie. En die ‘natuur’ is er pas heel recent bijgekomen. Plus ‘klimaat’. Dit boek getuigt van de vele aanzetten en de eerste resultaten om een nieuwe koers in te slaan.
2777 gram, 400 pagina’s, waar voor je geld?
De niet te tillen ‘Wateratlas van Noord-Holland’ bevat heel veel kaarten die ook regelmatig antwoord geven op enkele van de opgeworpen vragen. We geven enkele doorkijkjes in deze Atlas, die gezien de hoeveelheid foto’s en soms meanderende teksten ook heel simpel ‘Water in Noord-Holland’ had mogen heten. Dat had ons ook verwarring met de al bestaande ANWB-wateratlassen bespaard. Het boek dat een inleiding met duidelijke vraagstelling mist, wordt ingekaderd in het ‘Ten geleide’ dat veronderstelt dat we meestal achteloos aan het water voorbijgaan en dat het nodig is dat we ‘het watersysteem’ leren kennen. ‘Het’ watersysteem? De eindredacteur is onder de indruk van het complexe systeem van duizenden peilgebieden, honderden polders en 11 boezemgebieden. Begrijpelijk, maar of de Noord-Hollander, behalve dan de boeren die eeuwen de waterschappen hebben gevormd en tot voor kort beheersten, gaat denken in systemen, dat lijkt me de vraag. Maar concrete projecten in eigen regio, gedragen door herkenbare bestuurders of voormannen/vrouwen, daar krijg je mensen wel mee mee. Zie de Stichting Oer-IJ (mede-uitgever) die fantastisch werk doet in de regio Castricum en ook de beste teksten over projecten in dit boek heeft.
Opbouw
Er zijn vijf inleidende hoofdstukken. Er is een fijne historische intro met mooie kaarten en saillante details, maar waarin de grote lijn: hoe komt het dat een eerst hoger gelegen Hollandse land zo is gezakt (nl. door eeuwenlange ontwatering ten behoeve van landbouw en door vervening) niet wordt belicht. Pas op pag. 226 wordt dit benoemd. Landbouw, hoe nodig ook, heeft ons land laten zakken, zoals landbouw, helaas, ons nog steeds verder omlaag helpt. Of is ergens al het tij gekeerd?
In het deelhoofdstuk over ‘het levende water’ komen we veel te weten over fosfaat, stikstof en zout en lezen we dat we ‘ondanks alles nog steeds heldere sloten, plassen en meren hebben’, maar het gepresenteerde kaartbeeld met toekomstperspectieven toont iets heel anders: vooral polders met veel bruin, troebel water waarvoor – hoe bedenkt men het in de bureaucratie – ‘troebelwaterdoelen’ haalbaar worden geacht. Zijn ‘troebelwaterdoelen’ ook beleidsdoelen? Op dit soort mist zit de Noord-Hollandse burger niet te wachten. Waar kunnen we nu weer gaan vissen en zonder risico het gevangen palinkje roken?
Het ook inleidend bedoelde hoofdstuk over klimaat ‘anders omgaan met water’ bevat veel informatieve kaartjes maar mist een inzichtelijk en krachtig bestuurlijk verhaal. Het gaat natuurlijk niet om die regenton in de achtertuin, maar hoe we a. per direct een rem zetten op verdere toename van klimaatstress, en b. hoe de samenleving een kernachtig pakket maakt om ergste gevolgen te beperken. Er zijn openstaande vragen. Welke concrete beperkingen leggen we aan ‘gebruikers’ (lees boeren en burgers) op om relatief nieuwe doelen als ‘natuur’ en ‘klimaat’ goed te realiseren. Hoeveel grond hebben we nodig om ruimte te scheppen voor water nu het klimaat in hoog tempo kantelt? Het boek schenkt hier nog geen echt klare wijn. Wel allerlei mooie voorbeelden. Maar waar in Noord-Holland is men al geheel op koers? In Amsterdam (zie pag. 353)? De lezer verlangt naar een concrete intro van de vele interessante gebiedsbesprekingen in de Atlas. Dat had de watergedeputeerde ook kunnen doen in plaats van het nu weinig zeggende voorwoord (dat was de plek geweest om de vele auteurs die zich voor dit boek hebben ingespannen te waarderen). Een tip voor uitgevers: als een bestuurder iets mag zeggen in een boek, vraag iets concreets over tastbaar beleid of plaats het anders niet. Niets is sneller verouderd en zou ons bespaard moeten blijven dan bestuurlijke vaagpraat. Wees zuinig met papier, met woorden en met de lezer. Die wil graag stevige koek.
Tastbaar water
Concreet wordt het boek als het gaat over drinkwater en afvalwater. Grondwater wordt wat kleintjes behandeld (waarom blijft vervuild grondwater onbelicht en ook niet in kaart gebracht?) en we begrepen niet waarom sommige foto’s (bv. aanleg riool op pag. 104) hier nu staan. Voor alle drie typen ‘onzichtbaar’ water had ik graag gelezen (en in kaartbeeld gezien) wat de belangrijkste positieve wapenfeiten de laatste 50 jaar zijn geweest; denk bijvoorbeeld aan herstel van de grondwaterbellen in de duinen. En is er al een rem voorzien op de toename van drinkwaterconsumptie? Bij het informatieve verhaal over afvalwater staat een illustratief kaartje met ‘het onzichtbare water’ van Broek in Waterland met riolen met allerlei kleurtjes en missen we een goede legenda, wat helaas bij veel kaarten het geval is. Auteurs veronderstellen veel voorkennis of verwachten dat men de hele tekst eerst leest voor men het beeld bekijkt, maar de werkelijkheid is natuurlijk andersom. Broek in Waterland brengt me bij de categorie van ‘niet uitgewerkte onderwerpen’: de gifbelt Volgermeerpolder en met ambitieus nieuw doel: het vormen naar nieuw veen. Lukt dat met het huidige water en het huidige klimaat? Honderden miljoenen zijn hier geïnvesteerd, maar hoe goed gaat het nu?
Regio’s
Hoe concreter hoe beter en het is een goede keus dat het leeuwendeel van het boek aan diverse deelgebieden en regio’s wordt besteed. We lichten als voorbeeld de duingebieden en binnenduinrand eruit. Theo Bakker schrijft heel informatief over hoe de zoetwaterlens onder de duinen is ontdekt (1826) en hoe deze, afhankelijk van de ondergrond, overal op een andere manier opbolt. Eind 19e eeuw in Schoorl: plus 12 meter boven NAP. Dat is een flink flatgebouw! Dat wil zeggen dat ook valleibodems die zo hoog lagen aan de oppervlakte net nat werden. In dit hoofdstuk helaas niets over verdroging als gevolg van kustafslag, waterwinning en aanplant van bos. Die bel in Schoorl zakte 3 meter weten we uit een baanbrekend rapport over duinvalleien waaraan Bakker ooit meewerkte. Hoeveel gaat het helpen nu steeds meer naaldbos verdwijnt? Beelden over herstel van grondwaterstanden na beëindiging van waterwinning (Zuid-Kennemerland) of aanpassing hiervan (Castricum, Bergen) zouden een kader geven voor het duinherstel dat in veel geplagde duinen optrad. Zo zijn er nu 60% meer vochtige duinvegetaties in de Kennemerduinen. Een knappe prestatie waarvoor een mooi kaartje niet had misstaan. Zou het zo blijven met de huidige zomerse extremen?
De enorme fluctuaties die recent optreden door natte winters en superdroge zomers worden goed beschreven in technische zin, maar over de concrete effecten voor flora en fauna komen we weinig te weten, terwijl van bijvoorbeeld Texel bekend is dat heide letterlijk verdronk, parnassia in slecht gedraineerde valleien kopje onderging (maar zich kon herstellen) en dat de enige vindplaats van de beroemde vogelnestorchis bij Bergen is uitgeroeid door dit klimaatgeweld. Er zijn zeer veel monitoringsgegevens, maar beheerders lijken vooral de successen te etaleren. Het is geweldig dat er (lage aantallen) honingorchis, groenknolorchis en soms herfstschroeforchis zijn, maar de belangrijkste populatie honingorchis van ons land op het Kennemerstrand is in tegenstelling tot wat er in het boek staat tanende. En beheerders zijn traag met ingrijpen waar verruiging optreedt, of denken in ons tijdsgewricht te makkelijk dat het door ‘natuurlijke processen’ allemaal goed zal komen.
In dit boek veel aandacht voor duinrellen en soms zeer bijzondere kokerjuffers. Dit (in de winter) warmere, stromende grondwater is in de winter bij vorst een toevlucht voor vele vogels (watersnippen), wat helaas onbenoemd blijft. Echt interessant en informatief zijn teksten over nieuwe gebieden als de ‘Schoonwatervallei’. Niet in het duin, maar in de polder tussen Bakkum en Akersloot, die vreemd genoeg op twee plekken wordt besproken (pag. 171 en 371). De lezer die van hoed en rand wil weten moet wat bladeren, maar vooral het laatste hoofdstuk, over het Oer-IJ, is zeer informatief en inspirerend. Verspreid in het boek staan meer mooie kustverhalen, zoals over de ‘Zandpolders’ boven Callantsoog met bijzondere soorten van brak water, de komst van struikheide en de ’troetelorchidee’ – want Europees van belang – groenknolorchis. In het verhaal over het Zwanenwater wordt eerlijk gemeld dat de vervuiling met fosfaat vooral door vogels komt maar we missen een verhaal over uitbaggering in het verleden en de effecten daarvan. Ook de alarmerende PFAS-metingen in het meer hadden niet onvermeld mogen blijven.
In een overzichtsboek als deze Atlas horen toch ook concrete trends bij flora en fauna mede als gevolg van kwelschermen (werken ze?) en gebiedsuitbreidingen aan de binnenduinrand o.a. ten zuiden van Callantsoog en op Texel. Dit had wel in de verf mogen worden gezet. Het duinrandherstel van een project als Mariendal blijft geheel onbelicht, evenals trends in de duinen bij Den Helder. Overal zijn er in natuurgebieden elke zes jaar karteringen van flora en fauna en ook vele vrijwilligers voeren data in. Daar is meer verhaal over te presenteren dan hier is gebeurd. Ook over trends in de duinen van Texel lezen we in dit boek niets, terwijl er prachtige projecten zijn geweest (o.a. Mokslootproject) waarvan we nu de resultaten willen lezen.
Terug bij af
Terug naar het persbericht van de uitgever, dat onnodig praat met meel in de mond: “Verschillende maatschappelijke belangen strijden om voorrang bij het gebruik van het water. De problematiek is hardnekkig weerbarstig en de praktijk bij lange na niet eenvoudig, waarbij grenzen in zicht komen en soms worden overschreden. “ Tja. In het boek treffen we een mooie impressie van een historisch treffen tussen de dijkgraaf en boze boeren rond 1600 bij Assendelft. Hoe gaat dat nu? De atlas bevat veel technische details, maar hoe wij mensen het nu sociaal klaren met het water, je mag er vaak naar gissen. De drie waterschappen in Noord-Holland krijgen keurige PR teksten achterin, maar nergens een verhaal met vlees en bloed hoe bij een concreet probleem de mouwen moesten worden opgestroopt. De wel erg brave benadering van de agrarische sector in dit boek kan eigenlijk ook niet meer. Waterschappers wordt volwassen! “Daarom zou elke inwoner van Noord-Holland moeten kunnen beschikken over basiskennis van het watersysteem.” Dat laatste is een begrijpelijke wens van projectleiders maar dat bereik je wellicht niet met een te dik boek. Dan zijn wervelende en eerlijke campagnes over lokale waterprojecten een beter idee: zichtbare zaken die mensen raken, gewoon via de lokale krant plus internet. En vooral: bijeenkomsten op locatie. Samen een rondje roeien. Het boek kan dan worden opgeknipt in mooie online magazines of pdf’s, als achtergrondmateriaal op project-websites.
Tenslotte. Dit dikke boek had een moderne encyclopedie kunnen zijn als bronnen in de tekst (en bij grafieken!) goed zouden zijn vermeld, legenda’s bij kaarten glashelder zouden zijn en er een mooie index zou zijn gemaakt. Dat kost altijd zes weken aan het eind, als je denkt dat het boek klaar is. En dan verspreid overal accurate QR-codes naar websites met aanvulling of updates. Doe mee met al die vernieuwing! Aan enthousiasme bij de auteurs, hun projecten met aandacht voor herstel van de natuur zal het niet liggen. Maar is een boek met goede bedoelingen ook een goed boek? Vorm uw mening en koop het. Per kilo is het zeer goedkoop.
Bestellen:
www.uitgeverijnoordholland.nl
Stichting Uitgeverij Noord-Holland
39,95, 2777 gram, 400 pags








