Witte duinen, zwarte duinen
Rolf Roos
(12 april 2024, update 10 jan. 2026 met enige teksten over Thijsse die van ‘grazig’ duin spreekt, met dank aan Frans Beekman.)
In onze speurtocht naar gekleurde veldnamen komen we hier en daar een groen duin tegen (of een Groen Strand en, alleen op Schier: ’t Groene Glop). Op Schouwen ligt tussen Burgh en Westerschouwen een laag binnenduin: het Groene Duin. Maar echt vrolijke tinten ontbreken vrijwel. Het Rode Dal (ook Roondal), ook op Schouwen, blijkt afgeleid van rode vossen (paarden, niet het roofdier). Nu eerst aandacht voor zwarte en witte duinen en wat er tussen in zit. Want al 30 jaar is onder beleidsbiologen (en nog veel langer onder bijna vergeten duinwetenschappers) het woord ‘grijs duin’ in zwang. Wortelt dit ‘grijs’ inmiddels al in onze taal, althans de taal van veldnamen die op kaarten staan, op papier zijn gezet of digitaal te vinden? In deze speurtocht leren we in ieder geval dankzij Gerrit Knop (1948) waar – althans op Terschelling – de jongens en meisjes vandaan komen: uit Zwartduin de jongens en uit Witduin de meisjes. Onze voorlopige conclusie: als veldnaam leeft ‘grijs duin’ totaal niet.
Onze eerste stap in dit verkennende veldnaam-onderzoek bleek eenvoudig. We hoefden alleen maar af te romen wat door auteurs als Ed Buijsman (de Beer), Rob Rentenaar (heel Nederland), Frits David Zeiler (Kennemerland), Frans Beekman (o.a. Walcheren, Schouwen, Delfland, Meijendel), Kees Bruin en Erik van der Spek (Texel) is ontdekt. Zie hun artikelen op deze site en in de bronnenlijst. Belangrijke aanvullingen leverde het boek van Arjen Kok over veldnamen op Terschelling. Frans Beekman mailde ons een hele reeks van gekleurde veldnamen, maar, zoals hij zei: “zwart en wit overheersen in de bronnen.” Zie onze voorlopige lijst. Aanvullingen altijd welkom!

Resultaten
De term ‘wit’ heeft in het zeeduin geen verklaring nodig, maar blijkt nauwelijks frequenter voor te komen dan zwart, en dat is wel verrassend. Voor dat ‘zwart’ zijn meerdere verklaringen denkbaar. Op Ockenburgh betreft het een beweid Oud Duin met vermoedelijk struikheide. De donkere aanduiding lijkt vanwege kraaihei (een noordelijke soort) meer in het noorden voor te komen. Twee in de winter donkere en opvallende soorten zijn verder kruipwilg (noorden) en duindoorn (zuiden).
Voor Terschelling worden kruipwilgen expliciet genoemd: In ‘Brandarisflitsen: Een vacantieuitstapje van twee Amsterdammers naar het eiland Terschelling’ (1948) door de Terschellinger Gerrit Knop, later leraar Duits in Amsterdam, staat op blz. 95:
‘U spreekt daar van Zwartduin. Is dat misschien ook een duin, waar vroeger vuren gebrand werden? Zwartduin in tegenstelling tot Witduin werd zo genoemd naar de dichte begroeiing met riezen (kruipwilg). Als bijzonderheid kan ik U nog mededelen, dat de Ter-Schellinger moeders hier hun jongens vandaan haalden; de meisjes komen uit Witduin’.
Op hetzelfde eiland is nog een Swartduin (nu een camping) bekend, terwijl Van Eeden in 1885 een ander Zwartduin noemt: ten noorden van de vuurtoren. In zijn (sterke?) verhaal is dit duin vernoemd naar houtskoolresten afkomstig van het door Engelsen in 1666 afgebrande (oude) West-Terschelling. Een woord kan schijnbaar eenduidig zijn, de verklaringen zijn altijd divers. In het boek van Arjen Kok (2006) heet dezelfde (?) plek Kooltjesduin, maar dat wordt weer verklaard door houtkoolresten van de voormalige vuurboet op deze plek. Beide lezingen kunnen trouwens waar zijn. Ook Knop (1948, zie boven) heeft de vuurklepel horen luiden.
Verder bestaan er ‘Donkere Duinen’ bij Den Helder, en die heetten al zo voor er voor de oorlog in de 20e eeuw donker naaldbos op werd geplant.

Archetypische ‘grijze’ duinen
Tussenstand: grijze duinen worden op kaarten (nog) niet gevonden, wel een keer ‘grauw’ (op Schouwen), wat het meest in de buurt komt. Maar of hier ook de ‘grijze duinen’ van het gewilde ‘habitattype’ van het plaatje (rechts) liggen?
We zoeken het verder na in ‘Plantengroei der duinen’ van L. Vuyck uit 1898 die niet zonder enige trots het vastleggen van de duinen eind 19e eeuw memoreert: ” De stuifduinen of witte duinen zijn nagenoeg verdwenen en hebben plaats gemaakt voor vaststaande of grauwe duinen.” Dat ‘grauwe’ komt rechtstreeks uit het duits. Grau is grijs. In het beroemde Dünenbuch (1910) blijken de geleerden het over wit, zwart en grijs te hebben maar zijn ook niet geheel eenduidig.
Op pag 126, deelt prof. dr. F. Solger, de geoloog, de duinen in: witte en zwarte OF grijze: de laatste naam door de begroeiing veroorzaakt.
Maar op pag 222, meldt botanicus prof. dr.P. Graebner, dat dat grijs niet slaat op de begroeiing maar op de kleur van het zand eronder, dat door geleidelijke humusvorming haar witheid verliest:

Wat we hier in ieder geval ontdekt hebben is dat ‘zwarte duinen’ geen vreemd begrip waren (en inwisselbaar met grijs ?) en de verklaring bepaald niet eenduidig maar wel aan begroeiing gerelateerd is. Grijs komt door de korstmossen, zoals wel wordt gezegd, maar dat is onjuist.
Adriani en Thijsse: geen grijze namen
Vrijwel alle auteurs die duinen voor een groter publiek beschrijven mijden het ‘grijs’. Lees bv. de prachtige bladzijden van Adriani cs in Ontdek de duinen uit 1981. Of het boek Blonde duinen van Jac. P. Thijsse uit 1911: een lyrisch boek vol krioelende dieren en ‘gulzige’ konijnen. Dat ‘blonde’ legt hij nergens uit, maar staat vanouds voor de het goudgele zand ten zuiden van Bergen N.H. dat meer ijzer bevat. Voor hagelwitte duinen moet je vanaf Schoorl noordwaarts. Thijsse zelf heeft een hoofdstuk over ‘witte duinen’ en wijdt enkele zinnen aan duinvorming, een proces dat pas later in de 20e eeuw werd ontrafeld: ” er wordt wel beweerd, dat eerst in den Romeinschen tijd de zandheuvels langs het noordzeestrand zich noemenswaard boven de zee begonnen te verheffen.‘ Hij beschrijft het leven in het buitenduin met helm en zandzegge en het begroeid raken aan de landzijde met o.a. wondklaver en “sappige, enigszins zure, bramen”. Over grijs duin treffen we bij Thijsse geen woord, wel “heel fijne mosloovertjes die beginnen rond te kruipen (..), rendiermos en aardige bekermosjes.” In het najaar de stuifballetjes, in de zomer de muurpeper. En hoe wit duin overgaat in grazig duin (pag. 71, eerste druk):
” Als ’t eenmaal zoover is, dat ’t duin begroeid raakt met mossen en muurpeper dan kunnen in die vochtige laag weer allerlei zaden en sporen ontkiemen en in weinig jaren – op Terschelling kun je dat mooi bestuderen – komen er dan viooltjes, pimpernel, walstro, reigersbek, duinroosjes (..) zodat het witte duin dan mettertijd een grazig duin geworden is.”
Onze conclusie: grijze duinen blijken nergens op kaarten te bestaan, ontbreken ook als veldnaam, zijn ingeburgerd vakjargon bij beleidsbiologen, maar niet bij natuurschrijvers. Ons advies: schrap dat ‘grijs’ en noem het heel eenduidig: bloemrijk. Het zijn allemaal duingraslanden: min of meer gesloten, vaak mosrijke duinvegetaties op licht humeuze bodem met groen in alle kleuren van de regenboog en bijzonder veel bloemen: roze, geel wit en paars. Bij uitzondering (of bij laag licht of op een bewolkte dag): grijs of zwart.
Zie als inleiding op de vele bloemen van het ‘grijze’ duin het verhaal van Theo Baas. met prachtige foto’s.
Ps Engelse duit: gangbare termen in vakliteratuur anno 2025: ‘embryo dunes, yellow dunes, and fixed dunes’, dat herkennen we makkelijk als: embryonale, witte of blonde en vastgelegde duinen met bloemrijk duingraslanden.
Ps. Een laatste Duitse duit in het zakje door Frans Beekman: “Met ‘feldgrau’ bedoelen onze oosterburen camouflage groen. In de oorlog hadden ze de vuurtoren van Haamstede die kleur gegeven. Door de regen spoelde dat er langzamerhand vanaf en kwam de rood-wit spiraal weer tevoorschijn.”
Bronnen (deels online op duinenenmensen.nl)
Frans Beekman (2021) Veldnamen in Meijendel
Frans Beekman (2022) Veldnamen van de Delflandse duinen
Ed Buijsman (2023) Topografie en toponiemen (veldnamen) van een verdwenen natuurgebied: de Beer
Kees Bruin & Erik van der Spek (2012) ‘Veldnamen in de duinen van Texel’
Arjen Kok (2006) Aastermiede & Wachthuisplak. Veldnamen op Terschelling in duin en polder. Van Gorcum, z.p.
Rolf Roos (2015) Recensie boek Arjen Kok over Terschelling.
Solger, F. e.a (1910) Dünenbuch. Enke, Stuttgart.
Vuyck (1898) De plantengroei der duinen. Dissertatie. Uitgave Adriani, Leiden.
Frits David Zeiler (2008) Hel en paradijs: duintoponiemen (veldnamen) in Zuid-Kennemerland
Frits David Zeiler (1995) NOLLEN KROCHTEN BLINKEN Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin




