Duinen-en-mensen-punt-nl-met-payoff

(Door: Rolf Roos). In 1995 verscheen mijn boek Bewogen kustlandschap, over duinen en polders van Noord-Kennemerland. 25 jaar later Bloeiende duinen over heel Nederland. In de tussenliggende periode verschenen drie titels in de serie Duinen en mensen, namelijk Kennemerland (2009), Noordkop & Zwanenwater (2011) en Texel (2013). Tijd om met pensioen te gaan? Nou nee, niet helemaal, wel tijd om eens terug te kijken.

Door alle lof die Pieter Slim in het vakblad voor vegetatiekundigen (Stratiotes 55, pag.47-50) ons recent toewuifde zonder mijn kompanen met naam en toenaam te noemen, ontkom ik niet aan enige plaatsvervangende schaamte, want alleen door zeer veel steun en door op de schouders van velen te mogen staan kon ik deze boeken componeren. Dat is natuurlijk uitgesproken bij presentaties, in alle uitgebreide dankwoorden en beeld- en tekstverantwoordingen, maar ik wil toch op het stuk van Slim reageren  en expliciet melden wie er allemaal van zeer groot belang waren. En passant doe ik filosofie en werkwijze uit de doeken.

Presentatie van Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater in 2011 met vele mensen die me bijstonden waaronder: Gerrit Welgraven, Ronald van Wijk, Tim Pelsma, Aad Barendregt, Theo Baas, Cor ten Haaf, Piet Veel, Machiel van Wijngaarden, Anneke Brouwer en Margreet Frowijn. Foto: Eric van der Eijk

Hoe steken we een boek in elkaar

Componeren, ja dat is het beste woord. Er zijn leidmotieven. Nu volgt een lange zin. Elk boek uit de serie Duinen en mensen heeft een onderliggende vraag (wat zien we in de duinnatuur en vormen in het landschap, en hoe kunnen we dat verklaren), een zoeken naar de essentie (wat is nu echt kenmerkend voor een regio of deelgebied), een onderliggend uitgangspunt (elke discipline die bijdraagt aan ons begrip krijgt een podium, dus ook veel historie en archeologie), jongensbravoure (elk wetenschappelijk inzicht moet te populariseren zijn en mooi te verbeelden) en ten slotte echte overmoed (we weten dat het niet meer mogelijk is om alle publicaties over een streek en onderwerp te lezen, laat staan mentaal te verwerken en toch willen we het laatste nieuws zien af te filteren en niets missen.) Om kennis uit de boeken en rapporten omhoog te krijgen werkte ik journalistiek: alleen hoofdlijnen lezen indien beschikbaar, kenners soms via via en de tam tam opsporen en uitvragen, veel gezamenlijk het veld in, concepten (ook hele slechte, waarvoor onze excuses) aan kenners voorleggen, net zo lang totdat er een goed doorbakken tekst ligt. 

Pettermerduinen 2018. Met vele personen die meewerkten aan Bloeiende duinen of andere titels: v.l.n.r. Nico van der Wel, Annelies Boutellier, Jacqueline Kok, Kees Vertegaal, n.n., Hanneke Waller, Jan Cevat, Rolf Roos, Coen Blom en Kees Bruin. Foto: Liesbeth Sluiter.

Vormvastheid is wat ons redt als we in een werkproces zo veel kennisstof laten opwaaien. We gooien boekenkasten om, speuren digitale archieven met oude tijdschriften af op mooie doorzichten of gedateerde maar leerzame visies, en bellen ons een slag in de rondte. Bij Bloeiende duinen was ik dankzij webbouwer Ronald van Wijk (ook een uitstekend fotograaf en marketingman die ik leerde kennen omdat hij geheel illegaal maar met de beste motieven het uitverkochte boek Bewogen kustlandschap online wilde zetten) in staat om oproepen voor auteurs en partners te plaatsen. Op de door Machiel van Wijngaarden ontworpen website duinenenmensen.nl zetten we doorlopend deelartikelen waarvan ik niet wist of ze een boek halen of voorstudies zullen blijven. Op het web kan iets makkelijk rijpen. Hier valt de term ‘we’ voor het eerst, en dan bedoel ik met name Nico van der Wel die bij bijna alle titels mijn meer realistische (en nettere!) co-redacteur en ook auteur was, waardoor ik weer goed kon beslissen wat wel en niet de eindstreep mocht halen. Mijn vrouw Anneke Brouwer was niet alleen onmisbaar omdat ze mijn vrouw is. Als intelligente niet-kenner hielp ze me de overdaad aan onderwerpen selecteren en aanscherpen. Ze was de ‘doelgroep’, samengebald in een enkel persoon. En verder kies en redigeer ik langs de simpele lijn: als ik ergens blij van wordt, mag het het boek in.

In de Muij, Texel, 2012, links Nico van der Wel, rechts Rolf Roos. Foto: Berend Klif

Onderwerpen zijn vaak geordend volgens ogenschijnlijk simpele principes als vakdiscipline of geografische eenheid, maar steevast met als uitgangspunt: herhalingen schrappen waar mogelijk. En zo doe je menig meewerkend auteur pijn die pas verzacht wordt als het gehele boek er is.

Dan is er het creatief uitdagende uitgangspunt: het vormgeefprincipe dat elke twee pagina’s een overzicht moest bieden van een samenhangend onderwerp, waarbij tekst en beeld allebei 50 procent van de pagina krijgen. Overal waar je het boek openslaat, word je zo getrakteerd op een ‘spread’, met een soms diepgaand maar altijd verhelderend verhaal. Dit is geen oerwet, maar een richtinggevend principe. Qua stijl probeerden we een ieder te verleiden tot relatief korte zinnen, alleen jargon waar strikt nodig. Af en toe meer beeldend taalgebruik zonder in Wolkeriaanse lyriek uit te komen… dat mag best wel. We produceerden geen wetenschap, maar enthousiaste doorkijkjes. 

Een product dat niet meer bestaat; Duinen en mensen Kennemerland is uitverkocht na een oplage van in totaal 11000; de prijs van dit pakket was overigens idioot laag; Bewogen kustlandschap (1995) kostte f 59,50 en er zijn er evengoed 10.000 van verkocht.

Om beeld en tekst tot eenheid te krijgen vroeg ik mezelf en elke medeauteur om vanaf het begin bij het verhaal meteen het belangrijkste beeld te leveren en/of te laten ontwikkelen. Als we voldoende budget hebben, lieten we kaarten en grafieken allemaal overmaken in één stijl. Die stijl (kleuren, indeling, typografie) is bij het eerste boek over Kennemerland in principe ontwikkeld door Hans Lodewijkx en Machiel van Wijngaarden, en hierop is bij de latere boeken gevarieerd door Marc Elsendoorn die Noordkop, Texel en Bloeiende duinen voor ons vormgaf, en daarbij blijk heeft gegeven van een enorme flexibiliteit. Want al heb je een verhaal in je hoofd en lever je tekst en beeld goed aan, pas na de eerste vormgeving kun je bepalen waar het heen moet en pas als een heel boek in elkaar steekt, kun je zien wat er nog moet worden bijgeslepen.

Een zeldzame foto met de onzichtbare hand op de achtergrond: vormgever Marc Elsendoorn bij de presentatie van Duinen en mensen Texel. 10 april 2013 Foto: Eric van der Eijk.

Organisatie

Een boek kent economische wetten. Ik leg vaak uit dat een boek in 1 à 2 jaar klaar moet zijn want de markt (ofwel de voorintekenaars) is ongeduldig. En er moet een punt op de horizon zijn. Dit betekent dat er vaak niet meer dan een week voor een leuk deelverhaal is en daarin moeten alle beelden en kaarten ook nog worden gemaakt. Simpel rekenwerk laat ook zien dat een boek maken eigenlijk onbetaalbaar is, want als ik als hoofdredacteur en uitgever mijn vormgevers, kaartenmakers, redacteuren, medeauteurs en fotografen wil betalen kost een boek minimaal 1000 euro per ontwikkelde (en gedrukte) pagina. Niet veel als je een folder van 2 pagina’s maakt, maar heel anders bij een boek van 248 pagina’s. Zo’n budget (en het uitgangspunt dat iedereen redelijk wordt betaald) heb ik alleen gerealiseerd bij Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland. Het eerste schreef ik als enige auteur binnen een jaar, met de onmisbare steun van eindredacteur Bert Buizer, nadat ik ontslag had genomen bij Natuur en Milieu waarmee ik titels van Het Milieu van de Natuur en Opgewarmd Nederland realiseerde. Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland waren er niet geweest zonder PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland dat destijds leidinggevenden had die lijnen hielpen uitzetten maar daarna het werk in vertrouwen lieten doen: Fred van der Vegte en Chris van Deursen (1995) en vooral ook Piet Veel (2008).

Juni 2008. Piet Veel toont de storthelling van de Bruid van Haarlem, een poëtische naam voor een natuurontwikkelingsproject in Zuid-Kennemerland (die bruid verwijst naar de pluizige tooi van het zaad van wilgenroosjes).

Inhoudelijk en qua cartografie leverden twee PWN-medewerkers zeer grote bijdragen: Rienk Slings (die een magnifieke, nimmer gepubliceerde ‘Basisnota’ over duinen had geschreven en meedacht over en meeschreef aan grote delen van beide boeken) en Hubert Kivit (data en kaarten).

Rienk Slings in zijn geliefde zeedorpenlandschap bij Wij aan Zee, 2015. Foto Ronald van Wijk

Kernfiguren die Duinen en mensen Kennemerland mede bepaalden waren oude rot Joop Mourik (veel Zuid-Kennemerland), precisie-archeoloog uit Velsen Wim Bosman en Ulco Glimmerveen, die ik destijds kon inhuren om door mij bedachte historische landschapsimpressies te maken (vanaf Bewogen kustlandschap).

Uit Bewogen Kustlandschap, 1995: impressie van het Oer-IJ met achterland, met op de voorgrond de langsvarende boot van Pyteas van Massalia, ca 350 B.C.

Bij Kennemerland waren vele (toen nog) redelijk bezoldigde deskundigen en fotografen betrokken waaronder rozenkenner Bert Maes, Chris van Daalen, Ruud Luntz en vele anderen. Na de crisis van 2008 waren de middelen voor boeken aanzienlijk minder al stoomden we op andere manieren voort. Maar ik moest het uitgangspunt om iedereen redelijk te honoreren helaas loslaten anders was er geen boek meer gekomen. Sorry co-auteurs en fotografen! 

Voor Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater was de belangrijkste partner Landschap Noord-Holland, in de persoon van Jan Kuiper, destijds directeur en een grote steun. Landelijke en bestuurlijk weinig flexibele terreinbeheerders als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer deden wel inhoudelijk mee, maar leverden geen budget (maar we konden wel rekenen lokale boswachters en beheerders). Vooral in het Zwanenwater bleek vrijwilliger Dan van Lunsen een goudmijn. Hij heeft veel meegeschreven en moest dan mopperend akkoord gaan met de eeuwige inkortingen en redactierondes, gevolg van de eerder beschreven boeken-economie. Zijn onderbouwde verhalen over vroegere onderzoekers en jachtopzichters vonden bij mij een warme ontvangst maar ook teksten over trends bij de vogels (o.a. het vrijwel verdwijnen van de legendarische lepelaar uit het Zwanenwater) zijn van zijn hand. Vele achtergronden plaatsten we op duinenenmensen.nl.

Dan van Lunsen, ca 2010, bij de doorgang naar het Tweede Water, het Zwanenwater met opvallend veel moerasandijvie, geen alledaagse duinplant.

Voor dit boek memoreer ik ook Cor ten Haaf uit Groet die veel kennis van zaken inbracht, en Martijn Oud, enthousiast mycoloog uit Alkmaar die ik uitnodigde om de onbemeste, drassige graslanden van het Zwanenwater te verkennen en daar tientallen bijzondere soorten beschreef. Qua fotografie had ik veel plezier van het werk van Ronald Otter (luchtfoto’s), Margreet Frowijn en Erik van der Eijk (o.a. panorama’s). In alle delen Duinen en mensen heb ik een plaats in kunnen ruimen voor het werk van Dirck Nab, kunstenaar uit Bakkum, met wie ik gemeen heb nimmer op de duinen uitgekeken te raken.

Zoals de titels over Kennemerland en Zwanenwater inhoudelijk niet konden zonder de inzichten van respectievelijk Rienk Slings en Dan van Lunsen, zo belangrijk voor Duinen en mensen Texel en ook Bloeiende duinen was Kees Bruin, oud-medewerker van Staatsbosbeheer op Texel. Zijn verbluffende kennis van zaken was onmisbaar en hij was nimmer te beroerd voor een pittig commentaar op een voorliggend concept, waarbij hij altijd minimaal voor 90% gelijk had. Teksten van zijn hand waren zeer adequaat en hadden weinig redactioneel poetswerk nodig. Voor Duinen en mensen Texel waren andere eilandbewoners ook van grote betekenis, waaronder Arthur Oosterbaan, Wilma Eelman, Erik van der Spek en Adriaan en Sytske Dijksen (de laatste m.n. fotografie). Een buitengewone vermelding verdient Maarten Stoepker, oud-medewerker Staatsbosbeheer die een magnifiek archief van oude foto’s beheerde waaruit we mochten putten.

Met Maarten Stoepker, april 2013. Zie vooral ook zijn foto uit 1965 in Duinen en mensen Texel, pagina 41.

Financieel konden we de delen Noordkop en Texel rondbreien door een samenwerking aan te gaan met de toen nog net florerende regionale dagbladpers,  in de persoon van uitgever Frenk Dieke. Ik kocht bij hen expertise t.a.v. vormgeving in, hij vermarkte een stevige oplage naar zijn lezers waardoor de drukpersen konden draaien. Ook het PWN was, met het Cultuurfonds, onmisbaar om de eindjes aan elkaar te knopen naast giften van bedrijven en particulieren.

Frenk Dieke, links, 2011

Bloeiende duinen

Bloeiende duinen (2019) gaat over de gehele Nederlandse kust en leunt sterk op beeld en fotowerk van Ronald van Wijk, terwijl de digitale wandelingen werden uitgedokterd door Danny Zuurbier, met als resultaat dat ik 50 plekken in 25 duingebieden wel móest bezoeken en beschrijven. Geen straf. Qua teksten werd ik behalve over de grootste bron Kees Bruin, ook vrolijk van het werk van Nils van Rooijen, Kees Vertegaal, Gerrit van Ommering en Wilbert Kerkhof (sprinkhanen) en de Vlinderstichting die een mooie spread hielp ontwikkelen over duinvlinders. Korte ontmoetingen in het veld met o.a. Kees van der Wal (Schiermonnikoog) en Awie de Zwart (Zeeuws-Vlaanderen) hielpen mij het boek concreter maken. Beeld in dit boek was deels anders dan bij Duinen en mensen door de vele botanische tekeningen die we konden laten maken dankzij o.a. Jacqueline Kok en door de hoogtekaartjes die ik bij elk gebied met Machiel van Wijngaarden ontwikkelde. Erg mooie foto’s waren er o.a. van Bas Kers, Ronald van Wijk, Nico van Kappel, Henk Terhell en vele anderen. Ik betrad met veel plezier het buitenwetenschappelijk pad van het duiden van ‘het karakter’ van een duingebied. Dat geeft te denken en dat is fijn.

Botanische tekeningen voor Bloeiende duinen van Els van der Giessen (helm), Els Hazenberg (parnassia), Jacqueline Kok (duinviooltje) en Marianne van der Stee (duinroos, zeewinde).

Laat je verrassen

Je kon plannen wat je wilde, maar het toeval speelde ook een niet geringe rol. Je moet zo’n archief van Maarten Stoepker toch maar tegenkomen. Magnifieke kaarten bleken nog wel eens op een zolder van een boswachterij of in stoffige archieven bij Ecomare te liggen (die tijd lijkt voorbij). Veel hebben we gedigitaliseerd en online geplaatst. Voor het boek over de Noordkop kwam ik via bronvermeldingen uit bij historisch geograaf Henk Schoorl. Dat leidde weer tot het vinden en opnemen van een met de hand aangevulde kaart van de Noord-Hollandse kuststrook uit ca 1650 van Zoutman, die een nieuw licht wierp op het dijkbeheer en het gebruik en ontstaan van de meren aldaar (en een in ons boek beschreven moord).

Bij archiefonderzoek door Nico van der Wel kwam een kaart met verpachting van Texelse duinen tevoorschijn met daarop de ligging van de helaas vrijwel geheel ontgonnen ‘mienten’ aan de duinvoet. Die kaart siert ons boek over Texel, net als de oude kaart van de zandplaten voor de monding van het Marsdiep die langs koninklijke Engelse wegen tot ons kwam. Die laatste kaart is in ons boek fantastisch verklaard door historicus Frits David Zeiler. Die had eerder al – dat was ik vergeten te melden – door mij geïnitieerd en door het PWN betaald onderzoek kunnen doen naar duintoponiemen (ofwel veldnamen) – zie de deeltitels Hel en Paradijs (Zuid-Kennemerland) en Nollen krochten blinken – Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Beide titels zijn ook te vinden op duinenenmensen.nl en in essentie beschreven in Duinen en mensen Kennemerland en in Bewogen kustlandschap. Veldnamenonderzoek in Texelse duinen werd ons in de schoot geworden door Kees Bruin en Erik van der Spek en door ons online gepubliceerd.

Hoe bescherm je je zelf

Het klassieke adagium ‘Homo homini lupus’ geldt zeker ook voor de boekencomponist. Hoe eenvoudig trap je in de valkuil van nog meer verkenningen, nog meer artikelen, nog meer prachtige foto’s. Ik heb me beschermd door diverse goede linker- en rechterhanden waarbij ik ook Machiel van Wijngaarden nog eens noem voor zijn cartografie. Deadlines waren niet zelden een redmiddel om iemand te laten leveren (of af te laten vallen, sorry). Fotografen heb ik gevraagd delen van hun archieven (die het onderwerp betroffen) bij mij onder te brengen zodat ik via de hulpprogramma’s die er tegenwoordig zijn snel bij hun beeld kon. Dat vraagt veel vertrouwen, maar anders lukte het niet. Beeld en tekst lopen bij mij gelijk op. En we produceerden soms 2 complete pagina’s per week.

Ook Mark Rutte was er (in 2010) blij mee, maar kreeg pas na 2021 tijd om het goed te lezen

Financiële bescherming werd geboden door financiers als het Prins Bernhard Cultuurfonds (bijna alle boeken en ook www.duinenenmensen.nl) en de voorintekenaars, die soms al 1,5 jaar van te voren een bedrag overboekten. Dat klinkt geweldig maar uiteindelijk werden na 2008 alleen de vormgever en drukker en distributeur marktconform betaald. Professioneel boeken maken is eigenlijk gekkenwerk, maar veel te leuk om niet te proberen. Een laag uurloon is trouwens helemaal niet erg als je maar veel uren maakt.

Aanbieding aan de vegetatiekundige, hoogleraarJoop Schaminee, maart 2019

Ben je nu klaar na 5 duinboeken?

Na elk boek ben je er wel een beetje klaar mee, maar dat duurt nooit echt lang. Op Goeree, waar we nu wonen en werken, mochten we in 2019-2020 voor het waterleidingbedrijf Evides een titel helpen maken over de door hen beheerde Middel- en Oostduinen: Het vroon ontrafeld. Qua toon en diepgang en verantwoording een heel ander boek. Zeer waardevol want het komt zelden voor dat een beheerder, in dit geval Marten Annema, samen met twee wetenschappers kwaliteiten, onderzoek en beheer breed kunnen uitmeten. Bij de vormgeving van deze titel is het concept van de duinen en mensenreeks gevolgd. 

Er mislukt ook wel het een en ander. Staatsbosbeheer heeft me wel eens gepolst, maar het idee dat je voor een goed boek ook redelijk moet betalen was daar geen gemeengoed. En niet alle terreinbeheerders zijn zoals PWN en Landschap Noord-Holland, bereid om ver over de grens van hun eigen grondbezit te kijken.

We hebben de laatste jaren een poging gedaan om een Duinen en mensenboek te schrijven over de duinen rond Den Haag, samen met waterleidingbedrijf Dunea. Een andere thematische titel, Oorlogskust, hebben we wel opgezet maar het bleef door gebrek aan stevige financiers niet meer dan een goed idee. 

Vooronderzoek voor Hollandse duinen – 400 jaar kunst en natuur over duintekeningen en duinschilderijen, in is principe afgerond door Boudewijn Bakker, cultuurhistoricus, en ondergetekende, maar deze titel is door gebrek aan goede expositieruimte plus gebrek aan financiers, maar ook door ziekte en andere ongemakken nog even in de wacht gezet. Besprekingen van enkele werken zijn te vinden op www.duinenenmensen.nl via het trefwoord ’duinbeeld’. Geef ons 1 goede sponsor en we zetten het door. Het boek staat al online bij het Centraal Boekhuis als ‘aangekondigd’ en ongezien zijn er daar al 2 verkocht…

Een titel met werknaam ‘Duintaal’ ligt nog te gisten in de kelders van onze geest.

Het meest concreet is op dit moment (eind 2020) het werk aan Duinen en mensen Voorne, waar Theo Briggeman van KNNV Hollandse Delta het bruggenhoofd voor vormt. Of we ooit de hele kust van delen Duinen en mensen gaan voorzien betwijfel ik, want niet elk gebied heeft een beheerder die samen met ons zijn of haar nek durft uit te steken en twee onmisbare zaken meeneemt: vertrouwen en …. Maar ik laat me graag verrassen en word graag – zo lang ik een duinhelling op kan klimmen – 100 jaar.

Recensies

Pieter A. Slim (2020):  Roos, R. (red.), 2019. Bloeiende duinen. Uitgeverij Natuurmedia, Goedereede. 238 p. In: Stratiotes 2020 nr 55: 47-50

Victor Westhoff, (1996). Boekbespreking: R. Roos, Bewogen kustlandschap: Duinen en polders van Noord-Kennemerland. PWN Waterleidingbedrijf Noordholland en Schuyt, Haarlem. 200 p. ISBN 90-609-7400-x. In: De Levende Natuur 97 (2): 98.

Bovenstaande titel is een citaat van Jan Kluit (1722-1811), afkomstig uit de stad Brielle, die in de tweede helft van de achttiende eeuw gebeurtenissen in het land van Voorne beschreef. Anton van Haperen schreef mede aan de hand van zijn gegevens het artikel: De das in de duinen van Voorne!?

Historische gegevens vanaf de 16e eeuw wijzen op de incidentele aanwezigheid van de das in de duinen van Voorne. In hoeverre is er kans dat de das er weer verschijnt? En wie kent er meer waarnemingen uit de periode 16e -19e eeuw?

A.M.M. van Haperen (2017): De das in de duinen van Voorne!? De Levende Natuur jaargang 118, nr. 6; pag. 214 en 215.

(Verscheen eerder in Struinen, het tijdschrift van de Historische Vereniging Westelijk Voorne (33, 3) )

door: Nol Freijsen

Olaertsduin

In het jaar 1354 geeft Mechtild, Vrouwe van Voorne, dus de heerseres op ons eiland, aan twee broers de concessie om het duingebied van Rockanje te gaan exploiteren. Het waren de gebroeders Jacop en Clays Oelaert. Zij werden daardoor de opvolgers van hun voorouders, die hen voorgingen in het gebruik van het gebied. Dit kreeg door de band met deze familie ook hun naam als toponiem (gebiedsnaam): Olaertsduin. De naam is voort blijven bestaan bij Rockanje tot in onze huidige tijd.

            Het betreffende duingebied grensde aan het Oude Rockanje en de polder Stuifakker. Men moet zich hierbij wel voorstellen dat het toenmalige duingebied binnen het Ambacht Rockanje (de latere gemeente) heel wat smaller was dan het tegenwoordige duingebied daar. En een ander groot verschil was de gesteldheid van het landschap. In de oorkonde van Mechtild wordt gesproken over een “uitgors”. Hiermee werd bedoeld dat het gebied nog openstond voor hoge vloeden van zeewater. 

            In de loop van de 14e eeuw kwam er blijkbaar een eind aan het bestaan van de Olaertsers als duingebruikers. Vanaf die tijd kwam het duin in handen van andere pachters. Dat waren prominenten met de naam Van Naaldwijk. De documenten die daarop betrekking hebben, maken ons duidelijk dat het duingebied van Rockanje nog steeds onderhevig was aan overstroming door de zee. Het beperkte de mogelijkheden voor gebruik van het duin. We moeten ons voorstellen dat de meeste inkomsten voor de pachters verworven werden uit de jacht op konijnen, die van de 13eeeuw in ons land voorkwamen en in de duinen zeer talrijk waren. Zij werden gejaagd voor het vlees en het bont.

            Opvallend is het dat ondanks het vertrek van de familie Olaert uit het duin, hun naam voor dat gebied gehandhaafd blijft tot in de 17e eeuw. Dat zien we op topografische kaarten uit die tijd. De kaart van Jacob Cornelis Koutter uit 1608 is daar een duidelijk voorbeeld van (Fig. 1 a en b).  

Fig. 1a. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608: Oolaerdts duyne, ‘Twintgat, Grote Creeck, Kijf Duijne, Berckenrijs. (Jacob Cornelis Koutter; Hingman collectie nr. 2030
Fig. 1b. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608 interpretatie van bovenstaande kaart 1a.

En daar blijft het niet bij. We zien hun naam verschijnen in het poldergebied. Ze werden toen blijkbaar eigenaar of pachter van een deel van de polder Stuifakker en dat kreeg de naam Nieuw Olaertsduin (Fig. 2).

Fig. 2. De duinen nabij Rockanje omstreeks het midden van de 17e eeuw: Nieu Olaers Duijnen, Gorsinge toecomende de Heer van Obdam, Sinte Pietersdyck, TWint gadt. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2035)

            Op die plaats leeft de naam Olaertsduin voort tot in onze tijd. Heden ten dage ligt daar het landgoed met die naam (Fig. 3). Het werd in 1910 gesticht door William Smith. De gebouwen aldaar hebben in de moderne tijd publieke functies gekregen o.a. Volkshogeschool en waren en zijn zo bekend.

Fig. 3. Binnenduingebied van Rockanje nabij het Windgat. Olaertsduin, “Windgat” = Strypemonde. (Topografische kaart 2019; ontleend aan topotijdreis.nl)

Windgat

Er is geen passender naam voor een deelgebied in het duin van Voorne dan de benaming Windgat, zoals hieronder zal blijken. De benaming stamt uit de Middeleeuwen, uit het jaar 1479. Toen werd het gebied genoemd in een oorkonde in verband met verpachting door de toenmalige heersers over Voorne Maximiliaan en Maria van Bourgondië. Het werd omschreven als het gors tussen Berckenrijs in het noorden en de Olaertsduinen in het zuiden. De exacte ligging van Windgat wordt pas duidelijk op de veel latere kaart van Koutter, die we boven reeds hebben genoemd in verband met Olaertsduin (Fig. 1.). Ter verdere verduidelijking: het op deze kaart genoemde Kijf Duyne is nu het gebied van het landgoed Strypemonde. De naam Kijf Duyne kennen we niet meer, wel die van Berckenrijs nl. als naam van een nabij gelegen weg. In de oorkonde werd overigens ook de verpachting van de Olaertsduinen gegund aan dezelfde persoon, zijnde Cornelis Gillisz van Cleyburg. Die gingen dus weer in andere handen over.   

Een grote bijzonderheid van de kaart van Koutter is, dat we een getijdenkreek zien, lopend vanaf de monding van het Haringvliet naar en in het Windgat. Hij draagt de naam Grote Creeck. Van wanneer die kreek dateert, is niets bekend; de geologische kaart geeft hierover geen informatie. Of hij reeds in 1479 er was, weten we dus niet. Het roept wel de vraag op, of de kreek misschien ontstaan is bij de grote stormvloed van 1214, waarbij grote veranderingen optraden in de waterhuishouding van Voorne o.a. ook met de vorming van de Gote kreek.

            Wat we wel weten, is dat de Grote Creeck ongetwijfeld bestond in het jaar 1570. In dat jaar vond de Allerheiligenvloed plaats op 1 november. De kreek was toen de toegangsweg voor het zeewater in de richting van de polder Stuifakker. Het water vernielde de Noorddijk en de Vleerdamsedijk. Dat bracht veel consternatie in die polder. Omdat de leiding van de polder niet gauw genoeg in actie kwam, gingen de ingelanden er toe over om zelf een nieuwe dijk aan te leggen. Dat werd de Pietersdijk, die de Grote Creeck de weg afsneed en de duingebieden aan weerszijden van Windgat verbond. Het restant van de Pietersdijk ligt parallel aan het zandpad lopend vanaf het Kreekpad naar het landgoed Strypemonde. Niet goed zichtbaar echter door overvloedige groei van struiken en bomen. De overstroming van het gebied in 1570 maakt duidelijk, dat het Windgat door zijn openheid in het duin niet alleen toegangspoort was voor veel wind, maar dus ook voor water aangevoerd door die wind. De reden voor mijn opmerking aan het begin, dat de naam  Windgat zo doeltreffend was.

            De naam Windgat is tot in onze tijd blijven bestaan, maar wel op een merkwaardige manier. Op de topografische kaart van westelijk Voorne staat de naam vermeld op de plaats van het landgoed Strypemonde. Hij is dus verschoven en staat niet meer daar waar hij thuishoort. Gewoon fout en dat verwacht je niet van een topografische kaart (Fig. 3). Dezelfde fout treffen we overigens ook aan op oude wandelkaarten van de huidige duinbezitters ZHL en NM. 

Obdam

Boven sprak ik over verpachtingen van de duingebieden, door de eigenaars nl. de Heer of Vrouwe van Voorne of de Graaf van Holland. Dat ging veranderen, het Windgat kreeg een particuliere eigenaar. In de 17e eeuw verschijnt de naam Obdam op kaarten van Rockanje (Fig. 2). Die naam vraagt enige uitleg. Zijn drager was een prominente figuur in het maatschappelijk bestel van Holland in die tijd. Hij heette Jacob van Wassenaer en hij behoorde tot een aanzienlijk geslacht. Zijn vader was admiraal van de marine en hij volgde zijn vader op in die hoedanigheid. De Wassenaers waren heersers in verschillende gebieden o.a. in het stadje Obdam in Noord-Holland en dat bracht blijkbaar de naam Obdam naar ons duingebied.

            Het bezit van de Heer van Obdam, zoals we de aanduiding aantreffen op kaarten, bleef niet beperkt tot het Windgat, maar het breidde zich uit over alle duinen van Rockanje. Dat is mooi weergegeven op een kaart van het jaar 1694 (Fig. 4).

Fig. 4. Het kustgebied van Rockanje en Oostvoorne in 1694. De heer Opdams duijnen. (Gideon van Rest; Hingman collectie nr. 2033)

De toenmalige eigenaar was overigens een jongere vertegenwoordiger van de dynastie Van Wassenaer, waarvan de leden nog een eeuw in het bezit van het duin bleven. Volgens de kaart vormde het duingebied van Voorne een aaneengesloten geheel en het Windgat lag  niet meer open naar het strand. Ook uit andere bronnen is inderdaad bekend dat omstreeks de eeuwwisseling de duinen van Rockanje en Oostvoorne aaneen gegroeid waren. En daarmee ontstond de huidige landschapsstructuur in onze binnenduinen. Het is echter bekend dat het duingebied van Rockanje toch nog steeds erg open lag met veel verstuiving tot gevolg. In 1683 sluit de Heer van Obdam een overeenkomst met het Hoogheemraadschap, het waterschap in die tijd,  tot het aanbrengen van helm in het duin om het zand vast te leggen. 

            De duinen van Rockanje hadden, zoals we nu gezien hebben, van oudsher particuliere eigenaren of pachters. Dat is een opmerkelijk verschil met de duinen van Oostvoorne. Deze bleven al die tijd onder direct beheer van het Huis van Voorne en toen dat uitgestorven was werd de Graaf van Holland of zijn vertegenwoordiger de heerser. In overeenstemming daarmee droeg het duingebied van Oostvoorne de aanduiding Graaflijkheidsduinen. 

            De bespreking van het Windgatgebied vraagt nog om vermelding van een aardig detail. Op een primitief getekende kaart van Rockanje en omgeving treffen we de vermelding aan dat in 1602 grond is aangekocht voor de aanleg van een weg naar Windgat (Fig. 5). Het betekent, dat de toenmalige eigenaar van Windgat zich zo toegang wilde verschaffen tot zijn gebied. Er was dus in dat jaar al een particuliere eigenaar van het gebied, die voorafging aan Jacob van Wassenaer. De aangelegde weg hebben we nog steeds. Het is de Heerzijnweg in de polder Stuivesant. Dit is misschien het meest sprekende restant van de oude geschiedenis van het Windgat. 

Fig. 5a. De polders van Rockanje, Stuifakker en het Windgat. Heerzijnweg uit 1602 in Stuifakker, toegangsweg naar Windgat. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2037)
Fig. 5b.Interpretatie van detail Hingman collectie (nr. 2037) zie 5a.

Literatuur

Freijsen, A.H.J. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Uitgave Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Graaf, H. van der & C. Wind (1985) Rockanje, wording en groei. Repro-Holland B.V., Alphen aan de Rijn. 

Kort, J.C. (1972) Het Archief van de Heren van Voorne Burggraven van Zeeland 1273-1371. Algemeen Rijksarchief, ’s-Gravenhage.

Snijders, M. (2017)  Buitenplaatsen. Het verlangen naar landelijkheid. Westvoornaer 2, 7. Uitgave van Bastion X Communicatie Partners.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50000. Blad Rotterdam West (37W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Kaarten

Nationaal Archief, Den HaagVerzameling Binnenlandse Kaarten Hingman, nummer toegang 4.VTH

Door: Nol Freijsen

De duinen van Voorne staan bekend om hun grote rijkdom aan plantensoorten en hun dierenwereld is eveneens interessant. Hun rijkdom aan veldnamen voor de grote geografische verscheidenheid mag er ook zijn. Het zijn vaak namen met een hoge ouderdom en een soms mysterieuze achtergrond

Brandijk of Branddijk

In de duinen van Rockanje ligt een gebied, dat een wisselende naam draagt; het is Brandijk of Branddijk. Zo was het vroeger en zo is het nog. Dat doet vreemd aan. Nog meer bijzonder is, dat de lettergreep “dijk” in de naam voorkomt. Dat roept meteen de vraag op, hoe kan er een dijk in de duinen van Voorne liggen? Dijken horen in het polderlandschap thuis. Het is interessant om dit alles nader te onderzoeken.

Figuur 1. ANWB kaart 1998 met aanduiding Branddijk

Waar ligt dit interessante gebied precies? Op de kaart (Fig. 1) bevindt zich een wandelpad tussen de ingang van het duin aan het eind van het Kreekpad en de zgn. Zwarte Hoogte. Dat laatste is een duintop begroeid met donkere dennenbomen. Het pad slingert daar naar toe. De eerste honderden meters worden aan de rechterkant begeleid door een grote duinplas De Vogelpoel. Maar aan de linkerkant krijgt u een heel ander beeld. Daar bevindt zich een reeks van duintopjes gescheiden door lagere gedeelten. Dit is nu juist onze Brandijk. Overigens gaat dit beeld van het wandelpad verloren dichter bij de Zwarte Hoogte, waar het pad de bosschages ingaat rondom die duintop.

De eerste vermelding van de Brandijk vinden we in een publicatie uit 1930 van de hand van J. van Hoey Smith. Hij gebruikt de naam Branddijk in verband met het vermoeden dat deze naam ontstaan is in de gedachte dat de branding er tegen aan gestaan zou hebben.
Een eerste gedetailleerde beschrijving van de Brandijk vinden we in een publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith uit 1935. Hij was toen veel langer, ca. 1 km, en strekte zich uit voorbij de plek van de Zwarte Hoogte (Fig.2).

Figuur 2 Ligging van de Brandijk in het duin van Rockanje volgens tekening uit 1935. Zie het oorspronkelijke onderschrift. Een rode lijn is toegevoegd voor de aanduiding van de Brandijk.

De Brandijk wordt door hen beschouwd als een oude bedijking door aanstuiving verkregen. Dat is mogelijk door het aanbrengen van obstakels voor de wind b.v. takken om de ophoping van zand te bevorderen. Zo zou er sprake geweest kunnen zijn van het creëren van een zeewering.
De kaart van Koutter uit 1608 geeft de ligging van de toenmalige duinen van Rockanje (Fig.3).

Figuur 3 de kaart van Koutter, 1608; de Brandijk wordt niet vermeld maar er wordt verondersteld dat de buitenste duinenrij de Brandijk is Met weergave van de kreek Groot Creecke

De Brandijk vormde de uiterste duinreeks in dit duingebied volgens een te verdedigen uitspraak van Hofker & Van Rijsinge uit 1934. De datering van de Brandijk is dus: vóór 1608. Een meer exacte datering hebben we niet.

Dankzij dezelfde kaart weten we, dat op de westpunt van Voorne een kreek het land binnendrong, Groot Creecke genaamd. Deze lag tussen de duinen en de zee en dus ook tussen de Brandijk en de zee. De Brandijk grensde niet aan zee, maar was daarvan gescheiden door de kreek.
Er is een aspect aan de Brandijk, dat twijfel doet rijzen aan een mogelijke functie als zeewering. Volgens een tekening in de publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith zou de Brandijk een open uiteinde aan de zuidkant hebben gehad (Fig. 2). Dat maakt het bestaan van de Brandijk als zeewerende dijk onwaarschijnlijk. Het water kon er omheen stromen. Men kan hooguit veronderstellen, dat hij enige bescherming heeft geboden door het zeewater of het water uit de kreek minder snel toe te laten tot het gebied achter de Brandijk. Daar lag een laag gelegen gebied, tegenwoordig Vallei geheten.

Uit de historie van de aanleg van polderdijken blijkt, dat overstromingsgevaar door de zee van het poldergebied boven het dorp Rockanje, grenzend aan de duinen, heel lang een probleem is geweest. In de 14e eeuw werd daar de Vleerdamsedijk aangelegd en in de 15e eeuw de Noorddijk (Freijsen 2017). Daar blijkt wel uit, dat in het duinsysteem zelf geen dijk aanwezig was. De Noorddijk weerhield ook het water van de Groot Creecke verder landwaarts te stromen en in een latere fase (1570) kwam er een meer zeewaartse dijk, de Pietersdijk, om dit water tegen te houden. De kaart van Koutter noemt deze dijken onder de namen Ouden en Nieuw Noortdijck.

Nu toch nog een positieve beoordeling van de Brandijk als Branddijk. In een verdienstelijke beschouwing van Dynamische processen in Voornes Duin uit 1990 geeft de toenmalige beheerder van NM, Jaap van Baarsen, een tekening, waarin de Branddijk de voortzetting is van de zeereep in meer noordelijk duingebied (Fig. 4). Men moet hierbij echter wel bedenken dat er inmiddels meer buitenwaarts duin ontwikkeld was, dat dienst deed als obstakel voor binnendringend zeewater.

Figuur 4 De Brandijk als voortzetting van de zeereep van 1910

Geraadpleegde bronnen

Baarsen, J. van (1990) Dynamische processen in Voornes Duin. De Levende Natuur 87, no.2.
Freijsen, N. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.
Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wujster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne.
Hofker, J. en W. van Hoey Smith (1935) De periodiciteit van de duinvorming op het eiland Voorne. De Levende Natuur 40 (Gedenkboek Jac. P. Thijsse).
Hofker, J. en C. van Rijsinge (1934) Over het duingebied van Voorne. Natura No. 6.
Kaart van Koutter – Transciptie Streekarchief VP, Brielle/Nationaal archief 4 VTH 2030
Wandel- en fietskaart Duinen van Voorne. NM en ANWB. JAAR??

Vogelpoel met rechts het pad onderlangs de oude Brandijk

Door: Nol Freijsen

Er zijn landschapselementen in het duingebied van Voorne met een interessante historische achtergrond. Het gaat in dit geval niet om een duinterrein, maar om een kreek. Een watergang die in verbinding stond met de zee en bij vloed het zeewater landinwaarts bracht en bij eb omgekeerd.

De kreek zelf is niet bewaard gebleven. De plaats waar hij in het binnenduin  gelegen was, kunnen we terugvinden in het graslandgebied  aan de noordzijde van het Kreekpad in Rockanje. Dit verwijst met zijn lage ligging naar de vroegere bedding van de kreek.

Figuur 1: transcriptie van kaart Koutter, 1608

In de Late-Middeleeuwen was de kreek nog zichtbaar aanwezig. Daarvoor kunnen we verwijzen naar de (bewerkte) kaart van Koutter uit 1608 (Fig. 1). De kreek draagt de naam Grote Creeck. Hij kwam naar binnen op de westpunt van het eiland Voorne en liep met een boog over de strandvlakte naar het duin. Een slufterachtig landschap. Op de plaats waar hij de duinstrook binnenging was echter geen duin, maar openheid. Die openheid liet het water naar binnen komen en ook de zeewind. Dat blijkt uit de naam ‘Twintgat. De Grote Creeck liep mogelijk vervolgens in de richting van het Meertje De Waal bij Rockanje, waar de grote loop van de Strype heeft gelegen die evenwel zuidelijk uitmondde. We zien op de kaart de laatmiddeleeuwse situatie, waarin reeds twee dijken zijn aangebracht om binnendringend water tegen te houden. In de 15e eeuw is de Noorddijk aangelegd, waardoor de polder Stuivesant tot stand kwam. In 1570 werd de Pietersdijk (in de fig. Nieuwe Noortdijck) door de plaatselijke bevolking aangelegd. Het was een reactie op de stormramp van dat jaar, waarbij op diverse plaatsen de Noorddijk (in de fig. Den Ouden Noortdijck) werd doorbroken. De kronkels in de dijk, zgn. vingerlingen, herinneren nog daaraan. Over de bovenloop van de kreek geeft de kaart dus geen informatie. 

Een heel ander landschapsbeeld van hetzelfde onderdeel van de Voornse kust krijgen wij in een tekening van een veel latere datum. Het gaat om een kaartbeeld gegeven in een plaatselijke krant van Voorne: Nieuwe Brielsche Courant van 28 maart 1963 (Fig. 2).

Fig. 2 Ligging van de Achter-Strype als zijtak van de Strype in reconstructie-tekening van 1963.

De kaart is de illustratie bij een artikel geschreven door J. van Hoey Smith over de geologie van het Voornse duingebied. Het opmerkelijke van kaart en artikel is de weergave van wat hij noemt de Achter-Strype. Het wordt al gauw duidelijk, dat we hier te maken hebben met dezelfde kreek, hierboven besproken. Vanaf de zee tot aan de Noorddijk  heeft de Achter-Strype dezelfde ligging als de Grote Creeck. Vervolgens kunnen we de vergelijking tussen de twee uitbeeldingen van de kreek niet voortzetten. Immers van de Grote Creeck kennen we slechts de ligging tot aan de Noorddijk, maar de Achter-Strype heeft een verdere bedding.

Van Hoey Smith veronderstelt dat de Achter-Strype loopt door de polders Stuifakker en Strype tot aan de kreek Strype en bij het Merrevliet, een zijarm van de Strype, komen ze te samen. De Strype-kreek vervolgt zijn weg als Strypsche Wetering. (Die wetering is inmiddels hersteld in zijn oorspronkelijke vorm van kreek.) We moeten aannemen dat de ligging van dit tweede gedeelte van de Achter-Strype op de tekening de situatie weergeeft van ver vóór de Late-Middeleeuwen. Er is met wat goede wil een zekere overeenkomst met het beeld van de loop van kreken op de geologische kaart van het gebied van vóór het begin van onze jaartelling (Fig. 3).

Fig.3 Geologische kaart met aanduiding van het geulsysteem van vóór Chr. Zie de opeenvolging van de cijfers 13, 6 en 10 vanaf de westpunt voor de kreek Achter-Strype.

De tekening van de bedding van de kreek in het krantenartikel is gebaseerd op grondboringen, waarmee ondergrondse zandbeddingen van kreken werden gedetermineerd. En dat was ook de werkwijze bij de geologische kaart. Een tweede argument dat het oostelijk deel van de Achter-Strype van een ver verleden dateert, is het feit dat elke weergave op kaarten van het gebied ontbreekt. Voor de Strype, de hoofdstroom van Rockanje naar Tinte, geldt een datering van 1500 v. Chr. (Freijsen 2010). Dat sluit goed aan bij de veronderstelling over de ouderdom van de Achter-Strype. 

Wat de naam Achter-Strype betreft, die kan ontleend zijn aan de polder van die naam. De Achterstrypseweg maakt de situering daarvan duidelijk. Conclusie van het krantenartikel is, dat de Strype twee mondingen had, waarvan de noordelijke grensde aan het gebied van het tegenwoordige landgoed Strypemonde. Van Hoey Smith was eigenaar van het landgoed en heeft zich bij de keuze van die naam voor zijn bezit kennelijk sterk laten leiden door zijn opvatting over de naam voor de veronderstelde tweede monding. In een publicatie in 1930 had hij zich reeds uitgesproken over het bestaan van die monding van de Strype, die hij later met bewijsmateriaal in het krantenartikel lanceerde (Van Hoey Smith 1930). De naam Grote Creecke bleef op de achtergrond bij dit alles.

Geraadpleegde bronnen

Freijsen, N. (2010) De oude kreek Strype op Voorne. Van getijdenkreek naar watering en terug. Historisch-Geografisch Tijdschrift 28, no. 2.

Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wuijster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne. 

Hoey Smith, J. van (1963) Hoe Voorne’s kust ontstond. Geologisch Onderzoek naar oude rivieren en kustlijnen. Nieuwe Brielsche Courant, 28 maart 1963.

Kaart van Koutter uit 1608 –  Transcriptie Streekarchief VP, Brielle.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland. Geologische Kaart van Nederland Blad 37W (1979). Rijks  Geologische Dienst, Haarlem. 1: 50.000. Blad Rotterdam West (37W).

Sporen uit de twintigste eeuw in de Helderse Duinen

Jarni van Roon

In 2020 begon Jarni van Roon met de pre-master Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hiervoor moest hij een scriptie schrijven over een eigen gekozen onderwerp. In onderstaand artikel een paar hoofdlijnen van zijn verhaal (red.).

Ik ben geboren in Den Helder, waar ik tot mijn 22e gewoond heb. Den Helder is rijk aan historie, daarom was het voor mij een kans om de stad nog beter te leren kennen. Over de binnenstad is al veel geschreven; hoe deze gebombardeerd is tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna opnieuw opgebouwd werd. Dat is een bekend onderwerp. Waar minder over geschreven is, is de cultuurgeschiedenis van de duingebieden in Den Helder. Den Helder kent namelijk een aantal prachtige duingebieden. Voor mijn onderzoek heb ik mij gefocust op twee heel verschillende, aan elkaar gelegen gebieden, namelijk: de Grafelijkheidsduinen en de Donkere Duinen. Deze duingebieden liggen ten zuiden van het dorp Huisduinen, maar verschillen enorm van elkaar. In mijn onderzoek heb ik mij gefocust op de ontwikkelingen van de twintigste eeuw.

In de Grafelijkheidsduinen zijn historische sporen te zien van drie verschillende elementen: de twee Wereldoorlogen en een intensieve drinkwaterwinning. De Donkere Duinen hebben in de twintigste eeuw een compleet ander traject doorlopen. Het gebied heeft een grote transformatie doorgemaakt. Voorheen was het een duingebied dat zou kunnen lijken op de Grafelijkheidsduinen, maar tegenwoordig is het een recreatiegebied. Daarnaast is het dennenbos zich langzaam aan het omvormen tot een loofbos. Hieronder ga ik verder in op de sporen van de twintigste eeuw, die nog zichtbaar zijn in de twee duingebieden. 

Grafelijkheidsduinen

De Grafelijkheidsduinen zitten vol met oorlogssporen, zowel van de twee Wereldoorlogen als van eerdere oorlogen. Allereerst de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Als reactie op deze oorlog zijn er drie sets aan bunkers aangelegd op een centrale locatie. Deze maken deel uit van de Stelling Helsdiep. Stelling Helsdiep werd tussen 1916 en 1939 aangelegd als verdediging tegen een nieuw fenomeen, namelijk het ‘indirecte vuur’. Dat houdt in dat men specifiek richtte op centrale verdedigingswerken. Door drie sets te verspreiden over de duinen, probeerde men dit tegen te gaan. De sets bestaan uit drie gebouwen: een geschutsemplacement, open bedding en een later in 1939 toegevoegd personeelsonderkomen. 

Afbeelding 1: geschutsemplacement

De Tweede Wereldoorlog heeft meer sporen achtergelaten in de Grafelijkheidsduinen. De Grafelijkheidsduinen gingen deel uitmaken van de Atlantikwall: de duizenden kilometers lange verdedigingslinie door Europa. De meest prominent zichtbare bunkers hiervan zijn onderdeel van de De Flagruko Den Helder – W.N. 123a M stelling. Deze stelling omvat in totaal twaalf bunkers, waarvan de bekendste natuurlijk de Kroontjesbunker ofwel de FL250 is. Deze bunker was de commandopost van de Duitse Marine in Den Helder. Daarnaast zijn er een aantal schuilplekken, wasplekken en verblijfsplekken voor soldaten.

Afbeelding 2: de Kroontjesbunker

In totaal zijn er nu nog 36 bunkers te vinden. Maar niet alleen bunkers zijn zichtbaar in de Grafelijkheidsduinen, er zijn ook een aantal bomkraters! Engelse bommenwerpers richtten regelmatig op het onderkomen van de Duitsers in Huisduinen. Deze misten soms hun doel, waardoor ze terecht kwamen in de Grafelijkheidsduinen. Hieronder staat een kaart met de (resten) van alle oorlogssporen in de Grafelijkheidsduinen.

Afbeelding 3: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met oorlogssporen. Paars = Stelling Helsdiep; rood = sporen van de Tweede Wereldoorlog; rode open cirkels = bomkraters.

Misschien ietwat minder spannend dan de oorlogssporen, zijn de sporen van de waterwinning in het landschap van de Grafelijkheidsduinen. Hoewel deze nog wel nadrukkelijk aanwezig zijn! Tot aan 1983 vond waterwinning in de Grafelijkheidsduinen plaats. Het was niet altijd even intensief, maar op het hoogtepunt van de waterwinning gaf de gemeente Den Helder een dringend advies aan de burgers: doe voorzichtig met het water, het zoete grondwater in de duinen begint op te raken. Het voornaamste restant is het oude pompstation. Dit pompstation is in de tweede helft van de negentiende eeuw opgezet om het water uit het gebied te pompen en via strandpijpen naar de haven te transporteren. Zo konden de schepen die via het Noord-Hollands Kanaal kwamen, gebruik maken van het water. Het pompstation verkeert echter niet meer in origenele staat. De toren naast het gebouw is verwijderd, evenals de schoorsteen en delen van de façade. Toch blijft het een duidelijke herinnering aan een vervlogen tijd. 

Afbeelding 4: Het oude pompstation, in de huidige staat

Naast het pompstation is de contour van een prise d’eau te vinden. Een prise d’eau is een lange, rechte sleuf in het landschap, waardoor er een sloot ontstaat. Als de duinbodem veel grondwater bevat, stroomt dat vanzelf de de prise d’eau in, waarna het direct opgepompt kan worden. Onderstaand is een kaart waarop alle sporen van de waterwinning in de Grafelijkheidsduinen aangegeven zijn. 

Afbeelding 5: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met de sporen van de waterwinning

Donkere Duinen

Zoals gezegd, hebben de Donkere Duinen in de twintigste eeuw een geheel andere ontwikkeling doorgemaakt dan de Grafelijkheidsduinen. In 1910 werden er voor het eerst plannen opgesteld om de Donkere Duinen te bebossen, waarna in 1917 de voorbereidingen van start gingen. De eerste boom werd in 1920 geplant, waarna er in vijf fases verder werd geplant. Tijdens mijn onderzoek was het lastig om de fasering van de bebossing duidelijk te krijgen. Zelfs in de archiefstukken van het Regionaal Archief in Alkmaar kwam ik geen eenduidige jaartallen over de fasering tegen. Ook was er helaas geen informatie beschikbaar over de oprichting van de camping, hoewel deze volgens de kadastrale kaarten al zeker sinds 1961 bestaat. Wel is duidelijk omschreven dat in 1928 speciale loofboomsoorten werden toegevoegd aan de eerder geplante dennenbomen, om zo een gevarieerd bosbeeld te krijgen. Om een duidelijk beeld te schetsen van welke boomsoorten waar te vinden zouden zijn, heb ik hieronder een kaart geplaatst. Erg leuk om zelf op zoek te gaan en te boomspotten!

Afbeelding 6: Kaart van de Donkere Duinen met boomsoorten

Tijdens de bebossing zijn ook een aantal recreatie-elementen aangelegd, waarvan de vijver het duidelijkst is. Waar bijna niks meer van te vinden is, is de kinderboerderij die tientallen jaren in de Donkere Duinen heeft gestaan. In 1972 werden daar voor het eerst schetsen voor gemaakt en tot in 2006 hebben hier varkens, pauwen, geiten en een hertenkamp rondgelopen. In 2006 is de boerderij expres afgebrand wegens de verhuizing; de dieren werden verplaatst naar de Helderse Vallei. Van de kinderboerderij zijn dan ook geen materiële sporen te vinden, maar het heeft wel een duidelijk spoor in het landschap achtergelaten. Vergelijk de eerste schets en een huidige hoogtekaart maar eens! 

Afbeelding 7: Vergelijking schets kinderboerderij en huidige hoogtekaart

Tot slot

Zowel de Donkere Duinen als de Grafelijkheidsduinen bevatten vele sporen uit de twintigste eeuw, maar de twee gebieden hebben wel duidelijk verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Dat maakt een bezoek aan beide gebieden zo interessant. Daarom raad ik het zeker aan om een wandeling door beide gebieden te maken en te kijken of je wat van de oude sporen terug kunt vinden! Helaas is het vaak lastig om de sporen in de Grafelijkheidsduinen daadwerkelijk van dichtbij te bekijken: de duinen zijn een beschermd natuurgebied en daardoor voor het grootste gedeelte niet vrij toegankelijk. Via de openbare paden zijn de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog wel duidelijk te zien. Op de Open Monumenten Dag zijn meerdere bunkers toegankelijk die zeker een bezoekje waard zijn!

Herkomst afbeeldingen:

Afbeelding 1: Bunkerinfo

Afbeelding 2: Visit Waddenhttps://www.visitwadden

Afbeelding 3: Satellietfoto met eigen toevoegingen 

Afbeelding 4: Mondriaanfonds (fotograaf: Sanne Kabalt)

Afbeelding 5: Satellietfoto met eigen toevoegingen 
Afbeelding 6: Kadasterkaart via topotijdreis met eigen toevoegingen
Afbeelding 7: Regionaal Archief Alkmaar, Archief Gemeente Den Helder (1882) 1919-1994 (1998) (toegangsnr. NL-AmrRAA25.1.1.004, inventarismap II.C.6.6), 1882, 1919-1994 en 1998.

Verder lezen:

Kraters en campings, Scriptie, Jarni van Roon, 2021

Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater, Rolf Roos e.a., 2011; deels te zien op duinenenmensen.nl en ook online te bestellen.

Voor de echte liefhebber: drie rozetten die we eind feb. 2021 aantroffen in de duinen van Voorne. Welke drie soorten zijn dit van links naar rechts?

Klik hier voor grote weergave

Mail ons je oplossing en onder elke 10 goede inzendingen verloten we nu al weer ZESDE druk van de Winterflora bomen en struiken van Dirk Slagter.

Door: Rolf Roos

(Dit artikel verschijnt ook in: In de Branding, april 2021)

Er zijn plekken in ons land waar je nog makkelijk iets kunt ontdekken. In de oksel van de buitenpier van de nieuwe vissershaven van Stellendam (uit ca 1971, toen de Haringsvlietsluizen werden opgeleverd) is in de luwte van de dijken zand van zee aangeland en opgestoven tot wat lage duintjes. Je let een paar decennia niet op en hup, daar ligt weer een nieuw landje. Het is het enige duin plus strand in de wijde omtrek waar honden en hun bezitters vrij mogen ronddarren, wat de boel openhoudt met vele paadjes.

Je kunt het zien als een piepjong ‘zeedorpenlandschap’ met rommelige duintjes en wat ‘verrijking’ door menselijk gedoe zoals we dat kennen uit Scheveningen en Katwijk. Het lijkt een hoekje van niets, tot je op onderzoek uit gaat. Hier werd een soort gevonden, vrijwel alleen bekend uit de duinen en mogelijk nieuw voor de wetenschap.

In mijn eigen gebruikerslocatie voor deze plek, kan ik onder ‘waarnemingen’ selecties aangeven, b.v. vogels en een periode (b.v. laatste jaar) en dan krijg je een vol kaartje te zien en als je op een stip klikt ook de soort (en de waarnemer etc). Van goudvink tot zilverplevier, van rosse grutto tot steenloper. (Zie ook: Maak je eigen gebruikerslocatie).

Gebruikerslocatie ‘strand stellend en vogels 2020

Dit verhaal gaat over paddenstoelen en dus geef ik nu de kaart van de paddenstoelen tussen 1 maart 2020 en 1 maart 2021. Zie kaart hieronder.

Concentratie van paddenstoelen waarnemingen in de oksel

Ongeveer 100 waarnemingen in 1 jaar van ca 20-30 liefhebbers en kenners. De meeste vondsten, zo blijkt uit de kaart, zitten in de lage zandige duintjes vlak bij zee (zie uitsnede). 

In ons land vrij algemene soorten waren hier Duinstinkzwam – Phallus hadriani  (o.a. door William de Jong gevonden), de Ruwstelige stuifbal – Tulostoma fimbriatum, het fotogenieke Zandtulpje – Peziza ammophila, (gevonden door   Arjan Miete), het Gesteeld mosoortje – Arrhenia spathulata (vondst van Rob van Dorland) en  Duinmostrechtertje – Omphalina galericolor  (waarneming: Tup Naring). Van de zeldzame soorten noemen we Gekraagde stuifbal – Tulostoma kotlabae (die John Kil aantrof) en de Lamsoorroest – Uromyces limonii  (die Hein Nouwens traceerde op het blad van Lamsoor).

Het mycologische spektakel vormden twee zeer zeldzame soorten: Helmdikhoed – Leucopaxillus paradoxus (o.a. door Maarten Langbroek gevonden), en als klapstuk de vondst van Helmkoraalzwam – Ramaria ammophila (waarneming:. M. van der Hee, zie foto hieronder).

Helmdikhoed; foto Maarten Langbroek

Volgens de Gids voor zeereeppaddenstoelen van Chiel Noordeloos (2020, KNNV-uitgeverij), pag. 161 is deze soort: ‘ een paar maal aangetroffen in de zeereep tussen helm, onder andere bij Den Haag, Zwanenwater en op Texel. (…) goed gedocumenteerd materiaal is nodig om deze soort definitief als nieuw te kunnen beschrijven’. Geen wonder dat mycologen kwamen invliegen van ver buiten de eigen regio: een nieuwe soort in het universum van paddenstoelen, nu ook in Stellendam!

Helmkoraalzwam; foto M. van der Hee

We speuren op deze route naar de loop van een oude kreek die tot circa 1500 kustwaarts uitstroomde (en  bij hoogwater van zee komende overstromingen mogelijk maakte tot diep voorbij het huidige duin). Wat is er allemaal te zien van deze oude kreek? Aanwijzingen zijn o.a. woorden als Kreekpad, een bijna niet meer te vinden dijk die een eind maakte aan de invloeden van zee (de Pietersdijk) en het Breede Water zelf.  Zie verder de tekst in het boek ‘Duinen en mensen Voorne’ (in prep.) Foto’s: Henk Terhell en Rolf Roos

Exporteer als KML voor Google Earth/Google MapsOpen standalone kaart in volledige scherm modus
Rondje Breede water, Voorne

kaart is aan het laden - een ogenblik geduld aub...

| | km | | /km | +m -m (net: m) | download GPX bestand download GPX bestand
1a Kreekpad bord: 51.887326, 4.056444
1b Kreekpad Sneeuwklokjes: 51.890080, 4.056702
2 Kreekpadweiden: 51.891855, 4.057002
3 Strypermonde: 51.894080, 4.057045
4 Pietersdijk: 51.893232, 4.056487
5 Duinrel: 51.894106, 4.056015
6 Vogelwei: 51.894821, 4.056187
7 Een fraai uitzichtpunt, de Grote Hoogte: 51.896410, 4.052281
8 Soldaatjesduin: 51.901018, 4.056830
9 Eerste Jaagpad: 51.901865, 4.057775
10 Onbegaanbaar paadje met mooie abelen: 51.900727, 4.048805
11 Uitzicht noordzijde: 51.895377, 4.044685
12 Schapenwei: 51.894795, 4.042368
13 Eerste Zanderij: 51.892332, 4.046402
14 Duinhuisje: 51.891723, 4.054084
marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
1a Kreekpad bord

Het Kreekpad: je mag er wandelen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
1b Kreekpad Sneeuwklokjes

Sneeuwklokjes langs het Kreekpad in februari.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
2 Kreekpadweiden

 

Kreekpadweiden waar eens de kreek naar de zee lag.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
3 Strypermonde

Beuken met doorzicht richting Vogelwei

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
4 Pietersdijk

Pietersdijk beplant met dennen; rechts de Kreekweiden

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
5 Duinrel

In de winter is de rel het beste te zien want stromend water blijft meestal open.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
6 Vogelwei

Winterbeeld Vogelwei; hier vlogen op 22 feb. 2021 al rosse vleermuizen, achternagezeten door een sperwer.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
7 Een fraai uitzichtpunt, de Grote Hoogte

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
8 Soldaatjesduin

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
9 Eerste Jaagpad

15 markers
per pagina
pagina 12

Door: Dick Schermer

In 2020 is onderzocht hoe het met de heikikker in het Nationaal Park Duinen van Texel gaat. De laatste jaren werden ze nog maar nauwelijks gezien en dat baarde binnen het bestuur van het Nationaal Park zorgen. Bestaat er nog wel een levensvatbare populatie? Met deze vraag in het achterhoofd zijn in maart alle ondiepe plassen in de duinen afgelopen op kikkerdril.

Mannetje heikikker Horsmeertjes (foto E. Menkveld)

De heikikker is een mooi, klein kikkertje en komt op Texel voornamelijk in de duinen voor. Heel kenmerkend is de smalle snuit en de lichte streep op de rug. In het Nederlandse duingebied komen ze anno 2020 alleen op Schouwen en Texel voor. Omdat de heikikker geen echte kwaakblaas heeft klinken de geluiden zacht. Zij worden in het vroege voorjaar voortgebracht door de dan blauw kleurende mannetjes. Het klokkende geluid wordt omschreven alsof er een fles onder water wordt gehouden waaruit lucht ontsnapt. 

Roep heikikker

Om de kans op succes te vergroten is er onder natuurliefhebbers op Texel ruchtbaarheid gegeven door middel van het verspreiden van een informatieblad. Er werd gevraagd om waarnemingen van heikikkers op de site Waarneming.nl te plaatsen. Daarnaast is ook informatie gegeven via het Boswachtersblog Texel van Staatsbosbeheer en er is een informatieartikel verschenen in het huis-aan-huis blad ‘Texel, dit weekend’.

Kerngebieden in het Nationaal Park

Het dril van bruine kikkers en heikikkers is nauwelijks te onderscheiden. Daardoor was controle van plekken met dril  in juni en juli nodig. Het voorkomen van juveniele heikikkers gaf zekerheid over de waargenomen soort. 

Jonge heikikker
Dril in het Geulgebied, 2020

Tijdens dit onderzoek zijn twee kerngebieden duidelijk geworden: rond de Geul en de Muy. In het Geulgebied werden 131 klompen kikkerdril in het Geulgebied gevonden. In de buurt van het Pompevlak lagen maar liefst 78 bij elkaar in een snel uitdrogende vallei. Afgelopen zomer zijn alle plekjes nagelopen op het voorkomen van heikikkertjes. Enkele jonge dieren zijn gevonden op plekjes waar geen dril was ontdekt, zoals langs het westelijk Horsmeertje.

Waarnemingen dril Muijgebied 2020

In het Muygebied waren vooral de landjes van de Nederlanden, bij de boet van Hopman en de Buitenmuy succesvol. Tezamen ging het om 210 klompen dril en enkele volwassen dieren. Bij de zomerse controle werden hier een aantal heikikkertjes en een enkel bruin kikkertje aangetroffen – een soort die meestal op Texel in de dorpen voorkomt.

Afname van de heikikker op Texel

Om de gegevens van 2020 te vergelijken met oude gegevens zijn een aantal bronnen uitgezocht zoals het oude vogelwachtersarchief van Staatsbosbeheer, persoonlijke gegevens van Jan Witte (voormalig SBB-medewerker en enthousiast amfibieënwaarnemer), de gegevens van het IVN-onderzoek van 2008 tot en met 2012 via Mark Fonds, gegevens uit Waarneming.nl en het NDFF.

Een vergelijking met deze gegevens laat zien dat de aantallen in de Geul teruglopen. Een aantal wat diepere poelen, die voorheen ‘vol’ zaten met heikikkers, leven nu alleen nog groene kikkers. Vroeger kwam deze soort op Texel niet voor. Zij zijn in de jaren ‘80 ontsnapt uit tuinen en hebben zich daarna razendsnel verspreid. 

In de Bollekamer verdween de populatie heikikkers nagenoeg. Tien jaar geleden werden nog grote hoeveelheden dril gemeld tijdens een onderzoek van het IVN-Texel. De oorzaak van deze enorme achteruitgang is niet duidelijk; het milieu is hetzelfde gebleven.

In de Muy lijkt het te gaan om een gezonde populatie heikikkers. In de Bleekersvallei is mogelijk nog een kleine populatie. In de Eierlandse Duinen zijn heikikkers waarschijnlijk nooit algemeen geweest en hier stamt de laatste waarneming uit 2008. Mogelijk is de soort daar verdwenen.

Door de afstand (meer dan 10 kilometer) van de Geul en Muy-clusters is het niet aannemelijk dat er genetische uitwisseling plaats kan vinden. Het blijft zaak om de ontwikkeling van de heikikker in de Texelse duinen te blijven volgen.

Heikikker voor en na 2000 landelijk beeld https://www.verspreidingsatlas.nl/A251

Naschrift

In een artikel van Van Laar uit 2005 staan veel gegevens over de oudste waarnemingen op Texel. Hij gaat hier ook meer in op de verspreiding in het verleden buiten de duinen. De theorie is dat de heikikker een relict is van de populatie die ook op de wal bestond en overbleef na het verbreken van verbinding met de vaste wal rond 1100 (ontstaan Marsdiep). Er schijnt bij een opgraving bij Bovenkarspel (N.H.) fossiele heikikkerbotjes gevonden te zijn van enkele duizenden jaren oud (zie: Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen).
Een aantal heikikkerwaarnemingen in de buurt van Den Burg (zie Waarneming.nl) zijn mijns inziens vertroebeld door het succesvol uitzetten van heikikkerlarven in vijvers waar ook bruine kikkers voorkomen. Mogelijk heeft de bruine kikker de heikikker hier weer laten verdwijnen. Over het voorkomen buiten de duinen zijn de laatste tijd weinig waarnemingen. Een intrigerende waarneming uit 2020 komt uit de buurt van het Texelse polderreservaat Dijkmanshuizen. Mogelijk zijn er op het oude land van Texel nog hier en daar kleine populaties.

Op 9 februari 2021 belden we de boswachter die nog van open water sprak en het ‘wees voorzichtig’ uitsprak. Maar op 10 februari na weer veel vorst toch maar kijken en zag ik de eerste waaghals door het ijs zakken. Maar de grote plas hield! Er is precies een rondje van 1,1 km te schaatsen. Geen volk en ook geen beest. Want voor aalscholver, lepelaar etc is het een te vermijden ijzig oord.

Exporteer als KML voor Google Earth/Google MapsOpen standalone kaart in volledige scherm modus
Quackjeswater

kaart is aan het laden - een ogenblik geduld aub...

| | km | | /km | +m -m (net: m) | download GPX bestand download GPX bestand
Quackjeswater: 51.849220, 4.075842

Op 11 februari is het schaatsvirus al rond gegaan en staat er een vrolijk gezelschap onder het uitkijkpunt op het ijs.

Op 12 februari is het al weer zo druk dat dat de bermen worden stukgereden door auto’s.

Bij de uitgang een bijzonder fenomeen. Alles is verstard maar overvloedig water stroomt af richting de lager gelegen polder. Hier scharrelen watersnip en koperwiek.

Momenteel zijn er heel veel recreatieoorden in Nederland maar hier in Hoek van Holland is het allemaal begonnen. Een interessante historische plek die nu de nek wordt omgedraaid. Tekst: M. de Jong. 

Het ‘Hoekse’ Recreatieoord en haar eeuwige verbondenheid met de duinen

In het stuifzand tussen de huidige duinopgang Stuifkenszand en de Rechtestraat in Hoek van Holland verzamelden zich rond 1920 steeds meer strandgangers. Ze bouwden zandkastelen. Door tentdoeken werden de mensen beschermd tegen het opwaaiende zand. Het naar zee gaan was eigenlijk niet zo zeer, het in zee gaan, maar meer het flaneren over het strand. Het ging om zien en gezien worden maar natuurlijk ook om de natuur en de schitterende duinen. Werd er een lekkere frisse duik genomen dan gebeurde dat in eendelige badpakken.

Toen de dagjesmensen langer op hun zo geliefde strand wilden verblijven gingen ze tentjes bouwen. Deze tentjes stonden eerst op het strand en werden later meestal in de duinen geplaatst. Langzaamaan kwamen er steeds meer tentjes bij en ontstond er als het ware het eerste kampeerterrein aan zee. Dit eerste kampeerterrein werd officieel bekend gemaakt op 28 april 1921. Het eerste Recreatieoord van Nederland was hiermee een feit. De toestroom van met name Rotterdamse arbeiders was groot en het kampeerterrein werd al snel een begrip. De tentjes van het kampeerterrein transformeerden zich snel naar kleine houten huisjes.

Er werden gezamenlijke activiteiten georganiseerd en zo ontstond in 1926 de oudste nog steeds actief zijnde kampeervereniging van Nederland. De kampeervereniging ‘Rotterdam aan Zee’ of vaak afgekort als R.A.Z. is tot op de dag van vandaag nog steeds een zeer actieve kampeervereniging met diverse leuke activiteiten voor jong en oud. Activiteiten die zorgen voor een enorme samenhorigheid. André van Duin heeft zijn artiestennaam tijdens een verblijf op het Recreatieoord vernoemd naar de Hoekse duinen. Maar ook bijvoorbeeld André Hazes [senior] schreef op het Recreatieoord zijn mooiste liedjes.

“Het Recreatieoord in Hoek van Holland met zijn Oude en Nieuwe Kamp vormen de houten kampeerstad van ‘Rotterdam aan Zee’. Al nagenoeg 100 jaar wordt hier gerecreëerd in bijna 1000 houten zomerhuisjes met allemaal een unieke uitstraling. Huisjes met kleine raampjes en een puntdakje die gemoderniseerd zijn door de komst van waterleidingen, aardgas en elektra staan naast eigentijdse varianten in hippe kleuren. Kleine knusse wandelstraatje voorzien van groene ligusterhaagjes kringelen rondom centrale voorzieningen waaronder het recreatiegebouw, het voetbalveld en diverse speelvoorzieningen. In de wandelstraatjes hebben Rotterdamse hardwerkende arbeiders met trots hun eigen droomhuisje kunnen bouwen. Maar ook veel trotse bewoners uit de randgemeenten van Rotterdam hebben hier hun ‘plekkie’ gevonden. De vlaggen van Rotterdamse havenbedrijven wapperen vrolijk en het geluid van de touwen tegen de masten wordt afgewisseld met het geluid van de zee en de vogels in duinen.


Omstreden verkoopplannen recreatieoord Hoek van Holland

Drie dagen na de gebruikelijke wintersluiting heeft de gemeente Rotterdam vanuit het niets bekend gemaakt dit bijzondere Rotterdamse erfgoed te willen verkopen. Helaas blijken verkoopplannen achter de schermen al heel ver doorontwikkeld te zijn, wat de bewoners van het inmiddels officieel als immaterieel erfgoed geregistreerde Recreatieoord in ‘De Hoek’ bijzonder strijdlustig maakt. Het zal toch niet gebeuren dat dit unieke stukje Rotterdams Erfgoed verloren gaat?

De bewoners, bezoekers en kampeerverenigingen hebben zich verenigd met als gezamenlijk doel deze verkoop te voorkomen of om de culturele schade te beperken. Wat zou de schade groot zijn bij verkoop aan een commerciële partij of een rijke ontwikkelaar.

Staan er straks allemaal glimmende luxe vakantievilla’s met een subtropisch zwembad of een chique golfbaan?

Het oudste vakantiedorp van Nederland, dat koester je en sloop je niet! Het is niet voor niks dat er hele boeken en mooie websites over dit unieke stukje Rotterdams erfgoed zijn geschreven. De recreanten op het Recreatieoord zijn verbonden aan de duinen en de liefde met de zee.

Het Recreatieoord vormt een mooi voorbeeld van de eeuwige liefde tussen de duinen en de mensen.

Weblink petitie tegen omstreden verkoopplannen

Door: Rolf Roos, met dank aan Dick van der Laan; aanvullingen welkom aub onderaan artikel.

F.W. van Eeden (1829-1901) was directeur van het Koloniaal Museum, maar daarnaast een belangrijk plantenkenner. In zijn ook nu nog goed leesbare boek ‘Onkruid’ uit 1886 stelt hij voor om sommige delen van Nederland te bewaren als monument der natuur, waarmee het woord ‘natuurmonument’ voor het eerst werd gebruikt. In 1874 publiceerde van Eeden een ‘Lijst der planten die in de Nederlandsche Duinstreken gevonden zijn’, die we als pdf hebben opgenomen. Het is het eerste overzicht van de botanische rijkdom van de duinen. F.W. van Eeden had zelf veel veldkennis opgedaan in de duinen van Kennemerland. Op Voorne is hij voor zover bekend niet geweest maar hij vermeldt wel zijn bron van kennis over dit eiland: “Flora van Brielle en omstreken, voornamelijk van de duinen van Voorne, gedurende een tweejarig verblijf  aldaar samengesteld door den Heer M. W. Beijerinck, met raadpleging van den heer Huisman te Brielle, en mij in handschrift afgestaan.“ Beide bronnen zijn voor zover bekend verloren gegaan.

Frederik-Willem van Eeden, portret uit 1899 door Therese Schwartze.

De lange lijst uit 1874 bevat veel bijzonderheden van Voorne, waarbij soms Rockanje of Oostvoorne expliciet worden genoemd. Een enkele keer wordt ook het (toen nog vele malen grotere) gebied van de Heveringen genoemd, een laag en oud binnenduinlandschap op de grens van Rockanje en Oostvoorne. Eén van die bijzonderheden is de hondspeterselie, “talrijk aan den Hevering” (nu zeer zeldzaam in Voornes Duin omgeving Eerste Slag / Tweede Slag). Duidelijk is dat de soortenlijst ook de destijds onbemeste dijkjes van Voorne omvat, met soorten als moeslook, gevlekte rupsklaver, dolle kervel (“algemeen bij de dijken”), veldlathyrus en (“veel”) aardaker. En daarnaast akkers met windhalm en korenbloem. 

Flora van Voorne in 1874 en nu

We wagen het de lijst van toen te vergelijken met de huidige situatie. Was de flora van Voorne in 1874 rijker, armer, anders? De vergelijking is deels vals want tegenover de waarnemingen van een enkele florist rond 1870, staan de digitaal vastgelegde waarnemingen van vele honderden waarnemers nu. Dit ‘waarnemerseffect’ geeft mogelijk een te gunstige kijk op de flora van nu (er wordt maar weinig gemist). Bovendien hebben we inmiddels een deels ander klimaat (met meer zuidelijke soorten); bosontwikkeling; een andere indeling van soorten (en soms andere namen); andere typen leefgebied (steden, wegen, stenen dijken en industriegebieden) en is er sprake van overbemesting van het landelijk gebied. 150 jaar geleden lagen overal schraal begroeide maar soortenrijke dijkjes tussen bloemrijke drasse graslanden en kruidenrijke akkers. Kortom vergelijken komt met veel voetangels en klemmen. De vergelijking kan wel eens mank gaan, maar scherpt zeker de geest. We bespreken per biotoop (van zilt land tot bos) enkele belangrijke accentverschillen om aan het eind een conclusie te formuleren.

Hoe volledig was de lijst van 1874?

De ‘afwezigheid’ van een soort in 1874 terwijl deze er nu wel voorkomt, kan verschillende oorzaken hebben. Er zullen soorten niet op de lijst staan omdat ze gemist zijn door de botanici van rond 1870 (zoals waarschijnlijk de aardbeiklaver) of omdat ze later pas zijn verschenen. Dat laatste geldt voor het doorgaans aan bos gebonden stofzaad, in 2010 gevonden door de lokale plantenwerkgroep van de KNNV maar ten tijde van van Eeden nog onbekend. Meestal is het lastig uit te maken waarom een soort ‘ontbreekt’, maar gelukkig vermeldt van Eeden bij een aantal soorten expliciet ‘niet op Voorne’ en dan kunnen we aannemen dat er destijds wel naar gekeken/gezocht is. Zo’n soort is pijpenstrootje: die ontbrak 150 jaar geleden. De soort is gekoppeld aan een op Voorne zeldzamer milieutype (ontkalkt, licht zuur, vochtig), en komt er tegenwoordig schaars voor. Dat de onmiskenbare vleeskleurige orchis ontbreekt in van Eedens overzicht, moet een gevolg zijn van onvolledigheid, net als het ‘missen’ van kruipend zenegroen, nu zeer algemeen langs bosranden en in duinvalleien. Van beide soorten is het niet voorstelbaar is dat ze er vroeger niet waren. Kortom, de lijst van van Eeden is prachtig, maar zeker niet ‘compleet’.

Langs zee en strand

Zilte en brakke soorten

Gestippelde ganzevoet, zeegroene ganzevoet, spiesmelde en strandmelde kwamen destijds al langs kwelders of aangroeikusten voor, net als zeepostelein, zeewolfsmelk en zeeaster. Op hogere kwelders of jonge duintjes ook kattendoorn (“op Voorne niet algemeen”), Deens lepelblad, blauwe zeedistel en zeewinde (door van Eeden vermeld voor de Maasmond, dus mogelijk niet Voorne). Wilde selderij, melkkruid en zilt torkruid werden ook vroeger gevonden en in de jongste standvlaktes stond herfstbitterling vermeld op het destijds voorkomende “Groene strand bij Rockanje”, naast strandduizendguldenkruid en waterpunge.   

Wateren en moerassen 

Op de lijst uit 1874 staan geen waterlelie en kalmoes vermeld, maar tegenwoordig zijn beide soorten bescheiden aanwezig in Oostvoorne. Dat er wel degelijk nauwkeurig werd gekeken blijkt ook uit een tweetal soorten die alleen van Voorne bekend waren: de moerasgamander en de bittere veldkers. Deze laatste soort, in duinen zeer zeldzaam, is te verwarren met witte waterkers en leggen we terzijde. Van moerasgamander is de vermelding in 1874 de oudst bekende. De soort komt nog steeds voor, vroeger iets algemener, nu in ons land alleen in de duinen van Voorne.

Andere soorten uit zeer natte milieus in 1874: 4 soorten waterkers, poelruit, watermuur, gele lis en galigaan. Ook ondergedoken- en groot moerasscherm waren van Voorne bekend, de laatste soort nu niet meer. In het water ook 4 soorten fonteinkruid, waaronder de zeldzame ongelijkbladige, maar het bijzondere weegbreefonteinkruid (nu alleen op Voorne en Texel) was nog niet ontdekt. Verder vele soorten waterranonkel, kattenstaart, heelblaadjes en de wateraardbei. Hoe nat en kalkrijk het was blijkt uit de kleine valeriaan: “algemeen op Voorne”; ook nu nog te vinden, maar pas na goed zoeken. En wat te denken van moerasandijvie: destijds “zeer algemeen”. De uitgestrektheid van de vochtige en natte duinen weerspiegelde zich ook in het voorkomen van de moerasvaren (destijds alleen bekend van Texel en Voorne) en het veel voorkomende waterdrieblad en moeraskartelblad. Smeerwortel en bitterzoet completeren het beeld van meer voedselrijke moerassen in het duin, vroeger en nu. Tenslotte de vondst van de forse moeraswolfsmelk: “Duinen ten zuiden van Rockanje, zeldz.“. Nu alleen bekend uit Oostvoorne.

Vochtige valleien

Vochtige duinvalleien zijn bloemrijke milieus die ook toen al van zich deden spreken met watermunt en knopbies, rond wintergroen, geelhartje, teer guichelheil, parnassia en armbloemige waterbies. En natuurlijk vele orchideeën waarvan heden nog terug te zien zijn: keverorchis, groenknolorchis, hondskruid, harlekijn (“vrij algemeen”), moeraswespenorchis, gevlekte en brede orchis. Niet vermeld worden de voor Voorne en Goeree zo kenmerkende platte bies en de rietorchis, maar dat is wellicht een kwestie van indeling en nomenclatuur geweest. Wél in 1874 en ontbrekend in 2020: bruinrode wespenorchis, grote muggenorchis en honingorchis. En in 1874 onderscheidde men de duinwespenorchis nog niet.

‘Moeilijke’ varentjes als maanvarentje en addertong worden in 1874 respectievelijk niet en wel gememoreerd. Wel werd de blauwe knoop gevonden, die door menig florist ook nu nog over het hoofd wordt gezien vanwege de zeer late bloei. Slanke gentiaan wordt gememoreerd (“talrijk”) en de inmiddels van Voorne verdwenen veldgentiaan, al was de laatste ook toen al “zeer zeldzaam”. De tegenwoordig aanwezige kruisbladgentiaan ontbrak zo goed als zeker in 1874. Naast de ook nog overal aanwezige kale jonker wordt ook de Spaanse ruiter vermeld, niet meer bekend van na 1960. Een soort van blauwgraslanden en oudere, van oorsprong kalkrijke duinvalleien. 

Droge duinen

In droge duinen was het nu algemene slangekruid in 1874 nog niet present, evenmin als het onmiskenbare zeepkruid. Ook kleine steentijm, niet talrijk maar toch regelmatig te zien, blijft onvermeld. Avondkoekoeksbloem staat wel op de oude lijst maar kegel- , nacht- en oorsilene hadden het label “niet vermeld op Voorne”. Nu niet meer: ze bloeien alle in het duin. In 1874 wel present: de veldhondstong en diverse toortsen.

Het zandblauwtje, op Goeree zo algemeen in het oude duinland bij Ouddorp en in Middel- & Oostduinen, ontbrak toen en nu op het kalkrijke Voorne. “Niet algemeen” staat er bij het buntgras van 1874. Dat de meer kalkminnende beemdkroon destijds niet gevonden is (terwijl de soort relatief veel op Goeree staat) is interessant. Deze niet te missen soort groeide blijkbaar destijds niet op Voorne. Anno 2020 is ze bescheiden aanwezig in de Kaapduinen. Het hazepootje stond destijds te boek als zeldzaam, wat niet gold voor de algemeen voorkomende gewone agrimonie en het glad parelzaad.

Ook wordt rond 1874 geen enkele bremraap genoemd; ook nu zijn ze nog altijd niet talrijk. Heel sporadisch treffen botanici tegenwoordig de walstrobremraap en op Mildenburg is regelmatig de klimopbremraap te zien. De in de delta sterk aanwezige klavervreter ontbreekt op Voorne. Alleen rond de Tenellaplas zijn nu diverse bremraapsoorten te vinden, maar die zijn aangeplant. Evenals de struikhei die ‘wild’ ontbrak in de 19e eeuw. In de 20e eeuw kwam (volgens Dick van der Laan) struikhei voor op de Heveringen, waar nu het parkeerterrein van het bezoekerscentrum Tenellaplas en het restaurant ‘de Meidoorn’ zijn gelegen en eveneens langs het Grenspad, maar de soort is daar verdwenen door verruiging en een paardenroute.

Op de lijst van 1874 schitteren naast tijm en geel walstro ook voorjaarsganzerik, knolboterbloem, kruipend stalkruid, wondklaver en o.a. de grassoorten zachte haver en bevertjes die “zeer algemeen op Voorne” waren, maar tegenwoordig op dijken ontbreken en in het duin veel meer verspreid lijken voor te komen. Treffend is de vermelding van het ruig viooltje naast maarts viooltje, hondsviooltje en duinviooltje.

En evenmin ontbraken kleine bevernel en driedistel. Bitterkruid sierde ook toen de Voornse duinen, maar grasklokje was er toen schaars en dat is nog steeds zo. Het zuur- en mestgevoelige dwergviltkruid werd in 1874 gevonden, maar is al voor WO II van Voorne verdwenen. Vroeger en nu aanwezig maar schaars: de voorjaarszegge en het smal fakkelgras. Tenslotte was van de grassen het tegenwoordig door vermesting oprukkende duinriet ook toen flink present in ons land: “Allerwege over de gehele duinstreek. Ook op de Binnenduinen”.

Bos en struweel

Er was veel minder bos in die tijd en wat er stond aan bomen was zelden oud. Dat zien we terug in destijds ontbrekende ‘echte’ bossoorten van de ondergroei. Lelietje van dalen ontbrak 150 jaar geleden, maar is nu overal in bosranden aanwezig, net als daslook. Langs bosranden bloeide in het voorjaar nog geen fijne kervel. Wel stond er holwortel (te verwarren met de nu zeer algemene vingerhelmbloem die niet op de lijst staat). Andere bolgewassen destijds waren gewone vogelmelk en het sneeuwklokje. Stengelloze sleutelbloem wordt niet vermeld (noch enige andere primula), wat doet vermoeden dat alle tegenwoordig voorkomende soorten (zoals de stengelloze in de bossen, en de gulden in de duinen) zijn aangevoerd en verwilderd. Vroeger en nu zeer zeldzaam: hartgespan en stinkende ballote. Ook de minder kritische bosandoorn was al present. Heggenrank was net als nu “talrijk”, wat wijst op aanwezigheid van struweel waar de soort tegen opkruipt. Waar tegenop? De berberis was destijds “zeldzaam op Voorne“ (nu zeker niet), maar dat gold niet voor de eenstijlige meidoorn, vuilboom, wegedoorn, gewone esdoorn, Spaanse aak, lijsterbes, berk, zwarte populier en zomereik. Kardinaalsmuts stond te boek als “zeldzaam”. In de ondergroei “veel” robertskruid. Toen en nu was er veel Gelderse roos, liguster en vlier. Bos kan dan schaars zijn geweest, struweel was er overal. In 1874 wordt er nog jeneverbes in het duin vermeld. Nu al lang niet meer.

Niet rijker, wel anders?

Was Voorne in de 19e eeuw nu rijker? Nostalgisch aangelegde plantenspeurders omarmen deze stelling wellicht, want groeide er toen niet nog veldgentiaan, grote muggenorchis en honingorchis? Was kleine valeriaan geen algemene verschijning en waren harlekijnen niet min of meer gewoon? Ze hebben wellicht gelijk, maar de lijst van wat ze toen (nog) niet hadden (of niet zagen) is ook omvangrijk: beemdkroon, kleine steentijm, vleeskleurige orchis, bremrapen en nauwelijks silenesoorten, om maar een paar omissies/nog niet aanwezige soorten te noemen. Voor een goede onderbouwing van ‘rijker of niet’ missen we vooral informatie over hoe men vroeger keek en soorten noteerde; de datastroom van heden is niet te vergelijken met het lijstje van twee liefhebberende floristen toen. Wat wel zeker is: Voornes flora had destijds een aantal andere accenten.

Een eerste accent is de grote verwildering van deels aangevoerde en deels spontaan gearriveerde, Nederlandse, soorten. Dat is echt van na 1900 met sleutelbloemen, wilde akelei, daslook, fijne kervel en lelietje van dalen. Deze trend is grotendeels een weerspiegeling van de bosontwikkeling, al dan niet in combinatie met aanvoer of aanplant door de mens. Bijzondere soorten als kruisbladgentiaan duiken op en verspreiden zich, soms als escape uit een manmade hotspot, de heemtuin van Sipkes aan de Tenellaplas. Zoals eenbloemig parelgras, de maretak, wilde akelei en zwartblauwe rapunzel etc.

Een tweede belangrijk accent is dat Voorne zeer nat is, maar het lijkt dat het destijds nog moerassiger was met al die kleine valeriaan, veel moerasandijvie, waterdrieblad en poelruit. In dit natte Voorne kon de moerasgamander zich 1,5 eeuw handhaven. 

Een derde accent, een verschil tussen vroeger en nu, zit meer aan de dijk- en polderzijde. De algemeen genoemde bevertjes, bijzondere dijkbloemen, leuke poldergraslanden, veel planten van zomen als dolle kervel en ijzerhard, zijn nagenoeg verdwenen. Een botanisch rijk cultuurlandschap werd grotendeels villawijk en/of recreatieterrein. 

Kortom: of Voorne rijker was laten we in het midden, heel anders was het wel.

Interessant was dat de stedeling en romanticus van Eeden destijds meer waardering opbracht voor het duin dan voor de polder: “Het gele warme duin en het groene, vlakke koude weiland met slooten en dijken, staan tegenover elkaar als de mensch, die in volle vrijheid leeft en werkt, tot den man met gebonden beroepsarbeid, die dagelijks in den socialen rosmolen moet loopen”.

(Uit: Van Callantsoog tot St. Pancras, 1893)

Het duinviooltje is zeer kenmerkend voor het duinlandschap. Het is bovendien ook maar beperkt verspreid: van de kust van Noord-Frankrijk tot aan de Oostzee. In het tijdschrift Holland’s Duinen (nr 7, november 2020, pag 32-34) staat een leesbaar artikel van de Leidse bioloog Eddy van der Meijden (Veranderingen in het areaal van Zeevenkel en Duinviooltje en de gevolgen daarvan), die op zijn beurt weer een artikel van Latron e.a. uit 2019 aanhaalt over verspreiding, genetische variatie en zelfbestuiving bij o.a. deze soort. Het hele artikel van Van der Meijden is hier te vinden. We citeren hieronder enkele belangrijke passages van zijn hand. In onze kustduinen staan ze nog volop maar in Normandie zijn ze op hun retour, overigens NIET door klimaatverandering maar door habitatverlies. (red.)

Duinviooltjes komen langs onze hele kust voor; noordelijke populaties zijn soms wat lichter, zoals hier in de Grafelijkheidsduinen, Den Helder. Foto Rolf Roos

“Onderzoekers van de Universiteit van Lille hebben de populatiegenetica bestudeerd van twee plantensoorten van de kust van Frankrijk en Nederland, waarvan de grenzen van het verspreidingsgebied verschuiven. Zeevenkel breidt zich recent uit, in noordelijke richting. Duinviooltje laat juist een krimp in de verspreiding zien in het zuiden). “

(…)

“De kustsoorten die onder de loep zijn genomen door Latron en haar collega’s, zijn de overblijvende planten Zeevenkel (Fig. 1) en Duinviooltje (Fig. 2). Zeevenkel (Crithmum maritimum) komt voor langs de mediterrane kusten van Frankrijk en Spanje tot de Atlantische kusten van Frankrijk, Ierland, Groot Brittannië en België. In Nederland was slechts een klein aantal vindplaatsen bekend, maar inmiddels vindt er een sterke uitbreiding plaats in heel Noordwest-Europa. “

Rijke groei in de Kennemerduinen, Bloemendaal. Foto Rolf Roos.

(…)

“Duinviooltje (Viola tricolor subsp. curtisii, syn. Viola curtisii), daarentegen heeft een veel beperkter areaal, vanaf Normandië tot de Waddeneilanden, en laat juist een krimp zien, in het Noord-Franse gebied. Beide soorten laten zelfbevruchting toe en zijn kustgebonden. De mechanismen van zaadverspreiding zijn zeer verschillend. Zaden van Zeevenkel worden via het zeewater verspreid en kunnen mogelijk over lange afstanden worden getransporteerd. Zaden van Duinviooltje vallen van de plant af en worden eventueel door mieren (dus over korte afstanden) verspreid. 

Duinviooltje laat juist een verhoudingsgewijs hoog niveau van genetische variatie zien. Er viel een sterke afnamein genetische variatie te zien in de krimpende marginale populaties in Noord-Frankrijk, ten opzichte van de kernpopulaties in Nederland. De analyses wijzen ook op een laag niveau van recente overdracht van genen tussen kern en rand. Dat is te verwachten bij korte-afstand zaadtransport door mieren. “

(…)

” In de geïsoleerde randpopulaties van het Duinviooltje in Noord-Frankrijk, die een duidelijke achteruitgang in aantal planten laten zien, ligt een toename van zelfbestuiving voor de hand. Toch blijkt dit niet eenduidig uit de DNA-analyses.  De voorspelling van een geringere genetische variatie in de marginale gebieden kwam wel uit voor Duinviooltje, maar niet voor Zeevenkel. De voorspelling dat zelfbestuiving in de marginale gebieden een grotere rol speelt, werd bij geen van de twee soorten bevestigd.”

Bronnen

Eddy van der Meijden (2020) Veranderingen in het areaal van Zeevenkel en Duinviooltje en de gevolgen daarvan. In: Holland’s Duinen (nr 7, november 2020, pag 32-34).

Mathilde Latron, Jean- François Arnaud, Héloïse Ferla, Cécile Godé, Anne Duputié (2019) Effects of contemporary shifts of range margins on patterns of genetic structure and mating system in two coastal species. Heredity, 124: 336-350. 

Martyn Rix (2014) Viola tricolor subsp. curtsii in Curtis’s Botanical Magazine van april 2014

Duinviooltje. Foto: Ronald van Wijk

Naschrift N.a.v. per mail toegezonden informatie van Eddy van der Meijden nog het volgende: “De verspreiding is veel ruimer dan wordt aangegeven. Daarvan zijn Latron en consorten overigens wel van op de hoogte. Ze verwijzen naar een heel leuk artikel van Martyn Rix in Curtis’s Botanical Magazine van april 2014. Daarin wordt uitvoerig ingegaan op de verspreiding in Groot Brittannië en Ierland, Denemarken, Zweden en Noorwegen langs de Baltische zeekust tot aan Rusland toe. “

Ontleend aan: https://www.gbif.org/species/5833306

Dan de reden van achteruitgang; Latorn cs melden: ‘Over the past decades, Dune pansy lost habitats in northern France, due to urbanization and to dune fixation in peri-urban areas, and is now protected.’   

Tenslotte: “Op de Floron-site wordt vermeld dat in ons land het voorkomen ‘onveranderd is of toegenomen’. Maar het is natuurlijk wel een plant die wat risico’s in zich draagt. Hij is gebonden aan open droog, redelijk stabiel duingrasland. Dat moet ook open blijven, dus begrazing ondergaan. Insectenbestuiving is een voorwaarde. Mieren moeten zorgen dat er wat zaadjes op enige afstand van de moederplant terecht komen.  En dat zijn omstandigheden die zomaar in zijn nadeel kunnen werken. “

Als we het nu hebben over havenflora dan hebben we het vooral over de flora van een grootschalig industriegebied, doorsneden met water en vele kilometers aan stenige oevers. Voor de inrichting van dit gebied is het oorspronkelijke landschap volledig van de kaart geveegd en opgespoten met zand dat deels direct uit zee, deels uit de diepere ondergrond van de huidige havens en vaar- wegen afkomstig is. Anders dan de ook met zeezand opgespoten havengebieden van bijvoorbeeld Amsterdam of Moerdijk vormt de Rotterdamse haven echter geen geïsoleerde kust-enclave in het binnenland maar een doorlopende tong van zand die landinwaarts de zeeklei van de delta in steekt en zich vanaf de zee uitstrekt tot in de stad.

Met die tong van zand trekken ook de zandplanten vanaf de kust het binnenland in, variërend van het opvallende slangenkruid tot subtiele grasjes als zanddoddegras en zilverhaver en soms soorten die we eerder zouden verwachten in natte duinvalleitjes. Maar tegelijk is er meer reden om het havengebied in de eerste plaats te zien als een urbaan gebied dat zich uitstrekt tot op het strand.

Grote keverorchis en rietorchis langs de Europaweg; foto Remko Andeweg

Lees de volledige pdf die verscheen in 2021 In de Branding 29 (1): 8 – 11

In het tijdschrift Hollands Duinen verscheen een mooie reeks portretten van soms al lang vergeten beroepen van kustbewoners, steeds aan de hand van schilderij of prentbriefkaart. We citeren uit dit tijdschrift onderstaande  bijdrages van de hand van Frans Beekman. Tussen haakjes staat het betreffende nummer van dit tijdschrift.

De vinker (60)

De schelpenvisser (61)

De nettenboetsters (62)

De naleesters (63)

De ezeldrijvers (64)

De schaapherder (65)

De garnalenvissers (66)

De bramenzoekers (67)

De zandmenner (68)

De badvrouwen (69)

De koeienwachter (70)

Noordzeevissers (71)

De helmpoter (72)

De kruisnetvisser (73)

De strandjutter (74)

Duinboer(in) (76)

Garnalenvisser (2) (77)

Badvrouwen

Al in 2000 werd er voor het eerst over Strandreservaat Noordvoort (ten zuiden van Zandvoort) gesproken. In verschillende stappen is 20 jaar later een meer dynamische zeereep een feit. Een bijzonder stiltegebied waar volgens de initiatiefnemers de natuur voorrang krijgt. Wat zijn de resultaten?

Duinen moeten kunnen meegroeien met de stijgende zeespiegel. Het zand moet daarvoor vanaf het strand over de duinen kunnen stuiven. Kuilen en kerven in de zeereep, zoals die in Noordvoort zijn aangebracht, fungeren als ‘doorgeefluik’ van zand naar de duinen achter de zeereep, die daardoor hoger worden. Ook is de gedachte dat er zo meer ruimte komt voor planten en dieren die hier in het duin thuishoren. Typische zeereepsoorten zoals zeeraket, blauwe zeedistel, zeewolfsmelk, zeepostelein en duingraslandsoorten als zandviooltjes kunnen zich wellicht weer uitbreiden, en er ontstaat meer leefruimte voor zandhagedissen, blauwvleugelsprinkhanen en kleine parelmoervlinders. 

Een stuivende zeereep mogelijk maken in de drukke randstad is een kwestie van lange adem. Na 2000 bleef het lang stil maar in 2009 ondertekenden Waternet, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de gemeenten Noordwijk en Zandvoort, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat een intentieverklaring waarin zij afspraken om samen te werken aan herstel van de natuur- en belevingswaarden van het gebied tussen kilometerpaal 70 en 73.

In 2013 zijn de eerste stuifkuilen in de zeereep gemaakt. Vegetatie werd verwijderd om de verspreiding van stuifzand te bevorderen. De nadruk op lag op gang brengen van verstuiving om weer een natuurlijke, geleidelijke overgang van de zee naar de duinen te krijgen. De natuur laat zich echter niet ophaasten. Anno 2018 bleek uit wetenschappelijk onderzoek dat er nog geen toename van karakteristieke planten van de zeereep zoals zeewinde en zeeraket te zien was. Nu is, zoals de auteurs van het verslag (Ben Kruijsen, Cor ten Haaf en Mark van Til) ook schrijven, de buitenste zeereep soortenarm en zou de lat qua biodiversiteit van de wilde planten niet al te hoog gelegd moeten worden. Auteurs zijn hoopvoller t.a.v. de aan de zeereep gebonden paddenstoelen, zoals het zandtulpje. Landschappelijk wordt de winst ‘groot’ genoemd, ook op korte termijn, met meer stuifkuilen en veranderende vegetaties.

In 2018/19 is het strandreservaat ook daadwerkelijk gerealiseerd door aanleg van houten palenrijen op het strand bij strandpaal 70 tot strandpaal 73 als markering van het stiltegebied gecombineerd met een struinpad op de zeereep. De recreant wordt welkom geheten met drie uitkijkpunten op de zeereep, waarvan de middelste precies op de provinciegrens ligt. Bovendien verschenen er fietsenstallingen met informatieborden bij de paden naar de uitzichtpunten.

In 2020 zijn in de zeereep tussen strandpaal 69 en 70 nieuwe stuifkuilen aangelegd: De 7 Broeders.  Het beoogde doel van deze ingrepen is ook hier het herstellen van dynamische processen en een meer natuurlijke zeereep. De zeven nieuwe stuifkuilen zijn anders aangelegd dan tussen strandpaal 70 en 73. Ze zijn dieper uitgegraven en verbonden met het strand. Na ongeveer twee jaar moeten de stuifkuilen goed op gang zijn. We zijn zeer benieuwd naar de resultaten en ook of het strand soortenrijker is geworden met kansen voor vogels en het achterliggende duin rijker qua flora wordt. Het is verstandig geen overspannen verwachtingen te hebben op de korte termijn en ook effecten van recreanten op de nieuwe natuur te volgen.

Projectdetails

Mark Zekhuis en Nico de Vries schreven een boek dat in 2012 uitkwam bij Uitgeverij Profiel in Bedum en nu ook hier online is te raadplegen.

In de uiterste Noordoosthoek van Nederland ligt Rottum, een kleine groep onbewoonde eilanden in de Waddenzee: Rottumeroog, Rottumerplaat en Zuiderduin. Rottum is beschermd gebied, de natuur heeft het hier voor het zeggen. Het is slechts beperkt toegankelijk voor onderzoekers die er komen om te inventariseren, te onderzoeken en toezicht te houden. Er zijn jaarlijks ook enkele excursies die Staatsbosbeheer organiseert. Zie onze hotspotwandeling op Rottumeroog online.

Vooral de wad- en broedvogels worden nauwkeurig geteld. Op Rottum worden vaak ook bijzondere diersoorten worden waargenomen. Deze informatie is vastgelegd voor iedere geïnteresseerde. De Fauna van Rottum toont de biodiversiteit van de fauna van Rottum, een systematisch overzicht van alle diersoorten die ooit op deze geïsoleerde eilandengroep zijn waargenomen en geregistreerd. 

Daarnaast wordt verteld over het ontstaan van Rottum, de ligging en de huidige verschijning. Ook het beheer vroeger en nu, het werk van voormalig strandvoogd Toxopeus en de vogelwachters wordt besproken. 

De gegevens zijn afkomstig van Staatsbosbeheer, diverse Particuliere Gegevensbeherende Organisaties, de vogelwachters en de allerlei vrijwilligers die hier gegevens verzamelden.

Een bijzonder naslagwerk voor de vogelaar, de wetenschapper, de waddenliefhebber, de eilandengek, de natuurliefhebber in het algemeen en die van Rottum in het bijzonder.

Zeepkruid


Kruipend stalkruid


Moeraswespenorchis in de berm (wel afstappen)


Het kan geen toeval zijn dat de welriekende agrimonie (in het noorden alleen bekend van Ameland) hier ook weer naast een fietspad staat.


Muggenorchis langs fietspad Schiermonnikoog, 2018. Foto Rogier van Vugt

Als fietspaden met schelpen worden aangelegd in een overigens kalkarm duinlandschap (d.w.z. het duin benoorden Bergen) kan dat de natuur flink opschudden. Meer kalk betekent bijna altijd meer bloemen, afhankelijk van de leeftijd van een pad en de afstand tot het pad. We kijken in vogelvlucht van zuid naar noord. In alle kalkarme duinen spatten de kalkminnende bermsoorten je al fietsend tegemoet. Dat kan heel spectaculair zijn met de orchideetjes hondskruid en zelfs poppenorchis in de duinen van Schoorl. Meer noordwaarts in het Zwanenwater zien we duidelijk meer grote ratelaar maar ook meer grote keverorchis en rietorchis langs schelprijke paden en wegen. Op Vlieland staat weer veel zeepkruid, wilde peen en grote ratelaar langs de droge schelpenpaden, naast het opvallende roze van kruipend stalkruid en het diepe blauw van ossentong. Op Terschelling valt op dat langs vochtige hooilanden vlakbij zo’n schelprijk pad in het Dazenplak extra veel moeraswespenorchis staat en ook meer reukgras. Op Schiermonnikoog kan je al fietsend weer van kleine ratelaar en stijve ogentroost genieten, maar ook staat er relatief vaak veldlathyrus langs het pad en incidenteel de zeldzame aardaker. Op dit afgelegen Waddeneiland staat ook ergens muggenorchis langs een fietspad. Het moet niet wilder worden!

Heb je meer voorbeelden dan in dit artikel staan of  heb je foto’s die duidelijk de relatie laten zien tussen bermbloem en schelpenfietspad, geef hier onder bericht, of mail ons

Geen hei maar klavers en ratelaars langs het schelpenpad in het Zwanenwater. Foto Hanneke Waller

Langs een fietspad op Terschelling hebben Tim Pelsma en o.g. een wandeling gemaakt, op zoek naar effecten van schelpenpaden. Althans in de berm…

Popperorchis langs fietspad in duinen van Schoorl tussen de Berekuil en Groet; foto Bert de Boer, juni 2017


Wit vetkruid met voeten in de schelpen, ook Schoorl. Foto van Theo Baas die schrijft: “niet perse een kalkbehoeftige plant maar zeker geen plant van zure omstandigheden. In Schoorl kom ik de soort alleen tegen langs schelpenpaden (die trouwens in rap tempo door betonpaden vervangen worden).”

En een noodkreet van Schiermonnikoog, november 2020

Beste Rolf,


Zoals je weet loopt er op ons eiland een net van fraaie schelpenpaden.Natuurmonumenten wil deze paden gaan vervangen door ander materiaal.Veel eilanders en gasten zijn het daar niet mee eens.Niet alleen vanwege het belevings-aspect, maar ook vanwege het feit dat juist langs de schelpenpaden veel plantensoorten een goed milieu vinden. Denk aan de vele rietorchissen, maar ook aan slangenkruid, brede(!) ereprijs en de knikkende distels.
De argumenten van NM zijn o.m. de schadelijkheid van de schelpenwinning voor de Waddenzee en de kosten.
Wat het argument van de schadelijkheid voor de Waddenzee betreft: de winning van kleischelpen, die voornamelijk op diepten onder -5 m plaatsvindt, zorgt inderdaad voor vertroebeling van het water. Deze vertroebeling staat natuurlijk in geen verhouding tot de vertroebeling van het water bij windkracht 7 of hoger. een zeer vergezochte argumentatie.
De kosten dan. Deze bedragen voor NNM op Schiermonnikoog rond de 40.000 euro per jaar. Een door bureau Horatius opgemaakte raming van de kosten voor de vervanging van de schelpenpaden op Schiermonnikoog (2018) komt uit op maar liefst 1,3 miljoen (minimum) tot 4,1 miljoen (maximum) euro!! Oftewel: voor dit bedrag kunnen nog 30 jaar (bij het minimumbedrag) tot ruim 100 jaar (!!!!)(maximumbedrag) de schelpenpaden worden gefinancierd.

Hartelijke groet,
Thijs de Boer

(Tekst ontleend aan Jan Zwemer & Pau Heerschap (2020): ‘Maar’ meid en knecht in het Deltagebied. Uitgave Zeeuwse Dialect Vereniging. Zie reactie onder dit artikel t.a.v. naamgeving en wat de namen ons ‘vertellen’. )

In de akkerbouw moest er natuurlijk alles aan gedaan worden om de onkruiden op het veld te bestrijden, zodat die niet het reguliere gewas zouden verstikken. Veel boerenarbeiders besteedden de meeste werktijd aan het wieden van onkruid. Men zou bijna kunnen zeggen dat het wieden de grondslag was van hun bestaan. Het is al lang geleden dat men een rij veldarbeiders in linie, als in slagorde, meestal in gebogen of kruipende houding, zich over de akkers zag voortbewegen.

Diverse hulpmiddelen stonden hen ter beschikking. Het bekendste is de schrepel (handwiedijzer), in allerlei vormen en afmetingen. Daarnaast had men de schoffel, die geduwd werd, met ijzers in diverse breedtes. Ook werd gebruik gemaakt van de hak of ‘ouweêle. Soms werd gebruik gemaakt van een industriële wiedmachine, ook met wiedijzers in verschillende breedtes.

Bij ons thuis werden in mijn jeugd in het hof elk jaar sjalotten verbouwd. Voor het onderhouden van het sjalottenveld had mijn vader zelf op een slimme manier een wiedmachine ontworpen. Het uitgangspunt was de voorvork van een oude fiets, met het wiel, zonder banden, er nog in. Ongeveer op de plaats waar de trappers hadden gezeten werd een ijzeren bevestigingspunt vastgemaakt. Hij ontwierp dan zelf de beugels die als schoffel daaraan bevestigd konden worden. Regelmatig ging hij met zijn tekeningetjes naar de plaatselijke smid, die dan allerlei beugels smeedde: een smalle, om tussen de rijen sjalotten te kunnen wieden, een v-vormige brede, waarmee de sjalotten gerooid konden worden. De meest ingewikkelde was een klein ploegje, waarmee de grond omgeploegd werd als de sjalotten eruit waren, zodat in die aarde de sperziebonen met de groen-rode pootstok konden worden gepoot voor een tweede gewas. Tussen die rijen werd dan weer gewied met de kleine beugel. Heel nuttig, zo’n multifunctioneel apparaat.

Uit de negen regioboeken, die in de loop der jaren verschenen zijn als voorbereiding voor het supplement op het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, zijn de benamingen van inheemse wilde planten verzameld. Er is wel gestreefd naar volledigheid, maar of ik daarin geslaagd ben, is aan de beoordeling van de lezers. Cultuurplanten zoals de bijvoorbeeld de narcis heb ik buiten beschouwing gelaten. Toch is bij twijfelgevallen er hier en daar wel een doorgeslipt. Het lijkt mij aardig om in de toekomst daaraan in het verenigingsblad van de Zeeuwse Dialectvereniging, Nehalennia, een aparte rubriek te wijden. Onder vuulte wordt verstaan: alle wilde planten die door boeren, knechts en arbeiders regelmatig verwijderd moesten worden.

Voor de leesbaarheid zijn de regio’s genummerd: 1 West Zeeuws-Vlaanderen, 2 Hetland van Axel, 3 Oost Zeeuws-Vlaanderen, 4 Walcheren, 5 Zuid-Beveland, 6 Noord-Beveland,7 Tholen en St. Philipsland, 8 Goeree-Overflakkee (soms vermelding van eerst de Goereese variant en daarnaast de Flakkeese), 9 Schouwen-Duiveland.

Lijst van wilde planten uit akkers en velden met dialectnamen in de Delta

Akkerkool: Sluuse vuulte, dauwkôôl’n 1, dauwkôôl’n 2

Akker-ereprijs: veugeldèrm 1, 6, ‘oenderd(j)èrm 3

Akkermelkdistel: melkdèstel, melkriet, melkgroen, 3, steekelmelkwied, zeumermèllukkruut 7 zoute melkwied 8, kniensôôren (G) 8, stekelmelkwied (O) 8, melkwied 9

Akkermunt: munte, stinkers, muntepeeje 3,stienkers 7

Akkerwinde: pispotjes 1, 7, 9, winde, wortelwinde, pèrrepluukes 3, moaiewinde 7

Avondkoekoeksbloem: nachtlichtje 1

Biezen: kerwassen 5

Bindwilg: têênen 9

Bitterzoet: duvelsbiiet, elfranke 1, ellefranke 4

Boterbloem: beuterblomme, Sintsekruut, pinksterkruut 1, pinksterblomme 2, 5, 6, 7, bot(t)erblom(me) 3, beuterblomme 4, 5, butterbloome (G) 8, butterblomme (O) 8, 9, pinksterblomme 9

Braam: kattebraemen (wilde braam) 4, dauwbraam: braem, braemdoorn 9

Brandnetel: tieng’l 1, 2, tingel 3, broejneetel 4, broeinekel 5, broenékels 6, 7,broewnekels/-netel 8, kleine brandnetel: hoewnderbroewnekel of kleine broewnekel (G) 8, broe(i)neekel 9

Bremraap: bremroap, kloaverduuvel 7

Kroontjeskruid: vrattekreùd, koekoekskreùd 3, zulver-onger-waeter 8

Kruisdistel: Schaepestekel 9

Kruiskruid: sinkseblom, -kreùd, seisejoen 3, seansejuun 6

Krulzuring: sulker, zuring, suursel, suusel, suusel, koekeleute 3

Kweekgras: gospêêm 1, gospeejen 1, 3, strèkgos 2, hospeejen 2, 4 ,5, gospee’n, strekgras 3, 4, 7, strekhos 5, 6, kweek(e) 8

Klis: klitten 4, 8, 9

Liguster: palmèkke 7

Lisdodde: bezuu(r)en, plompers, sek-sigaoren 4, stienksehaoren 5, poesters 6,(grote)duulen (G), lampepoesers 8, 9, poesters 9

Look: kwoailoaf 7

Luzerne: melooten (G) 8

Madeliefje: weiblomme 1, 2, koeieblom 2, meiblommeke(n, weiblom, poaseblom 3, koeweitje 5, koeieblomme 6, 7, 9, dui’ies (G) 8, dubbele madeliefjes: kesausjes 9

Margriet: pèreblomme 1,2, ganzeblomme 1, koeie-oahen, paereblommen 6, koei- of kalversoahe, koeieblomme 7

Meidoorn: kraojebessen (bessen van de meidoorn) 5, doornèkke, meulenaersèrten 7, doorn, doornbôôm 9

Melde: blauwkoppen 7, melde,(G) meijen (O) 8, meije,4

Melkdistel: melkwiet 1, melkriet 2

Monnikskap: kousjes en schoetjes 1

Muizengerst: Jan-kruup-in/haesje-kruup-in 8

Muur: goezemoeze, ‘oezemoeze 1, muur(e), roezemoes 3, oezemoes 4, groezemoeze 9

Muurpeper: êêuwig leven 9

Nachtschade: zwarte beijers 4, bostebeijers 5

Netel: zoete netel, bloeiende tieng’l, tamme tieng’l 1,

Paardenbloem: pèrezêêker, melkwiet, zêêkebède 1, 2, pisseblomme 1,beddezêêker, beddepisser 2, 4, 6, 7, pisseblom, melkkreùd, melkriet 3, pissebed 4, melkriet 5, pisseblomme 5, mealkwied 6, paerezêêker 7, 9 melkwied 8, paerepisser 4, 9

Paarse dovenetel: purpere(n), zoete(n) tingel 3

Paddestoelen: (witte) spookebrôôd 5Oosje Pik z’n eeten 7, hôôsjesbrôôd (G) 8

Papaver: eulbolle, ulebolle,blauw maenzaed,papaover 9

Perzikkruid: Jezusbloed, retse, christusbloed, christuskind 1, rotse, ruë-, roeë-, rôôdbêên, wilde wissen, smettus 3, bloedblad 6, rutte 7, rooie Jan 4, 9

Pinksterbloem: koekoeksblomme 1, 2, 5, 6, koekoeksbloem 4, stieselblomme 6, schaepeblomme 9

Raaigras: ‘aeverhras 7

Ridder- of krulzuring: rôôdwiejken (G) 8, zuureng 9

Buntgras: scheerkwasje (G) 8

Distel: stekel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, distel, destel 3, ossesteekels, schaepesteekels 7

Doodkruid: asgalle 1

Dovenetel: witt’n tiengel 2doaveneekel 7, (witte) temme broewnekel 7, tamme netel 8

Duist: duusgors (G) 8

Echt walstro: bontekeezeëten (G) (bontekees=julikever) 8,

Eendenkroos: ruusgrieten, brieten, griete 9

Slaapbol: (wilde) pepaover 7

Sleedoorn: zwarte doorn 7

Smeerwortel: heneezeblad, smèrwortel 8

Speerdistel: p(j)êrdendèstel, p(j)êrdestekel 3, ossestekel 6, 9

Spies(blad)melde: male, zêêmale, melde (dezelfde namen voor de uistaande melde) 3, zout(e)meijen 4, 9

Sterremuur: ‘oenderdèrm 1, oe(n)zemoes 4, mure 6, 7, oensmoes 7

Stippelganzevoet: dauwkôôl, male, moalestekken, mêbôôm, -buëm, meibôôm, maaibôôm 3

Straatgras: teùntjesgras, -gos, stroatgos 3, boagerdgors (G) 8

Strandkweek: blaeuwe jan ( G) 8

Trilgras: bevertjes 5, 8, 9, schuddekopjes (O) 8

Varkensgras: Vèrkesgos, 1, 2, 9, v(j)êrkesgras, -gos 3,vèrekesgos 4,verkenshos 5, vearkesgos, vearkeséten 6

Varkenskers: v(j)êrkeskaas,- kazze, -kizze, -kers 3

Veenwortel: lôôie wilgen 8

Veldbeemdgras: zweunegos 1, pluumgos1,2, pluumhos 4, 5, vèrrekesgras 8

Veldbies: (gewone) brôô’ies (G) 7

Vlier: klasspinthout 7, vleere 8, 9, vliender 4

Vogelwikke: wikke 9

Voorjaarshelmbloem: puutebloomen (G) 8

Vossenstaart: duust 1, 2, 4, 5, 6, ‘oazehras 7

Weegbree: wegaorsblad, wegblaoren 1, ribbe, ribbel, ribberblad, rubberblad, weversblad 3, weekeblaeren 4, (smalle weegbree: hongetongen, smal weegblad, (G) 8, grote weegbree: kattetongen, brêêdweegblad 8, weegeblaeren 9

Wilde haver, Oot: ôot, wilden ‘aver 1, oat, ôôt, wild’oaver, ôôite 3, wilden’aever 4

Wilde mosterd: zempe 1, zemp 5,

Wilde peen: wilde koejepee 8, wilde pee 9

Wilde zuring: pèrezurkel 1

Windhalm: pleùmgras, -gos 3

Witte klaver: stêênkloavers 6

Witte krodde: dubbeltjeskruud, dubbeltjesvuulte, Judaskruut 1,dubbeltjevuulte 2, dubbelt(j)es, dubbelt(s)jeskreùd, witte wijven, pakkèt(s)jes 3, dubbeltjeskruud 4, stêênkruud, Witte Jan, Jantje witteblomme 6

Wolfsmelk: kraontjesvuulte 1, krôôntjeskruud 4, 5, zulver-on(g)der-waeter 6, 8

Zandzegge: haogtegors of rêêpen (G) 8

Zilte rus: aertgos 9

Zwaluwtong: boeka-, boekwitwinde 3,

Zwarte nachtschade: allebes, bôômbes, zwarte jenevers 1, bostebeiers 2, 3, bostebeze(n), boste baaiers 3, koordedan(g)sers 6, zwarte keezen 7, bostappel 9

Grote ratelaar, veldzuring en smalle weegbree: een vegetatie die in het boerenland is verdwenen en nu alleen in natuurgebieden of in als natuur beheerde dijken is te zien (red.)

Verslag planteninventarisaties Landtong Rozenburg 2020
Gemeente Rotterdam

Mededelingennummer KNNV Hollandse Delta PWG 2020/02

Auteur: Erik Ketting
Onderzoekers: Leden van de Plantenwerkgroep

Gele lis

Inleiding

De landtong van Rozenburg heeft grote natuurwaarden en is in beheer geweest bij diverse beheerders. Tot 1-1-2019 was het beheer in handen van Staatsbosbeheer en is daarna heeft de gemeente Rotterdam het beheer overgenomen. De inwoners van Rozenburg willen graag middels de “Stichting Leve de Landtong” de natuur, milieu en landschap op de Landtong van Rozenburg behouden en verbeteren in samenspraak met de gemeente Rotterdam. Wim van Vliet (van de Stichting Leve de Landtong) heeft de plantenwerkgroep daarom gevraagd een planteninventarisatie op de landtong uit te voeren om de plantenrijkdom vast te stellen, en adviezen te geven over het beheer, om zo een bijdrage te leveren aan het behoud en de verbetering van de natuur op de Landtong. Op 8 februari hebben we de Landtong met Wim van Vliet bezocht en hebben we een deelgebied binnen de landtong geselecteerd om te inventariseren. We hebben het gebied op 11-5-2020, 27-7-2020 en 28-9-2020 geïnventariseerd. 

Gebiedsbeschrijving

De Landtong is ontstaan rond 1960 als bijproduct van het graven van het Calandkanaal en de aanliggende havens. De door mensen gemaakte, hooggelegen vlakte van gronddepots heeft zich hier in enkele tientallen jaren spontaan ontwikkeld tot een ruig duinachtig landschap van 60 hectare groot. Doordat hier altijd heel terughoudend beheer heeft plaatsgevonden, hebben natuurlijke processen een hoofdrol gespeeld. Denk aan processen als langzame ontzilting, spontane begroeien en neerslag en verdamping. Voor de inventarisatie hebben we natte vallei uitgekozen gelegen noordwestelijk van het EIC Mainport Rotterdam gebouw. Het terrein bestaat uit een in een vallei gelegen meertje met wisselende waterstanden dat gevoed wordt door regenwater, en vochtige graslanden daaraan grenzend. Het is qua terrein en vegetatie enigszins te vergelijken met een natte duinvallei.

Het gebied wordt extensief beheerd door middel van begrazing met Schotse hooglanders.

Werkwijze

We hebben in dit gebied een algemene inventarisatie uitgevoerd, waarbij alle in het gebied voorkomende planten zijn genoteerd.. Bij het inventariseren maken we gebruik van de app ObsMapp via een smartphone, de waarnemingen worden dan ook gelijk vastgelegd in de database van Waarneming.nl.

Resultaat

Totaal hebben we in het geïnventariseerde gebied 112 plantensoorten gevonden, waaronder de volgende bijzonder soorten; Smalle waterweegbree, Echt Duizendguldenkruid, Fraai Duizend guldenkruid, Brede orchis, Rietorchis, Moerasdroogbloem, Rode ogentroost, Bijenorchis, Zeegroene ganzevoet, Liggende ganzerik, Goudzuring, Waterpunge.

Wetenschappelijke naamNaamEuringFamilie
Achillea millefoliumDuizendblad4Asteraceae
Agrostis capillarisGewoon struisgras19Poaceae
Agrostis stoloniferaFioringras18Poaceae
Alisma gramineumSmalle waterweegbree26Alismataceae
Arctium minusGewone klit2457Asteraceae
Bellis perennisMadeliefje135Asteraceae
Betula pendulaRuwe berk140Betulaceae
Bidens frondosaZwart tandzaad143Asteraceae
Bidens tripartitaVeerdelig tandzaad144Asteraceae
Bryonia dioicaHeggenrank167Cucurbitaceae
Calamagrostis epigejosDuinriet174Poaceae
Cardamine hirsutaKleine veldkers203Brassicaceae
Cardamine pratensisPinksterbloem205Brassicaceae
Carex hirtaRuige zegge235Cyperaceae
Carex otrubaeValse voszegge245Cyperaceae
Centaurium erythraeaEcht duizendguldenkruid286Gentianaceae
Centaurium pulchellumFraai duizendguldenkruid287Gentianaceae
Cerastium arvenseAkkerhoornbloem292Caryophyllaceae
Cerastium fontanumGewone hoornbloem2314Caryophyllaceae
Cirsium arvenseAkkerdistel331Asteraceae
Cirsium vulgareSpeerdistel336Asteraceae
Cornus sanguineaRode kornoelje355Cornaceae
Crataegus monogynaEenstijlige meidoorn369Rosaceae
Dactylorhiza majalisBrede orchis1637Orchidaceae
Dactylorhiza praetermissaRietorchis0Orchidaceae
Daucus carotaPeen394Apiaceae
Dipsacus fullonumGrote kaardenbol412Caprifoliaceae
Eleocharis palustrisGewone waterbies437Cyperaceae
Epilobium hirsutumHarig wilgenroosje451Onagraceae
Epilobium parviflorumViltige basterdwederik457Onagraceae
Equisetum arvenseHeermoes462Equisetaceae
Erigeron canadensisCanadese fijnstraal475Asteraceae
Eupatorium cannabinumKoninginnekruid490Asteraceae
Festuca rubraRood zwenkgras520Poaceae
Galium aparineKleefkruid546Rubiaceae
Geranium dissectumSlipbladige ooievaarsbek570Geraniaceae
Geranium molleZachte ooievaarsbek571Geraniaceae
Geum urbanumGeel nagelkruid579Rosaceae
Glechoma hederaceaHondsdraf582Lamiaceae
Gnaphalium uliginosumMoerasdroogbloem589Asteraceae
Hippophae rhamnoidesDuindoorn629Elaeagnaceae
Holcus lanatusGestreepte witbol631Poaceae
 Hydrocotyle vulgarisGewone waternavel641Araliaceae
Iris pseudacorusGele lis665Iridaceae
Jacobaea vulgarisJakobskruiskruid2290Asteraceae
Juncus articulatusZomprus673Juncaceae
Juncus bufoniusGreppelrus675Juncaceae
Juncus inflexusZeegroene rus684Juncaceae
Juncus ranariusZilte greppelrus671Juncaceae
Juncus tenuisTengere rus690Juncaceae
Leontodon saxatilisKleine leeuwentand727Asteraceae
Lolium perenneEngels raaigras756Poaceae
Lotus corniculatusGewone rolklaver761Fabaceae
Lycopus europaeusWolfspoot780Lamiaceae
Malva moschataMuskuskaasjeskruid789Malvaceae
Medicago lupulinaHopklaver799Fabaceae
Mentha aquaticaWatermunt813Lamiaceae
Myosotis arvensisAkkervergeet-mij-nietje840Boraginaceae
Myosotis laxaZompvergeet-mij-nietje0Boraginaceae
Myosotis scorpioidesMoerasvergeet-mij-nietje844Boraginaceae
Odontites vernusRode ogentroost2319Orobanchaceae
Oenothera biennisMiddelste teunisbloem5457Onagraceae
Oenothera glaziovianaGrote teunisbloem873Onagraceae
Ophrys apiferaBijenorchis880Orchidaceae
Oxybasis glaucaZeegroene ganzenvoet312Amaranthaceae
Oxybasis rubraRode ganzenvoet316Amaranthaceae
Persicaria amphibiaVeenwortel967Polygonaceae
Persicaria lapathifoliaBeklierde duizendknoop973Polygonaceae
Persicaria maculosaPerzikkruid977Polygonaceae
Phragmites australisRiet933Poaceae
Plantago lanceolataSmalle weegbree946Plantaginaceae
Plantago majorGrote weegbree2320Plantaginaceae
Potentilla anserinaZilverschoon1006Rosaceae
Potentilla reptansVijfvingerkruid1010Rosaceae
Potentilla supinaLiggende ganzerik1012Rosaceae
Prunella vulgarisGewone brunel1017Lamiaceae
Pulicaria dysentericaHeelblaadjes1029Asteraceae
Quercus roburZomereik1037Fagaceae
Ranunculus acrisScherpe boterbloem1040Ranunculaceae
Ranunculus repensKruipende boterbloem1056Ranunculaceae
Ranunculus sceleratusBlaartrekkende boterbloem1058Ranunculaceae
Rhinanthus angustifoliusGrote ratelaar1066Orobanchaceae
Rorippa amphibiaGele waterkers1074Brassicaceae
Rosa rubiginosaEgelantier1084Rosaceae
Rosa Subsec. CaninaeHondsrozen-groep1643Rosaceae
Rubus caesiusDauwbraam1089Rosaceae
Rubus Sec. RubusZwarte braam1634Rosaceae
Rumex conglomeratusKluwenzuring1097Polygonaceae
Rumex crispusKrulzuring1098Polygonaceae
Rumex maritimusGoudzuring1100Polygonaceae
Rumex x pratensis (R. crispus x obtusifolius)Bermzuring1095Polygonaceae
Salix albaSchietwilg1116Salicaceae
Salix cinereaGrauwe wilg1119Salicaceae
Sambucus nigraGewone vlier1133Adoxaceae
Samolus valerandiWaterpunge1135Primulaceae
Scorzoneroides autumnalisVertakte leeuwentand725Asteraceae
Sedum acreMuurpeper1175Crassulaceae
Silene latifoliaAvondkoekoeksbloem6917Caryophyllaceae
Sinapis arvensisHerik1207Brassicaceae
Solanum dulcamaraBitterzoet1218Solanaceae
Sonchus asperGekroesde melkdistel1224Asteraceae
Tanacetum vulgareBoerenwormkruid1260Asteraceae
Trifolium campestreLiggende klaver1298Fabaceae
Trifolium dubiumKleine klaver1299Fabaceae
Trifolium pratenseRode klaver1305Fabaceae
Trifolium repensWitte klaver1306Fabaceae
Typha angustifoliaKleine lisdodde1317Typhaceae
Urtica dioicaGrote brandnetel1321Urticaceae
Verbascum thapsusKoningskaars1343Scrophulariaceae
Veronica anagallis-aquaticaBlauwe waterereprijs1346Plantaginaceae
Veronica arvensisVeldereprijs1347Plantaginaceae
Veronica catenataRode waterereprijs1350Plantaginaceae

Constateringen en aanbevelingen

Het is een interessant terrein met een rijke vegetatie waaronder 3 orchideesoorten die in behoorlijke aantallen  voorkomen. Ook rond het meertje komen leuke soorten voor die kenmerkend zijn voor wisselende waterstanden. De rijkdom van de vegetatie staat echter onder druk. We hebben vastgesteld dat het terrein behoorlijk verruigt is en langzaam dichtgroeit met struiken die in delen van het terrein door de runderen kort gehouden worden, zodat daar dwergstruiken zijn ontstaan. Daarnaast stellen we vast dat veel orchideeën niet tot bloei komen omdat de bloemknoppen eruit gegeten worden door de runderen.

We adviseren daarom de volgende beheermaatregelen te nemen.

  • Verwijderen van het teveel aan struweel.
  • Begrazingsdruk omlaag brengen en het terrein niet jaarrond begrazen. Met name in de knop en bloeifase van orchideeën de runderen middels een raster buiten het gebied houden.
  • Een maal per jaar maaien en afvoeren.

Bronnen

Heukels Flora van Nederland

Google maps

Website Free Nature

Colofon

Verslag: Erik Ketting / 2-11-2020

Vegetatieopnamen: De leden van de Plantenwerkgroep van de KKNV Afdeling Hollandse Delta

Ed Buijsman is kenner en collectioneur van alles wat met de Beer te maken heeft en schreef er ook een fraai boek over. Hier reproduceren we Mededeling 14 van zijn hand, onderdeel van een online reeks met informatie over een trots natuurgebied in de Maasmonding dat in 1964 verging onder de golven van de industrialisering.

Een kleine topografie van De Beer 

KLIK HIER VOOR DE PDF Mededelingenreeks Natuurmonument De Beer 14 

Januari 2013 

Ed Buijsman © Tinsentiep, Houten 

De Mededelingenreeks Natuurmonument De Beer beoogt informatie over het voormalige natuurmonument De Beer toegankelijk te maken. De uitgaven zijn ook beschikbaar via de website overnatuurmonumentdebeer.inzichten.nl

Een citaat:

“De naam ‘De Beer’ komt voor het eerst voor op een kaart uit 1610 (zie ook afbeelding 4). Het woord ‘beer’ is hier mogelijk gebruikt in de betekenis van ‘waterkering’ (De Vries, 1971). Het kan ook zijn dat het woord is afgeleid van het Engelse ‘bar’, dat later verworden is tot baar in de betekenis van zandbank in de monding van een rivier. Hazewinkel wees in 1936 op nog een andere mogelijkheid. Het zou in het oud-Nederlands gaan om een van ‘bere’ afgeleid woord, waarbij ‘bere’ zoveel als modder, slijk betekent. Deze uitleg komt ook overeen met een van de betekenissen zoals die door De Vries (1971) wordt gegeven. De verklaring hiervan zou zijn dat de oorspronkelijk kale zandplaat, De Blencken, was veranderd in een begroeide slijkplaat. “

Oostvoorne op de kaart van 1893 en dan steeds 20 jaar later tot 2013; beelden staan 5 seconden. In 30 seconden ben je 120 jaar verder; kaarten zijn ontleend aan topotijdreis. Klik op het plaatje van de clip en dan venster linksboven voor beeldvullende weergave.
1873-2013 zoek 10 overeenkomsten

De kruisdisteloesterzwam is een soort uit het zuiden van Europa met de noordgrens van zijn areaal in Nederland. De soort is vrijwel beperkt is tot het zuidwesten van ons land. Twee dijken op Goeree blijken rijke vindplaatsen.

De Nieuwendijk is een beschermde dijk op Goeree nabij Havenhoofd en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Langs de zuidzijde is de dijk langs de weg en een met blauwe paaltjes gemarkeerde wandelroute goed te bekijken. De dijk is zeer bloemrijk met vele zeldzame en kalkminnende bloemen waaronder nachtsilene en beemdkroon. Het is ook een rijke vindplaats van de kruisdistel, die in de delta overal op dijken en in duinen voorkomt. Maar juist de Nieuwendijk blijkt een zeer rijke groeiplaats voor de op kruisdistel groeiende kruisdisteloesterzwam (Pleurotus eryngii). Ook elders op Goeree, in de vrij toegankelijke dijk langs de Preekhilpolder (bij Ouddorp, in beheer bij Het Zuidhollands Landschap) is deze landelijk zeer zeldzame soort veel te vinden. Deze ‘dijkreservaten’ worden als natuur beheerd (geen bemesting, laat maaien en maaisel afvoeren). Deze natuur zou ook op veel andere dijken en bermen van Waterschap Hollandse Delta kunnen terugkeren als de aannemers van het waterschap laat (na juli) zouden maaien, en niet zouden klepelen (=stukmaken vegetatie die daarna blijft liggen) maar ook afvoeren. Verschraling leidt tot meer bloemen, klepelen geeft ruigtes.

Kruisdisteloesterzwammen bovenop de Nieuwendijk op Goeree.

Op de noordzijde van de Nieuwendijk, waar kruisdistel niet groeit, troffen we geen vindplaatsen. Op de steile zuidzijde die pas zeer laat wordt gemaaid i.v.m. de insecten vonden we enkele exemplaren. De meeste stonden bovenop de dijk, waar helaas af en toe een onbevoegde motorcrosser of quad passeert en de paddenstoelen dan aan gort rijdt.

Locaties met kruisdisteloesterzwam in de Hollandse delta volgens Waarneming.nl 2010-2020; landtong Rozenburg en Oostvoorne, en op Goeree de Nieuwendijk, de Oostduinen (aangevuld), de Springertduinen, de Westduinen en de dijk langs de Preekhilpolder.

Ecologie

Kruisdisteloesterzwammen groeien op de wortels van de kruisdistel op mineraalrijke klei- of zandgrond, vaak op dijken. Dit soort onbemeste graslanden zijn tegenwoordig schaars.

Kruisdisteloesterzwammen groeien op de wortels van kruisdistels op onbemeste, mineraalrijke klei- of zandgrond, vaak op dijken. Deze uitgegraven paddenstoel is bevestigd aan de rafelige hals van een kruisdistelwortel; het is onduidelijk of deze wortel al dood is of niet.

Zie de uitgebreide versie van dit artikel elders op deze site.

Zie ook online de landelijke verspreidingkaart van de kruisdisteloesterzwam

Aandacht voor zeereeppaddenstoelen; boek en online artikelen

Kustliefhebbers! Er is mooi najaarsnieuws. Bij de zeereep denken we aan aanstuivend zand, helmduinen en diverse mosvegetaties. Maar er groeien ook 160 soorten paddenstoelen! Die zijn vaak heel specifiek voor dit milieu en zijn niet in de gangbare gidsen zijn opgenomen. De nieuwe paddenstoelengids geeft hiervan een prachtig overzicht.

Veldgids paddenstoelen III – paddenstoelen van de zeereep, een uitgave van de KNNV-uitgeverij, bevat sleutels, beschrijvingen en kleurenfoto’s van alle soorten en is gericht op herkenning in het veld. Waar nodig zijn ook microscopische kenmerken opgenomen. De soortbeschrijvingen behandelen de kenmerken van de soort, achtergrondinformatie, ecologie en verspreiding, voor de hand liggende verwisselingen en informatie voor verdere literatuurstudie. In de inleidende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de habitattypen ‘witte duinen’ en ‘grijze duinen’.

  • meer dan 160 soorten
  • determinatiesleutels
  • veldkenmerken

De auteur van deze gids, Machiel E. Noordeloos, heeft al ruim 50 jaar een passie voor paddenstoelen en ook als wetenschapper was hij werkzaam in de ‘paddenstoelenkunde’, de mycologie.

Artikelen over zeereeppaddenstoelen op duinenmensen

BESTELLEN: zie KNNV Uitgeverij

Zandtulpje na storm. Foto Rienk Slings

2 maart 2019 verschijnt eindelijk Bloeiende duinen, maar we plaatsen periodiek een kort verhaal er uit online. Het fijne van online-publiceren is dat de foto’s net wat meer ruimte kunnen krijgen en er bijzondere foto’s extra bij  kunnen, zoals de magnifieke van Gerard Oostermeijer van verschroeide heide, augustus 2018. Het vervelende van online is weer dat je dit  verhaal niet in het perspectief ziet van het grotere verhaal: van de Schoorlse duinen, van de vastelandsduinen, van de Nederlandse duinen. En hoe verhoudt dit project zich tot de vele andere projecten met natuurherstel langs de kust? Lees Bloeiende duinen.

Boswachter Laurens Bonekamp, 2018 op de hoog opgestoven drempel van de Kerf, juni 2018

20 jaar De Kerf

In 1997 waren de Schoorlse duinen wereldnieuws door een revolutionaire maatregel. Waren de Nederlanders gek geworden? Tussen strandpaal 30.50 en 30.75 werd in de zeereep een gat gegraven van 100m breed, tot een niveau van 1,5m boven NAP. De achterliggende en verdroogde Parnassiavallei, waarin de naamgever al decennia niet meer groeide, werd geplagd en in het noordelijke deel werd de valleibodem verlaagd, waarbij een oude jeneverbes moest wijken voor de vooruitgang. Het gebied kreeg een nieuwe naam: De Kerf.

Direct na aanleg stroomde de Kerf vol met zeewater. Van 1997 tot 2002 waren er 30 overstromingen, in de periode tot 2010 slechts enkele, daarna niet meer. De foto is uit 2007. Foto: Johan Bos

Foto uit 1997 van Koos Leek van Open kerf met binnengestroomd water.

De hogere ‘drempel’ wordt veroorzaakt door inwaaiend zand dat zich langs de duinvoet van zuid naar noord verplaatst onder invloed van de overwegend zuidwestelijke wind. Foto uit 2013 van Ronald van WijkHet project beoogde een toename van dynamiek, en het scheppen van overgangen van zout naar zoet en jong naar oud, met meer natuur. Hoewel het zeewater niet meer binnenkomt staan er tot op heden allerlei zoutplanten waaronder schorrezoutgras, zilte rus  en zilte zegge. Een flink deel van de kaal gemaakte zuidelijke vallei heeft zich ontwikkeld tot duingrasland met buntgras, vroege haver, zandblauwtje en lokaal smal fakkelgras, maar ook tot vochtige, zoete duinvallei. In de Parnassiavallei van nu, waar ook kalkrijker zand naar binnen kon stuiven, vestigden zich soorten van vochtige duinvalleien zoals duizendguldenkruiden, rietorchis, rond wintergroen, duinrus en dwergzegge, en mossen als kropgoudkorrelmos en vetmos. En parnassia zelf maakte haar opwachting, in gezelschap van galigaan, geelhartje, knopbies, moeraswespenorchis en sierlijke vetmuur. Deze ontwikkeling is ook te verwachten in de in 2017 geplagde valleien van Fortblink en Zeeblink ten noorden van de Kerf. En wie het gewone ook waarderen kan: de Parnassiavallei is de enige plek in het kalkarme Schoorlse duin die kalkrijk genoeg is voor een flink groeiplaats van de duindoorn.

Pad door de natte duinvallei achter de Kerf, augustus 2017. Foto Theo Baas

De Kerf was het eerste experiment met een opening in de zeereep. De kust kon het aan, maar de beoogde zilte vegetaties hielden geen stand doordat de Kerf verzandde en geen gierend windgat werd waardoor zee en vooral zand blijvend naar binnen konden komen. De natuur voegt zich na 20 jaar naar het nieuwere zoete water in een iets kalkrijker, verjongd milieu. Zo dook bijvoorbeeld moeraslathyrus op en daar moet het echt zoet voor zijn.

HOTSPOT Van Kerf naar de Parnassiavallei met wandeling langs 10 soorten staat op duinenenmensen.nl

Gerard Oostermeijer fotografeerde De Kerf met verschroeide hei, augustus 2018. De kerf ligt op de achtergrond. Waar het groen is gebleven was ook na 6 weken droogte nog (grond)water.

Patroon van lamsoor, gewone zoutmelde en zeealsem. Foto: Gerard Oostermeijer

Deze route (van ca 1 km lang) ligt op een van de meest belopen kwelders ter wereld. Er zijn paadjes uitgesleten. Het is niet verboden hier te zwerven (binnen het opengestelde gebied), maar je bent een medegebruiker.  In het afgesloten rustgebied van de Slufter broeden veel eidereenden. Die zijn met jongen zwemmend in de kreken te zien vanaf juni.

  • Start en einde: Slufterweg 1, 1795 KM De Cocksdorp
  • De wandelroute volgt diverse paadjes. Geef op je mobiel toegang tot eigen positie (lees hier hoe). Wandeling: de downloadlink voor GPX-track staat ook onderaan de kaart.
  • Klik op een icoon op de wandelkaart en vindt een plantensoort. Of andersom: klik bij een plant op de icoon en je komt op de locatie van de plant.
  • De beste tijd om deze soorten te zien bloeien is vanaf  tweede helft juli tot in september.
  • Ten overvloede: verboden te plukken, verzamelen of uitsteken.
  • Reacties of eigen waarnemingen kun je kwijt onder dit bericht.

De Slufter van Texel heeft een geheel eigen status in het Nederlandse kustlandschap. In de luwte van de duinen kan de binnendringende zee kleideeltjes afzetten en zand. Op de zilte en brakke kwelder is sprake van een afwisselend patroon van planten, van jong en laag met zeekraal tot oudere zilte graslanden met Engels gras. Hazen leven er, en noordse woelmuizen. De Slufter is een zeer bijzonder ‘achterduins’ zandig kwelderlandschap. Zie online verhaal uit het boek Duinen en mensen Texel: de Slufter

Fijn goudscherm; foto Bas kers

Laksteeltje

Op de Zanddijk (uit 1630), waar de wandeling begint, staan soorten van het zoete, droge duin waaronder schermhavikskruid en zandblauwtje. De zandbodem is wel deels ontkalkt door de eeuwenlange regen maar ook weer niet zoveel dat er veel struikhei staat. Beneden is de aanspoel- of veekrand, de plek waar het vloedmerk wordt afgezet bij de hoge wintervloeden interessant. Er zit veel dierlijk leven in, ook de op Texel gearriveerde huisspitsmuis die hier vele kleine beestjes, zoals vlokreeftjes eet. In deze voedselrijkere zone van het vloedmerk groeien soorten zoals zandhaver, zeeraket, strandmelde, zeebiet en reukeloze kamille. In mei staan langs het pad onder het vloedmerk het Engels gras te bloeien, gevolgd door de aardbeiklaver en vanaf juni bloeit hier bij goed zoeken een bijzondere grassoort, de dunstaart. Twee zeldzame soorten die hier op de hoge kwelder en op de voet van de duintjes voorkomen zijn fijn goudscherm en (in 2018) 10 duizenden laksteeltjes, waarschijnlijk de grootste populatie van deze soort in Nederland. Makkelijker zijn het melkkruid, gerande schijnspurrie, het schorrezoutgras en in de nazomer rode ogentroost. Richting zee lopen we van hoge kwelder naar de lage. Andere soorten verschijnen hier waaronder lamsoor, zeeweegbree, klein schorrekruid en gewone zoutmelde. Op iets meer zandige ruggen langs kreken staat zeealsem en gewone zoutmelde,  terwijl in de laagtes maar liefst 4 soorten zeekraal te vinden zijn. Twee ervan zijn algemeen: de kortarige zeekraal (ondersoort brachystachyae) tussen de lamsoor en de langarige (rechtopstaande) zeekraal (Salicornia stricta) op de laagste slikkige delen in kwelderkommen en langs de slenken, Er komen nog twee erg zeldzame soorten voor. Op lagere, zandige stukken staan duizenden exemplaren van de eenbloemige zeekraal. En op de zandige strandvlakte meer richting de monding van de slufter staat de langarige zandzeekraal, een soort die nog niet zo lang herkend wordt in Nederland.

Langarige ZANDzeekraal, pas sinds 2011 goed bekend uit ons land en nog niet in de Flora. Foto Bas Kers

De beste periode om deze planten te herkennen is vanaf augustus.

Drie soorten zeekraal v.l.n.r de kortarige, de eenbloemige en de langarige. Foto Bas Kers

Deze wandeling wordt gepubliceerd in het boek ‘Bloeiende duinen’. U steunt ons project door het boek te bestellen.

Bezoek andere hotspots met behulp van de overzichtskaart.

Exporteer als KML voor Google Earth/Google MapsOpen standalone kaart in volledige scherm modus
Texel Slufter

kaart is aan het laden - een ogenblik geduld aub...

| | km | | /km | +m -m (net: m) | download GPX bestand download GPX bestand
Reukeloze kamille: 53.130886, 4.814458
Engels gras: 53.130886, 4.814329
Melkkruid: 53.131118, 4.812441
Laksteeltje: 53.131401, 4.809051
Lamsoor: 53.132689, 4.810724
Zeealsem: 53.135933, 4.811239
Rode ogentroost: 53.132611, 4.816003
Aardbeiklaver: 53.130320, 4.813814
Langarige zandzeekraal: 53.133719, 4.803300
Eenbloemige zeekraal: 53.134980, 4.809136
Kortarige zeekraal: 53.132714, 4.812613
Langarige zeekraal: 53.133667, 4.813600
Fijn goudscherm: 53.131762, 4.815187
marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Reukeloze kamille

Vroeg in de zomer rijk bloeiend op verterende plantenresten in een lange zone langs de Slufter

 

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Engels gras

Op de hoge zandige kwelder, in mei al bloeiend

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Melkkruid

Vetbladachtig plantje, als zoveel kwelderplanten (zeekraal, zeeweegbree, etc) want zout maakt dat je vocht wel vast wil houden.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Laksteeltje

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Lamsoor

Iconische kwelderplant van de lagere kwelder, verdraagt lichte schapenbeweding en is bron van nectar voor vele vlinders, vliegen en bijen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Zeealsem

Een geur uit duizenden en een onmiskenbare kleur

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Rode ogentroost

Hogere kwelders en zandige strandvlaktes, parasiteert op grassen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Aardbeiklaver

Hier naast zilte rus; soort van brakke overgangen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Langarige zandzeekraal
 

Foto Bas Kers

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Eenbloemige zeekraal

VLNR: de kortarige, de eenbloemige en de langharige zeekraal. Foto Bas Kers

13 markers
per pagina
pagina 12

 

Pieter Slim in Stratiotes (vakblad voor vegetatiekundigen) najaar 2020 met recensie Bloeiende duinen maar ook overzicht van alle recent verschenen duinenboeken.
Het is een prachtig geïllustreerd boek met een mooie, karakteristieke lay-out, met oude en nieuwe foto’s, tekstboxen etc. Maar er is meer (…)
Gemma Venhuizen in NRC, 29 juni 2019 Het landschap met de eeuwige jeugd

Een ‘must-have’ voor planten- en duinliefhebbers.

Nederlandse biblotheken (mei 2019)

Ingedeeld naar de drie soorten duinen is dit een uitbundig en zeer fraai geïllustreerde reis- en zoektocht langs de Nederlandse kust. Met medewerking van vele auteurs en fotografen samengesteld. Zelfs vanuit professionele achtergrond is de gigantische hoeveelheid informatie uniek en zeer verrassend. Dat komt door de manier waarop de gebieden beschreven zijn. Geen saaie lijstjes met planten- en dierennamen, maar uitleg hoe ze vanuit het verleden zijn ontstaan. Toegespitst op ecologische omstandigheden in het samenspel van o.a. nat/droog, zoet/zout water, overstroming bij vloed, de windfactor, menselijke handelingen, visies op beheer. Samen verantwoordelijk voor het ontstaan van unieke groeiplaatsen met veel bijzondere planten en daaraan gekoppelde dieren (insecten en vogels). Via internet zijn vijftig wandelingen op te roepen (hotspots) met minimaal tien plantensoorten uit de speciaal belichte top 100 van kenmerkende soorten (geen Latijnse namen). Zo kan stap voor stap soortenkennis worden uitgebreid. Samen met informatie van dat terrein. Gericht op een breed publiek dat kennis zoekt en/of wil genieten. Er kan maar één conclusie zijn: deze ‘B(l)oeiende duinen’ zijn zeer de moeite waard.

(Drs. Jan Beelen)

Vara’s Vroege Vogels (12 mei 2019)

Eilanden Nieuws (4 april 2019)

Terschelling courant (7 maart 2019)

Radio Rijnmond (2 maart 2019)

Boek bestellen

Door: Wim Prinsen en Theo Briggeman

Op Voorne-Putten komen drie Rode Lijst-soorten voor: het bruin blauwtje, het oranje zandoogje en de heivlinder. Met de eerste twee soorten gaat het nog redelijk goed: ze worden niet direct met uitsterven bedreigd maar zijn wel gevoelig in hun voortbestaan. Andere soorten gaan echter in rap tempo achteruit, zoals de argusvlinder en de heivlinder.

De heivlinder is een vrij schaarse standvlinder, die voorkomt op de hogere zandgronden in het binnenland en in de duinen. Ook deze soort staat als kwetsbaar op de Rode Lijst. Op ons eiland wordt de heivlinder de laatste 10 jaar niet tot nauwelijks meer gezien. Tot 2013 werden er nog redelijk veel heivlinders waargenomen. Zeventig stuks op het buitenduin van Voorne en de Brielse Gatdam was in die tijd nog gebruikelijk. Vaak foerageerden ze op de blauwe zeedistel. Nadien is de soort niet meer gezien.

Voor de argusvlinder geldt op Voorne-Putten hetzelfde. Op de Beningerslikken werd de soort tot 2013 nog in hogere aantallen waargenomen (2013: 42 exemplaren). Op gras- en bloemrijke dijkhellingen tussen Hellevoetsluis en Rockanje werden tot zo’n 15 jaar geleden nog jaarlijks tientallen exemplaren waargenomen. In twee jaar tijd is de soort daarna zo goed als verdwenen. Dat is mogelijkerwijs terug te voeren op een veranderd maaibeheer, waardoor alle nectarplanten zijn verdwenen. Op Putten wordt sedertdien nog een doodenkele keer een argusvlinder gezien (Bernisse, Polder Biert, Beningerslikken). Eigenlijk kan worden geconcludeerd dat de argusvlinder op Voorne-Putten is verdwenen. Landelijk gezien is de argusvlinder het laatste decennium ook hard achteruitgegaan.

(ontleend aan: Natuur in de Hollandse Delta; Jaarboek 2019; KNNV Afd. Voorne, 2020)

Lees verder de pdf

Door: Theo Briggeman

(ontleend aan: Natuur in de Hollandse Delta; Jaarboek 2019; KNNV Afd. Voorne, 2020)

De KNNV doet sinds 2018 onderzoek naar het voorkomen van de zandhagedis (Lacerta agilis) in het duingebied van Voorne. Dat gebeurt op verzoek van RAVON en het Zuid-Hollands Landschap. In 2018 en 2019 zijn in delen van de Duinen van Oostvoorne vaste routes op basis van de Handleiding voor het monitoren van reptielen gemonitord. Het betrof vooral gebieden die recent waren ontdaan van veel begroeiing. De soort is een doelsoort voor de Natura 2000-gebieden op het eiland en is sinds 1973 een beschermde diersoort. De zandhagedis zit op Voorne op het randje van haar verspreidingsgebied. Ten noorden van Voorne kwam de soort tot voor kort vrij algemeen voor. Ten zuiden van Voorne wordt de zandhagedis mondjesmaat op Goeree gezien. Recent lijkt de populatie daar weer op te leven en zijn er zelfs juveniele beesten waargenomen (m.m. Ted Sluijter, NM). Zuidelijker komt de zandhagedis niet voor.

Lees verder de pdf

Foto Peter Zwitser