Weevers’ Duin en sprinkhaanonderzoeker Bart Lensink (1925-2024)
Nico van der Wel
[met bijdragen van Bob Benschop en Rolf Roos]
In december 2024 overleed Bart Lensink (1925-2024). Hij was vooral bekend van zijn tijd als directeur van Artis maar heeft van 1953 tot 1967 en na 1990 zijn sporen in de Voornse duinen achtergelaten. Dat deed hij als sprinkhaanonderzoeker en als betrokkene toen de biologen van Weevers’ Duin in het geweer kwamen tegen de uitbreiding van de Rotterdamse Haven.

Bart en de net afgestudeerde Nan Lensink op Weevers’ Duin met buurkinderen (foto uit vdMaarel et al. 2011)
Bart Lensink en zijn vrouw Nan Busch studeerden beiden biologie in Leiden. Begin 1953 verhuisden ze naar Oostvoorne. Zij waren tot 1955 de beheerders van het biologisch station Weevers’ Duin. Het pand bleek moeilijk schoon te houden, ’s winters was er een invasie van bosmuizen, de stookkosten waren hoog en de beheervergoeding was laag. Het echtpaar moest het doen met een klein kamertje van 2 x 2,5 meter, wat in het seizoen niet meeviel met alle tijdelijke bewoners die onderzoek kwamen doen.
Sprinkhanen op de Heveringen
Lensink deed van 1953 tot 1955 als promotieonderzoek uitgebreid veldwerk op de Heveringen op Voorne, in duingraslanden vlakbij het veldstation Weevers’ Duin. Hij onderzocht drie soorten uit de familie van de veldsprinkhanen (Acrididae): het knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus), de ratelaar (Chorthippus biguttulus) en de kustsprinkhaan (Chorthippus albomarginatus).
Zijn doel was om erachter te komen hoe de verspreiding van deze soorten in al hun stadia (van nimf via een aantal vervellingen tot adult) samenhing met vegetatie en microklimaat, van seizoen tot seizoen. In 1959 meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC): “Bij dit onderzoek was ook gebleken, dat het klimaat, in dit geval het microklimaat, veel invloed heeft op het gedrag van de sprinkhanen. Deze blijken bijvoorbeeld vele malen per dag van verblijfplaats te wisselen.” Hij promoveerde in 1963. Zie de figuur.

Van de lente naar de zomer migreren de sprinkhanen van minder dichte naar dichtere vegetatie. De nimfen van M. maculatus en C. biguttulus komen uit in open vegetatietypen (I en II) migreren vanwege te weinig beschutting vooral naar type V. Later keren de bevruchte vrouwtjes naar type I en II om hun eitjes te leggen. Nimfen van C. albomarginatus, uitgekomen in type III en IV, verlaten deze vegetatie, waarna de soort toeneemt in type VI (Lensink 1963).
Voorne Wageningen Amsterdam
Vanaf 1957 was hij naast zijn onderzoekswerk tien jaar docent biologie en wiskunde op de Rijks HBS in Brielle. Hij werkte daarnaast bij de toenmalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, waar hij studie maakte van ‘schadelijke organismen’ (ratten en muizen). In 1967 vertrok hij van Voorne om als rector van het Openbaar Lyceum in Wageningen aan de slag te gaan. In 1972 werd hij directeur van Artis, wat gepaard ging met dit aardige interview in de Nieuwe Leidse Courant. Hij bleef bij Artis tot 1990 en leverde daar volgens dit herdenkingsartikel een grote bijdrage aan de modernisering van deze oudste dierentuin van ons land.
Terug naar Voorne
Na zijn pensioen keerden Bart en Nan Lensink terug naar Voorne (Rockanje). Van 1990 tot 1993 inventariseerden ze sprinkhanen in de duinen van Schouwen, Goeree en Voorne (zie onder). Deze eeuw werkte hij op zeer hoge leeftijd nog mee aan een publicatie van de KNNV-afdeling op Voorne over de ontwikkeling van de Slikken van Voorne (Lensink et al. 2007, klik op deze link en dan doorklikken). Naast de redactie verzorgde hij ook de hoofdstukken over wilde bijen en sprinkhanen, waarvoor hij in 2004 en 2005 de Slikken en de Brielse Gatdam doorkruiste. Daarna voerde hij nog samen met anderen de redactie van het boek over de Stichting Wetenschappelijk Duinonderzoek uit 2011 (van der Maarel et al. 2011).
Sprinkhanenonderzoek in de duinen, jaren 90 en nu
Van 1990 tot 1993 bezochten de Lensinks 57 kilometerhokken in de duinen van Voorne, Goeree en Schouwen, waarbij ze zestien soorten sprinkhanen aantroffen (zie tabel hieronder). Bart Lensink uit in het artikel hierover uit 1993 (hier te vinden) zijn zorgen over de kwetsbaarheid van de droge duingraslanden en duinvalleien. Hij waarschuwt voor eenvormigheid van grazige duinterreinen door begrazing, graslanden moeten een gevarieerde structuur houden. “Ook de toenemende verruiging door hoge en dichte grasgroei en het oprukken van de struwelen beperken de mogelijkheden van vooral die soorten die het van warmte moeten hebben en een langzame ontwikkeling kennen [(..) waaronder ratelaar en snortikker]. Niet alleen gaan zeer fraaie en niet veel voorkomende landschapstypen verloren maar ook de rijke en diverse fauna die daarin de beste levenskansen vindt.”

Sprinkhanen-inventarisatie in de duinen van Voorne (21 km-hokken), Goeree (19) en Schouwen (17, incl. 2 op de Brouwersdam), van 1990-1993. Tabel uit Lensink 1993 (bewerkt). Daarin ook een toelichting per soort en de bronnen voor Walcheren/Zeeuws Vlaanderen en de Belgische kust.
Contact met Roy Kleukers van EIS Kenniscentrum Insecten in Leiden, leerde dat het onderzoek van de Lensinks plaatsvondt in het kader van het zgn. Atlasproject Nederlandse Sprinkhanen. Er zijn sindsdien geen nieuwe publicaties over dit onderwerp geweest, en de sprinkhanenstand op Voorne of in de Delta is sinds 1993 niet gericht bijgehouden. Hij meldt: “Sinds 1993 worden insectengegevens verzameld op Waarneming.nl. Zie deze pagina voor de waargenomen soorten sprinkhanen op Voorne-Putten. Sinds het onderzoek van Bart zijn er diverse soorten bijgekomen, zoals de kiezelsprinkhaan en grote spitskop, met dank aan het opwarmende klimaat.” Eerder schreven we op deze site al over een andere nieuwe binnenkomer op Voorne (sinds 2009): de moerassprinkhaan.

Vrouwtje van de moerassprinkhaan (G.U. Tolkiehn, licentie via Wikimedia Commons)
Een van de blijvers is de grote groene sabelsprinkhaan, klik hier voor een kaart van waarneming.nl met de waarnemingen op Voorne-Putten (1989-2024).
Literatuur
- Lensink, B.M. (1962). Over de keuze van het ovipositiesubstraat bij enkele veldsprinkhanen. Entomologische Berichten 22: 2-5 – hier te vinden
- Lensink, B.M. (1963). Distributional ecology of some Acrididae (Orthoptera) in the dunes of Voorne, Netherlands. Dissertatie Rijksuniversiteit Leiden. Tijdschrift voor Entomologie 106: 357-443 – te vinden in het kenniscentrum Duinen van het Streekarchief Voorne-Putten (doorklikken)
- Lensink, B.M. (1993). Het voorkomen van sprinkhanen (Orthoptera) in de duinen van Voorne, Goeree en Schouwen. Nieuwsbrief Saltabel 10: 8-14 – ook in het kenniscentrum Duinen van het Streekarchief (doorklikken)
- Lensink, B., P. Boeren en S. Snijders (2007). De Slikken van Voorne. Ontwikkelingen in een uniek natuurgebied 2003-2006. KNNV afdeling Voorne (107 pp) – ook in het kenniscentrum Duinen (doorklikken)
- Maarel, E. van der et al. (w.o. B.M. Lensink) (2011). De Stichting Wetenschappelijk Duinonderzoek. KNNV Uitgeverij







Beste Nico,
wat een ontzettend leuk artikel over Bart Lensink. En over de sprinkhanen van Voornes Duin.
Een soort zou je wellicht aan de lijst kunnen toevoegen. Al sinds halverwege de jaren ’90 zijn er waarnemingen van bramensprinkhaan van zowel Quackgors (hoewel aan de oostkant, wellicht net geen Voornes Duin?) als van Scheelhoek, waar de duindijk een min of meer natuurlijk begin kent uit de jaren ’50 en ’60 maar daarna grotendeels is opgehoogd en verzwaard met zand van elders.
Sindsdien is de soort veel gevangen langs de oevers van Haringvliet en, meer noordelijk, het havengebied. Maar vreemd genoeg zijn er geen meldingen van de soort echt uit de duinen. Ik ga er komend jaar eens goed op letten als ik weer in de duinen kom.
Hartelijke groeten,
Wouter