Duinen-en-mensen-punt-nl-met-payoff

In het tijdschrift Hollands Duinen verscheen een mooie reeks portretten van soms al lang vergeten beroepen van kustbewoners, steeds aan de hand van schilderij of prentbriefkaart. We citeren uit dit tijdschrift onderstaande  bijdrages van de hand van Frans Beekman. Tussen haakjes staat het betreffende nummer van dit tijdschrift.

De vinker (60)

De schelpenvisser (61)

De nettenboetsters (62)

De naleesters (63)

De ezeldrijvers (64)

De schaapherder (65)

De garnalenvissers (66)

De bramenzoekers (67)

De zandmenner (68)

De badvrouwen (69)

De koeienwachter (70)

Noordzeevissers (71)

De helmpoter (72)

De kruisnetvisser (73)

De strandjutter (74)

Duinboer(in) (76)

Garnalenvisser (2) (77)

Badvrouwen

Al in 2000 werd er voor het eerst over Strandreservaat Noordvoort (ten zuiden van Zandvoort) gesproken. In verschillende stappen is 20 jaar later een meer dynamische zeereep een feit. Een bijzonder stiltegebied waar volgens de initiatiefnemers de natuur voorrang krijgt. Wat zijn de resultaten?

Duinen moeten kunnen meegroeien met de stijgende zeespiegel. Het zand moet daarvoor vanaf het strand over de duinen kunnen stuiven. Kuilen en kerven in de zeereep, zoals die in Noordvoort zijn aangebracht, fungeren als ‘doorgeefluik’ van zand naar de duinen achter de zeereep, die daardoor hoger worden. Ook is de gedachte dat er zo meer ruimte komt voor planten en dieren die hier in het duin thuishoren. Typische zeereepsoorten zoals zeeraket, blauwe zeedistel, zeewolfsmelk, zeepostelein en duingraslandsoorten als zandviooltjes kunnen zich wellicht weer uitbreiden, en er ontstaat meer leefruimte voor zandhagedissen, blauwvleugelsprinkhanen en kleine parelmoervlinders. 

Een stuivende zeereep mogelijk maken in de drukke randstad is een kwestie van lange adem. Na 2000 bleef het lang stil maar in 2009 ondertekenden Waternet, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de gemeenten Noordwijk en Zandvoort, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat een intentieverklaring waarin zij afspraken om samen te werken aan herstel van de natuur- en belevingswaarden van het gebied tussen kilometerpaal 70 en 73.

In 2013 zijn de eerste stuifkuilen in de zeereep gemaakt. Vegetatie werd verwijderd om de verspreiding van stuifzand te bevorderen. De nadruk op lag op gang brengen van verstuiving om weer een natuurlijke, geleidelijke overgang van de zee naar de duinen te krijgen. De natuur laat zich echter niet ophaasten. Anno 2018 bleek uit wetenschappelijk onderzoek dat er nog geen toename van karakteristieke planten van de zeereep zoals zeewinde en zeeraket te zien was. Nu is, zoals de auteurs van het verslag (Ben Kruijsen, Cor ten Haaf en Mark van Til) ook schrijven, de buitenste zeereep soortenarm en zou de lat qua biodiversiteit van de wilde planten niet al te hoog gelegd moeten worden. Auteurs zijn hoopvoller t.a.v. de aan de zeereep gebonden paddenstoelen, zoals het zandtulpje. Landschappelijk wordt de winst ‘groot’ genoemd, ook op korte termijn, met meer stuifkuilen en veranderende vegetaties.

In 2018/19 is het strandreservaat ook daadwerkelijk gerealiseerd door aanleg van houten palenrijen op het strand bij strandpaal 70 tot strandpaal 73 als markering van het stiltegebied gecombineerd met een struinpad op de zeereep. De recreant wordt welkom geheten met drie uitkijkpunten op de zeereep, waarvan de middelste precies op de provinciegrens ligt. Bovendien verschenen er fietsenstallingen met informatieborden bij de paden naar de uitzichtpunten.

In 2020 zijn in de zeereep tussen strandpaal 69 en 70 nieuwe stuifkuilen aangelegd: De 7 Broeders.  Het beoogde doel van deze ingrepen is ook hier het herstellen van dynamische processen en een meer natuurlijke zeereep. De zeven nieuwe stuifkuilen zijn anders aangelegd dan tussen strandpaal 70 en 73. Ze zijn dieper uitgegraven en verbonden met het strand. Na ongeveer twee jaar moeten de stuifkuilen goed op gang zijn. We zijn zeer benieuwd naar de resultaten en ook of het strand soortenrijker is geworden met kansen voor vogels en het achterliggende duin rijker qua flora wordt. Het is verstandig geen overspannen verwachtingen te hebben op de korte termijn en ook effecten van recreanten op de nieuwe natuur te volgen.

Projectdetails

Mark Zekhuis en Nico de Vries schreven een boek dat in 2012 uitkwam bij Uitgeverij Profiel in Bedum en nu ook hier online is te raadplegen.

In de uiterste Noordoosthoek van Nederland ligt Rottum, een kleine groep onbewoonde eilanden in de Waddenzee: Rottumeroog, Rottumerplaat en Zuiderduin. Rottum is beschermd gebied, de natuur heeft het hier voor het zeggen. Het is slechts beperkt toegankelijk voor onderzoekers die er komen om te inventariseren, te onderzoeken en toezicht te houden. Er zijn jaarlijks ook enkele excursies die Staatsbosbeheer organiseert. Zie onze hotspotwandeling op Rottumeroog online.

Vooral de wad- en broedvogels worden nauwkeurig geteld. Op Rottum worden vaak ook bijzondere diersoorten worden waargenomen. Deze informatie is vastgelegd voor iedere geïnteresseerde. De Fauna van Rottum toont de biodiversiteit van de fauna van Rottum, een systematisch overzicht van alle diersoorten die ooit op deze geïsoleerde eilandengroep zijn waargenomen en geregistreerd. 

Daarnaast wordt verteld over het ontstaan van Rottum, de ligging en de huidige verschijning. Ook het beheer vroeger en nu, het werk van voormalig strandvoogd Toxopeus en de vogelwachters wordt besproken. 

De gegevens zijn afkomstig van Staatsbosbeheer, diverse Particuliere Gegevensbeherende Organisaties, de vogelwachters en de allerlei vrijwilligers die hier gegevens verzamelden.

Een bijzonder naslagwerk voor de vogelaar, de wetenschapper, de waddenliefhebber, de eilandengek, de natuurliefhebber in het algemeen en die van Rottum in het bijzonder.

(Verscheen eerder in Struinen, het tijdschrift van de Historische Vereniging Westelijk Voorne (33, 3) )

door: Nol Freijsen

Olaertsduin

In het jaar 1354 geeft Mechtild, Vrouwe van Voorne, dus de heerseres op ons eiland, aan twee broers de concessie om het duingebied van Rockanje te gaan exploiteren. Het waren de gebroeders Jacop en Clays Oelaert. Zij werden daardoor de opvolgers van hun voorouders, die hen voorgingen in het gebruik van het gebied. Dit kreeg door de band met deze familie ook hun naam als toponiem (gebiedsnaam): Olaertsduin. De naam is voort blijven bestaan bij Rockanje tot in onze huidige tijd.

            Het betreffende duingebied grensde aan het Oude Rockanje en de polder Stuifakker. Men moet zich hierbij wel voorstellen dat het toenmalige duingebied binnen het Ambacht Rockanje (de latere gemeente) heel wat smaller was dan het tegenwoordige duingebied daar. En een ander groot verschil was de gesteldheid van het landschap. In de oorkonde van Mechtild wordt gesproken over een “uitgors”. Hiermee werd bedoeld dat het gebied nog openstond voor hoge vloeden van zeewater. 

            In de loop van de 14e eeuw kwam er blijkbaar een eind aan het bestaan van de Olaertsers als duingebruikers. Vanaf die tijd kwam het duin in handen van andere pachters. Dat waren prominenten met de naam Van Naaldwijk. De documenten die daarop betrekking hebben, maken ons duidelijk dat het duingebied van Rockanje nog steeds onderhevig was aan overstroming door de zee. Het beperkte de mogelijkheden voor gebruik van het duin. We moeten ons voorstellen dat de meeste inkomsten voor de pachters verworven werden uit de jacht op konijnen, die van de 13eeeuw in ons land voorkwamen en in de duinen zeer talrijk waren. Zij werden gejaagd voor het vlees en het bont.

            Opvallend is het dat ondanks het vertrek van de familie Olaert uit het duin, hun naam voor dat gebied gehandhaafd blijft tot in de 17e eeuw. Dat zien we op topografische kaarten uit die tijd. De kaart van Jacob Cornelis Koutter uit 1608 is daar een duidelijk voorbeeld van (Fig. 1 a en b).  

Fig. 1a. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608: Oolaerdts duyne, ‘Twintgat, Grote Creeck, Kijf Duijne, Berckenrijs. (Jacob Cornelis Koutter; Hingman collectie nr. 2030
Fig. 1b. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608 interpretatie van bovenstaande kaart 1a.

En daar blijft het niet bij. We zien hun naam verschijnen in het poldergebied. Ze werden toen blijkbaar eigenaar of pachter van een deel van de polder Stuifakker en dat kreeg de naam Nieuw Olaertsduin (Fig. 2).

Fig. 2. De duinen nabij Rockanje omstreeks het midden van de 17e eeuw: Nieu Olaers Duijnen, Gorsinge toecomende de Heer van Obdam, Sinte Pietersdyck, TWint gadt. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2035)

            Op die plaats leeft de naam Olaertsduin voort tot in onze tijd. Heden ten dage ligt daar het landgoed met die naam (Fig. 3). Het werd in 1910 gesticht door William Smith. De gebouwen aldaar hebben in de moderne tijd publieke functies gekregen o.a. Volkshogeschool en waren en zijn zo bekend.

Fig. 3. Binnenduingebied van Rockanje nabij het Windgat. Olaertsduin, “Windgat” = Strypemonde. (Topografische kaart 2019; ontleend aan topotijdreis.nl)

Windgat

Er is geen passender naam voor een deelgebied in het duin van Voorne dan de benaming Windgat, zoals hieronder zal blijken. De benaming stamt uit de Middeleeuwen, uit het jaar 1479. Toen werd het gebied genoemd in een oorkonde in verband met verpachting door de toenmalige heersers over Voorne Maximiliaan en Maria van Bourgondië. Het werd omschreven als het gors tussen Berckenrijs in het noorden en de Olaertsduinen in het zuiden. De exacte ligging van Windgat wordt pas duidelijk op de veel latere kaart van Koutter, die we boven reeds hebben genoemd in verband met Olaertsduin (Fig. 1.). Ter verdere verduidelijking: het op deze kaart genoemde Kijf Duyne is nu het gebied van het landgoed Strypemonde. De naam Kijf Duyne kennen we niet meer, wel die van Berckenrijs nl. als naam van een nabij gelegen weg. In de oorkonde werd overigens ook de verpachting van de Olaertsduinen gegund aan dezelfde persoon, zijnde Cornelis Gillisz van Cleyburg. Die gingen dus weer in andere handen over.   

Een grote bijzonderheid van de kaart van Koutter is, dat we een getijdenkreek zien, lopend vanaf de monding van het Haringvliet naar en in het Windgat. Hij draagt de naam Grote Creeck. Van wanneer die kreek dateert, is niets bekend; de geologische kaart geeft hierover geen informatie. Of hij reeds in 1479 er was, weten we dus niet. Het roept wel de vraag op, of de kreek misschien ontstaan is bij de grote stormvloed van 1214, waarbij grote veranderingen optraden in de waterhuishouding van Voorne o.a. ook met de vorming van de Gote kreek.

            Wat we wel weten, is dat de Grote Creeck ongetwijfeld bestond in het jaar 1570. In dat jaar vond de Allerheiligenvloed plaats op 1 november. De kreek was toen de toegangsweg voor het zeewater in de richting van de polder Stuifakker. Het water vernielde de Noorddijk en de Vleerdamsedijk. Dat bracht veel consternatie in die polder. Omdat de leiding van de polder niet gauw genoeg in actie kwam, gingen de ingelanden er toe over om zelf een nieuwe dijk aan te leggen. Dat werd de Pietersdijk, die de Grote Creeck de weg afsneed en de duingebieden aan weerszijden van Windgat verbond. Het restant van de Pietersdijk ligt parallel aan het zandpad lopend vanaf het Kreekpad naar het landgoed Strypemonde. Niet goed zichtbaar echter door overvloedige groei van struiken en bomen. De overstroming van het gebied in 1570 maakt duidelijk, dat het Windgat door zijn openheid in het duin niet alleen toegangspoort was voor veel wind, maar dus ook voor water aangevoerd door die wind. De reden voor mijn opmerking aan het begin, dat de naam  Windgat zo doeltreffend was.

            De naam Windgat is tot in onze tijd blijven bestaan, maar wel op een merkwaardige manier. Op de topografische kaart van westelijk Voorne staat de naam vermeld op de plaats van het landgoed Strypemonde. Hij is dus verschoven en staat niet meer daar waar hij thuishoort. Gewoon fout en dat verwacht je niet van een topografische kaart (Fig. 3). Dezelfde fout treffen we overigens ook aan op oude wandelkaarten van de huidige duinbezitters ZHL en NM. 

Obdam

Boven sprak ik over verpachtingen van de duingebieden, door de eigenaars nl. de Heer of Vrouwe van Voorne of de Graaf van Holland. Dat ging veranderen, het Windgat kreeg een particuliere eigenaar. In de 17e eeuw verschijnt de naam Obdam op kaarten van Rockanje (Fig. 2). Die naam vraagt enige uitleg. Zijn drager was een prominente figuur in het maatschappelijk bestel van Holland in die tijd. Hij heette Jacob van Wassenaer en hij behoorde tot een aanzienlijk geslacht. Zijn vader was admiraal van de marine en hij volgde zijn vader op in die hoedanigheid. De Wassenaers waren heersers in verschillende gebieden o.a. in het stadje Obdam in Noord-Holland en dat bracht blijkbaar de naam Obdam naar ons duingebied.

            Het bezit van de Heer van Obdam, zoals we de aanduiding aantreffen op kaarten, bleef niet beperkt tot het Windgat, maar het breidde zich uit over alle duinen van Rockanje. Dat is mooi weergegeven op een kaart van het jaar 1694 (Fig. 4).

Fig. 4. Het kustgebied van Rockanje en Oostvoorne in 1694. De heer Opdams duijnen. (Gideon van Rest; Hingman collectie nr. 2033)

De toenmalige eigenaar was overigens een jongere vertegenwoordiger van de dynastie Van Wassenaer, waarvan de leden nog een eeuw in het bezit van het duin bleven. Volgens de kaart vormde het duingebied van Voorne een aaneengesloten geheel en het Windgat lag  niet meer open naar het strand. Ook uit andere bronnen is inderdaad bekend dat omstreeks de eeuwwisseling de duinen van Rockanje en Oostvoorne aaneen gegroeid waren. En daarmee ontstond de huidige landschapsstructuur in onze binnenduinen. Het is echter bekend dat het duingebied van Rockanje toch nog steeds erg open lag met veel verstuiving tot gevolg. In 1683 sluit de Heer van Obdam een overeenkomst met het Hoogheemraadschap, het waterschap in die tijd,  tot het aanbrengen van helm in het duin om het zand vast te leggen. 

            De duinen van Rockanje hadden, zoals we nu gezien hebben, van oudsher particuliere eigenaren of pachters. Dat is een opmerkelijk verschil met de duinen van Oostvoorne. Deze bleven al die tijd onder direct beheer van het Huis van Voorne en toen dat uitgestorven was werd de Graaf van Holland of zijn vertegenwoordiger de heerser. In overeenstemming daarmee droeg het duingebied van Oostvoorne de aanduiding Graaflijkheidsduinen. 

            De bespreking van het Windgatgebied vraagt nog om vermelding van een aardig detail. Op een primitief getekende kaart van Rockanje en omgeving treffen we de vermelding aan dat in 1602 grond is aangekocht voor de aanleg van een weg naar Windgat (Fig. 5). Het betekent, dat de toenmalige eigenaar van Windgat zich zo toegang wilde verschaffen tot zijn gebied. Er was dus in dat jaar al een particuliere eigenaar van het gebied, die voorafging aan Jacob van Wassenaer. De aangelegde weg hebben we nog steeds. Het is de Heerzijnweg in de polder Stuivesant. Dit is misschien het meest sprekende restant van de oude geschiedenis van het Windgat. 

Fig. 5a. De polders van Rockanje, Stuifakker en het Windgat. Heerzijnweg uit 1602 in Stuifakker, toegangsweg naar Windgat. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2037)
Fig. 5b.Interpretatie van detail Hingman collectie (nr. 2037) zie 5a.

Literatuur

Freijsen, A.H.J. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Uitgave Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Graaf, H. van der & C. Wind (1985) Rockanje, wording en groei. Repro-Holland B.V., Alphen aan de Rijn. 

Kort, J.C. (1972) Het Archief van de Heren van Voorne Burggraven van Zeeland 1273-1371. Algemeen Rijksarchief, ’s-Gravenhage.

Snijders, M. (2017)  Buitenplaatsen. Het verlangen naar landelijkheid. Westvoornaer 2, 7. Uitgave van Bastion X Communicatie Partners.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50000. Blad Rotterdam West (37W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Kaarten

Nationaal Archief, Den HaagVerzameling Binnenlandse Kaarten Hingman, nummer toegang 4.VTH

Zeepkruid


Kruipend stalkruid


Moeraswespenorchis in de berm (wel afstappen)


Het kan geen toeval zijn dat de welriekende agrimonie (in het noorden alleen bekend van Ameland) hier ook weer naast een fietspad staat.


Muggenorchis langs fietspad Schiermonnikoog, 2018. Foto Rogier van Vugt

Als fietspaden met schelpen worden aangelegd in een overigens kalkarm duinlandschap (d.w.z. het duin benoorden Bergen) kan dat de natuur flink opschudden. Meer kalk betekent bijna altijd meer bloemen, afhankelijk van de leeftijd van een pad en de afstand tot het pad. We kijken in vogelvlucht van zuid naar noord. In alle kalkarme duinen spatten de kalkminnende bermsoorten je al fietsend tegemoet. Dat kan heel spectaculair zijn met de orchideetjes hondskruid en zelfs poppenorchis in de duinen van Schoorl. Meer noordwaarts in het Zwanenwater zien we duidelijk meer grote ratelaar maar ook meer grote keverorchis en rietorchis langs schelprijke paden en wegen. Op Vlieland staat weer veel zeepkruid, wilde peen en grote ratelaar langs de droge schelpenpaden, naast het opvallende roze van kruipend stalkruid en het diepe blauw van ossentong. Op Terschelling valt op dat langs vochtige hooilanden vlakbij zo’n schelprijk pad in het Dazenplak extra veel moeraswespenorchis staat en ook meer reukgras. Op Schiermonnikoog kan je al fietsend weer van kleine ratelaar en stijve ogentroost genieten, maar ook staat er relatief vaak veldlathyrus langs het pad en incidenteel de zeldzame aardaker. Op dit afgelegen Waddeneiland staat ook ergens muggenorchis langs een fietspad. Het moet niet wilder worden!

Heb je meer voorbeelden dan in dit artikel staan of  heb je foto’s die duidelijk de relatie laten zien tussen bermbloem en schelpenfietspad, geef hier onder bericht, of mail ons

Geen hei maar klavers en ratelaars langs het schelpenpad in het Zwanenwater. Foto Hanneke Waller

Langs een fietspad op Terschelling hebben Tim Pelsma en o.g. een wandeling gemaakt, op zoek naar effecten van schelpenpaden. Althans in de berm…

Popperorchis langs fietspad in duinen van Schoorl tussen de Berekuil en Groet; foto Bert de Boer, juni 2017


Wit vetkruid met voeten in de schelpen, ook Schoorl. Foto van Theo Baas die schrijft: “niet perse een kalkbehoeftige plant maar zeker geen plant van zure omstandigheden. In Schoorl kom ik de soort alleen tegen langs schelpenpaden (die trouwens in rap tempo door betonpaden vervangen worden).”

En een noodkreet van Schiermonnikoog, november 2020

Beste Rolf,


Zoals je weet loopt er op ons eiland een net van fraaie schelpenpaden.Natuurmonumenten wil deze paden gaan vervangen door ander materiaal.Veel eilanders en gasten zijn het daar niet mee eens.Niet alleen vanwege het belevings-aspect, maar ook vanwege het feit dat juist langs de schelpenpaden veel plantensoorten een goed milieu vinden. Denk aan de vele rietorchissen, maar ook aan slangenkruid, brede(!) ereprijs en de knikkende distels.
De argumenten van NM zijn o.m. de schadelijkheid van de schelpenwinning voor de Waddenzee en de kosten.
Wat het argument van de schadelijkheid voor de Waddenzee betreft: de winning van kleischelpen, die voornamelijk op diepten onder -5 m plaatsvindt, zorgt inderdaad voor vertroebeling van het water. Deze vertroebeling staat natuurlijk in geen verhouding tot de vertroebeling van het water bij windkracht 7 of hoger. een zeer vergezochte argumentatie.
De kosten dan. Deze bedragen voor NNM op Schiermonnikoog rond de 40.000 euro per jaar. Een door bureau Horatius opgemaakte raming van de kosten voor de vervanging van de schelpenpaden op Schiermonnikoog (2018) komt uit op maar liefst 1,3 miljoen (minimum) tot 4,1 miljoen (maximum) euro!! Oftewel: voor dit bedrag kunnen nog 30 jaar (bij het minimumbedrag) tot ruim 100 jaar (!!!!)(maximumbedrag) de schelpenpaden worden gefinancierd.

Hartelijke groet,
Thijs de Boer

(Tekst ontleend aan Jan Zwemer & Pau Heerschap (2020): ‘Maar’ meid en knecht in het Deltagebied. Uitgave Zeeuwse Dialect Vereniging. Zie reactie onder dit artikel t.a.v. naamgeving en wat de namen ons ‘vertellen’. )

In de akkerbouw moest er natuurlijk alles aan gedaan worden om de onkruiden op het veld te bestrijden, zodat die niet het reguliere gewas zouden verstikken. Veel boerenarbeiders besteedden de meeste werktijd aan het wieden van onkruid. Men zou bijna kunnen zeggen dat het wieden de grondslag was van hun bestaan. Het is al lang geleden dat men een rij veldarbeiders in linie, als in slagorde, meestal in gebogen of kruipende houding, zich over de akkers zag voortbewegen.

Diverse hulpmiddelen stonden hen ter beschikking. Het bekendste is de schrepel (handwiedijzer), in allerlei vormen en afmetingen. Daarnaast had men de schoffel, die geduwd werd, met ijzers in diverse breedtes. Ook werd gebruik gemaakt van de hak of ‘ouweêle. Soms werd gebruik gemaakt van een industriële wiedmachine, ook met wiedijzers in verschillende breedtes.

Bij ons thuis werden in mijn jeugd in het hof elk jaar sjalotten verbouwd. Voor het onderhouden van het sjalottenveld had mijn vader zelf op een slimme manier een wiedmachine ontworpen. Het uitgangspunt was de voorvork van een oude fiets, met het wiel, zonder banden, er nog in. Ongeveer op de plaats waar de trappers hadden gezeten werd een ijzeren bevestigingspunt vastgemaakt. Hij ontwierp dan zelf de beugels die als schoffel daaraan bevestigd konden worden. Regelmatig ging hij met zijn tekeningetjes naar de plaatselijke smid, die dan allerlei beugels smeedde: een smalle, om tussen de rijen sjalotten te kunnen wieden, een v-vormige brede, waarmee de sjalotten gerooid konden worden. De meest ingewikkelde was een klein ploegje, waarmee de grond omgeploegd werd als de sjalotten eruit waren, zodat in die aarde de sperziebonen met de groen-rode pootstok konden worden gepoot voor een tweede gewas. Tussen die rijen werd dan weer gewied met de kleine beugel. Heel nuttig, zo’n multifunctioneel apparaat.

Uit de negen regioboeken, die in de loop der jaren verschenen zijn als voorbereiding voor het supplement op het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, zijn de benamingen van inheemse wilde planten verzameld. Er is wel gestreefd naar volledigheid, maar of ik daarin geslaagd ben, is aan de beoordeling van de lezers. Cultuurplanten zoals de bijvoorbeeld de narcis heb ik buiten beschouwing gelaten. Toch is bij twijfelgevallen er hier en daar wel een doorgeslipt. Het lijkt mij aardig om in de toekomst daaraan in het verenigingsblad van de Zeeuwse Dialectvereniging, Nehalennia, een aparte rubriek te wijden. Onder vuulte wordt verstaan: alle wilde planten die door boeren, knechts en arbeiders regelmatig verwijderd moesten worden.

Voor de leesbaarheid zijn de regio’s genummerd: 1 West Zeeuws-Vlaanderen, 2 Hetland van Axel, 3 Oost Zeeuws-Vlaanderen, 4 Walcheren, 5 Zuid-Beveland, 6 Noord-Beveland,7 Tholen en St. Philipsland, 8 Goeree-Overflakkee (soms vermelding van eerst de Goereese variant en daarnaast de Flakkeese), 9 Schouwen-Duiveland.

Lijst van wilde planten uit akkers en velden met dialectnamen in de Delta

Akkerkool: Sluuse vuulte, dauwkôôl’n 1, dauwkôôl’n 2

Akker-ereprijs: veugeldèrm 1, 6, ‘oenderd(j)èrm 3

Akkermelkdistel: melkdèstel, melkriet, melkgroen, 3, steekelmelkwied, zeumermèllukkruut 7 zoute melkwied 8, kniensôôren (G) 8, stekelmelkwied (O) 8, melkwied 9

Akkermunt: munte, stinkers, muntepeeje 3,stienkers 7

Akkerwinde: pispotjes 1, 7, 9, winde, wortelwinde, pèrrepluukes 3, moaiewinde 7

Avondkoekoeksbloem: nachtlichtje 1

Biezen: kerwassen 5

Bindwilg: têênen 9

Bitterzoet: duvelsbiiet, elfranke 1, ellefranke 4

Boterbloem: beuterblomme, Sintsekruut, pinksterkruut 1, pinksterblomme 2, 5, 6, 7, bot(t)erblom(me) 3, beuterblomme 4, 5, butterbloome (G) 8, butterblomme (O) 8, 9, pinksterblomme 9

Braam: kattebraemen (wilde braam) 4, dauwbraam: braem, braemdoorn 9

Brandnetel: tieng’l 1, 2, tingel 3, broejneetel 4, broeinekel 5, broenékels 6, 7,broewnekels/-netel 8, kleine brandnetel: hoewnderbroewnekel of kleine broewnekel (G) 8, broe(i)neekel 9

Bremraap: bremroap, kloaverduuvel 7

Kroontjeskruid: vrattekreùd, koekoekskreùd 3, zulver-onger-waeter 8

Kruisdistel: Schaepestekel 9

Kruiskruid: sinkseblom, -kreùd, seisejoen 3, seansejuun 6

Krulzuring: sulker, zuring, suursel, suusel, suusel, koekeleute 3

Kweekgras: gospêêm 1, gospeejen 1, 3, strèkgos 2, hospeejen 2, 4 ,5, gospee’n, strekgras 3, 4, 7, strekhos 5, 6, kweek(e) 8

Klis: klitten 4, 8, 9

Liguster: palmèkke 7

Lisdodde: bezuu(r)en, plompers, sek-sigaoren 4, stienksehaoren 5, poesters 6,(grote)duulen (G), lampepoesers 8, 9, poesters 9

Look: kwoailoaf 7

Luzerne: melooten (G) 8

Madeliefje: weiblomme 1, 2, koeieblom 2, meiblommeke(n, weiblom, poaseblom 3, koeweitje 5, koeieblomme 6, 7, 9, dui’ies (G) 8, dubbele madeliefjes: kesausjes 9

Margriet: pèreblomme 1,2, ganzeblomme 1, koeie-oahen, paereblommen 6, koei- of kalversoahe, koeieblomme 7

Meidoorn: kraojebessen (bessen van de meidoorn) 5, doornèkke, meulenaersèrten 7, doorn, doornbôôm 9

Melde: blauwkoppen 7, melde,(G) meijen (O) 8, meije,4

Melkdistel: melkwiet 1, melkriet 2

Monnikskap: kousjes en schoetjes 1

Muizengerst: Jan-kruup-in/haesje-kruup-in 8

Muur: goezemoeze, ‘oezemoeze 1, muur(e), roezemoes 3, oezemoes 4, groezemoeze 9

Muurpeper: êêuwig leven 9

Nachtschade: zwarte beijers 4, bostebeijers 5

Netel: zoete netel, bloeiende tieng’l, tamme tieng’l 1,

Paardenbloem: pèrezêêker, melkwiet, zêêkebède 1, 2, pisseblomme 1,beddezêêker, beddepisser 2, 4, 6, 7, pisseblom, melkkreùd, melkriet 3, pissebed 4, melkriet 5, pisseblomme 5, mealkwied 6, paerezêêker 7, 9 melkwied 8, paerepisser 4, 9

Paarse dovenetel: purpere(n), zoete(n) tingel 3

Paddestoelen: (witte) spookebrôôd 5Oosje Pik z’n eeten 7, hôôsjesbrôôd (G) 8

Papaver: eulbolle, ulebolle,blauw maenzaed,papaover 9

Perzikkruid: Jezusbloed, retse, christusbloed, christuskind 1, rotse, ruë-, roeë-, rôôdbêên, wilde wissen, smettus 3, bloedblad 6, rutte 7, rooie Jan 4, 9

Pinksterbloem: koekoeksblomme 1, 2, 5, 6, koekoeksbloem 4, stieselblomme 6, schaepeblomme 9

Raaigras: ‘aeverhras 7

Ridder- of krulzuring: rôôdwiejken (G) 8, zuureng 9

Buntgras: scheerkwasje (G) 8

Distel: stekel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, distel, destel 3, ossesteekels, schaepesteekels 7

Doodkruid: asgalle 1

Dovenetel: witt’n tiengel 2doaveneekel 7, (witte) temme broewnekel 7, tamme netel 8

Duist: duusgors (G) 8

Echt walstro: bontekeezeëten (G) (bontekees=julikever) 8,

Eendenkroos: ruusgrieten, brieten, griete 9

Slaapbol: (wilde) pepaover 7

Sleedoorn: zwarte doorn 7

Smeerwortel: heneezeblad, smèrwortel 8

Speerdistel: p(j)êrdendèstel, p(j)êrdestekel 3, ossestekel 6, 9

Spies(blad)melde: male, zêêmale, melde (dezelfde namen voor de uistaande melde) 3, zout(e)meijen 4, 9

Sterremuur: ‘oenderdèrm 1, oe(n)zemoes 4, mure 6, 7, oensmoes 7

Stippelganzevoet: dauwkôôl, male, moalestekken, mêbôôm, -buëm, meibôôm, maaibôôm 3

Straatgras: teùntjesgras, -gos, stroatgos 3, boagerdgors (G) 8

Strandkweek: blaeuwe jan ( G) 8

Trilgras: bevertjes 5, 8, 9, schuddekopjes (O) 8

Varkensgras: Vèrkesgos, 1, 2, 9, v(j)êrkesgras, -gos 3,vèrekesgos 4,verkenshos 5, vearkesgos, vearkeséten 6

Varkenskers: v(j)êrkeskaas,- kazze, -kizze, -kers 3

Veenwortel: lôôie wilgen 8

Veldbeemdgras: zweunegos 1, pluumgos1,2, pluumhos 4, 5, vèrrekesgras 8

Veldbies: (gewone) brôô’ies (G) 7

Vlier: klasspinthout 7, vleere 8, 9, vliender 4

Vogelwikke: wikke 9

Voorjaarshelmbloem: puutebloomen (G) 8

Vossenstaart: duust 1, 2, 4, 5, 6, ‘oazehras 7

Weegbree: wegaorsblad, wegblaoren 1, ribbe, ribbel, ribberblad, rubberblad, weversblad 3, weekeblaeren 4, (smalle weegbree: hongetongen, smal weegblad, (G) 8, grote weegbree: kattetongen, brêêdweegblad 8, weegeblaeren 9

Wilde haver, Oot: ôot, wilden ‘aver 1, oat, ôôt, wild’oaver, ôôite 3, wilden’aever 4

Wilde mosterd: zempe 1, zemp 5,

Wilde peen: wilde koejepee 8, wilde pee 9

Wilde zuring: pèrezurkel 1

Windhalm: pleùmgras, -gos 3

Witte klaver: stêênkloavers 6

Witte krodde: dubbeltjeskruud, dubbeltjesvuulte, Judaskruut 1,dubbeltjevuulte 2, dubbelt(j)es, dubbelt(s)jeskreùd, witte wijven, pakkèt(s)jes 3, dubbeltjeskruud 4, stêênkruud, Witte Jan, Jantje witteblomme 6

Wolfsmelk: kraontjesvuulte 1, krôôntjeskruud 4, 5, zulver-on(g)der-waeter 6, 8

Zandzegge: haogtegors of rêêpen (G) 8

Zilte rus: aertgos 9

Zwaluwtong: boeka-, boekwitwinde 3,

Zwarte nachtschade: allebes, bôômbes, zwarte jenevers 1, bostebeiers 2, 3, bostebeze(n), boste baaiers 3, koordedan(g)sers 6, zwarte keezen 7, bostappel 9

Grote ratelaar, veldzuring en smalle weegbree: een vegetatie die in het boerenland is verdwenen en nu alleen in natuurgebieden of in als natuur beheerde dijken is te zien (red.)

Verslag planteninventarisaties Landtong Rozenburg 2020
Gemeente Rotterdam

Mededelingennummer KNNV Hollandse Delta PWG 2020/02

Auteur: Erik Ketting
Onderzoekers: Leden van de Plantenwerkgroep

Gele lis

Inleiding

De landtong van Rozenburg heeft grote natuurwaarden en is in beheer geweest bij diverse beheerders. Tot 1-1-2019 was het beheer in handen van Staatsbosbeheer en is daarna heeft de gemeente Rotterdam het beheer overgenomen. De inwoners van Rozenburg willen graag middels de “Stichting Leve de Landtong” de natuur, milieu en landschap op de Landtong van Rozenburg behouden en verbeteren in samenspraak met de gemeente Rotterdam. Wim van Vliet (van de Stichting Leve de Landtong) heeft de plantenwerkgroep daarom gevraagd een planteninventarisatie op de landtong uit te voeren om de plantenrijkdom vast te stellen, en adviezen te geven over het beheer, om zo een bijdrage te leveren aan het behoud en de verbetering van de natuur op de Landtong. Op 8 februari hebben we de Landtong met Wim van Vliet bezocht en hebben we een deelgebied binnen de landtong geselecteerd om te inventariseren. We hebben het gebied op 11-5-2020, 27-7-2020 en 28-9-2020 geïnventariseerd. 

Gebiedsbeschrijving

De Landtong is ontstaan rond 1960 als bijproduct van het graven van het Calandkanaal en de aanliggende havens. De door mensen gemaakte, hooggelegen vlakte van gronddepots heeft zich hier in enkele tientallen jaren spontaan ontwikkeld tot een ruig duinachtig landschap van 60 hectare groot. Doordat hier altijd heel terughoudend beheer heeft plaatsgevonden, hebben natuurlijke processen een hoofdrol gespeeld. Denk aan processen als langzame ontzilting, spontane begroeien en neerslag en verdamping. Voor de inventarisatie hebben we natte vallei uitgekozen gelegen noordwestelijk van het EIC Mainport Rotterdam gebouw. Het terrein bestaat uit een in een vallei gelegen meertje met wisselende waterstanden dat gevoed wordt door regenwater, en vochtige graslanden daaraan grenzend. Het is qua terrein en vegetatie enigszins te vergelijken met een natte duinvallei.

Het gebied wordt extensief beheerd door middel van begrazing met Schotse hooglanders.

Werkwijze

We hebben in dit gebied een algemene inventarisatie uitgevoerd, waarbij alle in het gebied voorkomende planten zijn genoteerd.. Bij het inventariseren maken we gebruik van de app ObsMapp via een smartphone, de waarnemingen worden dan ook gelijk vastgelegd in de database van Waarneming.nl.

Resultaat

Totaal hebben we in het geïnventariseerde gebied 112 plantensoorten gevonden, waaronder de volgende bijzonder soorten; Smalle waterweegbree, Echt Duizendguldenkruid, Fraai Duizend guldenkruid, Brede orchis, Rietorchis, Moerasdroogbloem, Rode ogentroost, Bijenorchis, Zeegroene ganzevoet, Liggende ganzerik, Goudzuring, Waterpunge.

Wetenschappelijke naamNaamEuringFamilie
Achillea millefoliumDuizendblad4Asteraceae
Agrostis capillarisGewoon struisgras19Poaceae
Agrostis stoloniferaFioringras18Poaceae
Alisma gramineumSmalle waterweegbree26Alismataceae
Arctium minusGewone klit2457Asteraceae
Bellis perennisMadeliefje135Asteraceae
Betula pendulaRuwe berk140Betulaceae
Bidens frondosaZwart tandzaad143Asteraceae
Bidens tripartitaVeerdelig tandzaad144Asteraceae
Bryonia dioicaHeggenrank167Cucurbitaceae
Calamagrostis epigejosDuinriet174Poaceae
Cardamine hirsutaKleine veldkers203Brassicaceae
Cardamine pratensisPinksterbloem205Brassicaceae
Carex hirtaRuige zegge235Cyperaceae
Carex otrubaeValse voszegge245Cyperaceae
Centaurium erythraeaEcht duizendguldenkruid286Gentianaceae
Centaurium pulchellumFraai duizendguldenkruid287Gentianaceae
Cerastium arvenseAkkerhoornbloem292Caryophyllaceae
Cerastium fontanumGewone hoornbloem2314Caryophyllaceae
Cirsium arvenseAkkerdistel331Asteraceae
Cirsium vulgareSpeerdistel336Asteraceae
Cornus sanguineaRode kornoelje355Cornaceae
Crataegus monogynaEenstijlige meidoorn369Rosaceae
Dactylorhiza majalisBrede orchis1637Orchidaceae
Dactylorhiza praetermissaRietorchis0Orchidaceae
Daucus carotaPeen394Apiaceae
Dipsacus fullonumGrote kaardenbol412Caprifoliaceae
Eleocharis palustrisGewone waterbies437Cyperaceae
Epilobium hirsutumHarig wilgenroosje451Onagraceae
Epilobium parviflorumViltige basterdwederik457Onagraceae
Equisetum arvenseHeermoes462Equisetaceae
Erigeron canadensisCanadese fijnstraal475Asteraceae
Eupatorium cannabinumKoninginnekruid490Asteraceae
Festuca rubraRood zwenkgras520Poaceae
Galium aparineKleefkruid546Rubiaceae
Geranium dissectumSlipbladige ooievaarsbek570Geraniaceae
Geranium molleZachte ooievaarsbek571Geraniaceae
Geum urbanumGeel nagelkruid579Rosaceae
Glechoma hederaceaHondsdraf582Lamiaceae
Gnaphalium uliginosumMoerasdroogbloem589Asteraceae
Hippophae rhamnoidesDuindoorn629Elaeagnaceae
Holcus lanatusGestreepte witbol631Poaceae
 Hydrocotyle vulgarisGewone waternavel641Araliaceae
Iris pseudacorusGele lis665Iridaceae
Jacobaea vulgarisJakobskruiskruid2290Asteraceae
Juncus articulatusZomprus673Juncaceae
Juncus bufoniusGreppelrus675Juncaceae
Juncus inflexusZeegroene rus684Juncaceae
Juncus ranariusZilte greppelrus671Juncaceae
Juncus tenuisTengere rus690Juncaceae
Leontodon saxatilisKleine leeuwentand727Asteraceae
Lolium perenneEngels raaigras756Poaceae
Lotus corniculatusGewone rolklaver761Fabaceae
Lycopus europaeusWolfspoot780Lamiaceae
Malva moschataMuskuskaasjeskruid789Malvaceae
Medicago lupulinaHopklaver799Fabaceae
Mentha aquaticaWatermunt813Lamiaceae
Myosotis arvensisAkkervergeet-mij-nietje840Boraginaceae
Myosotis laxaZompvergeet-mij-nietje0Boraginaceae
Myosotis scorpioidesMoerasvergeet-mij-nietje844Boraginaceae
Odontites vernusRode ogentroost2319Orobanchaceae
Oenothera biennisMiddelste teunisbloem5457Onagraceae
Oenothera glaziovianaGrote teunisbloem873Onagraceae
Ophrys apiferaBijenorchis880Orchidaceae
Oxybasis glaucaZeegroene ganzenvoet312Amaranthaceae
Oxybasis rubraRode ganzenvoet316Amaranthaceae
Persicaria amphibiaVeenwortel967Polygonaceae
Persicaria lapathifoliaBeklierde duizendknoop973Polygonaceae
Persicaria maculosaPerzikkruid977Polygonaceae
Phragmites australisRiet933Poaceae
Plantago lanceolataSmalle weegbree946Plantaginaceae
Plantago majorGrote weegbree2320Plantaginaceae
Potentilla anserinaZilverschoon1006Rosaceae
Potentilla reptansVijfvingerkruid1010Rosaceae
Potentilla supinaLiggende ganzerik1012Rosaceae
Prunella vulgarisGewone brunel1017Lamiaceae
Pulicaria dysentericaHeelblaadjes1029Asteraceae
Quercus roburZomereik1037Fagaceae
Ranunculus acrisScherpe boterbloem1040Ranunculaceae
Ranunculus repensKruipende boterbloem1056Ranunculaceae
Ranunculus sceleratusBlaartrekkende boterbloem1058Ranunculaceae
Rhinanthus angustifoliusGrote ratelaar1066Orobanchaceae
Rorippa amphibiaGele waterkers1074Brassicaceae
Rosa rubiginosaEgelantier1084Rosaceae
Rosa Subsec. CaninaeHondsrozen-groep1643Rosaceae
Rubus caesiusDauwbraam1089Rosaceae
Rubus Sec. RubusZwarte braam1634Rosaceae
Rumex conglomeratusKluwenzuring1097Polygonaceae
Rumex crispusKrulzuring1098Polygonaceae
Rumex maritimusGoudzuring1100Polygonaceae
Rumex x pratensis (R. crispus x obtusifolius)Bermzuring1095Polygonaceae
Salix albaSchietwilg1116Salicaceae
Salix cinereaGrauwe wilg1119Salicaceae
Sambucus nigraGewone vlier1133Adoxaceae
Samolus valerandiWaterpunge1135Primulaceae
Scorzoneroides autumnalisVertakte leeuwentand725Asteraceae
Sedum acreMuurpeper1175Crassulaceae
Silene latifoliaAvondkoekoeksbloem6917Caryophyllaceae
Sinapis arvensisHerik1207Brassicaceae
Solanum dulcamaraBitterzoet1218Solanaceae
Sonchus asperGekroesde melkdistel1224Asteraceae
Tanacetum vulgareBoerenwormkruid1260Asteraceae
Trifolium campestreLiggende klaver1298Fabaceae
Trifolium dubiumKleine klaver1299Fabaceae
Trifolium pratenseRode klaver1305Fabaceae
Trifolium repensWitte klaver1306Fabaceae
Typha angustifoliaKleine lisdodde1317Typhaceae
Urtica dioicaGrote brandnetel1321Urticaceae
Verbascum thapsusKoningskaars1343Scrophulariaceae
Veronica anagallis-aquaticaBlauwe waterereprijs1346Plantaginaceae
Veronica arvensisVeldereprijs1347Plantaginaceae
Veronica catenataRode waterereprijs1350Plantaginaceae

Constateringen en aanbevelingen

Het is een interessant terrein met een rijke vegetatie waaronder 3 orchideesoorten die in behoorlijke aantallen  voorkomen. Ook rond het meertje komen leuke soorten voor die kenmerkend zijn voor wisselende waterstanden. De rijkdom van de vegetatie staat echter onder druk. We hebben vastgesteld dat het terrein behoorlijk verruigt is en langzaam dichtgroeit met struiken die in delen van het terrein door de runderen kort gehouden worden, zodat daar dwergstruiken zijn ontstaan. Daarnaast stellen we vast dat veel orchideeën niet tot bloei komen omdat de bloemknoppen eruit gegeten worden door de runderen.

We adviseren daarom de volgende beheermaatregelen te nemen.

  • Verwijderen van het teveel aan struweel.
  • Begrazingsdruk omlaag brengen en het terrein niet jaarrond begrazen. Met name in de knop en bloeifase van orchideeën de runderen middels een raster buiten het gebied houden.
  • Een maal per jaar maaien en afvoeren.

Bronnen

Heukels Flora van Nederland

Google maps

Website Free Nature

Colofon

Verslag: Erik Ketting / 2-11-2020

Vegetatieopnamen: De leden van de Plantenwerkgroep van de KKNV Afdeling Hollandse Delta

Ed Buijsman is kenner en collectioneur van alles wat met de Beer te maken heeft en schreef er ook een fraai boek over. Hier reproduceren we Mededeling 14 van zijn hand, onderdeel van een online reeks met informatie over een trots natuurgebied in de Maasmonding dat in 1964 verging onder de golven van de industrialisering.

Een kleine topografie van De Beer 

KLIK HIER VOOR DE PDF Mededelingenreeks Natuurmonument De Beer 14 

Januari 2013 

Ed Buijsman © Tinsentiep, Houten 

De Mededelingenreeks Natuurmonument De Beer beoogt informatie over het voormalige natuurmonument De Beer toegankelijk te maken. De uitgaven zijn ook beschikbaar via de website overnatuurmonumentdebeer.inzichten.nl

Een citaat:

“De naam ‘De Beer’ komt voor het eerst voor op een kaart uit 1610 (zie ook afbeelding 4). Het woord ‘beer’ is hier mogelijk gebruikt in de betekenis van ‘waterkering’ (De Vries, 1971). Het kan ook zijn dat het woord is afgeleid van het Engelse ‘bar’, dat later verworden is tot baar in de betekenis van zandbank in de monding van een rivier. Hazewinkel wees in 1936 op nog een andere mogelijkheid. Het zou in het oud-Nederlands gaan om een van ‘bere’ afgeleid woord, waarbij ‘bere’ zoveel als modder, slijk betekent. Deze uitleg komt ook overeen met een van de betekenissen zoals die door De Vries (1971) wordt gegeven. De verklaring hiervan zou zijn dat de oorspronkelijk kale zandplaat, De Blencken, was veranderd in een begroeide slijkplaat. “

Oostvoorne op de kaart van 1893 en dan steeds 20 jaar later tot 2013; beelden staan 5 seconden. In 30 seconden ben je 120 jaar verder; kaarten zijn ontleend aan topotijdreis. Klik op het plaatje van de clip en dan venster linksboven voor beeldvullende weergave.
1873-2013 zoek 10 overeenkomsten

Zoals u wellicht heeft gehoord proberen we samen met vele partners, waaronder KNNV Hollandse delta een boek ‘Duinen en mensen Voorne’ te realiseren. Een project waar we graag op korte termijn een aantal zaken gaan presenteren:

de cover;

de formule/inhoudsopgave;

het te verrichten vooronderzoek;

het schrijfteam plus vormgevers;

werkwijze en tijdsplanning.

Ook zullen we publiceren hoe u kunt voorintekenen voor dit boek om het financieel te ondersteunen. Wilt u op de hoogte blijven? Teken dan in voor onze Nieuwsbrief.

In 1995 verscheen mijn boek Bewogen kustlandschap, over duinen en polders van Noord-Kennemerland. 25 jaar later Bloeiende duinen over heel Nederland. In de tussenliggende periode verschenen drie titels in de serie Duinen en mensen, namelijk Kennemerland (2009), Noordkop & Zwanenwater (2011) en Texel (2013). Tijd om met pensioen te gaan? Nou nee, niet helemaal, wel tijd om eens terug te kijken.

Door alle lof die Pieter Slim in het vakblad voor vegetatiekundigen (Stratiotes 55, pag.47-50) ons recent toewuifde zonder mijn kompanen met naam en toenaam te noemen, ontkom ik niet aan enige plaatsvervangende schaamte, want alleen door zeer veel steun en door op de schouders van velen te mogen staan kon ik deze boeken componeren. Dat is natuurlijk uitgesproken bij presentaties, in alle uitgebreide dankwoorden en beeld- en tekstverantwoordingen, maar ik wil toch op het stuk van Slim reageren  en expliciet melden wie er allemaal van zeer groot belang waren. En passant doe ik filosofie en werkwijze uit de doeken.

Presentatie van Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater in 2011 met vele mensen die me bijstonden waaronder: Gerrit Welgraven, Ronald van Wijk, Tim Pelsma, Aad Barendregt, Theo Baas, Cor ten Haaf, Piet Veel, Machiel van Wijngaarden, Anneke Brouwer en Margreet Frowijn. Foto: Eric van der Eijk

Hoe steken we een boek in elkaar

Componeren, ja dat is het beste woord. Er zijn leidmotieven. Nu volgt een lange zin. Elk boek uit de serie Duinen en mensen heeft een onderliggende vraag (wat zien we in de duinnatuur en vormen in het landschap, en hoe kunnen we dat verklaren), een zoeken naar de essentie (wat is nu echt kenmerkend voor een regio of deelgebied), een onderliggend uitgangspunt (elke discipline die bijdraagt aan ons begrip krijgt een podium, dus ook veel historie en archeologie), jongensbravoure (elk wetenschappelijk inzicht moet te populariseren zijn en mooi te verbeelden) en ten slotte echte overmoed (we weten dat het niet meer mogelijk is om alle publicaties over een streek en onderwerp te lezen, laat staan mentaal te verwerken en toch willen we het laatste nieuws zien af te filteren en niets missen.) Om kennis uit de boeken en rapporten omhoog te krijgen werkte ik journalistiek: alleen hoofdlijnen lezen indien beschikbaar, kenners soms via via en de tam tam opsporen en uitvragen, veel gezamenlijk het veld in, concepten (ook hele slechte, waarvoor onze excuses) aan kenners voorleggen, net zo lang totdat er een goed doorbakken tekst ligt. 

Pettermerduinen 2018. Met vele personen die meewerkten aan Bloeiende duinen of andere titels: v.l.n.r. Nico van der Wel, Annelies Boutellier, Jacqueline Kok, Kees Vertegaal, n.n., Hanneke Waller, Jan Cevat, Rolf Roos, Coen Blom en Kees Bruin. Foto: Liesbeth Sluiter.

Vormvastheid is wat ons redt als we in een werkproces zo veel kennisstof laten opwaaien. We gooien boekenkasten om, speuren digitale archieven met oude tijdschriften af op mooie doorzichten of gedateerde maar leerzame visies, en bellen ons een slag in de rondte. Bij Bloeiende duinen was ik dankzij webbouwer Ronald van Wijk (ook een uitstekend fotograaf en marketingman die ik leerde kennen omdat hij geheel illegaal maar met de beste motieven het uitverkochte boek Bewogen kustlandschap online wilde zetten) in staat om oproepen voor auteurs en partners te plaatsen. Op de door Machiel van Wijngaarden ontworpen website duinenenmensen.nl zetten we doorlopend deelartikelen waarvan ik niet wist of ze een boek halen of voorstudies zullen blijven. Op het web kan iets makkelijk rijpen. Hier valt de term ‘we’ voor het eerst, en dan bedoel ik met name Nico van der Wel die bij bijna alle titels mijn meer realistische (en nettere!) co-redacteur en ook auteur was, waardoor ik weer goed kon beslissen wat wel en niet de eindstreep mocht halen. Mijn vrouw Anneke Brouwer was niet alleen onmisbaar omdat ze mijn vrouw is. Als intelligente niet-kenner hielp ze me de overdaad aan onderwerpen selecteren en aanscherpen. Ze was de ‘doelgroep’, samengebald in een enkel persoon. En verder kies en redigeer ik langs de simpele lijn: als ik ergens blij van wordt, mag het het boek in.

In de Muij, Texel, 2012, links Nico van der Wel, rechts Rolf Roos. Foto: Berend Klif

Onderwerpen zijn vaak geordend volgens ogenschijnlijk simpele principes als vakdiscipline of geografische eenheid, maar steevast met als uitgangspunt: herhalingen schrappen waar mogelijk. En zo doe je menig meewerkend auteur pijn die pas verzacht wordt als het gehele boek er is.

Dan is er het creatief uitdagende uitgangspunt: het vormgeefprincipe dat elke twee pagina’s een overzicht moest bieden van een samenhangend onderwerp, waarbij tekst en beeld allebei 50 procent van de pagina krijgen. Overal waar je het boek openslaat, word je zo getrakteerd op een ‘spread’, met een soms diepgaand maar altijd verhelderend verhaal. Dit is geen oerwet, maar een richtinggevend principe. Qua stijl probeerden we een ieder te verleiden tot relatief korte zinnen, alleen jargon waar strikt nodig. Af en toe meer beeldend taalgebruik zonder in Wolkeriaanse lyriek uit te komen… dat mag best wel. We produceerden geen wetenschap, maar enthousiaste doorkijkjes. 

Een product dat niet meer bestaat; Duinen en mensen Kennemerland is uitverkocht na een oplage van in totaal 11000; de prijs van dit pakket was overigens idioot laag; Bewogen kustlandschap (1995) kostte f 59,50 en er zijn er evengoed 10.000 van verkocht.

Om beeld en tekst tot eenheid te krijgen vroeg ik mezelf en elke medeauteur om vanaf het begin bij het verhaal meteen het belangrijkste beeld te leveren en/of te laten ontwikkelen. Als we voldoende budget hebben, lieten we kaarten en grafieken allemaal overmaken in één stijl. Die stijl (kleuren, indeling, typografie) is bij het eerste boek over Kennemerland in principe ontwikkeld door Hans Lodewijkx en Machiel van Wijngaarden, en hierop is bij de latere boeken gevarieerd door Marc Elsendoorn die Noordkop, Texel en Bloeiende duinen voor ons vormgaf, en daarbij blijk heeft gegeven van een enorme flexibiliteit. Want al heb je een verhaal in je hoofd en lever je tekst en beeld goed aan, pas na de eerste vormgeving kun je bepalen waar het heen moet en pas als een heel boek in elkaar steekt, kun je zien wat er nog moet worden bijgeslepen.

Een zeldzame foto met de onzichtbare hand op de achtergrond: vormgever Marc Elsendoorn bij de presentatie van Duinen en mensen Texel. 10 april 2013 Foto: Eric van der Eijk.

Organisatie

Een boek kent economische wetten. Ik leg vaak uit dat een boek in 1 à 2 jaar klaar moet zijn want de markt (ofwel de voorintekenaars) is ongeduldig. En er moet een punt op de horizon zijn. Dit betekent dat er vaak niet meer dan een week voor een leuk deelverhaal is en daarin moeten alle beelden en kaarten ook nog worden gemaakt. Simpel rekenwerk laat ook zien dat een boek maken eigenlijk onbetaalbaar is, want als ik als hoofdredacteur en uitgever mijn vormgevers, kaartenmakers, redacteuren, medeauteurs en fotografen wil betalen kost een boek minimaal 1000 euro per ontwikkelde (en gedrukte) pagina. Niet veel als je een folder van 2 pagina’s maakt, maar heel anders bij een boek van 248 pagina’s. Zo’n budget (en het uitgangspunt dat iedereen redelijk wordt betaald) heb ik alleen gerealiseerd bij Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland. Het eerste schreef ik als enige auteur binnen een jaar, met de onmisbare steun van eindredacteur Bert Buizer, nadat ik ontslag had genomen bij Natuur en Milieu waarmee ik titels van Het Milieu van de Natuur en Opgewarmd Nederland realiseerde. Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland waren er niet geweest zonder PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland dat destijds leidinggevenden had die lijnen hielpen uitzetten maar daarna het werk in vertrouwen lieten doen: Fred van der Vegte en Chris van Deursen (1995) en vooral ook Piet Veel (2008).

Juni 2008. Piet Veel toont de storthelling van de Bruid van Haarlem, een poëtische naam voor een natuurontwikkelingsproject in Zuid-Kennemerland (die bruid verwijst naar de pluizige tooi van het zaad van wilgenroosjes).

Inhoudelijk en qua cartografie leverden twee PWN-medewerkers zeer grote bijdragen: Rienk Slings (die een magnifieke, nimmer gepubliceerde ‘Basisnota’ over duinen had geschreven en meedacht over en meeschreef aan grote delen van beide boeken) en Hubert Kivit (data en kaarten).

Rienk Slings in zijn geliefde zeedorpenlandschap bij Wij aan Zee, 2015. Foto Ronald van Wijk

Kernfiguren die Duinen en mensen Kennemerland mede bepaalden waren oude rot Joop Mourik (veel Zuid-Kennemerland), precisie-archeoloog uit Velsen Wim Bosman en Ulco Glimmerveen, die ik destijds kon inhuren om door mij bedachte historische landschapsimpressies te maken (vanaf Bewogen kustlandschap).

Uit Bewogen Kustlandschap, 1995: impressie van het Oer-IJ met achterland, met op de voorgrond de langsvarende boot van Pyteas van Massalia, ca 350 B.C.

Bij Kennemerland waren vele (toen nog) redelijk bezoldigde deskundigen en fotografen betrokken waaronder rozenkenner Bert Maes, Chris van Daalen, Ruud Luntz en vele anderen. Na de crisis van 2008 waren de middelen voor boeken aanzienlijk minder al stoomden we op andere manieren voort. Maar ik moest het uitgangspunt om iedereen redelijk te honoreren helaas loslaten anders was er geen boek meer gekomen. Sorry co-auteurs en fotografen! 

Voor Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater was de belangrijkste partner Landschap Noord-Holland, in de persoon van Jan Kuiper, destijds directeur en een grote steun. Landelijke en bestuurlijk weinig flexibele terreinbeheerders als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer deden wel inhoudelijk mee, maar leverden geen budget (maar we konden wel rekenen lokale boswachters en beheerders). Vooral in het Zwanenwater bleek vrijwilliger Dan van Lunsen een goudmijn. Hij heeft veel meegeschreven en moest dan mopperend akkoord gaan met de eeuwige inkortingen en redactierondes, gevolg van de eerder beschreven boeken-economie. Zijn onderbouwde verhalen over vroegere onderzoekers en jachtopzichters vonden bij mij een warme ontvangst maar ook teksten over trends bij de vogels (o.a. het vrijwel verdwijnen van de legendarische lepelaar uit het Zwanenwater) zijn van zijn hand. Vele achtergronden plaatsten we op duinenenmensen.nl.

Dan van Lunsen, ca 2010, bij de doorgang naar het Tweede Water, het Zwanenwater met opvallend veel moerasandijvie, geen alledaagse duinplant.

Voor dit boek memoreer ik ook Cor ten Haaf uit Groet die veel kennis van zaken inbracht, en Martijn Oud, enthousiast mycoloog uit Alkmaar die ik uitnodigde om de onbemeste, drassige graslanden van het Zwanenwater te verkennen en daar tientallen bijzondere soorten beschreef. Qua fotografie had ik veel plezier van het werk van Ronald Otter (luchtfoto’s), Margreet Frowijn en Erik van der Eijk (o.a. panorama’s). In alle delen Duinen en mensen heb ik een plaats in kunnen ruimen voor het werk van Dirck Nab, kunstenaar uit Bakkum, met wie ik gemeen heb nimmer op de duinen uitgekeken te raken.

Zoals de titels over Kennemerland en Zwanenwater inhoudelijk niet konden zonder de inzichten van respectievelijk Rienk Slings en Dan van Lunsen, zo belangrijk voor Duinen en mensen Texel en ook Bloeiende duinen was Kees Bruin, oud-medewerker van Staatsbosbeheer op Texel. Zijn verbluffende kennis van zaken was onmisbaar en hij was nimmer te beroerd voor een pittig commentaar op een voorliggend concept, waarbij hij altijd minimaal voor 90% gelijk had. Teksten van zijn hand waren zeer adequaat en hadden weinig redactioneel poetswerk nodig. Voor Duinen en mensen Texel waren andere eilandbewoners ook van grote betekenis, waaronder Arthur Oosterbaan, Wilma Eelman, Erik van der Spek en Adriaan en Sytske Dijksen (de laatste m.n. fotografie). Een buitengewone vermelding verdient Maarten Stoepker, oud-medewerker Staatsbosbeheer die een magnifiek archief van oude foto’s beheerde waaruit we mochten putten.

Met Maarten Stoepker, april 2013. Zie vooral ook zijn foto uit 1965 in Duinen en mensen Texel, pagina 41.

Financieel konden we de delen Noordkop en Texel rondbreien door een samenwerking aan te gaan met de toen nog net florerende regionale dagbladpers,  in de persoon van uitgever Frenk Dieke. Ik kocht bij hen expertise t.a.v. vormgeving in, hij vermarkte een stevige oplage naar zijn lezers waardoor de drukpersen konden draaien. Ook het PWN was, met het Cultuurfonds, onmisbaar om de eindjes aan elkaar te knopen naast giften van bedrijven en particulieren.

Frenk Dieke, links, 2011

Bloeiende duinen

Bloeiende duinen (2019) gaat over de gehele Nederlandse kust en leunt sterk op beeld en fotowerk van Ronald van Wijk, terwijl de digitale wandelingen werden uitgedokterd door Danny Zuurbier, met als resultaat dat ik 50 plekken in 25 duingebieden wel móest bezoeken en beschrijven. Geen straf. Qua teksten werd ik behalve over de grootste bron Kees Bruin, ook vrolijk van het werk van Nils van Rooijen, Kees Vertegaal, Gerrit van Ommering en Wilbert Kerkhof (sprinkhanen) en de Vlinderstichting die een mooie spread hielp ontwikkelen over duinvlinders. Korte ontmoetingen in het veld met o.a. Kees van der Wal (Schiermonnikoog) en Awie de Zwart (Zeeuws-Vlaanderen) hielpen mij het boek concreter maken. Beeld in dit boek was deels anders dan bij Duinen en mensen door de vele botanische tekeningen die we konden laten maken dankzij o.a. Jacqueline Kok en door de hoogtekaartjes die ik bij elk gebied met Machiel van Wijngaarden ontwikkelde. Erg mooie foto’s waren er o.a. van Bas Kers, Ronald van Wijk, Nico van Kappel, Henk Terhell en vele anderen. Ik betrad met veel plezier het buitenwetenschappelijk pad van het duiden van ‘het karakter’ van een duingebied. Dat geeft te denken en dat is fijn.

Botanische tekeningen voor Bloeiende duinen van Els van der Giessen (helm), Els Hazenberg (parnassia), Jacqueline Kok (duinviooltje) en Marianne van der Stee (duinroos, zeewinde).

Laat je verrassen

Je kon plannen wat je wilde, maar het toeval speelde ook een niet geringe rol. Je moet zo’n archief van Maarten Stoepker toch maar tegenkomen. Magnifieke kaarten bleken nog wel eens op een zolder van een boswachterij of in stoffige archieven bij Ecomare te liggen (die tijd lijkt voorbij). Veel hebben we gedigitaliseerd en online geplaatst. Voor het boek over de Noordkop kwam ik via bronvermeldingen uit bij historisch geograaf Henk Schoorl. Dat leidde weer tot het vinden en opnemen van een met de hand aangevulde kaart van de Noord-Hollandse kuststrook uit ca 1650 van Zoutman, die een nieuw licht wierp op het dijkbeheer en het gebruik en ontstaan van de meren aldaar (en een in ons boek beschreven moord).

Bij archiefonderzoek door Nico van der Wel kwam een kaart met verpachting van Texelse duinen tevoorschijn met daarop de ligging van de helaas vrijwel geheel ontgonnen ‘mienten’ aan de duinvoet. Die kaart siert ons boek over Texel, net als de oude kaart van de zandplaten voor de monding van het Marsdiep die langs koninklijke Engelse wegen tot ons kwam. Die laatste kaart is in ons boek fantastisch verklaard door historicus Frits David Zeiler. Die had eerder al – dat was ik vergeten te melden – door mij geïnitieerd en door het PWN betaald onderzoek kunnen doen naar duintoponiemen (ofwel veldnamen) – zie de deeltitels Hel en Paradijs (Zuid-Kennemerland) en Nollen krochten blinken – Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Beide titels zijn ook te vinden op duinenenmensen.nl en in essentie beschreven in Duinen en mensen Kennemerland en in Bewogen kustlandschap. Veldnamenonderzoek in Texelse duinen werd ons in de schoot geworden door Kees Bruin en Erik van der Spek en door ons online gepubliceerd.

Hoe bescherm je je zelf

Het klassieke adagium ‘Homo homini lupus’ geldt zeker ook voor de boekencomponist. Hoe eenvoudig trap je in de valkuil van nog meer verkenningen, nog meer artikelen, nog meer prachtige foto’s. Ik heb me beschermd door diverse goede linker- en rechterhanden waarbij ik ook Machiel van Wijngaarden nog eens noem voor zijn cartografie. Deadlines waren niet zelden een redmiddel om iemand te laten leveren (of af te laten vallen, sorry). Fotografen heb ik gevraagd delen van hun archieven (die het onderwerp betroffen) bij mij onder te brengen zodat ik via de hulpprogramma’s die er tegenwoordig zijn snel bij hun beeld kon. Dat vraagt veel vertrouwen, maar anders lukte het niet. Beeld en tekst lopen bij mij gelijk op. En we produceerden soms 2 complete pagina’s per week.

Ook Mark was er blij mee

Financiële bescherming werd geboden door financiers als het Prins Bernhard Cultuurfonds (bijna alle boeken en ook www.duinenenmensen.nl) en de voorintekenaars, die soms al 1,5 jaar van te voren een bedrag overboekten. Dat klinkt geweldig maar uiteindelijk werden na 2008 alleen de vormgever en drukker en distributeur marktconform betaald. Professioneel boeken maken is eigenlijk gekkenwerk, maar veel te leuk om niet te proberen. Een laag uurloon is trouwens helemaal niet erg als je maar veel uren maakt.

Aanbieding aan de vegetatiekundige, hoogleraarJoop Schaminee, maart 2019

Ben je nu klaar na 5 duinboeken?

Na elk boek ben je er wel een beetje klaar mee, maar dat duurt nooit echt lang. Op Goeree, waar we nu wonen en werken, mochten we in 2019-2020 voor het waterleidingbedrijf Evides een titel helpen maken over de door hen beheerde Middel- en Oostduinen: Het vroon ontrafeld. Qua toon en diepgang en verantwoording een heel ander boek. Zeer waardevol want het komt zelden voor dat een beheerder, in dit geval Marten Annema, samen met twee wetenschappers kwaliteiten, onderzoek en beheer breed kunnen uitmeten. Bij de vormgeving van deze titel is het concept van de duinen en mensenreeks gevolgd. 

Er mislukt ook wel het een en ander. Staatsbosbeheer heeft me wel eens gepolst, maar het idee dat je voor een goed boek ook redelijk moet betalen was daar geen gemeengoed. En niet alle terreinbeheerders zijn zoals PWN en Landschap Noord-Holland, bereid om ver over de grens van hun eigen grondbezit te kijken.

We hebben de laatste jaren een poging gedaan om een Duinen en mensenboek te schrijven over de duinen rond Den Haag, samen met waterleidingbedrijf Dunea. Een andere thematische titel, Oorlogskust, hebben we wel opgezet maar het bleef door gebrek aan stevige financiers niet meer dan een goed idee. 

Vooronderzoek voor Hollandse duinen – 400 jaar kunst en natuur over duintekeningen en duinschilderijen, in is principe afgerond door Boudewijn Bakker, cultuurhistoricus, en ondergetekende, maar deze titel is door gebrek aan goede expositieruimte plus gebrek aan financiers, maar ook door ziekte en andere ongemakken nog even in de wacht gezet. Besprekingen van enkele werken zijn te vinden op www.duinenenmensen.nl via het trefwoord ’duinbeeld’. Geef ons 1 goede sponsor en we zetten het door. Het boek staat al online bij het Centraal Boekhuis als ‘aangekondigd’ en ongezien zijn er daar al 2 verkocht…

Een titel met werknaam ‘Duintaal’ ligt nog te gisten in de kelders van onze geest.

Het meest concreet is op dit moment (eind 2020) het werk aan Duinen en mensen Voorne, waar Theo Briggeman van KNNV Hollandse Delta het bruggenhoofd voor vormt. Of we ooit de hele kust van delen Duinen en mensen gaan voorzien betwijfel ik, want niet elk gebied heeft een beheerder die samen met ons zijn of haar nek durft uit te steken en twee onmisbare zaken meeneemt: vertrouwen en …. Maar ik laat me graag verrassen en word graag – zo lang ik een duinhelling op kan klimmen – 100 jaar.

Recensies

Pieter A. Slim (2020):  Roos, R. (red.), 2019. Bloeiende duinen. Uitgeverij Natuurmedia, Goedereede. 238 p. In: Stratiotes 2020 nr 55: 47-50

Victor Westhoff, (1996). Boekbespreking: R. Roos, Bewogen kustlandschap: Duinen en polders van Noord-Kennemerland. PWN Waterleidingbedrijf Noordholland en Schuyt, Haarlem. 200 p. ISBN 90-609-7400-x. In: De Levende Natuur 97 (2): 98.

De kruisdisteloesterzwam is een soort uit het zuiden van Europa met de noordgrens van zijn areaal in Nederland. De soort is vrijwel beperkt is tot het zuidwesten van ons land. Twee dijken op Goeree blijken rijke vindplaatsen.

De Nieuwendijk is een beschermde dijk op Goeree nabij Havenhoofd en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Langs de zuidzijde is de dijk langs de weg en een met blauwe paaltjes gemarkeerde wandelroute goed te bekijken. De dijk is zeer bloemrijk met vele zeldzame en kalkminnende bloemen waaronder nachtsilene en beemdkroon. Het is ook een rijke vindplaats van de kruisdistel, die in de delta overal op dijken en in duinen voorkomt. Maar juist de Nieuwendijk blijkt een zeer rijke groeiplaats voor de op kruisdistel groeiende kruisdisteloesterzwam (Pleurotus eryngii). Ook elders op Goeree, in de vrij toegankelijke dijk langs de Preekhilpolder (bij Ouddorp, in beheer bij Het Zuidhollands Landschap) is deze landelijk zeer zeldzame soort veel te vinden. Deze ‘dijkreservaten’ worden als natuur beheerd (geen bemesting, laat maaien en maaisel afvoeren). Deze natuur zou ook op veel andere dijken en bermen van Waterschap Hollandse Delta kunnen terugkeren als de aannemers van het waterschap laat (na juli) zouden maaien, en niet zouden klepelen (=stukmaken vegetatie die daarna blijft liggen) maar ook afvoeren. Verschraling leidt tot meer bloemen, klepelen geeft ruigtes.

Kruisdisteloesterzwammen bovenop de Nieuwendijk op Goeree.

Op de noordzijde van de Nieuwendijk, waar kruisdistel niet groeit, troffen we geen vindplaatsen. Op de steile zuidzijde die pas zeer laat wordt gemaaid i.v.m. de insecten vonden we enkele exemplaren. De meeste stonden bovenop de dijk, waar helaas af en toe een onbevoegde motorcrosser of quad passeert en de paddenstoelen dan aan gort rijdt.

Locaties met kruisdisteloesterzwam in de Hollandse delta volgens Waarneming.nl 2010-2020; landtong Rozenburg en Oostvoorne, en op Goeree de Nieuwendijk, de Oostduinen (aangevuld), de Springertduinen, de Westduinen en de dijk langs de Preekhilpolder.

Ecologie

Kruisdisteloesterzwammen groeien op de wortels van de kruisdistel op mineraalrijke klei- of zandgrond, vaak op dijken. Dit soort onbemeste graslanden zijn tegenwoordig schaars.

Kruisdisteloesterzwammen groeien op de wortels van kruisdistels op onbemeste, mineraalrijke klei- of zandgrond, vaak op dijken. Deze uitgegraven paddenstoel is bevestigd aan de rafelige hals van een kruisdistelwortel; het is onduidelijk of deze wortel al dood is of niet.

Zie de uitgebreide versie van dit artikel elders op deze site.

Zie ook online de landelijke verspreidingkaart van de kruisdisteloesterzwam

Aandacht voor zeereeppaddenstoelen; boek en online artikelen

Kustliefhebbers! Er is mooi najaarsnieuws. Bij de zeereep denken we aan aanstuivend zand, helmduinen en diverse mosvegetaties. Maar er groeien ook 160 soorten paddenstoelen! Die zijn vaak heel specifiek voor dit milieu en zijn niet in de gangbare gidsen zijn opgenomen. De nieuwe paddenstoelengids geeft hiervan een prachtig overzicht.

Veldgids paddenstoelen III – paddenstoelen van de zeereep, een uitgave van de KNNV-uitgeverij, bevat sleutels, beschrijvingen en kleurenfoto’s van alle soorten en is gericht op herkenning in het veld. Waar nodig zijn ook microscopische kenmerken opgenomen. De soortbeschrijvingen behandelen de kenmerken van de soort, achtergrondinformatie, ecologie en verspreiding, voor de hand liggende verwisselingen en informatie voor verdere literatuurstudie. In de inleidende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de habitattypen ‘witte duinen’ en ‘grijze duinen’.

  • meer dan 160 soorten
  • determinatiesleutels
  • veldkenmerken

De auteur van deze gids, Machiel E. Noordeloos, heeft al ruim 50 jaar een passie voor paddenstoelen en ook als wetenschapper was hij werkzaam in de ‘paddenstoelenkunde’, de mycologie.

Artikelen over zeereeppaddenstoelen op duinenmensen

BESTELLEN: zie KNNV Uitgeverij

Zandtulpje na storm. Foto Rienk Slings

2 maart 2019 verschijnt eindelijk Bloeiende duinen, maar we plaatsen periodiek een kort verhaal er uit online. Het fijne van online-publiceren is dat de foto’s net wat meer ruimte kunnen krijgen en er bijzondere foto’s extra bij  kunnen, zoals de magnifieke van Gerard Oostermeijer van verschroeide heide, augustus 2018. Het vervelende van online is weer dat je dit  verhaal niet in het perspectief ziet van het grotere verhaal: van de Schoorlse duinen, van de vastelandsduinen, van de Nederlandse duinen. En hoe verhoudt dit project zich tot de vele andere projecten met natuurherstel langs de kust? Lees Bloeiende duinen.

Boswachter Laurens Bonekamp, 2018 op de hoog opgestoven drempel van de Kerf, juni 2018

20 jaar De Kerf

In 1997 waren de Schoorlse duinen wereldnieuws door een revolutionaire maatregel. Waren de Nederlanders gek geworden? Tussen strandpaal 30.50 en 30.75 werd in de zeereep een gat gegraven van 100m breed, tot een niveau van 1,5m boven NAP. De achterliggende en verdroogde Parnassiavallei, waarin de naamgever al decennia niet meer groeide, werd geplagd en in het noordelijke deel werd de valleibodem verlaagd, waarbij een oude jeneverbes moest wijken voor de vooruitgang. Het gebied kreeg een nieuwe naam: De Kerf.

Direct na aanleg stroomde de Kerf vol met zeewater. Van 1997 tot 2002 waren er 30 overstromingen, in de periode tot 2010 slechts enkele, daarna niet meer. De foto is uit 2007. Foto: Johan Bos

Foto uit 1997 van Koos Leek van Open kerf met binnengestroomd water.

De hogere ‘drempel’ wordt veroorzaakt door inwaaiend zand dat zich langs de duinvoet van zuid naar noord verplaatst onder invloed van de overwegend zuidwestelijke wind. Foto uit 2013 van Ronald van WijkHet project beoogde een toename van dynamiek, en het scheppen van overgangen van zout naar zoet en jong naar oud, met meer natuur. Hoewel het zeewater niet meer binnenkomt staan er tot op heden allerlei zoutplanten waaronder schorrezoutgras, zilte rus  en zilte zegge. Een flink deel van de kaal gemaakte zuidelijke vallei heeft zich ontwikkeld tot duingrasland met buntgras, vroege haver, zandblauwtje en lokaal smal fakkelgras, maar ook tot vochtige, zoete duinvallei. In de Parnassiavallei van nu, waar ook kalkrijker zand naar binnen kon stuiven, vestigden zich soorten van vochtige duinvalleien zoals duizendguldenkruiden, rietorchis, rond wintergroen, duinrus en dwergzegge, en mossen als kropgoudkorrelmos en vetmos. En parnassia zelf maakte haar opwachting, in gezelschap van galigaan, geelhartje, knopbies, moeraswespenorchis en sierlijke vetmuur. Deze ontwikkeling is ook te verwachten in de in 2017 geplagde valleien van Fortblink en Zeeblink ten noorden van de Kerf. En wie het gewone ook waarderen kan: de Parnassiavallei is de enige plek in het kalkarme Schoorlse duin die kalkrijk genoeg is voor een flink groeiplaats van de duindoorn.

Pad door de natte duinvallei achter de Kerf, augustus 2017. Foto Theo Baas

De Kerf was het eerste experiment met een opening in de zeereep. De kust kon het aan, maar de beoogde zilte vegetaties hielden geen stand doordat de Kerf verzandde en geen gierend windgat werd waardoor zee en vooral zand blijvend naar binnen konden komen. De natuur voegt zich na 20 jaar naar het nieuwere zoete water in een iets kalkrijker, verjongd milieu. Zo dook bijvoorbeeld moeraslathyrus op en daar moet het echt zoet voor zijn.

HOTSPOT Van Kerf naar de Parnassiavallei met wandeling langs 10 soorten staat op duinenenmensen.nl

Gerard Oostermeijer fotografeerde De Kerf met verschroeide hei, augustus 2018. De kerf ligt op de achtergrond. Waar het groen is gebleven was ook na 6 weken droogte nog (grond)water.

Patroon van lamsoor, gewone zoutmelde en zeealsem. Foto: Gerard Oostermeijer

Deze route (van ca 1 km lang) ligt op een van de meest belopen kwelders ter wereld. Er zijn paadjes uitgesleten. Het is niet verboden hier te zwerven (binnen het opengestelde gebied), maar je bent een medegebruiker.  In het afgesloten rustgebied van de Slufter broeden veel eidereenden. Die zijn met jongen zwemmend in de kreken te zien vanaf juni.

  • Start en einde: Slufterweg 1, 1795 KM De Cocksdorp
  • De wandelroute volgt diverse paadjes. Geef op je mobiel toegang tot eigen positie (lees hier hoe). Wandeling: de downloadlink voor GPX-track staat ook onderaan de kaart.
  • Klik op een icoon op de wandelkaart en vindt een plantensoort. Of andersom: klik bij een plant op de icoon en je komt op de locatie van de plant.
  • De beste tijd om deze soorten te zien bloeien is vanaf  tweede helft juli tot in september.
  • Ten overvloede: verboden te plukken, verzamelen of uitsteken.
  • Reacties of eigen waarnemingen kun je kwijt onder dit bericht.

De Slufter van Texel heeft een geheel eigen status in het Nederlandse kustlandschap. In de luwte van de duinen kan de binnendringende zee kleideeltjes afzetten en zand. Op de zilte en brakke kwelder is sprake van een afwisselend patroon van planten, van jong en laag met zeekraal tot oudere zilte graslanden met Engels gras. Hazen leven er, en noordse woelmuizen. De Slufter is een zeer bijzonder ‘achterduins’ zandig kwelderlandschap. Zie online verhaal uit het boek Duinen en mensen Texel: de Slufter

Fijn goudscherm; foto Bas kers

Laksteeltje

Op de Zanddijk (uit 1630), waar de wandeling begint, staan soorten van het zoete, droge duin waaronder schermhavikskruid en zandblauwtje. De zandbodem is wel deels ontkalkt door de eeuwenlange regen maar ook weer niet zoveel dat er veel struikhei staat. Beneden is de aanspoel- of veekrand, de plek waar het vloedmerk wordt afgezet bij de hoge wintervloeden interessant. Er zit veel dierlijk leven in, ook de op Texel gearriveerde huisspitsmuis die hier vele kleine beestjes, zoals vlokreeftjes eet. In deze voedselrijkere zone van het vloedmerk groeien soorten zoals zandhaver, zeeraket, strandmelde, zeebiet en reukeloze kamille. In mei staan langs het pad onder het vloedmerk het Engels gras te bloeien, gevolgd door de aardbeiklaver en vanaf juni bloeit hier bij goed zoeken een bijzondere grassoort, de dunstaart. Twee zeldzame soorten die hier op de hoge kwelder en op de voet van de duintjes voorkomen zijn fijn goudscherm en (in 2018) 10 duizenden laksteeltjes, waarschijnlijk de grootste populatie van deze soort in Nederland. Makkelijker zijn het melkkruid, gerande schijnspurrie, het schorrezoutgras en in de nazomer rode ogentroost. Richting zee lopen we van hoge kwelder naar de lage. Andere soorten verschijnen hier waaronder lamsoor, zeeweegbree, klein schorrekruid en gewone zoutmelde. Op iets meer zandige ruggen langs kreken staat zeealsem en gewone zoutmelde,  terwijl in de laagtes maar liefst 4 soorten zeekraal te vinden zijn. Twee ervan zijn algemeen: de kortarige zeekraal (ondersoort brachystachyae) tussen de lamsoor en de langarige (rechtopstaande) zeekraal (Salicornia stricta) op de laagste slikkige delen in kwelderkommen en langs de slenken, Er komen nog twee erg zeldzame soorten voor. Op lagere, zandige stukken staan duizenden exemplaren van de eenbloemige zeekraal. En op de zandige strandvlakte meer richting de monding van de slufter staat de langarige zandzeekraal, een soort die nog niet zo lang herkend wordt in Nederland.

Langarige ZANDzeekraal, pas sinds 2011 goed bekend uit ons land en nog niet in de Flora. Foto Bas Kers

De beste periode om deze planten te herkennen is vanaf augustus.

Drie soorten zeekraal v.l.n.r de kortarige, de eenbloemige en de langarige. Foto Bas Kers

Deze wandeling wordt gepubliceerd in het boek ‘Bloeiende duinen’. U steunt ons project door het boek te bestellen.

Bezoek andere hotspots met behulp van de overzichtskaart.

Exporteer als KML voor Google Earth/Google MapsOpen standalone kaart in volledige scherm modus
Texel Slufter

kaart is aan het laden - een ogenblik geduld aub...

| | km | | /km | +m -m (net: m) | download GPX bestand download GPX bestand
Reukeloze kamille: 53.130886, 4.814458
Engels gras: 53.130886, 4.814329
Melkkruid: 53.131118, 4.812441
Laksteeltje: 53.131401, 4.809051
Lamsoor: 53.132689, 4.810724
Zeealsem: 53.135933, 4.811239
Rode ogentroost: 53.132611, 4.816003
Aardbeiklaver: 53.130320, 4.813814
Langarige zandzeekraal: 53.133719, 4.803300
Eenbloemige zeekraal: 53.134980, 4.809136
Kortarige zeekraal: 53.132714, 4.812613
Langarige zeekraal: 53.133667, 4.813600
Fijn goudscherm: 53.131762, 4.815187
marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Reukeloze kamille

Vroeg in de zomer rijk bloeiend op verterende plantenresten in een lange zone langs de Slufter

 

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Engels gras

Op de hoge zandige kwelder, in mei al bloeiend

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Melkkruid

Vetbladachtig plantje, als zoveel kwelderplanten (zeekraal, zeeweegbree, etc) want zout maakt dat je vocht wel vast wil houden.

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Laksteeltje

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Lamsoor

Iconische kwelderplant van de lagere kwelder, verdraagt lichte schapenbeweding en is bron van nectar voor vele vlinders, vliegen en bijen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Zeealsem

Een geur uit duizenden en een onmiskenbare kleur

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Rode ogentroost

Hogere kwelders en zandige strandvlaktes, parasiteert op grassen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Aardbeiklaver

Hier naast zilte rus; soort van brakke overgangen

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Langarige zandzeekraal
 

Foto Bas Kers

marker icon
 Open standalone kaart in volledige scherm modus Exporteer als KML voor Google Earth/Google Maps
Eenbloemige zeekraal

VLNR: de kortarige, de eenbloemige en de langharige zeekraal. Foto Bas Kers

13 markers
per pagina
pagina 12

 

Pieter Slim in Stratiotes (vakblad voor vegetatiekundigen) najaar 2020 met recensie Bloeiende duinen maar ook overzicht van alle recent verschenen duinenboeken.
Het is een prachtig geïllustreerd boek met een mooie, karakteristieke lay-out, met oude en nieuwe foto’s, tekstboxen etc. Maar er is meer (…)
Gemma Venhuizen in NRC, 29 juni 2019 Het landschap met de eeuwige jeugd

Een ‘must-have’ voor planten- en duinliefhebbers.

Nederlandse biblotheken (mei 2019)

Ingedeeld naar de drie soorten duinen is dit een uitbundig en zeer fraai geïllustreerde reis- en zoektocht langs de Nederlandse kust. Met medewerking van vele auteurs en fotografen samengesteld. Zelfs vanuit professionele achtergrond is de gigantische hoeveelheid informatie uniek en zeer verrassend. Dat komt door de manier waarop de gebieden beschreven zijn. Geen saaie lijstjes met planten- en dierennamen, maar uitleg hoe ze vanuit het verleden zijn ontstaan. Toegespitst op ecologische omstandigheden in het samenspel van o.a. nat/droog, zoet/zout water, overstroming bij vloed, de windfactor, menselijke handelingen, visies op beheer. Samen verantwoordelijk voor het ontstaan van unieke groeiplaatsen met veel bijzondere planten en daaraan gekoppelde dieren (insecten en vogels). Via internet zijn vijftig wandelingen op te roepen (hotspots) met minimaal tien plantensoorten uit de speciaal belichte top 100 van kenmerkende soorten (geen Latijnse namen). Zo kan stap voor stap soortenkennis worden uitgebreid. Samen met informatie van dat terrein. Gericht op een breed publiek dat kennis zoekt en/of wil genieten. Er kan maar één conclusie zijn: deze ‘B(l)oeiende duinen’ zijn zeer de moeite waard.

(Drs. Jan Beelen)

Vara’s Vroege Vogels (12 mei 2019)

Eilanden Nieuws (4 april 2019)

Terschelling courant (7 maart 2019)

Radio Rijnmond (2 maart 2019)

Boek bestellen

Door: Wim Prinsen en Theo Briggeman

Op Voorne-Putten komen drie Rode Lijst-soorten voor: het bruin blauwtje, het oranje zandoogje en de heivlinder. Met de eerste twee soorten gaat het nog redelijk goed: ze worden niet direct met uitsterven bedreigd maar zijn wel gevoelig in hun voortbestaan. Andere soorten gaan echter in rap tempo achteruit, zoals de argusvlinder en de heivlinder.

De heivlinder is een vrij schaarse standvlinder, die voorkomt op de hogere zandgronden in het binnenland en in de duinen. Ook deze soort staat als kwetsbaar op de Rode Lijst. Op ons eiland wordt de heivlinder de laatste 10 jaar niet tot nauwelijks meer gezien. Tot 2013 werden er nog redelijk veel heivlinders waargenomen. Zeventig stuks op het buitenduin van Voorne en de Brielse Gatdam was in die tijd nog gebruikelijk. Vaak foerageerden ze op de blauwe zeedistel. Nadien is de soort niet meer gezien.

Voor de argusvlinder geldt op Voorne-Putten hetzelfde. Op de Beningerslikken werd de soort tot 2013 nog in hogere aantallen waargenomen (2013: 42 exemplaren). Op gras- en bloemrijke dijkhellingen tussen Hellevoetsluis en Rockanje werden tot zo’n 15 jaar geleden nog jaarlijks tientallen exemplaren waargenomen. In twee jaar tijd is de soort daarna zo goed als verdwenen. Dat is mogelijkerwijs terug te voeren op een veranderd maaibeheer, waardoor alle nectarplanten zijn verdwenen. Op Putten wordt sedertdien nog een doodenkele keer een argusvlinder gezien (Bernisse, Polder Biert, Beningerslikken). Eigenlijk kan worden geconcludeerd dat de argusvlinder op Voorne-Putten is verdwenen. Landelijk gezien is de argusvlinder het laatste decennium ook hard achteruitgegaan.

(ontleend aan: Natuur in de Hollandse Delta; Jaarboek 2019; KNNV Afd. Voorne, 2020)

Lees verder de pdf

Door: Theo Briggeman

(ontleend aan: Natuur in de Hollandse Delta; Jaarboek 2019; KNNV Afd. Voorne, 2020)

De KNNV doet sinds 2018 onderzoek naar het voorkomen van de zandhagedis (Lacerta agilis) in het duingebied van Voorne. Dat gebeurt op verzoek van RAVON en het Zuid-Hollands Landschap. In 2018 en 2019 zijn in delen van de Duinen van Oostvoorne vaste routes op basis van de Handleiding voor het monitoren van reptielen gemonitord. Het betrof vooral gebieden die recent waren ontdaan van veel begroeiing. De soort is een doelsoort voor de Natura 2000-gebieden op het eiland en is sinds 1973 een beschermde diersoort. De zandhagedis zit op Voorne op het randje van haar verspreidingsgebied. Ten noorden van Voorne kwam de soort tot voor kort vrij algemeen voor. Ten zuiden van Voorne wordt de zandhagedis mondjesmaat op Goeree gezien. Recent lijkt de populatie daar weer op te leven en zijn er zelfs juveniele beesten waargenomen (m.m. Ted Sluijter, NM). Zuidelijker komt de zandhagedis niet voor.

Lees verder de pdf

Foto Peter Zwitser

Door: Linda van der Jagt

(ontleend aan: Natuur in de Hollandse Delta; Jaarboek 2019; KNNV Afd. Voorne, 2020)

Sommige soorten kunnen zich aanpassen aan veranderingen in hun omgeving, maar voor andere soorten komen deze veranderingen te snel. Een van deze soorten, de zandhommel (Bombus veteranus), was een algemene hommelsoort in Nederland tot in de jaren ’80. Vandaag de dag staat de soort op de Rode Lijst als ernstig bedreigden komt de zandhommel nog maar in een aantal gebieden voor, voornamelijk rondom het Haringvliet en in de Brabantse Biesbosch. Voor de zandhommel was het verdwijnen van rode klaver (Trifolium pratense) vermoedelijk de voornaamste reden van haar verdwijning uit het Nederlandse landschap. Rode klaver is, net als veel andere vlinderbloemigen, een geliefde voedselplant voor veel langgetongde bijensoorten.

Lees verder de pdf

Door: Frans Beekman en Herman van der Meer

Overgenomen uit Holland’s Duin nr 76, 2020, pag. 13-21

Berkheide was een vissersbuurt zonder kerk of kapel vier kilometer ten zuiden van Katwijk, gelegen in een inham van de duinen (nu ter hoogte van strandpaal 91). Gilles van Cralingen was de stichter er van in 1396. Globaal bestond het gehucht tussen 1400 en 1600. Er lagen omstreeks 1500 een tiental pinken op het strand voor de kustvisserij en er woonden toen 50 à 60 mensen. Berkheide groeide niet uit en was als dorpsstichting mislukt. De vissersbuurt kreeg tijdens het begin van de Tachtigjarige Oorlog omstreeks 1570 last van Watergeuzen op zee en Spaanse soldaten op land. Berkheide verdween door het inwaaiende zand en ook de weg naar Wassenaar stoof onder. Er ontstond een actief paraboolduinlandschap, waarin omstreeks 1800 de fundamenten van Berkheide werden opgemerkt.

Lees verder in de pdf.

Harlekijnen behoren tot de zeer zeldzame soorten van duinen en schralere, onbeweste en licht vochtige graslanden, maar soms staan er – na jaren langzame ontwikkeling – ineens veel. Zoals op de Hompelvoet. In 1993 de eerste in 2020 ca 100000. Maar wel deels kort afgevreten door de paarden en laag door de droogte van dit jaar.

Een video-impressie in 90 sec. van de harlekijnen, begin mei 2020, door de ogen van Kees de Kraker, al decennia kenner van de Grevelingen.

Zie ook onze clip over harlekijn op Terschelling

Zie ook Kees de Kraker over de herfstschroeforchis op dit unieke eiland

En een zeldzame opname van een reebok die naar Hompelvoet zwemt vanaf de Oudelandse zeedijk, Ouddorp, Goedereede.

Persbericht

Informatie over het boek en wijze van bestellen

Gedeeltelijke voorpublicatie.

Omdat dit voorjaar de boekpresentatie (half mei) niet door kan gaan bieden we hier als voorproefje een ruime selectie uit de inhoud. Hieronder de inhoudsopgave met links naar delen van de inhoud.

Titelblad

Inhoudsopgave en voorwoord

1 Inleiding

Inleiding deel 2

Inleiding deel 3

2 Waterwinning en natuur in een veranderende wereld 

2.1 Van gebruiksnatuur naar waterwingebied 

2.2 Vanaf de start van de waterwinning (1934) 

2.3 Waterwinning oude stijl (1979-1992) 

2.4 Panelen verschuiven (1992-1999) 

2.5 Vanaf 2000: waterwinning nieuwe stijl 

3 Ontstaan en landschapsecologie 

3.1 Dwars door de tijd en in de diepte 

3.2 Ontstaansgeschiedenis 

3.3 Landgebruik door de eeuwen heen 

3.4 Bodem en grondwater in de duinen 

3.5 Een waterwingebied met een rijke natuur 

4 Flora en vegetatie 

4.1 Dertig jaar onderzoek aan een rijkdom aan planten 

4.2 Flora en vegetatie van 1984 tot 2014 in vogelvlucht 

Orchideeën

4.3 Droge duingraslanden

4.4 Heischrale graslanden

Fijnproevers harlekijn en veldgentiaan 

4.5 Voedselrijke graslanden 

4.6 Duinvalleien 

4.7 Ruigten 

4.8 Struwelen en bossen 

4.9 Wateren 

5 Waterhuishouding 

5.1 Hoe water stroomt en verandert 

5.2 Ondergrond, grondwater en zoetwaterbel 

5.3 Waterwinning en veranderingen in de waterhuishouding 

5.4 Kwaliteit van het grondwater 

5.5 Waterkwaliteit in de infiltratiekanalen 

6 Bodem: variaties verklaard

6.1 Leven in de bodem 

6.2 Stuivend zand 

6.3 De vorming van humus

6.4 Ontkalking en verzuring 

6.5 Mieren als duinbeheerders 

6.6 Kwel 

7 Inrichting en beheer

7.1 Maatwerk in denken en doen 

7.2 Herstel van het landschap 

7.3 Peilbeheer 

7.4 Plaggen 

7.5 Beweiding 

7.6 Maaien 

7.7 Faunabeheer 

8 Broedvogels 

8.1 Veel biotopen, veel soorten 

8.2 Broedvogels in ecologisch perspectief 

8.3 Weidevogels in de duinen 

“Meteen wist ik dat dit mijn plek was” – interview 

Rolf Roos & Rob Rossel

De Nieuwendijk aan de zuidzijde van de Bokkepolder, hoogzomer: rijke bloei van kruiskruiden en hoog opgaande grassen, veel beemdkroon en kruisdistels, ook knoopkruid. Kortom: ruimte voor insecten. Hoe staat het met de dagvlinders?

Om een beeld te krijgen van de dagvlinders kunnen we naast verspreide waarnemingen o.a. op waarneming.nl te rade gaan bij: verslagen van vlinderroutes (zie Rossel, 2019) en een rapport uit 2015 van A.M. Baaijens over de duinen. Het laatste rapport geeft het beste een indruk van de vlinderpopulaties in de kustzone, reden waarom we de overzichtstabel hier als geheel opnemen als bijlage 1.

Op basis van de gegevens van Baaijens (zie bijlage) kunnen we zien dat er in 2015 in totaal 27 dagvlindersoorten zijn waargenomen (in 2008: 22). Hieronder naast de algemene en ‘beeldbepalende’ soorten (bont- en oranje zandoogje, hooibeestje, veel zwartsprietdikkopjes en diverse witjes) ook soorten van de Rode Lijst als bruine blauwtje, kleine parelmoervlinder en heivlinder (alle drie kwetsbaar) en minder algemene soorten als eikenpage en groot dikkopje. Nieuw in 2015 t.o.v. 2008 waren oranjetipje, kleine parelmoervlinder (mogelijk kleine populatie Middenduinen), keizersmantel (1 ex), distelvlinder en oranje luzernevlinder.

Dan de soorten op twee telroutes direct langs de Bokkenpolder: de Nieuwendijk en het open  duin bij ‘t Hôôd,  die we hier beide weergeven (Rossel, 2019).

Tabel 1: Aantal vlinders per soort, Vlinderroute Nieuwendijk

Soort201720182019
atalanta6 2
bont zandoogje1249 
boomblauwtje  1
bruin blauwtje23314
bruin zandoogje751242506
citroenvlinder512
dagpauwoog18112
distelvlinder2332
groot koolwitje6104
heivlinder 1 
hooibeestje2779
icarusblauwtje42510370
klein geaderd witje72913
klein koolwitje291923
kleine vos30192
kleine vuurvlinder11913
koevinkje  1
oranje luzernevlinder  3
oranje zandoogje1883194
oranjetipje22 
zwartsprietdikkopje2976
Totalen:1842536797

Opvallend is de daling van het aantal vlinders in 2018 en 2019. Dit lijkt vooral het gevolg van het maaien voor het bloeien van de kruisdistels.  In 2019 was er een invasie van distelvlinders.

Tabel 2: Aantal vlinders per soort, vlinderroute ‘t Hôôd (Havenhoofd)

Soort201720182019
atalanta3 2
bont zandoogje521
bruin blauwtje2614
bruin zandoogje364740
citroenvlinder231221
dagpauwoog21134
distelvlinder  16
groot koolwitje884
hooibeestje1681
icarusblauwtje282112
klein geaderd witje1871
klein koolwitje562484
kleine vos4  
kleine vuurvlinder787
koevinkje111
oranje luzernevlinder1 3
oranje zandoogje4448104
oranjetipje5  
zwartsprietdikkopje41 
Totalen:282206315

Wat is hier in te zien? Zowel naar aantallen soorten (resp. 21 en 19) zijn deze waarnemingen zeer coherent met Baaijens. Wel zijn de aantallen zwartsprietdikkopjes laag en is een heivlinder op de Nieuwendijk als een passant te beschouwen want heivlinders prefereren veel schralere graslanden. Beide locaties zijn van belang voor het bruin blauwtje. 

De trends

Er is weinig over trends te zeggen, daarvoor is het aantal peiljaren nog te beperkt en fluctuaties t.g.v. weersomstandigheden te dominant. Het zou te bont zijn om te beweren dat de vlinderstand in de duinen tussen 2008 en 2015 zou zijn verbeterd (op basis van 5 soorten extra). Wel zijn er een aantal soorten duidelijk aan een landelijk opmars bezig, m.n. aan struweel gebonden duinvlinders die landelijk gezien in het algemeen in de lift zitten (groot dikkopje, boomblauwtje en eikenpage). Dit i.t.t. tot echte duinvlinders als heivlinder, kleine parelmoer en bruin blauwtje. Vgl. Van Swaay& Wallis de Vries, 2019). Wijkt Goeree af van een landelijke trend door de ligging of ander beheer? Vooralsnog is dit niet hard aantoonbaar, boomblauwtje en groot dikkopje nemen hier echter af.

Tot slot. Het is te overwegen ook een telroute in de deels vochtige graslanden van de Bokkenpolder zelf te doen, waar meer oranjetipjes zijn te verwachten en boven opgaande eiken wellicht ook eikenpages.

Literatuur

Baaijens, A.M.  (2015). Insecten in de duinen van Goeree. Natuurmonumenten

Rossel, Rob. (2019). Vlindertelgegevens Goeree-Overflakkee 2019, intern rapport.

De Vlinderstichting, (2019). Vlinder-en libellestand 2019

Chris van  Swaay & Michiel Walles de Vries (2019) Vliegende duinbloemen . In: Rolf Roos (red.) Bloeiende duinen. Natuurmedia, Goedereede

Bijlage 1. (ontleend aan A.M. Baaijens, 2015. Insecten in de duinen van Goeree. Natuurmonumenten)

Description: Macintosh HD:Users:rroos:Desktop:Pages 8 from Insectenkartering Duinen van Goeree 2015.pdf

De kennis van vinkenbanen langs de binnenduinrand van de Hollandse kust lijkt langzamerhand weg te zakken. Wat gebeurde er op zo’n vinkenbaan en waar lagen ze tussen Loosduinen en Monster? Door Herman van der Meer en Frans Beekman

Link Uit Hollands duinen 1970

Frans Beekman en Bert van der Valk

Uit: Historische wallen in het Nederlandse landschap. De stand van kennis. (red.: Henk Baas, Bert Groenewoudt, Pim Jungerius en Hans Renes) 2012: Tot hier en niet verder. Historische wallen in het Nederlandse landschap, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, hoofdstuk 9 (blz. 159-173).

Link naar pdf van deze studie

Op 18 december 2018 overleed Ger Londo. Bij de voorlopers van Wageningen Environmental Research (WENR, voorheen Alterra), te weten het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON), het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) en het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer (IBN-DLO) heeft Ger belangrijk ecologisch werk verricht ten behoeve van natuurbehoud, natuurbeheer en natuurontwikkeling.

Onder duinkenners was hij bekend van de slogan ‘infiltreren is nivelleren’, waarmee hij kernachtig de beroerde invloed van in het duin gepompt ongezuiverd rivierwater in de jaren ’50 en ’60 karakteriseerde. Hij stond aan de wieg van wat later ‘natuurbouw’ en ‘natuurontwikkeling’ is gaan heten (red.).

Lees de pdf met In memoriam van Pieter A. Slim & Joop H.J. Schaminée, verschenen in Stratiotes nr. 54 (2019).

Link naar lijst met publicaties van Ger Londo.

Ger Londo, ca 2017

Hans op den Dries

(Eerder gepubliceerd als Mededeling nr. 296 van KNNV-Voorne)

Inleiding

De groene specht is een algemene broedvogel op Voorne-Putten en Rozenburg (VPR). Het is een duidelijk herkenbare en prachtige vogel. De KNNV afdeling Voorne heeft deze vogel voor 2018 uitgekozen als soort van het jaar. Daarmee werd beoogd een breder publiek in aanraking te brengen met deze fraaie specht en tegelijkertijd meer te weten te komen over de verspreiding van deze soort, zowel in de broedtijd als daarbuiten. Waarnemingen konden via een portal op de website van de afdeling worden doorgegeven, c.q. via een melding op Waarneming.nl. (Briggeman 2018). In dit artikel wordt verslag gedaan van de uitkomsten van dit project.

Alvorens op de uitkomsten in te gaan, wordt aandacht besteed aan de soorten spechten die er op ons eiland voorkomen, de kenmerken van de groene specht, zijn verspreidingsgebied in Europa en zijn biotoop in Nederland. Vervolgens wordt in gegaan op de aantalsontwikkeling in Nederland, en komen we toe aan het aantal broedterritoria op VPR en een beschouwing van de waargenomen trends. Tot slot gaan we nog kort in op de verspreiding van de soort in de winterperiode.

Soorten spechten op Voorne-Putten Rozenburg.
Wereldwijd bestaat de familie van de spechten uit 210 soorten.
Door de jaren heen hebben we op VPR vier soorten als broedvogel of mogelijke broedvogel gekend, namelijk de zwarte specht, de kleine bonte specht, de grote bonte specht en de groene specht.
Een vijfde soort, de draaihals, kan alleen als trekvogel worden genoteerd.
Voor de nabije toekomst, met het ouder worden van onze bossen, zou er misschien nog een vijfde broeder bij kunnen komen, de middelste bonte specht.

De groene specht en de grote bonte specht zijn daarentegen al jaren lang zeer stabiele broedvogels van VPR.
Van de grote bonte specht kunnen we zeggen dat het lijkt dat deze wel het meest vertegenwoordigd is in het gebied. Dat heeft er ook mee te maken dat het territorium van deze specht kleiner is, waardoor een hogere dichtheid mogelijk is. Praktisch elk biotoop met enkele bomen kan al een potentieel territorium betekenen. Zelfs slikgebieden met ruigte (zoals de Beningerslikken) behoren tot de mogelijkheden.

De groene specht tot slot doet het hier heel goed. Dat is niet alleen de laatste jaren het geval, maar ook in het verleden was onze omgeving in trek bij deze soort. Strenge winters zijn wel zijn ergste vijand.

Wat zijn nu eigenlijk de kenmerken van een groene specht?


Het formaat van snavel tot staartpunt is 30 tot 36 centimeter, vleugelspanwijdte rond de 45 tot 51 centimeter met een gemiddeld gewicht tussen de 150 tot 200 gram. Er is vrijwel geen verschil in lengte en gewicht tussen mannetjes en vrouwtjes.
Het is een kleurrijke vogel met hoofdzakelijk geelgroene kleuren op bovenzijde, met vooral op de stuit een grote gele okerachtige vlek en de staartveren ogen bijna zwart op de bovenzijde. Op de onderzijde zijn de buik en borst licht vuilgroen en is de onderzijde van de staart wit/zwart gestreept. Zeer opvallend is de grote dolkachtige snavel, de grote hoeveelheid rood op de bovenzijde van de kop en op de nek en het zwarte masker om de oogstreek tot op de snavelbasis. De man heeft in het zwart van de snor- en mondstreep een langgerekte rode vlek. Vooral bij het wegvliegen vallen de geelgroene kleuren op. Hij heeft een golvende vlucht, waarbij hij drie à vier vleugelslagen afwisselt met een korte glijvlucht met dichtgevouwen vleugels.

De aanwezigheid van de groene specht wordt kracht bijgezet door een scherpe, korte, luide, roep van meestal vier tonen (kjuk- kjuk-kjuk-kjuk) en wordt ook wel lachen genoemd.

Een zuivere roep, als kjuu, kjuu, kjuu (zo’n vijftien tot twintig keer achter elkaar in één “adem”), klinkt vaak tijdens het foerageren, hiermee bakent hij ook zijn territorium af. Daarentegen roffelt deze specht nauwelijks op bomen. Dit roffelen klinkt zacht, snel en onregelmatig, terwijl de meeste
andere spechten dat gedrag juist als territorium afbakening gebruiken.
Ze hebben, net als alle andere spechten, korte krachtige poten waarmee zij zich probleemloos, voornamelijk opwaarts, al zoekend naar insecten langs stammen bewegen. De tenen zijn twee aan twee gegroepeerd, twee staan naar voren en twee staan naar achteren gericht. Daarnaast heeft hij stevige staartpennen, deze zorgen er samen voor dat de specht goede grip heeft en zich stabiel tegen de boom vast kan klemmen.
Ze zijn bijna constant op zoek naar voedsel. Dat bestaat voornamelijk uit mieren, maar ook andere insecten en bessen. De mieren worden meestal op de grond gevangen, waarbij de vogel met krachtige sprongen rond hipt. Door met hun lange kleverige tong in spleten en gaten te gaan, kunnen zij insecten heel doeltreffend oppakken.

Aan de hand van een analyse op de uitwerpselen van de groene specht is gebleken dat er acht mierensoorten op het menu kunnen staan, waarvan de wegmieren en de gele weidemieren in de zomermaanden en de rode bosmieren in de wintermaanden het grootste aandeel hebben. Omdat ze in staat zijn de bosmiernestlocaties te onthouden, kunnen ze in de winter door de sneeuwgangen graven om de nesten alsnog te benaderen.
In de zomermaanden wordt het menu aangevuld met bessen en in de wintermaanden met overwinterende wantsen.

Verspreidingsgebied

Het verspreidingsgebied bevindt zich van Groot Brittannië in het westen, via het vasteland van Europa tot aan de Pyreneeën (niet Iberisch schiereiland), het zuiden van Scandinavië (Noorwegen en Zweden), een groot deel van zuidwestelijke Rusland, Georgië, Azerbeidzjan, tot de buitenranden (grens en kuststroken) van Iran en Turkije.

In Europa komen er naast de groene specht drie aanverwante soorten voor, namelijk de Levaillants specht, Iberische groene specht, en de grijskopspecht.
Met de eerste twee genoemde soorten zijn er uiterlijk weinig verschillen, maar het gebied van voorkomen sluit verwarring uit. Met de grijskopspecht zijn er uiterlijk wel verschillen, maar overlap in de gebieden kan voorkomen en zou dus verwarring kunnen veroorzaken. Vermeldenswaardig is de waarneming van een grijskopspecht op 31 maart 2014 op de Westplaat in Oostvoorne. De waarneming (waarnemer P. Soer) is aan de hand van een foto door het CDNA goedgekeurd.

Biotoop en broeden

Algemeen is bekend dat groene spechten bij voorkeur in kleinschalig cultuurlandschap, maar ook in parken, singels met oude bomen, hoogstamboomgaarden en loofbossen met open plekken broeden.
Broedterritoria kunnen 320-520 ha beslaan (Cramp 1985), echter hoeft dat niet het geval te zijn in gebieden als duinstroken en kleinschalig cultuurlandschap. Daar kan de bezetting rijker zijn.

Op VPR zijn een aantal van dit soort biotopen ruimschoots aanwezig, zoals het polderlandschap met boerenerven en veel grote bomen, wateringen omgeven door veel bosstroken (Bernisse), de duinen, diverse bospercelen en stadsplantsoenen, wat dan ook een goede basis is voor een gezonde populatie.

De groene specht bouwt zijn nest het liefst in bomen met relatief vrij uitzicht, in zelf uitgehakte holtes in oude bomen. Hij is daarbij weinig kieskeurig in boomsoort. Het nest is ongeveer 30 cm diep, het vlieggat is ovaal met een breedte van ongeveer 5 à 6 cm en een hoogte van 7,5 cm. Het bouwen van zo’n nest kan 3-4 weken in beslag nemen.
Door het vrouwtje worden 4-7 eieren gelegd welke in 14-16 dagen worden uitgebroed. Het broeden kan geschieden van eind april tot juni. Jaarlijks wordt één legsel uitgebroed en grootgebracht.
Na het uitvliegen blijft de familie 3-7 weken bij elkaar. Daarbij kan het zijn dat de man en vrouw de jongen verdelen.
De jonge vogels blijven in die periode dicht bij de ouders. Na ruim 100 dagen zoeken ze een eigen territorium. Dit ligt doorgaans binnen een straal van dertig kilometer van de plaats waar ze geboren zijn.

Vijanden

Het lijkt erop dat er maar weinig vijanden voor deze grote specht zijn, maar dat is natuurlijk niet helemaal waar. Naast dat enkele roofvogelsoorten, als sperwer en havik, het niet na zullen laten om bij gelegenheid een (jonge) groene specht te pakken, kan ook een boommarter een bedreiging vormen en kan ook de winter een rol van betekenis spelen. De boommarter is nog niet gesignaleerd op VPR, dus daar hoeven de spechten van VPR zich nog niet druk om te maken.

De winters zijn veel bedreigender. Bij koude winters met ook nog eens een dicht sneeuwdekmet bevroren onderlaag kunnen de groene spechten moeilijk voedsel vinden waardoor zo’n winter hun uiteindelijk fataal kan worden. Dit soort winters hebben we in de laatste jaren weinig gehad, waardoor het de soort redelijk goed is vergaan.
Tussen 1975 en 2000 verdween de groene specht uit veel grote, aaneengesloten bossen op de zandgronden. Tegelijkertijd nam hij sterk toe in lage delen van Nederland, maar dat kon de teruggang niet compenseren. Als geheel is er sinds 1990 sprake van een forse toename. Maar sneeuwrijke winters hakken er dus goed in bij deze vogel.

Bemesting en gebruik van pesticiden zorgen voor achteruitgang van de mieren, daarnaast zijn ook slechte weersomstandigheden als regen, sneeuw en ijs daar debet aan, wat dus voor een verslechterde voedselomstandigheid voor de groene specht zorgt.

Broedvogels

De hoogste dichtheid van groene spechten zien we in kleinschalig cultuurlandschap met veel oude bomen en in de duinen. Juist dat laatste ziet men ook terug op Voorne.
De groene specht heeft in de jaren zeventig een inzinking gekend in aantallen, door onder andere koude winters. Ook biotoopverslechtering door het binnendringen van meststoffen en pesticiden in het leefgebied van de groene specht kan hierbij een rol hebben gespeeld. Langzaam maar zeker is daar verandering in gekomen door nieuwe wetgeving. Daarna zijn ze weer flink in aantal toegenomen. De soort is in 2018 zelfs van de Rode Lijst afgevoerd (Kwak et al, 2018).

Als we de aantalsschattingen van Nederland uit de vier afgelopen Atlastellingen van Sovon nader bekijken zie we ruw weg het volgende:
– jaren zestig tot en met 1973: was de soort algemeen maar zijn er geen aantallen genoemd; – 1973 tot en met 1977: 6000-7500 paar;
– 1978 tot en met 1986: 3000-4500 paar. Vooral in de jaren 85 en 86 is het aantal broedparen in verband met de strenge winter sterk gedaald.
– 1998 tot en met 2000: 4500-5500 paar. Een lichte toename werd geconstateerd.
– 2013 tot en met 2015: 8000-9500 paar. Het aantal atlasblokken met waarschijnlijke of zekere broedgevallen nam in 1975-2015 met bijna 400 toe. Een uitbreiding met ruim 50%. De sterkste groei vond plaats vanaf 2000, vooral buiten de zandgronden. Dit werd bevorderd door de toename aan bos en singels. Uiteraard hebben ook milde winters hieraan bijgedragen.

Omdat het bij de Atlastellingen 2013-2015 (zie figuur 1 en 2) vooral om landelijke schattingen gaat, die weliswaar aan de hand van systematische vaktellingen zijn ontstaan, zijn er niet direct aantalsgegevens per gebied genoemd. Uit de in 1981 gepubliceerde Avifauna Randstad en Broedvogels blijkt dat het broedgebied in West- Nederland zich vrijwel tot de binnenduinrand beperkt De groene specht bewoont dan vooral de oude, parkachtige loofbossen, die op de binnenduinen zijn aangelegd. In bossen met veel open plekken en een gevarieerde beplanting kan de dichtheid hier hoog oplopen. De dichtheid in de bossen van Oostvoorne bedraagt dan 2 tot 4 paar per km2. Recreatiedruk blijkt niet van invloed op de broeddichtheid te zijn. Strenge winters beïnvloeden de dichtheid negatief. Als gevolg van de aanplant van loof- en naaldbossen bestaat de indruk dat de groene specht in de loop van de 20ste eeuw is toegenomen. (Vogelwerkgroep Avifauna West- Nederland, pagina 321).

Voor het hele duin- en kustgebied van Voorne spreken Marquenie en Velthuizen voor de periode medio 1970 tot begin jaren tachtig van 38 broedparen (Mededeling 30 van de VWG van de KNNV Voorne). Strypemonde kende in 1976 en 1977 6 territoria (Briggeman, 1976/1977).

Uit tellingen van Natuurmonumenten in een flink deel van Voornes Duin in 2015 bleek dat hier 15 territoria werden vastgesteld. Terwijl het in 2009 hier veel minder goed ging (6 territoria), en er in 2003 sprake was van 11 territoria. Daar waar sprake is van ouder wordend loofbos, zoals op Strypemonde, het oostelijk deel van het Breede Water en het Quackjeswater, is de toename in 2015 het sterkst geweest. Zoals ook al uit de resultaten van de Vogelatlas 2017 bleek, komt de groene specht nu op heel Voorne en Putten als broedvogel voor.

Uit ervaring kunnen we ook op basis van de bovengenoemde aantallenreeks uit de Sovon- atlassen stellen dat deze in verhouding ook van toepassing was op de ontwikkeling op VPR.

In de jaren zeventig broedde de groene specht nog niet op Goeree-Overflakkee. De opmars als broedvogel begin hier pas goed in de jaren negentig. Hun voedsel bestaat hier uit zwarte wegmieren, die het eiland hebben gekoloniseerd. Eerst op Goeree, en later op Overflakkee. Inmiddels broeden er in de buurt van bijna alle dorpen wel een of twee paar. Na de Watersnoodramp kwamen ook de bomen op een geschikte leeftijd om er te broeden. De soort broedt ook hier in binnenduinrandbossen, maar ook langs dijken en erfbeplantingen bij oude boerderijen (Breedveld et al, pagina 226). In de laatste Atlasperiode is de groene specht over het hele eiland als broedvogel in aantal toegenomen (Kolsters, pag. 370).

In het Soort van het Jaar project werd de groene specht alleen in een tijdsbestek van een jaar gemonitord. Het bleek lastig om daaruit conclusies te trekken. Echte broedgevallen (zichtwaarnemingen) zijn niet gedaan, wel zijn er roepende onvolwassen vogels gehoord en gezien.

Er zijn over het hele jaar door vele mensen groene spechten gemeld. Niet alleen op de speciaal aangemaakte link op onze website, maar ook op Waarneming.nl. Al deze waarnemingen zijn voor dit verslag bij elkaar gevoegd en aandachtig bekeken.
Voor dit verslag hebben wij ons beperkt tot alle waarneming binnen de door Sovon opgestelde datumgrenzen (1 maart t/m 31 mei). Uiteraard hebben we zo goed mogelijk getracht de regels voor het bepalen van territoria in acht te nemen. Het belangrijkste daarbij is dat er een fusie-afstand vastgesteld is van 1000 meter. Dat houdt in dat een territorium van de groene specht 1000 meter rond het nest bedraagt.
Nederland is onder meer opgedeeld in kilometer hokken. Dit is een handig hulpmiddel in ons project.
Aan de hand van deze hokken hebben wij er naar gestreefd zoveel mogelijk waarnemingen bij elkaar te voegen in de gestelde periode. Hierdoor denken wij een redelijk beeld te hebben gekregen van de dichtheid op VPR.
Het lijkt er op dat na de Atlastelling in de periode 2013-2015 de soort zich nog verder heeft uitgebreid. De teller bleef hangen op 77 territoria (zie figuur 3). Na overleg met een aantal plaatselijke vogelaars denken wij dat dit aantal aan de hoge kant lijkt, mede ook omdat in sommige gevallen een territorium groter zou kunnen zijn dan men zou vermoeden. Een dichtheid van 65-70 territoria doet recht aan de realiteit. Vooral de duinen en het kleinschalig landschap van Voorne (inclusief Rockanje en Oostvoorne) (20-23), de steden Brielle (5-6), Hellevoetsluis (6-8) en Spijkenisse/Hekelingen (8-11) en het Bernisse gebied (6-8) bevatten de beste locaties. Daarnaast zijn er her en der nog enkele losse locaties zoals de omgeving buiten Brielle (5), Quackgors (1), Nieuwenhoorn (1), Heenvliet, Polder Heenvliet e.o. (5), omgeving Polder Biert (2), Vierambachtenboezem (1), Beerenplaat (2) en Rozenburg (3).

Wintermaanden

De groene specht is een standvogel. De waarnemingen in de winter zijn beduidend minder. Dat heeft er zeker mee te maken dat ze minder luidruchtig zijn, waardoor ze minder opvallen. Tijdens diverse wintertellingen worden wel regelmatig groene spechten gemeld over heel VPR. Daarbij is het na een zekere periode (augustus) niet meer mogelijk de roep van de jonge vogels te onderscheiden van de oudervogels. Er kan dan ook slecht worden beoordeeld wat de dichtheid is in de winterperiode. Het is niet ondenkbaar dat jonge vogels doorvliegen naar andere aangrenzende delen buiten VPR. Ook op Goeree-Overflakkee is desoort standvogel, en wordt hij ’s-winters in toenemende mate gesignaleerd (Breedveld et al, pagina 226)..

Bescherming

De aantalsontwikkeling van groene spechten is niet altijd goed te verklaren. Bij de achteruitgang op zandgronden kan verslechtering van het voedselaanbod een rol spelen. Door stikstofdepositie ontstaat vergrassing en verruiging wat voor bepaalde mierensoorten nadelig is. Ander bosbeheer met minder kaalkap kan ook een rol spelen. Uit een recent gepubliceerde studie over de broedvogelontwikkeling in de Amsterdamse Wateringleidingduinen bleek dat in de periode 1985-2015 het verschijnen van de havik een negatieve invloed op de stand van de groene specht heeft gehad (van der Spek 2018). Ook op Voorne-Putten is in deze periode de havikstand aanzienlijk verbeterd. Dat heeft evenwel geen merkbare negatieve invloed gehad. Een verklaring voor dit opvallende verschil is niet direct te geven. Meer onderzoek naar deze soort is nodig om effectieve beschermingsmaatregelen te kunnen voorstellen. De aantallen groene spechten in geheel Nederland nemen de laatste twee decennia gestaag toe door het ontstaan van nieuwe leefgebieden in Laag-Nederland (parken, recreatiebossen). Sinds 2018 staat de soort niet meer op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels.

Dankwoord

Dank aan alle mensen die waarnemingen hebben ingediend en aan Peter Vermaas die als deze gegevens verzameld heeft, waardoor ik een zo goed mogelijk beeld kon schetsen (zie ook figuur 3).
Dank aan Theo Briggeman en Bert van Dijk die eerdere versies van een kritische blik hebben voorzien.

Geraadpleegde bronnen

Breedveld, S.J. et al (2004), Tussen Haringvliet en Grevelingen-Vogels van Goeree- Overflakkee. VNLGO. Middelharnis.
Briggeman, Th.M. (1976:1977), De vogels van Strypemonde in 1976/1977. NJN afdeling Voorne, Brielle.

Briggeman, Th. (2018), de groene specht: soort van het jaar 2018, In de Branding blz. 14-15. Cramp S. (1985), The Birds of the Western Palearctic. Oxford.
Hoekstein, M. (2015), Broedvogels van Voornes Duin in 2015. Het Zeeuws Alternatief, Goes. Kolsters, J. (2018) in: Vogelatlas van Nederland, Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. SOVON Vogelonderzoek Nederland. Pagina 370-371. Kosmos Uitgevers. Utrecht/Antwerpen.

Kwak, R., et al (2018). Bedreigde vogels in Nederland. Vogels van de Rode Lijst in hun leefgebied. KNNV Uitgeverij, Zeist.
Sovon Atlas van de Nederlandse vogels 1979-1983
Sovon Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000

Spek van der V. et al (2018), Dertig jaar broedvogelmonitoring in de Amsterdamse Waterleidingduinen, blz. 108-122. Limosa 91/3.
Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland (1981), Randstad en Broedvogels. Tilburg.https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/groene-specht-doet-het-goed https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/groene- specht

https://nl.wikipedia.org/wiki/Groene_specht http://nlmieren.nl/websitepages/GROENESPECHT.html
https://www.sovon.nl/nl/soort/8560
https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/groene-specht-en- mierenhttp://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/media/1114/Bestrijdingsmiddelen_en_waterkwaliteit.pdf

Het in het uiterste noordoosten van de duinen van Voorne gelegen Mildenburg is een klein landgoed van 40 hectare en in beheer bij het Zuidhollands Landschap. Het bijzondere is dat het voor Voorne relatief hoog is opgestoven en in de 19e eeuw is beplant waarvan nu fraaie beukenbossen op hellingen resteren. Een beeld dat alleen ook bekend is van nabij Haarlem en Schoorl. Door Karel Adriaanse van KNNV Voorne verscheen een mooi rapport over broedvogels waarin hij met enige slagen om de arm concludeert dat ten opzichte van de jaren 80 en rond 2001 sprake is van ernstige achteruitgang en ten opzichte van 2007 echter weer vooruitgang is te zien. Maar waarvan?

Bij bestudering van de overzichtstabel in bijgevoegde pdf valt op dat tussen 2019 en 40 jaar terug veel duinvogels verdwijnen (o.a. nachtegaal, sprinkhaanzanger, gekraagde roodstaart). Insecteneters als de fitis en grauwe vliegenvanger gingen (sterk) achteruit. Ook een soort van open duinranden met hoop opgaande bomen die het alleen op Goeree nog goed doet, de zeer bedreigde zomertortel, verdween. De ‘verbossing’ van Voorne komt in positieve zin tot uiting in vestiging van o.a. bosuil, zeer veel boomklevers, groene specht, appelvink en fluiter. Voor een typerend landgoedbos bepaald geen kwalijke ontwikkeling maar het zou goed zijn als open randzones met het Voornse duinen gehandhaafd kunnen blijven. Dat zou een boost geven aan de totale biodiversiteit. Verder: zou de vogelwerkgroep aantallen insecteneters van heel het duin van Voorne kunnen sommeren om te kijken of er een relatie is met dalende insecten stand?

Middenburg op haar fraaist; foto Henk Terhell

Uit 2017 dateert een eveneens fraai rapport over boomklevers van de hand van Theo Briggeman en Hans op den Dries. Mededeling 270 van KNNV Voorne. Dit plaatst de broedvogeltrend op Mildenburg t.a.v. een kenmerkende bossoort als boomklever in een breder perspectief van voortgaande bosontwikkeling aan de duinrand.

We citeren:

“Het aantal broedparen van de boomklever op Voorne is rond het jaar 2010 sterk gaan groeien. In het jaar 2016 werden er 50-55 territoria vastgesteld. Op Putten is het aantal niet groter dan twee territoria. Die ontwikkeling heeft vooral te maken met het ouder worden van de loofbossen, met name eiken- en beukenbossen. Dat brengt een groter wordend aanbod aan nestholtes met zich mee, alsmede een grotere hoeveelheid voedsel in de vorm van insecten. Ook het aantal goede mastjaren, waardoor er veel voedsel (eikels, beukennootjes) beschikbaar kwam, zal op deze ontwikkeling van invloed zijn geweest.”

Zie verder de inventarisatie in Middenburg, 2019

Het Oerdswater veranderde wel/niet door gaswinning of juist door andere zaken?? We citeren enige passages uit P. Slim et al (2019) waarvan bijgaand de pdf.

Het uitgebreide duincomplex het Oerd op Oost-Ameland is van oorsprong een apart eiland, en daarmee ouder dan haar omgeving. Hierin liggen enkele duinmeertjes: het Oerdswater. Het gebied wordt zeker vanaf de 19e eeuw traditioneel beweid met landbouwhuisdieren, tegenwoordig door ‘De Vennoot’, een boerenorganisatie op Ameland.

Samenvattend is er tussen 1935 en heden op de oevers successie opgetreden van een grazige vegetatie naar biezenvegetatie en rietmoeras en – op de iets drogere delen – naar struweel. De lagere oevers blijven in een rietmoerasstadium steken.

De belangrijkste factoren die de gesignaleerde veranderingen kunnen verklaren zijn de mate van beweiding met vee en konijnenbegrazing, waterstanden en eutrofiëring. In weerwil van de door de NAM voor het Oerdswater modelmatig berekende bodemdaling van 26 cm, is de op het maaiveld gemeten werkelijke daling tot 2013 in de afzonderlijke PQ’s beperkt tot 9-21 cm. Dit betekent dat tenminste een deel van de daling wordt gecompenseerd door bodemvorming. Uit langjarige grondwaterstandsgegevens blijkt hier geen sprake te zijn van een door daling veroorzaakte algehele vernatting. 

We kunnen niet anders dan concluderen dat hier op Oost-Ameland veranderingen in het multifunctionele landgebruik, konijnenstand en luchtvervuiling tezamen een grotere invloed op de vegetatie-ontwikkeling hebben dan bodemdaling door gaswinning.

P.A. Slim, J.A.M. Janssen & A.T. Kuiters (2019) Het Oerdswater op Ameland; 78 jaar na Braun- Blanquet revisited. Stratiotes nummer 54.

Zie ook de korte film die we over gaswinning en bodemdaling maakten: Experiment met de realiteit

Rapport L.Kuiters et al. (2017) Vegetatiedynamiek in duinen en duinvalleien op Oost-Ameland

Een drietal oude vegetatiebeschrijvingen uit 1962 zijn hier te vinden.

Twee foto’s uit 1962 van het destijds als overbegraasd beschouwde gebied.

1962


Tot ons plezier hebben we inmiddels (november 2019) bijna 3500 ex van Bloeiende duinen dat 2 maart 2019 verscheen verkocht. Dat was ook ons streven, maar je moet het altijd maar zien of het lukt. Er verschijnen jaarlijks erg veel magnifieke natuurboeken en iedereen maakt andere keuzes. Er zijn veel recensies verschenen, die je hier kunt vinden.

Komende lezingen/excursies

17 januari 2020, Egmond aan Zee, Hotel Zuiderduin: NIBI conferentie ZEE KUST KLAS. Van 11.00u/13.30 Bloeiende duinen: een reis langs telkens andere bulten zand; voor docenten VO;
20 februari 2020, Oostvoorne, Bezoekerscentrum Tenellaplas, 20.45u : Bloeiende duinen van Nederland en het belang van Voorne; zie KNNV-Voorne;
26 april Goedereede, Kwade Hoek, 12.00u: excursie ‘Voorjaarsbloemen en alle vogels’; max 20 personen. Voor medewerkers van het boek Bloeiende duinen; opgeven per mail aub.

Wil je een lezing of excursie, informeer dan naar de mogelijkheden!

Bloeiende Duinen in de media en bij natuurorganisaties

Waar de verkoop goed ging dankzij veel voorintekenaars en werkpartners, ging het met de publiciteit en de ‘free publicity’ minder. Vroege vogels en NRC kwamen op reportage, maar andere landelijke media als Trouw en de Volkskrant lieten het afweten. Van de landelijke en provinciale organisaties gaven Duinbehoud, het Zuid-Hollands Landschap en Landschap Noord-Holland het boek goede aandacht richting hun brede achterban. Hier wreekt zich dat Bloeiende Duinen een ruimere scope heeft dan een gebied van een terreinbeheerder, wat natuurlijk ook de kracht is van het boek. Maar hierdoor pikken niet alle clubs het op en reageren ze soms zelfs als een oester, bijvoorbeeld Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer landelijk. De marketing aldaar fixeert zich op de grote pr-projecten met postcodeloterij-gelden dan wel op overleven in de media. Dat scheelt ons kleine uitgevertjes natuurlijk aandacht en verspreiding. Gelukkig bleken sommige overheden en waterleidingbedrijven slagvaardiger dan menige natuurorganisatie en zagen het belang van dit boek, zoals provincie Zuid-Holland, Evides en de Gemeente Den Haag.
Daar komt nog bij dat veel bezoekerscentra tegenwoordig eerder renderende hebbedingetjes uitventen dan een mooi overzichtsboek. Zo ligt ons boek niet in een groot bezoekerscentrum als van Dunea in Meijendel, maar gelukkig wel in bezoekerscentra van Grevelingen, Oostvoorne, Overveen en Castricum.


Wie raadt waar dit is krijgt een boek!

Onder redactie van Theo Briggeman van de KNNV afdeling Voorne verscheen najaar 2019 het rapport ‘Natuur en landschap op Voorne en Putten in 2018‘.

Het bevat o.a. een artikel over een soort die alleen op Voorne te vinden is, de moerasgamander. Een link naar de pdf  van dit gedeelte treft u hier. Er lijkt een duidelijke afname van de soort t.o.v. de jaren ’90 en er wordt ingegaan op mogelijkheden voor herstel.

Moerasgamander uit de gelijknamige Gamandervallei nabij bezoekerscentrum Tenellaplas ruikt naar knoflook…