over de site | contact | info auteurs | toegang auteurs
  • Home
  • Nieuws
  • Thema’s
    • Ontstaan van de kust
      • Duinen als zeewering
      • Klimaat en duinen
    • Archeologie
    • Zeedorpen
    • Jacht
    • Duinlandbouw
    • Cartografie
    • Veldnamen
    • Militaire kustverdediging
    • Waterwinning
    • Natuur en landschap
      • Flora en vegetatie
      • Fauna
      • Bos
      • Natuurbeheer
    • Strand
    • Recreatie
    • Beeldende kunst
  • Gebieden
    • Zeeland
    • Zuid-Hollandse eilanden
    • Zuid-Hollandse vasteland
    • Zuid-Kennemerland
      • Amsterdamse Waterleidingduinen
      • Nationaal Park Zuid-Kennemerland
      • Kennemerstrand
    • Noord-Kennemerland
      • Wijk aan Zee
      • Noordhollands Duinreservaat
      • Bergen
      • Schoorlse Duinen
    • Noordkop
      • Camperduin-Petten
      • Zwanenwater
      • Zijpe- en Hazepolder
      • Callantsoog
      • Noordduinen
      • Den Helder
    • Texel
      • Zuidpunt van Texel
      • Duinen bij Den Hoorn
      • Duinen bij De Koog
      • Ten noorden van De Koog
    • Vlieland
    • Terschelling
    • Ameland
    • Schiermonnikoog
    • Rottumerplaat / Rottumeroog
  • Landschapselementen
    • Eendenkooien
    • Landgoederen
    • Wegen en paden
    • Kanalen
    • Stuifdijken
    • Agrarisch
    • Militair
    • Heemtuinen
    • Recreatief
  • Portretten
  • Onderzoek
  • Hotspots
  • Programma
rss

Artikel

03
JUN
2026

Particulier terrein in de Bokkepolder (Goeree) als topleefgebied voor nachtvlinders

Geen categorie
Tags : Bokkepolder, onderzoek
Posted By : Rob Rossel
Comments : 0

Rob Rossel

(tekst en foto’s)

eindred NW aub: herhalingen er uit en enkele termen uitleg?

alle correcties in rood aub rood verwijderen door rob

bijschriften: Rob graag aan elke foto toevoegen: iets over ecologie en zeldzaamheid

Rob: graag nog goede foto met indruk van je land, bv tijdens hooien; toevoegen aan bibliotheek en invoegen

Samenvatting

Acht jaar inventariseerde de auteur nachtvlinders in een insectvriendelijke tuin nabij de Kwade Hoek. Particuliere terreinen en tuinen vormen gezamenlijk een aanzienlijk deel van het Nederlandse landschap, en hun betekenis is van grote invloed op insecten. Tussen 2017 en 2026 werd op een natuurlijk beheerd perceel van circa 2,7 hectare in de Bokkepolder (Goeree-Overflakkee) onderzoek verricht naar nachtvlinders, met behulp van een lichtval, een laken en smeer. Het terrein grenst direct aan de duinen en wordt beheerd met als uitgangspunt het vergroten van de biodiversiteit, in het bijzonder dat van insecten. Gedurende de onderzoeksperiode werden op 191 vangnachten in totaal 3.733 registraties van macrovlinders verricht, behorend tot 377 soorten. Het aantal per jaar waargenomen soorten hing sterk samen met het aantal vangnachten in dat jaar (R² = 0,93). Een Chao1-schatting geeft aan dat de werkelijke soortenrijkdom in de orde van 425 soorten kan liggen, wat suggereert dat ook na acht inventarisatiejaren nog geregeld nieuwe soorten worden aangetroffen. Daarnaast zijn 223 soorten microvlinders vastgesteld. Door andere waarnemers zijn in de Bokkepolder nog eens 61 soorten gemeld die op het eigen terrein nog niet zijn waargenomen (waaronder 6 macrovlinders). Dit brengt het totaal op 661 soorten. De resultaten laten zien dat een particulier terrein, wanneer dit natuurlijk wordt beheerd en gunstig is gelegen, kan bijdragen aan een aanzienlijke lokale nachtvlinderdiversiteit met meer dan 100 soorten van de Rode Lijst.

Blauw weeskind in een van de vier aangetroffen soorten weeskinderen op het onderzoeksterrein.

Inleiding

De afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat insectenpopulaties onder druk staan. Langlopende meetreeksen tonen een afname van biomassa, verspreiding en populatieomvang van veel insectengroepen (Hallmann et al., 2017). Voor nachtvlinders geldt een vergelijkbaar beeld: verschillende soorten zijn zeldzamer geworden door veranderingen in het landschap, intensivering van de landbouw, stikstofdepositie, verdroging en de toenemende hoeveelheid kunstlicht tijdens de nacht. Een warmer wordend klimaat zorgt desondanks voor nieuwe zuidelijke soorten terwijl noordelijke soorten het moeilijker krijgen.

Tegelijkertijd groeit het besef dat particuliere terreinen een bijdrage kunnen leveren aan het behoud van biodiversiteit. Dit geldt voor kleinere tuinen, maar zeker ook voor grotere particuliere percelen, die door hun omvang en variatie in vegetatie mogelijk een substantiële rol kunnen spelen. Wanneer dergelijke terreinen natuurlijk worden beheerd, kunnen zij fungeren als nectarbron en stapstenen tussen natuurgebieden (Morpurgo et al., 2024; Tew et al., 2021).

Nachtvlinders zijn hiervoor een geschikte indicatorgroep: ze reageren op veranderingen in vegetatiestructuur, waardplanten en beheer. Er zijn ongeveer 865 macro- en ongeveer 1400-1480 micro nachtvlinders, waardoor verschuivingen in de leefomgeving vaak zichtbaar worden in de soortensamenstelling. Micro- en macrovlinders is van oorsprong een praktisch, geen wetenschappelijk onderscheid: macrovlinders zijn de doorgaans grotere, opvallende soorten (zoals dagvlinders en de grotere nachtvlinders), terwijl microvlinders de vaak kleinere, minder opvallende nachtvlindergroepen omvatten — de indeling zegt dus meer over grootte en herkenbaarheid dan over verwantschap.

Langdurige inventarisaties zijn nog beperkt alhoewel er momenteel door de Vlinderstichting een monitoringsnetwerk is opgezet om meerjarige tellingen op één vaste locatie uit te laten voeren met citizens science. Ook komen veel gegevens afkomstig uit losse waarnemingen of kortlopende tellingen. Een meerjarige monitoring maakt het juist mogelijk om de ontwikkeling van de soortenrijkdom en de mate van volledigheid van een inventarisatie te beoordelen.

In dit artikel wordt de nachtvlinderfauna beschreven van een particulier terrein dat gedurende acht jaar zeer regelmatig werd onderzocht. De centrale vraag luidt: hoe ontwikkelt de soortenrijkdom van macrovlinders zich in een natuurlijk beheerd terrein aan de rand van de duinen, wanneer dit gedurende meerdere jaren systematisch wordt geïnventariseerd? Omdat de macrovlinders het meest consistent zijn onderzocht en gedetermineerd, ligt de nadruk in dit artikel op deze groep; de microvlinders en waarnemingen van derden komen afzonderlijk aan bod in het laatste hoofdstuk.

Bonte worteluil

Wolfsmelkpijlstaart

Prachtpurperuiltje

Gewone gouduil

Kwade Hoek op Goeree en omgeving met Bokkepolder ten noordoosten van Havenhoofd

Studiegebied

De Bokkepolder

Figuur 1: de Bokkepolder is blauw omlijnd, binnen de witte lijnen liggen de vanglocaties

De inventarisatie vond plaats op een terrein in de Bokkepolder op Goeree-Overflakkee. Deze bijna 28 hectare grote polder ligt direct tegen de duinen van de Kwade Hoek aan en vormt een overgang tussen het agrarisch landschap en het kustgebied van de Noordzee.

Binnen een kilometer komen verschillende landschapstypen samen: jonge en grijze duinen, vochtige duinvalleien, duindoornstruwelen, ruige graslanden, landbouwgronden en particuliere tuinen. Hierdoor liggen waardplanten uit uiteenlopende biotopen dicht bij elkaar, en kunnen zowel typische duinsoorten als algemene cultuurvolgers worden verwacht.

Een terrein voor insecten

Het betreffende perceel bestaat uit houtwallen, hooiland, vijver en diverse kleine elementen zoals een keverbank en vleermuizenbunker; aan de zuidzijde een bloemrijke dijk in beheer bij Natuurmonumenten, in het noorden langs de stellingweg veel opgaand bos met en daarachter de zilte gronden van de Kwade Hoek. Het terrein grenst niet direct aan een akker waardoor bestrijdingsmiddelen niet directe op het terrein kunnen komen. Het is echter niet uitgesloten dat door drift toch wat residuen in het gebied neerdalen.

Vanaf 2014 is het terrein beheerd met de nadruk op fauna, in het bijzonder als leefgebied voor insecten. Waar mogelijk is gekozen voor inheemse bomen en struiken, met bloeiende kruiden gedurende het hele groeiseizoen. Het maaibeheer gebeurt gefaseerd, ruige vegetatie blijft gedurende de winter staan, dood hout wordt zoveel mogelijk behouden. Dit ook met het oog op kevers. Er wordt geen gebruik gemaakt van insecticiden, en kunstlicht wordt zoveel mogelijk beperkt tot wat voor de inventarisatie zelf nodig is.

Door deze aanpak is een mozaïek ontstaan van korte vegetaties, bloemrijke delen, ruigten, struiken en kleine bosjes, verspreid over het hele perceel. Deze structuurvariatie is vermoedelijk een van de factoren die bijdragen aan de waargenomen soortenrijkdom. Daarnaast staat het terrein in directe verbinding met de omliggende duinen. Nachtvlinders zijn mobiel, en het terrein fungeert daardoor waarschijnlijk niet alleen als leefgebied, maar ook als foerageerplek voor soorten die hun larvale ontwikkeling elders in het duingebied voltooien.

Materiaal en methode (klik om te lezen)

Statistische analyse

De relatie tussen het aantal vangnachten en het aantal jaarlijks waargenomen soorten is onderzocht met lineaire regressie. De potentiële totale soortenrijkdom is geschat met de Chao1-index, die gebruikmaakt van het aantal soorten dat slechts één of twee keer is waargenomen (singletons en doubletons) om een indruk te geven van het aantal nog niet gevonden soorten. Daarnaast is de ontwikkeling van de cumulatieve soortenlijst gevolgd om te beoordelen of de inventarisatie een verzadigingspunt begint te naderen.

Resultaten

Inventarisatie-inspanning en ontwikkeling van de soortenlijst

Gedurende de onderzoeksperiode werden in totaal 191 vangnachten met macrovlinderregistraties genoteerd.  De inventarisatie-intensiteit varieerde sterk tussen de jaren (tabel 2). In 2017 en 2018 stond de lichtval slechts enkele keren opgesteld en zijn alleen de jaartotalen bewaard gebleven. Vanaf 2019 werd systematisch geïnventariseerd, met de grootste vanginspanning in 2020–2022. Vanaf 2023 nam het aantal vangnachten weer af. De cumulatieve soortenlijst groeide vooral sterk gedurende de eerste vier inventarisatiejaren: van 44 soorten in 2018 naar 300 soorten na 2020. Daarna vlakte de toename duidelijk af, zonder dat een volledig plateau werd bereikt – ook in 2026 kwamen er nog 9 nieuwe soorten bij.

Jaar Vangnachten Nieuwe soorten Cumulatief
2017 onbekend 29 29
2018 onbekend 15 44
2019 28 178 222
2020 28 78 300
2021 36 39 339
2022 33 19 358
2023 19 5 363
2024 21 3 366
2025 12 2 368
2026 14 9 377

Tabel 2. Vangnachten, nieuwe soorten en cumulatief aantal macrovlindersoorten per jaar.

Figuur 2. Cumulatieve toename van het aantal waargenomen macrovlindersoorten, 2017-2026.

Dit patroon komt overeen met een gebruikelijke soortenaccumulatiecurve. Tijdens de eerste inventarisatiejaren worden relatief veel nieuwe soorten geregistreerd. In latere jaren vlakt deze toename af, doordat een steeds groter deel van de aanwezige soorten al eerder is waargenomen. Nieuwe soorten kunnen echter gedurende de gehele onderzoeksperiode worden gevonden, ongeacht hun algemene of zeldzame voorkomen. Ook in de curve is te zien dat de toename na de eerste jaren afvlakt, zonder dat een duidelijk plateau wordt bereikt. Het aantal waargenomen soorten per jaar daalt in de latere jaren ten opzichte van de piek in 2021-2022, maar dit gaat gepaard met een vergelijkbare afname in het aantal vangnachten; de absolute aantallen per jaar zijn daarom niet zonder correctie onderling vergelijkbaar.

Vergelijking tussen laken en lichtval

De lichtval vangt slechts iets meer soorten ondanks dat deze aanmerkelijk vaker is opgesteld.

Vangmethode Vangnachten Macro’s Micro’s
Laken 27 273 120
Lichtval 170 308 151

Er zijn hiervoor een aantal verklaringen. Bij het laken wordt actief, gedurende een paar uur, naar aanvliegende vlinders gekeken, terwijl de lichtval passief gedurende de hele nacht vangt en pas ’s ochtends in één keer wordt gecontroleerd – een deel van de bezoekende vlinders is dan alweer weggevlogen voordat deze kon worden vastgelegd. Ook het verschil in lichtsterkte en type lamp is een niet te onderschatten factor. Daarnaast is er uitsluitend in de periode mei-oktober met het laken gestaan, terwijl de lichtval het hele jaar door – ook in de wintermaanden – is gebruikt. Typische voorjaars- en wintersoorten zoals voorjaarsboomspanner, perentak, dunvlerkspanner en de grote en kleine wintervlinder zijn dan ook uitsluitend met de lichtval gevangen en nooit op het laken – wat past bij het ontbreken van winter- en vroege voorjaarsavonden in de lakendata. Dit neemt niet weg dat de lichtval, dankzij het veel grotere aantal vangnachten, over de hele periode wel tot meer verschillende macro-soorten heeft geleid (308 tegenover 273 bij het laken); beide methoden blijven dan ook waardevol en vullen elkaar aan.

Wapendrager

Lichte korstmosuil

Gele kustspanner

Kamperfoelieuil

Invloed van de inventarisatie-inspanning

Tussen het aantal vangnachten en het aantal per jaar waargenomen soorten bestond een zeer sterke samenhang (lineaire regressie, R² = 0,93; p < 0,001). Ongeveer 93% van de variatie in het jaarlijkse aantal soorten kan dus worden verklaard door verschillen in het aantal vangnachten. Dit betekent dat jaren met weinig waargenomen soorten niet noodzakelijk wijzen op een afname van de biodiversiteit, maar grotendeels het gevolg zijn van een lagere inventarisatie-intensiteit.

Incidenteel waargenomen soorten en geschatte totale soortenrijkdom

Van de 377 vastgestelde macrovlindersoorten werden er 67 slechts eenmaal op het terrein geregistreerd en 45 tweemaal; samen ruim 30% van alle aangetroffen soorten. Dit zegt niets over hoe zeldzaam deze soorten landelijk zijn – het gaat om soorten die op dít terrein maar één of twee keer zijn gezien, wat net zo goed algemene soorten kunnen zijn die er toevallig zelden langskomen. Dit aandeel is bovendien niet star: kort na 2018 bestond de toenmalige soortenlijst nog vrijwel volledig (100%) uit soorten met hooguit twee waarnemingen, in 2020 was dat gedaald tot 54%, en inmiddels (2026) nog maar 30%. Naarmate de inventarisatie langer loopt, worden eerder incidenteel geregistreerde soorten dus geregeld opnieuw waargenomen en verdwijnen ze uit deze categorie – vooral de recentst ontdekte soorten (2025-2026) zijn nog vaak maar één of twee keer gezien, simpelweg omdat zij nog weinig tijd hebben gehad om opnieuw te worden waargenomen.

Met de Chao1-estimator – een rekenmethode die uitgaat van het aandeel van dit soort incidenteel waargenomen soorten – is een geschatte totale soortenrijkdom van macrovlinders berekend van circa 425 soorten (SE ≈ 16). De tot nu toe waargenomen 377 soorten vertegenwoordigen daarmee ongeveer 89% van deze schatting. Dergelijke schattingen blijven met onzekerheid omgeven, maar wijzen er wel op dat de inventarisatie behoorlijk compleet begint te worden, en dat voortzetting van de monitoring naar verwachting nog een beperkt maar niet verwaarloosbaar aantal nieuwe soorten voor dit terrein zal opleveren.

Oranje-O-Vlinder

Nachtpauwoog

Discussie

Een soortenrijk terrein

Gedurende de inventarisatie zijn 377 soorten macrovlinders vastgesteld. Vergelijkingsmateriaal van andere particuliere terreinen is beperkt beschikbaar, wat een absolute uitspraak over hoe uitzonderlijk dit is lastig maakt. De Nederlandse macro-nachtvlinderfauna omvat ongeveer 850 soorten; met 377 daarvan op één terrein is een aanzienlijk deel van die fauna hier al vastgesteld. Waarschijnlijk is er niet één verklaring voor het hoge aantal soorten, maar van een samenspel van landschappelijke ligging, de omvang van het terrein, natuurlijk beheer en de lange duur van de monitoring zelf.

De invloed van de duinen

Het terrein ligt direct aan de binnenduinrand, waar verschillende leefgebieden elkaar overlappen: open duinen, vochtige valleien, duindoornstruwelen, graslanden, landbouwpercelen en tuinen liggen dicht bij elkaar. Deze overgangszone biedt een groot aantal waardplanten voor rupsen en nectarbronnen voor volwassen vlinders. Daarnaast kunnen de duinen fungeren als brongebied voor soorten die zich buiten het duingebied verspreiden – veel nachtvlinders zijn goede vliegers en overbruggen zonder moeite afstanden van enkele honderden meters tot enkele kilometers. Kustgebieden fungeren bovendien soms als corridor voor trekkende soorten; tijdens warme zomers kunnen migrerende nachtvlinders vanuit Zuid-Europa of Engeland de Nederlandse kust bereiken, en een langjarige inventarisatie vergroot de kans dat zulke incidentele bezoekers worden vastgesteld. Bekende voorbeelden van trekvlinders zijn o.a.de algemene gamma-uil, het spectaculaire blauw weeskind, de oprukkende Spaanse vlag en de roodstreepspanner welke gebruikmakend van gunstige winden het zuidwesten van Nederland bereikt.(Jacobusse et al., 2016)

Structuurvariatie en beheer

Een kenmerk van het terrein is de variatie in vegetatiestructuur: bloemrijke delen, ruigtes, struweel, jonge en oudere bomen, grasvegetaties en dood hout liggen dicht bij elkaar. Voor insecten is deze afwisseling waarschijnlijk van belang, omdat rupsen vaak gebonden zijn aan specifieke waardplanten terwijl volwassen vlinders weer andere eisen aan hun omgeving stellen. Het laten staan van vegetatie gedurende de winter biedt bovendien overwinteringsmogelijkheden, zowel voor vlinders als voor hun natuurlijke vijanden.

Gedurende de hele onderzoeksperiode is het terrein natuurlijk beheerd: geen insecticiden, gefaseerd maaien, en behoud van dood hout en ruigte waar mogelijk. Dit zijn relatief eenvoudige maatregelen, die ook op kleinere schaal, in een gewone particuliere tuin, met beperkte inspanning kunnen worden toegepast.

Het belang van langdurige monitoring

Zou de inventarisatie na een of twee jaar zijn beëindigd, dan zou een aanzienlijk kleiner deel van de huidige soortenlijst zijn vastgesteld – na 2018 stond de teller nog op 44 soorten, tegenover 377 nu. Dit is een bekend patroon in biodiversiteitsonderzoek. De Chao1-schatting bevestigt dat de inventarisatie nog niet volledig verzadigd is, en langdurige monitoring maakt bovendien veranderingen in de samenstelling van de fauna zichtbaar – relevante informatie in een tijd waarin insectenpopulaties onder druk staan.

Inventarisatie-inspanning bepaalt mede het resultaat

De sterke samenhang tussen het aantal vangnachten en het aantal waargenomen soorten (R² = 0,93) laat zien dat de bemonsteringsinspanning een belangrijke factor is bij het interpreteren van verschillen tussen jaren. Een jaar met weinig vangnachten zal vrijwel altijd minder soorten opleveren dan een jaar met intensieve inventarisatie, ook zonder dat de onderliggende biodiversiteit is veranderd. Voor toekomstige vergelijkingen verdient het aanbeveling jaarlijks een vergelijkbaar aantal inventarisatiemomenten aan te houden.

Beheerimplicaties (klik om te lezen)

Overige soorten

Naast de 377 hierboven besproken macrovlindersoorten zijn op het terrein ook 223 soorten microvlinders vastgesteld. Microvlinders zijn tijdens dezelfde vangsessies meegenomen, maar zijn minder consequent tot op soort gedetermineerd dan macrovlinders, waardoor het aantal van 223 vrijwel zeker een onderschatting is van het werkelijk aanwezige aantal microvlindersoorten. Om deze reden zijn de microvlinders in de voorgaande hoofdstukken buiten de kwantitatieve analyses gehouden.

Daarnaast zijn door andere waarnemers in de Bokkepolder en de directe omgeving nachtvlinders gemeld die op het eigen terrein (nog) niet zijn vastgesteld. Dit betreft doorgaans incidentele waarnemingen, niet afkomstig uit een systematische vangst, en daarom niet meegenomen in de hierboven gepresenteerde soortenrijkdomschattingen. Deze meldingen zijn niettemin waardevol: ze laten zien dat de Chao1-schatting van circa 425 soorten niet louter een statistisch abstractum is, maar dat er ook daadwerkelijk aanwijsbare soorten in de naaste omgeving voorkomen die op het eigen terrein nog niet zijn aangetroffen.

Door andere waarnemers zijn in totaal 76 soorten gemeld: 9 macrovlinders en 67 microvlinders. Daarvan waren 61 soorten nog niet eerder op het eigen terrein vastgesteld: 6 macrovlinders en 55 microvlinders. Onder de nieuw gemelde macrovlinders bevinden zich de hoornaarvlinder, het vlasbekuiltje, de witte-l-uil, de dwerghuismoeder, de tweekleurige uil en de gepluimde snuituil. Worden deze 6 macrovlinders bij de 377 op het eigen terrein vastgestelde soorten opgeteld, dan komt het totale, in de Bokkepolder aangetoonde aantal macrovlindersoorten op 383.

Bokkepolder in vergelijking met Goeree-Overflakkee

Van de 660 nachtvlindersoorten die in de Bokkepolder zijn vastgesteld, komt de overgrote meerderheid (624 soorten, 94,5%) ook elders op Goeree-Overflakkee voor. Dat is een sterke aanwijzing dat de Bokkepolder, ondanks de relatief bescheiden oppervlakte van het terrein, een representatieve doorsnede biedt van de nachtvlinderfauna van het eiland.

Toch is er ook een duidelijke keerzijde: van de 1.276 soorten die in de bredere Goeree-Overflakkee-dataset zijn geregistreerd, zijn 652 soorten (ruim de helft) nog niet in de Bokkepolder gevonden. Dit verschil is goed te verklaren uit de aard van de vergelijking. De regionale dataset bundelt waarnemingen uit sterk uiteenlopende leefgebieden – van het strand bij Ouddorp tot de Haringvlietbrug – terwijl de Bokkepolder één kleine polder is op Goeree-Overflakkee. Bovendien is de inventarisatie-inspanning op regionaal niveau vele malen groter (ruim 47.000 registraties tegenover ruim 4.480 in de Bokkepolder), verspreid over talloze waarnemers en jaren, wat vanzelf tot een grotere soortenlijst leidt.

Opvallend is verder dat 36 soorten wél in de Bokkepolder zijn vastgesteld, maar niet voorkomen in de geraadpleegde Goeree-Overflakkee-lijst. Dit zijn mogelijk soorten die elders op het eiland simpelweg nog niet zijn gemeld, of waarnemingen die nog niet zijn ingevoerd in de regionale database. Het grootste aantal zijn microvlinders die waarschijnlijk minder gedetermineerd worden. Een andere reden is dat ze bijv. gebonden zijn aan zandgrond zoals het rozenblaadje, zwartstipspanner en de walstrospanner.

Grote beer

Bonte worteluil

Spaanse vlag

Zwart weeskind

Conclusie

Gedurende acht inventarisatiejaren zijn op een natuurlijk beheerd particulier terrein in de Bokkepolder 377 soorten macrovlinders vastgesteld op 191 vangnachten. Deze soortenrijkdom is vermoedelijk het resultaat van een combinatie van factoren: de ligging direct aan de duinen en aangrenzende erven en dijken, de omvang en variatie aan vegetatiestructuren van het terrein, beheer zonder bestrijdingsmiddelen, en niet in de laatste plaats de lange duur en consistentie van de monitoring zelf.

De resultaten laten zien dat particuliere terreinen kunnen bijdragen aan lokale biodiversiteit, en dat langdurige inventarisatie essentieel is voor een representatief beeld van de aanwezige fauna: ook na acht jaar worden nog nieuwe soorten gevonden, en de Chao1-schatting suggereert dat de werkelijke soortenrijkdom nog altijd iets hoger ligt dan het huidige aantal waargenomen soorten. Met de microvlinders en de waarnemingen van derden in het laatste hoofdstuk meegerekend, telt de totale nachtvlinderlijst van de Bokkepolder verder aan. De Bokkepolder illustreert daarmee dat een goed beheerd particulier terrein, zeker in een gunstig gelegen landschap en van een zekere omvang, een reële bijdrage kan leveren aan het lokale insectenleven.

Volledige soortenlijst (pdf) nachtvlinders met onderscheid tussen soorten Goeree-Overflakkee als geheel en soorten die zijn aangetroffen op onderzoeksterrein. Ook wordt aangegeven hoeveel soorten macronachtvlinder van de (nog incomplete) Rode Lijst zijn aangetroffen

Dankwoord

Dank aan de mensen die hun waarnemingen in Waarneming.nl hebben ingevoerd. Hiermee is een goed beeld verkregen van de nachtvlinderrijkdom van Goeree-Overflakkee.

Piet van Son †, Johan Schipperen, Guus Dekkers, Jannie en Siep Sinnema. Alle lid van de sectie ter Haar.

Referenties

Hallmann, C. A., Sorg, M., Jongejans, E., Siepel, H., Hofland, N., Schwan, H., Stenmans, W., Müller, A., Sumser, H., Hörren, T., Goulson, D., & de Kroon, H. (2017). More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas. PLoS One, 12(10), e0185809. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0185809

Jacobusse, C., Baaijens, A., Jongejan, M., & Joosse, R. (2016). Nachtvlinders in Zeeland (Vol. 8). Stichting Het Zeeuwse Landschap.

Morpurgo, J., Huurdeman, M. A., Oostermeijer, J. G. B., & Remme, R. P. (2024). Vegetation density is the main driver of insect species richness and diversity in small private urban front gardens. Urban Forestry & Urban Greening, 101, 128531. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/j.ufug.2024.128531

Tew, N. E., Memmott, J., Vaughan, I. P., Bird, S., Stone, G. N., Potts, S. G., & Baldock, K. C. R. (2021). Quantifying nectar production by flowering plants in urban and rural landscapes. Journal of Ecology, 109(4), 1747-1757. https://doi.org/https://doi.org/10.1111/1365-2745.13598

 

Gerelateerde artikelen:

  1. Mossen en korstmossen in de Bokkepolder (Goeree)
  2. Broedvogels van de Bokkepolder (Goeree) 1979 – 2024
  3. Een moeilijke look op de eilanden
About the Author

Social Share

    Leave a Reply Reactie annuleren

    *
    *

    Doorzoek alle artikelen

    Dossiers

    Zeedorpen
    Papenberg, Castricum
    Duinen als erfgoed
    Schiermonnikoog
    Groene stranden
    Reflecties
    Landgoederen
    Dijk of duin
    Kwade Hoek, Goeree
    Westduinen, Goeree
    Bokkepolder, Goeree
    Natuurerf
    Zeer natte duinen
    Dennenkap
    Duinschilderijen
    Veldnamen
    Website Natuurmonument de Beer
    hotspots duinen wandeling Bezoek hotspots bloeiende duinen

    Duinen en mensen: boeken & website

    Het project 'Duinen en mensen' omvat een serie boeken + website over de Nederlandse kust. Cultuur en natuur van het kustlandschap worden gelijkwaardig en veelzijdig beschreven. Met honderden nieuwe kaarten en de laatste stand van wetenschap. Kennemerland (2009), Noordkop en Zwanenwater (2011) en Texel (2013). In 2023 verscheen Duinen en mensen Voorne. Meer over het tot stand komen van deze boeken. De website is continu in ontwikkeling en omvat ca 1000 berichten, boeken, films die gerelateerd zijn aan de boeken of de daarin behandelde onderwerpen. De website is een openbaar archief. Mocht u menen rechten te kunnen ontlenen aan gebruikte tekst of beeld, laat het weten dan zoeken we een oplossing. Deze website wordt draaiende gehouden door een vrijwillige redactie. Nog wel beschikbare titels (o.a. Voorne, Texel) zijn elders te bestellen.

    Maandelijks archief van berichten

    Digitale documentatie duinen Voorne

    Deze site van het streekarchief is onderdeel van Kenniscentrum Duinen

    Deze site is tot stand gekomen met steun van het Cultuurfonds en ondergebracht bij het Streekarchief Voorne-Putten

    Redactie: Rolf Roos & Nico van der Wel, m.m.v. Henk Terhell, Machiel van Wijngaarden, Danny Zuurbier, Bob Benschop (eindredactie)
    Ontwerp en ontwikkeling: toomanywords.nl