Duinen-en-mensen-punt-nl-met-payoff

Lezingen en doorkijkjes

Op drie zaterdagmiddagen van 15.00 tot 17.00u organiseren we korte lezingen over de duinen van Voorne, de natuur en de geschiedenis. De sprekers werken allen mee aan het boek Duinen en mensen Voorne dat in 2022 wordt geproduceerd. Met veel gelegenheid tot vragen en uitwisseling.

  • 23 oktober 15.00u
  • 6 november 15.00u
  • 13 november 15.00u

Locatie: De Man (Zeezaal), Burgemeester Letteweg 30, 3233 AG Oostvoorne.

Aanmelding is vereist. Mail naar Marianne op den Dries, KNNV. Eventuele updates over het programma (dit online bericht) worden toegezonden na aanmelding. Corona: voor de toegang is een gewone QR code vereist.

Voorlopige sprekerslijst (onder voorbehoud, per middag maximaal 2):

  • Bob Benschop: Een doorkijkje naar de recreatiegeschiedenis
  • Theo Briggeman: Elk jaar andere dagvlinders?
  • Rolf Roos: Nieuw zicht op oud landschap
  • Menno Schilthuizen: 40 jaar keveronderzoek op Voorne
  • Nico van der Wel: Duinbezit en duingebruik vanaf de middeleeuwen

Klik hier om in te tekenen op het boek ‘Duinen en mensen Voorne’ en voor meer informatie.

Organisatie: Natuurvereniging Hollandse delta i.s.m. Streekarchief Voorne-Putten en Uitgeverij Natuurmedia,

(Door: Rolf Roos)

Op de dag dat zijn overlijdensbericht werd bezorgd, ontving ik ook een laatste brief van hem. Deze bevatte een aantal artikelen over Voorne van o.a. J. Hofker uit 1935 over de periodiciteit van duinvorming op het eiland Voorne. Regels over de Brand(d)ijk in dit artikel waren nog onderstreept en van een vraagteken voorzien.

Nol Freijsen was tot het laatst betrokken en wilde zaken zo goed mogelijk overdragen. In zijn begeleidende brief staat behalve een ‘laatste groet’ de zin: ‘Misschien bruikbaar bij de voorbereiding van het Voorne boek’. Een man die de regie over zijn eigen leven wilde hebben en je nog het beste toewenste.

Ik heb Nol pas in zijn laatste levensjaar leren kennen. Hij was oud-onderzoeker (vanaf  1964) van het in 1995 opgeheven onderzoeksinstituut Weever’s duin. Zelf promoveerde hij in 1967 op het duizendguldenkruid dat ook zijn rouwkaart siert, schreef vele wetenschappelijke artikelen en was ook wetenschapshistoricus. Hij heeft zich na zijn pensioen ontwikkeld tot een gedegen historisch geograaf die de complete dijkgeschiedenis van Voorne-Putten in 2017 helder samenvatte in een bescheiden boekje: ‘Van Pietersdijk tot Wolvenpolder’. 

Omdat ik onder de indruk was van dit boek zocht ik contact met hem. We zouden dit voorjaar samen gaan fietsen langs al die oude dijkjes van de binnenduinrand, zodat ik al werkende meer begrip zou krijgen voor zowel het ingenieuze werk van de vroegste waterschapjes als de rol van de duinen waaraan deze dijkjes (‘dijkjes’ was geen goed woord volgens Nol, het waren echt ‘dijken’) soms waren aangehecht.  Fietsen bleek hem inmiddels te zwaar door een opkomende verlamming van zijn benen en zo zijn we twee keer per auto langs de high-lights van de binnenduinrand gereden. Een inhoudelijke neerslag staat online in de gezamenlijk beschreven fietsroute: van Quackgors tot Stenen Baak, langs middeleeuwse dijken aan de binnenduinrand.

Ik toon twee foto’s van Nol onderweg.

De eerste is Nol bij het bordje ‘Schenkeldijk’, gelegen tussen Quackjeswater en Hellevoetsluis.  Hij heeft me net uitgelegd dat de dijk waarop we staan niet de Schenkeldijk is maar de Duindijk (de zuidzijde van de oude polder de Quack) en dat deze Duindijk net op de achtergrond naar links overgaat in de echte Schenkeldijk: een korte zgn. schakel = schenkel tussen Duindijk en de Zuiddijk. Dit korte dijkfragment werd aangelegd om de Sint Cornelispolder in tweeën te delen om zo het westelijke gedeelte ervan (wat sindsdien Polder De Quack is gaan heten) te redden. Het oostelijke gedeelte werd polder Weergors en moet worden opgegeven. Toen de zeedijk bewesten Hellevoetsluis het begaf ontstond een nieuwe gors, een kwelder: het huidige Quackgorsgebied. Vroeger een verlies aan land, nu te zien als natuurontwikkeling. Zoals zo vaak in de geschiedenis komen bordjes regelmatig verkeerd te hangen en Nol was een man die dat graag nog gecorrigeerd zou zien voor de Schenkeldijk.

Op een tweede foto kijkt Nol uit over het landschap tussen Noorddijk en Pietersdijk, een van de gaafste hoekjes bewaard landschap in de overgang tussen duin en polder. Op de panoramafoto het fietspad en autoweg langs de Noorddijk ter hoogte van de samenkomst met de Heerzijnweg die vroeger rechtdoorliep langs de meidoornhaag rechts van het midden. De Pietersdijk is herkenbaar als laagste bomenrij op de horizon, waar rond de oorlog dennen geplant zijn aan de rand van het landgoed Strypemonde.

We gedenken Nol, overleden 24 augustus 2021

Enkele publicaties (deels als pdf of online beschikbaar)

Nol Freijsen, 1999. Weever’s Duin als Oecologisch Instituut. Uitg. Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek. (Een geschiedenis van Weever’s duin met daarin een bibliografie van publicaties, inclusief het biologische werk van Nol).

(Historische geografie)

Freijsen, Nol. 2010 De oude kreek Strype op Voorne: van getijdenkreek naar watering en terug. Historisch geografisch tijdschrift. Jaargang 28 nr. 2, p68-77.

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2014 Een nieuwe kijk op het ontstaan van Brielle 24-2: 8-21

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2016 De vuurbakens van de Brielse Maasmond van 1280 tot 1630 26-2 (9-25)

Freijsen, Nol 2017 Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Freijsen, Nol. 2018 Vuurtorenlichten in het Voornse Duin en op de Sint-Catharijnekerk in Brielle, in de periode 1758-1891 28-1 (2018) 39-49

Online Drie voorstudies voor het boek Duinen en mensen Voorne

(2021)

Oude veldnamen in de Voorne duinen (1): Olaertsduin, Windgat en Opdam

Oude veldnamen in de Voornse duinen (2): Brandijk of Branddijk

Oude veldnamen in de Voornse duinen (3): Grote Creeck of Achter-Strype

In dit bericht staan links naar al onze routes. De gpx-bestanden van de getoonde routes zijn gratis downloadbaar; beschrijvingen staan online en achtergronden staan in onze boeken: Duinen en mensen Voorne (over natuur en cultuur van de duinen op Voorne) en Bloeiende duinen (over de hoogtepunten van onze duinflora). Over een aantal routes is ook informatie bij onze partners te vinden <plus links naar de exacte plek>.

Duinenenmensen-routes

De routes gaan over natuur en cultuur, over toen en nu, speciaal ontwikkeld bij het boek Duinen en mensen Voorne.

Reacties en aanvullingen zijn welkom want de routes zijn in ontwikkeling!

Fietsroute: van Quackgors tot Stenen Baak, langs middeleeuwse dijken aan de binnenduinrand

Rondje Breede water

Route Waterbos Zwarte Hoogte

Wandelroute Kruiningergors

De grote ommeloop van duinen van Oostvoorne (in ontwikkeling)

Kustroute (in voorbereiding)

Bloeiende duinen- routes

(hotspots met 10 kenmerkende bloemen per route, ontwikkeld bij het boek Bloeiende duinen)

Zie de kaart met alle routes en zoom in op Voorne.

 Ook Kees de Kraker (70) gaat met pensioen. Als vogelwachter en natuurkenner (geen plant ontgaat hem) maakte hij magnifieke verslagen van de natuurgebieden in en rond de Grevelingen. In tegenstelling tot veel rapporten die in de bureaulade van natuurorganisaties blijven liggen of geheim zijn, maakt Kees ze steeds openbaar, zodat velen mee kunnen genieten en begrijpen waarom dit gebied van zeer groot belang is. We citeren zijn begeleidende brief en geven onderaan enkele links naar zijn werk. De uitstekende natuurkenner George Tanis uit Ouddorp volgt Kees op. We hopen in de toekomst op vergelijkbare doorkijkjes in natuur en beheer in de Grevelingen. We citeren enkele passages uit de brief van Kees.

” Bijgaand de jaarlijkse rapportage van mijn onderzoek in de Grevelingen dat in opdracht van Staatsbosbeheer wordt verricht. Middels jaarlijkse rapportage waarbij de voorgeschiedenis wordt meegenomen, krijgt men een beeld welke kant het uitgaat met de natuur in de Grevelingen. Op basis van het verrichte onderzoek worden aanbevelingen gedaan voor het beheer. (…) 2021 is het laatste jaar waarover ik verslag zal doen. Zeventig geworden en zo nu en dan gezondheidsproblemen, voor mij reden om een punt te zetten achter mijn geregelde activiteiten in de Grevelingen. Vooral het opstellen van het jaarlijkse verslag kost mij steeds meer tijd, er is duidelijk een vertragingsfactor in geslopen, zand in de machine! Hopelijk geldt dat niet voor het verslag over 2021.  “

” Ieder jaar heeft zijn verrassingen en sommige ontwikkelingen zijn spectaculair om te volgen. Andere zaken verlopen teleurstellend. Weersinvloeden, zoals een stormachtige wind, bijzonder natte omstandigheden of langdurige droogte laten hun sporen na.  Sinds 2017 is er geen vestiging van Grote Sterns in de Grevelingen en neemt de populatie Groenknolorchis sterk af. Dit laatste gaat wellicht niet toevallig samen met drie droge jaren, waarvan 2020 een extreem voorbeeld was. Met de Noordse woelmuis gaat het ook niet erg goed, wel opvallend dat de soort nog steeds aanwezig is op de kleine recreatie-eilandjes. Van de kustbroedvogels vestigden zich weer heel wat Kluten, Dwergsterns en Strandplevieren op Markenje, maar het broedsucces was daar bijzonder laag.”

“Ondanks dat er met gericht beheer veel te bereiken valt, laat de natuur zich niet dwingen. Maar hoe meer je er van weet, des te beter begrijp je waarom dieren bepaalde keuzes maken of plantensoorten komen en gaan. In de jaarlijkse verslagen wordt er naar gestreefd om de ontwikkelingen helder en overzichtelijk weer te geven. Ook foto’s zijn altijd een belangrijk onderdeel van het verslag. Waardering voor de natuur gaat gepaard met genieten van de schoonheid er van. “

“Voor de beheerder zijn de voor het gebied geformuleerde instandhoudingsdoelen een belangrijke opgave die nagestreefd wordt. Noodzaak tot het nemen van maatregelen of weren van negatieve ontwikkelingen, horen daarbij. Continuïteit in beheer, met oog voor de ontwikkelingen en een lange termijnvisie zijn belangrijke zaken.”

Grevelingenverslag 2019

Grevelingenverslag 2020

Grevelingenverslag 2021 (in voorbereiding succes Kees!)

Meer verhalen over Kees de Kraker of Grevelingen op deze site:

Harlekijnen op de Hompelvoet, 2020

Geen plafond aan aantallen herfstschroeforchis? (2017)

Herfstschroeforchis op de Hompelvoet in 2016 

Berichten van Hompelvoet

De geur van herfstschroeforchis (reportage)

Duinvalleieilanden of: Hollands vulkanisme

Is dit teveel informatie? Geen nood: een beeldende samenvatting van de hand van Kees de Kraker staat in het boek Bloeiende duinen.

Door: Frans Beekman

Bijna 65 jaar geleden ging ik midden oktober mee met district 6 Den Haag van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) naar het vogeltrekweekend op Voorne. De middelbare scholen hadden toen op zaterdagmorgen nog les en we verzamelden pas om 14.15 uur op de hoek van de Laan van Meerdervoort en de Pioenweg, brood voor drie maaltijden mee. We fietsten met ruim twintig mensen naar Maassluis en namen de pont naar Rozenburg. Vanaf dit eiland met de volgende pont naar Voorne en dan via Oostvoorne en Rockanje naar de kampeerboerderij van de heer Van Solingen aan de Duindijk vlakbij het Quackjeswater.

Topografische kaart Den Haag – Voorne ca 1950 met een ‘Maasvlakte’ als ondiepe zee voor het natuurgebied De Beer.

We sliepen in onze slaapzak op het stro in kippenschuren, meisjes keurig gescheiden van de jongens. Na het opeten van de eerste boterhammen met thee, amuseerden we ons met het volksdansen (‘hupsen’) en zingen begeleid door gitaar of blokfluit. Later op de avond was er warme chocola. Ik moet bekennen dat we op een nachtelijke wandeling eens een trosje druiven uit een kas meenamen.

De volgende morgen moesten we voor zonsopgang op de telposten staan die bepaald waren door Peter Nijhoff, de latere directeur van de Stichting Natuur en Milieu. Het ging om de trek van spreeuwen en vinken die over bebost (veilig) landschap vlogen. Waar staken de trekvogels het Haringvliet over? Tegenwoordig vliegen de vogels veelal langs de Deltadammen. Nodig waren kijker, kompas, horloge en opschrijfboekje. Dit onderzoek naar de gestuwde trek werd toen ook in Den Haag gedaan. Het bleek dat de vogels de groene gebieden in de stad volgden en de zee vermeden. Al in de jaren dertig was dit bestudeerd door Luuk Tinbergen en zijn NJN-vrienden. Hij schreef later het charmante boekje ‘Vogels onderweg’ (1949, 3e druk 1967).

Ook herinner ik mij de kronkelige dijken met knotwilgen waar vaak een steenuil in zat. In die jaren had je geen outdoor kleding. In de dump kocht je een militaire jas van groene kunststof, die makkelijk scheurde (‘gasjas’). Ook snel drogende spijkerbroeken waren er niet, maar zwarte kaplaarzen wel. De rest van de zondag werd besteed aan het bekijken en determineren van vogels, planten en paddenstoelen in de duinen en bossen op Voorne.

Aan het begin van de middag werd de tocht naar huis aanvaard. Er was een korte stop bij ijssalon Klok in Oostvoorne. Via de dam in de Brielsche Maas (1950) fietsten we over de betonweg in de nieuwe Krimpolder (1943) achter De Beer naar de steiger van het veerbootje van Ary Prins dat naar de Berghaven in Hoek van Holland voer. Aan de ponten waren we meer geld kwijt (tot 90 cent) dan aan de kosten van het verblijf (75 cent). Hoewel we al aardig vermoeid waren, moesten we door het Westland langs ’s-Gravenzande en Monster nog terug naar Den Haag op onze bepakte fietsen zonder versnellingen. Op maandag begon de nieuwe schoolweek, maar de meegemaakte jeugdbondsfeer en de natuurervaringen zaten dan nog in je hoofd.

NJN’ers uit Den Haag op de steiger De Beer wachtend om over te varen naar Hoek van Holland (13 oktober 1957). Links Peter Rosseel spelend op zijn sopraan blokfluit,  in 1958 werd hij bondsvoorzitter van de NJN. Het meisje voor hem is Carla Kuit, later enige tijd getrouwd geweest met Roel van Duijn. Frans Beekman geheel rechts met bungelende benen. Foto Herman Nijhoff. 

Tekst: Rolf Roos m.m.v. Nol Freijsen (overleden 2021) en Natuurvereniging Hollandse delta

Zie voor een compleet verhaal over de dijken aan de binnenduinrand het boek Duinen en mensen Voorne.

Gevraagd ter aanvulling: concrete natuurwaarnemingen (flora en fauna bij div. dijkfragmenten); zet deze aub onder dit bericht met nummer of naam van dijkfragment of mail tekst plus foto; deze tekst wordt later verwerkt in het geheel; zie voorbeeld bij de Schapengorse dijk, waar bedreigde bloemen groeien.

Legenda

blauw= de route

rood: vergraven of verdwenen

geel: overstoven met duinzand

groen: aan het oog onttrokken maar bovengronds terug te zien, in bos gelegen

olijfgroen: gedeelte waar nooit een dijkje was, wel zeereep, duin en weg over de Heveringen

1. Zuiddijk: Zuidzijde van de Quackpolder

Open landschap met aan de zijde van het Haringvliet de Quackgors, een opgegeven polder die vroeger Weergors heette. De Quackgors was eeuwenlang zout maar is na 1961, na aanleg van de Haringvlietsluizen, verzoet.

2. Quackgors en Schenkeldijk

Schenkel = korte schakel, in dit geval tussen de Zuiddijk en de Duindijk. De weg parallel aan het Haringvliet (de Duindijk) is per abuis ook Schenkeldijk genoemd en zelfs het bordje hangt verkeerd. Pas verderop heet het pas ‘Duinweg’ en zelfs ‘Duinpan’, terwijl de correcte naam ‘Duindijk’ pas vlak voor het Quackjeswater opduikt.

Dit korte dijkfragment werd aangelegd om de Sint Cornelispolder in tweeën te delen om zo het westelijke gedeelte ervan (wat sindsdien Polder De Quack is gaan heten) te redden. Het oostelijke gedeelte werd polder Weergors en moet worden opgegeven. Toen de zeedijk bewesten Hellevoetsluis het begaf ontstond een nieuwe gors, een kwelder: het huidige Quackgorsgebied. Vroeger een verlies aan land, nu te zien als natuurontwikkeling. Zoals zo vaak in de geschiedenis komen bordjes regelmatig verkeerd te hangen en Nol was een man die dat graag nog gecorrigeerd zou zien voor de Schenkeldijk.

Nol Freijsen, juli 2021, wijst op foute naam van de weg vlak voor de Quackgors begint; er is te zien dat de Duindijk net op de achtergrond naar links overgaat in de echte Schenkeldijk: een korte schakel tussen Duindijk en de Zuiddijk. Daarachter ligt weer de Quackgors.

3. Duinweg/Duindijk

De Duinweg begint op de kruising met de Schenkeldijk en de oude strandslag, om daarna in en onder het duinlandschap te verdwijnen. De overstuiving is van na de 17e eeuw. Pas vlak voor de Dammenweg/N57 (van 1961) komt hij met een lichte golving weer even tevoorschijn, daarna verdwijnt hij in het  uit 1961 daterende tunnelwerk onder de N57 door.

De dijk is de zuidzijde van de Quackpolder De naam van deze polder was er eeuwen eerder dan het buitendijks gelegen Quackjeswater, dat er van is afgeleid.

4. Schapengorse dijk (15e-eeuws) en Walinxput 

De dijk vormt de zuidelijke begrenzing van de 15e-eeuwse Sint Annapolder.

In 1512 zorgde het Haringvliet (dat in de 13e eeuw ontstond) voor de doorbraak van de nog jonge Schapengorse dijk. Oude namen voor twee doorbraakplaatsen zijn Luerisput en Walinkxput. Deze doorbraken gebeurden op twee dicht bijeen liggende plaatsen. De twee vingerlingen herinneren hieraan. De ene heeft de gebruikelijke halfronde vorm, de andere bestaat uit twee bochten met een inkeping ertussen.

Natuur langs deze dijk

Vroeger en nu maaide men het gras van de dijk. De laatste jaren laat de beheerder stukjes gras ook langer staan, tot voor bij juni, en zo ontstaan er weer kleurrijke weitjes langs de dijk met kattendoorn en gewone agrimonie. Twee bedreigde soorten die zich weer snel laten zien als de messen van de maaimachines maar wat later het gras komen afsnijden.

Kattendoorn aan de voet van Schapengorse dijk

5. Duinzoom Rockanje = Polderdijk Oud-Rockanje

Langs de veelgebruikte wandel- en fietsroute ligt de oude dijk onder het zand; deze was getuige oude kaarten al in 1608 gedeeltelijk overstoven; ook het noorden werd later overzandt. Op het particuliere landgoed is de dijk nog goed te zien, en ook dat hij uit klei bestaat. De eigenaren hebben bij aankoop de ‘erfdienstbaarheid’ (verplichting) gekregen dat de verscholen kleidijk niet mag worden vergraven.

6. Duinrand Rockanje, een verdwenen Heyndijk

Op de kaart van Kouter uit 1608 is aan de rand van Stuyfakker nog een dijkgedeelte zichtbaar inclusief doorbraakplekken, maar vanaf de 17e eeuw is de dijk grotendeels overstoven. Een klein fragment met wandelpaadje erop is zichtbaar langs de Duinrand nabij Badhotel Rockanje, ten zuiden van de kruising met de Tweede Slag. <foto>

Bij de entree van Camping Waterbos ligt een grote poel die mogelijk een restant is van een oude doorbraak in de hier aan het zicht onttrokken Heyndijk (vergraven, overstoven?). Op het kampeerterrein is de eens min of meer rechtdoor lopende dijk verdwenen;het doorgaande fietspad verscheen met een lus aan de buitenzijde om dan voorbij het Kreekpad via de Waterbosweg weer aan te sluiten op de goed herkenbare Noorddijk. 

7. Noorddijk- 1 bij de Heerzijnweg

De Noorddijk was gezien vanaf Rockanje een tijdlang de meest noordelijke dijk, totdat rond 1571 noordwestelijk de Pietersdijk werd aangelegd tussen de lage duinen. 

Bij de Heerzijnweg is de Noorddijk te beklimmen. We kijken vanaf een fijn picknickbankje richting zee en zien bloemrijke weides en bosschages waar tegenwoordig wespendief en buizerd en vroeger de  wielewaal zich schuilhouden. De 15e-eeuwse Noorddijk gaat vanaf de Heerzijnweg van fietspad weer over in autostraat. Zowel ten zuiden als ten noorden van dit uitkijkpunt zijn in de dijk bochten zichtbaar: restanten van doorbraken tijdens vooral de Allerheiligenvloed uit 1570 en later gedicht met vingerlingen.

De korte Heerzijnweg die hier loodrecht op de Noorddijk staat is een klein monument: een privéweg uit eind 16e eeuw. Maar vanwaar de naam? Van welke heer was dit zijn weg? Zie verder het boek: Duinen en mensen Voorne

8. Noorddijk-1 (Rockanje) bij Schaapskooi en Heveringen

Aan het einde gaat de Noorddijk met een scherpe bocht (wellicht het gevolg van een doorbraak?) duinwaarts en verdwijnt dan in het groen van het net voor de oorlog aangelegde landgoed Strypemonde. Het fietspad zelf ligt dan weer even in de polder en dat is goed te zien: de weg daalt eerst ongeveer een meter en stijgt daarna weer richting Windgatse weg. Die vormt de zuidelijke grens van de Heveringen, het oude uit de vroege middeleeuwen daterende, lage en deels vergraven duinlandschap, van waaruit veel dijkaanleg is begonnen.

9. Noorddijk-2 (Oostvoorne): slaperdijk bij de verdwenen koepel Zeeburgh.

Je fietst er in een oogwenk overheen en daarna onderlangs dus let even op en beklim de dijk. Pas in 2021 kwam co-auteur Nol Freijsen er achter dat dit deel van de Noorddijk een slaperdijk was. De eerste verdedigingslinie tegen de zee was de ‘bijbehorende’ wakerdijk, die in de 16e eeuw al deels was overgegaan in het duin om in de nieuwe tijd te verdwijnen bij de aanleg van de Boulevard en later van wegen en bruggen richting de Maasvlakte.

10. Heyndyk-2, ook bekend als Oostvoornse Heerdijk

De Heyndijk doet in schoonheid niet onder voor de Schapengorsedijk. Een mooie lange dijk (waarschijnlijk 15e-eeuws en opgehoogd in 1561) langs het voormalige Kruininger Gors. Eens was dit gors( een kwelder) met wat lage duintjes die de zee en Maas lange tijd op afstand hielden, nu is het een recreatieterrein. De dijkvegetatie is rijkelijk maar wordt vaak te vroeg gemaaid. Een bijzondere boterbloem die hier voorkomt is de behaarde boterbloem. Ook in natuurgebiedje de Ommeloop, vlak onder de Stenenbaak staan enkele zoutminnende planten als echo van het zilte verleden van de Maasmonding.

Opvallend is het ontbreken van doorbraakkolken in de dijk. Op de kruising van de Heyndijk en de Bollaarsdijk heb je goed zicht op de oude vaart van Oostvoorne naar Brielle, die in de middeleeuwen transport over water mogelijk maakte van Brielle naar de Burcht van Oostvoorne. De Bollaarsdijk stamt uit ca 1260 en verbond de duinen van het Kruininger Gors met Brielle. Wie na een bezoek aan de Stenen Baak de mooie route over de Bollaarsdijk naar Brielle neemt, komt halverwege een restant van een grote doorbraak tegen die aan de zuidzijde met een halfronde vingerling is gedicht. Voor wie het landschap leest is dit heel opvallend. Blijkbaar kwam de zee destijds uit zuidelijke richting na te zijn binnengedrongen via het Kruininger Gors, dat matige bescherming bood voordat de Heyndijk na het jaar 1500 hier lag. Ook het merkwaardige fenomeen dat de afgegraven Bollaarsdijk aan beide zijden even steil en zwaar is (en niet minder steil aan de zeezijde zoals gebruikelijk), wijst er op dat ten tijde van de dijkaanleg men rekende op hoog water van alle kanten.

Nol Freijsen over de Heindijk (2) als noordelijke begrenzing van de polders Oosterland:

“ Aanvankelijk hadden de polders Oosterland geen sluiting aan de westkant althans niet in de vorm van een dijk. Beschutting werd daar geboden door het duingebied aan de monding van de Maas. Ook de andere oude polders die tegen de duinen eindigden, maakten van die duinen gebruik als sluitdeur en waren niet afgerond met een dijk. In de loop van de tijd is de Maasmond in zuidelijke richting gaan verschuiven met funeste gevolgen voor het eiland Voorne. Zijn noordwestelijke kust werd opgevreten door het rivierwater en zo verminderde de omvang en sterkte van het duin- en gorzengebied op die plaats. Het verloor zijn beschermende functie en als gevolg daarvan ontstond de behoefte aan een westdijk voor de polders Oosterland. Het is de oorsprong van de Heyndijk tussen de polders en het tegenwoordige Kruiningergors, het recreatiekamp. De aftakeling van de kustverdediging ging verder, zodat in 1561 een ophoging van de Heindijk en verdere maatregelen nodig waren om het zeewater daar te weerstaan. Deze ophoging maakt duidelijk dat de Heindijk vóór 1561 eerder dan dat jaar, laten we zeggen in de 15e eeuw, is aangelegd. Een bijzonderheid die hier nog vermeld dient te worden, is dat zowel de Noorddijk als Heindijk met zand zijn opgebouwd en dat is een abnormaal verschijnsel op de eilanden Voorne en Putten, waar de polderdijken van klei zijn opgebouwd.”

11. Stenen Baak

De Stenen Baak was vanaf 1630 het baken bij uitstek in de Maasmonding en onmisbaar voor de scheepvaart op Maas en Noordzee. Er waren voorgangers, waarschijnlijk van hout, vanaf de vroege bloeiperiode van Den Briel vanaf 1280. Voor de Stenen Baak ligt een schans met enkele kanonnen om de Maasmonding te bewaken en een kogeloven voor de aanmaak van hete projectielen om vijandelijke schepen in brand kunnen te schieten. Een beklimming van de toren is de moeite waard. Wat resteert er van het eens zoute open landschap?

Literatuur 

Freijsen, Nol,  2017. Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2016. De vuurbakens van de Brielse Maasmond van 1280 tot 1630. De Brielse Mare 26-2 (9-25).

Door: Marten Annema, Bert de Boer en Rolf Roos

Klimaatmodellen voorspellen, afhankelijk van het gevolgde scenario,  een mogelijke toename van sommige soorten orchideeën waaronder de poppenorchis (Evans et al, 2020). In het Nederlandse duingebied zijn enkele aanwijzingen die deze voorspelling ondersteunen. We beschrijven de vondsten op Goeree (vanaf 2015) en Schoorl (vanaf 2016). Vanwege de kwetsbaarheid zijn locatie-aanduidingen vaag gehouden.

Poppenorchis op Goeree

In 2015 werd door de eerste auteur in een  geplagde, kalkrijke, humusarme duinvallei, op de grens van vochtig naar droog, in het waterwingebied van Evides in de Oost- en Middelduinen een poppenorchis gevonden. 

De eerste poppenorchis op Goeree in 2015 met rechtsonder ook
zichtbaar het blad van wondklaver

Vijftien jaar na het plaggen is deze soort verschenen en is nooit eerder gevonden op Goeree-Overflakkee. In 2015 stond er één exemplaar, waarna hij in de volgende jaren soms wel, soms niet verscheen, maar in 2020 stonden er ineens 9 (waarvan 5 in bloei) op drie locaties elk ongeveer 20 meter uit elkaar. Van elke locatie is een vegetatieopname gemaakt (zie tabel). In 2021 stonden er 7 (waarvan 3 in bloei) op de oorspronkelijke locatie, daarbuiten geen. De bloeiende exemplaren zijn maximaal 30 centimeter hoog.

De vallei is in 2000 geplagd tot op de minerale bodem (dikte verwijderde humuslaag gemiddeld 15 centimeter), wordt niet beweidt, maar gemiddeld eens per twee jaar gemaaid. Voor het plaggen bestond de vegetatie uit voedselrijk grasland en hoog vlierstruweel. Op de groeiplaatsen van de poppenorchis is in de vegetatieopnames te zien dat het gaat om deels open, droog en kalkrijk duingrasland met o.a. fakkelgras, zachte haver en wondklaver, te typeren als de plantengemeenschap van wondklaver en nachtsilene die we vaker aantreffen nabij zeedorpen (Anthyllido-Silenetum). Het voorkomen van rietorchis en zeegroene zegge in de opnames duidt op de vochtige component van de bodem. De groeiplaats oogt natuurlijk.

Poppenorchis, Goeree 2021 met o.a. zachte haver en wondklaver

Onder het huidige klimaat en beheer van incidenteel maaien blijkt de soort zich over meerdere jaren te handhaven. Er wordt echter gemaaid met de maai-zuig combinatie, die maait tot direct op de bodem. De kiemplanten zijn dan kwetsbaar voor vraat- en vorstbeschadiging en de volgroeide planten blijven vrij laag. Het is wellicht beter de begroeiing wat hoger en dichter te laten, mits niet te hoog en dicht. De kiemplanten zijn dan beter beschermd.

Poppenorchis in Schoorl

Een grote duinbrand in de zomer van 2014, veranderde een deel van het dennenbos en de  heidevelden in een kale vlakte. Met zwaar materiaal moest de brandweer over de fietspaden, gemaakt van schelpengruis, rijden om de brand onder controle te kunnen krijgen. Hierdoor werden veel  fietspaden zwaar beschadigd. Bij het herstel, vanaf 2015, zijn de meeste fietspaden veranderd in onderhoudsvrije betonpaden, waardoor de bereikbaarheid voor de brandweer sterk verbeterde.  De oude schelpenpaden werden daarbij deels afgegraven om een betonbaktechniek mogelijk te maken, waarbij het kalkrijke schelpmateriaal werd verspreid aan weerszijden van het vernieuwde pad.

Vindplaats langs fietspad van beton, 2021

Hoewel het Schoorlse duingebied van nature kalkarm is, ontstond er hierdoor een smalle zone met kalkrijk materiaal.  Door deze “kalkverrijking” groeiden er in de jaren daarna duidelijk meer kalkminnende planten dan in de periode daarvoor. Zo groeiden  er in de eerste jaren na de aanpassing van het fietspad tussen Bergen aan Zee en Bergen, een smalle groeizone met veel duinwespenorchissen. Na 2 jaren verdwenen deze weer om plaats te maken voor de brede wespenorchis. Langs zo’n fietspad werd door de tweede auteur in 2016 1 exemplaar van de poppenorchis en, door anderen, enkele exemplaren van het hondskruid gevonden. In de jaren daarna werden geen exemplaren meer van de poppenorchis gevonden, mogelijk als gevolg van een eenmalig en vrij rigide maaibeheer en egalisering van de stroken langs het vernieuwde fietspad.

Tot ieders verrassing, bleek dat er in 2021, na een lange koude en natte periode, opnieuw poppenorchissen verschenen. Dit keer telde de tweede auteur 17 bloeiende exemplaren. Alle in de smalle zone langs het fietspad op ca 1 tot 3 meter afstand van de weg over ongeveer 20 meter verspreid. De lengte van de orchissen varieerde tussen de 7 en 34 cm. Deze exemplaren werden vergezeld door planten als oranje havikskruid, smalle weegbree,  gewone agrimonie, reigersbek, pitrus  en veel vlinderbloemigen: gewone rolklaver, rode, liggende  en kleine klaver. In de moslaag stond opvallend veel bronsmos.

Poppenorchis, Schoorl 2021 met o.a. smalle weegbree en bronsmos

Inmiddels is het gebied hersteld van de duinbranden; alleen enkele zwart geblakerde boomstammen in het heideveld resteren. Mogelijk is de poppenorchis in dit gebied een blijvertje, hoewel het door de uiterst kwetsbare plek (smalle strook en veel passanten), dit bepaald geen garantie is. 

Overigens blijkt uit oudere publicatie in De Levende Natuur (Ram & Sipkes, 1971) dat de soort vaker opduikt in het kalkrijke duin en ook (destijds) gebonden was aan de randen van paden, iets wat niet geldt voor de nieuwe populatie op Goeree.

We kunnen concluderen dat de op basis van modellen gedane voorspelling door Evans et. al (2020) voor de populatie poppenorchissen in ons land blijkt te kloppen.

Meer meldingen van deze soort? Laat het ons weten of reageer onder dit bericht. Houdt locatiegegevens aub vaag.

Lit.

Alexandra Evans , Sam Janssens & Hans Jacquemyn, 2020: Impact of Climate Change on the Distribution of Four Closely Related Orchis (Orchidaceae) Species.  Diversity 2020, 12, 312 

R.Ram & C. Sipkes. 1971 Tijdelijke groeiplaatsen van de Poppenorchis op 
Voorne in relatie tot de konijnenstand in 1960-’70. De Levende Natuur 71: 160_163

Jos Lap heeft de opzichter van Voornes Duin Jaap van Baarsen – hij overleed in 2001 op 46-jarige leeftijd – goed gekend. Eind vorige millennium waren opzichters markante persoonlijkheden met eigen ideeën en stijl.

Mijn schoolvriend Jaap van Baarsen was een natuurtalent of beter: iemand met een groot talent voor natuur. Op het gymnasium (Sint-Michaël College in Zaandam) was biologie zijn favoriete vak. Al roeiend in het Ilperveld en op de fiets naar school via het Zaanse polderland ontstond zijn passie voor alles wat bloeit en vliegt. Hier en tijdens zijn opleiding biologisch-dynamische landbouw op de Warmonderhof in de Betuwe vormde hij zijn ideeën over natuur waarover hij met veel enthousiasme kon vertellen.

Met die ideeën en dat enthousiasme overtuigde hij Natuurmonumenten toen hij in 1980 – 26 jaar oud – met succes solliciteerde naar de functie van beheerder Voornes Duin. Hij had geen ervaring als beheerder of leidinggevende, maar kreeg niettemin het vertrouwen. Een functie die hij tot zijn overlijden in 2001 vervulde.

Voor mij is Jaap steeds iemand geweest van de grote lijnen én de kleine details. Altijd bezig met plannen om de rijke biodiversiteit van het duingebied te beschermen of te verbeteren. Zo opperde hij het idee om van het zanddepot aan de zeezijde in de oksel van de Haringvlietdam en het duingebied ter hoogte van het Quackjeswater een natte duinvallei te maken. Natuurmonumenten heeft dit gebied de naam Jaap van Baarsenvallei gegeven.

Helaas is de Jaap van Baarsenvallei niet voor publiek te bezoeken en alleen van afstand te bekijken bij een infopaneel. Wel toegankelijk en deels vergelijkbaar is het Parnassiavlak van Het Zuid-Hollands Landschap (red.). (foto Jos Lap)

Hij maakte mee dat de aalscholver (1984) ging broeden op de oever van het Breede Water en de lepelaar (1989) en de kleine zilverreiger (1994) bij het Quackjeswater door rust rond het water te creëren maar tegelijkertijd bezoekers er – via een verhoogd uitzichtpunt op afstand – een blik op te gunnen. 

Jaap behoorde tot de mensen die zich halverwege de jaren negentig met succes keerden tegen het Autostrand in Oostvoorne en er kwam nieuwe natuur: de slikken van Voorne. Hij zag de bedreiging voor Voornes kustgebied door de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Toen hij voor zijn openlijk kritische opstelling in eigen kring weinig steun vond en een ingezonden stuk in de Volkskrant schreef (zie pdf),  werd hem dat niet in dank afgenomen door de leiding van de natuurorganisatie. Al kwam dat ook weer goed. Maar als hij opkwam voor zijn duin dan wilde hij dat risico wel lopen.

Tijdens de wandelingen door het gebied genoot hij van kleine details, van elke bloeiende plant. Hij noemde ze ‘vitamines voor je ogen’. Maakte daarvan dia’s en gaf tal van presentaties en voorzag die van begrijpelijke en enthousiaste verhalen gelardeerd met tal van vermakelijke anekdotes en vergelijkingen. En zo herinner ik me ook nachtegalenexcursies in de heel vroege morgen. Als de nachtegalen zich niet meteen lieten horen wist hij de excursiegangers toch te boeien met verhalen over wat we onderweg aan planten en vogels tegenkwamen.

Hij dacht altijd na over de toegankelijkheid van het gebied voor bezoekers zonder dat de natuur geweld werd aangedaan. In Voornes Duin vindt sinds 1951 geen waterwinning meer plaats en dat kon ook betekenen dat sommige delen makkelijk onder water konden komen te staan. Hij hielp aanwonende waar de kelders van onder liepen (zie artikel op duinenenmensen.nl). En hoe voorkom je dan dat wandelaars ‘om de paden heenlopen’? Het gebied afsluiten was voor hem geen optie. Hij zocht en vond oplossingen. Hij leidde paden om, of sloot ze af en bood een alternatief, vaak op zo’n manier dat zelfs frequente bezoekers er niet veel van merkten.

Foto Collectie Jos Lap

En hij maakte van diezelfde wandelaars gebruik om vergrassing en daarmee het verdwijnen van vlinders en plantjes tegen te gaan. Dan kapte hij struweel en legde een pad aan door zo’n duinvallei. Al snel kwam het zand terug en aan de randen van het pad de reigersbekken, viooltjes en steentijm. 

Zijn betrokkenheid bij Voornes Duin was groot. Als we met hem door het terrein liepen hadden we de afspraak dat we even inhielden als hij bezoekers moest aanspreken omdat de hond losliep of ze buiten de paden liepen. Hij kon niet voorbijlopen zonder daar iets van te zeggen, ook al had hij op dat moment geen dienst als toezichthouder. En zo had hij ook altijd een plastic zakje bij zich. Elke prop en elk blikje ruimde hij op. Zijn idee: als mensen vuil zien liggen gooien ze er makkelijk wat bij en dat willen we niet. En over oog voor details gesproken: eens per jaar trok hij in ‘rechte lijnen’ door het terrein om precies te weten hoe elk stukje erbij stond. Dat was Jaap ten voeten uit.

Jos Lap, mei 2021

Enkele artikelen met of over Jaap van Baarsen (red.)

Volkskrant 25-03-1995 Milieu-organisaties willen autovrij strand

Volkskrant 16-04-1996 Tweede Maasvlakte funest voor Voorne

De Levende Natuur (2013) (Over de Jaap van Baarsenvallei)

Koos van Zomeren (1989) De verhouting van Voorne. NRC 27 mei 1989

Enkele artikelen van Jaap van Baarsen

Dynamische processen in Voornes Duin (1990)

Dagvlinders van Voornes Duin (1996)

Volkskrant 29-07-1997 Bulldozer-natuur

(Naschrift redactie)

We vonden een artikel uit 1980 over de voorganger van Jaap van Baarsen, Gijsbert Meijvogel. We weten niet wanneer zijn dienstverband bij Natuurmonumenten precies begon, maar dat moet in de jaren 50 zijn geweest. Hij was daarvoor in dienst bij J. van Hoey Smith van landgoed Strypemonde, maar vertrok volgens het krantenartikel “als een kwaje hond waarvan de haren recht overeind gaan staan” en kwam later bij Natuurmonumenten terug als opzichter van o.a. het Brede water. Ander citaat: “In de dertig jaar dat ik bij Natuurmonumenten gewerkt heb, heb ik ontdekt dat negentig procent van de mensen ziende blind zijn en horende doof. Ze kunnen nog geen brandnetel van een denneboom onderscheiden, bij wijze van spreken. Om die reden greep Meijvogel dan ook dankbaar de opleidende taak aan, om de mensen te begeleiden op excursies, zo’n vijftig per jaar. ” Zie verder nieuwsblad Het Zuiden, 13 februari 1980. De voorganger van Meijvogel was weer Hamer, over wie ons weinig bekend is, behalve dat hij in 1962 als hoofdopzichter Voornes duin in de weer was met opruimen van bunkers. En Jaap van Baarsen gaf de later zo genoemde ‘Hamervallei’ een andere naam …waarom en welke? Informatie over zowel Meijvogel als Hamer is welkom.

Omdat het door NV PWN Waterleidingbedrijf N.H. gesponsorde boek (zonder partner geen mooi boek) ondanks twee drukken niet in herdruk meer komt en er bij ons nog veel vraag naar is, hebben we twee opties voor onze lezers:

  1. Complete PDF aanschaffen via onze webwinkel; zo steunt u meteen de productie van komende boeken.
  2. Per hoofdstuk is de inhoud online beschikbaar gemaakt via onderstaande inhoudsopgave.

Mocht u downloaden, houdt u dan aub aan de copyright-regel: alleen onze uitgeverij is gerechtigd digitaal materiaal te verspreiden. Veel leesplezier.

Rolf Roos, Uitgeverij Natuurmedia

De tekst op de omslag:

Nieuwe archeologische inzichten, alle duinnatuur, nimmer gepubliceerde kaarten, artist impressions…
Archeologie 5000 jaar lang lieten kustbewoners sporen achter in het zand van Kennemerland. Het boek werpt een nieuw licht op onze ontstaansgeschiedenis in de vroege middeleeuwen.
Natuur De duinen: een oase van rust aan de rand van metropool Holland, met een natuurlijke rijkdom die Europees gezien onovertroffen is.
Historie Graven van Holland maar ook rijke Amsterdammers. Over de unieke duinen bij Bergen, maar ook over landgoederen, bosaanleg en natuurherstel van eind vorige eeuw

Achtergronden bij het boek »

Inhoudsopgave

Titelpagina met auteurs
Dank en voorwoord
Inleiding

Kennemerland

Het begin van Kennemerland
De splitsing van Kennemerland
Kennemerland als bakermat natuurbescherming
Kennemer duinlandschap en natuur
Orchideeën van Kennemerland

Historie en gebruik

Sporen onder het zand (4000 v.Chr. – 900 n.Chr.)
Boskap, bebouwing en wegen, jacht en zeedorpen (ca. 1000 -1850)
Duinlandbouw (ca. 1750 – 1925)
Bosbouw in de duinen (18e – 20e eeuw)
Duinwater (ca 1850 – heden)
De Tweede Wereldoorlog in het duin (1940 – 1945)
Recreatie (ca. 1890 – 2009)

Natuur en natuurbeheer

Duinnatuur

Landschap en natuur in vogelvlucht
Helmduinen
Duinvalleien
Duinplassen en duinmeren
Duingraslanden
Duinheide
Duinstruwelen
Duinbossen

Natuurbeheer tussen bomtrechters en klimaatverandering

Noordhollands Duinreservaat: van duingebruik naar natuurbeheer
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Kennis over de duinen
Beheren volgens een denkmodel
Beheer in uitvoering
Extern beleid

Kennemerland van zuid naar noord

Amsterdamse Waterleidingduinen
Leyduin, Vinkenduin en Oud Woestduin
Van Swartvelt tot Kraansvlak
Koningshof
Elswout: natuur met stijl
Het knooppunt Middenduin
De Kennemerduinen
De Kopjes van Kennemerland
Duin en Kruidberg, Midden-Herenduin, Heerenduinen
Het Kennemerstrand
Wijk aan Zee: staalfabrieken en middeleeuwen
Noordhollands Duinreservaat bij Heemskerk: reuzenparabolen en babyparabolen
Noordhollands Duinreservaat bij Castricum: water tussen Oldenborgh en Papenberg
Landgoed Marquette en graslanden Noordermaatweg
De Bakkumer graslanden
Bakkum-Egmond: van Hoge Toren tot uitzichtduin Albertdal
Ten noorden van Egmond: Wimmenummerduinen
Damlanderpolder: hei en orchideeën
Duinen bezuiden Bergen aan Zee: Verbrande Pan
Duinen van Bergen benoorden de Zeeweg
Bergerbosch en Oude Hof
Schoorlse Duinen

Epiloog

Mensen en duinen

Index
Beeldverantwoording
Literatuurlijst

Aar, J. van der & S. Rolle, 1993. Zegepralend Kennemerland, buitenverblijven langs de binnenduinrand. Museum Beeckestein, Velsen.

Aar, J. van der & S. Rolle, 1991. Santpoort. Twee dorpen in de schaduw van Brederode. z.u., Haarlem.

Aar, J. van der & S. Rolle, 1993. Zegepralend Kennemerland, buitenverblijven langs de binnenduinrand, Museum Beeckestijn, Velsen.

Aar, J. van der & S. Rolle, 2000. De Tuinen van Beeckestijn. z.u., Velsen

Aar, J. van der, M. Lucassen & Driehuis, 1993. Velserbroek en de Zuid- en Noord-Spaarndammerpolder. Bebouwingsgeschiedenis en monumentale waarden. z.u., Haarlem.

Aar, J.A. van der, 1986. Oud-IJmuiden, Ontstaan, Ontwikkeling en Monumentwaardigheid. Rapport Monumentencommissie Velsen.

Aar, J.A. van der, 1987. IJmuiden Havens en Sluizen. Rapport Monumentencommissie Velsen.

Alders, H., 1995. Jan van Scorel, een leven in schetsen. Uitgeverij Conserve, Schoorl.

Anonymus 1998. Dynamisch kustbeheer voor de kust tussen IJmuiden en Den Helder HH USHN, Edam

Aptroot, A., 1991. Biomonitoring met epifyten in het Noordhollands Duinreservaat. PWN, Castricum.

Arends, G.J., 2001. Sluizen en gemalen in het Noordzeekanaal. Anderhalve eeuw, ontwerpen, bouwen en vernieuwen. z.u., Utrecht, ISBN 90 5345 184 6.

Arens, Bas & Rienk Slings 2005. Wandelende duinen. Dynamisch duinbeheer in Kennemerland Natura 2005(5): 167-169

Arens, Bas, 2003. Reactivatie van de Bruid van Haarlem, nulmeting 2003 Arens BSDO, RAP2003,09

Arens, S.M., 2004. Monitoring van een gereactiveerd paraboolduin Kraansvlak, Zuid-Kennemerland, Ontwikkeling 2003-2004. Arens Bureau voor Strand- en Duinonderzoek RAP2004.04, Amsterdam.

Arens, S.M., Geelen, L.H.W.T., Slings, Q.L. & H.E. Wondergem, 2005. Restoration of dune mobility in the Netherlands, In: Herrier, J.-L. et al. (eds), Proceedings: Dunes and Estuaries 2005. International Conference on Nature Restoration Practices in European Coastal Habitats, Koksijde, Belgium, 19-23 September 2005. VLIZ Special Publication, 19, pp 129-138.

Arens, S.M., Geelen, L.H.W.T., Slings, Q.L., Wondergem, H.E., 2005. Herstel van duinmobiliteit : naar een nieuw duurzaam beheer? Landschap 22 (4): 190-202

Arens, S.M., Slings, Q.L.& C.N. De Vries, 2004. Mobility of a remobilised parabolic dune in Kennemerland, The Netherlands Geomorphology, Vol 59, pp175-188.

Baars, F. et al., 1992. Op zoek naar Castricums verleden. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Baggelaar, P.K. 2004. Schets van de nieuwe grondwatersituatie in het westelijk duingebied van Zuid-Kennemerland rapp. Icastat

Bakel, W. van & M. de Jong, 1985. De verdedigingswerken in Castricum. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 8e jaarboekje: 25-31.

Bakker, T. & C. ter Haaf, 2000. Henk Doing: Landschapsecoloog van de Nederlandse kustduinen. In: Schaminee. J. & R. van ’t Veer: Honderd jaar op de knieën. Opulus Press, Noordwolde.

Bakker, T.W.M. 1981. Nederlandse kustduinen: Geohydrologie Pudoc, Wageningen

Bakker, T.W.M. & J.M. Drees, 1988. Stroperij op konijnen vanuit Egmond aan Zee. Duin, 4: 84-88.

Bakker, T.W.M., J.A. Klijn & F.J. van Zadelhoff, 1979. Duinen en duinvalleien. Centrum voor Landbouwpublicaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen.

Bakker, Th.W.M. & R.Q.L. Slings, 1993. Duininfiltratie en natuurwaarden, nu en in de toekomst. H2O, 26 (16): 445-452.

Beekelaar, W. 1997. Plan Voetspoor intern rapport PWN

Beentjes, G., 2004. Een onderzoek naar het gebruik, de behoeften en de tevredenheid van trimmers in het Noordhollands Duinreservaat. PWN, Velserbroek & Van Hall Instituut, Leeuwarden.

Beets, D.J., L. van der Valk & M.J.F. Stive, 1992. Holocene evolution of the coast of Holland. Marine Geology, 103: 423-433.

Beije, H.M. et al., 1994. Levensgemeenschappen. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 1 Backhuys, Leiden

Beintema, A,J. et al., 1983. Dieren. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 2 Pudoc, Wageningen

Beldt, G. van der & G. Hartendorf, 2002. Boeren, Burgers, Bedrijven. Santpoort.

Berg, W.J. van den, 1994. Egmond op de Grens. Geestgronden: Egmonds historisch tijdschrift, 1 (1/2): 10-24.

Bergh van Eysinga, L.M. van der, 1933. Bijdrage tot de Sociaal-Geografische Kennis der Gemeente Velsen. Dissertatie Rijksuniversiteit te Utrecht 16 januari 1933.

Bergh, F. van den, Slings, Q., Bergsma, J. & H. Posthuma, 2001. PWN combineert technische renovatie met natuurherstel H2O 34 (5): 30-31

Berkum, A.H. van, 1990. De vijf Hollandse kerken van Willibrord. z.u., z.p..

Beth, J.C., 1928. Het jachtrecht in Holland (vanaf de oudste tijden tot in de 20e eeuw). Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 6 (7): 95-112.

Bijhouwer, J.T.P., 1926. Geobotanische studie van de Berger duinen Deventer

Bijleveld, H.A.S., 1981. Memoires van een ‘Woudloper’. Natura, 78 (5): 189-194.

Boer, A., 2007. Het Kamp Schoorl. Conserve, Schoorl.

Boer, D.E.H. de, M.H. Boone & W.A.M. Hessing, 1992. Nederlands verleden in vogelvlucht. Delta I: De Middeleeuwen: 300 tot 1500. z.u., Leiden/Antwerpen.

Boerboom, J.H.A. & V. Westhoff, 1974. Samenlevingen van planten in het duin. In: N. Croin.

Borger, G.J. & S. Bruines, 1994. Binnewaeters gewelt. 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Uitgeverij Noord-Holland, Edam.

Bosman, A.V.A.J. et al., 1995. Een gemeente in oorlogstijd: Velsen 1940-1945. Historische Kring Velsen, Santpoort.

Bosman, A.V.A.J., 1997. Het culturele vondstmateriaal van de vroeg-Romeinse versterking Velsen 1. Dissertatie, Amsterdam.

Braak, K., 1919. Morphologie der Schoorlse duinen. K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift II, deel 36 (6): 667- 685.

Brandt, R.W., W. Groenman-van Waateringe & S.E. van der Leeuw (red.), 1987. Assendelver Polder Paper 1. Cingula 10. Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie, Amsterdam.

Bremerkamp, G.J., 1968. Oude foto’s en prentbriefkaarten. IJmuiden, Velsen, Driehuis, Santpoort, IJmuiden. z.u., z.p..

Broche, G. E., 1935. Pythéas le Massaliote. Thesis Letterenfaculteit. Universiteit van Parijs.

Brouërius van Nidek, M., ca. 1729. Het zegenpralent Kennemerlant. Amsterdam.

Bruyn, G.J. de, 1995. Vossen in de duinen. De Levende Natuur, 96 (1): 20-24.

Buissink, F. 2009. “””Ons denken over natuur is drastisch omgeslagen”” PWN 75 jaar natuurbeheerder” Landschap Noord-Holland, jrg. 36 (1): 18-21

Burger, A.C.M., 1988. Het kasteel van Egmond. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Calkoen, H.J., 1967. Velsen. Grepen uit de geschiedenis van een oude woonplaats in Kennemerland. z.u., z.p..

Calkoen, H.J., 1972. De Engelmunduskerk te Velsen. “Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente “”Velsen-Zuid””, Velsen-Zuid.”

Cock, J.K. de, 1965. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Uitgeverij J.B.Wolters, Groningen.

Coops, A., B. Hoes & G. Jol, 1989. Buitenplaatsen van Velsen. z.u., z.p..

Cordfunke, E.H.P., 2006. Kennemerland in Prehistorie en Middeleeuwen. z.u., Utrecht.

Cordfunke, E.H.P., 1966. De geschiedenis van het Witte Kerkje te Heiloo. Alkmaars Jaarboekje, 1966: 51-61.

Cordfunke, E.H.P., 1984. Opgravingen in Egmond. De Walbrug Pers, Zutphen.

Danner, H.S., H.Th.M. Lambooij & C. Streefkerk, 1994. Die het water keert. 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier. z.u., Alkmaar/Edam

Deelen, D. van & A. Schermer, 1963. Middeleeuws akkerland onder de Castricummerduinen. Westerheem, XII (6): 136-144.

Deelen, D. van, 1981. Historie van Castricum en Bakkum. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Dendermonde, M. & A. Morriën, 1965. Een Weg naar de Wereld. Gemeente Velsen, Velsen.

Deursen, C. van, 1991. De toekomst van het Bergerbos. Noordhollands Landschap, 18 (2): 45-47.

Deursen, C. van, z.j. Aankoop landgoed Marquette. PWN, Bloemendaal.

Dieren, J.W. Van, 1934. Organogene dunenbildung, eine geomorphologische Analyse der ostfriesischen Insel Terschelling mit pflanzensociologischen Methoden. Nijhoff, Den Haag

Directie van het P.W.N., 1952. De Berger duinen. Natuur en Landschap, 3: 3-7.

Dis, A. van, 1994. Indische duinen. Uitgever Meulenhoff, Amsterdam.

Diverse auteurs, 1984. Van duingebruik naar duinbeheer. PWN, Bloemendaal.

Diverse auteurs, 1964. Recreatie en natuurbescherming in the Noordhollands Duinreservaat. ITBON Mededeling nr 69c/1964

Diverse auteurs, 1995. Themanummer Natuurontwikkeling Noord-Holland. Duin, 18 (1).

Doing, H., 1988. Landschapsoecologie van de Nederlandse Kust. Stichting Duinbehoud, Leiden.

Doing, H., 1964. Recreatie en natuurbescherming in the Noordhollands Duinreservaat. Supplement 2: Vegetatie ITBON Mededeling nr 69c/1964

Doing, H., 1974. Landschapsecologie van de duinstreek tussen Wassenaar en IJmuiden. z.u., z.p..

Doing, H., 1988. Landschapsecologie van de Nederlandse kust. Een landschapskartering op vegetatiekundige grondslag. Stichting Duinbehoud / Stichting Publicatiefonds Duinen, Leiden.

Drees, M., 1989. Konijnen als grazers. Duin, 4: 156 – 158.

Drees, M., 1992. Hazen en konijnen in Noord-Holland. Het Noordhollands Landschap: 80-82.

Duinker, P.L., 1955. Het Watervlak. Intern rapport PWN, Castricum.

Eeden, F. W., 1886. Onkruid. Botanische wandelingen. Eerste deel: Kennemerland. Tjeenk Willink, Haarlem.

Eeden, F. W., 1887. “De bosschen van Kennemerland. Album der natuur: 148-160; 182-192; 193-219” z.u, z.p..

Ehrenburg, A., van der Hagen, H.J.M. & L. Terlouw 2008. Amerikaanse vogelkers als invasieve soort in de kustduinen De Levende Natuur 209 (6):

Eisma, D., 1968. Composition, origin and distribution of Dutch coastal sands between Hoek van Holland and the island of Vlieland E.J. Brill, Leiden

Endedijk, G., Kraal, H. & R. Roos 1989 “Moderne natuurbescherming in oude cultuurlandschappen; eerste prijs essaywedstrijd stichting Meander over toekosmt natuurbea\scherming” Stichting Meander, Utrecht. ISBN 9062241433

Ernst, W.H.O. & N.F. van der Ham, 1988. Population structure and rejuvenation potential of Schoenus nigricans in coastal wet dune slacks Acta Bot. Neerl., 37:451-465

Ernst, W.H.O., 1984. “Haalt het duin het jaar 2000? In: Diverse auteurs, 1984. Van duingebruik naar duinbeheer; 50 jaar onderzoek en beheer in het Noordhollands Duinreservaat.” PWN, Velserbroek.

Ernst, W.H.O., Q.L. Slings & H.J.M. Nelissen, 1996. Pedogenesis in coastal wet dune slacks after sod-cutting in relation to revegetation. Plant and Soil, 180: 219-230.

Ervynck, A., 1993. In memoriam: De bruine beer der Benelux. Zoogdier 93/3 (4): 5-11.

Es, W.A. van & W.A.M. Hessing (red.), 1994. Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland: van Traiectum tot Dorestad (50 v. Chr.- 950 na Chr.). Matrijs, Utrecht. ROB, Amersfoort

Es, W.A. van, H. Sarfatij & P.J. Woltering (red.), 1988. Archeologie in Nederland. De rijkdom van het bodemarchief. z.u., Amsterdam/Amersfoort.

Esselink, H., Grootjans, A.P. & T. Jager, 1989. Kalkrijke vegetaties in een duinvallei op Schiermonnikoog Duin 12(2): 75-79

EUCC/PWN, 1992. The North-Holland Dune Reserve. Coastline Special 1/2: 17-32.

Everts, F.H., de Vries, N.P.J. & M.E. Tolman 2005. Pilot vegetatiekartering Kraansvlak rapp. nr. 509 EGG-ev, Groningen

Everts, F.H., Jongman, M, Tolman, M.E. & N.P.J. de Vries 2005. Vegetatiekartering Kennemerduinen rapp. nr. 543 EGG, Groningen

Everts, F.H., Jongman, M, Tolman, M.E. & N.P.J. de Vries 2006. Vegetatiekartering Bergen – Wimmenum rapp. nr. 583 EGG, Groningen

Francq van Berkhey, J., z.j. Eerste Natuurlijke historie van Holland, Amsterdam/Leyden, 1769-1811. z.u., z.p..

Fuchs, M., 1996. Monumentenrapport Nieuw IJmuiden. Wonen tussen duinen en Noordzeekanaal. z.u., Haarlem.

Gallagher, H.P. & A.J.W.M. Geraedts, 1994. Welke weg heeft de bollenteelt te gaan? Milieufederatie Noord-Holland, Zaandam.

Geel, Chr. J. van, 1993. Verzamelde gedichten, bezorgd door G. Middag. Uitgever G.A. van Oorschot, Amsterdam.

Geelhoed, S., Groot, H., Huijssteeden, E. van, Leeuwen, G. van & P. de Nobel (red), 1998. Vogels in het landschap van Zuid-Kennemerland en de Haarlemmermeer. VWG Zuid-Kennemerland / KNNV Uitg. Utrecht

Geldorp, F. van, 1971. Santpoort ’t playsante buyten. Een aantal bijdragen tot de geschiedenis van het dorp Santpoort. z.u., Haarlem.

Gemser, H. & S. Schaafsma, 1975. Een kerk en een hand vol huizen. Grepen uit de geschiedenis van het dorp Velsen. Stichting Het Dorp Velsen, Velsen.

Gerhardt, P. 1900. Handbuch des deutschen Dunenbaues Parey, Berlin

Goes, H. van der, R. Higler, Y. van Manen, R. Ruesink, H. van Slogteren & A. Zoomer, 1986. Duinrellen in Noord-Kennemerland. Uitgever Conserve, Schoorl.

Goossen, C.M., Langers, F & S. de Vries 2000. Recreatie en geluidsbelasting in 1995 en 2030. Onderzoek voor Milieuverkenning 5 Alterra-rapport 062, Wageningen

Gottschalk, M.K.E., 1969. De Zanddijk bij Egmond en zijn legenden. K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift III, (2): 111-117.

Grootjans, A.P., Lammerts, E.J. & F. van Beusekom, 1995. Kalkrijke duinvalleien op de waddeneilanden. Ecologie en regeneratiemogelijkheden KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Haaf, C. ten, T.W.M. Bakker & Q.L. Slings, 1993. Bergerbos. Conceptbeheerplan voor de periode 1993-1996. Ten Haaf & Bakker, Alkmaar.

Halbertsma, H., 1966. Een onderzoek met de spade in het Witte Kerkje te Heiloo. Alkmaars Jaarboekje, 1966: 62-67.

Hammen, H. van der, H. van der Goes, K. Kapteyn & K. Scharringa, 1994. Toestand van de Noordhollandse natuur. Noordhollands landschap, 21 (4): 9-32.

Harff, P. & D. Harff, 2005. IJmuiden – Den Haag, Atlantikwall 1940–1945. Marine Artillerie Abteilung 201, z.p., ISBN 90-806449-4-3.

Harkel, ten. J.H., 1998. Nutrient pools and fluxes in dry coastal dune grasslands Diss. UvA Amsterdam

Hartendorf, G., 2000. Velsen bezet en bevrijd. z.u., Velserbroek.

Hartendorf, G., 2001. De Velser Affaire. Bezettingstijd 1940-1945 in Kennemerland. z.u., Haarlem.

Hartendorf, G., 2006. In het duin wakker worden. Belevenissen van jachtopzichters Driekus en Joop Doornbosch. Haarlemse Miniaturen deel 71.

Hartendorf, G., J. Morren, C. Rings, A.M. Schüttenhelm-Okma & J. Suurmond, 1998. Duin en Kruidberg, Honderd jaar buitenplaats en Het Duingebied van de familie Cremer. z.u., Haarlem.

Heenvliet, Cornelis Jacobsz. van, Substituijt-Houtvester van de Graeffelicheyt, 1635. JachtBedryff. z.u., z.p..

Heimans, E., 1906. Met kijker en bus. Van Holkema en Warendorf, Amsterdam.

Henderikx, P.A., 1987. De benedenloop van Rijn en Maas. Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca 1000. z.u., Hilversum.

Henkens, R.J.H.G., 1998. Ecologische capaciteit natuurdoeltypen 1. Methode voor bepaling effect recreatie op broedvogels. Instituut voor Bos en Natuuronderzoek, IBN-rapport 363, Wageningen.

Hijmans, W., 1970. Van duin tot IJsselmeer. Meijer Pers n.v., Amsterdam.

Hilgen, P.R. & Q.L. Slings, 1981. Het duinbeheer op Terschelling in het begin van deze eeuw Nederlands bosbouwtijdschrift 53 (7/8): 247-256

Hilgen, P.R. & Q.L. Slings, 1981. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen: het Noordhollands Duinreservaat. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Hilgen, P.R., D. Sikkel & Q.L. Slings, 1981. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen. Deelproject 6.4: Boswachterij Schoorl. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Hoevens, H. & R. Pols, 2002. Landfront IJmuiden. Duitse bunkers in het Landfront van de Festung IJmuiden, W.N. 2000 S.K. 1. z.u., Velserbroek.

Hof, J., 1973. De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573. Hollandse Studiën 5. Historische Vereniging voor Zuid-Holland en Stichting Contactcentrum voor regionale en plaatselijke geschiedbeoefening in Noord- en Zuid-Holland, ’s Gravenhage/Haarlem.

Hoffmann, M.E. & V. Westhoff, 1951. “Flora en vegetatie van de Verbrande Pan bij Bergen (N.H.). De begroeiing van het “”kalkgrensgebied”” tussen Duin- en Waddendistrict. ” De Levende Natuur, Deel I: 45-52, Deel II: 74-79, Deel III: 92-98.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Boomsoort bepaalt bostype op verzurings_gevoelige bodem. Stratiotes, 23: 3-19.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Rijke bossen op arme bodems. Landschap, 20: 193-204.

Hommel, P.W.F.M., 1999. Duinbossen rond de kalkgrens. In: Hommel, P.W.F.M., M.A.P. Horsthuis & V. Westhoff (red.). Excursieverslagen 1996: 65-70. Plantensociologische Kring Nederland, Wageningen.

Huneker, H., 1994. Boomvalken in het Noordhollands Duinreservaat. De Winterkoning, 29: 38-57.

Idzerda, S.I., 1999. Een verkenning van de mycologische waarde van dennenbossen in de kalkrijke duinen. De Levende Natuur, 98 (4): 122-128.

Jansen, H.P.H., 1982. Kalendarium. Geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen. 5e druk. z.u., Utrecht/Antwerpen (1e dr. 1971).

Jansen, P.A.G., 2004. Schade of overlast door mountainbikers, perceptie of realiteit. Stichting Probos, Wageningen.

Janssen, M. & Q.L. Slings, 1991. Optimalisatie van de Waterwinning. Duin, 14 (1): 7-9.

Jelgersma, S. J., L. de Jong, W.H. Zagwijn & J.F. van Regteren Altena, 1970. The coastal dunes of the western Netherlands geology, vegetional history and archeology. Mededelingen Rijks Geologische Dienst. Nieuwe Serie (21): 93 -167.

Jelles, J.G.G., 1968. Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordholland Duinreservaat. ITBON-mededeling 87, z.p..

Jong, J. de, 1992. Schoorl Strand: veldwaarnemingen en resultaten van pollenanalytisch- en C14-onderzoek. Intern rapport RGD nr 1161, Haarlem.

Jong, L.J. de, 2006. De werkers aan het Noordzeekanaal. Nederlandse Genealogische Vereniging, afdeling Kennemerland.

Jongerling, F. & Q.L. Slings, 1982. Het gemiddelde herfsttrekverloop van enkele insectenetende nachttrekkers in Castricum. Graspieper, 2 (3): 90-93.

Kaan, N., 2003. Wie was… jonkheer Frits Gevers. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 26e jaarboekje: 53-63.

Kaan, N., 2008. De Nachtwacht in het Geversduin. Stichting Werkgroep Oud Castricum, 31e Jaarboekje: 19-28.

Kalkman, T. & H. Haver, 2003. Luister, het Fort vertelt. Kustfort IJmuiden. Werkgroep Historisch Onderzoek Forteiland IJmuiden, IJmuiden.

Kan, K.J., 1993. Stromen in Zuidkennemerland. Archief PWN, niet gepubliceerd.

Kerkhof, W., 2000. Sprinkhanen in de duinen tuusen Wijk aan Zee en Bergen. Een inventarisatie in de periode 1998-2000 rapport PWN

Keuning, K.J.B., 2000. Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ. Arcadia, Haarlem.

Kieviet, C. Joh., z.j. Het Slot op den Hoef. Van Holkema & Warendorf, Amsterdam.

Kisterman, H. & C. van Deursen, 1985 en 1986. Van vod tot informatiedrager. PWN-wereld 85 (2): 4-6 & 86 (1): 11-12.

Kivit, H., 1994. Enquete sportrecreanten 1992. Duinduiker, maart 1994: 4.

Kivit, H.A. & Q.L. Slings 2007. Natuurdoelen voor de duinterreinen van PWN rapp. PWN

Kleij, E. van de, 1990. Monumenten Inventarisatie Project, Noord Kennemerland. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Klijn, J.A., 1981. Nederlandse kustduinen Geomorfologie en bodems diss. Wageningen

Koene, B., J. Morren & F. Schweitzer, 2003. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen. z.u., Hilversum. ISBN 90-6550-774-4.

Konijnenburg, P., 1998. Hinderbeleving van Natuurgerichte Recreanten in het Noordhollands Duinreservaat. IVAM Environmental Research Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Koning, J. van, 2007. Scherven in het stuifzand. Archeologische vondsten in de PWN duinen. Landschap Noord-Holland 2007 (3): 26-29.

Kooijman, A.M., Besse, M. & R. Haak 2005. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiering in open droge duinen. Eindrapport fase 2 LNV

Korf, B. & Q.L. Slings, 1995. Optimierung der Infiltration Castricum fuer Natur und Wassergewinnung Bonn, Deutscher Verein des Gas- und Wasserfaches

Korf, B. & Q.L. Slings, 1993. Optimerung der Infiltration fur Natur und Wassergewinnung. Kunstliche Grundwasseranreicherung. DVGW-schriftenreihe 85: 71-76.

Kranenburg, F.J. et al., 1976. Het veranderend gezicht van Noord-Holland. Meijer Pers bv, Amsterdam.

Krijger, C.A., et al., 1982. 1907-1982 Engelmunduskerk – IJmuiden. z.u., z.p..

Kruger, H., et al., 2001. Brederoderoute: Een Cultuurhistorische Wandeling door Santpoort. Stichting Santpoort, Velsen.

Kruijsen, B.W.J.M., Q.L. Slings & H. Snater, 1992. Vegetatiekartering Noordhollands Duinreservaat 1982-1989. PWN, Bloemendaal.

Lambooij, H., 1987. Getekend land. Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier i.s.m. Stichting Uitgeverij Noord-Holland.

Lammertink, M. 1991. Gedrag van de Zwarte spechten in het Noordhollands Duinresrevaat. Graspieper, 11: 107-120.

Lannoy, K. & B. Denneboom (red.), 1992. Derper-Hoever-Binder. Boekhandel Dekker & Dekker, Egmond aan Zee.

Lebbink, J., van Manen Y., Slings, Q.L., de Vries, C.N. & R. Wildschut 2000. Herstel vochtig duinmilieu Noordhollands Duinreservaat Intern rapport PWN

Leten, M., 1992. Vegetatie en landschapsontwikkeling in de duinen van de Westkust. in: Tussen land en zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne. Lannoy, Tielt

Linden, J. van der, 1993. Kennemermozaiek. Uitgever Repro Holland B.V., Alphen aan de Rijn.

Londo, G. Thijsse’s Hof.Tachtig jaar natuurontwikkeling Bekking&Blitz, Amersfoort

Londo, G., 1971. Patroon en proces in duinvalleivegetaties langs een gegraven meer in de Kennemerduinen diss. Nijmegen

Londo, G., 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 4 Pudoc, Wageningen

Londo, G., 1997. Natuurontwikkeling. Bos- en Natuurbeheer in Nederland Deel 6 Backhuys, Leiden

Louman, E.G.M. & Q.L. Slings, 1990. Regeneratie van vochtige duinvalleien. KIWA med. 114: 121-140.

Louwe Kooijmans, L.P., 1985. Sporen in het land. De Nederlandse delta in de prehistorie. z.u., Amsterdam.

Maas, G.J., C.A. van den Berg & A. Oosterbaan, 1993. Vervolgonderzoek naar oorzaken van de verminderde vitaliteit van zomereik in het duingebied van Nederland. IBN-rapport 046. IBN-DLO, Wageningen.

Maes, B. (red.), 2006. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Boom, Amsterdam.

Maes, N.C.M., 1995. Genetische kwaliteit inheemse bomen en struiken, deelproject de kustduinen. IKC-Natuurbeheer, Wageningen.

Manen, Y. van, 1983. Het Bergerbos. Duin, 6 (2): 7-13.

Marrewijk, J.M. van, 1994. De vos: inheems of niet in onze duinen? Duin, 17 (1): 14-17.

Meffert, M., 1998. Rapport Ruimtelijke Relaties in het Oer-IJ-estuarium in de Romeinse IJzertijd met nadruk op de Assendelverpolder. Proefschrift. Universiteit Wageningen, Wageningen.

Meijer, J.W., 1965. Tacitus, Jaarboeken. Ambo, Baarn.

Melman, D., 1982. De Breesaap: Holland op zijn smalst. Duin, 5 (4).

Merula, P., 1605. Placaten ende Ordonnancien op ’t stuck van de Wildernissen. z.u., ’s Gravenhage.

Mestelaar, E., 2003. Ecologisch en recreatief netwerk nader bekeken. PWN, Velserbroek.

Mettlach, R. van, ca 985. Vita Sancti Adalberti Confessoris (Het leven van de heilige belijder Adelbert). Vertaling G.N.M. Vis. Sint Adelbertabdij, Egmond 1990.

Morren, J., 2002. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 1 Santpoort. z.u., Huizen.

Morren, J., 2004. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 2 Driehuis & Velserbroek. z.u., Velsen. ISBN 90-808333-1-2.

Morren, J., 2005. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 3 IJmuiden, Velsen-Zuid en –Noord. z.u., Velsen. ISBN 90-808333-2-0.

Morren, J., 2008. De boerderijen in de Breesaap. Ledenbulletin Historisch Genootschap Midden-Kennemerland: 5-28

Mosterd, M. & P.J. Marget, 1990. “De Egmondse Studieën, deel I: Heiligenlevens, annalen en kronieken: 29-66; 215-224.” Uitgeverij Verloren, Hilversum.

Mulder, J. (red.), z.j. De vos in het Noordhollands Duinreservaat. Deel 1: Organisatie en samenvatting. PWN, Bloemendaal/RIN, Arnhem.

Mulder, J., 1993. Vossen. Brochure Stichting Kritisch Faunabeheer e.a., Renkum.

Mulder, J.L. 1990. The Stoat Mustela erminia in the Dutch Dune region, its local extinction and a possible cause: the arrival of the Fox Vulpes vulpes Lutra 33(1):1-21

Mulder, J.L. & A.H. Swaan, 1991. Bopdy-weight changes of egg-laying Curlews Numenius arquata, as monitored by an automatic weighing system Ardea 80: 273-279

Mulder, J.L. & J.M. Wallage-Drees, 1979. Red fox predation on young Rabbits in breeding burrows Neth. J. Zool. 29(1): 144-149

Mulder, Jaap 1991. De geheimzinnige jeugd van het wilde konijn. Hoe verzorgt het konijn zijn jongen? Zoogdier 2 (4):3-9

Mulder, Jaap 2007. Onbejaagde vossen in de duinen en implicaties voor vossenbeheer DLN 108(4):149-154

n.n., 1989. Haven van IJmuiden 1860-1880. Aanleg van het Noordzeekanaal en het ontstaan van IJmuiden. Huisdrukkerij Stadhuis Velsen, Velsen.

n.n., 1990. Archeologische Werkgroep Velsen, Archeologische Opgravingen in 1989 in Velsen. z.u., IJmuiden.

n.n., 1992. Velsen in historisch perspectief, jaarboek uitgegeven sinds 1992. Historische Kring Velsen, Velisena, z.p.

n.n., 2005. De Velsense Zevensprong. Een cultuurhistorische fietsroute langs de zeven woonkernen van Velsen. Monumentenzorg en archeologie gemeente Velsen, Velsen.

n.n., 2005. Vertrouwen in Gebouwen. Een fietstocht langs religieuze monumenten in Velsen. Monumentenzorg gemeente Velsen en Stichting Santpoort, Velsen.

n.n., 2006. Een rondje Velsen. Op de fiets langs plaatsen van vermaak en vertier. Monumentenzorg gemeente Velsen, Velsen.

n.n., 2007. Gebouwd in Stijl. Fietsen langs bouwstijlen uit de vorige eeuw. Monumentenzorg gemeente Velsen en Stichting Santpoort, Velsen.

n.n., z.j. Dwars door de duinen – recht naar zee! AO boekje 381. z.u., z.p.

n.n., z.j. Landbouwhogeschool Wageningen 74-12. z.u., z.p..

N.n., 1605. Merula, Placaten. En de Ordonnancien op ’t stuck van de Wildernissen, 98. z.u., z.p.

N.n., z.j. Algemeen Rijksarchief Den Haag Recht. Arch. Lisse, nr 3 folio 3, z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 283, 284 e.v. z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 285 (1566-1609) z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 286 z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 287 z.u., z.p.

n.n., z.j. Masterplan Regeneratie Duinvalleien Nationaal Park Zuid-Kennemerland 1999. Vereniging Natuurmonumenten, PWN & Staatsbosbeheer, Bloemendaal.

N.n., z.j. Octrooi tot het oprichten van een konijnenheining, verleend door de Staten van Holland en West-Friesland aan de eigenaars van 53 morgen 117 roeden land in de ban van Heemskerk. z.u., z.p.

N.n., z.j. Request van de ingelanden van den ban van Heemskerk aan de Staten van Holland en West-Friesland over een konijnenheining,1668. Met een project, een lijst van verzoekers, 1668, en stukken betreffende de aanleg, 1670 en ongedateerd. z.u., z.p.

n.n., z.j. Stukken betreffende de behandeling van een request door C.M. Deutz-Bors van Waveren, vrouwe van Heemskerk, aan de Staten van Holland en West-Friesland om alteratie van het Octrooi.d.d. 8 Juni 1747 verleend aan schout en gerecht van Castricum inzake het beplanten der duinen en opstellen eener konijnenheining. 1747-1751. z.u., z.p.

N.V. Amsterdamsche Ballast Maatschappij, z.j. Tunnelbouw te Velsen in uitvoering bij de Amsterdamsche Ballast Maatschappij. z.u., Amsterdam.

Nieuwenhuizen, F., 1988. Natuurleven in het Schoorlse duingebied. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Nuhout van der Veen, J. & G.F. Verschuit, z.j. Toestand van de duinen anno 1809. z.u., z.p..

NV PWN Waterleidingbderijf Noord-Holland, 2000. Vossen in het Noord-Hollands Duinreservaat in de periode 1995-1998 Alterra rapportnr: 197

Ommering, G. van, 1988. Het strand van vroeger. Duin & Kust, Leiden.

Oosterom, A. van, 2004. Wat Mijnheer zegt moet gebeuren. De bewoningsgeschiedenis van de buitenplaats Waterland te Velsen in de twintigste eeuw. Een historische schets. Historisch Genootschap Midden Kennemerland, z.p. ISBN 90 807522-4-X.

Oosterom, C. van, 2004. De duinen van Zuid-Kennemerland in ’40-’45. Themanummer Verdedigingswerken. Ons Bloemendaal, 28(3): 12-13.

Oud, M., 2009. Het voorkomen van roodnetboleten in Nederland Coolia jrg.52(1): 18-23

Oudhof, J.W.M., 1994. Een aanvullende archeologische inventarisatie (AAI) van percelen aan de Oude Schulpweg te Castricum, N-H. ROB, Amersfoort.

P.W.N., 1992. Water drinken en natuur sparen. PWN, Bloemendaal.

P.W.N., 1994. Beheernota 1990-1995 Intern rapport PWN, Bloemdendaal.

Pannekeet, J. 1988. De (mogelijke) betekenis van alle Noord-Hollandse Plaatsnamen Drukkerij West-Friesland BV, Hoorn.

Paul, K.H., 1953. Morphologie und Vegetation der Kuhrischen Nehrung Nova Acta Leop. N.F. 16:259-378

Peters, J.H., A. Stakelbeek, J. Demarteau & Q.L. Slings et al., 1990. Optimalisatie en renovatie infiltratiegebied Castricum- masterplan- Echohydrologische optimalisatie en renovatie. SWO 90256. KIWA, Nieuwegein.

Peters, J.H., Q.L. Slings & A. Stakelbeek, 1992. Open infiltratie nieuwe stijl. Integrale ontwikkeling van natuur en techniek bij renovatie van een open infiltratiesysteem. H2O, 25 (19): 532-537.

Peters, J.H., Q.L. Slings & A. Stakelbeek, 1995. Masterplan infiltratiegebied Kieftenvlak te Wijk aan Zee. Uitgewerkte ideeën voor renovatie en voor ecologische aanpassingen. KIWA, Nieuwegein & PWN, Velserbroek.

Pols, R. & L. de Vries, 2007. Seefront IJmuiden. Duitse bunkers in de kustverdediging van de Festung IJmuiden. Uitgave in eigen beheer. R. Pols, Velserbroek.

Pons, J. & M.F. van Oosten, 1974. De bodem van Noordholland. Stichting voor bodemkartering, Wageningen.

Pouwels, R. & C.C. Vos, 2001. Recreatie en biodiversiteit in balans: een ruimtelijke benadering van functiecombinaties Alterra-rapport 227 Wageningen

Provincie Noord-Holland, Dienst Ruimte en Groen, 1992. Zure regen in de duinen. Onderzoeksbericht nr 5. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Provincie Noord-Holland, Dienst Ruimte en Groen, 1995. Weidevogels in het BES-gebied. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Provoost, S. & M. Hoffmann, 1996. Ecosysteemvisie voor de Vlaamse Kust. Deel 1 Ecosysteembeschrijving Gent

Ranzijn, R. (red.), 1989. Ecologisch tuinieren in het zeedorpenlandschap. Stichting Publicatiefonds Duinen, Leiden.

Rappol, M. & C.M. Soonius (red.), 1994. In de bodem van Noord-Holland. Lingua Terrae, Amsterdam.

Raven, A., 1995. Noord-Kennemerland vanaf de Bronstijd. Intern Rapport, P.W.N., Castricum.

Rentenaar, R., 1971. Die Namenlandschaft der Niederlandische dünen. Abhandlungen 10. Intern. Kongr. Wenen.

Rentenaar, R., 1977. De Nederlandse duinen in de middeleeuwse bronnen tot omstreeks 1300. KNAG Geografisch Tijdschrift XI, 5: 361-376.

Rentenaar, R., 1978. De vroegste geschiedenis van het konijn in Holland en Zeeland. Holland, 10: 2-16.

Rentenaar, R., 1978. Topografische structuren en toponymen. Ontwikkelingen in middeleeuws Egmond. Vlaamkunde, 10: 334-349.

Roderkerk, E.C.M, 1961. Recreatie, recreatieverzorging en natuurbescherming in de Kennemerduinen Delft

Roderkerk, E.C.M, 1975. De Kennemerduinen 25 jaar Nationaal Park Schuyt & Co C.V.,Haarlem

Roep, Th.B., L. van der Valk & D. Beets, 1991. Strandwallen en zeegaten langs de Hollandse kust. Grondboor en hamer, november 1991: 115-124.

Rolf, R. & H. Sakkers, 2005. Duitse bunkers in Nederland. PRAK Publishing, Middelburg.

Rolle, S. & P. van Hove, 2001. Velsen-IJmuiden de doorsnee van Holland. z.u., Haarlem.

Rolle, S., 1995 De Velsense buitenplaatsen in oorlogstijd. Gebeurtenissen in de periode 1939-1945. z.u., Velsen-Zuid

Rolle, S., 1982. Gisteren… haast onherkenbaar. Velsen toen en thans. z.u., IJmuiden.

Rolle, S., 1985. Memoriaal van Velsen. Een sociaal economische beschrijving tot 1900. z.u., Ijmuiden.

Rolle, S., 1994. Kroniek van Driehuis. z.u., z.p..

Rolle, S., 1997. Beatrix op Beeckestijn. Velsen en het Oranjehuis 70 vorstelijke bezoeken. z.u., Velsen-Zuid.

Rolle, S., 1998. Aantekeningen bij Velsens vroege verleden. Museum Beeckestijn, Velsen-Zuid

Rolle, S., 2005. Velsen-IJmuiden 1935 – 1985. Onvergetelijke beelden. z.u., Zaltbommel. ISBN 90 5994 085 7.

Roo, H.C., de, 1953. De bodemgesteldheid van Noord-Kennemerland S-Gravenhage

Roobeek, C.F., 1992. De nachtzwaluw in de duinen van Bergen en Schoorl. Beheersverslag Schoorlse Duinen, Regio Hollands Noorden van het Staatsbosbeheer: 43-45. Staatsbosbeheer, z.p..

Roos, R. 1999. Beweegbaar kustlandschap, over ecologie en esthetica. In: J. Kolen & T. Lemaire (ed.): Landschap in Meervoud. Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht. Tekst. ISBN 90 6224 421 1.

Roos, R. & S. Woudenberg (Red.) 2004. Opgewarmd Nederland. Klimaatverandering: natuur, water en landbouw. Effecten en aanpak. NatuurMedia, Amsterdam. Zie www.opgewarmdnederland.nl

Roos, R., 1996. Bewogen kustlandschap. Duinen en polders van Noord-Kennemerland. Schuyt & Co, Haarlem.

Roos, R., J. ’t Hart en R. Bekker 2000. 2000 Het Milieu van de Natuur. Derde druk. Natuur en Milieu, Utrecht.

Rozema, J., P. Laan, R. Broekman, W.H.O. Ernst & C.A.J. Appelo, 1985. On the lime transition ans decalcification in the coastal dunes of the province of North Holland and the island of Schiermonnikoog. Acta Notanica Neerlandica, 43 (4): 393-411.

Ruitenbeek, W., J.G. Scharringa & P.J. Zomerdijk (red.), 1990. Broedvogels van Noord-Holland. Stichting Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Assendelft.

Ruiter, Q. de, 1981. Over duinboerderijen en haar bewoners. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, vierde jaarboekje: 3-10.

Sakkers, H. & M. Machielse, 1999. Een vestingbouwkundige wandeling langs bunkers van de Atlantikwall in het zuidwestelijke deel van de Festung IJmuiden. Fortress Books, z.p..

Scheffer, H., 2004. De Atlantikwall, een muur die geslecht werd. Themanummer Verdedigingswerken. Ons Bloemendaal, 28 (3): 7-11.

Schilstra, J.J., 1988. De Ruïnekerk van Bergen. Kerkvoogdij Hervormde Gemeente Bergen NH.

Schoep & Van der Toorn, 2001. Onderzoek naar waardering en recreatiewensen voor het Noordhollands Duinreservaat. Schoep & Van der Toorn Communicaite Consultans, Amsterdam.

Scholtens, H.J.J., 1947. Uit het Verleden van Midden-Kennemerland. Herdruk 1968. Gijsbers & van Loon, Arnhem.

Schoorl, H., 1973. Zeshonderd jaar water en land. Groningen. z.u., z.p.

Schoorl, H., 1991. Kust en kaart. Pirola, Schoorl.

Schuppen, S. & V. Mars, 1993. Wandelingen in Kennemerland en de Noordhollandse duinen. Dwarsstap, Nijmegen.

Schweitzer, A. & J. van der Linden, 2005. Scholtens en Midden-Kennemerland. z.u., Beverwijk.

Sepp, C.E., 1902. Gids voor Beverwijk en omstreken. Herdruk: 1977. z.u., Schoorl.

Sipkes, C., 1929. Beknopt overzicht van de flora duinstreek van Noord-Holland. Kennemerland-Nummer Natura (7): 105 – 113

Sliggers, B.C., 1988. Westerveld van Buitenplaats tot Begraafplaats 1888-1988. z.u., Haarlem.

Slings Q.L., 1996. Managementsrapportage broedvogels NHD 1995. PWN, Castricum.

Slings, Q.L. 1986. Beheersgericht onderzoek in Noordhollands Duinreservaat Duin 9 (3): 65-68

Slings, Q.L. 1997. Het plan voetspoor. interne notitie PWN

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1971. Barmsijzen. De Pieper, 10 (10): 217-218.

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1977. Vegetatiekartering van het Reggers- en Sandervlak, gelegen in het Noordhollands Duinreservaat, ten westen van Egmond-binnen. z.u., z.p..

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1986. Zes jaar broedvogelonderzoek van de vogelwerkgroep Castricum: resultaten. PWN nieuwsbrief 4: 2-12.

Slings, Q.L. & H. Schekkerman, 1990. Vogels van de infiltratiegebieden in het Noordhollands Duinreservaat. KIWA med, 114: 89101.

Slings, Q.L. & H. Snater, 1992. Bosbeheer in het Noordhollands Duinreservaat. Molm, 12(2): 2-17.

Slings, Q.L.& P. Hilgen, 1982. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen: Boswachterij Terschelling. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Slings, Q.L., 1986. Beheersgericht onderzoek in het Noordhollands Duinreservaat. Duin, 9 (3): 65-68.

Slings, Q.L., 1992. Landschapsecologische effecten van suppleties binnen het duingebied. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1992. Vegetatiekartering Noordholland Duinreservaat. Duin, 15 (3): 18-21.

Slings, Q.L., 1994. De kalkgraslanden van de duinen. De Levende Natuur, 95 (4): 120-130.

Slings, Q.L., 1996. Evaluatie optimalistaie ICAS: broedvogels Intern rapport PWN

Slings, Q.L., 1997. Herstel van knopbies-vegetaties door plaggen in een kalkrijke, vochtige duinvallei De Levende Natuur 98 (7): 296-299

Slings, Q.L., 1999. Het effect van natuurgerichte recreatie op de broedvogelstand van het duingebied bij Egmond PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland

Slings, Q.L., 2006. Basisnota versie 2 rapp. PWN

Slings, Q.L., 1979. Analyse van een vegetatiegradiënt. VU doctoraalverslag, Amsterdam.

Slings, Q.L., 1979. Eén pot nat. VU doctoraalverslag, Amsterdam.

Slings, Q.L., 1983. Wat is er met de klapekster gebeurd? Graspieper, 3 (3): 122-125.

Slings, Q.L., 1986. Effecten van diepinfiltratie op de broedvogelstanddeelrapport 5.2. Bijlage bij toelichting op vergunningenaanvraag DWAT. PWN rapport 86/009556, Bloemendaal.

Slings, Q.L., 1989. Verslag Doing-excursie 1985 – Verslag veldbezoek met H. Doing aan NHD in 1989 – verslag veldbezoek met H. Doing in 1990 aan zeedorpenlandschap. PWN rapport intern, z.p.

Slings, Q.L., 1990. Plagexperimenten in een kalkrijke, vochtige duinvallei. KIWA med. 114: 57-64.

Slings, Q.L., 1994. Natuurwaarden: veel natuur en soms veel soorten. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. Procesbeheer voor duinvlinders? Samenvatting en sheets van lezing op Vlindersymposium in de Hoep. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. Roofvogels dunningen. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. De stand van de talrijkere broedvogels van het NHD 1979-1993. De Duinduiker, 2: 1-2.

Slings, Q.L., 1995. De maakbaarheid van de natuur. Duin, 18 (1): 8-10.

Slings, Q.L., 1993. Enkele richtlijnen bij het maken van natte duinvalleien. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. De kalkgraslanden van de duinen. De levende natuur, 95 (4): 120-130.

Slings, Q.L., 1994. Het evenwicht tussen procesbeheer en patroonbeheer in het NHD. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1995. Het plan voetspoor. Duin, 28 (1): 16-17.

Slings, Q.L., z.j. Commentaar op Nota Herintroducties Natuurmonumenten. PWN, Casticum.

Slings, R., 2006. De duinen lijden : afwachten kan niet meer kunnen wisenten verlichting brengen? Nieuwe Wildernis

Slings, R., 1990. Ecologische optimalisatie van het infiltratiegebied Castricum. De Winterkoning, 26 (1): 24-28.

Slings, R., 1995. Konijneziekte VHS. z.u., z.p.

Slings, Rienk 2005. Een historische terugblik in vogelvlucht. De vogelbevolking van de Kennemerduinen Natura 2005(5): 147-150

Slings, Rienk & Henk Wijkhuisen 2005. De teederste kinderen der Hollandse duinflora’ Een bloemlezing uit ecologische historie van de duinen van Zuid-Kennemerland Natura 2005(5): 133-138

Slings, Rienk., 1995. De grote dorst van Noord-Holland en de Berger duinen. in: Heerlijk Bergen? Berger scholengemeenschap, Bergen

Smit, T., 1999. Verdedigingswerken in de Wimmenummerduinen. In opdracht van PWN, intern rapport.

Soonius, C.M., 1993. Broekpolder een archeologische inventarisatie, kartering en waardering. Stichting RAAP, rapportnr. 79, Amsterdam.

Soonius, C.M., 1993. Herinrichtingsgebied Bergen-Egmond-Schoorl, een archeologische kartering en inventarisatie. Stichting RAAP, rapportnr. 73a, Amsterdam.

Soonius, C.M., 1993. Potentiële archeologische waarden in de voor bollenteelt aangemerkte gebieden. Stichting RAAP, rapportnr. 70, Amsterdam.

Sparrius. L.B. & A. Aptroot. 2001. Monitoring van epifytische mossen en korstmossen in het Noord-Hollands Duinreservaat. Rapport NV PWN.

Staten van Holland en Westfriesland, 1652. Generale Privilegiën ende Hantvesten van Kennemer-landt ende Kennemer-ghevolgh. Ian Verhoeve, ’s Gravenhage.

Steijn, J.A., van, 1933. Duinbebossching diss. Wageningen

Stelt – Strijbos, H. M. van der, 1988. “Ter herinnering aan Jan P. Strijbos; rede uitgesproken tijdens de crematie-plechtigheid.” Vogeljaar, 31 (3), 134-135.

Stichting Duinbehoud, 1992. Duinen voor de wind. z.u.,Leiden.

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala.

Strijbos, J.P., 1929. Vogelleven in Kennemerland. Kennemerland-Nummer Natura (7): 134-138.

Strijbos, J.P., 1976. Vogelvrij. Mensen en tijden die ik gekend heb. Autobiografie. Schuyt & Co, Haarlem.

Stuyfzand, P.J., 1993. Hydrochemistry and hydrology of the Coastal Dune Area of the Western Netherlands. Dissertatie. KIWA/VUA.

Swaan, A., 1998. Resultaten Vossenonderzoek intern rapport PWN

Terlouw, L., Slings, R., & W.Boekhorst, 2004. Grote natuurherstelprojecten nabij het Vogelmeer Duin 27 (1): 16-17

Thijsse, Jac.P., 1911. Blonde duinen. Verkade, Zaandam.

Thijsse, Jac.P., 1943. Onze Duinen. Allert de Lange, Amsterdam.

Thijsse, Jac.P., 1946. Natuurbescherming en Landschapsverzorging in Nederland. Wereldbibliotheek, Amsterdam.

Thürkow, A.J., 1986. Het agrarisch landgebruik in de Hollandse duinen in historisch perspectief. Duin, 3: 75-78.

Thürkow, A.J., 1988. Duinen en duinontginning. Historisch Geografisch Tijdschrift, 6 (1): 23-25.

Tjaden, G.G.M., 1987. De ‘heilige’ sikkels van Heiloo. Heilooër Cronyck 1987 (1): 12-44.

Tol, H. & G. van der Burg, 2002. De Wachter tussen de Pieren. Kustfort IJmuiden, Ijmuiden.

Toorn, W. van, 1993. ‘Er moeten nogal wat halve-garen wonen’ Schrijvers in en over Bergen. Eerste Bergense Boekhandel, Bergen.

Tuin, Michel 2008. De mogelijkheid van een ringwalbrug in Beverwijk. Ledenbulletin Historisch Genootschap Midden-Kennemerland: 61-83

Uitterhoeve, A., 1990. Annales Egmundenses. De jaarboeken van Egmond. Alkmaarse Cahiers, deel 1. Zwaan & ter Burg, Alkmaar.

Vader, H., 2008. De oudste bewoners van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Tussen Duin en Dijk, 7 (4): 8-11.

Veen, H. van de, 1990. Het konijn als duinbeheerder. Advies ten behoeve van het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland. z.u., z.p.

Veenstra, B., 1994. Broedvogelinventarisatie Noordhollands Duinreservaat 1993. PWN, Bloemendaal.

Veenstra, B., Klemann, M. & W. van Manen 2007. Broedvogels van het Noord-Hollands Duinreservaat SOVON-inventarisatierapport 2007/16, Beek-Ubbergen.

Velzen, A. van, 1987. 18de eeuwse kruidenhof Beeckestijn Velsen. z.u., z.p..

Ven, G.P. van de (ed.), 1993. Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. 2e gew. dr., Utrecht

Venetiën, J. van, 1968. Hart van Kennemerland. Album van leven en werken in Midden-Kennemerland door de eeuwen heen, uitgegeven t.g.v. 50-jarig bestaan van Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken NV te IJmuiden 1918-1968. z.u., Amsterdam.

Venetiën, J. van, 2001. Een haven in de Noordzee – een waterweg naar Amsterdam, deel 2 in de Historische Reeks Midden-Kennemerland Historisch Genootschap Midden-Kennemerland & Museum Kennemerland, Beverwijk.

Vertegaal, C.T.M., 1997. Beheerplan Noordduinen Zandvoort (Kraansvlak) 1996-2006 rapport PWN

Vis, G.N.M., M. Mosterd & P.J. Marget, 1993. De Egmondse Studieën, deel II: Egmond tussen kerk en wereld. Uitgeverij Verloren, Hilversum.

Voets, B., 1994. Kerk tussen wildernis en weidegrond. R.K. Parochie H. Johannes de Doper, Schoorl.

Vogel, R.L., 1994. Broedvogels van Boswachterij Schoorl en Pettemerduinen in 1993. SOVON-rapport 1994/04, Beek-Ubbergen.

Vogelwerkgroep Alkmaar en omstreken/Natuurorganisatie De Windbreker, 1994. Heden, verleden en toekomst van de meeuwen in de Kop van Noord-Holland. De Graspieper, 14 (2).

Volkerts, N., 1996. Kuieren in Kennemerland : wandelen in de regio’s Haarlem, Haarlemmermeer en IJmond. z.u., z.p..

Vos, R. de, 1994. Micro- en nachtvlinders gevangen in het Noordhollands Duinreservaat (Bergen) in 1993. Intern rapport PWN, z.p..

Vries, C.N. de & Q.L. Slings et al., 1972. De Vinkenbaan van de VWG Castricum in de periode 1961-1971, deel 2. De Pieper, 11 (10): 73-79.

Vries, C.N. de & Q.L. Slings et al., 1972. De Vinkenbaan van de VWG Castricum in de periode 1961-1971. De Pieper, 11 (8/9): 61-69.

Vries, C.N. de, Q.L. Slings & F.W. Vegte, 1980. Verslag broedvogelinventarisatie 1979 Noordhollands Duinreservaat. PWN, Castricum.

Vries, J. de, 1968. Hoogovens IJmuiden 1918-1968. Ontstaan en groei van een basisindustrie. z.u., Ijmuiden.

Vries, S. de & C.M. Goossen, 2002. Recreatietekorten in de provincie Noord-Holland, een globale zicht op de effectiviteit van de voorgestelde plannen tot 2020. Alterra, Alterra-rapport 448, Wageningen.

Vries, T. de, D. Schaap & S. Rolle, 1976. Eene plaats van grooten omvang. 1876-1976 honderd jaar IJmuiden en het Noordzeekanaal. z.u., IJmuiden.

Vries, V. de, 1950. Vlieland, landschap en plantengroei E.J. Brill, Leiden

Vries, W. de, 1981. Een greep uit het landbouwleven in het duin. Rapport PWN, z.p..

Vrugt, A., 1999. Inventaris van het archief van het ambachtsbestuur van Velsen 1415-1813 (1819). Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem.

Wallis de Vries, M.F., 2008. Aandacht voor de bruine eikenpage in Kennemerland. Rapport VS2008.005. De Vlinderstichting, Wageningen.

Waterschap Het Lange Rond, 1993. Waterbeheersplan 1993-1996. z.u., Alkmaar.

Weeda, E.J., 1992. Zandviooltje (Viola rupestris) in de duinen van Noord-Kennemerland. Hoe een dwerg uit de steppetoendra standhoudt temidden van zand, zeewind en konijnen Wetensch. Meded. KNNV nr. 206

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren, 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 4: Bossen, struwelen en ruigten. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Weeda, E.J., Ozinga, W.A. & G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, 2006. Diversiteit hoog houden. Bouwstenen voor een geintegeerd natuurbeheer Alterra-rapport 1418

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1994. Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 1-5. IVN i.s.m. VARA en VEWIN, Amsterdam.

Welman, J., 1967. De Oude IJmond van IJmuiden, AO boekje 1168. z.u., z.p..

Werf, S. van der, 1991. Bosgemeenschappen. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 5 Pudoc, Wageningen

Werkgroep Duin & Kust, 1986. Zeedorpenlandschap in Noord-Holland. Stichting Duinbehoud, Leiden.

Werkgroep Natuuratlas Alkmaar-Bergen, 1991. Atlas van de natuurgebieden in de gemeenten Alkmaar en Bergen. z.u., z.p..

Werkgroep Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten (red.), 1994. Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten. Uitgeverij Noord-Holland, Edam.

Westerberg, J., 1974. Kennemer dijkgeschiedenis. Verhandelingen KNAW, eerste reeks, deel 27, no. 2. N.V. Noord-Hollandse Uitgeversmaatschappij, Amsterdam, Londen.

Westhoff, V. & A.J. Den Held, 1969. Plantengemeenschappen van Nederland Thieme, Zutphen

Westhoff, V. & M.F. van Oosten, 1991. De Plantengroei van de Waddeneilanden KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Wiegman, D.J. & A.R. Kolb Bulthuis, 1961. Studie van de duinbebossing bij Castricum. Doctoraal verslag. LHW afd. Houtteelt, Wageningen.

Wijker, A., 1990. Oud-IJmuiden Monumentaal. Stichting Wijkcomité Oud-IJmuiden, IJmuiden.

Wijker, A., 2001. Libellenatlas Noord-Hollands Duinreservaat 1996-2000 rapport PWN

Wijkhuisen, H., 2005. Tien jaar Nationaal Park Zuid-Kennemerland Natura 2005 (5), themanummer

Wildschut, R.J., 2002. Dagrecreatie Noordhollands Duinreservaat in 2000. PWN, Castricum.

Wildt, J. de, 2007. Een mol in Arcadië. 50 jaar Velser Tunnels. z.u., z.p..

Wit, T. de, Q.L. Slings & K. Westerbrink, 1974. Verslag van het onderzoek naar het voorkomen van Anthriscus sylvestris (L.) Hoffm. (Fluitekruid) in de omgeving van de Hoogovens te IJmuiden. R.I.N. intern rapport.

Woltering, P.J. et al., 1980 – 1994. Archeologische kroniek van Holland. Tijdschrift Holland, Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Zadelhoff, F.J. van, 1981. Nederlandse kustduinen: Geobotanie Pudoc, Wageningen

Zagwijn, W.H., 1971. Vegetational history of the coastal dunes in the Western Netherlands. Acta Bot. Neerl., 20 (1): 174-182.

Zagwijn, W.H., 1984. The formation of the younger dunes on the west coast of the Netherlands (AD 1000-1600). Geologie en Mijnbouw: 259-268.

Zagwijn, W.H., 1986. Nederland in het holoceen. Geologie van Nederland I z.u. ‘s-Gravenhage.

Zeiler, F.D., 1986. Hoog & Vrij, schetsen uit de geschiedenis van de heerlijkheid Bergen tot 1798. Pirola, Schoorl.

Zeiler, F.D., 1988. Tien eeuwen Alkmaar, de Alkmaarders en hun omgeving. Ach Lieve Tijd 13. Waanders bv., Zwolle.

Zeiler, F.D., 1994. ‘Harga, dat ook Ketel heet’. In: Okkema, J.C., G.N.M. Vis, F.A. van Lieburg & B.J. Spruyt: Heidenen, Papen, Libertijnen en Fijnen. Eburon, Delft.

Zeiler, F.D., 1994. Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Intern rapport PWN, z.p..

Zeiler, F.D., 2008. Hel en paradijs. Duintoponiemen in Zuid-Kennemerland Intern rapport PWN,Velserbroek. zie www.duinenenmensen.nl

Zonneveld, P.C., 2005. Duinmeiers in de Brederoder duinen te Velsen. VELICENA, uitgave Historische Kring Velsen, 2005 jrg 14, pag.3 t/m 32.

Bakker, K. de, (red.) 2005. Hier is het paradijs niet verloren. Schrijvers over Bergen aan Zee Conserve, Schoorl.

Keuning, K.J.B., 2007. Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ

Meffert, M.P.W., 1998. Ruimtelijke relaties in het Oer-IJ-Estuarium in de romeinse ijzertijd met nadruk op de assendelver polders. Proefschrift Universiteit van Amsterdam.

Linden, J. van der, 2002. Een straatje om in Beverwijk. , Historisch Genootschap Midden Kennemerland

Nidek,B. van, 1729. Het Zegepralend Kennemerland

Benkert, D. & Brouwer, E., 2004. New species of Octospora and some further remarkable bryoparasitic Pezizales from the Netherlands Persoonia 18(3): 381-391

Normann en Veldhoen, 2008. Het foerageergedrag van wisenten vergeleken met schotse hooglanders in de Hollandse duinen PWN rapport

Diemeer, J, 2005. Gagea minima (L.) Ker:Gawl. nieuw in Nederland : een erfenis van Linnaeus? Rijksherbarium, Leiden Gorteria : tijdschrift voor onderzoek aan de wilde flora

Deursen, C. van & Ehrenburg, A., 2009. Boommarters: de bosgeest uit de fles? “Tussen duin en dijk; natuur in Noord-Holland Jrg. 8 (1) pp. 10 t/m 13”

Kivit, H. & Cromsigt, J., 2009. Poolse werknemers in Hollandse duinen “Tussen duin en dijk; natuur in Noord-Holland Jrg. 8 (1) pp. 20 t/m 22”

Ruijter, Q. de, 1981. Over duinboerderijen en haar bewoners. 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Belonje, mr J., 1984. Het Zeeveld te Noord-Bakkum. 7e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Glorie-van der Steen, A.C., 1990. De jacht in het duingebied. 13e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Boot, H., 2002. Kampeerterrein Bakkum. 25e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kaan, N.A., 2003. Wie was…jonkheer Frits Gevers. 26e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Zuurbier, S.P.A., 2004. De geschiedenis van Johanna’s Hof. 27e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kortenoever, H., 2006. Wie was… Eldert Kortenoever. 29e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kaan, N.A., 2008. De Nachtwacht in het Geversduin. 31e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Calkoen, H.J., 1952. Speelschijfjes. Westerheem 1: 27.

Calkoen, H.J., 1953. IJzervondst uit de eerste eeuw te Santpoort. Westerheem 2: 2-4.

Calkoen, H.J., 1953. Opgraving te Santpoort. Westerheem 2: 47.

Calkoen, H.J., 1954. De legende van de Spanjaardsberg te Santpoort en de oorsprong van de naam Driehuis. Westerheem 3: 2-4.

Calkoen, H.J., 1955. Avondexcursie naar de opgraving aan de Cremerlaan te Santpoort. Westerheem 4: 55-56.

Calkoen, H.J., 1958. Speelschijfjes of …. munten?. Westerheem 7: 123.

Calkoen, H.J., 1967. Velsen – Grepen uit de geschiedenis van een oude woonplaats in Kennemerland. Vermande Zonen, IJmuiden. (12-14).

Cordfunke, E.H.P., 1976. 25 jaar AWN. Westerheem 25: 307-321.

Boone, W.J. de, 1954. Een praehistorische woonplaats aan de Cremerlaan te Santpoort (gem. Velsen). Westerheem 3: 5-9.

Buchem, H.J.H. van, 1958. Een Romeinse kniefibula van de Spanjaardsberg te Santpoort. Westerheem 7: 117-123.

Heeringen, R.M. van, 1992. The Iron Age in the Western Netherlands. ROB, Amersfoort. 157-159, 196-203.

Lijn, P. van der, 1953. Hoe kwamen de Germanen aan ijzererts. Westerheem 2: 32-33.

Modderman, P.J.R., 1955. Iets over de opgravingen van het Spanjaardsbergje aan de Cremerlaan te Santpoort. Westerheem 4: 92-93.

Modderman, P.J.R., 1960-1961. “De Spanjaardsberg; voor- en vroeghistorische boerenbedrijven te Santpoort.” BROB 10-11: 210-62.

Poel, J.M.G. van der, 1956. De prehistorische landbouw in westelijk Nederland. Westerheem 5: 97-98.

Rechteren Altena, J.F. van, 1970. ? “in: S. Jelgersma et al. 1970. ‘The Coastal Dunes of the Western Netherlands; Geology, Vegetational History and Archeology.’ Med. RGD, n.s., 21: 93-167.”

Wieland Los, B.J. 1959. Opgravingen in de Spanjersberg te Santpoort. Levende Natuur 62: 38-44.

Wieland Los, B.J., 1960-1961. Het geo- en bioarcheologisch onderzoek. “in: Modderman, P.J.R., 1960-1961. De Spanjaardsberg; voor- en vroeghistorische boerenbedrijven te Santpoort, BROB 10-11: 210-62; Bijlage, 251-259. “

[/expand]

(Door: Rolf Roos)

Bij een mini-expeditie in april 2021 naar een bijna verdwenen plantensoort, hadden we beet in zowel natuurgebied Quackjeswater als in een aangrenzende tuin. We troffen ook – bij toeval – de heer, tevens een oud-voorzitter van de KNNV, die in zeventiger jaren Sipkes erop had gewezen. Een plantenliefhebber die overigens ontkent de soort te hebben aangeplant, net als Sipkes…die alle vindplaatsen al in 1976 beschreefmoeten we nu het als ‘wild’ gaan beschouwen?

Een voedselrijk en vochtig, deels beschaduwd bos met in de ondergrond stromend water; naast goudveil zijn te zien: hondsdraf, kleefkruid, grote brandnetel en klein springzaad (kiemplant, linksboven).

C. Sipkes (1895 -1989) wordt vaak afgeschilderd als importeur van menige wilde plant naar het duin van Voorne – wat klopt voor de Heemtuin Tenella’s plas, maar in het duin zelf is er maar voor enkele soort hard bewijs. In een artikel uit 1976 over goudveil toont Sipkes zich redelijk zuiver op de graat met afwijzingen van uitzaai van bijvoorbeeld reuzenbereklauw. Hadden ze maar beter naar hem geluisterd in o.a. Strypemonde waar het er nu vol mee staat. In het bewuste artikel ‘Een vreemde groeiplaats van Verspreidbladig goudveil (Chrysoplenium alternifolium op Voorne)’ meldt hij stellig: “Het brengen van (..) soorten die op een buitenplaats als ‘stinseplant’ geen slecht figuur zouden slaan, in een natuurreservaat van den eerste orde is wel een zeer afkeurenswaardige handeling.” Kortom, als hij leefde naar dit woord, is de hele lijst aan ‘verdachte Sipkessoorten’ zoals bonte akelei, zwartblauwe rapunzel, eenbloemig parelgras, doorwaskervel etc. op zijn slechtst een gevolg van ‘garden-escapes’ o.a. uit zijn tuinen. Slechts voor 1 soort, kruisbladgentiaan, en dan op 1 locatie, Stekelhoek, wordt door derden, in dit geval Victor Westhoff, zijn naam expliciet als aanplanter vermeld (Westhof, 1960). Een jeugdzonde op middelbare leeftijd? In het genoemde artikel uit 1976 geeft Sipkes duidelijk aan dat in ieder geval niet hij maar anderen verantwoordelijk zijn voor Turkse lelie (al tientallen jaren diep in het duin) en het goudveil.

De afvoer: duinrel door het bos van het Quackjeswater

Goudveil in 1976

Op basis van een melding rond 1966, beschrijft Sipkes zijn eerste vondst in 1976: “Veel heb ik gezocht naar de groeiplaats van het Wisselbladig goudveil bij het Kwakjeswater, maar altijd tevergeefs, totdat iemand die deze kende, mij de plant aanwees en wel op een plek, waar ik de soort nooit verwacht zou hebben, niet ver van een woning, dicht bij een afvalhoop en keurig, zoals dat hoort, langs een greppel. Dikwijls zijn dergelijke vondsten eendagsvliegen, vooral door de vele Konijnen, maar hier had het Goudveil zich uitgebreid door uitlopers en waren er 4 flinke plekken geheel mee bedekt, tezamen rond 10 m2 , en daartussen weer geïsoleerde planten, die wel uit zaad opgekomen zullen zijn.”

Goudveil in 2021

Han Meerman van Natuurmonumenten meldde me enkele planten in 2020: “Bijna onvindbaar langs een duinrel, maar erg weinig nog”. Tijd dus voor een check of de bijzonder fraaie bloempjes van Chrysoplenium alternifolium nog te vinden waren, ruim een halve eeuw na de eerste meldingen. Theo Briggeman, verwoed vogelman maar voor een plantje niet bevreesd, moddert op bergschoenen en ikzelf op laarzen door het drassige bos. We volgen de afwateringsrel van het Quackjeswater die in de winter (te) overvloedig water kan afvoeren naar de polder. Het is een mooi van vocht verzadigd milieu met meidoorns, kamperfoelie en wat eiken, half in de zon en half in de schaduw. Er stroomt in april nog weinig water. Pas aan het einde, nabij de bewoonde wereld, vinden we een eerste 5-tal zonnig plantjes waarbij ik Theo graag vereeuwig.

Het is alleen niet zo’n malle vondst, want ‘normaal’ groeit het goudveil bij beekjes en bronnen in Twente en Drenthe. Een betoverend klein plantje. De naam alleen al. Chrysoplenium = (Grieks) gouden sluier = goudveil, vanwege het fijne weefsel (filigrain) van groene en goudgele blaadjes en bloemblaadjes, dat in het vroege voorjaar hele bodems kan bedekken. Dat is verderop langs de rel te zien, waar we tientallen planten invoerden op de openbare database waarneming.nl.

Twee KNNV-voorzitters liepen elkaar weer tegen het lijf: Theo Briggeman (links) en Hans de Ligt, 21 april 2021

Het relletje komt dan langs een huis waar we oud KNNV-voorzitter Hans de Ligt aantreffen die met enthousiasme vertelt over Kees Sipkes die in de zeventiger jaren op bezoek kwam om de plant te zien. Volgens Hans de Ligt is de theorie van Sipkes dat de plant uit een tuin uit de buurt kwam (van Dhr. Verhagen enkel kilometer verderop) niet onaannemelijk. Maar als ergens het milieu passend is voor deze soort dan is het wel hier. Het kalkrijke duinwater klotst hier soms over de randen van het reservaat.

De behulpzame opzichter Jaap van Baarsen hielp destijds hier de familie de Ligt toen in een nat jaar het Quackjeswater overliep en de rel zoveel water afvoerde dat de kelder onderliep. Dat vinden aanwonenden van natuurgebieden nooit leuk. Samen ontwierpen Hans en Jaap de omleiding die er nu nog ligt: deels slingerend door hun bloemrijke tuin als een Limburgse beek, deels langs de weg. In de winter altijd ijsvrij en laatste strohalm voor watersnippen, in het voorjaar een topmilieu voor o.a. verspreidbladig goudveil.

De rel in de winter, januari 2021

Wie een goede verrekijker heeft kan langs de rel vanaf de weg een 5-tal meter ver kijken en het spel van geel en groen op de oever zien. Ook in de tuin zelf staat goudveil verspreid in de laagte. Een introductie, mogelijk door mensenhand of door uitzaai vanuit een tuin elders, maar na een halve eeuw wel als wild te beschouwen. Het biotoop deugt en dan is alles mogelijk. Als kers op de taart: naast goudveil staat op de tuinlocatie nog een andere ‘echte’ beekplant: bittere veldkers. Door Frederik van Eeden al in 1874 voor Voorne genoemd…. Kortom het botanisch recherchewerk kan gewoon worden voortgezet. Wie kent er meer vindplaatsen?

Gezicht vanaf de openbare weg op de duinrel; goudveil is met verrekijker links goed te zien vogelaars!

Sipkes, C. 1976: ‘Een vreemde groeiplaats van Verspreidbladig goudveil (Chrysoplenium alternifolium op Voorne). De Levende Natuur 79 (7-8):181-184.

Westhoff, V.  1960:  Rapport omtrent de betekenis van Stekelhoeksduin als natuurgebied in het geheel van Voorne ’s Duin. (gem.Rockanje). Bilthoven (RIVON).

Naschrift door Erik Ketting: “De vindplaats op Voorne ligt ver van de verspreidingskernen, of die wild is valt te bezien, maar het aanplanten is ook niet aantoonbaar. De ecologie van de vindplaats klopt wel.

Het Paarbladig Goudveil komt op Voorne voor in de Heemtuin Tenellaplas en langs een rel daar vlak bij, en in bij de Stinzetuin en op een aantal andere plekken in Mildenburg.”

Zie de landelijke verspreidingskaart (waar alleen verspreidbladig goudveil op Voorne inmiddels als ‘wild’ worden beschouwd) via de links:

Paarbladig goudveil 

Verspreidbladig goudveil 

Over de kunstmatig opgehoogde zeereep (de lichtgroene banen) stuif het zand naar binnen

Op deze route volgen we behalve in het begin bij de parkeerplaats Tweede Slag Rockanje de Groene paaltjes die hier door Natuurmonumenten zijn uitgezet. Veldnamen zijn ook hier veelzeggend: Brandweerpad (ze moeten er in kunnen), de bijna onzichtbare Brandijk uit ca 1650 en veel vochtige flora: Wederikvallei, Waderdriebladvallei, Reukgrasvallei. Zie verder de tekst in het boek ‘Duinen en mensen Voorne’. Foto’s: Rolf Roos

Kandelaartjes en zandpaardenbloemen in april
Oude Brandijk: alleen te vinden door een woud van lianen maar op de route ook een enkele keer bij groen paaltje (zie de route hieronder).

(Door: Rolf Roos). In 1995 verscheen mijn boek Bewogen kustlandschap, over duinen en polders van Noord-Kennemerland. 25 jaar later Bloeiende duinen over heel Nederland. In de tussenliggende periode verschenen drie titels in de serie Duinen en mensen, namelijk Kennemerland (2009), Noordkop & Zwanenwater (2011) en Texel (2013). Tijd om met pensioen te gaan? Nou nee, niet helemaal, wel tijd om eens terug te kijken.

Door alle lof die Pieter Slim in het vakblad voor vegetatiekundigen (Stratiotes 55, pag.47-50) ons recent toewuifde zonder mijn kompanen met naam en toenaam te noemen, ontkom ik niet aan enige plaatsvervangende schaamte, want alleen door zeer veel steun en door op de schouders van velen te mogen staan kon ik deze boeken componeren. Dat is natuurlijk uitgesproken bij presentaties, in alle uitgebreide dankwoorden en beeld- en tekstverantwoordingen, maar ik wil toch op het stuk van Slim reageren  en expliciet melden wie er allemaal van zeer groot belang waren. En passant doe ik filosofie en werkwijze uit de doeken.

Presentatie van Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater in 2011 met vele mensen die me bijstonden waaronder: Gerrit Welgraven, Ronald van Wijk, Tim Pelsma, Aad Barendregt, Theo Baas, Cor ten Haaf, Piet Veel, Machiel van Wijngaarden, Anneke Brouwer en Margreet Frowijn. Foto: Eric van der Eijk

Hoe steken we een boek in elkaar

Componeren, ja dat is het beste woord. Er zijn leidmotieven. Nu volgt een lange zin. Elk boek uit de serie Duinen en mensen heeft een onderliggende vraag (wat zien we in de duinnatuur en vormen in het landschap, en hoe kunnen we dat verklaren), een zoeken naar de essentie (wat is nu echt kenmerkend voor een regio of deelgebied), een onderliggend uitgangspunt (elke discipline die bijdraagt aan ons begrip krijgt een podium, dus ook veel historie en archeologie), jongensbravoure (elk wetenschappelijk inzicht moet te populariseren zijn en mooi te verbeelden) en ten slotte echte overmoed (we weten dat het niet meer mogelijk is om alle publicaties over een streek en onderwerp te lezen, laat staan mentaal te verwerken en toch willen we het laatste nieuws zien af te filteren en niets missen.) Om kennis uit de boeken en rapporten omhoog te krijgen werkte ik journalistiek: alleen hoofdlijnen lezen indien beschikbaar, kenners soms via via en de tam tam opsporen en uitvragen, veel gezamenlijk het veld in, concepten (ook hele slechte, waarvoor onze excuses) aan kenners voorleggen, net zo lang totdat er een goed doorbakken tekst ligt. 

Pettermerduinen 2018. Met vele personen die meewerkten aan Bloeiende duinen of andere titels: v.l.n.r. Nico van der Wel, Annelies Boutellier, Jacqueline Kok, Kees Vertegaal, n.n., Hanneke Waller, Jan Cevat, Rolf Roos, Coen Blom en Kees Bruin. Foto: Liesbeth Sluiter.

Vormvastheid is wat ons redt als we in een werkproces zo veel kennisstof laten opwaaien. We gooien boekenkasten om, speuren digitale archieven met oude tijdschriften af op mooie doorzichten of gedateerde maar leerzame visies, en bellen ons een slag in de rondte. Bij Bloeiende duinen was ik dankzij webbouwer Ronald van Wijk (ook een uitstekend fotograaf en marketingman die ik leerde kennen omdat hij geheel illegaal maar met de beste motieven het uitverkochte boek Bewogen kustlandschap online wilde zetten) in staat om oproepen voor auteurs en partners te plaatsen. Op de door Machiel van Wijngaarden ontworpen website duinenenmensen.nl zetten we doorlopend deelartikelen waarvan ik niet wist of ze een boek halen of voorstudies zullen blijven. Op het web kan iets makkelijk rijpen. Hier valt de term ‘we’ voor het eerst, en dan bedoel ik met name Nico van der Wel die bij bijna alle titels mijn meer realistische (en nettere!) co-redacteur en ook auteur was, waardoor ik weer goed kon beslissen wat wel en niet de eindstreep mocht halen. Mijn vrouw Anneke Brouwer was niet alleen onmisbaar omdat ze mijn vrouw is. Als intelligente niet-kenner hielp ze me de overdaad aan onderwerpen selecteren en aanscherpen. Ze was de ‘doelgroep’, samengebald in een enkel persoon. En verder kies en redigeer ik langs de simpele lijn: als ik ergens blij van wordt, mag het het boek in.

In de Muij, Texel, 2012, links Nico van der Wel, rechts Rolf Roos. Foto: Berend Klif

Onderwerpen zijn vaak geordend volgens ogenschijnlijk simpele principes als vakdiscipline of geografische eenheid, maar steevast met als uitgangspunt: herhalingen schrappen waar mogelijk. En zo doe je menig meewerkend auteur pijn die pas verzacht wordt als het gehele boek er is.

Dan is er het creatief uitdagende uitgangspunt: het vormgeefprincipe dat elke twee pagina’s een overzicht moest bieden van een samenhangend onderwerp, waarbij tekst en beeld allebei 50 procent van de pagina krijgen. Overal waar je het boek openslaat, word je zo getrakteerd op een ‘spread’, met een soms diepgaand maar altijd verhelderend verhaal. Dit is geen oerwet, maar een richtinggevend principe. Qua stijl probeerden we een ieder te verleiden tot relatief korte zinnen, alleen jargon waar strikt nodig. Af en toe meer beeldend taalgebruik zonder in Wolkeriaanse lyriek uit te komen… dat mag best wel. We produceerden geen wetenschap, maar enthousiaste doorkijkjes. 

Een product dat niet meer bestaat; Duinen en mensen Kennemerland is uitverkocht na een oplage van in totaal 11000; de prijs van dit pakket was overigens idioot laag; Bewogen kustlandschap (1995) kostte f 59,50 en er zijn er evengoed 10.000 van verkocht.

Om beeld en tekst tot eenheid te krijgen vroeg ik mezelf en elke medeauteur om vanaf het begin bij het verhaal meteen het belangrijkste beeld te leveren en/of te laten ontwikkelen. Als we voldoende budget hebben, lieten we kaarten en grafieken allemaal overmaken in één stijl. Die stijl (kleuren, indeling, typografie) is bij het eerste boek over Kennemerland in principe ontwikkeld door Hans Lodewijkx en Machiel van Wijngaarden, en hierop is bij de latere boeken gevarieerd door Marc Elsendoorn die Noordkop, Texel en Bloeiende duinen voor ons vormgaf, en daarbij blijk heeft gegeven van een enorme flexibiliteit. Want al heb je een verhaal in je hoofd en lever je tekst en beeld goed aan, pas na de eerste vormgeving kun je bepalen waar het heen moet en pas als een heel boek in elkaar steekt, kun je zien wat er nog moet worden bijgeslepen.

Een zeldzame foto met de onzichtbare hand op de achtergrond: vormgever Marc Elsendoorn bij de presentatie van Duinen en mensen Texel. 10 april 2013 Foto: Eric van der Eijk.

Organisatie

Een boek kent economische wetten. Ik leg vaak uit dat een boek in 1 à 2 jaar klaar moet zijn want de markt (ofwel de voorintekenaars) is ongeduldig. En er moet een punt op de horizon zijn. Dit betekent dat er vaak niet meer dan een week voor een leuk deelverhaal is en daarin moeten alle beelden en kaarten ook nog worden gemaakt. Simpel rekenwerk laat ook zien dat een boek maken eigenlijk onbetaalbaar is, want als ik als hoofdredacteur en uitgever mijn vormgevers, kaartenmakers, redacteuren, medeauteurs en fotografen wil betalen kost een boek minimaal 1000 euro per ontwikkelde (en gedrukte) pagina. Niet veel als je een folder van 2 pagina’s maakt, maar heel anders bij een boek van 248 pagina’s. Zo’n budget (en het uitgangspunt dat iedereen redelijk wordt betaald) heb ik alleen gerealiseerd bij Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland. Het eerste schreef ik als enige auteur binnen een jaar, met de onmisbare steun van eindredacteur Bert Buizer, nadat ik ontslag had genomen bij Natuur en Milieu waarmee ik titels van Het Milieu van de Natuur en Opgewarmd Nederland realiseerde. Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland waren er niet geweest zonder PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland dat destijds leidinggevenden had die lijnen hielpen uitzetten maar daarna het werk in vertrouwen lieten doen: Fred van der Vegte en Chris van Deursen (1995) en vooral ook Piet Veel (2008).

Juni 2008. Piet Veel toont de storthelling van de Bruid van Haarlem, een poëtische naam voor een natuurontwikkelingsproject in Zuid-Kennemerland (die bruid verwijst naar de pluizige tooi van het zaad van wilgenroosjes).

Inhoudelijk en qua cartografie leverden twee PWN-medewerkers zeer grote bijdragen: Rienk Slings (die een magnifieke, nimmer gepubliceerde ‘Basisnota’ over duinen had geschreven en meedacht over en meeschreef aan grote delen van beide boeken) en Hubert Kivit (data en kaarten).

Rienk Slings in zijn geliefde zeedorpenlandschap bij Wij aan Zee, 2015. Foto Ronald van Wijk

Kernfiguren die Duinen en mensen Kennemerland mede bepaalden waren oude rot Joop Mourik (veel Zuid-Kennemerland), precisie-archeoloog uit Velsen Wim Bosman en Ulco Glimmerveen, die ik destijds kon inhuren om door mij bedachte historische landschapsimpressies te maken (vanaf Bewogen kustlandschap).

Uit Bewogen Kustlandschap, 1995: impressie van het Oer-IJ met achterland, met op de voorgrond de langsvarende boot van Pyteas van Massalia, ca 350 B.C.

Bij Kennemerland waren vele (toen nog) redelijk bezoldigde deskundigen en fotografen betrokken waaronder rozenkenner Bert Maes, Chris van Daalen, Ruud Luntz en vele anderen. Na de crisis van 2008 waren de middelen voor boeken aanzienlijk minder al stoomden we op andere manieren voort. Maar ik moest het uitgangspunt om iedereen redelijk te honoreren helaas loslaten anders was er geen boek meer gekomen. Sorry co-auteurs en fotografen! 

Voor Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater was de belangrijkste partner Landschap Noord-Holland, in de persoon van Jan Kuiper, destijds directeur en een grote steun. Landelijke en bestuurlijk weinig flexibele terreinbeheerders als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer deden wel inhoudelijk mee, maar leverden geen budget (maar we konden wel rekenen lokale boswachters en beheerders). Vooral in het Zwanenwater bleek vrijwilliger Dan van Lunsen een goudmijn. Hij heeft veel meegeschreven en moest dan mopperend akkoord gaan met de eeuwige inkortingen en redactierondes, gevolg van de eerder beschreven boeken-economie. Zijn onderbouwde verhalen over vroegere onderzoekers en jachtopzichters vonden bij mij een warme ontvangst maar ook teksten over trends bij de vogels (o.a. het vrijwel verdwijnen van de legendarische lepelaar uit het Zwanenwater) zijn van zijn hand. Vele achtergronden plaatsten we op duinenenmensen.nl.

Dan van Lunsen, ca 2010, bij de doorgang naar het Tweede Water, het Zwanenwater met opvallend veel moerasandijvie, geen alledaagse duinplant.

Voor dit boek memoreer ik ook Cor ten Haaf uit Groet die veel kennis van zaken inbracht, en Martijn Oud, enthousiast mycoloog uit Alkmaar die ik uitnodigde om de onbemeste, drassige graslanden van het Zwanenwater te verkennen en daar tientallen bijzondere soorten beschreef. Qua fotografie had ik veel plezier van het werk van Ronald Otter (luchtfoto’s), Margreet Frowijn en Erik van der Eijk (o.a. panorama’s). In alle delen Duinen en mensen heb ik een plaats in kunnen ruimen voor het werk van Dirck Nab, kunstenaar uit Bakkum, met wie ik gemeen heb nimmer op de duinen uitgekeken te raken.

Zoals de titels over Kennemerland en Zwanenwater inhoudelijk niet konden zonder de inzichten van respectievelijk Rienk Slings en Dan van Lunsen, zo belangrijk voor Duinen en mensen Texel en ook Bloeiende duinen was Kees Bruin, oud-medewerker van Staatsbosbeheer op Texel. Zijn verbluffende kennis van zaken was onmisbaar en hij was nimmer te beroerd voor een pittig commentaar op een voorliggend concept, waarbij hij altijd minimaal voor 90% gelijk had. Teksten van zijn hand waren zeer adequaat en hadden weinig redactioneel poetswerk nodig. Voor Duinen en mensen Texel waren andere eilandbewoners ook van grote betekenis, waaronder Arthur Oosterbaan, Wilma Eelman, Erik van der Spek en Adriaan en Sytske Dijksen (de laatste m.n. fotografie). Een buitengewone vermelding verdient Maarten Stoepker, oud-medewerker Staatsbosbeheer die een magnifiek archief van oude foto’s beheerde waaruit we mochten putten.

Met Maarten Stoepker, april 2013. Zie vooral ook zijn foto uit 1965 in Duinen en mensen Texel, pagina 41.

Financieel konden we de delen Noordkop en Texel rondbreien door een samenwerking aan te gaan met de toen nog net florerende regionale dagbladpers,  in de persoon van uitgever Frenk Dieke. Ik kocht bij hen expertise t.a.v. vormgeving in, hij vermarkte een stevige oplage naar zijn lezers waardoor de drukpersen konden draaien. Ook het PWN was, met het Cultuurfonds, onmisbaar om de eindjes aan elkaar te knopen naast giften van bedrijven en particulieren.

Frenk Dieke, links, 2011

Bloeiende duinen

Bloeiende duinen (2019) gaat over de gehele Nederlandse kust en leunt sterk op beeld en fotowerk van Ronald van Wijk, terwijl de digitale wandelingen werden uitgedokterd door Danny Zuurbier, met als resultaat dat ik 50 plekken in 25 duingebieden wel móest bezoeken en beschrijven. Geen straf. Qua teksten werd ik behalve over de grootste bron Kees Bruin, ook vrolijk van het werk van Nils van Rooijen, Kees Vertegaal, Gerrit van Ommering en Wilbert Kerkhof (sprinkhanen) en de Vlinderstichting die een mooie spread hielp ontwikkelen over duinvlinders. Korte ontmoetingen in het veld met o.a. Kees van der Wal (Schiermonnikoog) en Awie de Zwart (Zeeuws-Vlaanderen) hielpen mij het boek concreter maken. Beeld in dit boek was deels anders dan bij Duinen en mensen door de vele botanische tekeningen die we konden laten maken dankzij o.a. Jacqueline Kok en door de hoogtekaartjes die ik bij elk gebied met Machiel van Wijngaarden ontwikkelde. Erg mooie foto’s waren er o.a. van Bas Kers, Ronald van Wijk, Nico van Kappel, Henk Terhell en vele anderen. Ik betrad met veel plezier het buitenwetenschappelijk pad van het duiden van ‘het karakter’ van een duingebied. Dat geeft te denken en dat is fijn.

Botanische tekeningen voor Bloeiende duinen van Els van der Giessen (helm), Els Hazenberg (parnassia), Jacqueline Kok (duinviooltje) en Marianne van der Stee (duinroos, zeewinde).

Laat je verrassen

Je kon plannen wat je wilde, maar het toeval speelde ook een niet geringe rol. Je moet zo’n archief van Maarten Stoepker toch maar tegenkomen. Magnifieke kaarten bleken nog wel eens op een zolder van een boswachterij of in stoffige archieven bij Ecomare te liggen (die tijd lijkt voorbij). Veel hebben we gedigitaliseerd en online geplaatst. Voor het boek over de Noordkop kwam ik via bronvermeldingen uit bij historisch geograaf Henk Schoorl. Dat leidde weer tot het vinden en opnemen van een met de hand aangevulde kaart van de Noord-Hollandse kuststrook uit ca 1650 van Zoutman, die een nieuw licht wierp op het dijkbeheer en het gebruik en ontstaan van de meren aldaar (en een in ons boek beschreven moord).

Bij archiefonderzoek door Nico van der Wel kwam een kaart met verpachting van Texelse duinen tevoorschijn met daarop de ligging van de helaas vrijwel geheel ontgonnen ‘mienten’ aan de duinvoet. Die kaart siert ons boek over Texel, net als de oude kaart van de zandplaten voor de monding van het Marsdiep die langs koninklijke Engelse wegen tot ons kwam. Die laatste kaart is in ons boek fantastisch verklaard door historicus Frits David Zeiler. Die had eerder al – dat was ik vergeten te melden – door mij geïnitieerd en door het PWN betaald onderzoek kunnen doen naar duintoponiemen (ofwel veldnamen) – zie de deeltitels Hel en Paradijs (Zuid-Kennemerland) en Nollen krochten blinken – Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Beide titels zijn ook te vinden op duinenenmensen.nl en in essentie beschreven in Duinen en mensen Kennemerland en in Bewogen kustlandschap. Veldnamenonderzoek in Texelse duinen werd ons in de schoot geworden door Kees Bruin en Erik van der Spek en door ons online gepubliceerd.

Hoe bescherm je je zelf

Het klassieke adagium ‘Homo homini lupus’ geldt zeker ook voor de boekencomponist. Hoe eenvoudig trap je in de valkuil van nog meer verkenningen, nog meer artikelen, nog meer prachtige foto’s. Ik heb me beschermd door diverse goede linker- en rechterhanden waarbij ik ook Machiel van Wijngaarden nog eens noem voor zijn cartografie. Deadlines waren niet zelden een redmiddel om iemand te laten leveren (of af te laten vallen, sorry). Fotografen heb ik gevraagd delen van hun archieven (die het onderwerp betroffen) bij mij onder te brengen zodat ik via de hulpprogramma’s die er tegenwoordig zijn snel bij hun beeld kon. Dat vraagt veel vertrouwen, maar anders lukte het niet. Beeld en tekst lopen bij mij gelijk op. En we produceerden soms 2 complete pagina’s per week.

Ook Mark Rutte was er (in 2010) blij mee, maar kreeg pas na 2021 tijd om het goed te lezen

Financiële bescherming werd geboden door financiers als het Prins Bernhard Cultuurfonds (bijna alle boeken en ook www.duinenenmensen.nl) en de voorintekenaars, die soms al 1,5 jaar van te voren een bedrag overboekten. Dat klinkt geweldig maar uiteindelijk werden na 2008 alleen de vormgever en drukker en distributeur marktconform betaald. Professioneel boeken maken is eigenlijk gekkenwerk, maar veel te leuk om niet te proberen. Een laag uurloon is trouwens helemaal niet erg als je maar veel uren maakt.

Aanbieding aan de vegetatiekundige, hoogleraarJoop Schaminee, maart 2019

Ben je nu klaar na 5 duinboeken?

Na elk boek ben je er wel een beetje klaar mee, maar dat duurt nooit echt lang. Op Goeree, waar we nu wonen en werken, mochten we in 2019-2020 voor het waterleidingbedrijf Evides een titel helpen maken over de door hen beheerde Middel- en Oostduinen: Het vroon ontrafeld. Qua toon en diepgang en verantwoording een heel ander boek. Zeer waardevol want het komt zelden voor dat een beheerder, in dit geval Marten Annema, samen met twee wetenschappers kwaliteiten, onderzoek en beheer breed kunnen uitmeten. Bij de vormgeving van deze titel is het concept van de duinen en mensenreeks gevolgd. 

Er mislukt ook wel het een en ander. Staatsbosbeheer heeft me wel eens gepolst, maar het idee dat je voor een goed boek ook redelijk moet betalen was daar geen gemeengoed. En niet alle terreinbeheerders zijn zoals PWN en Landschap Noord-Holland, bereid om ver over de grens van hun eigen grondbezit te kijken.

We hebben de laatste jaren een poging gedaan om een Duinen en mensenboek te schrijven over de duinen rond Den Haag, samen met waterleidingbedrijf Dunea. Een andere thematische titel, Oorlogskust, hebben we wel opgezet maar het bleef door gebrek aan stevige financiers niet meer dan een goed idee. 

Vooronderzoek voor Hollandse duinen – 400 jaar kunst en natuur over duintekeningen en duinschilderijen, in is principe afgerond door Boudewijn Bakker, cultuurhistoricus, en ondergetekende, maar deze titel is door gebrek aan goede expositieruimte plus gebrek aan financiers, maar ook door ziekte en andere ongemakken nog even in de wacht gezet. Besprekingen van enkele werken zijn te vinden op www.duinenenmensen.nl via het trefwoord ’duinbeeld’. Geef ons 1 goede sponsor en we zetten het door. Het boek staat al online bij het Centraal Boekhuis als ‘aangekondigd’ en ongezien zijn er daar al 2 verkocht…

Een titel met werknaam ‘Duintaal’ ligt nog te gisten in de kelders van onze geest.

Het meest concreet is op dit moment (eind 2020) het werk aan Duinen en mensen Voorne, waar Theo Briggeman van KNNV Hollandse Delta het bruggenhoofd voor vormt. Of we ooit de hele kust van delen Duinen en mensen gaan voorzien betwijfel ik, want niet elk gebied heeft een beheerder die samen met ons zijn of haar nek durft uit te steken en twee onmisbare zaken meeneemt: vertrouwen en …. Maar ik laat me graag verrassen en word graag – zo lang ik een duinhelling op kan klimmen – 100 jaar.

Recensies

Pieter A. Slim (2020):  Roos, R. (red.), 2019. Bloeiende duinen. Uitgeverij Natuurmedia, Goedereede. 238 p. In: Stratiotes 2020 nr 55: 47-50

Victor Westhoff, (1996). Boekbespreking: R. Roos, Bewogen kustlandschap: Duinen en polders van Noord-Kennemerland. PWN Waterleidingbedrijf Noordholland en Schuyt, Haarlem. 200 p. ISBN 90-609-7400-x. In: De Levende Natuur 97 (2): 98.

Bovenstaande titel is een citaat van Jan Kluit (1722-1811), afkomstig uit de stad Brielle, die in de tweede helft van de achttiende eeuw gebeurtenissen in het land van Voorne beschreef. Anton van Haperen schreef mede aan de hand van zijn gegevens het artikel: De das in de duinen van Voorne!?

Historische gegevens vanaf de 16e eeuw wijzen op de incidentele aanwezigheid van de das in de duinen van Voorne. In hoeverre is er kans dat de das er weer verschijnt? En wie kent er meer waarnemingen uit de periode 16e -19e eeuw?

A.M.M. van Haperen (2017): De das in de duinen van Voorne!? De Levende Natuur jaargang 118, nr. 6; pag. 214 en 215.

(Verscheen eerder in Struinen, het tijdschrift van de Historische Vereniging Westelijk Voorne (33, 3) )

door: Nol Freijsen

Olaertsduin

In het jaar 1354 geeft Mechtild, Vrouwe van Voorne, dus de heerseres op ons eiland, aan twee broers de concessie om het duingebied van Rockanje te gaan exploiteren. Het waren de gebroeders Jacop en Clays Oelaert. Zij werden daardoor de opvolgers van hun voorouders, die hen voorgingen in het gebruik van het gebied. Dit kreeg door de band met deze familie ook hun naam als toponiem (gebiedsnaam): Olaertsduin. De naam is voort blijven bestaan bij Rockanje tot in onze huidige tijd.

            Het betreffende duingebied grensde aan het Oude Rockanje en de polder Stuifakker. Men moet zich hierbij wel voorstellen dat het toenmalige duingebied binnen het Ambacht Rockanje (de latere gemeente) heel wat smaller was dan het tegenwoordige duingebied daar. En een ander groot verschil was de gesteldheid van het landschap. In de oorkonde van Mechtild wordt gesproken over een “uitgors”. Hiermee werd bedoeld dat het gebied nog openstond voor hoge vloeden van zeewater. 

            In de loop van de 14e eeuw kwam er blijkbaar een eind aan het bestaan van de Olaertsers als duingebruikers. Vanaf die tijd kwam het duin in handen van andere pachters. Dat waren prominenten met de naam Van Naaldwijk. De documenten die daarop betrekking hebben, maken ons duidelijk dat het duingebied van Rockanje nog steeds onderhevig was aan overstroming door de zee. Het beperkte de mogelijkheden voor gebruik van het duin. We moeten ons voorstellen dat de meeste inkomsten voor de pachters verworven werden uit de jacht op konijnen, die van de 13eeeuw in ons land voorkwamen en in de duinen zeer talrijk waren. Zij werden gejaagd voor het vlees en het bont.

            Opvallend is het dat ondanks het vertrek van de familie Olaert uit het duin, hun naam voor dat gebied gehandhaafd blijft tot in de 17e eeuw. Dat zien we op topografische kaarten uit die tijd. De kaart van Jacob Cornelis Koutter uit 1608 is daar een duidelijk voorbeeld van (Fig. 1 a en b).  

Fig. 1a. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608: Oolaerdts duyne, ‘Twintgat, Grote Creeck, Kijf Duijne, Berckenrijs. (Jacob Cornelis Koutter; Hingman collectie nr. 2030
Fig. 1b. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608 interpretatie van bovenstaande kaart 1a.

En daar blijft het niet bij. We zien hun naam verschijnen in het poldergebied. Ze werden toen blijkbaar eigenaar of pachter van een deel van de polder Stuifakker en dat kreeg de naam Nieuw Olaertsduin (Fig. 2).

Fig. 2. De duinen nabij Rockanje omstreeks het midden van de 17e eeuw: Nieu Olaers Duijnen, Gorsinge toecomende de Heer van Obdam, Sinte Pietersdyck, TWint gadt. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2035)

            Op die plaats leeft de naam Olaertsduin voort tot in onze tijd. Heden ten dage ligt daar het landgoed met die naam (Fig. 3). Het werd in 1910 gesticht door William Smith. De gebouwen aldaar hebben in de moderne tijd publieke functies gekregen o.a. Volkshogeschool en waren en zijn zo bekend.

Fig. 3. Binnenduingebied van Rockanje nabij het Windgat. Olaertsduin, “Windgat” = Strypemonde. (Topografische kaart 2019; ontleend aan topotijdreis.nl)

Windgat

Er is geen passender naam voor een deelgebied in het duin van Voorne dan de benaming Windgat, zoals hieronder zal blijken. De benaming stamt uit de Middeleeuwen, uit het jaar 1479. Toen werd het gebied genoemd in een oorkonde in verband met verpachting door de toenmalige heersers over Voorne Maximiliaan en Maria van Bourgondië. Het werd omschreven als het gors tussen Berckenrijs in het noorden en de Olaertsduinen in het zuiden. De exacte ligging van Windgat wordt pas duidelijk op de veel latere kaart van Koutter, die we boven reeds hebben genoemd in verband met Olaertsduin (Fig. 1.). Ter verdere verduidelijking: het op deze kaart genoemde Kijf Duyne is nu het gebied van het landgoed Strypemonde. De naam Kijf Duyne kennen we niet meer, wel die van Berckenrijs nl. als naam van een nabij gelegen weg. In de oorkonde werd overigens ook de verpachting van de Olaertsduinen gegund aan dezelfde persoon, zijnde Cornelis Gillisz van Cleyburg. Die gingen dus weer in andere handen over.   

Een grote bijzonderheid van de kaart van Koutter is, dat we een getijdenkreek zien, lopend vanaf de monding van het Haringvliet naar en in het Windgat. Hij draagt de naam Grote Creeck. Van wanneer die kreek dateert, is niets bekend; de geologische kaart geeft hierover geen informatie. Of hij reeds in 1479 er was, weten we dus niet. Het roept wel de vraag op, of de kreek misschien ontstaan is bij de grote stormvloed van 1214, waarbij grote veranderingen optraden in de waterhuishouding van Voorne o.a. ook met de vorming van de Gote kreek.

            Wat we wel weten, is dat de Grote Creeck ongetwijfeld bestond in het jaar 1570. In dat jaar vond de Allerheiligenvloed plaats op 1 november. De kreek was toen de toegangsweg voor het zeewater in de richting van de polder Stuifakker. Het water vernielde de Noorddijk en de Vleerdamsedijk. Dat bracht veel consternatie in die polder. Omdat de leiding van de polder niet gauw genoeg in actie kwam, gingen de ingelanden er toe over om zelf een nieuwe dijk aan te leggen. Dat werd de Pietersdijk, die de Grote Creeck de weg afsneed en de duingebieden aan weerszijden van Windgat verbond. Het restant van de Pietersdijk ligt parallel aan het zandpad lopend vanaf het Kreekpad naar het landgoed Strypemonde. Niet goed zichtbaar echter door overvloedige groei van struiken en bomen. De overstroming van het gebied in 1570 maakt duidelijk, dat het Windgat door zijn openheid in het duin niet alleen toegangspoort was voor veel wind, maar dus ook voor water aangevoerd door die wind. De reden voor mijn opmerking aan het begin, dat de naam  Windgat zo doeltreffend was.

            De naam Windgat is tot in onze tijd blijven bestaan, maar wel op een merkwaardige manier. Op de topografische kaart van westelijk Voorne staat de naam vermeld op de plaats van het landgoed Strypemonde. Hij is dus verschoven en staat niet meer daar waar hij thuishoort. Gewoon fout en dat verwacht je niet van een topografische kaart (Fig. 3). Dezelfde fout treffen we overigens ook aan op oude wandelkaarten van de huidige duinbezitters ZHL en NM. 

Obdam

Boven sprak ik over verpachtingen van de duingebieden, door de eigenaars nl. de Heer of Vrouwe van Voorne of de Graaf van Holland. Dat ging veranderen, het Windgat kreeg een particuliere eigenaar. In de 17e eeuw verschijnt de naam Obdam op kaarten van Rockanje (Fig. 2). Die naam vraagt enige uitleg. Zijn drager was een prominente figuur in het maatschappelijk bestel van Holland in die tijd. Hij heette Jacob van Wassenaer en hij behoorde tot een aanzienlijk geslacht. Zijn vader was admiraal van de marine en hij volgde zijn vader op in die hoedanigheid. De Wassenaers waren heersers in verschillende gebieden o.a. in het stadje Obdam in Noord-Holland en dat bracht blijkbaar de naam Obdam naar ons duingebied.

            Het bezit van de Heer van Obdam, zoals we de aanduiding aantreffen op kaarten, bleef niet beperkt tot het Windgat, maar het breidde zich uit over alle duinen van Rockanje. Dat is mooi weergegeven op een kaart van het jaar 1694 (Fig. 4).

Fig. 4. Het kustgebied van Rockanje en Oostvoorne in 1694. De heer Opdams duijnen. (Gideon van Rest; Hingman collectie nr. 2033)

De toenmalige eigenaar was overigens een jongere vertegenwoordiger van de dynastie Van Wassenaer, waarvan de leden nog een eeuw in het bezit van het duin bleven. Volgens de kaart vormde het duingebied van Voorne een aaneengesloten geheel en het Windgat lag  niet meer open naar het strand. Ook uit andere bronnen is inderdaad bekend dat omstreeks de eeuwwisseling de duinen van Rockanje en Oostvoorne aaneen gegroeid waren. En daarmee ontstond de huidige landschapsstructuur in onze binnenduinen. Het is echter bekend dat het duingebied van Rockanje toch nog steeds erg open lag met veel verstuiving tot gevolg. In 1683 sluit de Heer van Obdam een overeenkomst met het Hoogheemraadschap, het waterschap in die tijd,  tot het aanbrengen van helm in het duin om het zand vast te leggen. 

            De duinen van Rockanje hadden, zoals we nu gezien hebben, van oudsher particuliere eigenaren of pachters. Dat is een opmerkelijk verschil met de duinen van Oostvoorne. Deze bleven al die tijd onder direct beheer van het Huis van Voorne en toen dat uitgestorven was werd de Graaf van Holland of zijn vertegenwoordiger de heerser. In overeenstemming daarmee droeg het duingebied van Oostvoorne de aanduiding Graaflijkheidsduinen. 

            De bespreking van het Windgatgebied vraagt nog om vermelding van een aardig detail. Op een primitief getekende kaart van Rockanje en omgeving treffen we de vermelding aan dat in 1602 grond is aangekocht voor de aanleg van een weg naar Windgat (Fig. 5). Het betekent, dat de toenmalige eigenaar van Windgat zich zo toegang wilde verschaffen tot zijn gebied. Er was dus in dat jaar al een particuliere eigenaar van het gebied, die voorafging aan Jacob van Wassenaer. De aangelegde weg hebben we nog steeds. Het is de Heerzijnweg in de polder Stuivesant. Dit is misschien het meest sprekende restant van de oude geschiedenis van het Windgat. 

Fig. 5a. De polders van Rockanje, Stuifakker en het Windgat. Heerzijnweg uit 1602 in Stuifakker, toegangsweg naar Windgat. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2037)
Fig. 5b.Interpretatie van detail Hingman collectie (nr. 2037) zie 5a.

Literatuur

Freijsen, A.H.J. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Uitgave Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Graaf, H. van der & C. Wind (1985) Rockanje, wording en groei. Repro-Holland B.V., Alphen aan de Rijn. 

Kort, J.C. (1972) Het Archief van de Heren van Voorne Burggraven van Zeeland 1273-1371. Algemeen Rijksarchief, ’s-Gravenhage.

Snijders, M. (2017)  Buitenplaatsen. Het verlangen naar landelijkheid. Westvoornaer 2, 7. Uitgave van Bastion X Communicatie Partners.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50000. Blad Rotterdam West (37W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Kaarten

Nationaal Archief, Den HaagVerzameling Binnenlandse Kaarten Hingman, nummer toegang 4.VTH

Door: Nol Freijsen

De duinen van Voorne staan bekend om hun grote rijkdom aan plantensoorten en hun dierenwereld is eveneens interessant. Hun rijkdom aan veldnamen voor de grote geografische verscheidenheid mag er ook zijn. Het zijn vaak namen met een hoge ouderdom en een soms mysterieuze achtergrond

Brandijk of Branddijk

In de duinen van Rockanje ligt een gebied, dat een wisselende naam draagt; het is Brandijk of Branddijk. Zo was het vroeger en zo is het nog. Dat doet vreemd aan. Nog meer bijzonder is, dat de lettergreep “dijk” in de naam voorkomt. Dat roept meteen de vraag op, hoe kan er een dijk in de duinen van Voorne liggen? Dijken horen in het polderlandschap thuis. Het is interessant om dit alles nader te onderzoeken.

Figuur 1. ANWB kaart 1998 met aanduiding Branddijk

Waar ligt dit interessante gebied precies? Op de kaart (Fig. 1) bevindt zich een wandelpad tussen de ingang van het duin aan het eind van het Kreekpad en de zgn. Zwarte Hoogte. Dat laatste is een duintop begroeid met donkere dennenbomen. Het pad slingert daar naar toe. De eerste honderden meters worden aan de rechterkant begeleid door een grote duinplas De Vogelpoel. Maar aan de linkerkant krijgt u een heel ander beeld. Daar bevindt zich een reeks van duintopjes gescheiden door lagere gedeelten. Dit is nu juist onze Brandijk. Overigens gaat dit beeld van het wandelpad verloren dichter bij de Zwarte Hoogte, waar het pad de bosschages ingaat rondom die duintop.

De eerste vermelding van de Brandijk vinden we in een publicatie uit 1930 van de hand van J. van Hoey Smith. Hij gebruikt de naam Branddijk in verband met het vermoeden dat deze naam ontstaan is in de gedachte dat de branding er tegen aan gestaan zou hebben.
Een eerste gedetailleerde beschrijving van de Brandijk vinden we in een publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith uit 1935. Hij was toen veel langer, ca. 1 km, en strekte zich uit voorbij de plek van de Zwarte Hoogte (Fig.2).

Figuur 2 Ligging van de Brandijk in het duin van Rockanje volgens tekening uit 1935. Zie het oorspronkelijke onderschrift. Een rode lijn is toegevoegd voor de aanduiding van de Brandijk.

De Brandijk wordt door hen beschouwd als een oude bedijking door aanstuiving verkregen. Dat is mogelijk door het aanbrengen van obstakels voor de wind b.v. takken om de ophoping van zand te bevorderen. Zo zou er sprake geweest kunnen zijn van het creëren van een zeewering.
De kaart van Koutter uit 1608 geeft de ligging van de toenmalige duinen van Rockanje (Fig.3).

Figuur 3 de kaart van Koutter, 1608; de Brandijk wordt niet vermeld maar er wordt verondersteld dat de buitenste duinenrij de Brandijk is Met weergave van de kreek Groot Creecke

De Brandijk vormde de uiterste duinreeks in dit duingebied volgens een te verdedigen uitspraak van Hofker & Van Rijsinge uit 1934. De datering van de Brandijk is dus: vóór 1608. Een meer exacte datering hebben we niet.

Dankzij dezelfde kaart weten we, dat op de westpunt van Voorne een kreek het land binnendrong, Groot Creecke genaamd. Deze lag tussen de duinen en de zee en dus ook tussen de Brandijk en de zee. De Brandijk grensde niet aan zee, maar was daarvan gescheiden door de kreek.
Er is een aspect aan de Brandijk, dat twijfel doet rijzen aan een mogelijke functie als zeewering. Volgens een tekening in de publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith zou de Brandijk een open uiteinde aan de zuidkant hebben gehad (Fig. 2). Dat maakt het bestaan van de Brandijk als zeewerende dijk onwaarschijnlijk. Het water kon er omheen stromen. Men kan hooguit veronderstellen, dat hij enige bescherming heeft geboden door het zeewater of het water uit de kreek minder snel toe te laten tot het gebied achter de Brandijk. Daar lag een laag gelegen gebied, tegenwoordig Vallei geheten.

Uit de historie van de aanleg van polderdijken blijkt, dat overstromingsgevaar door de zee van het poldergebied boven het dorp Rockanje, grenzend aan de duinen, heel lang een probleem is geweest. In de 14e eeuw werd daar de Vleerdamsedijk aangelegd en in de 15e eeuw de Noorddijk (Freijsen 2017). Daar blijkt wel uit, dat in het duinsysteem zelf geen dijk aanwezig was. De Noorddijk weerhield ook het water van de Groot Creecke verder landwaarts te stromen en in een latere fase (1570) kwam er een meer zeewaartse dijk, de Pietersdijk, om dit water tegen te houden. De kaart van Koutter noemt deze dijken onder de namen Ouden en Nieuw Noortdijck.

Nu toch nog een positieve beoordeling van de Brandijk als Branddijk. In een verdienstelijke beschouwing van Dynamische processen in Voornes Duin uit 1990 geeft de toenmalige beheerder van NM, Jaap van Baarsen, een tekening, waarin de Branddijk de voortzetting is van de zeereep in meer noordelijk duingebied (Fig. 4). Men moet hierbij echter wel bedenken dat er inmiddels meer buitenwaarts duin ontwikkeld was, dat dienst deed als obstakel voor binnendringend zeewater.

Figuur 4 De Brandijk als voortzetting van de zeereep van 1910

Geraadpleegde bronnen

Baarsen, J. van (1990) Dynamische processen in Voornes Duin. De Levende Natuur 87, no.2.
Freijsen, N. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.
Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wujster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne.
Hofker, J. en W. van Hoey Smith (1935) De periodiciteit van de duinvorming op het eiland Voorne. De Levende Natuur 40 (Gedenkboek Jac. P. Thijsse).
Hofker, J. en C. van Rijsinge (1934) Over het duingebied van Voorne. Natura No. 6.
Kaart van Koutter – Transciptie Streekarchief VP, Brielle/Nationaal archief 4 VTH 2030
Wandel- en fietskaart Duinen van Voorne. NM en ANWB. JAAR??

Vogelpoel met rechts het pad onderlangs de oude Brandijk

Door: Nol Freijsen

Er zijn landschapselementen in het duingebied van Voorne met een interessante historische achtergrond. Het gaat in dit geval niet om een duinterrein, maar om een kreek. Een watergang die in verbinding stond met de zee en bij vloed het zeewater landinwaarts bracht en bij eb omgekeerd.

De kreek zelf is niet bewaard gebleven. De plaats waar hij in het binnenduin  gelegen was, kunnen we terugvinden in het graslandgebied  aan de noordzijde van het Kreekpad in Rockanje. Dit verwijst met zijn lage ligging naar de vroegere bedding van de kreek.

Figuur 1: transcriptie van kaart Koutter, 1608

In de Late-Middeleeuwen was de kreek nog zichtbaar aanwezig. Daarvoor kunnen we verwijzen naar de (bewerkte) kaart van Koutter uit 1608 (Fig. 1). De kreek draagt de naam Grote Creeck. Hij kwam naar binnen op de westpunt van het eiland Voorne en liep met een boog over de strandvlakte naar het duin. Een slufterachtig landschap. Op de plaats waar hij de duinstrook binnenging was echter geen duin, maar openheid. Die openheid liet het water naar binnen komen en ook de zeewind. Dat blijkt uit de naam ‘Twintgat. De Grote Creeck liep mogelijk vervolgens in de richting van het Meertje De Waal bij Rockanje, waar de grote loop van de Strype heeft gelegen die evenwel zuidelijk uitmondde. We zien op de kaart de laatmiddeleeuwse situatie, waarin reeds twee dijken zijn aangebracht om binnendringend water tegen te houden. In de 15e eeuw is de Noorddijk aangelegd, waardoor de polder Stuivesant tot stand kwam. In 1570 werd de Pietersdijk (in de fig. Nieuwe Noortdijck) door de plaatselijke bevolking aangelegd. Het was een reactie op de stormramp van dat jaar, waarbij op diverse plaatsen de Noorddijk (in de fig. Den Ouden Noortdijck) werd doorbroken. De kronkels in de dijk, zgn. vingerlingen, herinneren nog daaraan. Over de bovenloop van de kreek geeft de kaart dus geen informatie. 

Een heel ander landschapsbeeld van hetzelfde onderdeel van de Voornse kust krijgen wij in een tekening van een veel latere datum. Het gaat om een kaartbeeld gegeven in een plaatselijke krant van Voorne: Nieuwe Brielsche Courant van 28 maart 1963 (Fig. 2).

Fig. 2 Ligging van de Achter-Strype als zijtak van de Strype in reconstructie-tekening van 1963.

De kaart is de illustratie bij een artikel geschreven door J. van Hoey Smith over de geologie van het Voornse duingebied. Het opmerkelijke van kaart en artikel is de weergave van wat hij noemt de Achter-Strype. Het wordt al gauw duidelijk, dat we hier te maken hebben met dezelfde kreek, hierboven besproken. Vanaf de zee tot aan de Noorddijk  heeft de Achter-Strype dezelfde ligging als de Grote Creeck. Vervolgens kunnen we de vergelijking tussen de twee uitbeeldingen van de kreek niet voortzetten. Immers van de Grote Creeck kennen we slechts de ligging tot aan de Noorddijk, maar de Achter-Strype heeft een verdere bedding.

Van Hoey Smith veronderstelt dat de Achter-Strype loopt door de polders Stuifakker en Strype tot aan de kreek Strype en bij het Merrevliet, een zijarm van de Strype, komen ze te samen. De Strype-kreek vervolgt zijn weg als Strypsche Wetering. (Die wetering is inmiddels hersteld in zijn oorspronkelijke vorm van kreek.) We moeten aannemen dat de ligging van dit tweede gedeelte van de Achter-Strype op de tekening de situatie weergeeft van ver vóór de Late-Middeleeuwen. Er is met wat goede wil een zekere overeenkomst met het beeld van de loop van kreken op de geologische kaart van het gebied van vóór het begin van onze jaartelling (Fig. 3).

Fig.3 Geologische kaart met aanduiding van het geulsysteem van vóór Chr. Zie de opeenvolging van de cijfers 13, 6 en 10 vanaf de westpunt voor de kreek Achter-Strype.

De tekening van de bedding van de kreek in het krantenartikel is gebaseerd op grondboringen, waarmee ondergrondse zandbeddingen van kreken werden gedetermineerd. En dat was ook de werkwijze bij de geologische kaart. Een tweede argument dat het oostelijk deel van de Achter-Strype van een ver verleden dateert, is het feit dat elke weergave op kaarten van het gebied ontbreekt. Voor de Strype, de hoofdstroom van Rockanje naar Tinte, geldt een datering van 1500 v. Chr. (Freijsen 2010). Dat sluit goed aan bij de veronderstelling over de ouderdom van de Achter-Strype. 

Wat de naam Achter-Strype betreft, die kan ontleend zijn aan de polder van die naam. De Achterstrypseweg maakt de situering daarvan duidelijk. Conclusie van het krantenartikel is, dat de Strype twee mondingen had, waarvan de noordelijke grensde aan het gebied van het tegenwoordige landgoed Strypemonde. Van Hoey Smith was eigenaar van het landgoed en heeft zich bij de keuze van die naam voor zijn bezit kennelijk sterk laten leiden door zijn opvatting over de naam voor de veronderstelde tweede monding. In een publicatie in 1930 had hij zich reeds uitgesproken over het bestaan van die monding van de Strype, die hij later met bewijsmateriaal in het krantenartikel lanceerde (Van Hoey Smith 1930). De naam Grote Creecke bleef op de achtergrond bij dit alles.

Geraadpleegde bronnen

Freijsen, N. (2010) De oude kreek Strype op Voorne. Van getijdenkreek naar watering en terug. Historisch-Geografisch Tijdschrift 28, no. 2.

Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wuijster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne. 

Hoey Smith, J. van (1963) Hoe Voorne’s kust ontstond. Geologisch Onderzoek naar oude rivieren en kustlijnen. Nieuwe Brielsche Courant, 28 maart 1963.

Kaart van Koutter uit 1608 –  Transcriptie Streekarchief VP, Brielle.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland. Geologische Kaart van Nederland Blad 37W (1979). Rijks  Geologische Dienst, Haarlem. 1: 50.000. Blad Rotterdam West (37W).

Sporen uit de twintigste eeuw in de Helderse Duinen

Jarni van Roon

In 2020 begon Jarni van Roon met de pre-master Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hiervoor moest hij een scriptie schrijven over een eigen gekozen onderwerp. In onderstaand artikel een paar hoofdlijnen van zijn verhaal (red.).

Ik ben geboren in Den Helder, waar ik tot mijn 22e gewoond heb. Den Helder is rijk aan historie, daarom was het voor mij een kans om de stad nog beter te leren kennen. Over de binnenstad is al veel geschreven; hoe deze gebombardeerd is tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna opnieuw opgebouwd werd. Dat is een bekend onderwerp. Waar minder over geschreven is, is de cultuurgeschiedenis van de duingebieden in Den Helder. Den Helder kent namelijk een aantal prachtige duingebieden. Voor mijn onderzoek heb ik mij gefocust op twee heel verschillende, aan elkaar gelegen gebieden, namelijk: de Grafelijkheidsduinen en de Donkere Duinen. Deze duingebieden liggen ten zuiden van het dorp Huisduinen, maar verschillen enorm van elkaar. In mijn onderzoek heb ik mij gefocust op de ontwikkelingen van de twintigste eeuw.

In de Grafelijkheidsduinen zijn historische sporen te zien van drie verschillende elementen: de twee Wereldoorlogen en een intensieve drinkwaterwinning. De Donkere Duinen hebben in de twintigste eeuw een compleet ander traject doorlopen. Het gebied heeft een grote transformatie doorgemaakt. Voorheen was het een duingebied dat zou kunnen lijken op de Grafelijkheidsduinen, maar tegenwoordig is het een recreatiegebied. Daarnaast is het dennenbos zich langzaam aan het omvormen tot een loofbos. Hieronder ga ik verder in op de sporen van de twintigste eeuw, die nog zichtbaar zijn in de twee duingebieden. 

Grafelijkheidsduinen

De Grafelijkheidsduinen zitten vol met oorlogssporen, zowel van de twee Wereldoorlogen als van eerdere oorlogen. Allereerst de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Als reactie op deze oorlog zijn er drie sets aan bunkers aangelegd op een centrale locatie. Deze maken deel uit van de Stelling Helsdiep. Stelling Helsdiep werd tussen 1916 en 1939 aangelegd als verdediging tegen een nieuw fenomeen, namelijk het ‘indirecte vuur’. Dat houdt in dat men specifiek richtte op centrale verdedigingswerken. Door drie sets te verspreiden over de duinen, probeerde men dit tegen te gaan. De sets bestaan uit drie gebouwen: een geschutsemplacement, open bedding en een later in 1939 toegevoegd personeelsonderkomen. 

Afbeelding 1: geschutsemplacement

De Tweede Wereldoorlog heeft meer sporen achtergelaten in de Grafelijkheidsduinen. De Grafelijkheidsduinen gingen deel uitmaken van de Atlantikwall: de duizenden kilometers lange verdedigingslinie door Europa. De meest prominent zichtbare bunkers hiervan zijn onderdeel van de De Flagruko Den Helder – W.N. 123a M stelling. Deze stelling omvat in totaal twaalf bunkers, waarvan de bekendste natuurlijk de Kroontjesbunker ofwel de FL250 is. Deze bunker was de commandopost van de Duitse Marine in Den Helder. Daarnaast zijn er een aantal schuilplekken, wasplekken en verblijfsplekken voor soldaten.

Afbeelding 2: de Kroontjesbunker

In totaal zijn er nu nog 36 bunkers te vinden. Maar niet alleen bunkers zijn zichtbaar in de Grafelijkheidsduinen, er zijn ook een aantal bomkraters! Engelse bommenwerpers richtten regelmatig op het onderkomen van de Duitsers in Huisduinen. Deze misten soms hun doel, waardoor ze terecht kwamen in de Grafelijkheidsduinen. Hieronder staat een kaart met de (resten) van alle oorlogssporen in de Grafelijkheidsduinen.

Afbeelding 3: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met oorlogssporen. Paars = Stelling Helsdiep; rood = sporen van de Tweede Wereldoorlog; rode open cirkels = bomkraters.

Misschien ietwat minder spannend dan de oorlogssporen, zijn de sporen van de waterwinning in het landschap van de Grafelijkheidsduinen. Hoewel deze nog wel nadrukkelijk aanwezig zijn! Tot aan 1983 vond waterwinning in de Grafelijkheidsduinen plaats. Het was niet altijd even intensief, maar op het hoogtepunt van de waterwinning gaf de gemeente Den Helder een dringend advies aan de burgers: doe voorzichtig met het water, het zoete grondwater in de duinen begint op te raken. Het voornaamste restant is het oude pompstation. Dit pompstation is in de tweede helft van de negentiende eeuw opgezet om het water uit het gebied te pompen en via strandpijpen naar de haven te transporteren. Zo konden de schepen die via het Noord-Hollands Kanaal kwamen, gebruik maken van het water. Het pompstation verkeert echter niet meer in origenele staat. De toren naast het gebouw is verwijderd, evenals de schoorsteen en delen van de façade. Toch blijft het een duidelijke herinnering aan een vervlogen tijd. 

Afbeelding 4: Het oude pompstation, in de huidige staat

Naast het pompstation is de contour van een prise d’eau te vinden. Een prise d’eau is een lange, rechte sleuf in het landschap, waardoor er een sloot ontstaat. Als de duinbodem veel grondwater bevat, stroomt dat vanzelf de de prise d’eau in, waarna het direct opgepompt kan worden. Onderstaand is een kaart waarop alle sporen van de waterwinning in de Grafelijkheidsduinen aangegeven zijn. 

Afbeelding 5: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met de sporen van de waterwinning

Donkere Duinen

Zoals gezegd, hebben de Donkere Duinen in de twintigste eeuw een geheel andere ontwikkeling doorgemaakt dan de Grafelijkheidsduinen. In 1910 werden er voor het eerst plannen opgesteld om de Donkere Duinen te bebossen, waarna in 1917 de voorbereidingen van start gingen. De eerste boom werd in 1920 geplant, waarna er in vijf fases verder werd geplant. Tijdens mijn onderzoek was het lastig om de fasering van de bebossing duidelijk te krijgen. Zelfs in de archiefstukken van het Regionaal Archief in Alkmaar kwam ik geen eenduidige jaartallen over de fasering tegen. Ook was er helaas geen informatie beschikbaar over de oprichting van de camping, hoewel deze volgens de kadastrale kaarten al zeker sinds 1961 bestaat. Wel is duidelijk omschreven dat in 1928 speciale loofboomsoorten werden toegevoegd aan de eerder geplante dennenbomen, om zo een gevarieerd bosbeeld te krijgen. Om een duidelijk beeld te schetsen van welke boomsoorten waar te vinden zouden zijn, heb ik hieronder een kaart geplaatst. Erg leuk om zelf op zoek te gaan en te boomspotten!

Afbeelding 6: Kaart van de Donkere Duinen met boomsoorten

Tijdens de bebossing zijn ook een aantal recreatie-elementen aangelegd, waarvan de vijver het duidelijkst is. Waar bijna niks meer van te vinden is, is de kinderboerderij die tientallen jaren in de Donkere Duinen heeft gestaan. In 1972 werden daar voor het eerst schetsen voor gemaakt en tot in 2006 hebben hier varkens, pauwen, geiten en een hertenkamp rondgelopen. In 2006 is de boerderij expres afgebrand wegens de verhuizing; de dieren werden verplaatst naar de Helderse Vallei. Van de kinderboerderij zijn dan ook geen materiële sporen te vinden, maar het heeft wel een duidelijk spoor in het landschap achtergelaten. Vergelijk de eerste schets en een huidige hoogtekaart maar eens! 

Afbeelding 7: Vergelijking schets kinderboerderij en huidige hoogtekaart

Tot slot

Zowel de Donkere Duinen als de Grafelijkheidsduinen bevatten vele sporen uit de twintigste eeuw, maar de twee gebieden hebben wel duidelijk verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Dat maakt een bezoek aan beide gebieden zo interessant. Daarom raad ik het zeker aan om een wandeling door beide gebieden te maken en te kijken of je wat van de oude sporen terug kunt vinden! Helaas is het vaak lastig om de sporen in de Grafelijkheidsduinen daadwerkelijk van dichtbij te bekijken: de duinen zijn een beschermd natuurgebied en daardoor voor het grootste gedeelte niet vrij toegankelijk. Via de openbare paden zijn de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog wel duidelijk te zien. Op de Open Monumenten Dag zijn meerdere bunkers toegankelijk die zeker een bezoekje waard zijn!

Herkomst afbeeldingen:

Afbeelding 1: Bunkerinfo

Afbeelding 2: Visit Waddenhttps://www.visitwadden

Afbeelding 3: Satellietfoto met eigen toevoegingen 

Afbeelding 4: Mondriaanfonds (fotograaf: Sanne Kabalt)

Afbeelding 5: Satellietfoto met eigen toevoegingen 
Afbeelding 6: Kadasterkaart via topotijdreis met eigen toevoegingen
Afbeelding 7: Regionaal Archief Alkmaar, Archief Gemeente Den Helder (1882) 1919-1994 (1998) (toegangsnr. NL-AmrRAA25.1.1.004, inventarismap II.C.6.6), 1882, 1919-1994 en 1998.

Verder lezen:

Kraters en campings, Scriptie, Jarni van Roon, 2021

Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater, Rolf Roos e.a., 2011; deels te zien op duinenenmensen.nl en ook online te bestellen.

Voor de echte liefhebber: drie rozetten die we eind feb. 2021 aantroffen in de duinen van Voorne. Welke drie soorten zijn dit van links naar rechts?

Klik hier voor grote weergave

Mail ons je oplossing en onder elke 10 goede inzendingen verloten we nu al weer ZESDE druk van de Winterflora bomen en struiken van Dirk Slagter.

Door: Rolf Roos

(Dit artikel verschijnt ook in: In de Branding, april 2021)

Er zijn plekken in ons land waar je nog makkelijk iets kunt ontdekken. In de oksel van de buitenpier van de nieuwe vissershaven van Stellendam (uit ca 1971, toen de Haringsvlietsluizen werden opgeleverd) is in de luwte van de dijken zand van zee aangeland en opgestoven tot wat lage duintjes. Je let een paar decennia niet op en hup, daar ligt weer een nieuw landje. Het is het enige duin plus strand in de wijde omtrek waar honden en hun bezitters vrij mogen ronddarren, wat de boel openhoudt met vele paadjes.

Je kunt het zien als een piepjong ‘zeedorpenlandschap’ met rommelige duintjes en wat ‘verrijking’ door menselijk gedoe zoals we dat kennen uit Scheveningen en Katwijk. Het lijkt een hoekje van niets, tot je op onderzoek uit gaat. Hier werd een soort gevonden, vrijwel alleen bekend uit de duinen en mogelijk nieuw voor de wetenschap.

In mijn eigen gebruikerslocatie voor deze plek, kan ik onder ‘waarnemingen’ selecties aangeven, b.v. vogels en een periode (b.v. laatste jaar) en dan krijg je een vol kaartje te zien en als je op een stip klikt ook de soort (en de waarnemer etc). Van goudvink tot zilverplevier, van rosse grutto tot steenloper. (Zie ook: Maak je eigen gebruikerslocatie).

Gebruikerslocatie ‘strand stellend en vogels 2020

Dit verhaal gaat over paddenstoelen en dus geef ik nu de kaart van de paddenstoelen tussen 1 maart 2020 en 1 maart 2021. Zie kaart hieronder.

Concentratie van paddenstoelen waarnemingen in de oksel

Ongeveer 100 waarnemingen in 1 jaar van ca 20-30 liefhebbers en kenners. De meeste vondsten, zo blijkt uit de kaart, zitten in de lage zandige duintjes vlak bij zee (zie uitsnede). 

In ons land vrij algemene soorten waren hier Duinstinkzwam – Phallus hadriani  (o.a. door William de Jong gevonden), de Ruwstelige stuifbal – Tulostoma fimbriatum, het fotogenieke Zandtulpje – Peziza ammophila, (gevonden door   Arjan Miete), het Gesteeld mosoortje – Arrhenia spathulata (vondst van Rob van Dorland) en  Duinmostrechtertje – Omphalina galericolor  (waarneming: Tup Naring). Van de zeldzame soorten noemen we Gekraagde stuifbal – Tulostoma kotlabae (die John Kil aantrof) en de Lamsoorroest – Uromyces limonii  (die Hein Nouwens traceerde op het blad van Lamsoor).

Het mycologische spektakel vormden twee zeer zeldzame soorten: Helmdikhoed – Leucopaxillus paradoxus (o.a. door Maarten Langbroek gevonden), en als klapstuk de vondst van Helmkoraalzwam – Ramaria ammophila (waarneming:. M. van der Hee, zie foto hieronder).

Helmdikhoed; foto Maarten Langbroek

Volgens de Gids voor zeereeppaddenstoelen van Chiel Noordeloos (2020, KNNV-uitgeverij), pag. 161 is deze soort: ‘ een paar maal aangetroffen in de zeereep tussen helm, onder andere bij Den Haag, Zwanenwater en op Texel. (…) goed gedocumenteerd materiaal is nodig om deze soort definitief als nieuw te kunnen beschrijven’. Geen wonder dat mycologen kwamen invliegen van ver buiten de eigen regio: een nieuwe soort in het universum van paddenstoelen, nu ook in Stellendam!

Helmkoraalzwam; foto M. van der Hee

We speuren op deze route naar de loop van een oude kreek die tot circa 1500 kustwaarts uitstroomde (en  bij hoogwater van zee komende overstromingen mogelijk maakte tot diep voorbij het huidige duin). Wat is er allemaal te zien van deze oude kreek? Aanwijzingen zijn o.a. woorden als Kreekpad, een bijna niet meer te vinden dijk die een eind maakte aan de invloeden van zee (de Pietersdijk) en het Breede Water zelf.  Zie verder de tekst in het boek ‘Duinen en mensen Voorne‘. Foto’s: Henk Terhell en Rolf Roos

Door: Dick Schermer

In 2020 is onderzocht hoe het met de heikikker in het Nationaal Park Duinen van Texel gaat. De laatste jaren werden ze nog maar nauwelijks gezien en dat baarde binnen het bestuur van het Nationaal Park zorgen. Bestaat er nog wel een levensvatbare populatie? Met deze vraag in het achterhoofd zijn in maart alle ondiepe plassen in de duinen afgelopen op kikkerdril.

Mannetje heikikker Horsmeertjes (foto E. Menkveld)

De heikikker is een mooi, klein kikkertje en komt op Texel voornamelijk in de duinen voor. Heel kenmerkend is de smalle snuit en de lichte streep op de rug. In het Nederlandse duingebied komen ze anno 2020 alleen op Schouwen en Texel voor. Omdat de heikikker geen echte kwaakblaas heeft klinken de geluiden zacht. Zij worden in het vroege voorjaar voortgebracht door de dan blauw kleurende mannetjes. Het klokkende geluid wordt omschreven alsof er een fles onder water wordt gehouden waaruit lucht ontsnapt. 

Roep heikikker

Om de kans op succes te vergroten is er onder natuurliefhebbers op Texel ruchtbaarheid gegeven door middel van het verspreiden van een informatieblad. Er werd gevraagd om waarnemingen van heikikkers op de site Waarneming.nl te plaatsen. Daarnaast is ook informatie gegeven via het Boswachtersblog Texel van Staatsbosbeheer en er is een informatieartikel verschenen in het huis-aan-huis blad ‘Texel, dit weekend’.

Kerngebieden in het Nationaal Park

Het dril van bruine kikkers en heikikkers is nauwelijks te onderscheiden. Daardoor was controle van plekken met dril  in juni en juli nodig. Het voorkomen van juveniele heikikkers gaf zekerheid over de waargenomen soort. 

Jonge heikikker
Dril in het Geulgebied, 2020

Tijdens dit onderzoek zijn twee kerngebieden duidelijk geworden: rond de Geul en de Muy. In het Geulgebied werden 131 klompen kikkerdril in het Geulgebied gevonden. In de buurt van het Pompevlak lagen maar liefst 78 bij elkaar in een snel uitdrogende vallei. Afgelopen zomer zijn alle plekjes nagelopen op het voorkomen van heikikkertjes. Enkele jonge dieren zijn gevonden op plekjes waar geen dril was ontdekt, zoals langs het westelijk Horsmeertje.

Waarnemingen dril Muijgebied 2020

In het Muygebied waren vooral de landjes van de Nederlanden, bij de boet van Hopman en de Buitenmuy succesvol. Tezamen ging het om 210 klompen dril en enkele volwassen dieren. Bij de zomerse controle werden hier een aantal heikikkertjes en een enkel bruin kikkertje aangetroffen – een soort die meestal op Texel in de dorpen voorkomt.

Afname van de heikikker op Texel

Om de gegevens van 2020 te vergelijken met oude gegevens zijn een aantal bronnen uitgezocht zoals het oude vogelwachtersarchief van Staatsbosbeheer, persoonlijke gegevens van Jan Witte (voormalig SBB-medewerker en enthousiast amfibieënwaarnemer), de gegevens van het IVN-onderzoek van 2008 tot en met 2012 via Mark Fonds, gegevens uit Waarneming.nl en het NDFF.

Een vergelijking met deze gegevens laat zien dat de aantallen in de Geul teruglopen. Een aantal wat diepere poelen, die voorheen ‘vol’ zaten met heikikkers, leven nu alleen nog groene kikkers. Vroeger kwam deze soort op Texel niet voor. Zij zijn in de jaren ‘80 ontsnapt uit tuinen en hebben zich daarna razendsnel verspreid. 

In de Bollekamer verdween de populatie heikikkers nagenoeg. Tien jaar geleden werden nog grote hoeveelheden dril gemeld tijdens een onderzoek van het IVN-Texel. De oorzaak van deze enorme achteruitgang is niet duidelijk; het milieu is hetzelfde gebleven.

In de Muy lijkt het te gaan om een gezonde populatie heikikkers. In de Bleekersvallei is mogelijk nog een kleine populatie. In de Eierlandse Duinen zijn heikikkers waarschijnlijk nooit algemeen geweest en hier stamt de laatste waarneming uit 2008. Mogelijk is de soort daar verdwenen.

Door de afstand (meer dan 10 kilometer) van de Geul en Muy-clusters is het niet aannemelijk dat er genetische uitwisseling plaats kan vinden. Het blijft zaak om de ontwikkeling van de heikikker in de Texelse duinen te blijven volgen.

Heikikker voor en na 2000 landelijk beeld https://www.verspreidingsatlas.nl/A251

Naschrift

In een artikel van Van Laar uit 2005 staan veel gegevens over de oudste waarnemingen op Texel. Hij gaat hier ook meer in op de verspreiding in het verleden buiten de duinen. De theorie is dat de heikikker een relict is van de populatie die ook op de wal bestond en overbleef na het verbreken van verbinding met de vaste wal rond 1100 (ontstaan Marsdiep). Er schijnt bij een opgraving bij Bovenkarspel (N.H.) fossiele heikikkerbotjes gevonden te zijn van enkele duizenden jaren oud (zie: Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen).
Een aantal heikikkerwaarnemingen in de buurt van Den Burg (zie Waarneming.nl) zijn mijns inziens vertroebeld door het succesvol uitzetten van heikikkerlarven in vijvers waar ook bruine kikkers voorkomen. Mogelijk heeft de bruine kikker de heikikker hier weer laten verdwijnen. Over het voorkomen buiten de duinen zijn de laatste tijd weinig waarnemingen. Een intrigerende waarneming uit 2020 komt uit de buurt van het Texelse polderreservaat Dijkmanshuizen. Mogelijk zijn er op het oude land van Texel nog hier en daar kleine populaties.

Op 9 februari 2021 belden we de boswachter die nog van open water sprak en het ‘wees voorzichtig’ uitsprak. Maar op 10 februari na weer veel vorst toch maar kijken en zag ik de eerste waaghals door het ijs zakken. Maar de grote plas hield! Er is precies een rondje van 1,1 km te schaatsen. Geen volk en ook geen beest. Want voor aalscholver, lepelaar etc is het een te vermijden ijzig oord.

Op 11 februari is het schaatsvirus al rond gegaan en staat er een vrolijk gezelschap onder het uitkijkpunt op het ijs.

Op 12 februari is het al weer zo druk dat dat de bermen worden stukgereden door auto’s.

Bij de uitgang een bijzonder fenomeen. Alles is verstard maar overvloedig water stroomt af richting de lager gelegen polder. Hier scharrelen watersnip en koperwiek.

Momenteel zijn er heel veel recreatieoorden in Nederland maar hier in Hoek van Holland is het allemaal begonnen. Een interessante historische plek die nu de nek wordt omgedraaid. Tekst: M. de Jong. 

Het ‘Hoekse’ Recreatieoord en haar eeuwige verbondenheid met de duinen

In het stuifzand tussen de huidige duinopgang Stuifkenszand en de Rechtestraat in Hoek van Holland verzamelden zich rond 1920 steeds meer strandgangers. Ze bouwden zandkastelen. Door tentdoeken werden de mensen beschermd tegen het opwaaiende zand. Het naar zee gaan was eigenlijk niet zo zeer, het in zee gaan, maar meer het flaneren over het strand. Het ging om zien en gezien worden maar natuurlijk ook om de natuur en de schitterende duinen. Werd er een lekkere frisse duik genomen dan gebeurde dat in eendelige badpakken.

Toen de dagjesmensen langer op hun zo geliefde strand wilden verblijven gingen ze tentjes bouwen. Deze tentjes stonden eerst op het strand en werden later meestal in de duinen geplaatst. Langzaamaan kwamen er steeds meer tentjes bij en ontstond er als het ware het eerste kampeerterrein aan zee. Dit eerste kampeerterrein werd officieel bekend gemaakt op 28 april 1921. Het eerste Recreatieoord van Nederland was hiermee een feit. De toestroom van met name Rotterdamse arbeiders was groot en het kampeerterrein werd al snel een begrip. De tentjes van het kampeerterrein transformeerden zich snel naar kleine houten huisjes.

Er werden gezamenlijke activiteiten georganiseerd en zo ontstond in 1926 de oudste nog steeds actief zijnde kampeervereniging van Nederland. De kampeervereniging ‘Rotterdam aan Zee’ of vaak afgekort als R.A.Z. is tot op de dag van vandaag nog steeds een zeer actieve kampeervereniging met diverse leuke activiteiten voor jong en oud. Activiteiten die zorgen voor een enorme samenhorigheid. André van Duin heeft zijn artiestennaam tijdens een verblijf op het Recreatieoord vernoemd naar de Hoekse duinen. Maar ook bijvoorbeeld André Hazes [senior] schreef op het Recreatieoord zijn mooiste liedjes.

“Het Recreatieoord in Hoek van Holland met zijn Oude en Nieuwe Kamp vormen de houten kampeerstad van ‘Rotterdam aan Zee’. Al nagenoeg 100 jaar wordt hier gerecreëerd in bijna 1000 houten zomerhuisjes met allemaal een unieke uitstraling. Huisjes met kleine raampjes en een puntdakje die gemoderniseerd zijn door de komst van waterleidingen, aardgas en elektra staan naast eigentijdse varianten in hippe kleuren. Kleine knusse wandelstraatje voorzien van groene ligusterhaagjes kringelen rondom centrale voorzieningen waaronder het recreatiegebouw, het voetbalveld en diverse speelvoorzieningen. In de wandelstraatjes hebben Rotterdamse hardwerkende arbeiders met trots hun eigen droomhuisje kunnen bouwen. Maar ook veel trotse bewoners uit de randgemeenten van Rotterdam hebben hier hun ‘plekkie’ gevonden. De vlaggen van Rotterdamse havenbedrijven wapperen vrolijk en het geluid van de touwen tegen de masten wordt afgewisseld met het geluid van de zee en de vogels in duinen.


Omstreden verkoopplannen recreatieoord Hoek van Holland

Drie dagen na de gebruikelijke wintersluiting heeft de gemeente Rotterdam vanuit het niets bekend gemaakt dit bijzondere Rotterdamse erfgoed te willen verkopen. Helaas blijken verkoopplannen achter de schermen al heel ver doorontwikkeld te zijn, wat de bewoners van het inmiddels officieel als immaterieel erfgoed geregistreerde Recreatieoord in ‘De Hoek’ bijzonder strijdlustig maakt. Het zal toch niet gebeuren dat dit unieke stukje Rotterdams Erfgoed verloren gaat?

De bewoners, bezoekers en kampeerverenigingen hebben zich verenigd met als gezamenlijk doel deze verkoop te voorkomen of om de culturele schade te beperken. Wat zou de schade groot zijn bij verkoop aan een commerciële partij of een rijke ontwikkelaar.

Staan er straks allemaal glimmende luxe vakantievilla’s met een subtropisch zwembad of een chique golfbaan?

Het oudste vakantiedorp van Nederland, dat koester je en sloop je niet! Het is niet voor niks dat er hele boeken en mooie websites over dit unieke stukje Rotterdams erfgoed zijn geschreven. De recreanten op het Recreatieoord zijn verbonden aan de duinen en de liefde met de zee.

Het Recreatieoord vormt een mooi voorbeeld van de eeuwige liefde tussen de duinen en de mensen.

Weblink petitie tegen omstreden verkoopplannen

Door: Rolf Roos, met dank aan Dick van der Laan; aanvullingen welkom aub onderaan artikel.

F.W. van Eeden (1829-1901) was directeur van het Koloniaal Museum, maar daarnaast een belangrijk plantenkenner. In zijn ook nu nog goed leesbare boek ‘Onkruid’ uit 1886 stelt hij voor om sommige delen van Nederland te bewaren als monument der natuur, waarmee het woord ‘natuurmonument’ voor het eerst werd gebruikt. In 1874 publiceerde van Eeden een ‘Lijst der planten die in de Nederlandsche Duinstreken gevonden zijn’, die we als pdf hebben opgenomen. Het is het eerste overzicht van de botanische rijkdom van de duinen. F.W. van Eeden had zelf veel veldkennis opgedaan in de duinen van Kennemerland. Op Voorne is hij voor zover bekend niet geweest maar hij vermeldt wel zijn bron van kennis over dit eiland: “Flora van Brielle en omstreken, voornamelijk van de duinen van Voorne, gedurende een tweejarig verblijf  aldaar samengesteld door den Heer M. W. Beijerinck, met raadpleging van den heer Huisman te Brielle, en mij in handschrift afgestaan.“ Beide bronnen zijn voor zover bekend verloren gegaan.

Frederik-Willem van Eeden, portret uit 1899 door Therese Schwartze.

De lange lijst uit 1874 bevat veel bijzonderheden van Voorne, waarbij soms Rockanje of Oostvoorne expliciet worden genoemd. Een enkele keer wordt ook het (toen nog vele malen grotere) gebied van de Heveringen genoemd, een laag en oud binnenduinlandschap op de grens van Rockanje en Oostvoorne. Eén van die bijzonderheden is de hondspeterselie, “talrijk aan den Hevering” (nu zeer zeldzaam in Voornes Duin omgeving Eerste Slag / Tweede Slag). Duidelijk is dat de soortenlijst ook de destijds onbemeste dijkjes van Voorne omvat, met soorten als moeslook, gevlekte rupsklaver, dolle kervel (“algemeen bij de dijken”), veldlathyrus en (“veel”) aardaker. En daarnaast akkers met windhalm en korenbloem. 

Flora van Voorne in 1874 en nu

We wagen het de lijst van toen te vergelijken met de huidige situatie. Was de flora van Voorne in 1874 rijker, armer, anders? De vergelijking is deels vals want tegenover de waarnemingen van een enkele florist rond 1870, staan de digitaal vastgelegde waarnemingen van vele honderden waarnemers nu. Dit ‘waarnemerseffect’ geeft mogelijk een te gunstige kijk op de flora van nu (er wordt maar weinig gemist). Bovendien hebben we inmiddels een deels ander klimaat (met meer zuidelijke soorten); bosontwikkeling; een andere indeling van soorten (en soms andere namen); andere typen leefgebied (steden, wegen, stenen dijken en industriegebieden) en is er sprake van overbemesting van het landelijk gebied. 150 jaar geleden lagen overal schraal begroeide maar soortenrijke dijkjes tussen bloemrijke drasse graslanden en kruidenrijke akkers. Kortom vergelijken komt met veel voetangels en klemmen. De vergelijking kan wel eens mank gaan, maar scherpt zeker de geest. We bespreken per biotoop (van zilt land tot bos) enkele belangrijke accentverschillen om aan het eind een conclusie te formuleren.

Hoe volledig was de lijst van 1874?

De ‘afwezigheid’ van een soort in 1874 terwijl deze er nu wel voorkomt, kan verschillende oorzaken hebben. Er zullen soorten niet op de lijst staan omdat ze gemist zijn door de botanici van rond 1870 (zoals waarschijnlijk de aardbeiklaver) of omdat ze later pas zijn verschenen. Dat laatste geldt voor het doorgaans aan bos gebonden stofzaad, in 2010 gevonden door de lokale plantenwerkgroep van de KNNV maar ten tijde van van Eeden nog onbekend. Meestal is het lastig uit te maken waarom een soort ‘ontbreekt’, maar gelukkig vermeldt van Eeden bij een aantal soorten expliciet ‘niet op Voorne’ en dan kunnen we aannemen dat er destijds wel naar gekeken/gezocht is. Zo’n soort is pijpenstrootje: die ontbrak 150 jaar geleden. De soort is gekoppeld aan een op Voorne zeldzamer milieutype (ontkalkt, licht zuur, vochtig), en komt er tegenwoordig schaars voor. Dat de onmiskenbare vleeskleurige orchis ontbreekt in van Eedens overzicht, moet een gevolg zijn van onvolledigheid, net als het ‘missen’ van kruipend zenegroen, nu zeer algemeen langs bosranden en in duinvalleien. Van beide soorten is het niet voorstelbaar is dat ze er vroeger niet waren. Kortom, de lijst van van Eeden is prachtig, maar zeker niet ‘compleet’.

Langs zee en strand

Zilte en brakke soorten

Gestippelde ganzevoet, zeegroene ganzevoet, spiesmelde en strandmelde kwamen destijds al langs kwelders of aangroeikusten voor, net als zeepostelein, zeewolfsmelk en zeeaster. Op hogere kwelders of jonge duintjes ook kattendoorn (“op Voorne niet algemeen”), Deens lepelblad, blauwe zeedistel en zeewinde (door van Eeden vermeld voor de Maasmond, dus mogelijk niet Voorne). Wilde selderij, melkkruid en zilt torkruid werden ook vroeger gevonden en in de jongste standvlaktes stond herfstbitterling vermeld op het destijds voorkomende “Groene strand bij Rockanje”, naast strandduizendguldenkruid en waterpunge.   

Wateren en moerassen 

Op de lijst uit 1874 staan geen waterlelie en kalmoes vermeld, maar tegenwoordig zijn beide soorten bescheiden aanwezig in Oostvoorne. Dat er wel degelijk nauwkeurig werd gekeken blijkt ook uit een tweetal soorten die alleen van Voorne bekend waren: de moerasgamander en de bittere veldkers. Deze laatste soort, in duinen zeer zeldzaam, is te verwarren met witte waterkers en leggen we terzijde. Van moerasgamander is de vermelding in 1874 de oudst bekende. De soort komt nog steeds voor, vroeger iets algemener, nu in ons land alleen in de duinen van Voorne.

Andere soorten uit zeer natte milieus in 1874: 4 soorten waterkers, poelruit, watermuur, gele lis en galigaan. Ook ondergedoken- en groot moerasscherm waren van Voorne bekend, de laatste soort nu niet meer. In het water ook 4 soorten fonteinkruid, waaronder de zeldzame ongelijkbladige, maar het bijzondere weegbreefonteinkruid (nu alleen op Voorne en Texel) was nog niet ontdekt. Verder vele soorten waterranonkel, kattenstaart, heelblaadjes en de wateraardbei. Hoe nat en kalkrijk het was blijkt uit de kleine valeriaan: “algemeen op Voorne”; ook nu nog te vinden, maar pas na goed zoeken. En wat te denken van moerasandijvie: destijds “zeer algemeen”. De uitgestrektheid van de vochtige en natte duinen weerspiegelde zich ook in het voorkomen van de moerasvaren (destijds alleen bekend van Texel en Voorne) en het veel voorkomende waterdrieblad en moeraskartelblad. Smeerwortel en bitterzoet completeren het beeld van meer voedselrijke moerassen in het duin, vroeger en nu. Tenslotte de vondst van de forse moeraswolfsmelk: “Duinen ten zuiden van Rockanje, zeldz.“. Nu alleen bekend uit Oostvoorne.

Vochtige valleien

Vochtige duinvalleien zijn bloemrijke milieus die ook toen al van zich deden spreken met watermunt en knopbies, rond wintergroen, geelhartje, teer guichelheil, parnassia en armbloemige waterbies. En natuurlijk vele orchideeën waarvan heden nog terug te zien zijn: keverorchis, groenknolorchis, hondskruid, harlekijn (“vrij algemeen”), moeraswespenorchis, gevlekte en brede orchis. Niet vermeld worden de voor Voorne en Goeree zo kenmerkende platte bies en de rietorchis, maar dat is wellicht een kwestie van indeling en nomenclatuur geweest. Wél in 1874 en ontbrekend in 2020: bruinrode wespenorchis, grote muggenorchis en honingorchis. En in 1874 onderscheidde men de duinwespenorchis nog niet.

‘Moeilijke’ varentjes als maanvarentje en addertong worden in 1874 respectievelijk niet en wel gememoreerd. Wel werd de blauwe knoop gevonden, die door menig florist ook nu nog over het hoofd wordt gezien vanwege de zeer late bloei. Slanke gentiaan wordt gememoreerd (“talrijk”) en de inmiddels van Voorne verdwenen veldgentiaan, al was de laatste ook toen al “zeer zeldzaam”. De tegenwoordig aanwezige kruisbladgentiaan ontbrak zo goed als zeker in 1874. Naast de ook nog overal aanwezige kale jonker wordt ook de Spaanse ruiter vermeld, niet meer bekend van na 1960. Een soort van blauwgraslanden en oudere, van oorsprong kalkrijke duinvalleien. 

Droge duinen

In droge duinen was het nu algemene slangekruid in 1874 nog niet present, evenmin als het onmiskenbare zeepkruid. Ook kleine steentijm, niet talrijk maar toch regelmatig te zien, blijft onvermeld. Avondkoekoeksbloem staat wel op de oude lijst maar kegel- , nacht- en oorsilene hadden het label “niet vermeld op Voorne”. Nu niet meer: ze bloeien alle in het duin. In 1874 wel present: de veldhondstong en diverse toortsen.

Het zandblauwtje, op Goeree zo algemeen in het oude duinland bij Ouddorp en in Middel- & Oostduinen, ontbrak toen en nu op het kalkrijke Voorne. “Niet algemeen” staat er bij het buntgras van 1874. Dat de meer kalkminnende beemdkroon destijds niet gevonden is (terwijl de soort relatief veel op Goeree staat) is interessant. Deze niet te missen soort groeide blijkbaar destijds niet op Voorne. Anno 2020 is ze bescheiden aanwezig in de Kaapduinen. Het hazepootje stond destijds te boek als zeldzaam, wat niet gold voor de algemeen voorkomende gewone agrimonie en het glad parelzaad.

Ook wordt rond 1874 geen enkele bremraap genoemd; ook nu zijn ze nog altijd niet talrijk. Heel sporadisch treffen botanici tegenwoordig de walstrobremraap en op Mildenburg is regelmatig de klimopbremraap te zien. De in de delta sterk aanwezige klavervreter ontbreekt op Voorne. Alleen rond de Tenellaplas zijn nu diverse bremraapsoorten te vinden, maar die zijn aangeplant. Evenals de struikhei die ‘wild’ ontbrak in de 19e eeuw. In de 20e eeuw kwam (volgens Dick van der Laan) struikhei voor op de Heveringen, waar nu het parkeerterrein van het bezoekerscentrum Tenellaplas en het restaurant ‘de Meidoorn’ zijn gelegen en eveneens langs het Grenspad, maar de soort is daar verdwenen door verruiging en een paardenroute.

Op de lijst van 1874 schitteren naast tijm en geel walstro ook voorjaarsganzerik, knolboterbloem, kruipend stalkruid, wondklaver en o.a. de grassoorten zachte haver en bevertjes die “zeer algemeen op Voorne” waren, maar tegenwoordig op dijken ontbreken en in het duin veel meer verspreid lijken voor te komen. Treffend is de vermelding van het ruig viooltje naast maarts viooltje, hondsviooltje en duinviooltje.

En evenmin ontbraken kleine bevernel en driedistel. Bitterkruid sierde ook toen de Voornse duinen, maar grasklokje was er toen schaars en dat is nog steeds zo. Het zuur- en mestgevoelige dwergviltkruid werd in 1874 gevonden, maar is al voor WO II van Voorne verdwenen. Vroeger en nu aanwezig maar schaars: de voorjaarszegge en het smal fakkelgras. Tenslotte was van de grassen het tegenwoordig door vermesting oprukkende duinriet ook toen flink present in ons land: “Allerwege over de gehele duinstreek. Ook op de Binnenduinen”.

Bos en struweel

Er was veel minder bos in die tijd en wat er stond aan bomen was zelden oud. Dat zien we terug in destijds ontbrekende ‘echte’ bossoorten van de ondergroei. Lelietje van dalen ontbrak 150 jaar geleden, maar is nu overal in bosranden aanwezig, net als daslook. Langs bosranden bloeide in het voorjaar nog geen fijne kervel. Wel stond er holwortel (te verwarren met de nu zeer algemene vingerhelmbloem die niet op de lijst staat). Andere bolgewassen destijds waren gewone vogelmelk en het sneeuwklokje. Stengelloze sleutelbloem wordt niet vermeld (noch enige andere primula), wat doet vermoeden dat alle tegenwoordig voorkomende soorten (zoals de stengelloze in de bossen, en de gulden in de duinen) zijn aangevoerd en verwilderd. Vroeger en nu zeer zeldzaam: hartgespan en stinkende ballote. Ook de minder kritische bosandoorn was al present. Heggenrank was net als nu “talrijk”, wat wijst op aanwezigheid van struweel waar de soort tegen opkruipt. Waar tegenop? De berberis was destijds “zeldzaam op Voorne“ (nu zeker niet), maar dat gold niet voor de eenstijlige meidoorn, vuilboom, wegedoorn, gewone esdoorn, Spaanse aak, lijsterbes, berk, zwarte populier en zomereik. Kardinaalsmuts stond te boek als “zeldzaam”. In de ondergroei “veel” robertskruid. Toen en nu was er veel Gelderse roos, liguster en vlier. Bos kan dan schaars zijn geweest, struweel was er overal. In 1874 wordt er nog jeneverbes in het duin vermeld. Nu al lang niet meer.

Niet rijker, wel anders?

Was Voorne in de 19e eeuw nu rijker? Nostalgisch aangelegde plantenspeurders omarmen deze stelling wellicht, want groeide er toen niet nog veldgentiaan, grote muggenorchis en honingorchis? Was kleine valeriaan geen algemene verschijning en waren harlekijnen niet min of meer gewoon? Ze hebben wellicht gelijk, maar de lijst van wat ze toen (nog) niet hadden (of niet zagen) is ook omvangrijk: beemdkroon, kleine steentijm, vleeskleurige orchis, bremrapen en nauwelijks silenesoorten, om maar een paar omissies/nog niet aanwezige soorten te noemen. Voor een goede onderbouwing van ‘rijker of niet’ missen we vooral informatie over hoe men vroeger keek en soorten noteerde; de datastroom van heden is niet te vergelijken met het lijstje van twee liefhebberende floristen toen. Wat wel zeker is: Voornes flora had destijds een aantal andere accenten.

Een eerste accent is de grote verwildering van deels aangevoerde en deels spontaan gearriveerde, Nederlandse, soorten. Dat is echt van na 1900 met sleutelbloemen, wilde akelei, daslook, fijne kervel en lelietje van dalen. Deze trend is grotendeels een weerspiegeling van de bosontwikkeling, al dan niet in combinatie met aanvoer of aanplant door de mens. Bijzondere soorten als kruisbladgentiaan duiken op en verspreiden zich, soms als escape uit een manmade hotspot, de heemtuin van Sipkes aan de Tenellaplas. Zoals eenbloemig parelgras, de maretak, wilde akelei en zwartblauwe rapunzel etc.

Een tweede belangrijk accent is dat Voorne zeer nat is, maar het lijkt dat het destijds nog moerassiger was met al die kleine valeriaan, veel moerasandijvie, waterdrieblad en poelruit. In dit natte Voorne kon de moerasgamander zich 1,5 eeuw handhaven. 

Een derde accent, een verschil tussen vroeger en nu, zit meer aan de dijk- en polderzijde. De algemeen genoemde bevertjes, bijzondere dijkbloemen, leuke poldergraslanden, veel planten van zomen als dolle kervel en ijzerhard, zijn nagenoeg verdwenen. Een botanisch rijk cultuurlandschap werd grotendeels villawijk en/of recreatieterrein. 

Kortom: of Voorne rijker was laten we in het midden, heel anders was het wel.

Interessant was dat de stedeling en romanticus van Eeden destijds meer waardering opbracht voor het duin dan voor de polder: “Het gele warme duin en het groene, vlakke koude weiland met slooten en dijken, staan tegenover elkaar als de mensch, die in volle vrijheid leeft en werkt, tot den man met gebonden beroepsarbeid, die dagelijks in den socialen rosmolen moet loopen”.

(Uit: Van Callantsoog tot St. Pancras, 1893)

Het duinviooltje is zeer kenmerkend voor het duinlandschap. Het is bovendien ook maar beperkt verspreid: van de kust van Noord-Frankrijk tot aan de Oostzee. In het tijdschrift Holland’s Duinen (nr 7, november 2020, pag 32-34) staat een leesbaar artikel van de Leidse bioloog Eddy van der Meijden (Veranderingen in het areaal van Zeevenkel en Duinviooltje en de gevolgen daarvan), die op zijn beurt weer een artikel van Latron e.a. uit 2019 aanhaalt over verspreiding, genetische variatie en zelfbestuiving bij o.a. deze soort. Het hele artikel van Van der Meijden is hier te vinden. We citeren hieronder enkele belangrijke passages van zijn hand. In onze kustduinen staan ze nog volop maar in Normandie zijn ze op hun retour, overigens NIET door klimaatverandering maar door habitatverlies. (red.)

Duinviooltjes komen langs onze hele kust voor; noordelijke populaties zijn soms wat lichter, zoals hier in de Grafelijkheidsduinen, Den Helder. Foto Rolf Roos

“Onderzoekers van de Universiteit van Lille hebben de populatiegenetica bestudeerd van twee plantensoorten van de kust van Frankrijk en Nederland, waarvan de grenzen van het verspreidingsgebied verschuiven. Zeevenkel breidt zich recent uit, in noordelijke richting. Duinviooltje laat juist een krimp in de verspreiding zien in het zuiden). “

(…)

“De kustsoorten die onder de loep zijn genomen door Latron en haar collega’s, zijn de overblijvende planten Zeevenkel (Fig. 1) en Duinviooltje (Fig. 2). Zeevenkel (Crithmum maritimum) komt voor langs de mediterrane kusten van Frankrijk en Spanje tot de Atlantische kusten van Frankrijk, Ierland, Groot Brittannië en België. In Nederland was slechts een klein aantal vindplaatsen bekend, maar inmiddels vindt er een sterke uitbreiding plaats in heel Noordwest-Europa. “

Rijke groei in de Kennemerduinen, Bloemendaal. Foto Rolf Roos.

(…)

“Duinviooltje (Viola tricolor subsp. curtisii, syn. Viola curtisii), daarentegen heeft een veel beperkter areaal, vanaf Normandië tot de Waddeneilanden, en laat juist een krimp zien, in het Noord-Franse gebied. Beide soorten laten zelfbevruchting toe en zijn kustgebonden. De mechanismen van zaadverspreiding zijn zeer verschillend. Zaden van Zeevenkel worden via het zeewater verspreid en kunnen mogelijk over lange afstanden worden getransporteerd. Zaden van Duinviooltje vallen van de plant af en worden eventueel door mieren (dus over korte afstanden) verspreid. 

Duinviooltje laat juist een verhoudingsgewijs hoog niveau van genetische variatie zien. Er viel een sterke afnamein genetische variatie te zien in de krimpende marginale populaties in Noord-Frankrijk, ten opzichte van de kernpopulaties in Nederland. De analyses wijzen ook op een laag niveau van recente overdracht van genen tussen kern en rand. Dat is te verwachten bij korte-afstand zaadtransport door mieren. “

(…)

” In de geïsoleerde randpopulaties van het Duinviooltje in Noord-Frankrijk, die een duidelijke achteruitgang in aantal planten laten zien, ligt een toename van zelfbestuiving voor de hand. Toch blijkt dit niet eenduidig uit de DNA-analyses.  De voorspelling van een geringere genetische variatie in de marginale gebieden kwam wel uit voor Duinviooltje, maar niet voor Zeevenkel. De voorspelling dat zelfbestuiving in de marginale gebieden een grotere rol speelt, werd bij geen van de twee soorten bevestigd.”

Bronnen

Eddy van der Meijden (2020) Veranderingen in het areaal van Zeevenkel en Duinviooltje en de gevolgen daarvan. In: Holland’s Duinen (nr 7, november 2020, pag 32-34).

Mathilde Latron, Jean- François Arnaud, Héloïse Ferla, Cécile Godé, Anne Duputié (2019) Effects of contemporary shifts of range margins on patterns of genetic structure and mating system in two coastal species. Heredity, 124: 336-350. 

Martyn Rix (2014) Viola tricolor subsp. curtsii in Curtis’s Botanical Magazine van april 2014

Duinviooltje. Foto: Ronald van Wijk

Naschrift N.a.v. per mail toegezonden informatie van Eddy van der Meijden nog het volgende: “De verspreiding is veel ruimer dan wordt aangegeven. Daarvan zijn Latron en consorten overigens wel van op de hoogte. Ze verwijzen naar een heel leuk artikel van Martyn Rix in Curtis’s Botanical Magazine van april 2014. Daarin wordt uitvoerig ingegaan op de verspreiding in Groot Brittannië en Ierland, Denemarken, Zweden en Noorwegen langs de Baltische zeekust tot aan Rusland toe. “

Ontleend aan: https://www.gbif.org/species/5833306

Dan de reden van achteruitgang; Latorn cs melden: ‘Over the past decades, Dune pansy lost habitats in northern France, due to urbanization and to dune fixation in peri-urban areas, and is now protected.’   

Tenslotte: “Op de Floron-site wordt vermeld dat in ons land het voorkomen ‘onveranderd is of toegenomen’. Maar het is natuurlijk wel een plant die wat risico’s in zich draagt. Hij is gebonden aan open droog, redelijk stabiel duingrasland. Dat moet ook open blijven, dus begrazing ondergaan. Insectenbestuiving is een voorwaarde. Mieren moeten zorgen dat er wat zaadjes op enige afstand van de moederplant terecht komen.  En dat zijn omstandigheden die zomaar in zijn nadeel kunnen werken. “

Als we het nu hebben over havenflora dan hebben we het vooral over de flora van een grootschalig industriegebied, doorsneden met water en vele kilometers aan stenige oevers. Voor de inrichting van dit gebied is het oorspronkelijke landschap volledig van de kaart geveegd en opgespoten met zand dat deels direct uit zee, deels uit de diepere ondergrond van de huidige havens en vaar- wegen afkomstig is. Anders dan de ook met zeezand opgespoten havengebieden van bijvoorbeeld Amsterdam of Moerdijk vormt de Rotterdamse haven echter geen geïsoleerde kust-enclave in het binnenland maar een doorlopende tong van zand die landinwaarts de zeeklei van de delta in steekt en zich vanaf de zee uitstrekt tot in de stad.

Met die tong van zand trekken ook de zandplanten vanaf de kust het binnenland in, variërend van het opvallende slangenkruid tot subtiele grasjes als zanddoddegras en zilverhaver en soms soorten die we eerder zouden verwachten in natte duinvalleitjes. Maar tegelijk is er meer reden om het havengebied in de eerste plaats te zien als een urbaan gebied dat zich uitstrekt tot op het strand.

Grote keverorchis en rietorchis langs de Europaweg; foto Remko Andeweg

Lees de volledige pdf die verscheen in 2021 In de Branding 29 (1): 8 – 11

In het tijdschrift Hollands Duinen verscheen een mooie reeks portretten van soms al lang vergeten beroepen van kustbewoners, steeds aan de hand van schilderij of prentbriefkaart. We citeren uit dit tijdschrift onderstaande  bijdrages van de hand van Frans Beekman. Tussen haakjes staat het betreffende nummer van dit tijdschrift.

De vinker (60)

De schelpenvisser (61)

De nettenboetsters (62)

De naleesters (63)

De ezeldrijvers (64)

De schaapherder (65)

De garnalenvissers (66)

De bramenzoekers (67)

De zandmenner (68)

De badvrouwen (69)

De koeienwachter (70)

Noordzeevissers (71)

De helmpoter (72)

De kruisnetvisser (73)

De strandjutter (74)

Duinboer(in) (76)

Garnalenvisser (2) (77)

Badvrouwen

Al in 2000 werd er voor het eerst over Strandreservaat Noordvoort (ten zuiden van Zandvoort) gesproken. In verschillende stappen is 20 jaar later een meer dynamische zeereep een feit. Een bijzonder stiltegebied waar volgens de initiatiefnemers de natuur voorrang krijgt. Wat zijn de resultaten?

Duinen moeten kunnen meegroeien met de stijgende zeespiegel. Het zand moet daarvoor vanaf het strand over de duinen kunnen stuiven. Kuilen en kerven in de zeereep, zoals die in Noordvoort zijn aangebracht, fungeren als ‘doorgeefluik’ van zand naar de duinen achter de zeereep, die daardoor hoger worden. Ook is de gedachte dat er zo meer ruimte komt voor planten en dieren die hier in het duin thuishoren. Typische zeereepsoorten zoals zeeraket, blauwe zeedistel, zeewolfsmelk, zeepostelein en duingraslandsoorten als zandviooltjes kunnen zich wellicht weer uitbreiden, en er ontstaat meer leefruimte voor zandhagedissen, blauwvleugelsprinkhanen en kleine parelmoervlinders. 

Een stuivende zeereep mogelijk maken in de drukke randstad is een kwestie van lange adem. Na 2000 bleef het lang stil maar in 2009 ondertekenden Waternet, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de gemeenten Noordwijk en Zandvoort, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat een intentieverklaring waarin zij afspraken om samen te werken aan herstel van de natuur- en belevingswaarden van het gebied tussen kilometerpaal 70 en 73.

In 2013 zijn de eerste stuifkuilen in de zeereep gemaakt. Vegetatie werd verwijderd om de verspreiding van stuifzand te bevorderen. De nadruk op lag op gang brengen van verstuiving om weer een natuurlijke, geleidelijke overgang van de zee naar de duinen te krijgen. De natuur laat zich echter niet ophaasten. Anno 2018 bleek uit wetenschappelijk onderzoek dat er nog geen toename van karakteristieke planten van de zeereep zoals zeewinde en zeeraket te zien was. Nu is, zoals de auteurs van het verslag (Ben Kruijsen, Cor ten Haaf en Mark van Til) ook schrijven, de buitenste zeereep soortenarm en zou de lat qua biodiversiteit van de wilde planten niet al te hoog gelegd moeten worden. Auteurs zijn hoopvoller t.a.v. de aan de zeereep gebonden paddenstoelen, zoals het zandtulpje. Landschappelijk wordt de winst ‘groot’ genoemd, ook op korte termijn, met meer stuifkuilen en veranderende vegetaties.

In 2018/19 is het strandreservaat ook daadwerkelijk gerealiseerd door aanleg van houten palenrijen op het strand bij strandpaal 70 tot strandpaal 73 als markering van het stiltegebied gecombineerd met een struinpad op de zeereep. De recreant wordt welkom geheten met drie uitkijkpunten op de zeereep, waarvan de middelste precies op de provinciegrens ligt. Bovendien verschenen er fietsenstallingen met informatieborden bij de paden naar de uitzichtpunten.

In 2020 zijn in de zeereep tussen strandpaal 69 en 70 nieuwe stuifkuilen aangelegd: De 7 Broeders.  Het beoogde doel van deze ingrepen is ook hier het herstellen van dynamische processen en een meer natuurlijke zeereep. De zeven nieuwe stuifkuilen zijn anders aangelegd dan tussen strandpaal 70 en 73. Ze zijn dieper uitgegraven en verbonden met het strand. Na ongeveer twee jaar moeten de stuifkuilen goed op gang zijn. We zijn zeer benieuwd naar de resultaten en ook of het strand soortenrijker is geworden met kansen voor vogels en het achterliggende duin rijker qua flora wordt. Het is verstandig geen overspannen verwachtingen te hebben op de korte termijn en ook effecten van recreanten op de nieuwe natuur te volgen.

Projectdetails

Mark Zekhuis en Nico de Vries schreven een boek dat in 2012 uitkwam bij Uitgeverij Profiel in Bedum en nu ook hier online is te raadplegen.

In de uiterste Noordoosthoek van Nederland ligt Rottum, een kleine groep onbewoonde eilanden in de Waddenzee: Rottumeroog, Rottumerplaat en Zuiderduin. Rottum is beschermd gebied, de natuur heeft het hier voor het zeggen. Het is slechts beperkt toegankelijk voor onderzoekers die er komen om te inventariseren, te onderzoeken en toezicht te houden. Er zijn jaarlijks ook enkele excursies die Staatsbosbeheer organiseert. Zie onze hotspotwandeling op Rottumeroog online.

Vooral de wad- en broedvogels worden nauwkeurig geteld. Op Rottum worden vaak ook bijzondere diersoorten worden waargenomen. Deze informatie is vastgelegd voor iedere geïnteresseerde. De Fauna van Rottum toont de biodiversiteit van de fauna van Rottum, een systematisch overzicht van alle diersoorten die ooit op deze geïsoleerde eilandengroep zijn waargenomen en geregistreerd. 

Daarnaast wordt verteld over het ontstaan van Rottum, de ligging en de huidige verschijning. Ook het beheer vroeger en nu, het werk van voormalig strandvoogd Toxopeus en de vogelwachters wordt besproken. 

De gegevens zijn afkomstig van Staatsbosbeheer, diverse Particuliere Gegevensbeherende Organisaties, de vogelwachters en de allerlei vrijwilligers die hier gegevens verzamelden.

Een bijzonder naslagwerk voor de vogelaar, de wetenschapper, de waddenliefhebber, de eilandengek, de natuurliefhebber in het algemeen en die van Rottum in het bijzonder.

Zeepkruid


Kruipend stalkruid


Moeraswespenorchis in de berm (wel afstappen)


Het kan geen toeval zijn dat de welriekende agrimonie (in het noorden alleen bekend van Ameland) hier ook weer naast een fietspad staat.


Muggenorchis langs fietspad Schiermonnikoog, 2018. Foto Rogier van Vugt

Als fietspaden met schelpen worden aangelegd in een overigens kalkarm duinlandschap (d.w.z. het duin benoorden Bergen) kan dat de natuur flink opschudden. Meer kalk betekent bijna altijd meer bloemen, afhankelijk van de leeftijd van een pad en de afstand tot het pad. We kijken in vogelvlucht van zuid naar noord. In alle kalkarme duinen spatten de kalkminnende bermsoorten je al fietsend tegemoet. Dat kan heel spectaculair zijn met de orchideetjes hondskruid en zelfs poppenorchis in de duinen van Schoorl. Meer noordwaarts in het Zwanenwater zien we duidelijk meer grote ratelaar maar ook meer grote keverorchis en rietorchis langs schelprijke paden en wegen. Op Vlieland staat weer veel zeepkruid, wilde peen en grote ratelaar langs de droge schelpenpaden, naast het opvallende roze van kruipend stalkruid en het diepe blauw van ossentong. Op Terschelling valt op dat langs vochtige hooilanden vlakbij zo’n schelprijk pad in het Dazenplak extra veel moeraswespenorchis staat en ook meer reukgras. Op Schiermonnikoog kan je al fietsend weer van kleine ratelaar en stijve ogentroost genieten, maar ook staat er relatief vaak veldlathyrus langs het pad en incidenteel de zeldzame aardaker. Op dit afgelegen Waddeneiland staat ook ergens muggenorchis langs een fietspad. Het moet niet wilder worden!

Heb je meer voorbeelden dan in dit artikel staan of  heb je foto’s die duidelijk de relatie laten zien tussen bermbloem en schelpenfietspad, geef hier onder bericht, of mail ons

Geen hei maar klavers en ratelaars langs het schelpenpad in het Zwanenwater. Foto Hanneke Waller

Langs een fietspad op Terschelling hebben Tim Pelsma en o.g. een wandeling gemaakt, op zoek naar effecten van schelpenpaden. Althans in de berm…

Popperorchis langs fietspad in duinen van Schoorl tussen de Berekuil en Groet; foto Bert de Boer, juni 2017


Wit vetkruid met voeten in de schelpen, ook Schoorl. Foto van Theo Baas die schrijft: “niet perse een kalkbehoeftige plant maar zeker geen plant van zure omstandigheden. In Schoorl kom ik de soort alleen tegen langs schelpenpaden (die trouwens in rap tempo door betonpaden vervangen worden).”

En een noodkreet van Schiermonnikoog, november 2020

Beste Rolf,


Zoals je weet loopt er op ons eiland een net van fraaie schelpenpaden.Natuurmonumenten wil deze paden gaan vervangen door ander materiaal.Veel eilanders en gasten zijn het daar niet mee eens.Niet alleen vanwege het belevings-aspect, maar ook vanwege het feit dat juist langs de schelpenpaden veel plantensoorten een goed milieu vinden. Denk aan de vele rietorchissen, maar ook aan slangenkruid, brede(!) ereprijs en de knikkende distels.
De argumenten van NM zijn o.m. de schadelijkheid van de schelpenwinning voor de Waddenzee en de kosten.
Wat het argument van de schadelijkheid voor de Waddenzee betreft: de winning van kleischelpen, die voornamelijk op diepten onder -5 m plaatsvindt, zorgt inderdaad voor vertroebeling van het water. Deze vertroebeling staat natuurlijk in geen verhouding tot de vertroebeling van het water bij windkracht 7 of hoger. een zeer vergezochte argumentatie.
De kosten dan. Deze bedragen voor NNM op Schiermonnikoog rond de 40.000 euro per jaar. Een door bureau Horatius opgemaakte raming van de kosten voor de vervanging van de schelpenpaden op Schiermonnikoog (2018) komt uit op maar liefst 1,3 miljoen (minimum) tot 4,1 miljoen (maximum) euro!! Oftewel: voor dit bedrag kunnen nog 30 jaar (bij het minimumbedrag) tot ruim 100 jaar (!!!!)(maximumbedrag) de schelpenpaden worden gefinancierd.

Hartelijke groet,
Thijs de Boer