Ontwikkeling ‘grijs duin’ op afgebrande naaldboslocaties in de Schoorlse duinen
Theo Baas, Cor ten Haaf en Eva Pauw
(verscheen eerder in: Tussen Duin & Dijk 2021; aangevuld april 2024 )
In de periode 2009-2012 zijn er in de Schoorlse duinen een aantal grote duinbranden geweest. Daarbij verbrandden o.a. stukken naaldbos, loofbos en heide. Op de naaldbos-locaties heeft Staatsbosbeheer het verbrande hout en de stobben verwijderd, en de overgebleven humuslaag afgevoerd. Doelstelling was om hier ‘grijs duin, kalkarm’ te ontwikkelen (voor de kenners: H2130B). Dit is in de Schoorlse duinen een zogenaamd ‘prioritair habitattype’, waarvoor een ‘uitbreidingsdoelstelling’ geldt. Acht jaar na de ingreep hebben we op drie locaties gekeken naar de spontane vegetatieontwikkeling. Van iedere locatie is een Tansley- inventarisatie gemaakt. Wat is hier nu het resultaat?

Kaart (2015) met de drie onderzoeksgebieden, alle drie voorheen naaldbos: proefgebied 1 7,1 hectare, proefgebied 2 2,4 hectare, proefgebied 3 3,7 hectare. Klik op het beeld voor grote weergave.
De complete tabel met alle onderzoeksgegevens is hier als als pdf te zien. De gebruikte schaal voor schatting van de hoeveelheid per plantensoort volgens Tansley is: r, o, f, a, d voor respectievelijk schaars (rare), af en toe (occasional), frequent, talrijk (abundant) en (co)dominant. de letter l wordt gebruik voor ‘lokaal’. De ligging van de onderzochte gebieden is te vinden op de kaart. De Tansley-inventarisaties zijn geanalyseerd met het programma Associa. Op alle locaties zien we een duidelijke ontwikkeling in de richting van het gewenste habitattype.
Opname 1 kan gerekend worden tot de 23RG01 Rompgemeenschap met Helm en Zandzegge. Daarnaast is er een sterke relatie met 14Ba1, de Vogelpootjes-associatie, 14Aa2 Duin-Buntgras- associatie en 14Bb2b Duin-Struisgras-associatie. Al deze vegetatietypen zijn kenmerkend voor het habitattype H2130B.
De tweede opname heeft de sterkste relatie met de Vogelpootjes-associatie en daarnaast ook met Duin- Buntgras-associatie en de Duin-Struisgras-associatie. Deze vegetatietypen zijn eveneens kenmerkend voor het habitattype H2130B.
Opname 3 behoort tot 14RG02 een rompgemeenschap met Vroege haver. Daarnaast is er een relatie met de Vogelpootjes-associatie.
Samenvattend kunnen we stellen dat de eerste twee gebieden wat betreft vegetatietype al kwalificeren voor het gewenste habitattype H2130B. Voor het derde gebied geldt dat nog niet helemaal, maar we zien ook daar een duidelijke ontwikkeling in die richting.
Duingraslandplanten
Wat direct opvalt bij alle drie de gebieden is het frequente of abundante voorkomen van Buntgras. Op 22 juni, toen wij de inventarisatie uitvoerden, kleurde deze soort de hellingen zachtroze. Andere frequent voorkomende soorten zijn Zandzegge, Vroege haver, Gewoon biggenkruid, Fijn Schapengras en Schapenzuring. Verrassend voor ons was dat een kenmerkende duingraslandsoort als Zandblauwtje zich in één opname (2) al frequent gevestigd heeft en in de anderen hier en daar voor kwam. Maar er waren meer verrassingen. Tussen de vegetatie die bij de eerste indruk vooral uit Buntgras en Zandzegge lijkt te bestaan vonden we nog veel meer soorten die kenmerkend zijn voor kalkarm duingrasland. Zoals bijvoorbeeld Schermhavikskruid, Klein tasjeskruid, Mannetjesereprijs, Duinroosje en de Rode lijstsoort Hondsviooltje. Ook Heidespurrie, die in Noord-Holland kenmerkend is voor de Schoorlse duinen, heeft zich al op een enkele plek gevestigd
Ook de mosvegetatie blijkt zich lokaal te ontwikkelen. Naast kenmerkende bladmossen als Gewoon gaffeltandmos, Gewoon purpersteeltje, Fraai haarmos en Zandhaarmos vonden we ook al korstmossen als Vals rendiermos, Gewoon stapelbekertje, Bruin bekermos en Groot leermos. Plaatselijk zien we verder dat heidesoorten als Struikheide en Kraaiheide zich vestigen.
Storingsplanten en exoten
Hoewel de stobben en achtergebleven humus zijn afgevoerd is hier en daar toch nog wel humus achter gebleven. Op die plaatsen zou je storings- en kapvlaktesoorten kunnen verwachten en die blijken er inderdaad te zijn. Wilgenroosje, Kleverig kruiskruid en Boskruiskruid werden hier en daar of spaarzaam aangetroffen. Lokaal is Gewone braam wat talrijker, vooral in valleitjes waar de achtergebleven humus zich heeft opgehoopt.
Exoten hebben zich ook gevestigd. Op een enkele plaats vonden we kiemplanten van Amerikaanse vogelkers en ook Zwarte den komt op diverse plaatsen terug. Het tankmos of Grijs kronkelsteeltje werd ook hier en daar al aangetroffen. Als de stikstofdepositie in de omgeving niet afneemt zal dit mos, net als op andere plaatsen in de Schoorlse duinen deel uit blijven maken van de duingraslandvegetatie.
Beheer
Het beheer dat momenteel plaatsvindt bestaat uit extensieve begrazing met runderen. Aanvullend zullen hierbij exoten als Zwarte den en Amerikaanse vogelkers moeten worden bestreden. Als dat gebeurt dan zal zich op deze locaties in de komende 10 jaar een gevarieerde, hoogkwalitatieve, duingraslandvegetatie van kalkarme bodem kunnen ontwikkelen.
Conclusies
De ontwikkeling van gevarieerde duingraslandvegetatie op droge kalkarme bodem op plaatsen waar eerst dennenbos heeft gestaan, is goed mogelijk. In een tijdsbestek van minder dan tien jaar kan zich een vegetatie ontwikkelen die kwalificerend is voor het habitattype H2130B. Voorwaarde is wel dat de stobben en de laag naalden en humus zorgvuldig afgevoerd worden.
Deze conclusies zijn ook van belang in relatie tot de voorgenomen omvorming van naaldbos naar grijs duin, zoals die in het Natura 2000 beheerplan worden voorgesteld. Voorlopig werd in 2022 alleen het 7,6 hectare grote Dr. Van Steijnbos gekapt. Ons onderzoek toont aan dat na brand een succesvolle omvorming naar ‘grijs duin’ mogelijk is.

Duinen met Buntgras, 2021

Duinen met Zandblauwtje

Hondsviooltje

Restanten van de bosbrand en nieuw buntgras

Zandblauwtje

Klein tasjeskruid

Buntgras, net in bloei





Een duinbrand kan heel goed leiden tot verdere vergrassing. Zie bv artikel over Rita’s Duin op deze site De crux zit in het kaal maken na een brand, dan zijn er weer kansen voor bloem- en korstmosrijk duin. Brand alleen kan leiden tot verruiging.