8 kiekjes van 1 gebeurtenis We willen weten: waar is dit, wat gebeurde er en wanneer? Onder de goede inzendingen verloten we een exemplaar van Duinen en mensen Texel. Tip: waarschijnlijk zijn dit de vroegste beelden van de eerste vorm van natuurontwikkeling in de duinen

Mail: waar, wat en wanneer naar duinenenmensen.

Inzenden tot 1 maart 2022

In het kader van het komende boek ‘Duinen en mensen Voorne’ vinden komend seizoen een aantal ‘Voornse expedities’ plaats voor de ruime kring van meedenkers en meeschrijvers, leden van natuur- en historische verenigingen, maar ook geïnteresseerden of terreinbeheerders kunnen zich aanmelden.

Steeds gaat het om middagen 14.00u i.s.m. verschillende vakmensen rond wisselende thema’s die we in boek Duinen en mensen Voorne bespreken. En in tegenstelling tot de kabouter in dit bericht: het wordt hard werken.

20 mei De waarde van duinstruwelen i.s.m. Bert Maes. Bert Maes is o.a. auteur van de Atlas wilde bomen en struiken (2021) en schrijft in ons boek mee aan hoofdstuk over bos en struweel. Bert zal samen met aanwezigen de waarde van struwelen verkennen en bijzondere ‘Voornse’ soorten laten zien.

16 juni De grote ommeloop door de duinen van Rockanje: route in ontwikkeling in het gebied Breede water/Waterbosch met speciale aandacht voor de resultaten van herstelprojecten. In samenwerking met Marten Annema.

9 juli Botanische waarde van de Heveringen i.s.m. Erik Ketting en Dick van der Laan. Om meer te weten over flora en beheer: in uitgezette (virtuele) proefveldjes wordt de flora gekarteerd. Iedereen met goede plantenkennis en de inzet om ook de grassen en zeggen te willen leren is welkom.

13 augustus Duinvlinders en herstelprojecten i.s.m. Theo Briggeman. In de omgeving van Breede water en Waterbosch lopen we vlinderroutes na en bespreken we de trends.

Aanmelden? Vermeld aub in uw aanmeldingsmail uw naam, tel.nr. en eventuele expertise rond het onderwerp. Ook fotografen zeer welkom.

Aanmelding via Rolf Roos

Maximaal aantal deelnemers: 10

Deelname is gratis voor medewerkers aan het boek en mensen die boek via voorintekening hebben besteld.

Nieuws en voorintekening boek via deze link.

Deelnemers krijgen vooraf per mail bericht over de startlocatie.

Lezingen en doorkijkjes, tweeluiken op de zaterdag:  

Op zaterdagmiddag 26 februari en op 26 maart vanaf 15.00 organiseren we in het kader van ‘Duinen en mensen Voorne’ korte lezingen over de duinen van Voorne, de natuur en de geschiedenis. Twee-drie keer 15 -30 minuten met napraten. De sprekers werken allen mee aan het boek Duinen en mensen Voorne (in voorbereiding). Met veel gelegenheid tot vragen, bijpraten en uitwisseling. Dagvoorzitter: Theo Briggeman.

Locatie: Cultureel centrum de Man (Zeezaal), Burgemeester Letteweg 30, 3233 AG Oostvoorne.

Aanmelding is vereist. Mail a.u.b. naar de Natuurvereniging t.a.v. Corrie Lesuis. Eventuele updates van het programma  worden toegezonden na aanmelding.

Over corona-zaken: in ieder geval zal 1,5m afstandregel gelden en neem uw QR-code mee.

Voorlopig programma

26 februari 15.00 u HEVERINGEN in de spotlights

  • Rolf Roos: Nieuwe (historische) inzichten over een oud landschap, De Heveringen
  • Theo Briggeman: De Heveringen als beste vlindergebied van Voorne.
  • Menno van Lopik: De Heveringen: een toekomst voor het oudste duin van Voorne

26 maart 15.00 u BEHEER in de spotlights

  • Rolf Roos: introductie op het thema en casestudy: herstelbeheer in de Stekelhoek (i.s.m. Dick van der Laan)
  • Kees Vertegaal: Resultaten begrazingsbeheer en herstelprojecten in de Voornse duinen vanaf 2000 (we vragen ook (oud)terreinbeheerders om als ‘co-referent’  hun inzichten met ons te delen.
Theo Briggeman is voorzitter van de Natuurvereniging Hollandse Delta
Menno van Lopik
is Regiobeheerder Eilanden bij de Stichting Het Zuid-Hollands Landschap. Rolf Roos is bioloog, maakt boeken voor Uitgeverij Natuurmedia en rondt dit jaar met ca 20 mede-auteurs het boek Duinen en mensen Voorne af.
Kees Vertegaal van gelijknamig bureau Vertegaal Ecologisch Advies en Onderzoek schreef o.a. het beheerplan voor Het Zuid-Hollands Landschap in 2005 en is mede-auteur van o.a 'Bloeiende duinen' en Duinen en mensen Voorne
Meer informatie

Organisatie: Natuurvereniging Hollandse delta i.s.m. Streekarchief Voorne-Putten, het Zuid-Hollands Landschap en Uitgeverij Natuurmedia. Aanmelding aub bij de Natuurvereniging t.a.v. Corrie Lesuis.

Mee op expeditie in Voorne? Klik hier.

Klik hier om in te tekenen op het boek ‘Duinen en mensen Voorne’ en meer informatie over het boek.

 

Tekst en foto’s: © Jeroen Rijpsma

De Heesterhof ligt aan de ingang van de duinen van Oostvoorne, in het verlengde van de F.H.G. van Itersonlaan, verscholen onder dennen en zand, maar is nog goed zichtbaar. De auteur bespreekt de aanleg van dit bunkercomplex, de onderdelen, het gebruik en wat er van over is en nu nog te zien. Met uniek kaartmateriaal (red.).

Heesterhof op hoogtekaart met enkele details. Ontleend aan: Duinen en mensen Voorne; ©  Natuurmedia

Een hoofdkwartier in bouw

In de bitterkoude winter van 1942 op 1943 gingen tientallen Nederlandse arbeiders onder leiding van de Organisation Todt (OT) aan het werk langs de Vliegveldweg, het tegenwoordige Sipkesslag. Hier was aan de rand van de duinen achter een tuinderij aan de Duinzoom een bunkercomplex van de Atlantikwall gepland, die de Wehrmacht Widerstandnest (WN) 104 doopte. Via het tramspoor Rotterdam-Oostvoorne werden materialen en grondstoffen aangevoerd die ter hoogte van hotel Duinoord aan de Zeeweg werden overgeslagen op een smalspoor. Dit was speciaal aangelegd voor de bunkerbouw op afgelegen locaties. Het spoor liep naar verschillende bouwplaatsen kilometers ver de duinen in en vertakte richting het Breede Water en landgoed Oleartsduyn, net voordat het Baupunkt 54 aandeed. Dit was de naam die de OT gaf aan WN 104. De arbeiders laadden hier het grind, staal en hout uit voor de meer dan twintig geplande bouwwerken. Maandenlang doorbrak het rumoer van de bouwwerkzaamheden het voorheen zo stille natuurgebied.

Nadat het interieur met onder andere gasfilterinstallaties, kachels, pantserplaten en stalen deuren was voltooid en de bedden, krukken, tafels en lampen naar binnen waren gebracht namen in de zomer van 1943 infanteristen hun intrek in de fonkelnieuwe bunkers. Het complex kreeg zowel onder de Duitsers als de bevolking de bijnaam ‘Heesterhof’, vernoemd naar de heesters die hier al voor de oorlog groeiden. Het was een van de vier compagniehoofdkwartieren van een infanteriebataljon van Grenadierregiment 723 dat Voorne moest verdedigen tijdens een geallieerde invasie. De troepen hadden hun gevechtsstellingen in de duinen langs het strand, terwijl een reserve vanuit dit hoofdkwartier snel kon uitrukken naar de locatie waar een landing plaatsvond, zo was het idee.

Betonstort voor de bunkerbouw in oorlogstijd.

Soorten bunkers

De bunkers in het complex zijn grofweg in twee categorieën te onderscheiden; zogenaamde bomvrije exemplaren van gewapend beton en ‘scherfvrije’ bunkers die volledig waren opgetrokken uit bakstenen. Die laatste kenmerken zich door hun hoge gewelfd plafond, een toogconstructie die in de romaanse bouwstijl veel is toegepast en sterkte verleend. Deze gemetselde bouwwerken waren ook voorzien van ramen waarvoor scherfmuren stonden. In de praktijk verbleven de manschappen overdag liever hier, dan in de bunkers waar geen daglicht toetrad. Het waren eigenlijk ook meer versterkte huizen dan ‘echte’ bunkers, want ze boden geen bescherming tegen zware granaat- of bominslagen. Dit was wel het geval met de Ständige (St) Befestigungsanlagen. Dit zijn gestandaardiseerde betonnen bunkers waarvan de imposant dikke muren van twee tot drie meter dik bommen van vijfhonderd pond konden weerstaan. Omdat deze, inclusief het interieur, naar standaardontwerp waren uitgevoerd was vooraf al exact bekend wat er allemaal nodig was om ze te bouwen. Dit zorgde voor een efficiënt proces van planning tot oplevering.

Naoorlogse opmeting uit 1947 van twee Tobruks, gangen en een manschappenbunker type St-501 met zijn opvallende drie meter dikke muren. Het Bureau Registratie Verdedigingswerken van de Nederlandse genie legde alle Duitse bouwwerken vast, ter beoordeling of ze nog voor enig nut konden zijn voor de eigen strijdmacht. Bron: Nationaal Archief

De ingang van de St-bunkers kon van binnenuit vanachter een pantserplaat onder vuur worden genomen. De rode kleur is de oorspronkelijke camouflageverf.

Links van de ingang is nog steeds leesbaar typenummer 622, met daaronder het Baupunktnummer 58, bunker 07.

Het complex

De compagnie in Heesterhof, zo’n tweehonderd manschappen groot, werd aangevoerd door een Oberleutnant die kantoor hield in een van de gemetselde bouwwerken, de Schreibstube. Ook waren er twee langgerekte bakstenen exemplaren voor manschappen, een grote keuken en vier kleine tongewelven voor de opslag van voorraden, water en kolen. Daarnaast waren er de eerder genoemde bomvrije bunkers; een voor de opslag van munitie (St-134 Munitionsunterstand) en zes voor manschappen, waarvan de grootste tevens in gebruik was als gewondenverzamelplaats (5x St-501 Gruppenunterstand en 1x St-622 Doppelgruppenunterstand/Sanitätsstand). Deze kolossen alleen verslonden gezamenlijk al meer dan drieduizend kubieke meter beton. In het midden van het complex stond een ongewapend betonnen toiletbunker met zeven zitplaatsen. De fecaliën vielen in een forse beerput eronder, die via een luik aan de achterkant regelmatig werd geleegd. Onder geen beding mochten de militairen hun behoefte in de natuur doen, omdat dit de bodem waaruit drinkwater werd onttrokken verontreinigde. De waterpompen in de bunkers voorzagen de militairen immers van zuiver duinwater wat tijdens een belegering van vitaal belang was. Langs de periferie van het complex stonden zes betonnen Tobruks, kleine gevechtsbunkers voor een mitrailleur. De naam refereert aan de stad in Libië, waar soortgelijke ontwerpen van Italiaanse origine inspiratie gaven aan de Duitse Festungpioniere die ze massaal toepaste in de Atlantikwall. Normaliter verbonden open loopgraven deze wapenopstellingen met de manschappenbunkers. In Widerstandnest 104  waren die echter deels vervangen door aaneengeschakelde ovale betonnen ringen die zo gangen vormden, zodat de militairen ook tijdens een beschieting beschermd naar hun positie konden snellen. In feite renden ze door afgedankte rioolbuizen, maar dat zullen weinigen hebben geweten. Alle bouwwerken werden op het maaiveld gebouwd, vermoedelijk vanwege de hoge grondwaterstand in het duin. Om minder op te vallen werd zoveel mogelijk duinzand over de bunkers gegooid en over de ingangen camouflagenetten gespannen, wat onverlet liet dat het complex vanuit de lucht duidelijk zichtbaar bleef. Voor wie meer wil weten over de Atlantikwall klik dan hier.

Authentieke Duitse Baufortschrittkarte van het bunkercomplex. De functies van alle elementen zijn benoemd tot begin januari 1944. De dubbele zigzaggende lijn is de prikkeldraadversperring rondom, van een tankgracht was toen nog geen sprake. Bron: Nederlands Instituut Militaire Historie.

Een re-reanactment groep in actie in de hospitaalbunker. De wanden bij de ingang zijn schuin afgevlakt om de brancard beter naar binnen te brengen.

De bunkers waren voorzien van een waterpomp, waarvan alleen nog de bevestiging resteert. Hierboven waarschuwden Gotische letters het water niet te drinken alvorens te koken. Duidelijk zijn de horizontale lijnen van de houten bekisting zichtbaar in de okergeel geverfde betonmuur.

Schuldig landschap

Bunkercomplex Heesterhof kent een beladen geschiedenis. Op deze locatie werd de evangelist Leendert van der Meer gefusilleerd. Hij was een felle anti-Duitser die twee weken voor zijn executie nog een aantal stakende RTM-personeelsleden in Oostvoorne aan onderduikadressen hielp. Van der Meer was onder de bevolking bekend als iemand die mensen uitnodigde om bij hem naar de illegale radiozenders te luisteren. Elk dorp in Nederland telde wel wat toestellen die niet waren ingeleverd en waar ‘s avonds heimelijk naar werd geluisterd. Nieuwtjes deden vervolgens als een lopend vuurtje de ronde. Als er een radio werd gevonden leidde dit voor de betrokkene in het gunstigste geval tot een week hechtenis, maar dit was op Voorne in het najaar van 1944 heel anders. De geallieerden rukten na de invasie op de stranden van Normandië eerder dat jaar (D-day 6 juni) snel op en bereikten Zeeland en Brabant. Door het naderende front waren de Duitsers angstig en heerste er een grimmige sfeer op Voorne. Elk vermeend verzet moest met de kop worden ingedrukt. Na een vondst van een aantal radio’s elders op het eiland dreigden de Duitsers één op elke tien mannelijke inwoners dood te schieten. Toen de Ortskommandant was getipt dat in het evangelisatiegebouw in Oostvoorne illegaal naar Radio Oranje werd geluisterd ondernamen ze tijdens de uitzending op de avond van 9 oktober 1944 actie. Van der Meer zat met enkele vrienden nietsvermoedend aan de radio gekluisterd toen het geluid van de deurbel hen opschrikte. Snel verstopten ze het toestel, maar de zoekende soldaten vonden onder de preekstoel een ander exemplaar die ondanks de dikke laag stof voldoende aanleiding vormde iedereen op te pakken. Ze werden naar Heesterhof gebracht en in een bunker gevangen gezet.

Inmiddels waren hier al een jaar legionairs van het Wolga-Tatarische Bataillon 826 gelegerd. Zij waren tijdens de Duitse veldtocht in Rusland gevangen genomen en kregen de keus: of het uniform van de Wehrmacht dragen of een erbarmelijk lot in krijgsgevangenschap. Major Ernst Schermuly was de commandant van dit bataljon en tevens Inselkommandant van Voorne. Hij kwam persoonlijk langs om de gevangenen te ondervragen, want hij had grote interesse te weten of er mogelijk banden waren tussen het verzet en zijn onbetrouwbare Ost-Bataillon. Toen hij wist dat die er niet waren droeg hij de zaak over aan de Sicherheitsdienst in Rotterdam. Tijdens hun verhoor op 11 oktober zou Leendert van der Meer hebben toegegeven lid te zijn van een illegale organisatie. Hij weigerde namen te noemen en gaf aan dat zijn bezoekers er buiten stonden. Zij kwamen er dan ook met een korte werkstraf vanaf, maar voor hemzelf was er geen clementie. In hun bijzijn werd hij nog dezelfde dag standrechtelijk geëxecuteerd door een vuurpeloton van Wolga-Tataren. Het evangelisatiegebouw werd hierna in brand gestoken als waarschuwing aan de bevolking en weduwe Van der Meer werd van het eiland verbannen. Langs het Sipkesslag staat een klein bordje ter nagedachtenis aan deze droevige gebeurtenis.

Een gedenkbordje langs de Sipkesslag voor evangelist Leendert Van der Meer met op de achtergrond de betonnen molshopen onder de bomen.

Een bunkereiland

Toen de geallieerde opmars eind november 1944 bij de grote rivieren in Nederland stagneerde veranderde de Duitse verdedigingssituatie op Voorne. De Atlantikwall was voornamelijk gericht op een geallieerde invasie vanuit zee, maar een aanval vanaf landzijde was nu ook heel reëel. Het eiland werd daarom beschouwd als frontgebied en in allerijl werden overal extra veldwerken en versperringen aangelegd. Rondom WN 104 moest een tankgracht komen waarvoor een deel van de mannelijke bevolking uit de omgeving werd opgetrommeld. Daags voor hun arbeidsinzet viel er een briefje op de deurmat met tijdstip en locatie en de opmerking zelf een spade mee te nemen. Indien aan de oproep geen gehoor werd gegeven zouden er de strengste straffen volgen. De uitgegraven ring rondom het bunkercomplex liep vol grondwater, zodat het halverwege januari een eiland in het duin was. De luchtverkenners van de Royal Air force hadden er geen enkele moeite mee deze versperring te herkennen, want het donkere water in de gracht stak scherp af tegen het lichtgekleurde duinzand. Van de gracht resteert tegenwoordig slechts een langgerekte flauwte in het struweel.

In harmonie met de natuur

Na de oorlog waren de volumineuze bunkers de natuurbeheerders een doorn in het oog. Slopen bleek te duur, zodat de bunkers op advies van natuurbeschermer Cees Sipkes die in dienst was bij de terreineigenaar van dat moment, het Administratiefonds Rotterdam, werden ondergewerkt en beplant met Corsicaanse dennen. De drie duinplasjes aan beide zijden van het complex herinneren aan het hiervoor afgegraven zand. De begroeiing zorgde ervoor dat de bouwwerken in de loop der jaren steeds beter opgingen in de natuur en decennia later wisten de meeste wandelaars niet meer dat de bulten onnatuurlijk waren. Vleermuizen daarentegen wel. Zij vinden via kleine openingen van ventilatiekanalen of schoorstenen hun weg naar het binnenste van de onzichtbare bunkers, ook al zijn die doorgangen verticaal. Binnen heerst een constante temperatuur en het is vochtig; de ideale omgeving voor de winterslaap en de paring. Het Zuid-Hollands Landschap plaatste in 1994 in de ingang van de grootste bunker een deur met een klein vlieggat. Zo werden de beestjes niet gestoord tijdens hun slaap, want als ze een paar keer wakker worden leidt dat tot een gewisse dood. Uit de langlopende telling blijkt een gestage groei van de populatie van verschillende soorten. Sinds een paar jaar zijn ook enkele Tobruks voorzien van afsluitbare deksels om de rust voor deze beschermde diersoort te garanderen. Tegenwoordig is weer her en der beton zichtbaar. Het zand zakt langzamerhand naar beneden, mede als gevolg van de grazende pony’s in het duingebied die ook over de bulten trekken. Het beton trekt weer de aandacht van kinderen, die van de wandelpaden afgaan om op ‘spannend bunkeronderzoek’ te gaan. Overigens zijn het ook vaak volwassenen mannen die tijdens een wandeling hun nieuwsgierigheid niet kunnen onderdrukken en meer willen zien. Zo ontstaan vele ‘olifantenpaadjes’ en weer een volgende verandering in het landschap. Het filmpje geeft een indruk hoe de bunkers na de oorlog in de natuur zijn opgegaan.

 

Betonsporen 

Betonsporen (1). Een trapje van een metersdiepe nooduitgang van een manschappenbunker, volgestort met duinzand.

Betonsporen (2): ingang van een grotendeels verzande gang.

Betonsporen (3) Een ovaalvormige gang, opgebouwd uit betonnen rioolbuisringen.

Betonsporen (4) Een Tobruk met vleermuisdeksel. Wandelaars lopen van de paden af om al die stukken beton te bekijken.

Betonsporen (5) Prefab betonblokken. Deze werden soms gebruikt ter vervanging van bekistingshout. Ook werden er scherfmuren van gemaakt.

Betonsporen (6) Een schoorsteen verraadt de aanwezigheid van een bakstenen bouwwerk onder de grond. Het zijn openingen waar vleermuizen gebruik van maken.

Betonsporen (7) De ingang van de toiletbunker ligt vol met duinzand waarin een boom wortelt.

Betonsporen (8) De ingang van de afgesloten vleermuisbunker van het Zuid-Hollands Landschap

De Corsicaanse dennen op de kunstmatige heuvels. C.Sipkes had als taak na de oorlog de sporen hiervan zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.

Het verbodsbord van de vleermuisbunker viel, evenals veel bunkers, ten prooi aan vernielingszucht.

 

Door Martijn de Groot

In 2019 en 2020 wandelde ik langs de hele Nederlandse kust, van Zeeuws-Vlaanderen tot Schiermonnikoog, om alle kilometer-strandpalen te fotograferen. Strandpalen zijn meestal fotogeniek, dat vond ik altijd al. Vaak zijn ze getekend door jaren van zon, zeewind en regen. Zo ontstond een bijzondere collectie foto’s, waarvan de mooiste te zien zijn op de website www.strandwachters.nl.

Op Ameland worden de oude voorschriften voor het uiterlijk van de palen nog in ere gehouden.

Onder het wandelen begon ik me steeds meer vragen te stellen over de functie, de geschiedenis, het uiterlijk en de onderlinge verschillen tussen de palen. Ik ging met kantonniers praten, met timmerlui en omgevingsmanagers, las oude rapporten van Rijkswaterstaat en raadpleegde archieven van het rijk, provincies en hoogheemraadschappen. Het begon tot me door te dringen dat ik bezig was om cultureel erfgoed vast te leggen, dat ook nog eens werd bedreigd.

Die palen staan er al sinds de negentiende eeuw, zo bleek. Ze verschenen in 1843 voor het eerst langs de Noord-Hollandse kust, en in de jaren tachtig van die eeuw waren ze overal te zien: elke kilometer één. De palen werden door Rijkswaterstaat gebruikt om jaarlijkse strandmetingen te doen: hoogte van de paal, afstand van paal tot duinvoet, van paal tot hoogwaterlijn, van paal tot laagwaterlijn. Zo kon de ontwikkeling van strand en duinen op de voet worden gevolgd. Dat was, en is nog steeds, belangrijk in een land dat zich altijd tegen de zee moet verdedigen.

Inmiddels worden de palen al dertig jaar niet meer gebruikt voor hun oorspronkelijke doel. Strandmetingen worden tegenwoordig met satelliettechniek gedaan. In de jaren negentig zijn veel strandpalen weggehaald – in Zeeland zelfs zo goed als allemaal – totdat er protesten klonken van toeristische organisaties, gemeentes en veiligheidsregio’s, die ze toch wel wilden behouden voor oriëntatie op het strand. Ze zijn nu voornamelijk in beheer bij de water- en hoogheemraadschappen, die zich van die verantwoordelijkheid met wisselend enthousiasme kwijten. Zo wordt bijvoorbeeld op de Zuid-Hollandse eilanden, waar als een van de weinige plekken nog een dubbele rij palen behouden is gebleven, overwogen om een van die rijen weg te halen. De waterbeheerders zelf hebben geen belang bij de palen. Vandaar de grote regionale verschillen in de staat waarin ze verkeren en de mate waarin ze nog op hun plaats staan.

Gaandeweg begon ik steeds meer te snappen van de oude ‘strandpalencultuur’, waarvan in de loop van de jaren maar weinig schriftelijk is vastgelegd. Ik was dus blij dat ik nog mensen kon spreken die in de jaren tachtig zelf met het ‘Rijksstrandpalenstelsel’ hadden gewerkt, en besloot alles in een boek op te tekenen. Dat is nog niet helemaal af maar de foto’s zijn wel klaar. Daarvan deel ik er 330 op www.strandwachters.nl, van palen met cijfers die lopen van 1 t/m 100. Ze kunnen daar ook als Ansichtkaart worden besteld. Wie dat doet, helpt met € 0,25 per kaart ook de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij KNRM, die veel goed werk doet langs de kust en daarbij nog steeds veel belang heeft bij strandpalen om zich te oriënteren. De website biedt daar meer informatie over, en ook over het wandelproject en de geschiedenis van de palen.

Martijn de Groot is communicatieadviseur en tekstschrijver, voornamelijk actief op het gebied van land- en tuinbouw en groene ruimte

Strandpalen op 200 meter onderlinge afstand op de Noordvaarder, Terschelling

 

Ook in het binnenduin staan veel palen zoals deze bij Langevelderslag [onderdeel van hetzelfde voormalige ‘rijksstrandpalenstelsel’ als die op het strand].

 

Paal 5 bij Julianadorp

Wanneer leden van de Ockenrodegroep, die in 1967 begonnen met het inventariseren van broedvogels in Solleveld en Ockenrode nabij Den Haag, nu terugkijken naar deze beginperiode dan doen ze dat met weemoed en enige treurnis. De vogelwereld van de jaren zestig bestaat niet meer. Tal van typische duinvogels zijn in de loop der jaren verdwenen of sterk afgenomen maar er zijn ook positieve ontwikkelingen: andere soorten namen juist toe of hebben zich recentelijk als nieuwkomer gevestigd. We horen nu geen jodelende wulpen meer en missen ook andere eens vertrouwde geluiden van kievit, grutto, tureluur, scholekster, patrijs, zomertortel, grauwe klauwier, paapje en tapuit. Van de bijna 100 paar veldleeuweriken is er geen enkele meer over. Ook ransuil (ooit 9 paar), boomvalk en torenvalk (ooit 17 paar!) hebben Solleveld verlaten. Er verschenen echter wel nieuwkomers zoals de aalscholver (322 paar in 2020), verschillende soorten ganzen en eenden, roerdomp, waterral, buizerd, havik, blauwborst, kleine karekiet, Cetti’s zanger en boomleeuwerik.

Mogelijke oorzaken die de vogelstand beïnvloed kunnen hebben zijn de komst van drinkwaterinfiltratie, de verruiging door de sterke afname van het konijn en door stikstofdepositie, het verdwijnen van omliggende agrarische gebieden, de effecten van ”De Grote Droogte” in de Sahellanden en ten slotte de kolonisatie door vos, havik en bosuil. De afname van een aantal zangvogelsoorten zoals grasmus, nachtegaal, gekraagde roodstaart en sprinkhaanzanger in de jaren zeventig viel duidelijk samen met “De Grote Droogte” van 1969-93 in hun voornaamste overwinteringsgebied, de Sahel. Toen de regenval zich daarna weer herstelde namen deze soorten weer toe en deze doen het nu weer uitstekend.

De komst van de vos viel samen met het verdwijnen van veel resterende grondbroeders. Daarnaast leek de kolonisatie door de havik en de bosuil de stand van kleinere roofvogels en ransuil naast die van groene specht, houtduif en kleinere kraaiachtigen te beïnvloeden. De tegenwoordige bezoeker van Solleveld kan nog steeds genieten van de vogelrijkdom daar maar moet zich wel realiseren dat deze vogelrijkdom veranderlijk is. Een halve eeuw geleden was deze heel anders en zal over een halve eeuw ook weer anders zijn.

(Martin Lok in naschrift:) We hebben uitvoerig gestudeerd op het effect van de zandmotor en contact gehad met mensen die daar naar vogelbewegingen kijken, maar geen enkel effect kunnen ontdekken. Je zou verwachten dat de zandmotor een positief effect op de visstand zou hebben en daar mee de aalscholvers positief kunnen beïnvloeden. De aalscholvers foerageren wel voornamelijk op zee maar vaak ver van de zandmotor.

Het hele artikel  (pdf) van Jacco Duindam, Gerben J. van Geest, Gerjon Gelling & Martin Lok verscheen in Holland’s Duin, 2021

 

De in Castricum wonende Arend de Jong is niet alleen een goed vogelaar die in staat is de uilen persoonlijk te lokken (zie een kort TV- item met hem uit 2013), maar beschrijft zijn resultaten ook kort en bondig. We citeren hier een kort verhaal van hem met een unieke waarnemingsreeks (ontleend aan: PWN Nieuwsbrief 62, 2021: 18 en 19).(red.)

 

 

In het tijdschrift Hollandʼs Duinen, platform voor duinonderzoek
in Berkheide, Meijendel en Solleveld, nr. 79, pag. 21-29, november 2021 verscheen van de hand van Frans Beekman het artikel Veldnamen in Meijendel waarvan we hier de pdf graag weergeven.

 

 

 

Van veel duingebieden staan op duinenenmensen studies van veldnamen. Zie zoekterm ‘veldnamen’:  artikelen of rapporten over Terschelling, Texel, Zwanenwater, Kennemerland, DeBeer, Voorne en nu ook Meijendel.

Ook op duinenenmensen een  In memoriam van de ‘uitvinder’ van duintaal, Rob Rentenaar, plus links naar zijn (duin) publicaties.

 

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne

Tekst: Rolf Roos met medewerking van Bob Benschop, met dank aan Jan Alewijn Dijkhuizen

PROJECT IN ONTWIKKELING;  commentaar of mooiere foto’s zijn welkom; update 15 nov 2021

Geen route voor watjes of drukdruk-bezoekers die een snelle natuursnack wensen. Je moet er wat voor doen, je willen verdiepen. Op deze ommeloop komt in ruim 8,5 km en meer dan 25 tussenstops de hele staalkaart van natuur en historie van de Duinen van Oostvoorne langs. Van oud naar jong en weer terug. Van zoet naar zout. Van onder NAP tot bijna 13m hoog.

Vanuit Tenellaplas gaat het via de oude Heveringen en sluippaadjes, langs De Sipkesslag met meertjes en het Duintje van Dick, het Pitje van Praal en Schelpenpad naar het Vliegveld. Vandaar langs de Molenkreek naar het Parnassiavlak, onderdeel van het Groene Strand. Dan langs de zoute kust van het voormalige autostrand, thans de Slikken van Voorne van het Zuid-Hollands Landschap en bijzondere strandhaken weer het duin in over het A.J.Bootpad via o.a het Van Itersonbos richting het Locomotiefpad en dan tenslotte langs de Kleine Heveringen weer terug naar de heemtuin bij Tenellaplas. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er te maken zijn t.a.v. beheer. In de duinen van Oostvoorne zijn in het kader van het boek ‘Bloeiende duinen‘ speciaal voor plantenliefhebbers kortere rondjes gemaakt met kenmerkende planten (‘hotspots’ ): Tenellaplas e.o., Heveringen, Parnassiavlak.

Op de kaart hieronder ruim 25 locaties die je gezien moet hebben om het duin een beetje te leren kennen. Achtergronden zijn per locatie aan te klikken. Achtergronden bij deze route staan in het boek Duinen en mensen Voorne.

 

Door: Rolf Roos, met dank aan Dick van der Laan; aanvullingen welkom aub onderaan artikel.

Laatste update:17 nov. 2021

F.W. van Eeden (1829-1901) was directeur van het Koloniaal Museum, maar daarnaast een belangrijk plantenkenner. In zijn ook nu nog goed leesbare boek ‘Onkruid’ uit 1886 stelt hij voor om sommige delen van Nederland te bewaren als monument der natuur, waarmee het woord ‘natuurmonument’ voor het eerst werd gebruikt. In 1874 publiceerde van Eeden een ‘Lijst der planten die in de Nederlandsche Duinstreken gevonden zijn’, die we als pdf hebben opgenomen. Het is het eerste overzicht van de botanische rijkdom van de duinen. F.W. van Eeden had zelf veel veldkennis opgedaan in de duinen van Kennemerland. Op Voorne is hij voor zover bekend niet geweest maar hij vermeldt wel zijn bron van kennis over dit eiland: “Flora van Brielle en omstreken, voornamelijk van de duinen van Voorne, gedurende een tweejarig verblijf  aldaar samengesteld door den Heer M. W. Beijerinck, met raadpleging van den heer Huisman te Brielle, en mij in handschrift afgestaan.“ Beide bronnen zijn voor zover bekend verloren gegaan.

Necrologie van Eeden uit 1901

Frederik-Willem van Eeden, portret uit 1899 door Therese Schwartze.

De lange lijst uit 1874 bevat veel bijzonderheden van Voorne, waarbij soms Rockanje of Oostvoorne expliciet worden genoemd. Een enkele keer wordt ook het (toen nog vele malen grotere) gebied van de Heveringen genoemd, een laag en oud binnenduinlandschap op de grens van Rockanje en Oostvoorne. Eén van die bijzonderheden is de hondspeterselie, “talrijk aan den Hevering” (nu zeer zeldzaam in Voornes Duin omgeving Eerste Slag / Tweede Slag). Duidelijk is dat de soortenlijst ook de destijds onbemeste dijkjes van Voorne omvat, met soorten als moeslook, gevlekte rupsklaver, dolle kervel (“algemeen bij de dijken”), veldlathyrus en (“veel”) aardaker. En daarnaast akkers met windhalm en korenbloem. 

Flora van Voorne in 1874 en nu

We wagen het de lijst van toen te vergelijken met de huidige situatie. Was de flora van Voorne in 1874 rijker, armer, anders? De vergelijking is deels vals want tegenover de waarnemingen van een enkele florist rond 1870, staan de digitaal vastgelegde waarnemingen van vele honderden waarnemers nu. Dit ‘waarnemerseffect’ geeft mogelijk een te gunstige kijk op de flora van nu (er wordt maar weinig gemist). Bovendien hebben we inmiddels een deels ander klimaat (met meer zuidelijke soorten); bosontwikkeling; een andere indeling van soorten (en soms andere namen); andere typen leefgebied (steden, wegen, stenen dijken en industriegebieden) en is er sprake van overbemesting van het landelijk gebied. 150 jaar geleden lagen overal schraal begroeide maar soortenrijke dijkjes tussen bloemrijke drasse graslanden en kruidenrijke akkers. Kortom vergelijken komt met veel voetangels en klemmen. De vergelijking kan wel eens mank gaan, maar scherpt zeker de geest. We bespreken per biotoop (van zilt land tot bos) enkele belangrijke accentverschillen om aan het eind een conclusie te formuleren.

Hoe volledig was de lijst van 1874?

De ‘afwezigheid’ van een soort in 1874 terwijl deze er nu wel voorkomt, kan verschillende oorzaken hebben. Er zullen soorten niet op de lijst staan omdat ze gemist zijn door de botanici van rond 1870 (zoals waarschijnlijk de aardbeiklaver) of omdat ze later pas zijn verschenen. Dat laatste geldt voor het doorgaans aan bos gebonden stofzaad, in 2010 gevonden door de lokale plantenwerkgroep van de KNNV maar ten tijde van van Eeden nog onbekend. Meestal is het lastig uit te maken waarom een soort ‘ontbreekt’, maar gelukkig vermeldt van Eeden bij een aantal soorten expliciet ‘niet op Voorne’ en dan kunnen we aannemen dat er destijds wel naar gekeken/gezocht is. Zo’n soort is pijpenstrootje: die ontbrak 150 jaar geleden. De soort is gekoppeld aan een op Voorne zeldzamer milieutype (ontkalkt, licht zuur, vochtig), en komt er tegenwoordig zeer schaars voor. Dat de onmiskenbare vleeskleurige orchis ontbreekt in van Eedens overzicht, moet een gevolg zijn van onvolledigheid, net als het ‘missen’ van kruipend zenegroen, nu zeer algemeen langs bosranden en in duinvalleien. Van beide soorten is het niet voorstelbaar is dat ze er vroeger niet waren. Kortom, de lijst van van Eeden is prachtig, maar zeker niet ‘compleet’.

Langs zee en strand

Zilte en brakke soorten

Gestippelde ganzevoet, zeegroene ganzevoet, spiesmelde en strandmelde kwamen destijds al langs kwelders of aangroeikusten voor, net als zeepostelein, zeewolfsmelk en zeeaster. Op hogere kwelders of jonge duintjes ook kattendoorn (“op Voorne niet algemeen”), Deens lepelblad, blauwe zeedistel en zeewinde (door van Eeden vermeld voor de Maasmond, dus mogelijk niet Voorne). Wilde selderij, melkkruid en zilt torkruid werden ook vroeger gevonden en in de jongste standvlaktes stond herfstbitterling vermeld op het destijds voorkomende “Groene strand bij Rockanje”, naast strandduizendguldenkruid en waterpunge.   

Wateren en moerassen 

Op de lijst uit 1874 staan geen waterlelie en kalmoes vermeld, maar tegenwoordig zijn beide soorten bescheiden aanwezig in Oostvoorne. Dat er wel degelijk nauwkeurig werd gekeken blijkt ook uit een tweetal soorten die alleen van Voorne bekend waren: de moerasgamander en de bittere veldkers. Deze laatste soort, in duinen zeer zeldzaam, is te verwarren met witte waterkers en leggen we terzijde. Van moerasgamander is de vermelding in 1874 de oudst bekende. De soort komt nog steeds voor, vroeger iets algemener, nu in ons land alleen in de duinen van Voorne.

Andere soorten uit zeer natte milieus in 1874: 4 soorten waterkers, poelruit, watermuur, gele lis en galigaan. Ook ondergedoken- en groot moerasscherm waren van Voorne bekend, de laatste soort nu niet meer. In het water ook 4 soorten fonteinkruid, waaronder de zeldzame ongelijkbladige, maar het bijzondere weegbreefonteinkruid (nu alleen op Voorne en Texel) was nog niet ontdekt. Verder vele soorten waterranonkel, kattenstaart, heelblaadjes en de wateraardbei. Hoe nat en kalkrijk het was blijkt uit de kleine valeriaan: “algemeen op Voorne”; ook nu nog relatief veel te vinden vooral in mei. En wat te denken van moerasandijvie: destijds “zeer algemeen”. De uitgestrektheid van de vochtige en natte duinen weerspiegelde zich ook in het voorkomen van de moerasvaren (destijds alleen bekend van Texel en Voorne) en de veel voorkomende waterdrieblad (nu schaars en verdwenen uit het Quackjeswater) en moeraskartelblad. Smeerwortel en bitterzoet completeren het beeld van meer voedselrijke moerassen in het duin, vroeger en nu. Voor de natte Voorne duinen van nu is ook de grote boterbloem aansprekend, net als de moesdistel; beide niet bij van Eeden.Tenslotte de vondst van de forse moeraswolfsmelk: “Duinen ten zuiden van Rockanje, zeldz.“. Nu alleen bekend uit Oostvoorne. 

Vochtige valleien

Vochtige duinvalleien zijn bloemrijke milieus die ook toen al van zich deden spreken met watermunt en knopbies, rond wintergroen, geelhartje, teer guichelheil, parnassia en armbloemige waterbies. En natuurlijk vele orchideeën waarvan heden nog terug te zien zijn: keverorchis, groenknolorchis, hondskruid, harlekijn (“vrij algemeen” nu nog slechts in 1 gebied), moeraswespenorchis, gevlekte en brede orchis. Niet vermeld worden de voor Voorne en Goeree zo kenmerkende platte bies en de rietorchis, maar dat is wellicht een kwestie van indeling en nomenclatuur geweest. Wél in 1874 en ontbrekend in 2020: bruinrode wespenorchis, grote muggenorchis (weer bekend sind 2021) en honingorchis (verdwenen in de jaren 60). In 1874 onderscheidde men de duinwespenorchis nog niet.

‘Moeilijke’ varentjes als maanvarentje en addertong worden in 1874 respectievelijk niet en wel gememoreerd. Wel werd de blauwe knoop gevonden, die door menig florist ook nu nog over het hoofd wordt gezien vanwege de zeer late bloei. Slanke gentiaan wordt gememoreerd (“talrijk”) en de inmiddels van Voorne verdwenen veldgentiaan, al was de laatste ook toen al “zeer zeldzaam”. De tegenwoordig aanwezige kruisbladgentiaan ontbrak zo goed als zeker in 1874. Naast de ook nog overal aanwezige kale jonker wordt ook de Spaanse ruiter vermeld, niet meer bekend van na 1960. Een soort van blauwgraslanden en oudere, van oorsprong kalkrijke duinvalleien. 

Droge duinen

In droge duinen was het nu algemene slangekruid in 1874 nog niet present, evenmin als het onmiskenbare zeepkruid. Ook kleine steentijm, niet talrijk maar toch regelmatig te zien, blijft onvermeld. Avondkoekoeksbloem staat wel op de oude lijst maar kegel- , nacht- en oorsilene hadden het label “niet vermeld op Voorne”. Nu niet meer: ze bloeien alle in het duin. In 1874 wel present: de veldhondstong en diverse toortsen.

Het zandblauwtje, op Goeree zo algemeen in het oude duinland bij Ouddorp en in Middel- & Oostduinen, ontbrak toen en nu op het kalkrijke Voorne. “Niet algemeen” staat er bij het buntgras van 1874. Dat de meer kalkminnende beemdkroon destijds niet gevonden is (terwijl de soort relatief veel op Goeree staat) is interessant. Deze niet te missen soort groeide blijkbaar destijds niet op Voorne. Anno 2020 is ze op 1 plekje aanwezig in de Kaapduinen. Het hazepootje stond destijds te boek als zeldzaam (nu niet), wat niet gold voor de algemeen voorkomende gewone agrimonie en het glad parelzaad.

Ook wordt rond 1874 geen enkele bremraap genoemd; ook nu zijn ze nog altijd niet talrijk. Heel sporadisch treffen botanici tegenwoordig de walstrobremraap en op Mildenburg is regelmatig de klimopbremraap te zien. De in de delta sterk aanwezige klavervreter ontbreekt op Voorne. Alleen rond de Tenellaplas zijn nu diverse bremraapsoorten te vinden, maar die zijn aangeplant. Evenals de struikhei die ‘wild’ ontbrak in de 19e eeuw. In de 20e eeuw kwam (volgens Dick van der Laan) struikhei voor op de Heveringen, waar nu het parkeerterrein van het bezoekerscentrum Tenellaplas en het restaurant ‘de Meidoorn’ zijn gelegen en eveneens langs het Grenspad, maar de soort is daar verdwenen door verruiging en een paardenroute.

Op de lijst van 1874 schitteren naast tijm en geel walstro ook voorjaarsganzerik, knolboterbloem, kruipend stalkruid, wondklaver en o.a. de grassoorten zachte haver en bevertjes die “zeer algemeen op Voorne” waren, maar tegenwoordig op dijken ontbreken en in het duin veel meer verspreid lijken voor te komen. Treffend is de vermelding van het ruig viooltje naast maarts viooltje, hondsviooltje en duinviooltje.

En evenmin ontbraken kleine bevernel en driedistel. Bitterkruid sierde ook toen de Voornse duinen, maar grasklokje was er toen schaars en dat is nog steeds zo. Het zuur- en mestgevoelige dwergviltkruid werd in 1874 gevonden, maar is al voor WO II van Voorne verdwenen. Vroeger en nu aanwezig maar schaars: de voorjaarszegge en het smal fakkelgras. Tenslotte was van de grassen het tegenwoordig door vermesting oprukkende duinriet ook toen flink present in ons land: “Allerwege over de gehele duinstreek. Ook op de Binnenduinen”.

Bos en struweel

Er was veel minder bos in die tijd en wat er stond aan bomen was zelden oud. Dat zien we terug in destijds ontbrekende ‘echte’ bossoorten van de ondergroei. Lelietje van dalen ontbrak 150 jaar geleden, maar is nu overal in bosranden aanwezig, net als daslook. Langs bosranden bloeide in het voorjaar nog geen fijne kervel, althans het was nog niet waargenomen. Wel stond er holwortel (te verwarren met de nu zeer algemene vingerhelmbloem die niet op de lijst staat). Andere bolgewassen destijds waren gewone vogelmelk en het sneeuwklokje. Stengelloze sleutelbloem wordt niet vermeld (noch enige andere Primula), wat doet vermoeden dat alle tegenwoordig voorkomende soorten (zoals de stengelloze in de bossen, en de gulden in de duinen) zijn aangevoerd en verwilderd. Vroeger en nu zeer zeldzaam: hartgespan en stinkende ballote. Ook de minder kritische bosandoorn was al present. Heggenrank was net als nu “talrijk”, wat wijst op aanwezigheid van struweel waar de soort tegen opkruipt. Waar tegenop? ER was meer geboomte dan we nu vaak denken. De berberis was destijds “zeldzaam op Voorne“ (nu zeker niet), maar dat gold niet voor de eenstijlige meidoorn, vuilboom, wegedoorn, gewone esdoorn, Spaanse aak, lijsterbes, berk, zwarte populier en zomereik. Kardinaalsmuts stond te boek als “zeldzaam”. In de ondergroei “veel” robertskruid. Toen en nu was er veel Gelderse roos, liguster en vlier. Bos kan dan schaars zijn geweest, struweel was er overal. In 1874 wordt – heel opvallend- er nog jeneverbes in het duin vermeld. Nu al lang niet meer.

Niet rijker, wel anders?

Was Voorne in de 19e eeuw nu rijker? Nostalgisch aangelegde plantenspeurders omarmen deze stelling wellicht, want groeide er toen niet nog veldgentiaan en honingorchis? Was kleine valeriaan geen meer algemene verschijning en waren harlekijnen niet min of meer gewoon? Ze hebben wellicht gelijk, maar de lijst van wat ze toen (nog) niet hadden (of niet zagen) is ook omvangrijk: beemdkroon, kleine steentijm, vleeskleurige orchis, bremrapen en nauwelijks silenesoorten, om maar een paar omissies/nog niet aanwezige soorten te noemen. Voor een goede onderbouwing van ‘rijker of niet’ missen we vooral informatie over hoe men vroeger keek en soorten noteerde; de datastroom van heden is niet te vergelijken met het lijstje van twee liefhebberende floristen toen. Wat wel zeker is: Voornes flora had destijds een aantal andere accenten.

Een eerste accent is de grote verwildering van deels aangevoerde en deels spontaan gearriveerde, Nederlandse, soorten. Dat is echt van na 1900 met sleutelbloemen, wilde akelei, daslook, fijne kervel en lelietje van dalen. Deze trend is grotendeels een weerspiegeling van de bosontwikkeling, al dan niet in combinatie met aanvoer of aanplant door de mens. Bijzondere soorten als kruisbladgentiaan duiken op en verspreiden zich, soms als escape uit een manmade hotspot, de heemtuin van Sipkes aan de Tenellaplas. Zoals eenbloemig parelgras, de maretak, wilde akelei en zwartblauwe rapunzel, ruig klokje etc.

Een tweede belangrijk accent is dat Voorne zeer nat is, maar het lijkt dat het destijds wellicht nog moerassiger was met al die kleine valeriaan, veel moerasandijvie, waterdrieblad en poelruit. In dit natte Voorne kon de moerasgamander zich 1,5 eeuw handhaven. 

Een derde accent, een verschil tussen vroeger en nu, zit meer aan de dijk- en polderzijde. De algemeen genoemde bevertjes, bijzondere dijkbloemen, leuke poldergraslanden, veel planten van zomen als dolle kervel en ijzerhard, zijn nagenoeg verdwenen. Een botanisch rijk cultuurlandschap werd grotendeels villawijk en/of recreatieterrein. 

Kortom: of Voorne rijker was laten we in het midden, heel anders was het wel.

Interessant was dat de stedeling en romanticus van Eeden destijds meer waardering opbracht voor het duin dan voor de polder: “Het gele warme duin en het groene, vlakke koude weiland met slooten en dijken, staan tegenover elkaar als de mensch, die in volle vrijheid leeft en werkt, tot den man met gebonden beroepsarbeid, die dagelijks in den socialen rosmolen moet loopen”.

(Uit: Van Callantsoog tot St. Pancras, 1893)

 

Tekst: Rolf Roos m.m.v. Nol Freijsen en Natuurvereniging Hollandse delta

Zie voor een overzichtsverhaal over de dijken aan de binnenduinrand en hoe het samenspel tussen duin en dijk zich in 500 jaar ontvouwde: het boek Duinen en mensen Voorne. Daar ook meer informatie over de 11 genoemde lokaties.

In Memoriam Nol Freijsen (1934 – 2021).

Legenda: blauw= de route;  rood: vergraven of verdwenen; geel: overstoven met duinzand; groen: aan het oog onttrokken maar bovengronds terug te zien, in bos gelegen; olijfgroen: gedeelte waar nooit een dijk was, wel zeereep, duin en weg over de Heveringen (ook duin)

Meer weten?

Freijsen, Nol,  2017. Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2016. De vuurbakens van de Brielse Maasmond van 1280 tot 1630. De Brielse Mare 26-2 (9-25)

Bij het boek Duinen en mensen Voorne werken we aan nieuw overzicht van natuur en historie. De eerste verhalen beginnen we nu af te ronden. Als voorproef dit korte hoofdstuk over het Kaapduin waar de geschiedenis van het gebruik de natuur van het heden dicteert. Klik op de foto en de pdf van het concept wordt leesbaar. Een kleine stap voorwaarts!

Jan Alewijn Dijkhuizen op zoek naar…

Klik hier voor de link

(Door: Rolf Roos)

Op de dag dat zijn overlijdensbericht werd bezorgd, ontving ik ook een laatste brief van hem. Deze bevatte een aantal artikelen over Voorne van o.a. J. Hofker uit 1935 over de periodiciteit van duinvorming op het eiland Voorne. Regels over de Brand(d)ijk in dit artikel waren nog onderstreept en van een vraagteken voorzien.

Nol Freijsen was tot het laatst betrokken en wilde zaken zo goed mogelijk overdragen. In zijn begeleidende brief staat behalve een ‘laatste groet’ de zin: ‘Misschien bruikbaar bij de voorbereiding van het Voorne boek’. Een man die de regie over zijn eigen leven wilde hebben en je nog het beste toewenste.

Ik heb Nol pas in zijn laatste levensjaar leren kennen. Hij was oud-onderzoeker (vanaf  1964) van het in 1995 opgeheven onderzoeksinstituut Weevers’ duin. Zelf promoveerde hij in 1967 op het duizendguldenkruid dat ook zijn rouwkaart siert, schreef vele wetenschappelijke artikelen en was ook wetenschapshistoricus. Hij heeft zich na zijn pensioen ontwikkeld tot een gedegen historisch geograaf die de complete dijkgeschiedenis van Voorne-Putten in 2017 helder samenvatte in een bescheiden boekje: ‘Van Pietersdijk tot Wolvenpolder’. 

Omdat ik onder de indruk was van dit boek zocht ik contact met hem. We zouden dit voorjaar samen gaan fietsen langs al die oude dijkjes van de binnenduinrand, zodat ik al werkende meer begrip zou krijgen voor zowel het ingenieuze werk van de vroegste waterschapjes als de rol van de duinen waaraan deze dijkjes (‘dijkjes’ was geen goed woord volgens Nol, het waren echt ‘dijken’) soms waren aangehecht.  Fietsen bleek hem inmiddels te zwaar door een opkomende verlamming van zijn benen en zo zijn we twee keer per auto langs de high-lights van de binnenduinrand gereden. Een inhoudelijke neerslag staat online in de gezamenlijk beschreven fietsroute: van Quackgors tot Stenen Baak, langs middeleeuwse dijken aan de binnenduinrand.

Ik toon twee foto’s van Nol onderweg.

De eerste is Nol bij het bordje ‘Schenkeldijk’, gelegen tussen Quackjeswater en Hellevoetsluis.  Hij heeft me net uitgelegd dat de dijk waarop we staan niet de Schenkeldijk is maar de Duindijk (de zuidzijde van de oude polder de Quack) en dat deze Duindijk net op de achtergrond naar links overgaat in de echte Schenkeldijk: een korte zgn. schakel = schenkel tussen Duindijk en de Zuiddijk. Dit korte dijkfragment werd aangelegd om de Sint Cornelispolder in tweeën te delen om zo het westelijke gedeelte ervan (wat sindsdien Polder De Quack is gaan heten) te redden. Het oostelijke gedeelte werd polder Weergors en moet worden opgegeven. Toen de zeedijk bewesten Hellevoetsluis het begaf ontstond een nieuwe gors, een kwelder: het huidige Quackgorsgebied. Vroeger een verlies aan land, nu te zien als natuurontwikkeling. Zoals zo vaak in de geschiedenis komen bordjes regelmatig verkeerd te hangen en Nol was een man die dat graag nog gecorrigeerd zou zien voor de Schenkeldijk.

Op een tweede foto kijkt Nol uit over het landschap tussen Noorddijk en Pietersdijk, een van de gaafste hoekjes bewaard landschap in de overgang tussen duin en polder. Op de panoramafoto het fietspad en autoweg langs de Noorddijk ter hoogte van de samenkomst met de Heerzijnweg die vroeger rechtdoorliep langs de meidoornhaag rechts van het midden. De Pietersdijk is herkenbaar als laagste bomenrij op de horizon, waar rond de oorlog dennen geplant zijn aan de rand van het landgoed Strypemonde.

We gedenken Nol, overleden 24 augustus 2021

Enkele publicaties (deels als pdf of online beschikbaar)

Nol Freijsen, 1999. Weever’s Duin als Oecologisch Instituut. Uitg. Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek. (Een geschiedenis van Weever’s duin met daarin een bibliografie van publicaties, inclusief het biologische werk van Nol).

(Historische geografie)

Freijsen, Nol. 2010 De oude kreek Strype op Voorne: van getijdenkreek naar watering en terug. Historisch geografisch tijdschrift. Jaargang 28 nr. 2, p68-77.

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2014 Een nieuwe kijk op het ontstaan van Brielle 24-2: 8-21

Freijsen, Nol en Houwen, Aart van der, 2016 De vuurbakens van de Brielse Maasmond van 1280 tot 1630 26-2 (9-25)

Freijsen, Nol 2017 Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Freijsen, Nol. 2018 Vuurtorenlichten in het Voornse Duin en op de Sint-Catharijnekerk in Brielle, in de periode 1758-1891 28-1 (2018) 39-49

Online: drie voorstudies voor het boek Duinen en mensen Voorne

(2021)

Oude veldnamen in de Voorne duinen (1): Olaertsduin, Windgat en Opdam

Oude veldnamen in de Voornse duinen (2): Brandijk of Branddijk

Oude veldnamen in de Voornse duinen (3): Grote Creeck of Achter-Strype

In dit bericht staan links naar al onze routes. De gpx-bestanden van de getoonde routes zijn gratis downloadbaar; beschrijvingen staan online en achtergronden staan in onze boeken: Duinen en mensen Voorne (over natuur en cultuur van de duinen op Voorne) en Bloeiende duinen (over de hoogtepunten van onze duinflora). Over een aantal routes is ook informatie bij onze partners te vinden <plus links naar de exacte plek>.

Duinenenmensen-routes

De routes gaan over natuur en cultuur, over toen en nu, speciaal ontwikkeld bij het boek Duinen en mensen Voorne.

Reacties en aanvullingen zijn welkom want de routes zijn in ontwikkeling!

Fietsroute: van Quackgors tot Stenen Baak, langs middeleeuwse dijken aan de binnenduinrand

Rondje Breede water

Route Waterbos Zwarte Hoogte

Wandelroute Kruiningergors

De grote ommeloop van duinen van Oostvoorne (in ontwikkeling)

Kustroute (in voorbereiding)

Bloeiende duinen- routes

(hotspots met 10 kenmerkende bloemen per route, ontwikkeld bij het boek Bloeiende duinen)

Zie de kaart met alle routes en zoom in op Voorne.

 Ook Kees de Kraker (70) gaat met pensioen. Als vogelwachter en natuurkenner (geen plant ontgaat hem) maakte hij magnifieke verslagen van de natuurgebieden in en rond de Grevelingen. In tegenstelling tot veel rapporten die in de bureaulade van natuurorganisaties blijven liggen of geheim zijn, maakt Kees ze steeds openbaar, zodat velen mee kunnen genieten en begrijpen waarom dit gebied van zeer groot belang is. We citeren zijn begeleidende brief en geven onderaan enkele links naar zijn werk. De uitstekende natuurkenner George Tanis uit Ouddorp volgt Kees op. We hopen in de toekomst op vergelijkbare doorkijkjes in natuur en beheer in de Grevelingen. We citeren enkele passages uit de brief van Kees.

” Bijgaand de jaarlijkse rapportage van mijn onderzoek in de Grevelingen dat in opdracht van Staatsbosbeheer wordt verricht. Middels jaarlijkse rapportage waarbij de voorgeschiedenis wordt meegenomen, krijgt men een beeld welke kant het uitgaat met de natuur in de Grevelingen. Op basis van het verrichte onderzoek worden aanbevelingen gedaan voor het beheer. (…) 2021 is het laatste jaar waarover ik verslag zal doen. Zeventig geworden en zo nu en dan gezondheidsproblemen, voor mij reden om een punt te zetten achter mijn geregelde activiteiten in de Grevelingen. Vooral het opstellen van het jaarlijkse verslag kost mij steeds meer tijd, er is duidelijk een vertragingsfactor in geslopen, zand in de machine! Hopelijk geldt dat niet voor het verslag over 2021.  “

” Ieder jaar heeft zijn verrassingen en sommige ontwikkelingen zijn spectaculair om te volgen. Andere zaken verlopen teleurstellend. Weersinvloeden, zoals een stormachtige wind, bijzonder natte omstandigheden of langdurige droogte laten hun sporen na.  Sinds 2017 is er geen vestiging van Grote Sterns in de Grevelingen en neemt de populatie Groenknolorchis sterk af. Dit laatste gaat wellicht niet toevallig samen met drie droge jaren, waarvan 2020 een extreem voorbeeld was. Met de Noordse woelmuis gaat het ook niet erg goed, wel opvallend dat de soort nog steeds aanwezig is op de kleine recreatie-eilandjes. Van de kustbroedvogels vestigden zich weer heel wat Kluten, Dwergsterns en Strandplevieren op Markenje, maar het broedsucces was daar bijzonder laag.”

“Ondanks dat er met gericht beheer veel te bereiken valt, laat de natuur zich niet dwingen. Maar hoe meer je er van weet, des te beter begrijp je waarom dieren bepaalde keuzes maken of plantensoorten komen en gaan. In de jaarlijkse verslagen wordt er naar gestreefd om de ontwikkelingen helder en overzichtelijk weer te geven. Ook foto’s zijn altijd een belangrijk onderdeel van het verslag. Waardering voor de natuur gaat gepaard met genieten van de schoonheid er van. “

“Voor de beheerder zijn de voor het gebied geformuleerde instandhoudingsdoelen een belangrijke opgave die nagestreefd wordt. Noodzaak tot het nemen van maatregelen of weren van negatieve ontwikkelingen, horen daarbij. Continuïteit in beheer, met oog voor de ontwikkelingen en een lange termijnvisie zijn belangrijke zaken.”

Grevelingenverslag 2019

Grevelingenverslag 2020

Grevelingenverslag 2021 (in voorbereiding succes Kees!)

Meer verhalen over Kees de Kraker of Grevelingen op deze site:

Harlekijnen op de Hompelvoet, 2020

Geen plafond aan aantallen herfstschroeforchis? (2017)

Herfstschroeforchis op de Hompelvoet in 2016 

Berichten van Hompelvoet

De geur van herfstschroeforchis (reportage)

Duinvalleieilanden of: Hollands vulkanisme

Is dit teveel informatie? Geen nood: een beeldende samenvatting van de hand van Kees de Kraker staat in het boek Bloeiende duinen.

Door: Frans Beekman

Bijna 65 jaar geleden ging ik midden oktober mee met district 6 Den Haag van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) naar het vogeltrekweekend op Voorne. De middelbare scholen hadden toen op zaterdagmorgen nog les en we verzamelden pas om 14.15 uur op de hoek van de Laan van Meerdervoort en de Pioenweg, brood voor drie maaltijden mee. We fietsten met ruim twintig mensen naar Maassluis en namen de pont naar Rozenburg. Vanaf dit eiland met de volgende pont naar Voorne en dan via Oostvoorne en Rockanje naar de kampeerboerderij van de heer Van Solingen aan de Duindijk vlakbij het Quackjeswater.

Topografische kaart Den Haag – Voorne ca 1950 met een ‘Maasvlakte’ als ondiepe zee voor het natuurgebied De Beer.

We sliepen in onze slaapzak op het stro in kippenschuren, meisjes keurig gescheiden van de jongens. Na het opeten van de eerste boterhammen met thee, amuseerden we ons met het volksdansen (‘hupsen’) en zingen begeleid door gitaar of blokfluit. Later op de avond was er warme chocola. Ik moet bekennen dat we op een nachtelijke wandeling eens een trosje druiven uit een kas meenamen.

De volgende morgen moesten we voor zonsopgang op de telposten staan die bepaald waren door Peter Nijhoff, de latere directeur van de Stichting Natuur en Milieu. Het ging om de trek van spreeuwen en vinken die over bebost (veilig) landschap vlogen. Waar staken de trekvogels het Haringvliet over? Tegenwoordig vliegen de vogels veelal langs de Deltadammen. Nodig waren kijker, kompas, horloge en opschrijfboekje. Dit onderzoek naar de gestuwde trek werd toen ook in Den Haag gedaan. Het bleek dat de vogels de groene gebieden in de stad volgden en de zee vermeden. Al in de jaren dertig was dit bestudeerd door Luuk Tinbergen en zijn NJN-vrienden. Hij schreef later het charmante boekje ‘Vogels onderweg’ (1949, 3e druk 1967).

Ook herinner ik mij de kronkelige dijken met knotwilgen waar vaak een steenuil in zat. In die jaren had je geen outdoor kleding. In de dump kocht je een militaire jas van groene kunststof, die makkelijk scheurde (‘gasjas’). Ook snel drogende spijkerbroeken waren er niet, maar zwarte kaplaarzen wel. De rest van de zondag werd besteed aan het bekijken en determineren van vogels, planten en paddenstoelen in de duinen en bossen op Voorne.

Aan het begin van de middag werd de tocht naar huis aanvaard. Er was een korte stop bij ijssalon Klok in Oostvoorne. Via de dam in de Brielsche Maas (1950) fietsten we over de betonweg in de nieuwe Krimpolder (1943) achter De Beer naar de steiger van het veerbootje van Ary Prins dat naar de Berghaven in Hoek van Holland voer. Aan de ponten waren we meer geld kwijt (tot 90 cent) dan aan de kosten van het verblijf (75 cent). Hoewel we al aardig vermoeid waren, moesten we door het Westland langs ’s-Gravenzande en Monster nog terug naar Den Haag op onze bepakte fietsen zonder versnellingen. Op maandag begon de nieuwe schoolweek, maar de meegemaakte jeugdbondsfeer en de natuurervaringen zaten dan nog in je hoofd.

NJN’ers uit Den Haag op de steiger De Beer wachtend om over te varen naar Hoek van Holland (13 oktober 1957). Links Peter Rosseel spelend op zijn sopraan blokfluit,  in 1958 werd hij bondsvoorzitter van de NJN. Het meisje voor hem is Carla Kuit, later enige tijd getrouwd geweest met Roel van Duijn. Frans Beekman geheel rechts met bungelende benen. Foto Herman Nijhoff. 

Door: Marten Annema, Bert de Boer en Rolf Roos

Klimaatmodellen voorspellen, afhankelijk van het gevolgde scenario,  een mogelijke toename van sommige soorten orchideeën waaronder de poppenorchis (Evans et al, 2020). In het Nederlandse duingebied zijn enkele aanwijzingen die deze voorspelling ondersteunen. We beschrijven de vondsten op Goeree (vanaf 2015) en Schoorl (vanaf 2016). Vanwege de kwetsbaarheid zijn locatie-aanduidingen vaag gehouden.

Poppenorchis op Goeree

In 2015 werd door de eerste auteur in een  geplagde, kalkrijke, humusarme duinvallei, op de grens van vochtig naar droog, in het waterwingebied van Evides in de Oost- en Middelduinen een poppenorchis gevonden. 

De eerste poppenorchis op Goeree in 2015 met rechtsonder ook
zichtbaar het blad van wondklaver

Vijftien jaar na het plaggen is deze soort verschenen en is nooit eerder gevonden op Goeree-Overflakkee. In 2015 stond er één exemplaar, waarna hij in de volgende jaren soms wel, soms niet verscheen, maar in 2020 stonden er ineens 9 (waarvan 5 in bloei) op drie locaties elk ongeveer 20 meter uit elkaar. Van elke locatie is een vegetatieopname gemaakt (zie tabel). In 2021 stonden er 7 (waarvan 3 in bloei) op de oorspronkelijke locatie, daarbuiten geen. De bloeiende exemplaren zijn maximaal 30 centimeter hoog.

De vallei is in 2000 geplagd tot op de minerale bodem (dikte verwijderde humuslaag gemiddeld 15 centimeter), wordt niet beweidt, maar gemiddeld eens per twee jaar gemaaid. Voor het plaggen bestond de vegetatie uit voedselrijk grasland en hoog vlierstruweel. Op de groeiplaatsen van de poppenorchis is in de vegetatieopnames te zien dat het gaat om deels open, droog en kalkrijk duingrasland met o.a. fakkelgras, zachte haver en wondklaver, te typeren als de plantengemeenschap van wondklaver en nachtsilene die we vaker aantreffen nabij zeedorpen (Anthyllido-Silenetum). Het voorkomen van rietorchis en zeegroene zegge in de opnames duidt op de vochtige component van de bodem. De groeiplaats oogt natuurlijk.

Poppenorchis, Goeree 2021 met o.a. zachte haver en wondklaver

Onder het huidige klimaat en beheer van incidenteel maaien blijkt de soort zich over meerdere jaren te handhaven. Er wordt echter gemaaid met de maai-zuig combinatie, die maait tot direct op de bodem. De kiemplanten zijn dan kwetsbaar voor vraat- en vorstbeschadiging en de volgroeide planten blijven vrij laag. Het is wellicht beter de begroeiing wat hoger en dichter te laten, mits niet te hoog en dicht. De kiemplanten zijn dan beter beschermd.

Poppenorchis in Schoorl

Een grote duinbrand in de zomer van 2014, veranderde een deel van het dennenbos en de  heidevelden in een kale vlakte. Met zwaar materiaal moest de brandweer over de fietspaden, gemaakt van schelpengruis, rijden om de brand onder controle te kunnen krijgen. Hierdoor werden veel  fietspaden zwaar beschadigd. Bij het herstel, vanaf 2015, zijn de meeste fietspaden veranderd in onderhoudsvrije betonpaden, waardoor de bereikbaarheid voor de brandweer sterk verbeterde.  De oude schelpenpaden werden daarbij deels afgegraven om een betonbaktechniek mogelijk te maken, waarbij het kalkrijke schelpmateriaal werd verspreid aan weerszijden van het vernieuwde pad.

Vindplaats langs fietspad van beton, 2021

Hoewel het Schoorlse duingebied van nature kalkarm is, ontstond er hierdoor een smalle zone met kalkrijk materiaal.  Door deze “kalkverrijking” groeiden er in de jaren daarna duidelijk meer kalkminnende planten dan in de periode daarvoor. Zo groeiden  er in de eerste jaren na de aanpassing van het fietspad tussen Bergen aan Zee en Bergen, een smalle groeizone met veel duinwespenorchissen. Na 2 jaren verdwenen deze weer om plaats te maken voor de brede wespenorchis. Langs zo’n fietspad werd door de tweede auteur in 2016 1 exemplaar van de poppenorchis en, door anderen, enkele exemplaren van het hondskruid gevonden. In de jaren daarna werden geen exemplaren meer van de poppenorchis gevonden, mogelijk als gevolg van een eenmalig en vrij rigide maaibeheer en egalisering van de stroken langs het vernieuwde fietspad.

Tot ieders verrassing, bleek dat er in 2021, na een lange koude en natte periode, opnieuw poppenorchissen verschenen. Dit keer telde de tweede auteur 17 bloeiende exemplaren. Alle in de smalle zone langs het fietspad op ca 1 tot 3 meter afstand van de weg over ongeveer 20 meter verspreid. De lengte van de orchissen varieerde tussen de 7 en 34 cm. Deze exemplaren werden vergezeld door planten als oranje havikskruid, smalle weegbree,  gewone agrimonie, reigersbek, pitrus  en veel vlinderbloemigen: gewone rolklaver, rode, liggende  en kleine klaver. In de moslaag stond opvallend veel bronsmos.

Poppenorchis, Schoorl 2021 met o.a. smalle weegbree en bronsmos

Inmiddels is het gebied hersteld van de duinbranden; alleen enkele zwart geblakerde boomstammen in het heideveld resteren. Mogelijk is de poppenorchis in dit gebied een blijvertje, hoewel het door de uiterst kwetsbare plek (smalle strook en veel passanten), dit bepaald geen garantie is. 

Overigens blijkt uit oudere publicatie in De Levende Natuur (Ram & Sipkes, 1971) dat de soort vaker opduikt in het kalkrijke duin en ook (destijds) gebonden was aan de randen van paden, iets wat niet geldt voor de nieuwe populatie op Goeree.

We kunnen concluderen dat de op basis van modellen gedane voorspelling door Evans et. al (2020) voor de populatie poppenorchissen in ons land blijkt te kloppen.

Meer meldingen van deze soort? Laat het ons weten of reageer onder dit bericht. Houdt locatiegegevens aub vaag.

Lit.

Alexandra Evans , Sam Janssens & Hans Jacquemyn, 2020: Impact of Climate Change on the Distribution of Four Closely Related Orchis (Orchidaceae) Species.  Diversity 2020, 12, 312 

R.Ram & C. Sipkes. 1971 Tijdelijke groeiplaatsen van de Poppenorchis op 
Voorne in relatie tot de konijnenstand in 1960-’70. De Levende Natuur 71: 160_163

Jos Lap heeft de opzichter van Voornes Duin Jaap van Baarsen – hij overleed in 2001 op 46-jarige leeftijd – goed gekend. Eind vorige millennium waren opzichters markante persoonlijkheden met eigen ideeën en stijl.

Mijn schoolvriend Jaap van Baarsen was een natuurtalent of beter: iemand met een groot talent voor natuur. Op het gymnasium (Sint-Michaël College in Zaandam) was biologie zijn favoriete vak. Al roeiend in het Ilperveld en op de fiets naar school via het Zaanse polderland ontstond zijn passie voor alles wat bloeit en vliegt. Hier en tijdens zijn opleiding biologisch-dynamische landbouw op de Warmonderhof in de Betuwe vormde hij zijn ideeën over natuur waarover hij met veel enthousiasme kon vertellen.

Met die ideeën en dat enthousiasme overtuigde hij Natuurmonumenten toen hij in 1980 – 26 jaar oud – met succes solliciteerde naar de functie van beheerder Voornes Duin. Hij had geen ervaring als beheerder of leidinggevende, maar kreeg niettemin het vertrouwen. Een functie die hij tot zijn overlijden in 2001 vervulde.

Voor mij is Jaap steeds iemand geweest van de grote lijnen én de kleine details. Altijd bezig met plannen om de rijke biodiversiteit van het duingebied te beschermen of te verbeteren. Zo opperde hij het idee om van het zanddepot aan de zeezijde in de oksel van de Haringvlietdam en het duingebied ter hoogte van het Quackjeswater een natte duinvallei te maken. Natuurmonumenten heeft dit gebied de naam Jaap van Baarsenvallei gegeven.

Helaas is de Jaap van Baarsenvallei niet voor publiek te bezoeken en alleen van afstand te bekijken bij een infopaneel. Wel toegankelijk en deels vergelijkbaar is het Parnassiavlak van Het Zuid-Hollands Landschap (red.). (foto Jos Lap)

Hij maakte mee dat de aalscholver (1984) ging broeden op de oever van het Breede Water en de lepelaar (1989) en de kleine zilverreiger (1994) bij het Quackjeswater door rust rond het water te creëren maar tegelijkertijd bezoekers er – via een verhoogd uitzichtpunt op afstand – een blik op te gunnen. 

Jaap behoorde tot de mensen die zich halverwege de jaren negentig met succes keerden tegen het Autostrand in Oostvoorne en er kwam nieuwe natuur: de slikken van Voorne. Hij zag de bedreiging voor Voornes kustgebied door de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Toen hij voor zijn openlijk kritische opstelling in eigen kring weinig steun vond en een ingezonden stuk in de Volkskrant schreef (zie pdf),  werd hem dat niet in dank afgenomen door de leiding van de natuurorganisatie. Al kwam dat ook weer goed. Maar als hij opkwam voor zijn duin dan wilde hij dat risico wel lopen.

Tijdens de wandelingen door het gebied genoot hij van kleine details, van elke bloeiende plant. Hij noemde ze ‘vitamines voor je ogen’. Maakte daarvan dia’s en gaf tal van presentaties en voorzag die van begrijpelijke en enthousiaste verhalen gelardeerd met tal van vermakelijke anekdotes en vergelijkingen. En zo herinner ik me ook nachtegalenexcursies in de heel vroege morgen. Als de nachtegalen zich niet meteen lieten horen wist hij de excursiegangers toch te boeien met verhalen over wat we onderweg aan planten en vogels tegenkwamen.

Hij dacht altijd na over de toegankelijkheid van het gebied voor bezoekers zonder dat de natuur geweld werd aangedaan. In Voornes Duin vindt sinds 1951 geen waterwinning meer plaats en dat kon ook betekenen dat sommige delen makkelijk onder water konden komen te staan. Hij hielp aanwonende waar de kelders van onder liepen (zie artikel op duinenenmensen.nl). En hoe voorkom je dan dat wandelaars ‘om de paden heenlopen’? Het gebied afsluiten was voor hem geen optie. Hij zocht en vond oplossingen. Hij leidde paden om, of sloot ze af en bood een alternatief, vaak op zo’n manier dat zelfs frequente bezoekers er niet veel van merkten.

Foto Collectie Jos Lap

En hij maakte van diezelfde wandelaars gebruik om vergrassing en daarmee het verdwijnen van vlinders en plantjes tegen te gaan. Dan kapte hij struweel en legde een pad aan door zo’n duinvallei. Al snel kwam het zand terug en aan de randen van het pad de reigersbekken, viooltjes en steentijm. 

Zijn betrokkenheid bij Voornes Duin was groot. Als we met hem door het terrein liepen hadden we de afspraak dat we even inhielden als hij bezoekers moest aanspreken omdat de hond losliep of ze buiten de paden liepen. Hij kon niet voorbijlopen zonder daar iets van te zeggen, ook al had hij op dat moment geen dienst als toezichthouder. En zo had hij ook altijd een plastic zakje bij zich. Elke prop en elk blikje ruimde hij op. Zijn idee: als mensen vuil zien liggen gooien ze er makkelijk wat bij en dat willen we niet. En over oog voor details gesproken: eens per jaar trok hij in ‘rechte lijnen’ door het terrein om precies te weten hoe elk stukje erbij stond. Dat was Jaap ten voeten uit.

Jos Lap, mei 2021

Enkele artikelen met of over Jaap van Baarsen (red.)

Volkskrant 25-03-1995 Milieu-organisaties willen autovrij strand

Volkskrant 16-04-1996 Tweede Maasvlakte funest voor Voorne

De Levende Natuur (2013) (Over de Jaap van Baarsenvallei)

Koos van Zomeren (1989) De verhouting van Voorne. NRC 27 mei 1989

Enkele artikelen van Jaap van Baarsen

Dynamische processen in Voornes Duin (1990)

Dagvlinders van Voornes Duin (1996)

Volkskrant 29-07-1997 Bulldozer-natuur

(Naschrift redactie)

We vonden een artikel uit 1980 over de voorganger van Jaap van Baarsen, Gijsbert Meijvogel. We weten niet wanneer zijn dienstverband bij Natuurmonumenten precies begon, maar dat moet in de jaren 50 zijn geweest. Hij was daarvoor in dienst bij J. van Hoey Smith van landgoed Strypemonde, maar vertrok volgens het krantenartikel “als een kwaje hond waarvan de haren recht overeind gaan staan” en kwam later bij Natuurmonumenten terug als opzichter van o.a. het Brede water. Ander citaat: “In de dertig jaar dat ik bij Natuurmonumenten gewerkt heb, heb ik ontdekt dat negentig procent van de mensen ziende blind zijn en horende doof. Ze kunnen nog geen brandnetel van een denneboom onderscheiden, bij wijze van spreken. Om die reden greep Meijvogel dan ook dankbaar de opleidende taak aan, om de mensen te begeleiden op excursies, zo’n vijftig per jaar. ” Zie verder nieuwsblad Het Zuiden, 13 februari 1980. De voorganger van Meijvogel was weer Hamer, over wie ons weinig bekend is, behalve dat hij in 1962 als hoofdopzichter Voornes duin in de weer was met opruimen van bunkers. En Jaap van Baarsen gaf de later zo genoemde ‘Hamervallei’ een andere naam …waarom en welke? Informatie over zowel Meijvogel als Hamer is welkom.

Omdat het door NV PWN Waterleidingbedrijf N.H. gesponsorde boek (zonder partner geen mooi boek) ondanks twee drukken niet in herdruk meer komt en er bij ons nog veel vraag naar is, hebben we twee opties voor onze lezers:

  1. Complete PDF aanschaffen via onze webwinkel; zo steunt u meteen de productie van komende boeken.
  2. Per hoofdstuk is de inhoud online beschikbaar gemaakt via onderstaande inhoudsopgave.

Mocht u downloaden, houdt u dan aub aan de copyright-regel: alleen onze uitgeverij is gerechtigd digitaal materiaal te verspreiden. Veel leesplezier.

Rolf Roos, Uitgeverij Natuurmedia

De tekst op de omslag:

Nieuwe archeologische inzichten, alle duinnatuur, nimmer gepubliceerde kaarten, artist impressions…
Archeologie 5000 jaar lang lieten kustbewoners sporen achter in het zand van Kennemerland. Het boek werpt een nieuw licht op onze ontstaansgeschiedenis in de vroege middeleeuwen.
Natuur De duinen: een oase van rust aan de rand van metropool Holland, met een natuurlijke rijkdom die Europees gezien onovertroffen is.
Historie Graven van Holland maar ook rijke Amsterdammers. Over de unieke duinen bij Bergen, maar ook over landgoederen, bosaanleg en natuurherstel van eind vorige eeuw

Achtergronden bij het boek »

Inhoudsopgave

Titelpagina met auteurs
Dank en voorwoord
Inleiding

Kennemerland

Het begin van Kennemerland
De splitsing van Kennemerland
Kennemerland als bakermat natuurbescherming
Kennemer duinlandschap en natuur
Orchideeën van Kennemerland

Historie en gebruik

Sporen onder het zand (4000 v.Chr. – 900 n.Chr.)
Boskap, bebouwing en wegen, jacht en zeedorpen (ca. 1000 -1850)
Duinlandbouw (ca. 1750 – 1925)
Bosbouw in de duinen (18e – 20e eeuw)
Duinwater (ca 1850 – heden)
De Tweede Wereldoorlog in het duin (1940 – 1945)
Recreatie (ca. 1890 – 2009)

Natuur en natuurbeheer

Duinnatuur

Landschap en natuur in vogelvlucht
Helmduinen
Duinvalleien
Duinplassen en duinmeren
Duingraslanden
Duinheide
Duinstruwelen
Duinbossen

Natuurbeheer tussen bomtrechters en klimaatverandering

Noordhollands Duinreservaat: van duingebruik naar natuurbeheer
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Kennis over de duinen
Beheren volgens een denkmodel
Beheer in uitvoering
Extern beleid

Kennemerland van zuid naar noord

Amsterdamse Waterleidingduinen
Leyduin, Vinkenduin en Oud Woestduin
Van Swartvelt tot Kraansvlak
Koningshof
Elswout: natuur met stijl
Het knooppunt Middenduin
De Kennemerduinen
De Kopjes van Kennemerland
Duin en Kruidberg, Midden-Herenduin, Heerenduinen
Het Kennemerstrand
Wijk aan Zee: staalfabrieken en middeleeuwen
Noordhollands Duinreservaat bij Heemskerk: reuzenparabolen en babyparabolen
Noordhollands Duinreservaat bij Castricum: water tussen Oldenborgh en Papenberg
Landgoed Marquette en graslanden Noordermaatweg
De Bakkumer graslanden
Bakkum-Egmond: van Hoge Toren tot uitzichtduin Albertdal
Ten noorden van Egmond: Wimmenummerduinen
Damlanderpolder: hei en orchideeën
Duinen bezuiden Bergen aan Zee: Verbrande Pan
Duinen van Bergen benoorden de Zeeweg
Bergerbosch en Oude Hof
Schoorlse Duinen

Epiloog

Mensen en duinen

Index
Beeldverantwoording
Literatuurlijst

Aar, J. van der & S. Rolle, 1993. Zegepralend Kennemerland, buitenverblijven langs de binnenduinrand. Museum Beeckestein, Velsen.

Aar, J. van der & S. Rolle, 1991. Santpoort. Twee dorpen in de schaduw van Brederode. z.u., Haarlem.

Aar, J. van der & S. Rolle, 1993. Zegepralend Kennemerland, buitenverblijven langs de binnenduinrand, Museum Beeckestijn, Velsen.

Aar, J. van der & S. Rolle, 2000. De Tuinen van Beeckestijn. z.u., Velsen

Aar, J. van der, M. Lucassen & Driehuis, 1993. Velserbroek en de Zuid- en Noord-Spaarndammerpolder. Bebouwingsgeschiedenis en monumentale waarden. z.u., Haarlem.

Aar, J.A. van der, 1986. Oud-IJmuiden, Ontstaan, Ontwikkeling en Monumentwaardigheid. Rapport Monumentencommissie Velsen.

Aar, J.A. van der, 1987. IJmuiden Havens en Sluizen. Rapport Monumentencommissie Velsen.

Alders, H., 1995. Jan van Scorel, een leven in schetsen. Uitgeverij Conserve, Schoorl.

Anonymus 1998. Dynamisch kustbeheer voor de kust tussen IJmuiden en Den Helder HH USHN, Edam

Aptroot, A., 1991. Biomonitoring met epifyten in het Noordhollands Duinreservaat. PWN, Castricum.

Arends, G.J., 2001. Sluizen en gemalen in het Noordzeekanaal. Anderhalve eeuw, ontwerpen, bouwen en vernieuwen. z.u., Utrecht, ISBN 90 5345 184 6.

Arens, Bas & Rienk Slings 2005. Wandelende duinen. Dynamisch duinbeheer in Kennemerland Natura 2005(5): 167-169

Arens, Bas, 2003. Reactivatie van de Bruid van Haarlem, nulmeting 2003 Arens BSDO, RAP2003,09

Arens, S.M., 2004. Monitoring van een gereactiveerd paraboolduin Kraansvlak, Zuid-Kennemerland, Ontwikkeling 2003-2004. Arens Bureau voor Strand- en Duinonderzoek RAP2004.04, Amsterdam.

Arens, S.M., Geelen, L.H.W.T., Slings, Q.L. & H.E. Wondergem, 2005. Restoration of dune mobility in the Netherlands, In: Herrier, J.-L. et al. (eds), Proceedings: Dunes and Estuaries 2005. International Conference on Nature Restoration Practices in European Coastal Habitats, Koksijde, Belgium, 19-23 September 2005. VLIZ Special Publication, 19, pp 129-138.

Arens, S.M., Geelen, L.H.W.T., Slings, Q.L., Wondergem, H.E., 2005. Herstel van duinmobiliteit : naar een nieuw duurzaam beheer? Landschap 22 (4): 190-202

Arens, S.M., Slings, Q.L.& C.N. De Vries, 2004. Mobility of a remobilised parabolic dune in Kennemerland, The Netherlands Geomorphology, Vol 59, pp175-188.

Baars, F. et al., 1992. Op zoek naar Castricums verleden. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Baggelaar, P.K. 2004. Schets van de nieuwe grondwatersituatie in het westelijk duingebied van Zuid-Kennemerland rapp. Icastat

Bakel, W. van & M. de Jong, 1985. De verdedigingswerken in Castricum. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 8e jaarboekje: 25-31.

Bakker, T. & C. ter Haaf, 2000. Henk Doing: Landschapsecoloog van de Nederlandse kustduinen. In: Schaminee. J. & R. van ’t Veer: Honderd jaar op de knieën. Opulus Press, Noordwolde.

Bakker, T.W.M. 1981. Nederlandse kustduinen: Geohydrologie Pudoc, Wageningen

Bakker, T.W.M. & J.M. Drees, 1988. Stroperij op konijnen vanuit Egmond aan Zee. Duin, 4: 84-88.

Bakker, T.W.M., J.A. Klijn & F.J. van Zadelhoff, 1979. Duinen en duinvalleien. Centrum voor Landbouwpublicaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen.

Bakker, Th.W.M. & R.Q.L. Slings, 1993. Duininfiltratie en natuurwaarden, nu en in de toekomst. H2O, 26 (16): 445-452.

Beekelaar, W. 1997. Plan Voetspoor intern rapport PWN

Beentjes, G., 2004. Een onderzoek naar het gebruik, de behoeften en de tevredenheid van trimmers in het Noordhollands Duinreservaat. PWN, Velserbroek & Van Hall Instituut, Leeuwarden.

Beets, D.J., L. van der Valk & M.J.F. Stive, 1992. Holocene evolution of the coast of Holland. Marine Geology, 103: 423-433.

Beije, H.M. et al., 1994. Levensgemeenschappen. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 1 Backhuys, Leiden

Beintema, A,J. et al., 1983. Dieren. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 2 Pudoc, Wageningen

Beldt, G. van der & G. Hartendorf, 2002. Boeren, Burgers, Bedrijven. Santpoort.

Berg, W.J. van den, 1994. Egmond op de Grens. Geestgronden: Egmonds historisch tijdschrift, 1 (1/2): 10-24.

Bergh van Eysinga, L.M. van der, 1933. Bijdrage tot de Sociaal-Geografische Kennis der Gemeente Velsen. Dissertatie Rijksuniversiteit te Utrecht 16 januari 1933.

Bergh, F. van den, Slings, Q., Bergsma, J. & H. Posthuma, 2001. PWN combineert technische renovatie met natuurherstel H2O 34 (5): 30-31

Berkum, A.H. van, 1990. De vijf Hollandse kerken van Willibrord. z.u., z.p..

Beth, J.C., 1928. Het jachtrecht in Holland (vanaf de oudste tijden tot in de 20e eeuw). Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 6 (7): 95-112.

Bijhouwer, J.T.P., 1926. Geobotanische studie van de Berger duinen Deventer

Bijleveld, H.A.S., 1981. Memoires van een ‘Woudloper’. Natura, 78 (5): 189-194.

Boer, A., 2007. Het Kamp Schoorl. Conserve, Schoorl.

Boer, D.E.H. de, M.H. Boone & W.A.M. Hessing, 1992. Nederlands verleden in vogelvlucht. Delta I: De Middeleeuwen: 300 tot 1500. z.u., Leiden/Antwerpen.

Boerboom, J.H.A. & V. Westhoff, 1974. Samenlevingen van planten in het duin. In: N. Croin.

Borger, G.J. & S. Bruines, 1994. Binnewaeters gewelt. 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Uitgeverij Noord-Holland, Edam.

Bosman, A.V.A.J. et al., 1995. Een gemeente in oorlogstijd: Velsen 1940-1945. Historische Kring Velsen, Santpoort.

Bosman, A.V.A.J., 1997. Het culturele vondstmateriaal van de vroeg-Romeinse versterking Velsen 1. Dissertatie, Amsterdam.

Braak, K., 1919. Morphologie der Schoorlse duinen. K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift II, deel 36 (6): 667- 685.

Brandt, R.W., W. Groenman-van Waateringe & S.E. van der Leeuw (red.), 1987. Assendelver Polder Paper 1. Cingula 10. Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie, Amsterdam.

Bremerkamp, G.J., 1968. Oude foto’s en prentbriefkaarten. IJmuiden, Velsen, Driehuis, Santpoort, IJmuiden. z.u., z.p..

Broche, G. E., 1935. Pythéas le Massaliote. Thesis Letterenfaculteit. Universiteit van Parijs.

Brouërius van Nidek, M., ca. 1729. Het zegenpralent Kennemerlant. Amsterdam.

Bruyn, G.J. de, 1995. Vossen in de duinen. De Levende Natuur, 96 (1): 20-24.

Buissink, F. 2009. “””Ons denken over natuur is drastisch omgeslagen”” PWN 75 jaar natuurbeheerder” Landschap Noord-Holland, jrg. 36 (1): 18-21

Burger, A.C.M., 1988. Het kasteel van Egmond. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Calkoen, H.J., 1967. Velsen. Grepen uit de geschiedenis van een oude woonplaats in Kennemerland. z.u., z.p..

Calkoen, H.J., 1972. De Engelmunduskerk te Velsen. “Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente “”Velsen-Zuid””, Velsen-Zuid.”

Cock, J.K. de, 1965. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Uitgeverij J.B.Wolters, Groningen.

Coops, A., B. Hoes & G. Jol, 1989. Buitenplaatsen van Velsen. z.u., z.p..

Cordfunke, E.H.P., 2006. Kennemerland in Prehistorie en Middeleeuwen. z.u., Utrecht.

Cordfunke, E.H.P., 1966. De geschiedenis van het Witte Kerkje te Heiloo. Alkmaars Jaarboekje, 1966: 51-61.

Cordfunke, E.H.P., 1984. Opgravingen in Egmond. De Walbrug Pers, Zutphen.

Danner, H.S., H.Th.M. Lambooij & C. Streefkerk, 1994. Die het water keert. 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier. z.u., Alkmaar/Edam

Deelen, D. van & A. Schermer, 1963. Middeleeuws akkerland onder de Castricummerduinen. Westerheem, XII (6): 136-144.

Deelen, D. van, 1981. Historie van Castricum en Bakkum. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Dendermonde, M. & A. Morriën, 1965. Een Weg naar de Wereld. Gemeente Velsen, Velsen.

Deursen, C. van, 1991. De toekomst van het Bergerbos. Noordhollands Landschap, 18 (2): 45-47.

Deursen, C. van, z.j. Aankoop landgoed Marquette. PWN, Bloemendaal.

Dieren, J.W. Van, 1934. Organogene dunenbildung, eine geomorphologische Analyse der ostfriesischen Insel Terschelling mit pflanzensociologischen Methoden. Nijhoff, Den Haag

Directie van het P.W.N., 1952. De Berger duinen. Natuur en Landschap, 3: 3-7.

Dis, A. van, 1994. Indische duinen. Uitgever Meulenhoff, Amsterdam.

Diverse auteurs, 1984. Van duingebruik naar duinbeheer. PWN, Bloemendaal.

Diverse auteurs, 1964. Recreatie en natuurbescherming in the Noordhollands Duinreservaat. ITBON Mededeling nr 69c/1964

Diverse auteurs, 1995. Themanummer Natuurontwikkeling Noord-Holland. Duin, 18 (1).

Doing, H., 1988. Landschapsoecologie van de Nederlandse Kust. Stichting Duinbehoud, Leiden.

Doing, H., 1964. Recreatie en natuurbescherming in the Noordhollands Duinreservaat. Supplement 2: Vegetatie ITBON Mededeling nr 69c/1964

Doing, H., 1974. Landschapsecologie van de duinstreek tussen Wassenaar en IJmuiden. z.u., z.p..

Doing, H., 1988. Landschapsecologie van de Nederlandse kust. Een landschapskartering op vegetatiekundige grondslag. Stichting Duinbehoud / Stichting Publicatiefonds Duinen, Leiden.

Drees, M., 1989. Konijnen als grazers. Duin, 4: 156 – 158.

Drees, M., 1992. Hazen en konijnen in Noord-Holland. Het Noordhollands Landschap: 80-82.

Duinker, P.L., 1955. Het Watervlak. Intern rapport PWN, Castricum.

Eeden, F. W., 1886. Onkruid. Botanische wandelingen. Eerste deel: Kennemerland. Tjeenk Willink, Haarlem.

Eeden, F. W., 1887. “De bosschen van Kennemerland. Album der natuur: 148-160; 182-192; 193-219” z.u, z.p..

Ehrenburg, A., van der Hagen, H.J.M. & L. Terlouw 2008. Amerikaanse vogelkers als invasieve soort in de kustduinen De Levende Natuur 209 (6):

Eisma, D., 1968. Composition, origin and distribution of Dutch coastal sands between Hoek van Holland and the island of Vlieland E.J. Brill, Leiden

Endedijk, G., Kraal, H. & R. Roos 1989 “Moderne natuurbescherming in oude cultuurlandschappen; eerste prijs essaywedstrijd stichting Meander over toekosmt natuurbea\scherming” Stichting Meander, Utrecht. ISBN 9062241433

Ernst, W.H.O. & N.F. van der Ham, 1988. Population structure and rejuvenation potential of Schoenus nigricans in coastal wet dune slacks Acta Bot. Neerl., 37:451-465

Ernst, W.H.O., 1984. “Haalt het duin het jaar 2000? In: Diverse auteurs, 1984. Van duingebruik naar duinbeheer; 50 jaar onderzoek en beheer in het Noordhollands Duinreservaat.” PWN, Velserbroek.

Ernst, W.H.O., Q.L. Slings & H.J.M. Nelissen, 1996. Pedogenesis in coastal wet dune slacks after sod-cutting in relation to revegetation. Plant and Soil, 180: 219-230.

Ervynck, A., 1993. In memoriam: De bruine beer der Benelux. Zoogdier 93/3 (4): 5-11.

Es, W.A. van & W.A.M. Hessing (red.), 1994. Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland: van Traiectum tot Dorestad (50 v. Chr.- 950 na Chr.). Matrijs, Utrecht. ROB, Amersfoort

Es, W.A. van, H. Sarfatij & P.J. Woltering (red.), 1988. Archeologie in Nederland. De rijkdom van het bodemarchief. z.u., Amsterdam/Amersfoort.

Esselink, H., Grootjans, A.P. & T. Jager, 1989. Kalkrijke vegetaties in een duinvallei op Schiermonnikoog Duin 12(2): 75-79

EUCC/PWN, 1992. The North-Holland Dune Reserve. Coastline Special 1/2: 17-32.

Everts, F.H., de Vries, N.P.J. & M.E. Tolman 2005. Pilot vegetatiekartering Kraansvlak rapp. nr. 509 EGG-ev, Groningen

Everts, F.H., Jongman, M, Tolman, M.E. & N.P.J. de Vries 2005. Vegetatiekartering Kennemerduinen rapp. nr. 543 EGG, Groningen

Everts, F.H., Jongman, M, Tolman, M.E. & N.P.J. de Vries 2006. Vegetatiekartering Bergen – Wimmenum rapp. nr. 583 EGG, Groningen

Francq van Berkhey, J., z.j. Eerste Natuurlijke historie van Holland, Amsterdam/Leyden, 1769-1811. z.u., z.p..

Fuchs, M., 1996. Monumentenrapport Nieuw IJmuiden. Wonen tussen duinen en Noordzeekanaal. z.u., Haarlem.

Gallagher, H.P. & A.J.W.M. Geraedts, 1994. Welke weg heeft de bollenteelt te gaan? Milieufederatie Noord-Holland, Zaandam.

Geel, Chr. J. van, 1993. Verzamelde gedichten, bezorgd door G. Middag. Uitgever G.A. van Oorschot, Amsterdam.

Geelhoed, S., Groot, H., Huijssteeden, E. van, Leeuwen, G. van & P. de Nobel (red), 1998. Vogels in het landschap van Zuid-Kennemerland en de Haarlemmermeer. VWG Zuid-Kennemerland / KNNV Uitg. Utrecht

Geldorp, F. van, 1971. Santpoort ’t playsante buyten. Een aantal bijdragen tot de geschiedenis van het dorp Santpoort. z.u., Haarlem.

Gemser, H. & S. Schaafsma, 1975. Een kerk en een hand vol huizen. Grepen uit de geschiedenis van het dorp Velsen. Stichting Het Dorp Velsen, Velsen.

Gerhardt, P. 1900. Handbuch des deutschen Dunenbaues Parey, Berlin

Goes, H. van der, R. Higler, Y. van Manen, R. Ruesink, H. van Slogteren & A. Zoomer, 1986. Duinrellen in Noord-Kennemerland. Uitgever Conserve, Schoorl.

Goossen, C.M., Langers, F & S. de Vries 2000. Recreatie en geluidsbelasting in 1995 en 2030. Onderzoek voor Milieuverkenning 5 Alterra-rapport 062, Wageningen

Gottschalk, M.K.E., 1969. De Zanddijk bij Egmond en zijn legenden. K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift III, (2): 111-117.

Grootjans, A.P., Lammerts, E.J. & F. van Beusekom, 1995. Kalkrijke duinvalleien op de waddeneilanden. Ecologie en regeneratiemogelijkheden KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Haaf, C. ten, T.W.M. Bakker & Q.L. Slings, 1993. Bergerbos. Conceptbeheerplan voor de periode 1993-1996. Ten Haaf & Bakker, Alkmaar.

Halbertsma, H., 1966. Een onderzoek met de spade in het Witte Kerkje te Heiloo. Alkmaars Jaarboekje, 1966: 62-67.

Hammen, H. van der, H. van der Goes, K. Kapteyn & K. Scharringa, 1994. Toestand van de Noordhollandse natuur. Noordhollands landschap, 21 (4): 9-32.

Harff, P. & D. Harff, 2005. IJmuiden – Den Haag, Atlantikwall 1940–1945. Marine Artillerie Abteilung 201, z.p., ISBN 90-806449-4-3.

Harkel, ten. J.H., 1998. Nutrient pools and fluxes in dry coastal dune grasslands Diss. UvA Amsterdam

Hartendorf, G., 2000. Velsen bezet en bevrijd. z.u., Velserbroek.

Hartendorf, G., 2001. De Velser Affaire. Bezettingstijd 1940-1945 in Kennemerland. z.u., Haarlem.

Hartendorf, G., 2006. In het duin wakker worden. Belevenissen van jachtopzichters Driekus en Joop Doornbosch. Haarlemse Miniaturen deel 71.

Hartendorf, G., J. Morren, C. Rings, A.M. Schüttenhelm-Okma & J. Suurmond, 1998. Duin en Kruidberg, Honderd jaar buitenplaats en Het Duingebied van de familie Cremer. z.u., Haarlem.

Heenvliet, Cornelis Jacobsz. van, Substituijt-Houtvester van de Graeffelicheyt, 1635. JachtBedryff. z.u., z.p..

Heimans, E., 1906. Met kijker en bus. Van Holkema en Warendorf, Amsterdam.

Henderikx, P.A., 1987. De benedenloop van Rijn en Maas. Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca 1000. z.u., Hilversum.

Henkens, R.J.H.G., 1998. Ecologische capaciteit natuurdoeltypen 1. Methode voor bepaling effect recreatie op broedvogels. Instituut voor Bos en Natuuronderzoek, IBN-rapport 363, Wageningen.

Hijmans, W., 1970. Van duin tot IJsselmeer. Meijer Pers n.v., Amsterdam.

Hilgen, P.R. & Q.L. Slings, 1981. Het duinbeheer op Terschelling in het begin van deze eeuw Nederlands bosbouwtijdschrift 53 (7/8): 247-256

Hilgen, P.R. & Q.L. Slings, 1981. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen: het Noordhollands Duinreservaat. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Hilgen, P.R., D. Sikkel & Q.L. Slings, 1981. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen. Deelproject 6.4: Boswachterij Schoorl. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Hoevens, H. & R. Pols, 2002. Landfront IJmuiden. Duitse bunkers in het Landfront van de Festung IJmuiden, W.N. 2000 S.K. 1. z.u., Velserbroek.

Hof, J., 1973. De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573. Hollandse Studiën 5. Historische Vereniging voor Zuid-Holland en Stichting Contactcentrum voor regionale en plaatselijke geschiedbeoefening in Noord- en Zuid-Holland, ’s Gravenhage/Haarlem.

Hoffmann, M.E. & V. Westhoff, 1951. “Flora en vegetatie van de Verbrande Pan bij Bergen (N.H.). De begroeiing van het “”kalkgrensgebied”” tussen Duin- en Waddendistrict. ” De Levende Natuur, Deel I: 45-52, Deel II: 74-79, Deel III: 92-98.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Boomsoort bepaalt bostype op verzurings_gevoelige bodem. Stratiotes, 23: 3-19.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Rijke bossen op arme bodems. Landschap, 20: 193-204.

Hommel, P.W.F.M., 1999. Duinbossen rond de kalkgrens. In: Hommel, P.W.F.M., M.A.P. Horsthuis & V. Westhoff (red.). Excursieverslagen 1996: 65-70. Plantensociologische Kring Nederland, Wageningen.

Huneker, H., 1994. Boomvalken in het Noordhollands Duinreservaat. De Winterkoning, 29: 38-57.

Idzerda, S.I., 1999. Een verkenning van de mycologische waarde van dennenbossen in de kalkrijke duinen. De Levende Natuur, 98 (4): 122-128.

Jansen, H.P.H., 1982. Kalendarium. Geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen. 5e druk. z.u., Utrecht/Antwerpen (1e dr. 1971).

Jansen, P.A.G., 2004. Schade of overlast door mountainbikers, perceptie of realiteit. Stichting Probos, Wageningen.

Janssen, M. & Q.L. Slings, 1991. Optimalisatie van de Waterwinning. Duin, 14 (1): 7-9.

Jelgersma, S. J., L. de Jong, W.H. Zagwijn & J.F. van Regteren Altena, 1970. The coastal dunes of the western Netherlands geology, vegetional history and archeology. Mededelingen Rijks Geologische Dienst. Nieuwe Serie (21): 93 -167.

Jelles, J.G.G., 1968. Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordholland Duinreservaat. ITBON-mededeling 87, z.p..

Jong, J. de, 1992. Schoorl Strand: veldwaarnemingen en resultaten van pollenanalytisch- en C14-onderzoek. Intern rapport RGD nr 1161, Haarlem.

Jong, L.J. de, 2006. De werkers aan het Noordzeekanaal. Nederlandse Genealogische Vereniging, afdeling Kennemerland.

Jongerling, F. & Q.L. Slings, 1982. Het gemiddelde herfsttrekverloop van enkele insectenetende nachttrekkers in Castricum. Graspieper, 2 (3): 90-93.

Kaan, N., 2003. Wie was… jonkheer Frits Gevers. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 26e jaarboekje: 53-63.

Kaan, N., 2008. De Nachtwacht in het Geversduin. Stichting Werkgroep Oud Castricum, 31e Jaarboekje: 19-28.

Kalkman, T. & H. Haver, 2003. Luister, het Fort vertelt. Kustfort IJmuiden. Werkgroep Historisch Onderzoek Forteiland IJmuiden, IJmuiden.

Kan, K.J., 1993. Stromen in Zuidkennemerland. Archief PWN, niet gepubliceerd.

Kerkhof, W., 2000. Sprinkhanen in de duinen tuusen Wijk aan Zee en Bergen. Een inventarisatie in de periode 1998-2000 rapport PWN

Keuning, K.J.B., 2000. Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ. Arcadia, Haarlem.

Kieviet, C. Joh., z.j. Het Slot op den Hoef. Van Holkema & Warendorf, Amsterdam.

Kisterman, H. & C. van Deursen, 1985 en 1986. Van vod tot informatiedrager. PWN-wereld 85 (2): 4-6 & 86 (1): 11-12.

Kivit, H., 1994. Enquete sportrecreanten 1992. Duinduiker, maart 1994: 4.

Kivit, H.A. & Q.L. Slings 2007. Natuurdoelen voor de duinterreinen van PWN rapp. PWN

Kleij, E. van de, 1990. Monumenten Inventarisatie Project, Noord Kennemerland. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Klijn, J.A., 1981. Nederlandse kustduinen Geomorfologie en bodems diss. Wageningen

Koene, B., J. Morren & F. Schweitzer, 2003. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen. z.u., Hilversum. ISBN 90-6550-774-4.

Konijnenburg, P., 1998. Hinderbeleving van Natuurgerichte Recreanten in het Noordhollands Duinreservaat. IVAM Environmental Research Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Koning, J. van, 2007. Scherven in het stuifzand. Archeologische vondsten in de PWN duinen. Landschap Noord-Holland 2007 (3): 26-29.

Kooijman, A.M., Besse, M. & R. Haak 2005. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiering in open droge duinen. Eindrapport fase 2 LNV

Korf, B. & Q.L. Slings, 1995. Optimierung der Infiltration Castricum fuer Natur und Wassergewinnung Bonn, Deutscher Verein des Gas- und Wasserfaches

Korf, B. & Q.L. Slings, 1993. Optimerung der Infiltration fur Natur und Wassergewinnung. Kunstliche Grundwasseranreicherung. DVGW-schriftenreihe 85: 71-76.

Kranenburg, F.J. et al., 1976. Het veranderend gezicht van Noord-Holland. Meijer Pers bv, Amsterdam.

Krijger, C.A., et al., 1982. 1907-1982 Engelmunduskerk – IJmuiden. z.u., z.p..

Kruger, H., et al., 2001. Brederoderoute: Een Cultuurhistorische Wandeling door Santpoort. Stichting Santpoort, Velsen.

Kruijsen, B.W.J.M., Q.L. Slings & H. Snater, 1992. Vegetatiekartering Noordhollands Duinreservaat 1982-1989. PWN, Bloemendaal.

Lambooij, H., 1987. Getekend land. Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier i.s.m. Stichting Uitgeverij Noord-Holland.

Lammertink, M. 1991. Gedrag van de Zwarte spechten in het Noordhollands Duinresrevaat. Graspieper, 11: 107-120.

Lannoy, K. & B. Denneboom (red.), 1992. Derper-Hoever-Binder. Boekhandel Dekker & Dekker, Egmond aan Zee.

Lebbink, J., van Manen Y., Slings, Q.L., de Vries, C.N. & R. Wildschut 2000. Herstel vochtig duinmilieu Noordhollands Duinreservaat Intern rapport PWN

Leten, M., 1992. Vegetatie en landschapsontwikkeling in de duinen van de Westkust. in: Tussen land en zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne. Lannoy, Tielt

Linden, J. van der, 1993. Kennemermozaiek. Uitgever Repro Holland B.V., Alphen aan de Rijn.

Londo, G. Thijsse’s Hof.Tachtig jaar natuurontwikkeling Bekking&Blitz, Amersfoort

Londo, G., 1971. Patroon en proces in duinvalleivegetaties langs een gegraven meer in de Kennemerduinen diss. Nijmegen

Londo, G., 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 4 Pudoc, Wageningen

Londo, G., 1997. Natuurontwikkeling. Bos- en Natuurbeheer in Nederland Deel 6 Backhuys, Leiden

Louman, E.G.M. & Q.L. Slings, 1990. Regeneratie van vochtige duinvalleien. KIWA med. 114: 121-140.

Louwe Kooijmans, L.P., 1985. Sporen in het land. De Nederlandse delta in de prehistorie. z.u., Amsterdam.

Maas, G.J., C.A. van den Berg & A. Oosterbaan, 1993. Vervolgonderzoek naar oorzaken van de verminderde vitaliteit van zomereik in het duingebied van Nederland. IBN-rapport 046. IBN-DLO, Wageningen.

Maes, B. (red.), 2006. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Boom, Amsterdam.

Maes, N.C.M., 1995. Genetische kwaliteit inheemse bomen en struiken, deelproject de kustduinen. IKC-Natuurbeheer, Wageningen.

Manen, Y. van, 1983. Het Bergerbos. Duin, 6 (2): 7-13.

Marrewijk, J.M. van, 1994. De vos: inheems of niet in onze duinen? Duin, 17 (1): 14-17.

Meffert, M., 1998. Rapport Ruimtelijke Relaties in het Oer-IJ-estuarium in de Romeinse IJzertijd met nadruk op de Assendelverpolder. Proefschrift. Universiteit Wageningen, Wageningen.

Meijer, J.W., 1965. Tacitus, Jaarboeken. Ambo, Baarn.

Melman, D., 1982. De Breesaap: Holland op zijn smalst. Duin, 5 (4).

Merula, P., 1605. Placaten ende Ordonnancien op ’t stuck van de Wildernissen. z.u., ’s Gravenhage.

Mestelaar, E., 2003. Ecologisch en recreatief netwerk nader bekeken. PWN, Velserbroek.

Mettlach, R. van, ca 985. Vita Sancti Adalberti Confessoris (Het leven van de heilige belijder Adelbert). Vertaling G.N.M. Vis. Sint Adelbertabdij, Egmond 1990.

Morren, J., 2002. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 1 Santpoort. z.u., Huizen.

Morren, J., 2004. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 2 Driehuis & Velserbroek. z.u., Velsen. ISBN 90-808333-1-2.

Morren, J., 2005. Kastelen en buitenplaatsen in Velsen. Deel 3 IJmuiden, Velsen-Zuid en –Noord. z.u., Velsen. ISBN 90-808333-2-0.

Morren, J., 2008. De boerderijen in de Breesaap. Ledenbulletin Historisch Genootschap Midden-Kennemerland: 5-28

Mosterd, M. & P.J. Marget, 1990. “De Egmondse Studieën, deel I: Heiligenlevens, annalen en kronieken: 29-66; 215-224.” Uitgeverij Verloren, Hilversum.

Mulder, J. (red.), z.j. De vos in het Noordhollands Duinreservaat. Deel 1: Organisatie en samenvatting. PWN, Bloemendaal/RIN, Arnhem.

Mulder, J., 1993. Vossen. Brochure Stichting Kritisch Faunabeheer e.a., Renkum.

Mulder, J.L. 1990. The Stoat Mustela erminia in the Dutch Dune region, its local extinction and a possible cause: the arrival of the Fox Vulpes vulpes Lutra 33(1):1-21

Mulder, J.L. & A.H. Swaan, 1991. Bopdy-weight changes of egg-laying Curlews Numenius arquata, as monitored by an automatic weighing system Ardea 80: 273-279

Mulder, J.L. & J.M. Wallage-Drees, 1979. Red fox predation on young Rabbits in breeding burrows Neth. J. Zool. 29(1): 144-149

Mulder, Jaap 1991. De geheimzinnige jeugd van het wilde konijn. Hoe verzorgt het konijn zijn jongen? Zoogdier 2 (4):3-9

Mulder, Jaap 2007. Onbejaagde vossen in de duinen en implicaties voor vossenbeheer DLN 108(4):149-154

n.n., 1989. Haven van IJmuiden 1860-1880. Aanleg van het Noordzeekanaal en het ontstaan van IJmuiden. Huisdrukkerij Stadhuis Velsen, Velsen.

n.n., 1990. Archeologische Werkgroep Velsen, Archeologische Opgravingen in 1989 in Velsen. z.u., IJmuiden.

n.n., 1992. Velsen in historisch perspectief, jaarboek uitgegeven sinds 1992. Historische Kring Velsen, Velisena, z.p.

n.n., 2005. De Velsense Zevensprong. Een cultuurhistorische fietsroute langs de zeven woonkernen van Velsen. Monumentenzorg en archeologie gemeente Velsen, Velsen.

n.n., 2005. Vertrouwen in Gebouwen. Een fietstocht langs religieuze monumenten in Velsen. Monumentenzorg gemeente Velsen en Stichting Santpoort, Velsen.

n.n., 2006. Een rondje Velsen. Op de fiets langs plaatsen van vermaak en vertier. Monumentenzorg gemeente Velsen, Velsen.

n.n., 2007. Gebouwd in Stijl. Fietsen langs bouwstijlen uit de vorige eeuw. Monumentenzorg gemeente Velsen en Stichting Santpoort, Velsen.

n.n., z.j. Dwars door de duinen – recht naar zee! AO boekje 381. z.u., z.p.

n.n., z.j. Landbouwhogeschool Wageningen 74-12. z.u., z.p..

N.n., 1605. Merula, Placaten. En de Ordonnancien op ’t stuck van de Wildernissen, 98. z.u., z.p.

N.n., z.j. Algemeen Rijksarchief Den Haag Recht. Arch. Lisse, nr 3 folio 3, z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 283, 284 e.v. z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 285 (1566-1609) z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 286 z.u., z.p.

N.n., z.j. Gemeentearchief Lisse, nr. 287 z.u., z.p.

n.n., z.j. Masterplan Regeneratie Duinvalleien Nationaal Park Zuid-Kennemerland 1999. Vereniging Natuurmonumenten, PWN & Staatsbosbeheer, Bloemendaal.

N.n., z.j. Octrooi tot het oprichten van een konijnenheining, verleend door de Staten van Holland en West-Friesland aan de eigenaars van 53 morgen 117 roeden land in de ban van Heemskerk. z.u., z.p.

N.n., z.j. Request van de ingelanden van den ban van Heemskerk aan de Staten van Holland en West-Friesland over een konijnenheining,1668. Met een project, een lijst van verzoekers, 1668, en stukken betreffende de aanleg, 1670 en ongedateerd. z.u., z.p.

n.n., z.j. Stukken betreffende de behandeling van een request door C.M. Deutz-Bors van Waveren, vrouwe van Heemskerk, aan de Staten van Holland en West-Friesland om alteratie van het Octrooi.d.d. 8 Juni 1747 verleend aan schout en gerecht van Castricum inzake het beplanten der duinen en opstellen eener konijnenheining. 1747-1751. z.u., z.p.

N.V. Amsterdamsche Ballast Maatschappij, z.j. Tunnelbouw te Velsen in uitvoering bij de Amsterdamsche Ballast Maatschappij. z.u., Amsterdam.

Nieuwenhuizen, F., 1988. Natuurleven in het Schoorlse duingebied. Uitgeverij Pirola, Schoorl.

Nuhout van der Veen, J. & G.F. Verschuit, z.j. Toestand van de duinen anno 1809. z.u., z.p..

NV PWN Waterleidingbderijf Noord-Holland, 2000. Vossen in het Noord-Hollands Duinreservaat in de periode 1995-1998 Alterra rapportnr: 197

Ommering, G. van, 1988. Het strand van vroeger. Duin & Kust, Leiden.

Oosterom, A. van, 2004. Wat Mijnheer zegt moet gebeuren. De bewoningsgeschiedenis van de buitenplaats Waterland te Velsen in de twintigste eeuw. Een historische schets. Historisch Genootschap Midden Kennemerland, z.p. ISBN 90 807522-4-X.

Oosterom, C. van, 2004. De duinen van Zuid-Kennemerland in ’40-’45. Themanummer Verdedigingswerken. Ons Bloemendaal, 28(3): 12-13.

Oud, M., 2009. Het voorkomen van roodnetboleten in Nederland Coolia jrg.52(1): 18-23

Oudhof, J.W.M., 1994. Een aanvullende archeologische inventarisatie (AAI) van percelen aan de Oude Schulpweg te Castricum, N-H. ROB, Amersfoort.

P.W.N., 1992. Water drinken en natuur sparen. PWN, Bloemendaal.

P.W.N., 1994. Beheernota 1990-1995 Intern rapport PWN, Bloemdendaal.

Pannekeet, J. 1988. De (mogelijke) betekenis van alle Noord-Hollandse Plaatsnamen Drukkerij West-Friesland BV, Hoorn.

Paul, K.H., 1953. Morphologie und Vegetation der Kuhrischen Nehrung Nova Acta Leop. N.F. 16:259-378

Peters, J.H., A. Stakelbeek, J. Demarteau & Q.L. Slings et al., 1990. Optimalisatie en renovatie infiltratiegebied Castricum- masterplan- Echohydrologische optimalisatie en renovatie. SWO 90256. KIWA, Nieuwegein.

Peters, J.H., Q.L. Slings & A. Stakelbeek, 1992. Open infiltratie nieuwe stijl. Integrale ontwikkeling van natuur en techniek bij renovatie van een open infiltratiesysteem. H2O, 25 (19): 532-537.

Peters, J.H., Q.L. Slings & A. Stakelbeek, 1995. Masterplan infiltratiegebied Kieftenvlak te Wijk aan Zee. Uitgewerkte ideeën voor renovatie en voor ecologische aanpassingen. KIWA, Nieuwegein & PWN, Velserbroek.

Pols, R. & L. de Vries, 2007. Seefront IJmuiden. Duitse bunkers in de kustverdediging van de Festung IJmuiden. Uitgave in eigen beheer. R. Pols, Velserbroek.

Pons, J. & M.F. van Oosten, 1974. De bodem van Noordholland. Stichting voor bodemkartering, Wageningen.

Pouwels, R. & C.C. Vos, 2001. Recreatie en biodiversiteit in balans: een ruimtelijke benadering van functiecombinaties Alterra-rapport 227 Wageningen

Provincie Noord-Holland, Dienst Ruimte en Groen, 1992. Zure regen in de duinen. Onderzoeksbericht nr 5. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Provincie Noord-Holland, Dienst Ruimte en Groen, 1995. Weidevogels in het BES-gebied. Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Provoost, S. & M. Hoffmann, 1996. Ecosysteemvisie voor de Vlaamse Kust. Deel 1 Ecosysteembeschrijving Gent

Ranzijn, R. (red.), 1989. Ecologisch tuinieren in het zeedorpenlandschap. Stichting Publicatiefonds Duinen, Leiden.

Rappol, M. & C.M. Soonius (red.), 1994. In de bodem van Noord-Holland. Lingua Terrae, Amsterdam.

Raven, A., 1995. Noord-Kennemerland vanaf de Bronstijd. Intern Rapport, P.W.N., Castricum.

Rentenaar, R., 1971. Die Namenlandschaft der Niederlandische dünen. Abhandlungen 10. Intern. Kongr. Wenen.

Rentenaar, R., 1977. De Nederlandse duinen in de middeleeuwse bronnen tot omstreeks 1300. KNAG Geografisch Tijdschrift XI, 5: 361-376.

Rentenaar, R., 1978. De vroegste geschiedenis van het konijn in Holland en Zeeland. Holland, 10: 2-16.

Rentenaar, R., 1978. Topografische structuren en toponymen. Ontwikkelingen in middeleeuws Egmond. Vlaamkunde, 10: 334-349.

Roderkerk, E.C.M, 1961. Recreatie, recreatieverzorging en natuurbescherming in de Kennemerduinen Delft

Roderkerk, E.C.M, 1975. De Kennemerduinen 25 jaar Nationaal Park Schuyt & Co C.V.,Haarlem

Roep, Th.B., L. van der Valk & D. Beets, 1991. Strandwallen en zeegaten langs de Hollandse kust. Grondboor en hamer, november 1991: 115-124.

Rolf, R. & H. Sakkers, 2005. Duitse bunkers in Nederland. PRAK Publishing, Middelburg.

Rolle, S. & P. van Hove, 2001. Velsen-IJmuiden de doorsnee van Holland. z.u., Haarlem.

Rolle, S., 1995 De Velsense buitenplaatsen in oorlogstijd. Gebeurtenissen in de periode 1939-1945. z.u., Velsen-Zuid

Rolle, S., 1982. Gisteren… haast onherkenbaar. Velsen toen en thans. z.u., IJmuiden.

Rolle, S., 1985. Memoriaal van Velsen. Een sociaal economische beschrijving tot 1900. z.u., Ijmuiden.

Rolle, S., 1994. Kroniek van Driehuis. z.u., z.p..

Rolle, S., 1997. Beatrix op Beeckestijn. Velsen en het Oranjehuis 70 vorstelijke bezoeken. z.u., Velsen-Zuid.

Rolle, S., 1998. Aantekeningen bij Velsens vroege verleden. Museum Beeckestijn, Velsen-Zuid

Rolle, S., 2005. Velsen-IJmuiden 1935 – 1985. Onvergetelijke beelden. z.u., Zaltbommel. ISBN 90 5994 085 7.

Roo, H.C., de, 1953. De bodemgesteldheid van Noord-Kennemerland S-Gravenhage

Roobeek, C.F., 1992. De nachtzwaluw in de duinen van Bergen en Schoorl. Beheersverslag Schoorlse Duinen, Regio Hollands Noorden van het Staatsbosbeheer: 43-45. Staatsbosbeheer, z.p..

Roos, R. 1999. Beweegbaar kustlandschap, over ecologie en esthetica. In: J. Kolen & T. Lemaire (ed.): Landschap in Meervoud. Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht. Tekst. ISBN 90 6224 421 1.

Roos, R. & S. Woudenberg (Red.) 2004. Opgewarmd Nederland. Klimaatverandering: natuur, water en landbouw. Effecten en aanpak. NatuurMedia, Amsterdam. Zie www.opgewarmdnederland.nl

Roos, R., 1996. Bewogen kustlandschap. Duinen en polders van Noord-Kennemerland. Schuyt & Co, Haarlem.

Roos, R., J. ’t Hart en R. Bekker 2000. 2000 Het Milieu van de Natuur. Derde druk. Natuur en Milieu, Utrecht.

Rozema, J., P. Laan, R. Broekman, W.H.O. Ernst & C.A.J. Appelo, 1985. On the lime transition ans decalcification in the coastal dunes of the province of North Holland and the island of Schiermonnikoog. Acta Notanica Neerlandica, 43 (4): 393-411.

Ruitenbeek, W., J.G. Scharringa & P.J. Zomerdijk (red.), 1990. Broedvogels van Noord-Holland. Stichting Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Assendelft.

Ruiter, Q. de, 1981. Over duinboerderijen en haar bewoners. Stichting Werkgroep Oud-Castricum, vierde jaarboekje: 3-10.

Sakkers, H. & M. Machielse, 1999. Een vestingbouwkundige wandeling langs bunkers van de Atlantikwall in het zuidwestelijke deel van de Festung IJmuiden. Fortress Books, z.p..

Scheffer, H., 2004. De Atlantikwall, een muur die geslecht werd. Themanummer Verdedigingswerken. Ons Bloemendaal, 28 (3): 7-11.

Schilstra, J.J., 1988. De Ruïnekerk van Bergen. Kerkvoogdij Hervormde Gemeente Bergen NH.

Schoep & Van der Toorn, 2001. Onderzoek naar waardering en recreatiewensen voor het Noordhollands Duinreservaat. Schoep & Van der Toorn Communicaite Consultans, Amsterdam.

Scholtens, H.J.J., 1947. Uit het Verleden van Midden-Kennemerland. Herdruk 1968. Gijsbers & van Loon, Arnhem.

Schoorl, H., 1973. Zeshonderd jaar water en land. Groningen. z.u., z.p.

Schoorl, H., 1991. Kust en kaart. Pirola, Schoorl.

Schuppen, S. & V. Mars, 1993. Wandelingen in Kennemerland en de Noordhollandse duinen. Dwarsstap, Nijmegen.

Schweitzer, A. & J. van der Linden, 2005. Scholtens en Midden-Kennemerland. z.u., Beverwijk.

Sepp, C.E., 1902. Gids voor Beverwijk en omstreken. Herdruk: 1977. z.u., Schoorl.

Sipkes, C., 1929. Beknopt overzicht van de flora duinstreek van Noord-Holland. Kennemerland-Nummer Natura (7): 105 – 113

Sliggers, B.C., 1988. Westerveld van Buitenplaats tot Begraafplaats 1888-1988. z.u., Haarlem.

Slings Q.L., 1996. Managementsrapportage broedvogels NHD 1995. PWN, Castricum.

Slings, Q.L. 1986. Beheersgericht onderzoek in Noordhollands Duinreservaat Duin 9 (3): 65-68

Slings, Q.L. 1997. Het plan voetspoor. interne notitie PWN

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1971. Barmsijzen. De Pieper, 10 (10): 217-218.

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1977. Vegetatiekartering van het Reggers- en Sandervlak, gelegen in het Noordhollands Duinreservaat, ten westen van Egmond-binnen. z.u., z.p..

Slings, Q.L. & C. N. de Vries, 1986. Zes jaar broedvogelonderzoek van de vogelwerkgroep Castricum: resultaten. PWN nieuwsbrief 4: 2-12.

Slings, Q.L. & H. Schekkerman, 1990. Vogels van de infiltratiegebieden in het Noordhollands Duinreservaat. KIWA med, 114: 89101.

Slings, Q.L. & H. Snater, 1992. Bosbeheer in het Noordhollands Duinreservaat. Molm, 12(2): 2-17.

Slings, Q.L.& P. Hilgen, 1982. Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen: Boswachterij Terschelling. Staatsbosbeheer, Utrecht.

Slings, Q.L., 1986. Beheersgericht onderzoek in het Noordhollands Duinreservaat. Duin, 9 (3): 65-68.

Slings, Q.L., 1992. Landschapsecologische effecten van suppleties binnen het duingebied. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1992. Vegetatiekartering Noordholland Duinreservaat. Duin, 15 (3): 18-21.

Slings, Q.L., 1994. De kalkgraslanden van de duinen. De Levende Natuur, 95 (4): 120-130.

Slings, Q.L., 1996. Evaluatie optimalistaie ICAS: broedvogels Intern rapport PWN

Slings, Q.L., 1997. Herstel van knopbies-vegetaties door plaggen in een kalkrijke, vochtige duinvallei De Levende Natuur 98 (7): 296-299

Slings, Q.L., 1999. Het effect van natuurgerichte recreatie op de broedvogelstand van het duingebied bij Egmond PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland

Slings, Q.L., 2006. Basisnota versie 2 rapp. PWN

Slings, Q.L., 1979. Analyse van een vegetatiegradiënt. VU doctoraalverslag, Amsterdam.

Slings, Q.L., 1979. Eén pot nat. VU doctoraalverslag, Amsterdam.

Slings, Q.L., 1983. Wat is er met de klapekster gebeurd? Graspieper, 3 (3): 122-125.

Slings, Q.L., 1986. Effecten van diepinfiltratie op de broedvogelstanddeelrapport 5.2. Bijlage bij toelichting op vergunningenaanvraag DWAT. PWN rapport 86/009556, Bloemendaal.

Slings, Q.L., 1989. Verslag Doing-excursie 1985 – Verslag veldbezoek met H. Doing aan NHD in 1989 – verslag veldbezoek met H. Doing in 1990 aan zeedorpenlandschap. PWN rapport intern, z.p.

Slings, Q.L., 1990. Plagexperimenten in een kalkrijke, vochtige duinvallei. KIWA med. 114: 57-64.

Slings, Q.L., 1994. Natuurwaarden: veel natuur en soms veel soorten. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. Procesbeheer voor duinvlinders? Samenvatting en sheets van lezing op Vlindersymposium in de Hoep. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. Roofvogels dunningen. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. De stand van de talrijkere broedvogels van het NHD 1979-1993. De Duinduiker, 2: 1-2.

Slings, Q.L., 1995. De maakbaarheid van de natuur. Duin, 18 (1): 8-10.

Slings, Q.L., 1993. Enkele richtlijnen bij het maken van natte duinvalleien. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1994. De kalkgraslanden van de duinen. De levende natuur, 95 (4): 120-130.

Slings, Q.L., 1994. Het evenwicht tussen procesbeheer en patroonbeheer in het NHD. PWN, Castricum.

Slings, Q.L., 1995. Het plan voetspoor. Duin, 28 (1): 16-17.

Slings, Q.L., z.j. Commentaar op Nota Herintroducties Natuurmonumenten. PWN, Casticum.

Slings, R., 2006. De duinen lijden : afwachten kan niet meer kunnen wisenten verlichting brengen? Nieuwe Wildernis

Slings, R., 1990. Ecologische optimalisatie van het infiltratiegebied Castricum. De Winterkoning, 26 (1): 24-28.

Slings, R., 1995. Konijneziekte VHS. z.u., z.p.

Slings, Rienk 2005. Een historische terugblik in vogelvlucht. De vogelbevolking van de Kennemerduinen Natura 2005(5): 147-150

Slings, Rienk & Henk Wijkhuisen 2005. De teederste kinderen der Hollandse duinflora’ Een bloemlezing uit ecologische historie van de duinen van Zuid-Kennemerland Natura 2005(5): 133-138

Slings, Rienk., 1995. De grote dorst van Noord-Holland en de Berger duinen. in: Heerlijk Bergen? Berger scholengemeenschap, Bergen

Smit, T., 1999. Verdedigingswerken in de Wimmenummerduinen. In opdracht van PWN, intern rapport.

Soonius, C.M., 1993. Broekpolder een archeologische inventarisatie, kartering en waardering. Stichting RAAP, rapportnr. 79, Amsterdam.

Soonius, C.M., 1993. Herinrichtingsgebied Bergen-Egmond-Schoorl, een archeologische kartering en inventarisatie. Stichting RAAP, rapportnr. 73a, Amsterdam.

Soonius, C.M., 1993. Potentiële archeologische waarden in de voor bollenteelt aangemerkte gebieden. Stichting RAAP, rapportnr. 70, Amsterdam.

Sparrius. L.B. & A. Aptroot. 2001. Monitoring van epifytische mossen en korstmossen in het Noord-Hollands Duinreservaat. Rapport NV PWN.

Staten van Holland en Westfriesland, 1652. Generale Privilegiën ende Hantvesten van Kennemer-landt ende Kennemer-ghevolgh. Ian Verhoeve, ’s Gravenhage.

Steijn, J.A., van, 1933. Duinbebossching diss. Wageningen

Stelt – Strijbos, H. M. van der, 1988. “Ter herinnering aan Jan P. Strijbos; rede uitgesproken tijdens de crematie-plechtigheid.” Vogeljaar, 31 (3), 134-135.

Stichting Duinbehoud, 1992. Duinen voor de wind. z.u.,Leiden.

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala.

Strijbos, J.P., 1929. Vogelleven in Kennemerland. Kennemerland-Nummer Natura (7): 134-138.

Strijbos, J.P., 1976. Vogelvrij. Mensen en tijden die ik gekend heb. Autobiografie. Schuyt & Co, Haarlem.

Stuyfzand, P.J., 1993. Hydrochemistry and hydrology of the Coastal Dune Area of the Western Netherlands. Dissertatie. KIWA/VUA.

Swaan, A., 1998. Resultaten Vossenonderzoek intern rapport PWN

Terlouw, L., Slings, R., & W.Boekhorst, 2004. Grote natuurherstelprojecten nabij het Vogelmeer Duin 27 (1): 16-17

Thijsse, Jac.P., 1911. Blonde duinen. Verkade, Zaandam.

Thijsse, Jac.P., 1943. Onze Duinen. Allert de Lange, Amsterdam.

Thijsse, Jac.P., 1946. Natuurbescherming en Landschapsverzorging in Nederland. Wereldbibliotheek, Amsterdam.

Thürkow, A.J., 1986. Het agrarisch landgebruik in de Hollandse duinen in historisch perspectief. Duin, 3: 75-78.

Thürkow, A.J., 1988. Duinen en duinontginning. Historisch Geografisch Tijdschrift, 6 (1): 23-25.

Tjaden, G.G.M., 1987. De ‘heilige’ sikkels van Heiloo. Heilooër Cronyck 1987 (1): 12-44.

Tol, H. & G. van der Burg, 2002. De Wachter tussen de Pieren. Kustfort IJmuiden, Ijmuiden.

Toorn, W. van, 1993. ‘Er moeten nogal wat halve-garen wonen’ Schrijvers in en over Bergen. Eerste Bergense Boekhandel, Bergen.

Tuin, Michel 2008. De mogelijkheid van een ringwalbrug in Beverwijk. Ledenbulletin Historisch Genootschap Midden-Kennemerland: 61-83

Uitterhoeve, A., 1990. Annales Egmundenses. De jaarboeken van Egmond. Alkmaarse Cahiers, deel 1. Zwaan & ter Burg, Alkmaar.

Vader, H., 2008. De oudste bewoners van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Tussen Duin en Dijk, 7 (4): 8-11.

Veen, H. van de, 1990. Het konijn als duinbeheerder. Advies ten behoeve van het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland. z.u., z.p.

Veenstra, B., 1994. Broedvogelinventarisatie Noordhollands Duinreservaat 1993. PWN, Bloemendaal.

Veenstra, B., Klemann, M. & W. van Manen 2007. Broedvogels van het Noord-Hollands Duinreservaat SOVON-inventarisatierapport 2007/16, Beek-Ubbergen.

Velzen, A. van, 1987. 18de eeuwse kruidenhof Beeckestijn Velsen. z.u., z.p..

Ven, G.P. van de (ed.), 1993. Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. 2e gew. dr., Utrecht

Venetiën, J. van, 1968. Hart van Kennemerland. Album van leven en werken in Midden-Kennemerland door de eeuwen heen, uitgegeven t.g.v. 50-jarig bestaan van Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken NV te IJmuiden 1918-1968. z.u., Amsterdam.

Venetiën, J. van, 2001. Een haven in de Noordzee – een waterweg naar Amsterdam, deel 2 in de Historische Reeks Midden-Kennemerland Historisch Genootschap Midden-Kennemerland & Museum Kennemerland, Beverwijk.

Vertegaal, C.T.M., 1997. Beheerplan Noordduinen Zandvoort (Kraansvlak) 1996-2006 rapport PWN

Vis, G.N.M., M. Mosterd & P.J. Marget, 1993. De Egmondse Studieën, deel II: Egmond tussen kerk en wereld. Uitgeverij Verloren, Hilversum.

Voets, B., 1994. Kerk tussen wildernis en weidegrond. R.K. Parochie H. Johannes de Doper, Schoorl.

Vogel, R.L., 1994. Broedvogels van Boswachterij Schoorl en Pettemerduinen in 1993. SOVON-rapport 1994/04, Beek-Ubbergen.

Vogelwerkgroep Alkmaar en omstreken/Natuurorganisatie De Windbreker, 1994. Heden, verleden en toekomst van de meeuwen in de Kop van Noord-Holland. De Graspieper, 14 (2).

Volkerts, N., 1996. Kuieren in Kennemerland : wandelen in de regio’s Haarlem, Haarlemmermeer en IJmond. z.u., z.p..

Vos, R. de, 1994. Micro- en nachtvlinders gevangen in het Noordhollands Duinreservaat (Bergen) in 1993. Intern rapport PWN, z.p..

Vries, C.N. de & Q.L. Slings et al., 1972. De Vinkenbaan van de VWG Castricum in de periode 1961-1971, deel 2. De Pieper, 11 (10): 73-79.

Vries, C.N. de & Q.L. Slings et al., 1972. De Vinkenbaan van de VWG Castricum in de periode 1961-1971. De Pieper, 11 (8/9): 61-69.

Vries, C.N. de, Q.L. Slings & F.W. Vegte, 1980. Verslag broedvogelinventarisatie 1979 Noordhollands Duinreservaat. PWN, Castricum.

Vries, J. de, 1968. Hoogovens IJmuiden 1918-1968. Ontstaan en groei van een basisindustrie. z.u., Ijmuiden.

Vries, S. de & C.M. Goossen, 2002. Recreatietekorten in de provincie Noord-Holland, een globale zicht op de effectiviteit van de voorgestelde plannen tot 2020. Alterra, Alterra-rapport 448, Wageningen.

Vries, T. de, D. Schaap & S. Rolle, 1976. Eene plaats van grooten omvang. 1876-1976 honderd jaar IJmuiden en het Noordzeekanaal. z.u., IJmuiden.

Vries, V. de, 1950. Vlieland, landschap en plantengroei E.J. Brill, Leiden

Vries, W. de, 1981. Een greep uit het landbouwleven in het duin. Rapport PWN, z.p..

Vrugt, A., 1999. Inventaris van het archief van het ambachtsbestuur van Velsen 1415-1813 (1819). Archiefdienst voor Kennemerland, Haarlem.

Wallis de Vries, M.F., 2008. Aandacht voor de bruine eikenpage in Kennemerland. Rapport VS2008.005. De Vlinderstichting, Wageningen.

Waterschap Het Lange Rond, 1993. Waterbeheersplan 1993-1996. z.u., Alkmaar.

Weeda, E.J., 1992. Zandviooltje (Viola rupestris) in de duinen van Noord-Kennemerland. Hoe een dwerg uit de steppetoendra standhoudt temidden van zand, zeewind en konijnen Wetensch. Meded. KNNV nr. 206

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren, 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 4: Bossen, struwelen en ruigten. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Weeda, E.J., Ozinga, W.A. & G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, 2006. Diversiteit hoog houden. Bouwstenen voor een geintegeerd natuurbeheer Alterra-rapport 1418

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1994. Nederlandse ecologische flora. Wilde planten en hun relaties, deel 1-5. IVN i.s.m. VARA en VEWIN, Amsterdam.

Welman, J., 1967. De Oude IJmond van IJmuiden, AO boekje 1168. z.u., z.p..

Werf, S. van der, 1991. Bosgemeenschappen. Bos- en Natuurbeheer in Nederland. Deel 5 Pudoc, Wageningen

Werkgroep Duin & Kust, 1986. Zeedorpenlandschap in Noord-Holland. Stichting Duinbehoud, Leiden.

Werkgroep Natuuratlas Alkmaar-Bergen, 1991. Atlas van de natuurgebieden in de gemeenten Alkmaar en Bergen. z.u., z.p..

Werkgroep Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten (red.), 1994. Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten. Uitgeverij Noord-Holland, Edam.

Westerberg, J., 1974. Kennemer dijkgeschiedenis. Verhandelingen KNAW, eerste reeks, deel 27, no. 2. N.V. Noord-Hollandse Uitgeversmaatschappij, Amsterdam, Londen.

Westhoff, V. & A.J. Den Held, 1969. Plantengemeenschappen van Nederland Thieme, Zutphen

Westhoff, V. & M.F. van Oosten, 1991. De Plantengroei van de Waddeneilanden KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Wiegman, D.J. & A.R. Kolb Bulthuis, 1961. Studie van de duinbebossing bij Castricum. Doctoraal verslag. LHW afd. Houtteelt, Wageningen.

Wijker, A., 1990. Oud-IJmuiden Monumentaal. Stichting Wijkcomité Oud-IJmuiden, IJmuiden.

Wijker, A., 2001. Libellenatlas Noord-Hollands Duinreservaat 1996-2000 rapport PWN

Wijkhuisen, H., 2005. Tien jaar Nationaal Park Zuid-Kennemerland Natura 2005 (5), themanummer

Wildschut, R.J., 2002. Dagrecreatie Noordhollands Duinreservaat in 2000. PWN, Castricum.

Wildt, J. de, 2007. Een mol in Arcadië. 50 jaar Velser Tunnels. z.u., z.p..

Wit, T. de, Q.L. Slings & K. Westerbrink, 1974. Verslag van het onderzoek naar het voorkomen van Anthriscus sylvestris (L.) Hoffm. (Fluitekruid) in de omgeving van de Hoogovens te IJmuiden. R.I.N. intern rapport.

Woltering, P.J. et al., 1980 – 1994. Archeologische kroniek van Holland. Tijdschrift Holland, Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Zadelhoff, F.J. van, 1981. Nederlandse kustduinen: Geobotanie Pudoc, Wageningen

Zagwijn, W.H., 1971. Vegetational history of the coastal dunes in the Western Netherlands. Acta Bot. Neerl., 20 (1): 174-182.

Zagwijn, W.H., 1984. The formation of the younger dunes on the west coast of the Netherlands (AD 1000-1600). Geologie en Mijnbouw: 259-268.

Zagwijn, W.H., 1986. Nederland in het holoceen. Geologie van Nederland I z.u. ‘s-Gravenhage.

Zeiler, F.D., 1986. Hoog & Vrij, schetsen uit de geschiedenis van de heerlijkheid Bergen tot 1798. Pirola, Schoorl.

Zeiler, F.D., 1988. Tien eeuwen Alkmaar, de Alkmaarders en hun omgeving. Ach Lieve Tijd 13. Waanders bv., Zwolle.

Zeiler, F.D., 1994. ‘Harga, dat ook Ketel heet’. In: Okkema, J.C., G.N.M. Vis, F.A. van Lieburg & B.J. Spruyt: Heidenen, Papen, Libertijnen en Fijnen. Eburon, Delft.

Zeiler, F.D., 1994. Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Intern rapport PWN, z.p..

Zeiler, F.D., 2008. Hel en paradijs. Duintoponiemen in Zuid-Kennemerland Intern rapport PWN,Velserbroek. zie www.duinenenmensen.nl

Zonneveld, P.C., 2005. Duinmeiers in de Brederoder duinen te Velsen. VELICENA, uitgave Historische Kring Velsen, 2005 jrg 14, pag.3 t/m 32.

Bakker, K. de, (red.) 2005. Hier is het paradijs niet verloren. Schrijvers over Bergen aan Zee Conserve, Schoorl.

Keuning, K.J.B., 2007. Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ

Meffert, M.P.W., 1998. Ruimtelijke relaties in het Oer-IJ-Estuarium in de romeinse ijzertijd met nadruk op de assendelver polders. Proefschrift Universiteit van Amsterdam.

Linden, J. van der, 2002. Een straatje om in Beverwijk. , Historisch Genootschap Midden Kennemerland

Nidek,B. van, 1729. Het Zegepralend Kennemerland

Benkert, D. & Brouwer, E., 2004. New species of Octospora and some further remarkable bryoparasitic Pezizales from the Netherlands Persoonia 18(3): 381-391

Normann en Veldhoen, 2008. Het foerageergedrag van wisenten vergeleken met schotse hooglanders in de Hollandse duinen PWN rapport

Diemeer, J, 2005. Gagea minima (L.) Ker:Gawl. nieuw in Nederland : een erfenis van Linnaeus? Rijksherbarium, Leiden Gorteria : tijdschrift voor onderzoek aan de wilde flora

Deursen, C. van & Ehrenburg, A., 2009. Boommarters: de bosgeest uit de fles? “Tussen duin en dijk; natuur in Noord-Holland Jrg. 8 (1) pp. 10 t/m 13”

Kivit, H. & Cromsigt, J., 2009. Poolse werknemers in Hollandse duinen “Tussen duin en dijk; natuur in Noord-Holland Jrg. 8 (1) pp. 20 t/m 22”

Ruijter, Q. de, 1981. Over duinboerderijen en haar bewoners. 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Belonje, mr J., 1984. Het Zeeveld te Noord-Bakkum. 7e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Glorie-van der Steen, A.C., 1990. De jacht in het duingebied. 13e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Boot, H., 2002. Kampeerterrein Bakkum. 25e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kaan, N.A., 2003. Wie was…jonkheer Frits Gevers. 26e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Zuurbier, S.P.A., 2004. De geschiedenis van Johanna’s Hof. 27e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kortenoever, H., 2006. Wie was… Eldert Kortenoever. 29e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Kaan, N.A., 2008. De Nachtwacht in het Geversduin. 31e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum

Calkoen, H.J., 1952. Speelschijfjes. Westerheem 1: 27.

Calkoen, H.J., 1953. IJzervondst uit de eerste eeuw te Santpoort. Westerheem 2: 2-4.

Calkoen, H.J., 1953. Opgraving te Santpoort. Westerheem 2: 47.

Calkoen, H.J., 1954. De legende van de Spanjaardsberg te Santpoort en de oorsprong van de naam Driehuis. Westerheem 3: 2-4.

Calkoen, H.J., 1955. Avondexcursie naar de opgraving aan de Cremerlaan te Santpoort. Westerheem 4: 55-56.

Calkoen, H.J., 1958. Speelschijfjes of …. munten?. Westerheem 7: 123.

Calkoen, H.J., 1967. Velsen – Grepen uit de geschiedenis van een oude woonplaats in Kennemerland. Vermande Zonen, IJmuiden. (12-14).

Cordfunke, E.H.P., 1976. 25 jaar AWN. Westerheem 25: 307-321.

Boone, W.J. de, 1954. Een praehistorische woonplaats aan de Cremerlaan te Santpoort (gem. Velsen). Westerheem 3: 5-9.

Buchem, H.J.H. van, 1958. Een Romeinse kniefibula van de Spanjaardsberg te Santpoort. Westerheem 7: 117-123.

Heeringen, R.M. van, 1992. The Iron Age in the Western Netherlands. ROB, Amersfoort. 157-159, 196-203.

Lijn, P. van der, 1953. Hoe kwamen de Germanen aan ijzererts. Westerheem 2: 32-33.

Modderman, P.J.R., 1955. Iets over de opgravingen van het Spanjaardsbergje aan de Cremerlaan te Santpoort. Westerheem 4: 92-93.

Modderman, P.J.R., 1960-1961. “De Spanjaardsberg; voor- en vroeghistorische boerenbedrijven te Santpoort.” BROB 10-11: 210-62.

Poel, J.M.G. van der, 1956. De prehistorische landbouw in westelijk Nederland. Westerheem 5: 97-98.

Rechteren Altena, J.F. van, 1970. ? “in: S. Jelgersma et al. 1970. ‘The Coastal Dunes of the Western Netherlands; Geology, Vegetational History and Archeology.’ Med. RGD, n.s., 21: 93-167.”

Wieland Los, B.J. 1959. Opgravingen in de Spanjersberg te Santpoort. Levende Natuur 62: 38-44.

Wieland Los, B.J., 1960-1961. Het geo- en bioarcheologisch onderzoek. “in: Modderman, P.J.R., 1960-1961. De Spanjaardsberg; voor- en vroeghistorische boerenbedrijven te Santpoort, BROB 10-11: 210-62; Bijlage, 251-259. “

[/expand]

(Door: Rolf Roos)

Bij een mini-expeditie in april 2021 naar een bijna verdwenen plantensoort, hadden we beet in zowel natuurgebied Quackjeswater als in een aangrenzende tuin. We troffen ook – bij toeval – de heer, tevens een oud-voorzitter van de KNNV, die in zeventiger jaren Sipkes erop had gewezen. Een plantenliefhebber die overigens ontkent de soort te hebben aangeplant, net als Sipkes…die alle vindplaatsen al in 1976 beschreefmoeten we nu het als ‘wild’ gaan beschouwen?

Een voedselrijk en vochtig, deels beschaduwd bos met in de ondergrond stromend water; naast goudveil zijn te zien: hondsdraf, kleefkruid, grote brandnetel en klein springzaad (kiemplant, linksboven).

C. Sipkes (1895 -1989) wordt vaak afgeschilderd als importeur van menige wilde plant naar het duin van Voorne – wat klopt voor de Heemtuin Tenella’s plas, maar in het duin zelf is er maar voor enkele soort hard bewijs. In een artikel uit 1976 over goudveil toont Sipkes zich redelijk zuiver op de graat met afwijzingen van uitzaai van bijvoorbeeld reuzenbereklauw. Hadden ze maar beter naar hem geluisterd in o.a. Strypemonde waar het er nu vol mee staat. In het bewuste artikel ‘Een vreemde groeiplaats van Verspreidbladig goudveil (Chrysoplenium alternifolium op Voorne)’ meldt hij stellig: “Het brengen van (..) soorten die op een buitenplaats als ‘stinseplant’ geen slecht figuur zouden slaan, in een natuurreservaat van den eerste orde is wel een zeer afkeurenswaardige handeling.” Kortom, als hij leefde naar dit woord, is de hele lijst aan ‘verdachte Sipkessoorten’ zoals bonte akelei, zwartblauwe rapunzel, eenbloemig parelgras, doorwaskervel etc. op zijn slechtst een gevolg van ‘garden-escapes’ o.a. uit zijn tuinen. Slechts voor 1 soort, kruisbladgentiaan, en dan op 1 locatie, Stekelhoek, wordt door derden, in dit geval Victor Westhoff, zijn naam expliciet als aanplanter vermeld (Westhof, 1960). Een jeugdzonde op middelbare leeftijd? In het genoemde artikel uit 1976 geeft Sipkes duidelijk aan dat in ieder geval niet hij maar anderen verantwoordelijk zijn voor Turkse lelie (al tientallen jaren diep in het duin) en het goudveil.

De afvoer: duinrel door het bos van het Quackjeswater

Goudveil in 1976

Op basis van een melding rond 1966, beschrijft Sipkes zijn eerste vondst in 1976: “Veel heb ik gezocht naar de groeiplaats van het Wisselbladig goudveil bij het Kwakjeswater, maar altijd tevergeefs, totdat iemand die deze kende, mij de plant aanwees en wel op een plek, waar ik de soort nooit verwacht zou hebben, niet ver van een woning, dicht bij een afvalhoop en keurig, zoals dat hoort, langs een greppel. Dikwijls zijn dergelijke vondsten eendagsvliegen, vooral door de vele Konijnen, maar hier had het Goudveil zich uitgebreid door uitlopers en waren er 4 flinke plekken geheel mee bedekt, tezamen rond 10 m2 , en daartussen weer geïsoleerde planten, die wel uit zaad opgekomen zullen zijn.”

Goudveil in 2021

Han Meerman van Natuurmonumenten meldde me enkele planten in 2020: “Bijna onvindbaar langs een duinrel, maar erg weinig nog”. Tijd dus voor een check of de bijzonder fraaie bloempjes van Chrysoplenium alternifolium nog te vinden waren, ruim een halve eeuw na de eerste meldingen. Theo Briggeman, verwoed vogelman maar voor een plantje niet bevreesd, moddert op bergschoenen en ikzelf op laarzen door het drassige bos. We volgen de afwateringsrel van het Quackjeswater die in de winter (te) overvloedig water kan afvoeren naar de polder. Het is een mooi van vocht verzadigd milieu met meidoorns, kamperfoelie en wat eiken, half in de zon en half in de schaduw. Er stroomt in april nog weinig water. Pas aan het einde, nabij de bewoonde wereld, vinden we een eerste 5-tal zonnig plantjes waarbij ik Theo graag vereeuwig.

Het is alleen niet zo’n malle vondst, want ‘normaal’ groeit het goudveil bij beekjes en bronnen in Twente en Drenthe. Een betoverend klein plantje. De naam alleen al. Chrysoplenium = (Grieks) gouden sluier = goudveil, vanwege het fijne weefsel (filigrain) van groene en goudgele blaadjes en bloemblaadjes, dat in het vroege voorjaar hele bodems kan bedekken. Dat is verderop langs de rel te zien, waar we tientallen planten invoerden op de openbare database waarneming.nl.

Twee KNNV-voorzitters liepen elkaar weer tegen het lijf: Theo Briggeman (links) en Hans de Ligt, 21 april 2021

Het relletje komt dan langs een huis waar we oud KNNV-voorzitter Hans de Ligt aantreffen die met enthousiasme vertelt over Kees Sipkes die in de zeventiger jaren op bezoek kwam om de plant te zien. Volgens Hans de Ligt is de theorie van Sipkes dat de plant uit een tuin uit de buurt kwam (van Dhr. Verhagen enkel kilometer verderop) niet onaannemelijk. Maar als ergens het milieu passend is voor deze soort dan is het wel hier. Het kalkrijke duinwater klotst hier soms over de randen van het reservaat.

De behulpzame opzichter Jaap van Baarsen hielp destijds hier de familie de Ligt toen in een nat jaar het Quackjeswater overliep en de rel zoveel water afvoerde dat de kelder onderliep. Dat vinden aanwonenden van natuurgebieden nooit leuk. Samen ontwierpen Hans en Jaap de omleiding die er nu nog ligt: deels slingerend door hun bloemrijke tuin als een Limburgse beek, deels langs de weg. In de winter altijd ijsvrij en laatste strohalm voor watersnippen, in het voorjaar een topmilieu voor o.a. verspreidbladig goudveil.

De rel in de winter, januari 2021

Wie een goede verrekijker heeft kan langs de rel vanaf de weg een 5-tal meter ver kijken en het spel van geel en groen op de oever zien. Ook in de tuin zelf staat goudveil verspreid in de laagte. Een introductie, mogelijk door mensenhand of door uitzaai vanuit een tuin elders, maar na een halve eeuw wel als wild te beschouwen. Het biotoop deugt en dan is alles mogelijk. Als kers op de taart: naast goudveil staat op de tuinlocatie nog een andere ‘echte’ beekplant: bittere veldkers. Door Frederik van Eeden al in 1874 voor Voorne genoemd…. Kortom het botanisch recherchewerk kan gewoon worden voortgezet. Wie kent er meer vindplaatsen?

Gezicht vanaf de openbare weg op de duinrel; goudveil is met verrekijker links goed te zien vogelaars!

Sipkes, C. 1976: ‘Een vreemde groeiplaats van Verspreidbladig goudveil (Chrysoplenium alternifolium op Voorne). De Levende Natuur 79 (7-8):181-184.

Westhoff, V.  1960:  Rapport omtrent de betekenis van Stekelhoeksduin als natuurgebied in het geheel van Voorne ’s Duin. (gem.Rockanje). Bilthoven (RIVON).

Naschrift door Erik Ketting: “De vindplaats op Voorne ligt ver van de verspreidingskernen, of die wild is valt te bezien, maar het aanplanten is ook niet aantoonbaar. De ecologie van de vindplaats klopt wel.

Het Paarbladig Goudveil komt op Voorne voor in de Heemtuin Tenellaplas en langs een rel daar vlak bij, en in bij de Stinzetuin en op een aantal andere plekken in Mildenburg.”

Zie de landelijke verspreidingskaart (waar alleen verspreidbladig goudveil op Voorne inmiddels als ‘wild’ worden beschouwd) via de links:

Paarbladig goudveil 

Verspreidbladig goudveil 

Over de kunstmatig opgehoogde zeereep (de lichtgroene banen) stuif het zand naar binnen

Op deze route volgen we behalve in het begin bij de parkeerplaats Tweede Slag Rockanje de Groene paaltjes die hier door Natuurmonumenten zijn uitgezet. Veldnamen zijn ook hier veelzeggend: Brandweerpad (ze moeten er in kunnen), de bijna onzichtbare Brandijk uit ca 1650 en veel vochtige flora: Wederikvallei, Waderdriebladvallei, Reukgrasvallei. Zie verder de tekst in het boek ‘Duinen en mensen Voorne’. Foto’s: Rolf Roos

Kandelaartjes en zandpaardenbloemen in april
Oude Brandijk: alleen te vinden door een woud van lianen maar op de route ook een enkele keer bij groen paaltje (zie de route hieronder).

(Door: Rolf Roos). In 1995 verscheen mijn boek Bewogen kustlandschap, over duinen en polders van Noord-Kennemerland. 25 jaar later Bloeiende duinen over heel Nederland. In de tussenliggende periode verschenen drie titels in de serie Duinen en mensen, namelijk Kennemerland (2009), Noordkop & Zwanenwater (2011) en Texel (2013). Tijd om met pensioen te gaan? Nou nee, niet helemaal, wel tijd om eens terug te kijken.

Door alle lof die Pieter Slim in het vakblad voor vegetatiekundigen (Stratiotes 55, pag.47-50) ons recent toewuifde zonder mijn kompanen met naam en toenaam te noemen, ontkom ik niet aan enige plaatsvervangende schaamte, want alleen door zeer veel steun en door op de schouders van velen te mogen staan kon ik deze boeken componeren. Dat is natuurlijk uitgesproken bij presentaties, in alle uitgebreide dankwoorden en beeld- en tekstverantwoordingen, maar ik wil toch op het stuk van Slim reageren  en expliciet melden wie er allemaal van zeer groot belang waren. En passant doe ik filosofie en werkwijze uit de doeken.

Presentatie van Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater in 2011 met vele mensen die me bijstonden waaronder: Gerrit Welgraven, Ronald van Wijk, Tim Pelsma, Aad Barendregt, Theo Baas, Cor ten Haaf, Piet Veel, Machiel van Wijngaarden, Anneke Brouwer en Margreet Frowijn. Foto: Eric van der Eijk

Hoe steken we een boek in elkaar

Componeren, ja dat is het beste woord. Er zijn leidmotieven. Nu volgt een lange zin. Elk boek uit de serie Duinen en mensen heeft een onderliggende vraag (wat zien we in de duinnatuur en vormen in het landschap, en hoe kunnen we dat verklaren), een zoeken naar de essentie (wat is nu echt kenmerkend voor een regio of deelgebied), een onderliggend uitgangspunt (elke discipline die bijdraagt aan ons begrip krijgt een podium, dus ook veel historie en archeologie), jongensbravoure (elk wetenschappelijk inzicht moet te populariseren zijn en mooi te verbeelden) en ten slotte echte overmoed (we weten dat het niet meer mogelijk is om alle publicaties over een streek en onderwerp te lezen, laat staan mentaal te verwerken en toch willen we het laatste nieuws zien af te filteren en niets missen.) Om kennis uit de boeken en rapporten omhoog te krijgen werkte ik journalistiek: alleen hoofdlijnen lezen indien beschikbaar, kenners soms via via en de tam tam opsporen en uitvragen, veel gezamenlijk het veld in, concepten (ook hele slechte, waarvoor onze excuses) aan kenners voorleggen, net zo lang totdat er een goed doorbakken tekst ligt. 

Pettermerduinen 2018. Met vele personen die meewerkten aan Bloeiende duinen of andere titels: v.l.n.r. Nico van der Wel, Annelies Boutellier, Jacqueline Kok, Kees Vertegaal, n.n., Hanneke Waller, Jan Cevat, Rolf Roos, Coen Blom en Kees Bruin. Foto: Liesbeth Sluiter.

Vormvastheid is wat ons redt als we in een werkproces zo veel kennisstof laten opwaaien. We gooien boekenkasten om, speuren digitale archieven met oude tijdschriften af op mooie doorzichten of gedateerde maar leerzame visies, en bellen ons een slag in de rondte. Bij Bloeiende duinen was ik dankzij webbouwer Ronald van Wijk (ook een uitstekend fotograaf en marketingman die ik leerde kennen omdat hij geheel illegaal maar met de beste motieven het uitverkochte boek Bewogen kustlandschap online wilde zetten) in staat om oproepen voor auteurs en partners te plaatsen. Op de door Machiel van Wijngaarden ontworpen website duinenenmensen.nl zetten we doorlopend deelartikelen waarvan ik niet wist of ze een boek halen of voorstudies zullen blijven. Op het web kan iets makkelijk rijpen. Hier valt de term ‘we’ voor het eerst, en dan bedoel ik met name Nico van der Wel die bij bijna alle titels mijn meer realistische (en nettere!) co-redacteur en ook auteur was, waardoor ik weer goed kon beslissen wat wel en niet de eindstreep mocht halen. Mijn vrouw Anneke Brouwer was niet alleen onmisbaar omdat ze mijn vrouw is. Als intelligente niet-kenner hielp ze me de overdaad aan onderwerpen selecteren en aanscherpen. Ze was de ‘doelgroep’, samengebald in een enkel persoon. En verder kies en redigeer ik langs de simpele lijn: als ik ergens blij van wordt, mag het het boek in.

In de Muij, Texel, 2012, links Nico van der Wel, rechts Rolf Roos. Foto: Berend Klif

Onderwerpen zijn vaak geordend volgens ogenschijnlijk simpele principes als vakdiscipline of geografische eenheid, maar steevast met als uitgangspunt: herhalingen schrappen waar mogelijk. En zo doe je menig meewerkend auteur pijn die pas verzacht wordt als het gehele boek er is.

Dan is er het creatief uitdagende uitgangspunt: het vormgeefprincipe dat elke twee pagina’s een overzicht moest bieden van een samenhangend onderwerp, waarbij tekst en beeld allebei 50 procent van de pagina krijgen. Overal waar je het boek openslaat, word je zo getrakteerd op een ‘spread’, met een soms diepgaand maar altijd verhelderend verhaal. Dit is geen oerwet, maar een richtinggevend principe. Qua stijl probeerden we een ieder te verleiden tot relatief korte zinnen, alleen jargon waar strikt nodig. Af en toe meer beeldend taalgebruik zonder in Wolkeriaanse lyriek uit te komen… dat mag best wel. We produceerden geen wetenschap, maar enthousiaste doorkijkjes. 

Een product dat niet meer bestaat; Duinen en mensen Kennemerland is uitverkocht na een oplage van in totaal 11000; de prijs van dit pakket was overigens idioot laag; Bewogen kustlandschap (1995) kostte f 59,50 en er zijn er evengoed 10.000 van verkocht.

Om beeld en tekst tot eenheid te krijgen vroeg ik mezelf en elke medeauteur om vanaf het begin bij het verhaal meteen het belangrijkste beeld te leveren en/of te laten ontwikkelen. Als we voldoende budget hebben, lieten we kaarten en grafieken allemaal overmaken in één stijl. Die stijl (kleuren, indeling, typografie) is bij het eerste boek over Kennemerland in principe ontwikkeld door Hans Lodewijkx en Machiel van Wijngaarden, en hierop is bij de latere boeken gevarieerd door Marc Elsendoorn die Noordkop, Texel en Bloeiende duinen voor ons vormgaf, en daarbij blijk heeft gegeven van een enorme flexibiliteit. Want al heb je een verhaal in je hoofd en lever je tekst en beeld goed aan, pas na de eerste vormgeving kun je bepalen waar het heen moet en pas als een heel boek in elkaar steekt, kun je zien wat er nog moet worden bijgeslepen.

Een zeldzame foto met de onzichtbare hand op de achtergrond: vormgever Marc Elsendoorn bij de presentatie van Duinen en mensen Texel. 10 april 2013 Foto: Eric van der Eijk.

Organisatie

Een boek kent economische wetten. Ik leg vaak uit dat een boek in 1 à 2 jaar klaar moet zijn want de markt (ofwel de voorintekenaars) is ongeduldig. En er moet een punt op de horizon zijn. Dit betekent dat er vaak niet meer dan een week voor een leuk deelverhaal is en daarin moeten alle beelden en kaarten ook nog worden gemaakt. Simpel rekenwerk laat ook zien dat een boek maken eigenlijk onbetaalbaar is, want als ik als hoofdredacteur en uitgever mijn vormgevers, kaartenmakers, redacteuren, medeauteurs en fotografen wil betalen kost een boek minimaal 1000 euro per ontwikkelde (en gedrukte) pagina. Niet veel als je een folder van 2 pagina’s maakt, maar heel anders bij een boek van 248 pagina’s. Zo’n budget (en het uitgangspunt dat iedereen redelijk wordt betaald) heb ik alleen gerealiseerd bij Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland. Het eerste schreef ik als enige auteur binnen een jaar, met de onmisbare steun van eindredacteur Bert Buizer, nadat ik ontslag had genomen bij Natuur en Milieu waarmee ik titels van Het Milieu van de Natuur en Opgewarmd Nederland realiseerde. Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland waren er niet geweest zonder PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland dat destijds leidinggevenden had die lijnen hielpen uitzetten maar daarna het werk in vertrouwen lieten doen: Fred van der Vegte en Chris van Deursen (1995) en vooral ook Piet Veel (2008).

Juni 2008. Piet Veel toont de storthelling van de Bruid van Haarlem, een poëtische naam voor een natuurontwikkelingsproject in Zuid-Kennemerland (die bruid verwijst naar de pluizige tooi van het zaad van wilgenroosjes).

Inhoudelijk en qua cartografie leverden twee PWN-medewerkers zeer grote bijdragen: Rienk Slings (die een magnifieke, nimmer gepubliceerde ‘Basisnota’ over duinen had geschreven en meedacht over en meeschreef aan grote delen van beide boeken) en Hubert Kivit (data en kaarten).

Rienk Slings in zijn geliefde zeedorpenlandschap bij Wij aan Zee, 2015. Foto Ronald van Wijk

Kernfiguren die Duinen en mensen Kennemerland mede bepaalden waren oude rot Joop Mourik (veel Zuid-Kennemerland), precisie-archeoloog uit Velsen Wim Bosman en Ulco Glimmerveen, die ik destijds kon inhuren om door mij bedachte historische landschapsimpressies te maken (vanaf Bewogen kustlandschap).

Uit Bewogen Kustlandschap, 1995: impressie van het Oer-IJ met achterland, met op de voorgrond de langsvarende boot van Pyteas van Massalia, ca 350 B.C.

Bij Kennemerland waren vele (toen nog) redelijk bezoldigde deskundigen en fotografen betrokken waaronder rozenkenner Bert Maes, Chris van Daalen, Ruud Luntz en vele anderen. Na de crisis van 2008 waren de middelen voor boeken aanzienlijk minder al stoomden we op andere manieren voort. Maar ik moest het uitgangspunt om iedereen redelijk te honoreren helaas loslaten anders was er geen boek meer gekomen. Sorry co-auteurs en fotografen! 

Voor Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater was de belangrijkste partner Landschap Noord-Holland, in de persoon van Jan Kuiper, destijds directeur en een grote steun. Landelijke en bestuurlijk weinig flexibele terreinbeheerders als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer deden wel inhoudelijk mee, maar leverden geen budget (maar we konden wel rekenen lokale boswachters en beheerders). Vooral in het Zwanenwater bleek vrijwilliger Dan van Lunsen een goudmijn. Hij heeft veel meegeschreven en moest dan mopperend akkoord gaan met de eeuwige inkortingen en redactierondes, gevolg van de eerder beschreven boeken-economie. Zijn onderbouwde verhalen over vroegere onderzoekers en jachtopzichters vonden bij mij een warme ontvangst maar ook teksten over trends bij de vogels (o.a. het vrijwel verdwijnen van de legendarische lepelaar uit het Zwanenwater) zijn van zijn hand. Vele achtergronden plaatsten we op duinenenmensen.nl.

Dan van Lunsen, ca 2010, bij de doorgang naar het Tweede Water, het Zwanenwater met opvallend veel moerasandijvie, geen alledaagse duinplant.

Voor dit boek memoreer ik ook Cor ten Haaf uit Groet die veel kennis van zaken inbracht, en Martijn Oud, enthousiast mycoloog uit Alkmaar die ik uitnodigde om de onbemeste, drassige graslanden van het Zwanenwater te verkennen en daar tientallen bijzondere soorten beschreef. Qua fotografie had ik veel plezier van het werk van Ronald Otter (luchtfoto’s), Margreet Frowijn en Erik van der Eijk (o.a. panorama’s). In alle delen Duinen en mensen heb ik een plaats in kunnen ruimen voor het werk van Dirck Nab, kunstenaar uit Bakkum, met wie ik gemeen heb nimmer op de duinen uitgekeken te raken.

Zoals de titels over Kennemerland en Zwanenwater inhoudelijk niet konden zonder de inzichten van respectievelijk Rienk Slings en Dan van Lunsen, zo belangrijk voor Duinen en mensen Texel en ook Bloeiende duinen was Kees Bruin, oud-medewerker van Staatsbosbeheer op Texel. Zijn verbluffende kennis van zaken was onmisbaar en hij was nimmer te beroerd voor een pittig commentaar op een voorliggend concept, waarbij hij altijd minimaal voor 90% gelijk had. Teksten van zijn hand waren zeer adequaat en hadden weinig redactioneel poetswerk nodig. Voor Duinen en mensen Texel waren andere eilandbewoners ook van grote betekenis, waaronder Arthur Oosterbaan, Wilma Eelman, Erik van der Spek en Adriaan en Sytske Dijksen (de laatste m.n. fotografie). Een buitengewone vermelding verdient Maarten Stoepker, oud-medewerker Staatsbosbeheer die een magnifiek archief van oude foto’s beheerde waaruit we mochten putten.

Met Maarten Stoepker, april 2013. Zie vooral ook zijn foto uit 1965 in Duinen en mensen Texel, pagina 41.

Financieel konden we de delen Noordkop en Texel rondbreien door een samenwerking aan te gaan met de toen nog net florerende regionale dagbladpers,  in de persoon van uitgever Frenk Dieke. Ik kocht bij hen expertise t.a.v. vormgeving in, hij vermarkte een stevige oplage naar zijn lezers waardoor de drukpersen konden draaien. Ook het PWN was, met het Cultuurfonds, onmisbaar om de eindjes aan elkaar te knopen naast giften van bedrijven en particulieren.

Frenk Dieke, links, 2011

Bloeiende duinen

Bloeiende duinen (2019) gaat over de gehele Nederlandse kust en leunt sterk op beeld en fotowerk van Ronald van Wijk, terwijl de digitale wandelingen werden uitgedokterd door Danny Zuurbier, met als resultaat dat ik 50 plekken in 25 duingebieden wel móest bezoeken en beschrijven. Geen straf. Qua teksten werd ik behalve over de grootste bron Kees Bruin, ook vrolijk van het werk van Nils van Rooijen, Kees Vertegaal, Gerrit van Ommering en Wilbert Kerkhof (sprinkhanen) en de Vlinderstichting die een mooie spread hielp ontwikkelen over duinvlinders. Korte ontmoetingen in het veld met o.a. Kees van der Wal (Schiermonnikoog) en Awie de Zwart (Zeeuws-Vlaanderen) hielpen mij het boek concreter maken. Beeld in dit boek was deels anders dan bij Duinen en mensen door de vele botanische tekeningen die we konden laten maken dankzij o.a. Jacqueline Kok en door de hoogtekaartjes die ik bij elk gebied met Machiel van Wijngaarden ontwikkelde. Erg mooie foto’s waren er o.a. van Bas Kers, Ronald van Wijk, Nico van Kappel, Henk Terhell en vele anderen. Ik betrad met veel plezier het buitenwetenschappelijk pad van het duiden van ‘het karakter’ van een duingebied. Dat geeft te denken en dat is fijn.

Botanische tekeningen voor Bloeiende duinen van Els van der Giessen (helm), Els Hazenberg (parnassia), Jacqueline Kok (duinviooltje) en Marianne van der Stee (duinroos, zeewinde).

Laat je verrassen

Je kon plannen wat je wilde, maar het toeval speelde ook een niet geringe rol. Je moet zo’n archief van Maarten Stoepker toch maar tegenkomen. Magnifieke kaarten bleken nog wel eens op een zolder van een boswachterij of in stoffige archieven bij Ecomare te liggen (die tijd lijkt voorbij). Veel hebben we gedigitaliseerd en online geplaatst. Voor het boek over de Noordkop kwam ik via bronvermeldingen uit bij historisch geograaf Henk Schoorl. Dat leidde weer tot het vinden en opnemen van een met de hand aangevulde kaart van de Noord-Hollandse kuststrook uit ca 1650 van Zoutman, die een nieuw licht wierp op het dijkbeheer en het gebruik en ontstaan van de meren aldaar (en een in ons boek beschreven moord).

Bij archiefonderzoek door Nico van der Wel kwam een kaart met verpachting van Texelse duinen tevoorschijn met daarop de ligging van de helaas vrijwel geheel ontgonnen ‘mienten’ aan de duinvoet. Die kaart siert ons boek over Texel, net als de oude kaart van de zandplaten voor de monding van het Marsdiep die langs koninklijke Engelse wegen tot ons kwam. Die laatste kaart is in ons boek fantastisch verklaard door historicus Frits David Zeiler. Die had eerder al – dat was ik vergeten te melden – door mij geïnitieerd en door het PWN betaald onderzoek kunnen doen naar duintoponiemen (ofwel veldnamen) – zie de deeltitels Hel en Paradijs (Zuid-Kennemerland) en Nollen krochten blinken – Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin. Beide titels zijn ook te vinden op duinenenmensen.nl en in essentie beschreven in Duinen en mensen Kennemerland en in Bewogen kustlandschap. Veldnamenonderzoek in Texelse duinen werd ons in de schoot geworden door Kees Bruin en Erik van der Spek en door ons online gepubliceerd.

Hoe bescherm je je zelf

Het klassieke adagium ‘Homo homini lupus’ geldt zeker ook voor de boekencomponist. Hoe eenvoudig trap je in de valkuil van nog meer verkenningen, nog meer artikelen, nog meer prachtige foto’s. Ik heb me beschermd door diverse goede linker- en rechterhanden waarbij ik ook Machiel van Wijngaarden nog eens noem voor zijn cartografie. Deadlines waren niet zelden een redmiddel om iemand te laten leveren (of af te laten vallen, sorry). Fotografen heb ik gevraagd delen van hun archieven (die het onderwerp betroffen) bij mij onder te brengen zodat ik via de hulpprogramma’s die er tegenwoordig zijn snel bij hun beeld kon. Dat vraagt veel vertrouwen, maar anders lukte het niet. Beeld en tekst lopen bij mij gelijk op. En we produceerden soms 2 complete pagina’s per week.

Ook Mark Rutte was er (in 2010) blij mee, maar kreeg pas na 2021 tijd om het goed te lezen

Financiële bescherming werd geboden door financiers als het Prins Bernhard Cultuurfonds (bijna alle boeken en ook www.duinenenmensen.nl) en de voorintekenaars, die soms al 1,5 jaar van te voren een bedrag overboekten. Dat klinkt geweldig maar uiteindelijk werden na 2008 alleen de vormgever en drukker en distributeur marktconform betaald. Professioneel boeken maken is eigenlijk gekkenwerk, maar veel te leuk om niet te proberen. Een laag uurloon is trouwens helemaal niet erg als je maar veel uren maakt.

Aanbieding aan de vegetatiekundige, hoogleraarJoop Schaminee, maart 2019

Ben je nu klaar na 5 duinboeken?

Na elk boek ben je er wel een beetje klaar mee, maar dat duurt nooit echt lang. Op Goeree, waar we nu wonen en werken, mochten we in 2019-2020 voor het waterleidingbedrijf Evides een titel helpen maken over de door hen beheerde Middel- en Oostduinen: Het vroon ontrafeld. Qua toon en diepgang en verantwoording een heel ander boek. Zeer waardevol want het komt zelden voor dat een beheerder, in dit geval Marten Annema, samen met twee wetenschappers kwaliteiten, onderzoek en beheer breed kunnen uitmeten. Bij de vormgeving van deze titel is het concept van de duinen en mensenreeks gevolgd. 

Er mislukt ook wel het een en ander. Staatsbosbeheer heeft me wel eens gepolst, maar het idee dat je voor een goed boek ook redelijk moet betalen was daar geen gemeengoed. En niet alle terreinbeheerders zijn zoals PWN en Landschap Noord-Holland, bereid om ver over de grens van hun eigen grondbezit te kijken.

We hebben de laatste jaren een poging gedaan om een Duinen en mensenboek te schrijven over de duinen rond Den Haag, samen met waterleidingbedrijf Dunea. Een andere thematische titel, Oorlogskust, hebben we wel opgezet maar het bleef door gebrek aan stevige financiers niet meer dan een goed idee. 

Vooronderzoek voor Hollandse duinen – 400 jaar kunst en natuur over duintekeningen en duinschilderijen, in is principe afgerond door Boudewijn Bakker, cultuurhistoricus, en ondergetekende, maar deze titel is door gebrek aan goede expositieruimte plus gebrek aan financiers, maar ook door ziekte en andere ongemakken nog even in de wacht gezet. Besprekingen van enkele werken zijn te vinden op www.duinenenmensen.nl via het trefwoord ’duinbeeld’. Geef ons 1 goede sponsor en we zetten het door. Het boek staat al online bij het Centraal Boekhuis als ‘aangekondigd’ en ongezien zijn er daar al 2 verkocht…

Een titel met werknaam ‘Duintaal’ ligt nog te gisten in de kelders van onze geest.

Het meest concreet is op dit moment (eind 2020) het werk aan Duinen en mensen Voorne, waar Theo Briggeman van KNNV Hollandse Delta het bruggenhoofd voor vormt. Of we ooit de hele kust van delen Duinen en mensen gaan voorzien betwijfel ik, want niet elk gebied heeft een beheerder die samen met ons zijn of haar nek durft uit te steken en twee onmisbare zaken meeneemt: vertrouwen en …. Maar ik laat me graag verrassen en word graag – zo lang ik een duinhelling op kan klimmen – 100 jaar.

Recensies

Pieter A. Slim (2020):  Roos, R. (red.), 2019. Bloeiende duinen. Uitgeverij Natuurmedia, Goedereede. 238 p. In: Stratiotes 2020 nr 55: 47-50

Victor Westhoff, (1996). Boekbespreking: R. Roos, Bewogen kustlandschap: Duinen en polders van Noord-Kennemerland. PWN Waterleidingbedrijf Noordholland en Schuyt, Haarlem. 200 p. ISBN 90-609-7400-x. In: De Levende Natuur 97 (2): 98.

Bovenstaande titel is een citaat van Jan Kluit (1722-1811), afkomstig uit de stad Brielle, die in de tweede helft van de achttiende eeuw gebeurtenissen in het land van Voorne beschreef. Anton van Haperen schreef mede aan de hand van zijn gegevens het artikel: De das in de duinen van Voorne!?

Historische gegevens vanaf de 16e eeuw wijzen op de incidentele aanwezigheid van de das in de duinen van Voorne. In hoeverre is er kans dat de das er weer verschijnt? En wie kent er meer waarnemingen uit de periode 16e -19e eeuw?

A.M.M. van Haperen (2017): De das in de duinen van Voorne!? De Levende Natuur jaargang 118, nr. 6; pag. 214 en 215.

(Verscheen eerder in Struinen, het tijdschrift van de Historische Vereniging Westelijk Voorne (33, 3) )

door: Nol Freijsen

Olaertsduin

In het jaar 1354 geeft Mechtild, Vrouwe van Voorne, dus de heerseres op ons eiland, aan twee broers de concessie om het duingebied van Rockanje te gaan exploiteren. Het waren de gebroeders Jacop en Clays Oelaert. Zij werden daardoor de opvolgers van hun voorouders, die hen voorgingen in het gebruik van het gebied. Dit kreeg door de band met deze familie ook hun naam als toponiem (gebiedsnaam): Olaertsduin. De naam is voort blijven bestaan bij Rockanje tot in onze huidige tijd.

            Het betreffende duingebied grensde aan het Oude Rockanje en de polder Stuifakker. Men moet zich hierbij wel voorstellen dat het toenmalige duingebied binnen het Ambacht Rockanje (de latere gemeente) heel wat smaller was dan het tegenwoordige duingebied daar. En een ander groot verschil was de gesteldheid van het landschap. In de oorkonde van Mechtild wordt gesproken over een “uitgors”. Hiermee werd bedoeld dat het gebied nog openstond voor hoge vloeden van zeewater. 

            In de loop van de 14e eeuw kwam er blijkbaar een eind aan het bestaan van de Olaertsers als duingebruikers. Vanaf die tijd kwam het duin in handen van andere pachters. Dat waren prominenten met de naam Van Naaldwijk. De documenten die daarop betrekking hebben, maken ons duidelijk dat het duingebied van Rockanje nog steeds onderhevig was aan overstroming door de zee. Het beperkte de mogelijkheden voor gebruik van het duin. We moeten ons voorstellen dat de meeste inkomsten voor de pachters verworven werden uit de jacht op konijnen, die van de 13eeeuw in ons land voorkwamen en in de duinen zeer talrijk waren. Zij werden gejaagd voor het vlees en het bont.

            Opvallend is het dat ondanks het vertrek van de familie Olaert uit het duin, hun naam voor dat gebied gehandhaafd blijft tot in de 17e eeuw. Dat zien we op topografische kaarten uit die tijd. De kaart van Jacob Cornelis Koutter uit 1608 is daar een duidelijk voorbeeld van (Fig. 1 a en b).  

Fig. 1a. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608: Oolaerdts duyne, ‘Twintgat, Grote Creeck, Kijf Duijne, Berckenrijs. (Jacob Cornelis Koutter; Hingman collectie nr. 2030
Fig. 1b. De duinen nabij Rockanje omstreeks 1608 interpretatie van bovenstaande kaart 1a.

En daar blijft het niet bij. We zien hun naam verschijnen in het poldergebied. Ze werden toen blijkbaar eigenaar of pachter van een deel van de polder Stuifakker en dat kreeg de naam Nieuw Olaertsduin (Fig. 2).

Fig. 2. De duinen nabij Rockanje omstreeks het midden van de 17e eeuw: Nieu Olaers Duijnen, Gorsinge toecomende de Heer van Obdam, Sinte Pietersdyck, TWint gadt. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2035)

            Op die plaats leeft de naam Olaertsduin voort tot in onze tijd. Heden ten dage ligt daar het landgoed met die naam (Fig. 3). Het werd in 1910 gesticht door William Smith. De gebouwen aldaar hebben in de moderne tijd publieke functies gekregen o.a. Volkshogeschool en waren en zijn zo bekend.

Fig. 3. Binnenduingebied van Rockanje nabij het Windgat. Olaertsduin, “Windgat” = Strypemonde. (Topografische kaart 2019; ontleend aan topotijdreis.nl)

Windgat

Er is geen passender naam voor een deelgebied in het duin van Voorne dan de benaming Windgat, zoals hieronder zal blijken. De benaming stamt uit de Middeleeuwen, uit het jaar 1479. Toen werd het gebied genoemd in een oorkonde in verband met verpachting door de toenmalige heersers over Voorne Maximiliaan en Maria van Bourgondië. Het werd omschreven als het gors tussen Berckenrijs in het noorden en de Olaertsduinen in het zuiden. De exacte ligging van Windgat wordt pas duidelijk op de veel latere kaart van Koutter, die we boven reeds hebben genoemd in verband met Olaertsduin (Fig. 1.). Ter verdere verduidelijking: het op deze kaart genoemde Kijf Duyne is nu het gebied van het landgoed Strypemonde. De naam Kijf Duyne kennen we niet meer, wel die van Berckenrijs nl. als naam van een nabij gelegen weg. In de oorkonde werd overigens ook de verpachting van de Olaertsduinen gegund aan dezelfde persoon, zijnde Cornelis Gillisz van Cleyburg. Die gingen dus weer in andere handen over.   

Een grote bijzonderheid van de kaart van Koutter is, dat we een getijdenkreek zien, lopend vanaf de monding van het Haringvliet naar en in het Windgat. Hij draagt de naam Grote Creeck. Van wanneer die kreek dateert, is niets bekend; de geologische kaart geeft hierover geen informatie. Of hij reeds in 1479 er was, weten we dus niet. Het roept wel de vraag op, of de kreek misschien ontstaan is bij de grote stormvloed van 1214, waarbij grote veranderingen optraden in de waterhuishouding van Voorne o.a. ook met de vorming van de Gote kreek.

            Wat we wel weten, is dat de Grote Creeck ongetwijfeld bestond in het jaar 1570. In dat jaar vond de Allerheiligenvloed plaats op 1 november. De kreek was toen de toegangsweg voor het zeewater in de richting van de polder Stuifakker. Het water vernielde de Noorddijk en de Vleerdamsedijk. Dat bracht veel consternatie in die polder. Omdat de leiding van de polder niet gauw genoeg in actie kwam, gingen de ingelanden er toe over om zelf een nieuwe dijk aan te leggen. Dat werd de Pietersdijk, die de Grote Creeck de weg afsneed en de duingebieden aan weerszijden van Windgat verbond. Het restant van de Pietersdijk ligt parallel aan het zandpad lopend vanaf het Kreekpad naar het landgoed Strypemonde. Niet goed zichtbaar echter door overvloedige groei van struiken en bomen. De overstroming van het gebied in 1570 maakt duidelijk, dat het Windgat door zijn openheid in het duin niet alleen toegangspoort was voor veel wind, maar dus ook voor water aangevoerd door die wind. De reden voor mijn opmerking aan het begin, dat de naam  Windgat zo doeltreffend was.

            De naam Windgat is tot in onze tijd blijven bestaan, maar wel op een merkwaardige manier. Op de topografische kaart van westelijk Voorne staat de naam vermeld op de plaats van het landgoed Strypemonde. Hij is dus verschoven en staat niet meer daar waar hij thuishoort. Gewoon fout en dat verwacht je niet van een topografische kaart (Fig. 3). Dezelfde fout treffen we overigens ook aan op oude wandelkaarten van de huidige duinbezitters ZHL en NM. 

Obdam

Boven sprak ik over verpachtingen van de duingebieden, door de eigenaars nl. de Heer of Vrouwe van Voorne of de Graaf van Holland. Dat ging veranderen, het Windgat kreeg een particuliere eigenaar. In de 17e eeuw verschijnt de naam Obdam op kaarten van Rockanje (Fig. 2). Die naam vraagt enige uitleg. Zijn drager was een prominente figuur in het maatschappelijk bestel van Holland in die tijd. Hij heette Jacob van Wassenaer en hij behoorde tot een aanzienlijk geslacht. Zijn vader was admiraal van de marine en hij volgde zijn vader op in die hoedanigheid. De Wassenaers waren heersers in verschillende gebieden o.a. in het stadje Obdam in Noord-Holland en dat bracht blijkbaar de naam Obdam naar ons duingebied.

            Het bezit van de Heer van Obdam, zoals we de aanduiding aantreffen op kaarten, bleef niet beperkt tot het Windgat, maar het breidde zich uit over alle duinen van Rockanje. Dat is mooi weergegeven op een kaart van het jaar 1694 (Fig. 4).

Fig. 4. Het kustgebied van Rockanje en Oostvoorne in 1694. De heer Opdams duijnen. (Gideon van Rest; Hingman collectie nr. 2033)

De toenmalige eigenaar was overigens een jongere vertegenwoordiger van de dynastie Van Wassenaer, waarvan de leden nog een eeuw in het bezit van het duin bleven. Volgens de kaart vormde het duingebied van Voorne een aaneengesloten geheel en het Windgat lag  niet meer open naar het strand. Ook uit andere bronnen is inderdaad bekend dat omstreeks de eeuwwisseling de duinen van Rockanje en Oostvoorne aaneen gegroeid waren. En daarmee ontstond de huidige landschapsstructuur in onze binnenduinen. Het is echter bekend dat het duingebied van Rockanje toch nog steeds erg open lag met veel verstuiving tot gevolg. In 1683 sluit de Heer van Obdam een overeenkomst met het Hoogheemraadschap, het waterschap in die tijd,  tot het aanbrengen van helm in het duin om het zand vast te leggen. 

            De duinen van Rockanje hadden, zoals we nu gezien hebben, van oudsher particuliere eigenaren of pachters. Dat is een opmerkelijk verschil met de duinen van Oostvoorne. Deze bleven al die tijd onder direct beheer van het Huis van Voorne en toen dat uitgestorven was werd de Graaf van Holland of zijn vertegenwoordiger de heerser. In overeenstemming daarmee droeg het duingebied van Oostvoorne de aanduiding Graaflijkheidsduinen. 

            De bespreking van het Windgatgebied vraagt nog om vermelding van een aardig detail. Op een primitief getekende kaart van Rockanje en omgeving treffen we de vermelding aan dat in 1602 grond is aangekocht voor de aanleg van een weg naar Windgat (Fig. 5). Het betekent, dat de toenmalige eigenaar van Windgat zich zo toegang wilde verschaffen tot zijn gebied. Er was dus in dat jaar al een particuliere eigenaar van het gebied, die voorafging aan Jacob van Wassenaer. De aangelegde weg hebben we nog steeds. Het is de Heerzijnweg in de polder Stuivesant. Dit is misschien het meest sprekende restant van de oude geschiedenis van het Windgat. 

Fig. 5a. De polders van Rockanje, Stuifakker en het Windgat. Heerzijnweg uit 1602 in Stuifakker, toegangsweg naar Windgat. (onbekende tekenaar; Hingman collectie nr. 2037)
Fig. 5b.Interpretatie van detail Hingman collectie (nr. 2037) zie 5a.

Literatuur

Freijsen, A.H.J. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Uitgave Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Graaf, H. van der & C. Wind (1985) Rockanje, wording en groei. Repro-Holland B.V., Alphen aan de Rijn. 

Kort, J.C. (1972) Het Archief van de Heren van Voorne Burggraven van Zeeland 1273-1371. Algemeen Rijksarchief, ’s-Gravenhage.

Snijders, M. (2017)  Buitenplaatsen. Het verlangen naar landelijkheid. Westvoornaer 2, 7. Uitgave van Bastion X Communicatie Partners.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50000. Blad Rotterdam West (37W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.

Kaarten

Nationaal Archief, Den HaagVerzameling Binnenlandse Kaarten Hingman, nummer toegang 4.VTH

Door: Nol Freijsen

De duinen van Voorne staan bekend om hun grote rijkdom aan plantensoorten en hun dierenwereld is eveneens interessant. Hun rijkdom aan veldnamen voor de grote geografische verscheidenheid mag er ook zijn. Het zijn vaak namen met een hoge ouderdom en een soms mysterieuze achtergrond

Brandijk of Branddijk

In de duinen van Rockanje ligt een gebied, dat een wisselende naam draagt; het is Brandijk of Branddijk. Zo was het vroeger en zo is het nog. Dat doet vreemd aan. Nog meer bijzonder is, dat de lettergreep “dijk” in de naam voorkomt. Dat roept meteen de vraag op, hoe kan er een dijk in de duinen van Voorne liggen? Dijken horen in het polderlandschap thuis. Het is interessant om dit alles nader te onderzoeken.

Figuur 1. ANWB kaart 1998 met aanduiding Branddijk

Waar ligt dit interessante gebied precies? Op de kaart (Fig. 1) bevindt zich een wandelpad tussen de ingang van het duin aan het eind van het Kreekpad en de zgn. Zwarte Hoogte. Dat laatste is een duintop begroeid met donkere dennenbomen. Het pad slingert daar naar toe. De eerste honderden meters worden aan de rechterkant begeleid door een grote duinplas De Vogelpoel. Maar aan de linkerkant krijgt u een heel ander beeld. Daar bevindt zich een reeks van duintopjes gescheiden door lagere gedeelten. Dit is nu juist onze Brandijk. Overigens gaat dit beeld van het wandelpad verloren dichter bij de Zwarte Hoogte, waar het pad de bosschages ingaat rondom die duintop.

De eerste vermelding van de Brandijk vinden we in een publicatie uit 1930 van de hand van J. van Hoey Smith. Hij gebruikt de naam Branddijk in verband met het vermoeden dat deze naam ontstaan is in de gedachte dat de branding er tegen aan gestaan zou hebben.
Een eerste gedetailleerde beschrijving van de Brandijk vinden we in een publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith uit 1935. Hij was toen veel langer, ca. 1 km, en strekte zich uit voorbij de plek van de Zwarte Hoogte (Fig.2).

Figuur 2 Ligging van de Brandijk in het duin van Rockanje volgens tekening uit 1935. Zie het oorspronkelijke onderschrift. Een rode lijn is toegevoegd voor de aanduiding van de Brandijk.

De Brandijk wordt door hen beschouwd als een oude bedijking door aanstuiving verkregen. Dat is mogelijk door het aanbrengen van obstakels voor de wind b.v. takken om de ophoping van zand te bevorderen. Zo zou er sprake geweest kunnen zijn van het creëren van een zeewering.
De kaart van Koutter uit 1608 geeft de ligging van de toenmalige duinen van Rockanje (Fig.3).

Figuur 3 de kaart van Koutter, 1608; de Brandijk wordt niet vermeld maar er wordt verondersteld dat de buitenste duinenrij de Brandijk is Met weergave van de kreek Groot Creecke

De Brandijk vormde de uiterste duinreeks in dit duingebied volgens een te verdedigen uitspraak van Hofker & Van Rijsinge uit 1934. De datering van de Brandijk is dus: vóór 1608. Een meer exacte datering hebben we niet.

Dankzij dezelfde kaart weten we, dat op de westpunt van Voorne een kreek het land binnendrong, Groot Creecke genaamd. Deze lag tussen de duinen en de zee en dus ook tussen de Brandijk en de zee. De Brandijk grensde niet aan zee, maar was daarvan gescheiden door de kreek.
Er is een aspect aan de Brandijk, dat twijfel doet rijzen aan een mogelijke functie als zeewering. Volgens een tekening in de publicatie van Hofker & W. van Hoey Smith zou de Brandijk een open uiteinde aan de zuidkant hebben gehad (Fig. 2). Dat maakt het bestaan van de Brandijk als zeewerende dijk onwaarschijnlijk. Het water kon er omheen stromen. Men kan hooguit veronderstellen, dat hij enige bescherming heeft geboden door het zeewater of het water uit de kreek minder snel toe te laten tot het gebied achter de Brandijk. Daar lag een laag gelegen gebied, tegenwoordig Vallei geheten.

Uit de historie van de aanleg van polderdijken blijkt, dat overstromingsgevaar door de zee van het poldergebied boven het dorp Rockanje, grenzend aan de duinen, heel lang een probleem is geweest. In de 14e eeuw werd daar de Vleerdamsedijk aangelegd en in de 15e eeuw de Noorddijk (Freijsen 2017). Daar blijkt wel uit, dat in het duinsysteem zelf geen dijk aanwezig was. De Noorddijk weerhield ook het water van de Groot Creecke verder landwaarts te stromen en in een latere fase (1570) kwam er een meer zeewaartse dijk, de Pietersdijk, om dit water tegen te houden. De kaart van Koutter noemt deze dijken onder de namen Ouden en Nieuw Noortdijck.

Nu toch nog een positieve beoordeling van de Brandijk als Branddijk. In een verdienstelijke beschouwing van Dynamische processen in Voornes Duin uit 1990 geeft de toenmalige beheerder van NM, Jaap van Baarsen, een tekening, waarin de Branddijk de voortzetting is van de zeereep in meer noordelijk duingebied (Fig. 4). Men moet hierbij echter wel bedenken dat er inmiddels meer buitenwaarts duin ontwikkeld was, dat dienst deed als obstakel voor binnendringend zeewater.

Figuur 4 De Brandijk als voortzetting van de zeereep van 1910

Geraadpleegde bronnen

Baarsen, J. van (1990) Dynamische processen in Voornes Duin. De Levende Natuur 87, no.2.
Freijsen, N. (2017) Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.
Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wujster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne.
Hofker, J. en W. van Hoey Smith (1935) De periodiciteit van de duinvorming op het eiland Voorne. De Levende Natuur 40 (Gedenkboek Jac. P. Thijsse).
Hofker, J. en C. van Rijsinge (1934) Over het duingebied van Voorne. Natura No. 6.
Kaart van Koutter – Transciptie Streekarchief VP, Brielle/Nationaal archief 4 VTH 2030
Wandel- en fietskaart Duinen van Voorne. NM en ANWB. JAAR??

Vogelpoel met rechts het pad onderlangs de oude Brandijk

Door: Nol Freijsen

Er zijn landschapselementen in het duingebied van Voorne met een interessante historische achtergrond. Het gaat in dit geval niet om een duinterrein, maar om een kreek. Een watergang die in verbinding stond met de zee en bij vloed het zeewater landinwaarts bracht en bij eb omgekeerd.

De kreek zelf is niet bewaard gebleven. De plaats waar hij in het binnenduin  gelegen was, kunnen we terugvinden in het graslandgebied  aan de noordzijde van het Kreekpad in Rockanje. Dit verwijst met zijn lage ligging naar de vroegere bedding van de kreek.

Figuur 1: transcriptie van kaart Koutter, 1608

In de Late-Middeleeuwen was de kreek nog zichtbaar aanwezig. Daarvoor kunnen we verwijzen naar de (bewerkte) kaart van Koutter uit 1608 (Fig. 1). De kreek draagt de naam Grote Creeck. Hij kwam naar binnen op de westpunt van het eiland Voorne en liep met een boog over de strandvlakte naar het duin. Een slufterachtig landschap. Op de plaats waar hij de duinstrook binnenging was echter geen duin, maar openheid. Die openheid liet het water naar binnen komen en ook de zeewind. Dat blijkt uit de naam ‘Twintgat. De Grote Creeck liep mogelijk vervolgens in de richting van het Meertje De Waal bij Rockanje, waar de grote loop van de Strype heeft gelegen die evenwel zuidelijk uitmondde. We zien op de kaart de laatmiddeleeuwse situatie, waarin reeds twee dijken zijn aangebracht om binnendringend water tegen te houden. In de 15e eeuw is de Noorddijk aangelegd, waardoor de polder Stuivesant tot stand kwam. In 1570 werd de Pietersdijk (in de fig. Nieuwe Noortdijck) door de plaatselijke bevolking aangelegd. Het was een reactie op de stormramp van dat jaar, waarbij op diverse plaatsen de Noorddijk (in de fig. Den Ouden Noortdijck) werd doorbroken. De kronkels in de dijk, zgn. vingerlingen, herinneren nog daaraan. Over de bovenloop van de kreek geeft de kaart dus geen informatie. 

Een heel ander landschapsbeeld van hetzelfde onderdeel van de Voornse kust krijgen wij in een tekening van een veel latere datum. Het gaat om een kaartbeeld gegeven in een plaatselijke krant van Voorne: Nieuwe Brielsche Courant van 28 maart 1963 (Fig. 2).

Fig. 2 Ligging van de Achter-Strype als zijtak van de Strype in reconstructie-tekening van 1963.

De kaart is de illustratie bij een artikel geschreven door J. van Hoey Smith over de geologie van het Voornse duingebied. Het opmerkelijke van kaart en artikel is de weergave van wat hij noemt de Achter-Strype. Het wordt al gauw duidelijk, dat we hier te maken hebben met dezelfde kreek, hierboven besproken. Vanaf de zee tot aan de Noorddijk  heeft de Achter-Strype dezelfde ligging als de Grote Creeck. Vervolgens kunnen we de vergelijking tussen de twee uitbeeldingen van de kreek niet voortzetten. Immers van de Grote Creeck kennen we slechts de ligging tot aan de Noorddijk, maar de Achter-Strype heeft een verdere bedding.

Van Hoey Smith veronderstelt dat de Achter-Strype loopt door de polders Stuifakker en Strype tot aan de kreek Strype en bij het Merrevliet, een zijarm van de Strype, komen ze te samen. De Strype-kreek vervolgt zijn weg als Strypsche Wetering. (Die wetering is inmiddels hersteld in zijn oorspronkelijke vorm van kreek.) We moeten aannemen dat de ligging van dit tweede gedeelte van de Achter-Strype op de tekening de situatie weergeeft van ver vóór de Late-Middeleeuwen. Er is met wat goede wil een zekere overeenkomst met het beeld van de loop van kreken op de geologische kaart van het gebied van vóór het begin van onze jaartelling (Fig. 3).

Fig.3 Geologische kaart met aanduiding van het geulsysteem van vóór Chr. Zie de opeenvolging van de cijfers 13, 6 en 10 vanaf de westpunt voor de kreek Achter-Strype.

De tekening van de bedding van de kreek in het krantenartikel is gebaseerd op grondboringen, waarmee ondergrondse zandbeddingen van kreken werden gedetermineerd. En dat was ook de werkwijze bij de geologische kaart. Een tweede argument dat het oostelijk deel van de Achter-Strype van een ver verleden dateert, is het feit dat elke weergave op kaarten van het gebied ontbreekt. Voor de Strype, de hoofdstroom van Rockanje naar Tinte, geldt een datering van 1500 v. Chr. (Freijsen 2010). Dat sluit goed aan bij de veronderstelling over de ouderdom van de Achter-Strype. 

Wat de naam Achter-Strype betreft, die kan ontleend zijn aan de polder van die naam. De Achterstrypseweg maakt de situering daarvan duidelijk. Conclusie van het krantenartikel is, dat de Strype twee mondingen had, waarvan de noordelijke grensde aan het gebied van het tegenwoordige landgoed Strypemonde. Van Hoey Smith was eigenaar van het landgoed en heeft zich bij de keuze van die naam voor zijn bezit kennelijk sterk laten leiden door zijn opvatting over de naam voor de veronderstelde tweede monding. In een publicatie in 1930 had hij zich reeds uitgesproken over het bestaan van die monding van de Strype, die hij later met bewijsmateriaal in het krantenartikel lanceerde (Van Hoey Smith 1930). De naam Grote Creecke bleef op de achtergrond bij dit alles.

Geraadpleegde bronnen

Freijsen, N. (2010) De oude kreek Strype op Voorne. Van getijdenkreek naar watering en terug. Historisch-Geografisch Tijdschrift 28, no. 2.

Hoey Smith, J. van (1930) De kuststreek van Voorne, hare duinen en stranden, hare dorpen en hare toekomst. In: P.W. Wuijster e.a. , Gedenkboek van Voorne. VVV Brielle en Oostvoorne. 

Hoey Smith, J. van (1963) Hoe Voorne’s kust ontstond. Geologisch Onderzoek naar oude rivieren en kustlijnen. Nieuwe Brielsche Courant, 28 maart 1963.

Kaart van Koutter uit 1608 –  Transcriptie Streekarchief VP, Brielle.

Staalduinen, C.J. van (1979) Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland. Geologische Kaart van Nederland Blad 37W (1979). Rijks  Geologische Dienst, Haarlem. 1: 50.000. Blad Rotterdam West (37W).

Sporen uit de twintigste eeuw in de Helderse Duinen

Jarni van Roon

In 2020 begon Jarni van Roon met de pre-master Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hiervoor moest hij een scriptie schrijven over een eigen gekozen onderwerp. In onderstaand artikel een paar hoofdlijnen van zijn verhaal (red.).

Ik ben geboren in Den Helder, waar ik tot mijn 22e gewoond heb. Den Helder is rijk aan historie, daarom was het voor mij een kans om de stad nog beter te leren kennen. Over de binnenstad is al veel geschreven; hoe deze gebombardeerd is tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna opnieuw opgebouwd werd. Dat is een bekend onderwerp. Waar minder over geschreven is, is de cultuurgeschiedenis van de duingebieden in Den Helder. Den Helder kent namelijk een aantal prachtige duingebieden. Voor mijn onderzoek heb ik mij gefocust op twee heel verschillende, aan elkaar gelegen gebieden, namelijk: de Grafelijkheidsduinen en de Donkere Duinen. Deze duingebieden liggen ten zuiden van het dorp Huisduinen, maar verschillen enorm van elkaar. In mijn onderzoek heb ik mij gefocust op de ontwikkelingen van de twintigste eeuw.

In de Grafelijkheidsduinen zijn historische sporen te zien van drie verschillende elementen: de twee Wereldoorlogen en een intensieve drinkwaterwinning. De Donkere Duinen hebben in de twintigste eeuw een compleet ander traject doorlopen. Het gebied heeft een grote transformatie doorgemaakt. Voorheen was het een duingebied dat zou kunnen lijken op de Grafelijkheidsduinen, maar tegenwoordig is het een recreatiegebied. Daarnaast is het dennenbos zich langzaam aan het omvormen tot een loofbos. Hieronder ga ik verder in op de sporen van de twintigste eeuw, die nog zichtbaar zijn in de twee duingebieden. 

Grafelijkheidsduinen

De Grafelijkheidsduinen zitten vol met oorlogssporen, zowel van de twee Wereldoorlogen als van eerdere oorlogen. Allereerst de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Als reactie op deze oorlog zijn er drie sets aan bunkers aangelegd op een centrale locatie. Deze maken deel uit van de Stelling Helsdiep. Stelling Helsdiep werd tussen 1916 en 1939 aangelegd als verdediging tegen een nieuw fenomeen, namelijk het ‘indirecte vuur’. Dat houdt in dat men specifiek richtte op centrale verdedigingswerken. Door drie sets te verspreiden over de duinen, probeerde men dit tegen te gaan. De sets bestaan uit drie gebouwen: een geschutsemplacement, open bedding en een later in 1939 toegevoegd personeelsonderkomen. 

Afbeelding 1: geschutsemplacement

De Tweede Wereldoorlog heeft meer sporen achtergelaten in de Grafelijkheidsduinen. De Grafelijkheidsduinen gingen deel uitmaken van de Atlantikwall: de duizenden kilometers lange verdedigingslinie door Europa. De meest prominent zichtbare bunkers hiervan zijn onderdeel van de De Flagruko Den Helder – W.N. 123a M stelling. Deze stelling omvat in totaal twaalf bunkers, waarvan de bekendste natuurlijk de Kroontjesbunker ofwel de FL250 is. Deze bunker was de commandopost van de Duitse Marine in Den Helder. Daarnaast zijn er een aantal schuilplekken, wasplekken en verblijfsplekken voor soldaten.

Afbeelding 2: de Kroontjesbunker

In totaal zijn er nu nog 36 bunkers te vinden. Maar niet alleen bunkers zijn zichtbaar in de Grafelijkheidsduinen, er zijn ook een aantal bomkraters! Engelse bommenwerpers richtten regelmatig op het onderkomen van de Duitsers in Huisduinen. Deze misten soms hun doel, waardoor ze terecht kwamen in de Grafelijkheidsduinen. Hieronder staat een kaart met de (resten) van alle oorlogssporen in de Grafelijkheidsduinen.

Afbeelding 3: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met oorlogssporen. Paars = Stelling Helsdiep; rood = sporen van de Tweede Wereldoorlog; rode open cirkels = bomkraters.

Misschien ietwat minder spannend dan de oorlogssporen, zijn de sporen van de waterwinning in het landschap van de Grafelijkheidsduinen. Hoewel deze nog wel nadrukkelijk aanwezig zijn! Tot aan 1983 vond waterwinning in de Grafelijkheidsduinen plaats. Het was niet altijd even intensief, maar op het hoogtepunt van de waterwinning gaf de gemeente Den Helder een dringend advies aan de burgers: doe voorzichtig met het water, het zoete grondwater in de duinen begint op te raken. Het voornaamste restant is het oude pompstation. Dit pompstation is in de tweede helft van de negentiende eeuw opgezet om het water uit het gebied te pompen en via strandpijpen naar de haven te transporteren. Zo konden de schepen die via het Noord-Hollands Kanaal kwamen, gebruik maken van het water. Het pompstation verkeert echter niet meer in origenele staat. De toren naast het gebouw is verwijderd, evenals de schoorsteen en delen van de façade. Toch blijft het een duidelijke herinnering aan een vervlogen tijd. 

Afbeelding 4: Het oude pompstation, in de huidige staat

Naast het pompstation is de contour van een prise d’eau te vinden. Een prise d’eau is een lange, rechte sleuf in het landschap, waardoor er een sloot ontstaat. Als de duinbodem veel grondwater bevat, stroomt dat vanzelf de de prise d’eau in, waarna het direct opgepompt kan worden. Onderstaand is een kaart waarop alle sporen van de waterwinning in de Grafelijkheidsduinen aangegeven zijn. 

Afbeelding 5: Kaart van de Grafelijkheidsduinen met de sporen van de waterwinning

Donkere Duinen

Zoals gezegd, hebben de Donkere Duinen in de twintigste eeuw een geheel andere ontwikkeling doorgemaakt dan de Grafelijkheidsduinen. In 1910 werden er voor het eerst plannen opgesteld om de Donkere Duinen te bebossen, waarna in 1917 de voorbereidingen van start gingen. De eerste boom werd in 1920 geplant, waarna er in vijf fases verder werd geplant. Tijdens mijn onderzoek was het lastig om de fasering van de bebossing duidelijk te krijgen. Zelfs in de archiefstukken van het Regionaal Archief in Alkmaar kwam ik geen eenduidige jaartallen over de fasering tegen. Ook was er helaas geen informatie beschikbaar over de oprichting van de camping, hoewel deze volgens de kadastrale kaarten al zeker sinds 1961 bestaat. Wel is duidelijk omschreven dat in 1928 speciale loofboomsoorten werden toegevoegd aan de eerder geplante dennenbomen, om zo een gevarieerd bosbeeld te krijgen. Om een duidelijk beeld te schetsen van welke boomsoorten waar te vinden zouden zijn, heb ik hieronder een kaart geplaatst. Erg leuk om zelf op zoek te gaan en te boomspotten!

Afbeelding 6: Kaart van de Donkere Duinen met boomsoorten

Tijdens de bebossing zijn ook een aantal recreatie-elementen aangelegd, waarvan de vijver het duidelijkst is. Waar bijna niks meer van te vinden is, is de kinderboerderij die tientallen jaren in de Donkere Duinen heeft gestaan. In 1972 werden daar voor het eerst schetsen voor gemaakt en tot in 2006 hebben hier varkens, pauwen, geiten en een hertenkamp rondgelopen. In 2006 is de boerderij expres afgebrand wegens de verhuizing; de dieren werden verplaatst naar de Helderse Vallei. Van de kinderboerderij zijn dan ook geen materiële sporen te vinden, maar het heeft wel een duidelijk spoor in het landschap achtergelaten. Vergelijk de eerste schets en een huidige hoogtekaart maar eens! 

Afbeelding 7: Vergelijking schets kinderboerderij en huidige hoogtekaart

Tot slot

Zowel de Donkere Duinen als de Grafelijkheidsduinen bevatten vele sporen uit de twintigste eeuw, maar de twee gebieden hebben wel duidelijk verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Dat maakt een bezoek aan beide gebieden zo interessant. Daarom raad ik het zeker aan om een wandeling door beide gebieden te maken en te kijken of je wat van de oude sporen terug kunt vinden! Helaas is het vaak lastig om de sporen in de Grafelijkheidsduinen daadwerkelijk van dichtbij te bekijken: de duinen zijn een beschermd natuurgebied en daardoor voor het grootste gedeelte niet vrij toegankelijk. Via de openbare paden zijn de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog wel duidelijk te zien. Op de Open Monumenten Dag zijn meerdere bunkers toegankelijk die zeker een bezoekje waard zijn!

Herkomst afbeeldingen:

Afbeelding 1: Bunkerinfo

Afbeelding 2: Visit Waddenhttps://www.visitwadden

Afbeelding 3: Satellietfoto met eigen toevoegingen 

Afbeelding 4: Mondriaanfonds (fotograaf: Sanne Kabalt)

Afbeelding 5: Satellietfoto met eigen toevoegingen 
Afbeelding 6: Kadasterkaart via topotijdreis met eigen toevoegingen
Afbeelding 7: Regionaal Archief Alkmaar, Archief Gemeente Den Helder (1882) 1919-1994 (1998) (toegangsnr. NL-AmrRAA25.1.1.004, inventarismap II.C.6.6), 1882, 1919-1994 en 1998.

Verder lezen:

Kraters en campings, Scriptie, Jarni van Roon, 2021

Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater, Rolf Roos e.a., 2011; deels te zien op duinenenmensen.nl en ook online te bestellen.

Voor de echte liefhebber: drie rozetten die we eind feb. 2021 aantroffen in de duinen van Voorne. Welke drie soorten zijn dit van links naar rechts?

Klik hier voor grote weergave

Mail ons je oplossing en onder elke 10 goede inzendingen verloten we nu al weer ZESDE druk van de Winterflora bomen en struiken van Dirk Slagter.

Door: Rolf Roos

(Dit artikel verschijnt ook in: In de Branding, april 2021)

Er zijn plekken in ons land waar je nog makkelijk iets kunt ontdekken. In de oksel van de buitenpier van de nieuwe vissershaven van Stellendam (uit ca 1971, toen de Haringsvlietsluizen werden opgeleverd) is in de luwte van de dijken zand van zee aangeland en opgestoven tot wat lage duintjes. Je let een paar decennia niet op en hup, daar ligt weer een nieuw landje. Het is het enige duin plus strand in de wijde omtrek waar honden en hun bezitters vrij mogen ronddarren, wat de boel openhoudt met vele paadjes.

Je kunt het zien als een piepjong ‘zeedorpenlandschap’ met rommelige duintjes en wat ‘verrijking’ door menselijk gedoe zoals we dat kennen uit Scheveningen en Katwijk. Het lijkt een hoekje van niets, tot je op onderzoek uit gaat. Hier werd een soort gevonden, vrijwel alleen bekend uit de duinen en mogelijk nieuw voor de wetenschap.

In mijn eigen gebruikerslocatie voor deze plek, kan ik onder ‘waarnemingen’ selecties aangeven, b.v. vogels en een periode (b.v. laatste jaar) en dan krijg je een vol kaartje te zien en als je op een stip klikt ook de soort (en de waarnemer etc). Van goudvink tot zilverplevier, van rosse grutto tot steenloper. (Zie ook: Maak je eigen gebruikerslocatie).

Gebruikerslocatie ‘strand stellend en vogels 2020

Dit verhaal gaat over paddenstoelen en dus geef ik nu de kaart van de paddenstoelen tussen 1 maart 2020 en 1 maart 2021. Zie kaart hieronder.

Concentratie van paddenstoelen waarnemingen in de oksel

Ongeveer 100 waarnemingen in 1 jaar van ca 20-30 liefhebbers en kenners. De meeste vondsten, zo blijkt uit de kaart, zitten in de lage zandige duintjes vlak bij zee (zie uitsnede). 

In ons land vrij algemene soorten waren hier Duinstinkzwam – Phallus hadriani  (o.a. door William de Jong gevonden), de Ruwstelige stuifbal – Tulostoma fimbriatum, het fotogenieke Zandtulpje – Peziza ammophila, (gevonden door   Arjan Miete), het Gesteeld mosoortje – Arrhenia spathulata (vondst van Rob van Dorland) en  Duinmostrechtertje – Omphalina galericolor  (waarneming: Tup Naring). Van de zeldzame soorten noemen we Gekraagde stuifbal – Tulostoma kotlabae (die John Kil aantrof) en de Lamsoorroest – Uromyces limonii  (die Hein Nouwens traceerde op het blad van Lamsoor).

Het mycologische spektakel vormden twee zeer zeldzame soorten: Helmdikhoed – Leucopaxillus paradoxus (o.a. door Maarten Langbroek gevonden), en als klapstuk de vondst van Helmkoraalzwam – Ramaria ammophila (waarneming:. M. van der Hee, zie foto hieronder).

Helmdikhoed; foto Maarten Langbroek

Volgens de Gids voor zeereeppaddenstoelen van Chiel Noordeloos (2020, KNNV-uitgeverij), pag. 161 is deze soort: ‘ een paar maal aangetroffen in de zeereep tussen helm, onder andere bij Den Haag, Zwanenwater en op Texel. (…) goed gedocumenteerd materiaal is nodig om deze soort definitief als nieuw te kunnen beschrijven’. Geen wonder dat mycologen kwamen invliegen van ver buiten de eigen regio: een nieuwe soort in het universum van paddenstoelen, nu ook in Stellendam!

Helmkoraalzwam; foto M. van der Hee