over de site | contact | info auteurs | toegang auteurs
  • Home
  • Nieuws
  • Thema’s
    • Ontstaan van de kust
      • Duinen als zeewering
      • Klimaat en duinen
    • Archeologie
    • Zeedorpen
    • Jacht
    • Duinlandbouw
    • Cartografie
    • Veldnamen
    • Militaire kustverdediging
    • Waterwinning
    • Natuur en landschap
      • Flora en vegetatie
      • Fauna
      • Bos
      • Natuurbeheer
    • Strand
    • Recreatie
    • Beeldende kunst
  • Gebieden
    • Zeeland
    • Zuid-Hollandse eilanden
    • Zuid-Hollandse vasteland
    • Zuid-Kennemerland
      • Amsterdamse Waterleidingduinen
      • Nationaal Park Zuid-Kennemerland
      • Kennemerstrand
    • Noord-Kennemerland
      • Wijk aan Zee
      • Noordhollands Duinreservaat
      • Bergen
      • Schoorlse Duinen
    • Noordkop
      • Camperduin-Petten
      • Zwanenwater
      • Zijpe- en Hazepolder
      • Callantsoog
      • Noordduinen
      • Den Helder
    • Texel
      • Zuidpunt van Texel
      • Duinen bij Den Hoorn
      • Duinen bij De Koog
      • Ten noorden van De Koog
    • Vlieland
    • Terschelling
    • Ameland
    • Schiermonnikoog
    • Rottumerplaat / Rottumeroog
  • Landschapselementen
    • Eendenkooien
    • Landgoederen
    • Wegen en paden
    • Kanalen
    • Stuifdijken
    • Agrarisch
    • Militair
    • Heemtuinen
    • Recreatief
  • Portretten
  • Onderzoek
  • Hotspots
  • Programma
rss

Artikel

12
APR
2024

Vergeten meesters van Terschelling

Achterboek Bloeiende duinen
Tags : veldnaam, veldnamen
Posted By : Redacteur
Comments : 2

Rolf Roos

Met dank aan Frans Beekman

De laatste 150 jaar zijn vele gerenommeerde onderzoekers op Terschelling geweest. F. Holkema (1870) was de eerste bioloog met een proefschrift over de flora van de eilanden. Hij werd nagevolgd en aangevuld door F.W. van Eeden in 1874 met een plantenlijst van alle duinen en in 1885 met een verhaal over Terschelling in ‘Album der  Natuur‘. In dit laatste artikel lezen we naast veel floristische wederwaardigheden de ongewone combinatie van gemor over zedenverval (de meisjes op Terschelling verwaarloosden de klederdracht) en de aanbeveling om de net door Holkema ontdekte cranberries te gaan kweken.

Typisch kegelvormig erosieduin, aquarel Piet Zonneveld, ca 1935 nabij Den Haag. Op Terschelllng wel ‘pollen’ genoemd.

Van Eeden koos voor de vorm van een wandeltocht over het eiland (‘4 uren gaans’) en we geven een citaat van hem over de intense verstuiving in die tijd: “Bij paal 18 (ter hoogte van Oosterend, red.) houden we halt: De paarden worden uitgespannen op het barre zand en wij beklimmen het duin. Hier is een ontzettende wildernis. De onafgebroken werking van wind en zee heeft hier een tooneel geschapen, niet minder grootsch dan de werking van het onderaardsche vuur in vulkanische landstreken. Overal kegelvormige duintjes met uitgespreide helmbossen gekroond, en daar achter hooge, witte, geheel onbegroeide duinen, wier trotsche omtrekken aan bergtoppen boven de sneeuwlijn doen denken.”

Veldgentiaan, Noordhollands Duinsrervaat

Enkele vondsten van Holkema en Van Eeden zijn de regionaal wereldberoemde grote veenbes en de inmiddels van het eiland (en alle andere Waddeneilanden!) verdwenen veldgentiaan, terwijl ze bijzonderheden als draadgentaan (geel en klein), muizenstaart en de pilvaren al vroeg  signaleerden.

Vergeten meesters

Meester Gerrit Willem Jongens (1888 -1959); van Albert Roos is ons geen beeld bekend. Wie kan ons helpen?

In dit artikel staan we vooral stil bij het ten onrechte vrijwel vergeten werk van twee meesters van rond de oorlog: meester Gerrit Jongens (werkzaam in Midsland) en meester Albert Roos (werkzaam in West). We introduceren beiden met een citaat van Victor Westhoff (die na de oorlog zelf over de Boschplaat publiceerde) uit Rinkebollen, het blad van KNNV Terschelling, in een special over Wouter van Dieren, nummer 1985 1 & 2. De redacteur destijds was de Terschellinger George Visser, die zelf ook over de flora publiceerde. Westhoff: “De beste kenners van Terschelling waren, in die jaren vóór de oorlog, de onderwijzers Meester Roos in ‘West’ en Meester Jongens in Midsland. Aan beiden, maar vooral aan Meester Roos, dank ik een schat van waardevolle gegevens over de flora en fauna waarmee ze al zo lang vertrouwd waren. Zij hebben in 1948 samen een eenvoudig pretentieloos, maar inhoudrijk boekje over Terschelling geschreven, geheten ‘Wandelingen op Terschelling‘ en uitgegeven door de VVV ‘Terschelling Vooruit’. In hun bescheidenheid hebben zij daarin zelfs hun namen niet vermeld, zij noemen zich ‘de schrijvers’, zoals de bouwers van middeleeuwse kathedralen. Misschien is dat de reden, dat dit zo waardevolle boekje bij de huidige generatie geheel onbekend is.”

Het bescheiden kaft uit 1948

Waarvan acte. Een groot deel van het boekje hebben we daarom gescand en is hier te vinden (als pdf). We citeren er hieronder ruim uit. Specifieke Terschellinger woorden voor flora en fauna hebben we vet gemaakt (wat zijn Rinkebollen trouwens?). Buitengewoon boeiend zijn ook de vroege weeklachten van Jongens en Roos over de gevolgen van kunstmest en ruilverkaveling. Interessant zijn ook het commentaar op overbeweiding en enkele bijzondere botanische details, zoals het verschijnen van Inula (heelblaadjes). Ook de misvatting (vanaf Holkema) dat er sprake was van diluviale (pleistocene) invloeden die tot in de ijstijden reikten, was nog gangbaar. De flora van Terschelling is vermaard om enkele noordelijke soorten als beredruif, zevenster en het Linneausklokje, alle ontdekt in de 20e eeuw. Dankzij de omschrijving van Jongens en Roos krijgen we zicht op de voorbije rijkdommen in de Terschellinger polder, hoewel er aan de duinrand nog veel valt te genieten. Van Jongens zijn hiernaast nog korte stukken in De Levende Natuur bekend. In 1927 meldt hij bescheiden (pdf) dat hij in 1915 als eerste de zevenster vond en memoreert hij het verscheiden – door ontginningen – van veenmosorchis (malaxis), in de 19e eeuw ook bekend van Texel. Thans uit de Nederlandse duinen verdwenen.

In 1935 beschrijft Willems in hetzelfde tijdschrift (pdf) enige anecdotes inzake de vogelwereld van Terschelling, o.a een blinde wulp. In deze bijdrage treffen we  de prachtige verzuchting dat ‘de jongens’  niet meer mee wilden het veld in toen ze geen eieren meer mochten rapen of ‘pinksterblommen’ (orchideeën) mochten plukken. Andere tijden, andere eisen. Frans Beekman meldde ons dat voor de oorlog de Schellinger moeders van de schoolkinderen vroegen: “meester, wanneer is er weer het feest van het bloemen zoeken?” Zie ook in de reactie onder dit bericht het mooie woord: ‘blomkesikerie’. 

Jongens & Oost, 1948: Wandelingen op Terschelling

Hieronder delen uit het bescheiden publieksboekje van deze twee nu aan de vergetelheid ontrukte schoolmeesters. Een bescheiden digitale wederopstanding. Weet u meer over deze meesters? Laat het ons weten of reageer onder dit bericht.

Het landschap op Oost-Terschelling is geheel anders dan dat te West. Tot Oost wordt alles gerekend wat beoosten Hee ligt. Behalve Kienum en Striep liggen de gehuchten en dorpjes op een oude woonwal, waarover thans de verharde weg loopt. (…)

De betekenis van de namen der dorpen en gehuchten te verklaren valt buiten het bestek van dit boekje. Alleen voor Striep wil ik een uitzondering maken. Bij het samenstellen van de stafkaart werd de naam geschreven als Seerijp; dat is echter onjuist, Surijp, zuiderhoogte, moet het zijn. Dat de Hollanders moeite hadden met het lokale dialect, blijkt ook uit de fraaie omzetting van Sehaal in Sierhal, een buitendijkse schor bezuiden Landerum. (…)

Van Midsland uit gaan we zuidwaarts langs een landweggetje door weiden en door een smal paadje tussen korenvelden naar Striep.(…) Van Striep kunt U ook het Oosten in gaan en komt U langs de drie buitendijkse schorren: Sehaal, Keag en Ans, met de mooie zoutplanten: zulte, lamsoren, obione e.a. Deze gronden zijn in de laatste jaren sterk afgenomen. De gelaagdheid van de bodem kunt U daar goed zien en in de kuilen en hoeken bij de dijk liggen massa’s wadslakjes, die uitgespoeld zijn: geschikte kalkscherpte voor kippen. Gaan we tot aan de sluis bij “ouwe dyk”. Aan de binnenzijde van de dijk ligt nog een oud brokje dijk als herinnering aan de doorbraak van 1825. Van hier loopt een landweg met talrijke  bochten naar de hoofdweg. Uit de andere dorpjes zijn soortgelijke wandelingen naar de dijk te maken en velen geven de voorkeur aan een avondwandeling in de maneschijn langs de dijk, maar daarvoor behoef ik U geen raad te geven.

In een polderlandschap als op Terschelling komt men er zeker toe ook eens een wandeling door weiden en langs akkers te maken. Bij de verkeersspiegel in Midsland gaan we rechtdoor het Westen in, draaien bij de laatste boerderij rechtsaf en volgen er weer een heel oude landweg, die naar Galgeduun en Hogeland voert. Mooie waterweegbree, zwanenbloem en duitblad (kikkerbeet, red.)  in de sloten zijn wel de opvallendste planten en maken wandelen en kijken plezierig. U zult zeker besluiten ook eens in Mei of Juni een kijkje te komen nemen. Dan immers zijn de hooilanden op zijn mooist.

Waar de akkers beginnen moet U eens uitkijken naar muizenstaartjes, een ranonkelachtig plantje, dat bij voorkeur in de greppels langs de rogge-akkers groeit. Smalle blaadjes en een grappig bloempje met vijf gele blaadjes en een heel lange dunne kegel van vruchtbeginseltjes. Na de vruchtzetting lijken het net roestige spijkers in de greppels. Aan dit plantje is het te wijten, dat de Hoge Horp aan de weg naar West ten onrechte tot diluviale hoogte werd verklaard door Holkema, die in 1868 het plantendek van het eiland heeft beschreven. Ten Westen van Galgeduun en Hogeland strekt zich een groot gebied van lage weilanden uit. Van het Galgeduun behoeft U niet te griezelen, want de enige botten, die op deze oude gerichtsplaats zijn opgedolven, waren van een koe.

Ook in de midzomer is het hier prettig te wandelen, maar om het echt te genieten moet ge hier in hef voorjaar meermalen een bezoek brengen. Duizenden dotterbloemen kleuren grote vlakken schitterend geel; kieviten duikelen overal en stoten op een grauwe kiekendiefman, die over de duinen is komen aandrijven op roof naar eieren en jongen; vlak voor de voeten zigzagt een snipje weg van zijn nest onder een graspol; tjuten (tureluurs red.)  staan overaI op hekpaaltjes ons als ongewenste gasten uit te jouwen en vanuit de duinen komt een watersnip blatend neervallen. Op een vroege morgen kunnen we hier de “kragemantjes” (kemphanen) hun tournooien zien houden; de kleurenpracht van de kragen en de sierlijke bewegingen houden onze aandacht zo gespannen, dat we alles om ons heen vergeten tot tenslotte de pijnlijke stijfheid van benen en rug ons dwingen op te staan. (…)

Voor de plantenliefhebber is het aardig op een en dezelfde vierkante meter gezellig naast elkaar te zien bloeien: lepelblad, Engels gras, zoutgras en dotterbloem: zoutminnende en zoutschuwende zusterlijk etende uit een pannetje. Er valt hier werkelijk wel iets te leren. Hoe komt die moerasandijvie, een grote forse plant met gele hoofdjes, hier nu verzeild aan die slootkant? Ik weet het niet, maar ze staat er reeds veertig jaar lang en het is de enige groeiplaats op het eiland. Maar nu gaan we naar die elzenbosjes aan de heide- kant. We komen langs slootjes dichtgegroeid met egelskoppen, “tanden en kiezen” zeggen ze hier en komen op de weg langs de “heide” uit. Van hei is hier niet veel meer over: ontgonnen tot armetierige wei- en bouwlanden. Een enkel stukje met struik- en dophei en gagel is nog gebleven als een herinnering aan de goede oude tijd. (…)

In de elzenbosjes nestelen merels, lijsters, robijntjes, duiven en kraaien, terwijl in de braamstruiken altijd wei een paar nesten van de grauwe klauwier zijn te vinden. Let U eens op opgeprikte insecten aan dorens en prikkeldraad. Meestal zijn het enkele hommels en vlinders, maar ik vond toch eenmaal niet minder dan vijf spitsmuizen opgeprikt, maar daar waren ook drie broedende paartjes en spitsmuizen om ’t grijpen! Over een van die bosjes moet ik U wat meer vertellen. Het is in 1880 aangelegd in opdracht van de toenmalige vroedvrouw uit Midsland, waarom het dan ook  Vroedvrouwsbosje heet en is nu eigendom van de Geref. Gemeente te Midsland. Hier groeien twee voor het eiland merkwaardige planten: rankende helmbloem en zevenster, U weet wel, dat zeldzame plantje, welker groeiplaats eertijds in verband werd gebracht met de eindmorenen van de gletschers uit de ijstijd. In de heidesloot groeien veel stekelvarens en hier en daar een tweebladvaren, terwijl tussen de elzen de enige koningsvaren van het eiland opvallend is.

Wij beklimmen het hoge duin achter de boerderij “de Kooi” met zijn oude boomgaard en rusten op de kop van “Ariesduun” uit (heet nu nb op topo kaart Arjensduin, red), moe van slenteren en al de indrukken, die we hebben opgedaan. Het uitzicht is schitterend: weiden gescheiden door elzenstruiken, akkers in grillige vormen, de haven van West, Midsland met zijn speelgoedtorentje en ver om oost de toren van Hoorn, een blinkende waddenzee met hier en daar een zeil of een rookpluim, afgesloten door de Friese kust met in de Iucht hangende torens. We maken geen haast en misschien ergeren we ons aan de monsterknijpers en ontsierende zandhopen, die onafwendbaar behoren bij ruilverkaveling in uitvoering. We voelen ons toch wei even beklemd, als we ons afvragen, hoe het landschap er uit zal zien over enige jaren. Misschien is mijn relaas dan toch wel over hoe het was!

‘Pinksterblom’ in de Dazenplak (orchis, in dit geval een gevlekte)

Kijk ook eens achter U over het mooie duinlandschap. Ook hier heeft de mens zijn invloed doen gelden: dennen. Dat elzenbos daar in de duinen is nu de plek, waar de beide Kienumers de eerste veenbessen onopzettelijk uitzaaiden, teleurgesteld dat hun moei- zaam meegesleepte vat geen wijn, maar bessen bevatte. Dus ook hier de mensenhand, die ingreep. We dalen weer af en kunnen ook nu een andere weg door de weilanden nemen of die langs de heidekant. Daar hebben we nog kans een leeuwerik of een graspieper met misschien een koekoeksei te vinden. Overal zien we de mooie paarse orchideetjes (handekenskruiden) bloeien, de “Pinksterblommen“, die de kinderen vroeger gebruikten voor hun pinksterkronen, die ze de boer, die het laatst het melkpad afkwam, op Pinkstermorgen om de hals legden, waarvoor hij zijn melk in ruil moest afstaan. In de weiden zijn de orchideeën heel wat minder talrijk geworden door het gebruik van kunstmest.

Heeft U werkelijk al besloten eens Uw Pinkstervacantie hier te komen doorbrengen? Goed, dan kunnen we meteen maar op weg gaan naar de meeuwenkolonie op de Hoek. We nemen de bus naar de Dwarsdijk: Stop, het eind van de bewoonde wereld. Een boerderij staat er nog net over de dijk; hier slaan natuurliefhebbers en biologen graag hun tenten op om van hier uit de geweldige uitgestrektheid van strand en duinen, die het ongekend mooie natuurmonument de “Boschplaat” vormen, in alle richtingen te doorkruisen voor hun studie van bodem, plantendek en dierenwereld: een uniek terrein in Nederland. Althans iets van die grootse schoonheid zullen we vandaag beleven. We nemen de zuidkant over de Grie (strandweide) langs het wad, voorbij de oude wierschuur (vroeger pakhuis voor zeegras), die nu is ingericht als kampeerhuis, waarvan de Friese Jongeren Vereniging druk gebruik maakt. We komen alweer oude bekenden tegen, zoutplanten in soorten, maar ze zullen later pas in bloei komen. Dat sterk geurende zilverkleurige plantje (zeealsem) noemt men hier vlooienkruid en werd vroeger gedroogd om tussen het stro in de bedstede te strooien. Die doornstruiken behoren tot de vlinderbloemen, stalkruid, dat de boeren tônnen (doornen) noemen. Een familielid hier- van zonder doorns vindt men hier en daar in de duinen. Dat elzenbos links is de “takkenkooi”, de eerste van de vier Griekooien, waar heel wat trekeenden hun Ieven roemloos eindigen. Ons gezelschap is te groot om eens een kijkje in de kooi te nemen met zijn geheimzinnige sfeer en dichte begroeiing van stekelvarens onder hoge slanke elzen, waar ook weer een massa zevensterretjes groeien (deze kooi is van 1666!). Op verzoek Iaten de kooikers wei eens bezoekers onder geleide toe, maar neem nooit de vrijheid de kooi zonder vergunning te betreden.

De Opperridwagen, een huifkar met kleurige wielen. Op Schier heet deze toeristen-attractie ‘Jan Plezier’.

Heelblaadjes

Op een weiland tussen de tweede en derde kooi vindt men een groeiplaats van Inula, een op raadselachtige wijze verschenen vreemdeling: een gele composiet. Voorbij de vierde kooi komen we aan de  “slenk”,  die diep binnendringt. We lopen bij laag water er bezuiden om langs en trekken over het harde wad- strand verder. Aan Uw linkerkant liggen de “stiekelduuntjes”, waar lang geleden de op-e-riêdgangers de blauwe zeedistels plukten om een tuiltje aan de wagen te hangen, als bewijs dat ze werkelijk bij de stiekels geweest waren. De wagens werden achtergelaten in de St. Janshoek, waar ook het feest werd gevierd. Het is nodig gebleken een verbod uit te vaardigen de zeedistel te plukken en te vervoeren, omdat de zomergasten wat al te begerig waren. U wilt wel meehelpen om de blauwe stiekels te beschermen, nietwaar?

In de verte zien we de Eerste Duuntjes al liggen. Tussen de Groede, de algemene weide voor jong rundvee, en de eerste duintjes is nog wel water, maar de begroeiing van de waddenkant uit gaat nu ongestoord zijn gang. Er was een tijd, dat hier noord- en zuidvloedwater bij storm in elkaar vloeiden en terecht gevreesd werd voor afsnoering van de Boschplaat. De Waterstaat heeft hier met succes ingegrepen door het leggen van een stuifdijk en het gevaar is bezworen. Aan de zuidzijde van de stuifdijk (scherm) is nu een terrein ontstaan, waar de plantensocioloog zijn hart mag ophalen en de theorie kan toetsen aan de praktijk. (…)

Dat kleine vogeltje, dat daar zo leuk rond trippelt, is een griltje (bontbekpleviertje), dat in een van de groene uitlopers zeker zijn nestje heeft met de bekende kleine bonte eitjes. We zullen hem niet plagen en gaan voorbij de eerste duintjes, waar de kobben (meeuwen) al onrustig en luid kokkend en krijsend rondvliegen. Wij gaan eerst verder naar de tweede duingroep, waar de bewakers zetelen en we onze vergunning van de boswachter eerst moeten tonen, want de Hoek is in de broedtijd bewaakt en dus verboden terrein. We hebben meteen de gelegenheid de inwendige mens te versterken en de gastvrije bewakers te verzoeken ons een lekker bakkie troost te zetten van de koffie en de suiker, die we zorgzaam hebben meegenomen. Ook kunnen we eens praten over de kobbenkolonie. Die baart heel wat zorg. Het leek zo mooi: de grote stern op Griend, de visdiefjes, de noordse sterns en de eidereenden op Vlieland en de zilvermeeuwen op de Boschplaat. Kokmeeuwen konden overal elders wel terecht. Maar het verliep niet alles even vlot.

De meeuwen zijn lastig en laten zich niet zomaar opsluiten en ze vermenigvuldigden zich schrikbarend, dank zij de bescherming. Op Vlie deden ze enorme schade door het verslinden van eieren en jongen van eidereenden, sterns en bergeenden, zodat ten slotte moest worden ingegrepen: rapen en schudden van eieren, of schieten en vergiftiging van de broedende vogels, allemaal erg onplezierige dingen, en nog altijd is het probleem niet opgelost. Laten we er het beste van hopen en ons niet bezig houden met het verzinnen van nieuwe middelen de meeuwenplaag tot normale proporties terug te brengen. Kijken we liever hoe de roofridders in hun grote kolonie zich gedragen. Overal gaan ze op wieken, nu we weer in beweging komen. Een prachtig gezicht zo’n drietal grote gevlekte eieren in een heel eenvoudig nest, nu eens geheel open en bloot, dan weer onder een helmpol, maar er ligt in de meeste nesten slechts een ei, omdat de eieren regelmatig geraapt worden en voor consumptie dienen.

Staande bij een nest moet U eens omhoogkijken: de ouden doen heftige aanvallen op U en scheren rakelings langs en over het hoofd. Prachtdieren zijn het toch, maar de haaksnavel en het koude reigeroog zien er niet vriendelijk uit.

Gelukkig eten ze niet enkel eieren en jongen. Ze voeden hun jongen uit de krop en telkens ledigt een der verontruste vogels zijn goed gevulde krop en komt er een flinke prop naar beneden en dan blijkt die te bestaan uit halfvergane zeesterren, krabben en schelpdieren. Uitkijken is hier wel zaak. Bovendien ruimen de kobben alles, wat dood aanspoelt, netjes op en hebben zo toch een nuttige taak in de dierenhuishouding.
De bewakers laten U ook wei een nest van de kleine mantelmeeuw zien. In de eieren is geen verschil met die van de zilvermeeuw, maar in de lucht valt zijn donkere mantel op en pas op, hij is nog heftiger in zijn aanvallen dan de gewone kob. Kruisingen komen ook voor.
Overal zijn de vogels achter ons weer neergestreken; ze zijn gewend aan dagelijks bezoek. Geen wonder, dat liefhebbers hier uren in een schuilhutje door- brengen, om het intieme leven der meeuwen te bestuderen en vast te leggen op plaat of film. Heel wat geheimen zijn hier al ontsluierd en toch blijft er nog een reeks van vragen onbeantwoord. Daarom moeten de meeuwen toch maar blijven op onze Boschplaat, en och, we gunnen ook hun een plaatsje onder de zon! Misschien zien we nog een stormmeeuwtje, waarvan de eieren veel kleiner zijn en die niet mogen worden geraapt, zo min als die van de mantelmeeuw.

Die grote eenden daar in de verte zijn de eidermannen. De wijfjes broeden op de vijf grote, effen groenige eieren in de duintjes en mogen niet gestoord worden, want ze zijn weinig broedvast. Mogelijk kunnen de bewakers ons een paar eieren Iaten zien uit een verlaten nest. Ze zijn nog groter dan kobbeeieren. Geen wonder, dat ze de begeerte van eierzoekers opwekken. De eidereenden horen eigenlijk thuis op Vlieland en enkele zijn vandaar naar hier overgekomen.

Nu er weer meer konijnen op de Hoek zijn gekomen, is er wel kans, dat de mooie bergeenden weer geschikte broedgelegenheid krijgen in de holen. Aan het eind van de gang een prachtig donsnest met roomkleurige eieren. Men heeft geprobeerd ze te helpen met kunstnesten van pijpen en dat is meermalen goed gelukt, vooral op Rottum en Griend. We zouden ze node missen als broedvogels, ofschoon ze vooral goed te observeren zijn op het wad, waar in de herfst vele honderden zich verzamelen. Misschien ziet U wei eens op de wandeling over de Grie een stel ouden met jongen in de slenk, waar ze zich graag ophouden en dan zult U daar veel plezier hebben van het onderduiken der donsjes op een alarmsein van vader of moeder.

Zeewinde

We gaan terug over de eerste duintjes, waar we vast uitzien naar planten, die we van de zomer bloeiend willen terugzien: de zeewinde met haar grote purperen klokken en glanzend groene blaren aan de westrand, de kleine teunisbloem met de ’s avonds sterk geurende gele bloemen op lange vruchtbeginselstelen. Deze is uit het Oosten komen aandrijven, in letterlijke zin en heeft de hele Boschplaat en aanliggende duinen tot  paal 18 veroverd. De derde geëvacueerde moet uit het Zuiden gevlucht zijn, want deze zeewolfsmelk is bekend van de Zuidhollandse eilanden. Ook deze wint langzaam aan terrein.

We steken over naar de Groede en overal zien we wandelpaadjes van koeien en aan het plantendek is te zien, dat intense beweiding hierop een funeste invloed heeft. Vandaar ook de afrastering met prikkeldraad om te voorkomen dat het vee gaat uitweiden in het  natuurreservaat. Die mooi begroeide duintop links draagt nog de naam  “Witduun”, ofschoon dat wit al lang verdwenen is dank zij de beplanting van dit duingebied, die na 1880 werd uitgevoerd. Eertijds diende hij als baken voor de schippers op de Waddenzee. Vlak langs hef prikkeldraad aan de Westzijde van de Groede kunt U in de zomer schitterende orchideeën zien, sturmia, nachtorchis, handekenskruiden en muggenorchis van ongemene afmeting en bloemenpracht. Hier werden veel zoden afgestoken om de Duitse versterking op gindse duintop af te dekken en te camoufleren, maar de knolletjes zaten te diep en nu staan ze in die kale plekken in volle pracht te bloeien. Het duinlichaam is onherstelbaar geschonden en de wind zal niet rusten voor aleer het duin aan het lopen is. Jammerlijke invloed van de mens.

Ja, maar ook net benoordoosten deze top ligt er ook een, die bezig is te verlopen en nu een ontzaglijk grote ketel gevormd heeft, die als zodanig grote bekendheid geniet en veel bezoek trekt van hen, die studie van het duinlandschap maken. De “parapludune” heette hij zo omstreeks 1920. Het was een prachtig gave duintop, toen men er een hoge paal op plaatste, die een grote groene paraplu droeg: een baken voor het overbrengen van het Amsterdams peil van Friesland naar het eiland. De paal werd flink diep ingegraven en met tuien geschoord, bevestigd aan diep ingegraven palen. Toen kon de wind zijn spel beginnen en enige jaren later was de top een krater geworden en lagen de overblijfselen van de ,paraplu” in de diepte, die tot op het grondwater was uitgehold. Daarna brak er een opening in de flauwe helling van de Ioper aan de Noordwestkant en kon het duin verder paraboliceren. Zijn verloop heeft ons veel geleerd en ’t is nu een brok woeste natuur van indrukwekkende schoonheid. Ik neem maar stilzwijgend aan, dat U ook in de zomer hier weer komt en dan zult U hier overal rondbladig wintergroen en zelfs hier en daar klein wintergroen zien, evenals het mooie parnaskruid in alle stadia van bloei. Het sierlijke addertongetje steekt zijn bleke neusje boven het gras uit en de moeraswespenorchis lokt U overal tot plukken, maar denk er aan: vooral in de natuurmonumenten is plukken of uitgraven streng verboden.
Aan de noordhellingen van de talloze kopjes groeit overal het aardig eikvarentje. Wat het wandelen hier lastig maakt zijn de duindoorns. Holkema vond in 1868 slechts enkele duindoorns bij de “greene pollen” in de Westerduinen, vandaar uit hebben ze het hele duingebied als heuse veroveraars bezet, langzaam maar zeker oostwaarts trekkend, zowel langs de zeereep, als door de lage plekken. In 1885 hadden ze Formerum bereikt. Bodemwijziging doet ze in de “plakken” af- sterven en later worden de dorre zwarte struiken, die er uitzien of er een duinbrand gewoed heeft, overwoekerd door de kraaihei, waaraan de gladde blauwe “heidebeien” groeien, die de kinderen even graag eten als de wulpen, kraaien en spreeuwen. Dan ontstaat een struweel, waarin tortelduif, kiekendief, velduil en torenvalkje graag nestelen. Doch de roofvogels zijn veel minder in aantal dan vroeger, omdat de woelratten, die hun voornaamste voedsel uitmaakten, zijn uitgeroeid door de geïmporteerde wezels en hermelijnen. De duindoorn bloeit maar heel bescheiden, maar bezet met de gele en oranje bessen zijn ze prachtig; die bessen zijn niet giftig, maar smaken naar appels, zij het dan wei heel erg zure. We aanvaarden ze dan ook graag als behorende tot een normaal duinlandschap, maar ze kunnen U toch ook wei last bezorgen, zij het indirect. Overal zitten er winternesten in van de bastaardsatijnvlinder en de haren hiervan hebben op de huid van sommige mensen een vervelende invloed; ze veroorzaken een sterk jeukende uitslag, die gelukkig met een drietal dagen weer verdwijnt, maar als U ervaren heeft, dat U er vatbaar voor is, moet U slechts flink gekousd en geschoeid door de duindoorns lopen. Behalve deze onaangename eigenschap hebben de rupsen nog een onaangename gewoonte. Als ze de spruitjes van de duindoorns hebben afgevreten, gaan ze op zoek naar andere voer-plaatsen en gaan trekken bij duizenden. Allen gaan in de richting van het strand; waarom is niet bekend. Ze beklimmen steile duinen, bestormen zomerhuisjes en tenten, dringen overal binnen en laten hun brandharen achter op en tussen lakens, dekens en kleding, ook van de baders op het strand en het gevolg is jeuk en een druk geloop naar de dokter, die er helaas niets aan kan doen: maak U niet ongerust, het gaat  “vanzelf over”. Er is een gemeenteverordening, die iedereen verplicht de winternesten uit hagen en vrucht- bomen te verwijderen en te verbranden, maar U begrijpt wel, dat een zo geweldig uitgestrekt duingebied niet te zuiveren is.
We keren nu langs de door de bezetters aangelegde schelpweg terug in de richting van Oosterend. In de midzomer zou ik U nog wijzen op de mooie roze sterretjes van duizendguldenkruid, dat vroeger zo veel geplukt en verhandeld werd als  “centaulus“, een koortswerend middel en dat in tijden van tabak-schaarste vroeger en nu gekauwd wordt als surrogaat voor pruimtabak.

Gagel

Langs de randen van de kalkweg groeit overal wondklaver, dat zijn naam dankt aan het gebruik als bloedstelpend middel in aloude tijden en hier sinds de jaren 1880 algemeen groeit. Ook de ,zereogenblommen“, duizendblad, ontbreken niet. Ze werden vroeger wel gedroogd als geneesmiddel voor ,rooie randjes” aan de ogen van klierachtige kinderen. Op de lagere plaatsen zien we overal het geurige gagelheestertje, “hopriezen” of , hopriesknoppen“, een vervangingsmiddel voor hop bij de bierbereiding in vroegere tijden. Kussentjes dophei en de flinke plekken cranberries vertellen ons, dat de grond hier betrekkelijk vruchtbaar is. Hoe de cranberries tot hier zich hebben verspreid is nog altijd een open vraag; vogels schijnen ze weinig of niet te eten.
Die mooie Ioper zullen we nog even beklimmen; hij loopt geleidelijk omhoog, om aan de Zuidoostkant steil af te dalen. Ze zijn gevormd in de  tijd toen alles nog geheel kaal was. Holkema schrijft hoe in 1868 van Lies af (zuivelfabriek) zich een grote zandwoestijn uit- strekte tot aan het Amelandergat. In 1880 is men met de helmbeplanting begonnen. Langs de klinkerweg van Oostereind naar paal 18 kunt U aan de rechterkant nog duidelijk de stuifdijk herkennen, die toen is aangelegd.
Dat beplanten heeft veel arbeid aan de eilanders verschaft; geen wonder, dat ze zo veel van hun duinen houden, en ze overal eigen namen aan onderscheidene duintoppen gegeven hebben, en aan de “plakken”; ze hadden die zo nodig voor hun terreinverkenning gedurende de tijd van stro- en helmpoten, duun- slechten en schermen zetten, en vooral het ,keniene- vangen” niet te vergeten.

Of het plantendek hier ook jong is: 70 jaar. Er zijn nog velen in leven, die de lopers en de dukelzandplakken kaal hebben gekend en U de plaats kunnen wijzen waar ze hun ,hosters” (klompen) in het dukelzand verloren of waar hun “viegematten” (strooien hoeden) in een nacht onder een dikke zandlaag waren begraven door een noordwester: ze noemden het duin “hoedjedune”.
Wij kijken van onze rustplaats het Oosten in en kijken uit over een wijde vlakte, die bezig is zoetjes aan in natuurlijk bos te veranderen; de berken worden al flink hoog. De jonge natuurminnaars hopen te beleven, dat er werkelijk bos op het natuurmonument Boschplaat zal zijn ontstaan, zonder dat de mens er zal ingrijpen. We gaan huiswaarts en mag ik hopen, dat onze papieren excursie U nader tot de heerlijke natuur van ons eiland heeft gebracht?
Ongetwijfeld zult U meermalen een bezoek brengen aan het natuurmonument en telkens weer ervaren, dat er nieuwe dingen te beleven zijn. Gelegenheid om U eens rond te Iaten rijden op de “Hoek” is er ook; dan ziet U meteen de derde en vierde duintjes en kunt bij j het Amelandergat op de droogvallende platen in het zuidoosten “zonnende robben” (zeehonden) zien. Maar ook dichterbij kunt U duinwandelingen maken door de mooie Koegelwiek, een geheel vrij natuurreservaat, al weer jonge duinen met de bekende planten van die associatie, waaronder ook het mooie stofzaad, dat onder kruipwilg groeit.

In de midzomer is het vogelleven minder druk natuurlijk, doch zeker zult U de prachtige kiekendieven zien wiekelen en mogelijk nog een velduil opjagen. De duinreep langs de zeekant is hier maar smal. Het midden van de Waddeneilanden is de zwakke plek, zowel hier als op Ameland en de Oost-Friese eilanden. Op Ameland heeft men met veel succes in de jaren van omstreeks 1880 een stuifdijk aangelegd, die de afzonderlijk Westelijk en Oostelijk liggende duincomplexen met elkaar verbindt. Prachtige duinbrokken blinkend wit, met schaarse helm, kunt U zien tussen Lies en Hoorn, met doorbraken, waardoor U de zee ontwaart; mooie objecten voor de kunstzinnige amateur en beroepsfotograaf.
Hier en daar vindt U duintoppen, waar aan de Oostkant zandkragen opvallen met fris groene helm; aan de Westkant ziet U een stuifkelder: het duin is bezig een hoefijzerduin te worden. Tevens kunt U waarnemen, dat helm niet groeit ondanks stuifzand, maar juist alleen in de stuifzone. Duinen in ieder stadium van afbraak en verjonging vinden we overal in het uitgestrekte gebied. Het maakt het landschap levend voor hen, die kunnen en willen zien.

Bij harde wind wandelt U rustig en beschut in de bossen van Formerum tot Hoorn. Vele paden en weggetjes maken het ons gemakkelijk en op vele plaatsen is de eentonigheid der zwarte dennen reeds verbroken door de aanplant van loofhout en bloeiende sierheesters, die er zeker niet geplant zijn om ons gratis boeketten te leveren: ook hier houden we de handen thuis! (…)

Eenmaal heb ik de tocht gemaakt met iemand, die lang in Indië was geweest en mij mooie verhalen vertelde van zijn vele tochten in de rimboe en naar rokende vulkanen. Voorbij paal 19 werd hij al stiller en afgetrokkener en toen wij bij het eind waren stapte ik af en zei: “Hier houdt de wereld op.” ,Zo”, was het antwoord, dan ga ik dadelijk terug, want ik word hier gek!” lk liet hem stilletjes gaan en hij reed als een bezetene met de wind in de rug naar de bewoonde wereld.

Ik heb me daar toen best vermaakt en vond nog een paar mooie schelpen en genoot van robben en vogels, die ook geen last van eenzaamheid en stilte hebben! Als dit boekje mag helpen de onvolprezen schoonheid van ons eiland in ruime kring bekendheid te geven, dan achten de beide schrijvers zich ruimschoots beloond.

 

Literatuur

  • Anonymus  (1948) Wandelingen op Terschelling. Uitgave VVV . Wandeling pag. 21-36 (deels) ‘om oost’ als pdf. <auteurs waren meester Gerrit Jongens en meester Albert Roos>
  • Holkema, F. (1870). De plantengroei der Nederlandsche Noordzee-eilanden, Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum. Eene bijdrage tot de Flora van Nederland Dissertatie Univ.Groningen. Holkema, Amsterdam.

 

Gerelateerde artikelen:

  1. Een halve eeuw Rita’s Duin bij Oosterend
  2. NOLLEN KROCHTEN BLINKEN Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin
  3. Veldnamen in Meijendel (door Frans Beekman)
About the Author

Social Share

    2 Comments

    1. Redacteur 20 september, 2024 at 09:20 Reply

      Aanvulling door Frans Beekman per mail 16 09 2024.

      Speciaal Nummer 1987, 2 & 3. Rinkelbollen, geluiden uit de KNNV afd. Terschelling. De brochure heet: Terschelling ontstaan en ontwikkeling. Het is een gedrukt manuscript van Meint Wiegersma 1915 voor hoogleraren en studenten uit Groningen. Wiegersma was toen onderwijzer in Hoorn op Terschelling. Daarna werd hij leraar aardrijkskunde in Drachten (een oud-collega van mij heeft nog les van hem gehad).

      ‘Met meester G. Jongens, meester P. Menage en boswachter D. Nap (later hotelier) was hij mede-oprichter van de Natuurhistorische Vereniging afd. Terschelling. Wiegersma schreef ons (red. Rinkelbollen) daarover in 1981 het volgende: “Wij hebben een afdeling gehad van de KNNV, maar die werd niet populair bij mannen; wel bij sommige vrouwen. Ik herinner mij nog, dat onze buurvrouw Neeke Smit, een kapiteinsvrouw, mij vroeg: Meister, wanneer krijgen wij weer het feest van de blomkesikerie?” (p. 3)

      De vraag werd gesteld aan meester Wiegersma, maar had ook aan meester Jongens gesteld kunnen zijn.

    2. zidane 13 juni, 2025 at 20:02 Reply

      this article is very useful, thank you for making a good article

    Laat een antwoord achter aan zidane Reactie annuleren

    *
    *

    Doorzoek alle artikelen

    Dossiers

    Landgoederen
    Dijk of duin
    Kwade Hoek, Goeree
    Westduinen, Goeree
    Bokkepolder, Goeree
    Natuurerf
    Zeer natte duinen
    Dennenkap
    Duinschilderijen
    Veldnamen
    Website Natuurmonument de Beer
    hotspots duinen wandeling Bezoek hotspots bloeiende duinen

    Duinen en mensen: boeken & website

    Het project 'Duinen en mensen' omvat een serie boeken + website over de Nederlandse kust. Cultuur en natuur van het kustlandschap worden gelijkwaardig en veelzijdig beschreven. Met honderden nieuwe kaarten en de laatste stand van wetenschap. Kennemerland (2009), Noordkop en Zwanenwater (2011) en Texel (2013). In 2023 verscheen Duinen en mensen Voorne. Meer over het tot stand komen van deze boeken. De website is continu in ontwikkeling en omvat ca 1000 berichten, boeken, films die gerelateerd zijn aan de boeken of de daarin behandelde onderwerpen. De website is een openbaar archief. Mocht u menen rechten te kunnen ontlenen aan gebruikte tekst of beeld, laat het weten dan zoeken we een oplossing. Deze website wordt draaiende gehouden door een vrijwillige redactie. Nog wel beschikbare titels (o.a. Voorne, Texel) zijn elders te bestellen.

    Maandelijks archief van berichten

    Digitale documentatie duinen Voorne

    Deze site van het streekarchief is onderdeel van Kenniscentrum Duinen

    Deze site is tot stand gekomen met steun van het Cultuurfonds en ondergebracht bij het Streekarchief Voorne-Putten

    Redactie: Rolf Roos & Nico van der Wel, m.m.v. Henk Terhell, Machiel van Wijngaarden, Danny Zuurbier, Bob Benschop (eindredactie)
    Ontwerp en ontwikkeling: toomanywords.nl