De Kerf van Schoorl 1999-2025
Frans Nieuwenhuizen (1999)
Rolf Roos (1995/2009)
Thea Spruyt (2011)
Rolf Roos (2019)
Theo Baas (2025)
(6 januari 2026)
We presenteren vijf verhalen van vier auteurs over een legendarische plek in de zeereep: De Kerf. Na jarenlange ‘bevriezing’ van de kunstmatig vastgehouden zeereep trad in het brede duin van Schoorl dooi in, in de vorm van nieuwe verstuiving, een Kerf in de zeereep werd bedacht en uitgevoerd. Het zoute water mocht naar binnen. De zeereep werd deels weggegraven, er achter werd ook een vallei uitgegraven. Hoe pakte deze ingrepen uit? We geven impressies door de jaren heen.
We zijn nu zeer benieuwd naar verhaal van de initiatiefnemer(Staatsbosbeheer): hoe staat het in 2026 ruim 25 jaar na dato? Zijn er goede monitoringsrapporten, mooie karteringen van de vegetatie? We zouden ze graag als aanvulling plaatsen.
Naast deze verhalen die we hier bundelen is er een mooi gefotografeerd verhaal op de website noordhollandse duinen en een tot nu toe flinterdun lapje tekst op wikipedia: “Soorten die bekend zijn van de kwelders als de gelobde melde, strandbiet en het zilt torkruid komen hier nu voor. Veel rode lijst soorten krijgen hier een plaats.” De Kerf verdient een wijdser verhaal. Met deze collage van vijf verhalen (en extra mooie foto’s van o.a. Theo Baas) geven we hopelijk ruim zicht op dit iconische hoekje duin.

Foto uit 1997 van Koos Leek van nog open kerf met binnengestroomd water.
(1) 1999, Frans Nieuwenhuizen in de Graspieper
Met toestemming ontleend aan: Nieuwenhuizen, F. (1999) De Kerf. De Graspieper 19 (2): 25-28. Een leuk stuk omdat hij de situatie vanaf 1990 kende. Frans is inmiddels overleden.
De zeereep kent iedereen als een strakke met helm begroeide duinenrij, vrijwel altijd afgezet met prikkeldraad. Mocht dit puntdraad u al duidelijk maken dat u daar niet welkom bent, het overbekende bordje “Verboden toegang” doet daar nog eens een extra schepje bovenop. Zodra er door menselijke activiteiten of door weersomstandigheden stuifduinen ontstaan, worden er onmiddellijk maatregelen genomen om dit stuivende zand vast te leggen. Door deze maatregelen is de zeereep in de loop der tijd in een zware zanddijk veranderd, waardoor de zee geen schijn van kans maakt om er doorheen te breken. Allemaal best te begrijpen, de zeereep wordt immers altijd al in stand gehouden voor de veiligheid van het achterland?
In 1990 echter besloten parlement en regering tot een andere aanpak, het zogenaamde “dynamisch handhaven” van de kustlijn. Eenvoudig gezegd: daar waar het mogelijk is moeten water, wind en zand vrij spel kunnen krijgen. Het spreekt overigens vanzelf dat daar jaren denkwerk en studie aan vooraf zijn gegaan o.a. door de Stichting Duinbehoud en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Voor deze frisse en gedurfde aanpak werd voor Schoorl gekozen. Niet zo verwonderlijk aangezien het duingebied onder Schoorl tot het breedste van ons land behoort. Daar komt nog bij dat de zeereep en de achterliggende valleien relatief laag liggen, terwijl er na de valleien een tweede, hoge duinenrij ligt. Bovendien is de zee hier al eens twee keer eerder doorgebroken in 1928 en in 1953. Daarbij bleek de genoemde tweede duinenrij zeer wel in staat om het getij te keren. Ten gevolge daarvan werd in het najaar van 1997 met behulp van zwaar materiaal ter hoogte van paal 30.55 een kerf in de zeereep gemaakt. Hierbij werd zo’n slordige 130.000 m2 zand verzet. De achterliggende Parnassiavallei werd eveneens afgeplagd. De begroeiing hier bestond vrijwel uitsluitend uit kraaiheide, zandzegge en helmgras. Je zou in dit geval kunnen spreken van een soort eindfase in een successiereeks. Met andere woorden, deze vegetatie had daar tot in lengte van jaren kunnen blijven liggen zonder enige kans op verstuivingen of andere dynamische processen; vandaar deze ingreep. De eigenlijke kerf werd uitgediept tot 1.50 meter boven NAP, terwijl de vallei op 1.90 meter boven NAP werd afgeplagd. In het begin kreeg De Kerf door de vele publiciteit (radio, televisie en de grote landelijke dagbladen) veel bezoek te verwerken. Wanneer ik dit schrijf (mei 1999) is dit bezoek ietwat geluwd, al blijft het toch altijd nog een trekpleister van de eerste orde.
Inventarisatie
Het spreekt vanzelf dat voor de werkzaamheden de vegetatie in de vallei grondig is geïnventariseerd, terwijl eveneens het voorkomen van loopkevers werd onderzocht (Ten Haaf 1999, Brugge & Krijger 1999). Loopkevers vormen samen met de spinnen zo’n 90 procent van de bodemfauna in soorten en individuen. Tevens reageren loopkevers vrijwel onmiddellijk op veranderingen in het terrein en kunnen met name in pioniermilieus weer snel voorkomen, zowel in zoet/zoute biotopen als in stuifduinen. Vooral het voorkomen van ’zoute’ soorten is van groot belang, omdat zij in Europa een beperkt areaal hebben.
Wat zijn er nu ruwweg anderhalf jaar later voor veranderingen opgetreden? Wel, ondanks het feit dat het gebied nog maar net op de schop is gegaan en het er nog maagdelijk uitziet, zijn er toch al diverse interessante ontwikkelingen gaande. Zo is er met name in het noordelijk gedeelte van De Kerf vanwege de zeewind toch al sprake van nieuwe duinvorming. Onder invloed van enkele taaie rakkers als zeeraket en biestarwegras wordt het zand plaatselijk vastgehouden. Door de harde westelijke wind stuift het zand landinwaarts en daar krijgen genoemde plantensoorten hulp van onder meer zandzegge en helmgras. Langs de vloedmerken wisten zich in 1998 ook al redelijk wat nieuwe planten te vestigen. Vloedmerken zijn de randen van aanspoelsel als wier, schelpen, dode dieren, hout en helaas, tegenwoordig ook allerlei menselijk afval zoals plastic en glas. Deze randen worden hier en daar overstoven door zand en vormen op die manier een ideaal substraat voor sommige plantensoorten. Naast het reeds genoemde biestarwegras en zeeraket werden loogkruid, zeepostelein en enkele kiemplanten van de zeldzame zeewinde en zeewolfsmelk aangetroffen. Tevens kwam langs de gehele noordrand van De Kerf de weinig opvallende gelobde melde voor. Een grappige bijkomstigheid was de aanwezigheid van vrij veel “miniatuurzonnebloemen”. De zaden van deze soort zijn goed bestand tegen het zoute zeewater en ontkiemen vrij gemakkelijk. Op dit moment staan er vele tienduizenden exemplaren langs de vloedmerken; dat belooft wat wanneer ze gaan bloeien…
Verwacht wordt dat op de delen waar de zee regelmatig binnenstroomt zich kwelderplanten als zeekraal, schorrekruid en lamsoor zullen vestigen. In dit verband gloort er enige hoop, want de zee heeft een dun laagje zeeklei achtergelaten waardoor er een geschikt milieu voor deze planten zou kunnen ontstaan. Zoals gezegd is de recreatieve druk nog steeds vrij groot en dat is uiteraard niet bevorderlijk voor kiemplantjes. Door het plaatsen van enkele panelen met een duidelijke tekst hopen wij het publiek in goede banen te leiden. Onze verwachtingen zijn wat dit betreft hoopvol.
Pionierssoorten
Wat de loopkevers betreft heeft de aanleg van De Kerf uiteraard grote veranderingen gebracht in de samenstelling. Het onderzoek in 1997 (vóór de ingreep) en 1998 laat duidelijk zien dat het terrein een veel interessantere fauna krijgt. Er komen nu veel gespecialiseerde soorten voor. Het zijn juist de aan de kust gebonden pionierssoorten van voedselarme bodems die wij tot de nieuwkomers kunnen rekenen. Een voorbeeld dienaangaande is de Strandzandloopkever, die veel op de gewone Bronzen zandloopkever lijkt, maar op meer vochtige plaatsen leeft. Deze soort kan zelfs tegen periodieke overstromingen en komt dus voor in de monding van De Kerf en op het strand. Een soort die ernstig te lijden heeft van de recreatiedruk en het dichtgroeien van het duingebied door mossen en grassen is de reeds genoemde Bronzen zandloopkever.
De verwachting is dat in het noordelijke gedeelte van De Kerf de soort zelfs door te veel betreding geheel zal verdwijnen. Over de vogels is nog niet zoveel te melden. Zilver-, Kleine Mantel-, Kok- en Stormmeeuw worden er zeer regelmatig aangetroffen. Bergeend, Bruine Kiekendief, Torenvalk, Scholekster, Koekoek, Veld- en Boomleeuwerik, Gras-, Boompieper en Zwarte Kraai worden eveneens in en in de onmiddellijke omgeving van De Kerf gesignaleerd. Ongetwijfeld zijn er veel meer soorten gezien dan hier zijn vermeld. Wat de broedvogels betreft mag zeker het succesvol broedgeval van de Bontbekplevier niet onvermeld blijven. Er werd een paartje met twee jongen gesignaleerd. Het paartje broedde in het noordoostelijk gedeelte op een plaats waar dagelijks honderden mensen waren te vinden… Hoewel vaak Bergeenden op het water worden aangetroffen, is van een broedgeval in De Kerf of de afgeplagde Parnassia-vallei tot nu toe niets gebleken. De zandhagedis kwam hier in vergelijking met andere duinterreinen vóór de ingreep sporadisch voor. Jonge dieren werden met enige regelmaat in de kevervallen gevonden. Na de ingreep is hij aan de rand van de vallei enkele keren waargenomen. De aanwezigheid van zand als gevolg van bestuivingen is essentieel voor de eiafzetting. Hoe het dit reptiel verder zal vergaan is nu nog een vraag. De tijd zal het leren. Ook de zee zelf neemt bij hoog water en harde wind, voornamelijk uit westelijke richtingen, regelmatig bezit van De Kerf. Dit gebeurt grotendeels gedurende het najaar. Wanneer je een ander vanaf het duingebied bekijkt is dat altijd weer een fantastisch en haast onwerkelijk gezicht. Daar zijn dan tijdens harde wind grote, schuimende golven te zien en dan te bedenken dat daar eens kraaiheide groeide…
Literatuur
Brugge, B & J.P. de Krijger 1999. Verslag van een monitoringonderzoek naar de loopkeverfauna in de Kerf bij Schoorl aan Zee paal 30-400 in 1998 ten behoeve van het natuurontwikkelingsproject Dynamiek in de kustzone. Schatgraven in de Schoorlse duinen. Instituut voor Systematiek en Oecologie–Zoologisch Museum Universiteit van Amsterdam, afdeling Entomologie.
Ten Haaf, C. 1999. De Kerf bij Schoorl, monitoring van vegetatie en flora. Ten Haaf en Bakker Ecologisch en hydrologisch adviesbureau, Alkmaar.
(2) 1995/2009, Rolf Roos in Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland
Prelude 1995
Voor in 1997 de bulldozers de opening mochten maken en Rijkswaterstaat uiteindelijk haar fiat gaf, was er al jaren nagedacht. In 1995 maakte Ulco Glimmerveen voor het boek Bewogen Kustlandschap deze vogelvlucht, als weergave van het denken op dat moment: de zoute zee zou binnendringen en het landschap herscheppen. In de zeereep zouden nieuwe parabolen zich vormen.

(Bijschrift 1995) Toekomstimpressie – in zuidelijke richting – van het kustlandschap ten noorden van Bergen aan Zee. De zeereep is geopend, het Parnassia- en Buizerdvlak zijn weer nat en een kluut zweeft door de lucht boven dit slufterlandschap.
Tussenstand 2009 (ontleend aan Duinen en mensen Kennemerland)
“Neem nu de Kerf van Schoorl. In 1995 stond in mijn boek Bewogen Kustlandschap het toekomstbeeld van de ontwerpers, als impressie getekend door Ulco Glimmerveen. De zee zou blijvend binnendringen; de zeereep zou gaan stuiven; er zou een zoutminnende vegetatie ontstaan met een paarsrode gloed van lamsoor en zeekraal en slechts een enkele bezoeker zou de drassigheid trotseren. De zoutminnende planten kwamen er inderdaad, alleen niet lamsoor, maar zeerus en de zeewinde. De kluten bleven weg, mede doordat dit nieuwe landschap een topattractie bleek. De Kerf bleef mede open door de vele wandelaars en crossers. Zee en wind vulden de luwe ruimtes achter de zeereep bij de Kerf weer relatief snel met zand en aanspoelsel. Overstroming is nu een incident. Een kerf zoals bij Schoorl, aangelegd op een plek waar de natuur dat niet zou doen, gaat vanzelf weer dicht. Als een huid die zich sluit. Wel hebben we ervaren dat een gat in de zeereep geen veiligheidsrisico hoeft te geven. En onverwachte dingen: een beetje extra zand overpoederde landinwaarts de heide en deze begon uitbundiger te bloeien, dus toch een paarse gloed al is het van andere bloemen dan voorzien. Kortom: niets veroudert sneller dan een toekomstvisie.”

Meer bloei bij de struikheide, dankzij klein beetje overpoedering met overstuivend zand. Foto Theo Baas
(3) 2011, Theo Spruyt ontleend aan Nature Today
Thea Spruyt, een uitmuntende floriste, is inmiddels overleden. Op deze site heeft zij een hoofdrol in een artikel over stofzaad.
” In 2003 is het project geëvalueerd: dynamiek was aanwezig, zilte soorten en de natte duinvallei kwamen goed tot ontwikkeling. Parnassia en Moeraswespenorchis werden genoemd, en Zeewolfsmelk arriveerde aarzelend. Toeristen bleven komen, maar floristisch werd het stil. De ingang bij zee werd door instuivend zand minder breed en diep; zeewater kwam er zelden meer binnen. Er leek niets bijzonders meer te verwachten.
Het tij keerde toen in de voorzomer van 2009 een paar planten Zeewolfsmelk en Zeepostelein werden herontdekt. Zij lokten floristen die op hun beurt later die zomer meer exemplaren van beide soorten vonden. Daarnaast vonden zij nog méér zeldzame kustplanten: Zeevenkel en Zeelathyrus zijn juweeltjes, die je behalve bij het Kennemerstrand zelden langs de vastelandskust vindt. In De Kerf waren ze nog niet eerder gezien. Parnassia en andere soorten van natte duinvalleien zoals Sierlijke vetmuur groeien er volop, terwijl verderop buiten het zilte stuk Rond wintergroen massaal groeit. Waar wat klei is achtergebleven groeien Zulte (Zeeaster) en Zilte zegge; soorten die je eerder op kwelders verwacht. Op de droge delen in De Kerf waar het zand minder stuift bloeit Zeewinde.
In de droge zomer van 2010 werden deze zeldzame kustplanten opnieuw gemeld. Het lijken dus blijvertjes. Of ze voor 2009 verdwenen waren en opnieuw uit door zee aangevoerd zaad weer zijn ontkiemd, of dat ze jaren over het hoofd zijn gezien, is onbekend. Regelmatig kijken en melden blijft nodig, ook op andere ‘vergeten’ plekken.”
(4) 2019, Rolf Roos, ontleend aan: Van Kerf naar Parnassiavallei.
” De Kerf was het eerste experiment met een opening in de zeereep. De kust kon het aan, maar de beoogde zilte vegetaties hielden geen stand doordat de Kerf verzandde en geen gierend windgat werd waardoor zee en vooral zand blijvend naar binnen konden komen. De natuur voegt zich na 20 jaar naar het nieuwere zoete water in een iets kalkrijker, verjongd milieu. Zo dook bijvoorbeeld moeraslathyrus op en daar moet het echt zoet voor zijn.”
(5) 2025, Theo Baas
Ik ben erg positief over de ontwikkeling. Het is erg kruidenrijk geworden met plaatselijk goed ontwikkelde vochtige heide en soorten van vochtige valleien. Het aandeel van soorten als knopbies is sterk toegenomen. De foto’s uit 2022 geven hier een goed beeld van. Ook in 2025 blijken nog veel soorten van zilte omstandigheden voor te komen als zilt torkruid, sierlijk vetmuur, zeewolfsmelk en stijve ogentroost maar ook soorten als parnassia en strandduizendguldenkruid doen het nog steeds goed. Verrassend is

Zeewinde, een soort van net tot rust gekomen stuivend zand tussen eikvarens: soort van oudere, zure bodems, vaak noordhellingen. Dit beeld kan alleen in een landschap met recent een sterke verandering met instuivend zand. Ook te zien aan noordpunt Texel waar extra zand aanstuift in ouder duin.
dat moeraslathyrus er nog steeds staat. Nieuw voor mij zijn soorten als duinaveruit, kattendoorn, nachtsilene, veenpluis, gewone vleugeltjesbloem, driedistel en walstrobremraap. Bijzonder is het voorkomen van zeewinde. De soort staat hier een paar honderd meter van de zeereep tussen de eikvarens in een vegetatie van zandzegge en zandblauwtjes. Mogelijk onder invloed van stuivend zand, ze staan er in ieder geval vitaal bij. Een punt van aandacht betreft een flinke groeiplaats van rimpelroos en opslag van dennen. Hier moet niet te lang worden gewacht met ingrijpen.

2022 Voorgrond vochtige heide vegetatie met kruipwilg op onvergraven bodem met nieuwvestiging van rietorchis en grote ratelaar. Daarachter een vochtige vallei op afgeplagde bodem met grote pollen knopbies. In het duin een zone met donkergroene kraaiheide. Foto Theo Baas.

Toenemende bloemenrijkdom met o.a. rode klaver, kattendoorn, rolklaver en grote ratelaar maar ook opduiken van boompjes (den)
Naschrift

Dit was de droom. De realiteit pakte anders uit. Ook leuk maar niet conform de tekentafel. Het beeld uit 1995 is ontleend aan het slufterlandschap bij Texel; daar ligt de doorbraak op een natuurlijke plek in een wijds landschap, maar ook daar wordt aan de ingang soms gesleuteld en er waren in de 19e eeuw zelfs meerdere slufters…Maar achter deze kerf op Texel ligt een wijds kwelderlandschap en daarvan is op Schoorl geen sprake. Een vrijwel natuurlijk slufterlandschap ligt behalve op Texel op de Kwade Hoek, Goeree en op Schier natuurlijk.






