Het Voornse keverfeest
19 augustus 2026
Beste Menno,
Begin deze maand stuurde je een mail waarin je om een reactie vraagt op je ‘Eindrapport. Kevers in Voorne’s Duin: de stand na 40 jaar milieuverandering‘. Het bevat de verrassende conclusie dat de kevers qua soortenaantal in het Voornse kustlandschap er ca 20% op zijn vooruitgegaan. Geweldig! Is het echt waar, hoe komt het en wat betekent dat? Dat zijn de vragen die we ons stellen. Ik begin met mijn grote waardering. Voor niet alleen het monnikenwerk (in twee perioden met een tussentijd van 40 jaar vele dagen kevers zoeken en determineren!), maar vooral voor het streven: een trend in een gebied (duinen van Voorne) beschrijven is zachtjes uitgedrukt een uitdaging. Een ‘jeugdwerk’ herhalen en conclusies trekken uit de tellingen en metingen, dat kan echter niet vaak genoeg gebeuren.
Hoewel het eerste woord ‘Eindrapport’ de indruk wekt dat je klaar bent, lees ik dat de deur voor aanvulling open staat en er meer publicaties volgen. Ik zal mijn reactie geven in briefvorm, prettig 19e-eeuws, maar wel meteen online en openbaar. Schot voor de boeg: je aanbevelingen voor terreinbeheerders vond ik wat te snel geformuleerd; ik zou graag eerst de hele analyse die je belooft, willen lezen. Over de relatie met die ‘milieuverandering’ in je titel kom ik met diverse aanvullingen en suggesties. Ik maak naast deze brief een aparte bijlage met mogelijk nuttige details. Naast je fraaie Eindrapport ontving ik een tabel met de veel te bescheiden naam ‘Beknopte lijst Coleoptera Voorne‘, die ik voor onze lezers ook online heb gezet. Deze prachttabel van 31 pagina’s toont het verbijsterende aantal van 1408 soorten kevers van de ruim 4000 soorten in ons land. Van hoeveel van die soorten is de ecologie een beetje bekend? Ik stel de vragen als halfwetende plantenkenner.
2023 – 2026
Je tekst nodigde me allereerst uit je conclusies te vergelijken met wat je in 2023 hebt gepubliceerd in Duinen en mensen Voorne. Ook dat stuk was een keverfeest: door de veelheid aan soorten, de bewegingen in de tijd en het landschap en je schot voor de boeg: “Zo zijn al 355 keversoorten gevonden die in de jaren 1980 niet werden aangetroffen. De totale lijst bedraagt nu [2023, red.] 1115 soorten.” We zijn drie jaar verder en er liggen bijna 300 kevertjes meer op tafel… Ik hoopte in je eindrapport nu meer te lezen over de fraaie schijnbok, maar niet elke soort die in 2023 centraal stond keerde prominent terug in je Eindrapport. Unieke soorten als het pillenkevertje miste ik in ‘2026’ ook.

Korte stand van zaken in 2023, opgenomen in Duinen en mensen Voorne. Klik op het beeld om de pdf te lezen.
Trends
Het is ons als terreinkenners bekend dat elke gebiedsafgrenzing, elk ander ecosysteem, elke andere soortgroep, elk ander tijdvak en elke andere methode (en eigenlijk ook elke andere waarnemer) een (deels) ander verhaal gaat opleveren. Het is de prettige intellectuele uitdaging om binnen al deze beperkingen toch een aardige hoofdlijn te destilleren. Ik kijk nu al uit naar een verder uitgewerkte analyse van trends bij liefst alle soorten uit jouw lijst van 1408 waarvan voldoende over ecologie en milieu-eisen bekend is. Alle bijzonderheden mogen in de etalage, net als de soorten waar je een trend bij denkt te ontwaren.
Het is altijd boeiend als de klaagzang over (landelijke) neergang van natuurwaarden lokaal of regionaal niet aantoonbaar blijkt. Dat rolt nu ook uit je stuk, met diverse nuanceringen en slagen om de arm: de Voornse duinkevers gaat het eigenlijk voor de wind. Ik citeer uit je Eindrapport:
(…) het aantal soorten dat is toegenomen is veel groter dan het aantal soorten dat is afgenomen. Dit bevestigt de eerdere analyses op de totale dataset. Daarnaast lijken er bij de toenames en afnames andere ecologische groepen een rol te spelen. Zo vallen er bij de toenames vooral soorten op van vochtige bossen en oevers (bv. Carabus granulatus, Bembidion articulatum, B. assimile, en Heterocerus fenestratus), soorten van mest (bv. Onthophagus similis, Aphodius sphacelatus) en dood hout (bv. Valgus hemipterus, Cerylon ferrugineum), zuidelijke en continentale soorten (bv. de Oedemera-soorten en Valgus hemipterus) en soorten van eutrofe wateren (Peltodytes caesus, Noterus clavicornis, Hydroporus planus). Bij de afgenomen soorten lijken het vooral veel kevers van open duinterreinen (Panagaeus bipustulatus, Broscus cephalotes, Gronops lunatus) en lieveheersbeestjes (Coccinella undecimpunctata, Chilocorus renipustulatus en Adalia bipunctata) te zijn.
Samenvattend kunnen we dus zeggen dat er in de tussenliggende ca. 4 decennia veel veranderd is in de keverfauna van Voorne. De totale diversiteit lijkt met zeker 20% te zijn toegenomen, en die toename is deels veroorzaakt door de vestiging of uitbreiding van soorten en soortgroepen die profiteren van klimaatverandering en stikstofdepositie, en in mindere mate ook van dood hout en mest. Daarentegen is een kleiner aantal soorten en soortgroepen ook achteruitgegaan. Met name soorten van schrale, voedselarme terreinen zoals strandvlaktes en stuifzand lijken verdwenen te zijn of zeldzamer te zijn geworden.
Hoewel je goed vergelijkingsmateriaal met andere duingebieden lijkt te missen, zitten de duinen van Voorne net als bij de flora ook met de kevers aan de top van wat in natuurgebieden in ons land mogelijk is.
Milieuveranderingen
Ik zou graag zien dat je de relatie van de veranderingen bij de kevers met milieuveranderingen verder uitdiept. Het curieuze is dat je het woord ‘milieuverandering’ in de titel hebt staan maar dat het in de tekst nauwelijks meer voorkomt. Een goed beeld van wat er zich op Voorne in 40 jaar allemaal heeft voltrokken is onontbeerlijk, zowel t.a.v. milieudruk, veranderingen in beheer, natuurlijke veranderingen die zich hoe dan ook voltrekken zoals successie en bosvorming, ophoping van biomassa en veroudering, komen en gaan van soms beeld- of structuurbepalende andere soorten, grote veranderingen in en voor de zeereep en de opslibbing waardoor opnieuw gorzen zijn ontstaan waar je weer fraaie nieuwe soorten hebt ontdekt.
Ik hoop dat dat een vervolgrapportage kan uitmonden in een fraai overzicht van meest waarschijnlijke verklaringen bij al die soorten die (fors) voor- of achteruitgingen. Je meldt nu reeds dat “klimaatverandering en stikstofdepositie en in mindere mate ook dood hout en mest” van belang zijn maar ik zou onderbouwing willen zien van het relatieve belang van deze factoren. En als dat overzicht er is, is het goed om het ook over beheer te hebben. Ik geef hieronder een aantal handreikingen en ideeën, en als ze niet uit Duinen en mensen Voorne komen vermeld ik dat.
Stikstof en mest
Via de lucht is er zeker sprake van invloed maar die lijkt mij relatief beperkt. Het is in ieder geval relevant voor schralere en deels ontkalkte duingraslanden zoals de Heveringen. Camiel Aggenbach vind ik hierin ter zake kundig. Hij schreef in 2022 dit stuk over Voorne met als conclusie: “Op basis van de huidige deposities op Voorne en het kalkrijke uitgangsmilieu schatten we in dat diverse duinvegetaties onder druk staan (graslanden, duinvalleien), al is de situatie niet zo ernstig als in het binnenland. Voor bos en struweel is bevordering van een versnelde successie en aanwas van struiken en bomen waarschijnlijk. De omvang van vergrassing van duingraslanden is thans niet goed in beeld.” Een ander verhaal van Theo Briggeman en Piet Mout over o.a. herstelbeheer is te waarderen als een poging tot overzicht maar verdient een update door een expert. Sommige terreinbeheerders (en zeker de vorige directeur van het Zuid-Hollands Landschap) riepen te makkelijk dat alle dichtgroeien door stikstof kwam terwijl natuurlijk successie en/of te weinig beheer cruciaal zijn. Soms is er met relatief snel beschikbaar geld en te weinig onderbouwing gewoon schade aangericht in het kader van ‘herstelbeheer’. Zie deze verzuchting van deze wat oudere natuurbeschermer.
Eutrofiëring (vermesting) van duinwateren memoreer je als verklarende factor voor de toename van sommige keversoorten, dat vond ik bijzonder en ook plausibel. De reden voor de eutrofiëring is zoals bekend niet de atmosferische stikstofdruk maar de door de ‘natuur’ gedeponeerde mest (ganzen, aalscholvers en lepelaars) en in kleinere poelen ook door badend of drinkend vee. Er zijn daarnaast nog steeds schitterende geïsoleerde heldere poelen zonder veel bemestingsdruk met vele fonteinkruiden en kranswieren. Ik ben benieuwd naar de specifieke keverfauna aldaar.
Nog iets over poep en pies want die spelen in mijn ogen lokaal ook zeker een rol, maar die is nog niet goed onderkend. Kijk maar naar de laanbeuken op Mildenburg met op ca 40 centimeter hoogte ware pislijnen van de passerende honden. Mest geeft ook lokaal ook brandnetels, denk aan hondenuitlaatparadijs de Heveringen (ik mag vast niets onaardigs zeggen van de kuddes recreatiepaarden) . Houden bepaalde keversoorten, net als sommige dagvlinders, van brandnetels? Voor (sommige) kevers is mest grosso modo een feest toch? Is het zo dat hoe meer soorten grazers er zijn, hoe meer soorten kevers we kunnen verwachten? Weer een mogelijke reden voor meer soorten en dat stip je ook aan. Er lopen trouwens periodiek ook schapen, o.a. op de gorzen van de Slikken van Voorne en op de Heveringen. Neem in dit verband ook nog het ree mee: 40 jaar terug net gearriveerd. Nu plenty aanwezig en mede ‘oorzaak’ van de afschuwelijke verhekking van Voornse landgoederen. Maar dat is voor kevers een zijstraat. Hoewel: ingehekte grotere deelgebieden zonder grazers, reeën en ruiters zijn soms goed vergelijkingsmateriaal voor als we effecten van dierlijke mest willen laten zien.
Zoet en zout en nieuwe leefgebieden
Het officiele en plausibele verhaal (sinds Adriani & van der Maarel (1968) in het klassieke Voorne in de branding) is dat er de laatste decennia door de beide Maasvlaktes en de Deltawerken minder zout in de duinen van Voorne zou neerkomen, waardoor een cruciale stressfactor zou ontbreken die boomgroei kan beperken etc. Vreemd is dat ik nergens meetgegevens ben tegengekomen die dit ondersteunen, ook niet in de meest recente Natuurvisie van Natuurmonumenten (2006). Soorten die verzoeting indiceren zijn er wel (minder Deens lepelblad, mogelijk meer grote boterbloem) maar als bewijsvoering vind ik het dun om vanuit enkele aangetroffen plantensoorten de abiotiek vast te stellen. Ondertussen wordt de versnelde successie naar bos hier wel aan opgehangen (plus drie andere factoren: stikstof, minder beheer en klimaat).
Belangrijke verzoeting, zichtbaar in de vegetatie, is opgetreden in alle oevergebieden langs het Oostvoornse Meer (ondanks dat dit zelf brak is). Op het (voormalige!) Groene Stand’ is op de schelprijke banken, die rond 1960 nog vrij in zee lagen een lange smalle strook ontstaan (geen begrazing, wel maaibeheer) met de allermooiste duinvalleivegetaties van ons land. De overmaat aan kalk lijkt alle fosfaat te binden waardoor extra stikstof niet tot expressie komt, en er wordt goed gemaaid. Ook het Parnassiavlak e.o. en Hoekje Jans behoren nu tot de floristische top van Voorne terwijl dat 40 jaar terug gebieden waren met een duidelijk zilte karakter, wat jij ook in je kevers terugzag.
Het autostrand met vele pioniersoorten verdween. Meer zout hebben we ook dankzij aangroei ten westen van de Brielse Gatdam. Het heet officieel (met het oog op de vogels) de Slikken van Voorne, maar vooral de gorzen zijn voor flora en kleine fauna interessant. Welke vegetaties het betreft en in welk tempo het is ontstaan, is goed gedocumenteerd door Rijkswaterstaat in openbare stukken.
Zuur
Je memoreert afname van kevers van zure wateren, maar ik weet niet waar die watertjes op Voorne liggen en zou dat graag willen weten. Op Voorne zijn er vrijwel geen echt zure habitats; zwakzuur is de toplaag van de Kleine Heveringen en wellicht een enkele oude koeienpit. Bijna alle oudere licht zure plekken met dophei, pijpenstrootje en struikheide zijn verdwenen (door verrommeling, aanleg van parkeerterrein etc).
Verzuring komt m.i. lokaal wel in duinvalleien voor, wat zich vooral uit in de naar mijn idee soms sterke toename van de indicatieve grote wederik. Zie o.a de Gamandervallei en ook delen van het Groene Strand en de Eerste Zanderij. Waar toestroom is van basenrijke kwel blijft het systeem lang in stand, zie mijn analyse van de Eerste Zanderij, een plek waar de flora eerder vooruit dan achteruit is gegaan. Zeer basenrijke valleien als voorheen de zeer rijke Muggenorchisvallei zijn evenwel ontkalkt geraakt. (Zo kan elke duinvallei weer een ander verhaal vertellen… Neem nou het Vliegveld…is nota bene opgehoogd in 1937 toen er nog vliegtuigjes vertrokken, zo las ik bij Sipkes, terwijl we dachten met een intacte primaire duinvallei van doen te hebben).
Biotische processen en beheer
Grotere veranderingen die jij ook noemt: meer struweel en bos en veroudering van landinwaarts gelegen valleien. Structuren veranderen maar dit wordt slecht gekwantificeerd, deels ook een gevolg van lastige indelingskwesties; onderscheid maar eens laag struweel van hoog struweel, en hoeveel grasland mag dat bevatten? Ook beheersingrepen worden zeer slecht bijgehouden: we zien ze, soms lijken ze logisch, maar rapportages inclusief nulmetingen ontbreken (m.n. Zuid-Hollands Landschap waar ze een ouderwetse wetenschappelijke adviescommissie wel kunnen gebruiken). Vlinderkenners zien in delen van Natuurmonumenten (de Pan/Stekelhoek) bepaald geen vooruitgang na ingrepen; slakkenkenners spreken zelfs van kaalslag. Hoe doen kevers het in die grote stukken die afgeplagd zijn? Ik ben benieuwd of je op basis van je analyses iets daarover kunt zeggen, mocht je een onderzoeksroute precies in zo’n landschap met ingreep hebben liggen. En werkt begrazing positief op de keverfauna, ook los van het aanbod van mest?
Een bijzondere nieuw proces van de laatste 40 jaar met effecten op de structuur van het bos, is de enorme toename van maretakken op Voorne. Bekend als ‘halfparasiet’ blijken ze in het dit duin wel degelijk dodelijk: zie de vele stervende abelen en populieren in bv. het Van Itersonbos. Zijn er aan maretakken gebonden kevers? Ook de korstmosflora en mycoflora veranderen, mede onder invloed van de luchtkwaliteit en natuurlijke successie. Geen idee hoe dit doorwerkt op de kevers. Ik lees graag wat jij weet.
Sommige keversoorten zullen een duidelijke binding hebben met specifieke planten. Van Heerden (proefvlakkenonderzoek genoemd in Duinen en mensen Voorne, hier uitgebreider) ziet meer groot heksenkruid, bosandoorn, robertskruid en wilde kardinaalsmuts, maar ook: minder dagkoekoeksbloem, drienerfmuur en heggenrank. Grappig is dat niettemin het heggenranklieveheersbeestje, redelijk algemeen bij mij op Goeree, zeer recent ook op Voorne is aangetroffen. In waarneming.nl is de eerste uit 2026. Je lijst van 1408 soorten blijkt hier compleet.
Dat brengt me op een -incomplete- lijst van plantensoorten die er recent (veel) meer zijn, o.a. echte en gulden sleutelbloem, bolletjeskers, steenanjer, muskuskruid, welriekende agrimonie, blauwe knoop (zeer veel op merkwaardig opgehoogde delen van het Groene Strand). Zijn er ook meer bijbehorende kevers?
Onder nieuwe woekeraars (met al dan niet interessant kevers?) noem ik: reuzenbereklauw, Japanse wijnbes, Japanse duizendknoop, gewone esdoorn, hulst, dijkviltbraam en veelbloemige roos. In ons boek uit 2023 meld je: ”Ook opvallend zijn inheemse keversoorten die zich uitbreiden dankzij aanpassing aan invasieve uitheemse planten. Een nieuwe verschijning is bijvoorbeeld het vroeger in ons land zeldzame meeldauwlieveheersbeestje (Halyzia sedecimguttata). Eind 20e eeuw voegde deze soort de steeds algemener wordende esdoorn toe aan het portfolio van boomsoorten waar zij op leeft (vooral es en berk), en die verandering heeft geleid tot een sterke toename; de soort is nu algemeen. Op Voorne is hij, net als elders in het duingebied, een van de meest voorkomende lieveheersbeestjes in de binnenduinbossen.” Kan je dat ook meenemen en uitwerken in je definitieve rapport?
In Duinen en mensen Voorne staan, tenslotte, vele plantensoorten die er echt minder zijn. Ik ontkom er niet aan om de keverorchis aan te stippen, een ingetogen, groengeel bloeiende orchidee: voor mij 30 jaar geleden een zeer gewone Voornse plant, nu met een lampje te zoeken. Welke kever heeft hier iets mee?
In mijn vragen en kanttekeningen heb ik enige milieuveranderingen in de brede zin van het woord aangestipt. Tenslotte memoreer ik hier een tweetal ruimtelijke zaken die populaties zullen beïnvloeden. Voorne is al vrij lang geen eiland meer en het aantal verbindingen en vooral de hoeveelheid transportbewegingen ernaartoe zijn ongetwijfeld in 40 jaar enorm toegenomen. Het gesleep van ons mensen met spullen en landbouwproducten kan niet zonder gevolgen zijn geweest voor de Voornse keverfauna. Welke…. dat lees ik graag bij jou.
Nabrandertje over waterkevers. In je boek Darwin in de stad uit 2025, vat je de desastreuze effecten samen van zonnepanelen (waarop waterkevers zich te pletter zouden vliegen) op aangrenzende wateren. Uitgerekend op Voorne heb je een mooie toetslocatie: naast het water van de Tenellaplas (door diverse personen bemonsterd) ligt het bezoekerscentrum op het dak waarvan diverse panelen liggen. Kom je toe aan een microanalyse van deze praktijksituatie? Ik hoop dat de panelen ‘onschuldig’ zijn, maar dat moet dan wel blijken uit de aquatische keverfauna. Zie bijgaande foto uit Duinen en mensen Voorne van Henk Terhell.





