Jac. P Thijsse haalt in 1941 flink uit tegen Voornse Waterwinning, onbekende brief ontdekt
Rolf Roos
In 2026 vonden we in het regionaal archief te Brielle een onbekende brief van de natuurbeschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945). Hierin gaat hij in op de voorgenomen waterwinning door de gemeente Brielle in de duinen van Voorne. Het speelt in het begin van de oorlogsjaren, 1941. Wat stond er in en waarom had dit zijn belangstelling? De als diplomatiek bekend staande Thijsse haalt na enige argumenten te hebben laten passeren in de slotzin flink uit: “Het zou belachelijk zijn met dit perspectief voor oogen, overbodige en ongewenschte onrust te brengen in het Voornse duin.”
Die conclusie spoorde goed met de intenties van eigenaren Natuurmonumenten, NV Voorne’s Duin en het Rotterdamse Administratiefonds dat net voor de oorlog het duin van Oostvoorne grotendeels had verworven. En wat ook opvalt: natuurbeschermers in die tijd pleiten voor de afsluiting van de Brielse Maas (wat zou gebeuren in 1950). De reden: er zou een zoetwatergebied ontstaan, ook bruikbaar voor waterwinning die dan niet in de duinen meer nodig zou zijn.
‘Voorne’ stond bij natuurbeschermers al voor de oorlog vanwege de vogelrijkdom en de ongekende natte duinen in zeer hoog aanzien. Aan de zijde van het Quackjeswater was weliswaar een 19e eeuwse waterwinning, maar daarover viel in die jaren geen onvertogen woord. Het waterwinkanaal (prise d’eau) van deze (door problemen met waterkwaliteit) in de vorige eeuw ook weer gesloten winning is ook anno 2026 deels nog zichtbaar. Deze winning was voor de toenmalige gemeente Hellevoetsluis en duineigenaar van Hoey Smith ontving hiervan de revenuen, terwijl het gebied in handen in 1927 door hem aan Natuurmonumenten deels werd geschonken (zie voor verhaal over verandering duinbezit elders op deze site een artikel, in prep.) .
Tweede waterwinning: naast het Quackjeswater nu eentje nabij het Breede water?
Over de gevolgen van een tweede waterwinning die bij Oostvoorne zou komen speelde in de jaren ’30 tot in de oorlog een discussie. Al in 1934 verscheen een verhaal van Hofker en van Rijsinge in het blad Natura (zie pdf). Ook in 1941 en 1942 verscheen van de hand van Hofker een rapport over waterwinning. Deze rapporten werden formeel geschreven op verzoek van het Rotterdamse Administratiefonds, dat voor haar beplantingen en exploitatie vreesde. Hofker stond daarnaast op goede voet met duineigenaar James van Hoey Smith. Beiden waren ook lid van de NSB, waardoor Hofker in de oorlog tot rector van de HBS in Brielle kon worden benoemd. Ze waren beiden ook natuurbeschermer en hadden net als Natuurmonumenten (waar van Hoey Smith en Thijsse bestuurder waren) bedenkingen tegen de voorgenomen waterwinning van Brielle in de duinen van Voorne. Brielle had daarvoor ook gronden had verworven ter hoogte van het huidige Kaapduin (het heette vroeger Waterwinningduin). De gevolgen van de voorgenomen winning reikten tot aan tuindersgronden bij de Heveringen, tot landgoed Strypemonde waar juist in 1938 door Van Hoey Smtih een villa was gebouwd met waterpartijen en het er achter gelegen Breede Water, jachtgebied bij uitstek. De Brielse waterwinning kwam er wel, maar wat oostelijker en functioneerde tot in de jaren ’50. Een mooie watertoren resteert. Zie hiervoor de tekst Kaapduin en de Brielse waterwinning uit Duinen en mensen Voorne, 2023. Winputten lagen op het (wat we nu noemen) Kaapduin; de andere winputten, zoals op de kaart van Hofker die we hieronder tonen, werden, voorzover we kunnen beoordelen, niet aangelegd.

Bijlage 2 uit rapport van Hofker, 1942 met de ligging beoogde winputten. In zijn tekst memoreert hij dat een daling van 20cm al desastreus is voor grondwaterafhankelijke planten, een inzicht dat na de oorlog door vele deskundigen zoals Ger Londo zal worden ondersteund. Klik op beeld voor uitvergroting.
Een onbekende brief van Thijsse
Van Jac. P Thijsse dook een brief op gedateerd 18 september 1941, ontleend aan uit archief NV Voorne’s Duin. De gehele brief incl. uitleg van termen is op aparte pagina te vinden. Thijsse reageert op een eerder rapport van Hofker uit 1941. Hij merkt o.a. op:
Het rapport van Hofker heb ik met het allergrootste genoegen doorgewerkt.(…)
Allereerst echter zou ik willen wijzen op het grote belang voor het duinlandschap van Voorne voor ons volk en in de eerste plaats voor de millioenenbevolking van het handels- en industriecomplex langs Merwede, Noord en Nieuwe Maas. (…)
Wanneer de waterstand daalt, maakt dit rijke landschap plaats voor ontmoedigende banaliteit, zoals wij dat op zo menige plaats in de duinen van den vastenwal reeds moeten verduren en waar helaas velen reeds mee tevreden zijn. (…)
Hofker heeft in zijn rapport duidelijk aangetoond, dat de winning van het phraeatisch water (meestal genoemd, het oppervlaktewater) onvermijdelijk in zeer korte tijd ten ondergang van de helophile flora met zich brengt. Hij had erbij kunnen voegen, dat na weinige jaren de biologische veranderingen in den bodem zodanig zijn, dat bij herstel van den vroegere hydrologische toestand een terugkeer van de oorspronkelijke flora nog problematisch blijft.(…)
Alles met alles lijkt een prise d’eau in dit geval voor Rockanje en Oostvoorne toch nog lang niet zeker.We durven ze daarom te ontraden en dat te eerder nu wij weten dat binnen enkele jaren een ingrijpende verandering te verwachten is in het regime der grote rivieren. Deze verandering is onafwijsbaar noodzakelijk in het belang van de zoetwaterwatervoorziening van het Hoogheemraadschap Rijnland en ook voor Delfland, m.a.w. voor vrijwel geheel Zuid-Holland en een deel van Noord-Holland tot aan het Noordzeekanaal. Dit is niet alleen nodig voor drinkwater, maar voor de productiviteit van het cultuurland. De plannen hiervoor zijn sinds enige jaren in bewerking en naderen hun voltooiing. Hierin is ook de begrepen de afdamming van de Brielsche Maas, benevens dammen en stuwen in het gebied van de Merwede en elders. Een van de gevolgen van deze wijzigingen is dat de Oude Maas onttrokken wordt aan de eb- en vloedbeweging en dus een zoet waterbekken gaat vormen, waaruit de eilanden voorzien kunnen worden, want voortreffelijk drinkwater voor mensch en vee en plant. Deze verandering treedt in binnen zeer korte tijd, minder dan 10 jaren.
Het zou belachelijk zijn met dit perspectief voor oogen, overbodige en ongewenschte onrust te brengen in het Voornse duin.
Tot zover Thijsse, 1941. De stellingname van Hofker en Thijsse vindt haar climax in een twee pagina’s dik rapport uit mei 1942 waarvan Prof. Weevers de eerste naam is van een rij illustere ondertekenaars. Een rapport dat als dringende oproep aan het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening valt te lezen. En voor de zeer oplettende lezertjes: Thijsse noemt ‘phaeatrisch water’ geen ‘oppervlaktewater’ meer, zoals in zijn brief. De oude meester kon ook niet alles weten.
Met als conclusie: dam de Brielse Maas af, dan kan Voorne worden gespaard. Of: sluit ‘Voorne’ aan op de Rotterdamse Waterleiding. Maar in dat laatste had Brielle geen zin en ging nog decennia water aan Voorne onttrekken, zij het niet in de buurt van Breede water. Effecten op het meer nabijgelegen Vliegveld zijn niet gerappporteerd. En die dam, die kwam. Dat het Kruiningergors en vele natuurwaarden langs de Brielse maas hierdoor teloor zouden gaan werd nimmer een issue. De voorkeur lag geheel bij de duinen van Voorne.
Beschikbare pdfs:









