Adviseur van Zuid-Hollands Landschap (Sipkes) was op Voorne voorzichtig met ingrepen
Rolf Roos
Voor de oorlog werden er op Voorne, in het Quackjeswater, ingrijpende werkzaamheden uitgevoerd. In 1937 liet Cees Sipkes, later adviseur van het Zuid-Hollands Landschap op Voorne, zijn kritische licht schijnen op het gegraaf en gebagger. Bij nalezing van zijn verhaal blijkt zijn kritiek tijdloos.
Cees Sipkes (1937): De werkzaamheden in Natuurmonument Voorne’s Duin. Uit tijdschrift De Levende Natuur.
Na de oorlog was Cees Sipkes (die in 1989 overleed) decennia adviseur bij het Zuid-Hollands Landschap dat ruwweg de helft van de duinen van Voorne in beheer kreeg (andere helft: Natuurmonumenten). Omdat hijzelf fervent plantentuinen aanlegde (o.a. Tenellaplas) en in de ‘zuil’ thuishoort van plantenkenners die ook hovenier/tuinarchitect zijn (met o.a. J. Landwehr, Rob Leopold, Hein Koningen, Peter Kollee) zou je niet verwachten dat hij in de vooroorlogse discussie over ‘ingrijpen of niet’ voor terughoudenheid pleit. In het kader van de werkverschaffing rond 1935 waren er onder leiding van A.J. Boot in o.a. het Quackjeswater baggerwerkzaamheden uitgevoerd en vegetaties vernietigd. OOk het net ontstane Breede Water viel nog onder de zeggenschap van de familie van Hoey Smith, tot 1927 eigenaren van het hele duin van Voorne.
Sipkes is uitermate kritisch. Was al dit grondwerk wel nodig? Welke fouten werden gemaakt? Sommige discussiepunten kunnen bekend voorkomen. En de tijd achterhaalt menige stelling, bijvoorbeeld deze, die we ook verderop nog tegenkomen: “Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.”
Maar in een bijzin treft ons opeens een goede, poëtische suggestie: “Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind.” En: “Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur.”
Nog een aantal opvallende citaten
Op verschillende plaatsen in ons land tracht men het gemis aan natuurschoon te vergoeden door plassen te graven, heuvels op te werpen en bosch aan te leggen. Waar we veel verlies aan natuurschoon zien door menschelijken invloed en waar de werkeloosheid aanleiding is tot het zoeken van objecten, zullen dergelijke plannen talrijker worden. (…)
Veel van deze werken verraden naast een goede bedoeling, onvoldoende kennis van het natuurlijke landschap, waarvan men de nabootsing nastreeft. In het algemeen zijn de taluds van de oevers te steil en verraden de hoogten de menschelijke hand. De beste en mooiste van deze werken zijn, voorzoover mij bekend, het Zuiderpark in den Haag en het duinmeer op het Provinciaal Landgoed van Noord-Holland. Maar ook de minder geslaagde brengen groen, water en reliëf in het landschap, de flora wordt rijker, de vogels vinden drink- en broedplaats en de mensch vindt verpoozing.
Ook in een natuurmonument is nu een dergelijk werk verricht, zooals Dr. Hofker beschreef, de uitdieping van het Breede Water en het Kwakjeswater bij Rockanje. In andere natuurmonumenten is dit nimmer geschied. In het Naardermeer heeft men zich beperkt tot het maaien van riet. In gedeelten waar men zelfs dit naliet, ontstond spontaan een uiterst interessant natuurbosch, van els, berk en lijsterbes, dat vanuit den trein voor ieder waarneembaar is en dat zich ontwikkelt tot een oerwoud, waar reeds nu een dierenwereld en plantengroei is, die men er zoo spoedig niet verwacht had. De gelegenheid tot bestudeering van die spontane begroeiing en de veranderingen daarvan, stempelt reeds, afgezien van de rijke vogelwereld, het Naardermeer tot een natuurmonument. Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.
Het nog jonge Breede Water rond 1935 met zeewaarts nog deels stuivende duinen. Foto Th. van der Steeg, Streekarchief VP
(…)
Wat heeft men echter gedaan? Men heeft uitgediept, zoowel in het Breede Water, als in het Kwakjeswater, waar een zeer interessante phase van verlanding en spontane boschvorming aan de gang was en men heeft het materiaal uit de diepte op de oevers gebracht, daarmee de bestaande moerasflora ten deele begravend, de taluds naar het water heeft men steiler gemaakt, zoodat de gelegenheid tot begroeiing van verschillende zones geringer gemaakt is.
ledere soort van moerasplanten stelt zeer bepaalde eischen aan den bodem en in jaren met verschillende hoogte van het grondwater, groeien velen ook op andere plaatsen. Het is bekend, dat aan de steile kanten van de fasantendrinkplaatsen in de duinen nooit zoo gemakkelijk moerasplanten komen als op de meer vlakke hellingen, op even vochtige plaatsen elders. Allerhande factoren als wind, stabiliteit van de groeiplaats, humificatie, zonbestraling en bacterieleven, spelen een rol bij de vestiging van subtiele soorten, als orchideeën, gentiaanachtigen, Parnassia, e.d.
Nu kan ingrijpen van den mensch wel eens gunstig zijn voor dergelijke soorten. Een dunne laag zand over het Vliegveld van Oost-Voorne, heeft een vegetatie van Parnassia in het leven geroepen als nergens elders. Maar het Vliegveld lag niet in het Natuurmonument en het resultaat had evengoed anders uit kunnen vallen.
Zoo kan ik de landschaps-verfraaiing in het natuurmonument op Voorne niet toejuichen en de wijze waarop men uitgediept heeft, niet deskundig noemen, hoe goed men het ook bedoeld moge hebben.
(…)
Goed, desnoods had men op het terrein op Voorne nieuwe plassen kunnen graven in duingedeelten, die uit een biologisch oogpunt weinig waard waren en voor de studie van de successie van de vegetatie, de plantensociologie van minder beteekenis dan de bestaande plassen. Men had dan op zoo natuurlijk mogelijke wijze een plas kunnen graven. Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind, die de taluds een natuurlijk profiel gegeven zou hebben en als het juiste oogenblik gekomen was, had men alles vast kunnen leggen met helm (ook als tegenwicht tegen een onnatuurlijken toestand, de vele konijnen) en men had in een nieuwe duinplas de interessante begroeiing van de eerste phase van Kruipende Vetmuur via Parnassia, Orchideeën, Gentianen tot een stadium van duin, weide of bosch opnieuw kunnen volgen. En elders verder naar het westen ontstaan spontaan weer nieuwe valleien met plassen water en kunnen we het proces ten derde male volgen.
Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur, laten we wanneer we werken uitvoeren in een natuurmonument ons beperken tot herstellen van een natuurlijken toestand, kleine, weinig, ingrijpende bescherming van planten of dieren daargelaten.







