(door: Rolf Roos m.m.v. Henk Terhell)

Bij  het boek Duinen en mensen Voorne zitten 4 grote routes die een overzicht bieden op dit unieke en sterk veranderende kustlandschap. Hier de Kustroute. Voor uitgebreide toelichting en achtergronden: zie Duinen en mensen Voorne.

Andere routes bij het boek Duinen en mensen Voorne:

Dijkenroute langs de binnenduinrand

De Grote Ommeloop van de duinen van Oostvoorne

De Grote Ommeloop van de duinen van Rockanje

Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust.

Voor de oriëntatie hebben we aantal keren strandpalen gebruikt. Helaas zijn  1 t.m. 5 en 17 t.m. 19 verdwenen. Of toch niet? Geef het ons door.

Strandpaal 13 nabij Tweede Slag Rockanje; foto Martijn de Groot

Strandpaal 7, de enige betonnen langs de Voornse kust.

Veel strandpalen zijn te vinden op de strandpalensite van Martijn de Groot.

Veel historische beelden, ook langs de kust, staan online in de Duinen van Voorne vroeger en nu.

Tekst: Rolf Roos m.m.v. Nol Freijsen 

Zie voor een overzichtsverhaal over de dijken aan de binnenduinrand en hoe het samenspel tussen duin en dijk zich in 500 jaar ontvouwde: het boek Duinen en mensen Voorne. Daar tref je ook meer informatie over alle locaties. De pdf van het verhaal in het boek is hier te zien. Reacties? Graag onderaan dit bericht.

In Memoriam dijkenkenner Nol Freijsen (1934 – 2021).

Zie ook in ontwikkeling: Kustroute: van Quackgors tot Kruiningergors

Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust. De route is ook op die fiets door de polder en langs Brielle terug te rijden, zie de kaart.

 

Bij  het boek Duinen en mensen Voorne zitten 4 grote routes die een overzicht bieden op dit unieke en sterk veranderende kustlandschap. Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige ronde van bijna 50km: de Grote Voornse Ommeloop van Dijk en Kust. Advies: fiets de Dijkenroute en wandel de Kustroute. Spreek met iemand af aan eindpunt of beginpunt om van vervoermiddel te wisselen. Zo wordt het een fraaie estafette.

Kustroute langs de zee

Dijkenroute langs de binnenduinrand

De Grote Ommeloop van de duinen van Oostvoorne

De Grote Ommeloop van de duinen van Rockanje

Voor uitgebreide toelichting en achtergronden: zie Duinen en mensen Voorne.

(Door: Rolf Roos)

Voorjaar 2022 op 21 mei werden het oude binnenduinlandschap van De Kleine Heveringen  van het Zuid-Hollands Landschap gelegen ten noorden van de Tenellaplas, Rockanje, onderzocht door  Marten Annema, Jaco Diemeer,  Erik Ketting, Gerard Lokker en Rolf Roos. Een compleet verslag is hier te downloaden. Meer deelgebieden van de Heveringen hopen we de komende jaren goed te inventariseren. De rijkdom aan planten bleek veel groter dan verwacht. Vooral in juni is het er erg kleurrijk door de steenanjer.

Per deelgebied (zuid 1,1 ha) en noord (0,7ha) werd een complete soortenlijst van hogere planten gemaakt. In een rand langs het fietspad met veel smalle weegbree werd het uitvliegen van de veldparelmoervlinder waargenomen:  de tweede plek op de Heveringen in 2022 van deze tot voor kort nauwelijks in de duinen waargenomen, zeer zeldzame soort.

Het gebied van droge, deels ontkalkte, lage duinen met vochtige laagtes en enige kweldruk bleek rijk aan vele bijzonderheden als bosorchis en pilzegge en  7 Rode lijstsoorten: kleine ratelaar, steenanjer, voorjaarsganzerik, voorjaarszegge, galigaan, armbloemige waterbies, bevertjes en gulden sleutelbloem. Ten opzichte van oude vegetatiebeschrijvingen van Van der Maarel (1966) ontbraken voorjaar 2022 o.a. platte bies, veldgentiaan en div. duizendguldenkruiden maar troffen we nu de op Voorne uitbreidende gulden sleutelbloem en steenanjer (geen, zoals vaak geroepen, ‘Sipkessoort’ want ook voor de oorlog al aanwezig) en zou de dit jaar voor het eerst gevonden pilzegge (niet bij van der Maarel) wel eens een ‘schapensoort’ kunnen zijn die is meegekomen met de schaapskudde. Gulden sleutelbloem is ingeburgerd door het hele duin van Voorne vanuit historische aanplant in de binnenduinrand (niet perse door Sipkes…).

In beide gebieden samen zijn 144 soorten aangetroffen, een vergelijkbaar aantal als bij van der Maarel (1966) die echter een kleiner proefvlak onderzocht. De vegetatie van beide deelgebieden leek zeer sterk op elkaar: 70 soorten waren gemeenschappelijk, met reukgras de beeldbepalende soort (in mei).

Maar het zuidelijke deel was evident veel soortenrijker, wat zowel het gevolg was van de omvang, de aanwezigheid van een pit met water, meer vochtige plekken en van het gegeven dat het noordelijke deel door overnachting van schapen gedurende twee weken wordt ‘aangerijkt’ met zeer veel schapenkeutels waardoor de gehele productie hier hoger lijkt en schrale soorten worden verdrongen. Hopelijk overnachten ze in 2022 op een andere plak op de Heveringen.

Samen met Menno van Lopik, de beheerder maken Marten Annema en Rolf Roos een herstelplan voor de veldgentiaan (najaar 2022), die we dankzij aanwijzingen van oud boswachter Johan te Grootenhuis exact weten te plaatsen (rond 1990 voor het laatst).

V.l.n.r. Rolf Roos, Gerard Lokker, Marten Annema

(door Rolf Roos)

Eind maart 2022 liep ik met eigenaar Taco Verplanke een rondje door het goed onderhouden parkbos van het eeuwenoude landgoed Kooysigt aan de Heveringseweg. De februaristorm had een 170 jaar oude zwarte populier geveld, maar veel andere bijzondere bomen stonden er nog. Ook  een Amerikaanse notenboom, weliswaar op de grond na een storm in 1911, bleek nog steeds vitaal.  Hier heeft de natuur de tijd. In het parkbos worden esdoorns die er uit zaad opslaan verwijderd en zo blijft er een open bosstructuur met veel ruimte voor voorjaarsbloemen, zoals bosanemoon. De eerste wilde hyacinten lieten zich eind maart al zien en de voorjaarszonnebloem maakt zich op voor de bloei.  De eigenaar (sinds ca 2000) bleek geen nieuwe soorten in het landgoed te hebben ingebracht, alles ademde nog de sfeer van de 19e eeuw of eerder. Als plantenliefhebber speur je dan altijd rond. Tussen de dode bladeren stond speenkruid te bloeien, mooi maar ‘gewoon’. Midden op een oud pad dook een ingetogen geelgroen sterretje op die ik vanwege het brede blad op naam bracht als de bosgeelster.  We vonden een 50-tal exemplaren van deze ook landelijk gezien zeer zeldzame (maar toch niet bedreigde) soort die vrijwel alleen op landgoederen voorkomt. Soms gebruik je dan het woord ‘uniek’. Bosgeelster is voor de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden onbekend en is nu op en langs een oud bospad gevonden, mogelijk na eeuwen verwildering, want het landhuis is van 1702. Baron Theodoor baron Collot d’Escury woonde hier van 1892 tot 1932 en heeft als bomenkenner veel aanplant voor zijn rekening genomen. En mogelijk ook die zeldzame ‘stinseplant’, want zo heet deze groep van landgoedbolgewasjes.

Entree van particuliere landgoed Kooysigt (zie hiervoor verder: Duinen en mensen Voorne)

Voorpublicatie (1) over ligging Heveringen en landgoederen uit Duinen en mensen Voorne

Een goed houvast voor de ligging van de Heveringen geeft de ‘Generale Caarte’ van Heyman van Dyck uit 1695. De ‘Rockanse’ en de ‘Oost Voornse Heeveringe’, respectievelijk met één en twee huisjes erop, zijn dan samen ongeveer 250 hectare groot. Aan de oostkant van het Oostvoornse deel, tegenover Kooysight, lag de eendenkooi. Rochus Villerius verkreeg in februari 1687 van de Staten van Holland toestemming om deze eendenkooi aan te leggen en op gronden 600m ten oosten legt hij daarna zijn buiten Kooysigt aan. Op de plek van de eendenkooi liggen nu de villawijk de Waranda (correcter zou het woord ‘warande’ zijn) en daaraan grenzend het landgoed Overbosch.  Tegen de Heveringseweg aan ligt ‘de Koepad’ met de 17e-eeuwse landgoederen Kooysight en Kranenhout. Het is de geleidelijke overgang naar polderland. De veldnaam Koepad verwijst naar de route van het vee dat in de zomer in de duinen ging weiden (tot ca 1910). Kooysigt is rijk aan bosanemonen en voorjaarszonnebloemen en in 2022 vonden we hier de zeer zeldzame bosgeelster, tot nu langs de kust alleen bekend van de binnenduinrand  tussen Bergen en Den Haag.

Bosgeelster is geelgroen en slank

Speenkruid is boterbloemgeel, een beetje plomp

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorpublicatie (2) over stinsenplanten uit: Duinen en mensen Voorne

Op veel Voorne landgoederen treffen we stinzenplanten: bol- en knolgewassen die ter verfraaiing soms al eeuwen geleden (maar m.n. de laatste  150 jaar) zijn aangevoerd en verwilderd. Vrijwel overal staat veel daslook, terwijl ook hartbladzonnebloem en wilde hyacinten veel te vinden zijn. Maar er zijn accentverschillen in de ondergroei van de landgoedbossen. Op Mildenburg staat bijvoorbeeld ook armbloemige look, op ’t Reigersnest veel winteraconiet. Oude landgoederen als Kranenhout herbergen lenteklokjes, terwijl Kooysigt rijk is aan bosanemonen. Het Overbos aan de overzijde van de Heveringsweg  is weer opvallend rijk aan aronskelken en verovert de sierlijke bolletjeskers dit bos waar esdoorns de overhand proberen te nemen. In de jongere landgoedbossen staan o.a. slanke sleutelbloem (Olaertsduyn) en stengelloze sleutelbloem (De Leyse). Wie veel voorjaarsbloemen wil moet verruiging met bramen en opslag van o.a. esdoorns en hulst inperken.

Slanke sleutelbloem uit Olaertsduyn, Voorne

(update 1 juli 2022). Omdat het een van de meest bijzondere valleitjes van de duinen van Voorne was gingen we nazomer 2017 met Dick Kerkhof, planten- en mossenkenner, terug. Wat is nu 8 jaar? In 2009 was het moeilijk te vinden via paadjes gemaakt door het vee, maar je kon het traceren op je gevoel voor richting en de zonnestand: ergens zuidwaarts van de C. Sipkesslag. Omzoomd door wilgen en berkenbos lag er een vlakje – zo heten hier die duinveldjes – met alle te beschermen soorten van die merkwaardige Zuid-Hollandse variant van de zgn. knopbiesgemeenschap: net als elders met veel vleeskleurige orchis, parnassia etc., maar raadselachtig zonder die naamgevende knopbies en als extraatje veel, heel veel, rode klaver. “Waarschijnlijk omdat er wat extra slib hier in het Zuid-Hollandse duinzand zit”, meldt Dick.

Trek hoge laarzen aan, was het devies, het had de afgelopen week 20mm geregend. Alles in ons land is met de GPS traceerbaar, maar zelfs met satellietverbinding bleek het vlakje in 2017 moeizaam terug te vinden. Op Voorne is door de combinatie van het ten dele wegvallen van zoute zeewinden (Maasvlakte!), de van nature wat hogere voedselrijkdom in de kalkrijke en natte bodem (weinig waterwinning!) en de extra stikstof plus klimaatverandering (= warmte + water!) het grote woekeren van bomen en ruigtekruiden doorgegaan in een tempo dat vee noch mens kan bijbenen. Omdat de uitgezette grazers in aantal zijn afgenomen en ze een veel groter gebied bestrijken, kiezen ze voor de meest malse hoekjes en uitgerekend deze verborgen vallei staat niet meer op hun shortlist.

Onze laarzen ploegden door de Voornse nazomerruigtes: de zonnige heelblaadjes, de hoge koninginnekruiden, vele gele lissen en ook verrassend veel rode ogentroost. Maar zeiknat was het niet, zelfs de fascinerende bronmossen die hier onder de wilgen in het water kunnen groeien lagen droog in de modder.

Bronmos in de hand van Dick Kerkhof

In het vlakje van onze dromen stond het gewas meer dan kniehoog. Pas na rustig speuren kwam het halve soortenlijstje van 9 jaar geleden weer tevoorschijn: geelhartje, drienervige zegge, parnassia, zelfs een spriet bonte paardenstaart en een enkele vleeskleurige orchis. Maar neem nog een paar jaar en de natte ruigtekruiden, elzen en wilgen winnen definitief. Voor de echte zeldzaamheid van deze plek, kleine valeriaan, leek dat niet te gelden. Op verschillende plekken vonden we vele vierkante meters van de frisgroene lage blaadjes tussen de hogere kruiden en grassen. Een van ons kende nog zo’n hoekje met kleine valeriaan half onder de wilgen, ergens in het duin, maar dan op Texel.  En in het Waterbos natuurlijk.

In een poel waar we hoopten op het miniplantje oeverkruid of de zeldzame stijve moerasweegbree stond de meest gevreesde nieuwkomer van vennen en wateren: de alles bedekkende en gevreesde watercrassula. De machines van beheerder Stichting Het Zuid-Hollands Landschap zullen snel aan het werk moeten. Alleen flink uitgraven en afdekken helpt. Naar nieuwe en liefst andere planten op die schone bodem komen we over 9 jaar weer kijken en nemen dan hakmessen mee.

Vegetatie-opnamen Duinen van Oostvoorne verborgen vallei 2009-2010

 

 (door Rolf Roos)

Bij diverse boeken die ik over de duinen maak, vanaf Duinen en mensen Kennemerland (2009) tot het boek dat ik nu maak Duinen en mensen Voorne, word ik achtervolgd door Iris germanica, ook bekend als blauwe of Duitse lis. Het is een ouderwetse (vooroorlogse) tuinplant die soms verwildert. Ik werd er door Haarlemse plantenkenner Joop Mourik in 2008 op gewezen. Er stonden er veel op oude bunkers in het Rozenwaterveld, waarna ik ze op de Erebegraafplaats bij Bloemendaal aantrof. Jan Cevat, ook een uitmuntend florist, meldde me rond 2018 het verspreid voorkomen op Haagse bunkers. Maar het werd pas echt vreemd toen boswachter Jan Alewijn Dijkhuizen me in 2021 grote pollen aanwees op een bunker nabij de Vliegveldvallei op Oostvoorne. Allemaal toeval? Hoe zit dit raadsel in elkaar?

Ik citeer uit Duinen en mensen Kennemerland (2009): ” Duitse lis wordt van het Noordzeekanaal tot aan Den Haag sporadisch in de duinen aangetroffen en staat bij Bergen aan Zee nabij de Fortvlakte. Niet zelden groeit deze lis op onzicht­baar geworden bunkers bij Zandvoort, in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Om­dat de soort zich vooral via wortelstokken vermeerdert, weerspiegelen plekken van enkele vierkante meters enkele tiental­len jaren oude groeiplaatsen. Het kan een toevallige verwildering zijn, bijvoorbeeld uit tuinafval, maar de standplaatsen zijn curieus. Voer voor speculatie over een hovenier in de Duitse gelederen. Vol­gens het boek ‘Planten en hun naam’ van H. Kleijn was bij de oude Grieken Iris de boodschapster van de goden en godinnen. Via de regenboog reisde ze tussen hemel en aarde om de mensen de wil van de goden te verkondigen. Zij voerde de zielen van overleden vrouwen en meisjes omhoog, reden voor de Grieken om irissen met hun veelkleurige bloemen op hun graven te planten. In dit verband is de vondst van de Duitse lis naast Engels gras op de Erebe­graafplaats nabij het graf van Hannie Schaft niet zonder bittere poëzie”.

Uit Bloeiende duinen (2019):

“Duitse lis komt op een 5-tal plaatsen voor in de Westduinen. Opvallend is dat ze bijna altijd in de directe omgeving van bunkers staan. Zouden onze toenmalige bezetters hun troosteloze gebouwen hebben willen verfraaien?”

Uit Duinen en mensen Voorne (in voorbereiding, verschijnt 2023):

In de oude Oostvoornse zeereep van 1910 zijn in de Tweede Wereldoorlog veel bunkerwerken aangelegd. Bij een bunker op onze route staat in het voorjaar Duitse lis te bloeien, een bloem die er niet toevallig kan zijn beland, want deze staat ook bij bunkers in Den Haag en in de Amsterdamse Waterleidingduinen.”

René van Moorsel, schreef in 2018  als bijschrift bij de online verspreidingsatlas: “ Blauwe lis staat op zonnige, warme, stikstofarme, goed gedraineerde meestal kalkhoudende bodems. Ze groeit op rotsen en (oude) muren, op steile (puin)hellingen en ruines. Verder in duingebieden en in ruigten, langs spoorwegen en in veengebieden. Deze soort is ook als sierplant in de handel en kan gemakkelijk opslaan uit weggeworpen tuinafval.

Hoe zit het nu precies? Is de blauwe lis alias de Duitse lis vaker een bunkerlis? De ecologie klopt heel goed met die rotsachtige bodems, maar hoe kwam de plant op al die bunkers terecht? Er zijn ruwweg vijf hypotheses:

  1. het is ‘gewoon’ onverklaarbaar toeval (of: we weten het niet/te weinig);
  2. bij de camouflage incl. beplanting van bunkers in de oorlog werd vaak tuingrond met deze plant aangevoerd vanuit nabij gelegen tuinen;
  3. ze werden bewust aangeplant door een (Duitse?) hovenier voor verfraaiing o.i.d.;
  4. ze werden na de oorlog bewust aangeplant door de Nederlandse tuinarchitect Cees Sipkes die na de oorlog als taak had de bunkers van Oostvoorne landschappelijk in te passen/te beplanten. Sipkes had ook vele contacten in Kennemerland;
  5. decennialang wordt er door jan en alleman tuinafval gestort, ook in de periode rond de oorlog. Duitse lis weet zich (als er niet gemaaid wordt) goed te handhaven en vermeerderen, uitgerekend op de ruïnes van bunkers, zie de ecologie. Tegen vraat van grote grazers helpt dat ze zeer onsmakelijk zijn. Kortom: de rommelende mens verspreidde (bij toeval), het milieu selecteerde en de pollen irissen op oude bunkers resteerden!

Help me deze hypotheses weg te strepen. Wat denkt u?  Geef waarnemingen door! Weet iemand iets van aanplant op of rond bunkers? Laat het weten. Laat een bericht achter of mail naar: info@duinenenmensen.nl

Naschrift

N.a.v. uitzending bij Vroege Vogels kwamen diverse reacties waarvan er eentje heel steekhoudend van  archeoloog Jobbe Wijnen. Hier het audiofragment.

Mijn eigen ”meest kansrijke’ hypothese (nr.5)  dat de Duitse lis overal en nergens door de decennia heen is gestort, dat er ook restbergen zand met tuinafval werden gebruikt om bunkers te camoufleren en dat de Duitse lis het beste aan het biotoop ‘rotsbodem’ was aangepast en daardoor overleefde op de bunkers, kon toch weer op de schroothoop na dit belletje van Jobbe Wijnen dat er wel degelijk tuintjes waren, hier en daar bij bunkers. En toen viel bij mij het muntje in zijn geheel want in 2 van de 3 gevallen die ik ken gaat het om manschappenbunkers: de plekken waar ze tot vervelens toe moesten rondhangen. Een plek om hoe dan ook op te vrolijken. Met een ouderwets en wie weet wel tuttig tuintje.

Het echte grote toeval zit natuurlijk in de naam Iris germanica = Duitse (of blauwe) lis. Dat deze soort nu net de aanpassingen heeft om op of pal naast bunkers te overleven, dat is nou toeval. Of plantte men alleen plantjes met de wetenschappelijke naam ‘germanica’ ? We gaan speuren naar de Duitse gentiaan en het Duits viltkruid (de laatste plant met bloemen in de vorm van een landmijn).

Duitse lis 18 mei 2022 Voorne bij gerenoveerde manschappenbunker. Foto Henk Terhell. Locatie: zie De grote ommeloop van de duinen van Oostvoorne o[p deze site

Meer over de Duitse lis en de Voornse flora in:

Nu met voorintekenprijs beschikbaar.

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne

Tekst: Rolf Roos met medewerking van Bob Benschop, met dank aan Jan Alewijn Dijkhuizen

Geen route voor watjes of drukdruk-bezoekers die een snelle natuursnack wensen. Je moet er wat voor doen, je willen verdiepen. Op deze ommeloop komt in ruim 8,5 km en meer dan 25 tussenstops de hele staalkaart van natuur en historie van de Duinen van Oostvoorne langs. Van oud naar jong en weer terug. Van zoet naar zout. Van onder NAP tot bijna 13m hoog.

Vanuit Tenellaplas gaat het via de oude Heveringen en sluippaadjes, langs De Sipkesslag met meertjes en het Duintje van Dick, het Pitje van Praal en Schelpenpad naar het Vliegveld. Vandaar langs de Molenkreek naar het Parnassiavlak, onderdeel van het Groene Strand. Dan langs de zoute kust van het voormalige autostrand, thans de Slikken van Voorne van het Zuid-Hollands Landschap en bijzondere strandhaken weer het duin in over het A.J.Bootpad via o.a het Van Itersonbos richting het Locomotiefpad en dan tenslotte langs de Kleine Heveringen weer terug naar de heemtuin bij Tenellaplas. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er te maken zijn t.a.v. beheer. In de duinen van Oostvoorne zijn in het kader van het boek ‘Bloeiende duinen‘ speciaal voor plantenliefhebbers kortere rondjes gemaakt met kenmerkende planten (‘hotspots’ ): Tenellaplas e.o., Heveringen, Parnassiavlak.

Op de kaart hieronder ruim 25 locaties die je gezien moet hebben om het duin te leren kennen. Info is per locatie aan te klikken. Achtergronden bij deze route staan in het boek Duinen en mensen Voorne.

 

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne

Tekst: Rolf Roos, met dank aan Theo Briggeman,Han Meerman en Henk Terhell 

Op deze ommeloop komt in ruim 1o km en 30 tussenstops de natuur en historie van de Duinen van Rockanje langs.  Het is hier al eeuwen grotendeels zoet en de flora is er ongekend rijk. Bos- en duinvogels laten zich zien en horen. Grote delen van het duin zijn rond 2007 van bos en struweel ontdaan en de resultaten kun je nu zien en horen. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er gemaakt zijn t.a.v. beheer: zie  nadere uitleg staan in Duinen en mensen Voorne, hier alleen de highlights.

Je kunt deze ommeloop op vele plekken beginnen en ook onderbreken. Nabij de Tweede slag, vanaf het strand bij paal 11, vanaf het Bootpad, vanaf Waterbos en ingang Kreekpad, ons beginpunt. Er zijn vele schone duinwatertjes maar geen uitspanningen. Een aantal keren doen we een kort heen-en-weertje, b.v. naar een uitkijkpunt, de zee, een bijzondere vallei. 
 
In de duinen van Rockanje zijn bij het boek ‘Bloeiende duinen‘ voor plantenliefhebbers kortere rondjes gemaakt met kenmerkende planten (‘hotspots’ ): zie Waterbos

Hier treft u dubbele foto’s, van vroeger en nu. Klik op de kaart en zie een unieke collectie dubbele foto’s die veel ingrepen vroeger en nu in de duinen van Voorne verhelderen.

Oude beelden zijn doorgaans afkomstig van het Streekarchief Voorne-Putten (met veel dank!) of het ansichtkaarten-archief van Frans Beekman, de meeste huidige zijn van de hand van Henk Terhell, tenzij anders vermeld. Redactie: Rolf Roos

Heeft u zelf ook zulke dubbele foto’s? Mail het ons.

Een groot deel van deze foto’s wordt toegepast in het boek Duinen en mensen Voorne, voorzien van uitgebreide toelichting.

Door: Nick Werring, Archivist Streekarchief Voorne-Putten

(Red.: voor het boek Duinen en mensen Voorne kregen we veel meer verhalen een studies onder ogen dan we in een boek van 200 pagina’s kwijt kunnen. Dit mooie verhaal van een zeer ongewone camping met een bijzondere en soms roerige ontstaansgeschiedenis is er eentje van en plaatsen we graag online.)

In 1942 liet de 92-jarige Johanna Vijfvinkel, weduwe van Cornelis Gabriël Trouw haar testament opmaken. Haar gezamenlijke erfgenamen zouden, onder meer, de bijna 32 hectare grote ‘Ronde Wei’ erven. Hoe het zich toen ontwikkelde tot camping kon worden ontrafeld omdat in 2017 het archief van Camping Rondeweibos (dat berust bij het Streekarchief Voorne-Putten) werd geïnventariseerd. De aangetroffen stukken vertellen een interessante geschiedenis. Hoewel de naamloze vennootschap dateert van 1961 kent het kampeerterrein een veel langere voorgeschiedenis, beginnend in 1809! 

Rond 1900 groeiden Rockanje en Oostvoorne uit tot populaire badplaatsen. Dagjesmensen kwamen per fiets of met de bekende RTM-stoomtram vanuit Rotterdam naar het strand om daar te wandelen, zwemmen of zonnebaden. Om deze vroege recreanten te vermaken werden in de loop der jaren tal van toeristische voorzieningen aangelegd, zoals een golfbaan, een openluchttheater en speeltuinen. De aanleg van (bad)hotels maakte een langer verblijf aan de kust van Voorne mogelijk. Delen van het duin zijn sinds 1927 in beheer bij Natuurmonumenten. Een van de trekpleisters vormde het bekende Quackjeswater. Dit moerassige gebied, ontstaan door een uitgestoven duinvallei, dreigde te verlanden en werd in de jaren ’30 in het kader van de werkverschaffing uitgediept.

Recreëren was begin twintigste eeuw niet voor iedereen weggelegd. Het eerste officiële kampeerterrein in Nederland, bij Vierhouten op de Veluwe, dateert van 1925. In de loop van de jaren twintig en dertig ontstonden meer en meer kampeerterreinen. De vrije zaterdagmiddag werd gemeengoed en de toename in welvaart en in vrije dagen maakten kamperen steeds populairder. Bovendien werd het in Nederland makkelijker tentdoek te verkrijgen om zelf een tent te naaien. Wie echter dacht  zomaar onvoorbereid een tentje op te kunnen zetten vergiste zich. In een tent slapen mocht dan wel avontuurlijk zijn, maar het was ook een serieuze zaak die een gedegen kennis van zaken vereiste. Er verschenen dan ook dikke boeken over de techniek van de ‘kampeersport’ en over de bijbehorende etiquette. Ondanks de crisisjaren kwam er in 1936 een systeem van kampeerkaarten, een verplichte registratie voor ieder die wilde kamperen. In 1939 kwam de uitgifte van kampeerkaarten onder de hoede van de ANWB, die zich tot dan toe nauwelijks had bemoeid met het fenomeen kamperen. Hoewel de Duitse bezetter reeds in het begin van de oorlog verbood om ’s nachts in de openlucht te verblijven, organiseerde de ANWB midden in diezelfde oorlog, in augustus 1942, de eerste ‘kampeercursus’, ter verbetering van het kampeergedrag.

Een lommerrijke laan in het Rondeweibos, ruim vóór de tijd van de camping (ca.1920) Collectie SAVP.

In de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog keerden de recreanten terug naar Voorne-Putten. Een van de toeristische trekpleisters bevond zich iets ten noordoosten van het Quackjeswater: het Rondeweibos van de familie Trouw.

Het Rondeweibos aan de Schapengorsedijk in Rockanje heeft een bijzondere geschiedenis. Het bos is bijna 200 jaar lang privé-eigendom geweest van de familie Trouw, bekend van de Grutterij en Spliterwtenfabriek in Geervliet. Spil in de geschiedenis van bos en kampeerterrein is Krijna Simons (1811-1879). Krijna trouwde in december 1834 met Cornelis Herweijer (1789-1848), zoon van Lodewijk Herweijer (1761-1815). Vader en zoon Herweijer, grondeigenaren woonachtig in Nieuwenhoorn, kochten in de jaren 1809-1828 diverse grote stukken ‘bosch, tuin en boomgaardland, als mede een Boschwagtershuis en schuur’, gelegen onder de ambachtsheerlijkheid Sint-Annapolder en het Schapengors. Na de dood van Cornelis Herweijer erfde zijn echtgenote Krijna deze percelen ‘boschland’. Krijna hertrouwde in 1850 met Gabriël Trouw.

In november 1887 bood het Rondeweibos een extra attractie: de heer Trouw toonde de bezoekers van het bos met enige trots een ware zeearend. Bron: NBC, 20-11-1887

 Aanvankelijk bestond het terrein uitsluitend uit bos, bestemd voor hakhout. De enige recreanten vormden leden van de familie Trouw. Begin twintigste eeuw stelde de familie het lommerrijke gebied open voor buitenstaanders: deze eerste recreanten kregen de mogelijkheid om tegen betaling van een kwartje een wandeling te maken in het Rondeweibos. In 1942 liet de 92-jarige Johanna Vijfvinkel, weduwe van Cornelis Gabriël Trouw haar testament opmaken. Haar gezamenlijke erfgenamen zouden, onder meer, de bijna 32 hectare grote ‘Ronde Wei’ erven. Johanna overleed nog datzelfde jaar, de wens van het oude echtpaar Trouw om het Rondeweibos onverdeeld te laten werd door haar kinderen gerespecteerd. Het was de taak van de erfgenamen om het geheel wat rendabeler te maken. Kort na de oorlog overwoog men om er bouwland van te maken, maar zover kwam het niet. Nadat eerst de padvinderij gebruik had gemaakt van het terrein verschenen in de jaren vijftig de eerste echte recreanten. Kleinzoon Cornelis Gabriël Trouw, de Geervlietse grutter, kwam in 1954 met het idee om op bescheiden schaal een camping te realiseren in het Rondeweibos. De exploitatie startte uiteindelijk in 1955, uit dat jaar dateert eveneens de eerste vermelding van inkomsten uit kampeerders en verkoop van wandelkaarten.

In januari 1958 startte men, bij wijze van proef, met de inrichting van een caravankamp. De exploitatie was van meet af aan een succes.

Een luchtopname van het kampeerterrein, 1963.   Collectie SAVP

De eerste bouwvergunning voor een paviljoen met kampwinkel werd verleend in april 1958. In 1959 concludeerden de beheerders (de familie Trouw), dat de inkomsten wat caravans en tenten betreft, de afgelopen twee jaren reeds waren verdubbeld. Alleen de opbrengsten van de verkoop van wandelkaarten bedroeg al 1.000 gulden in 1958. Er moesten al snel meer voorzieningen komen, het kampeerterrein was reeds toe aan uitbreiding. In 1958 werd al zo’n zevenduizend gulden geïnvesteerd. Door uitbreiding van het terrein met een halve hectare, zou de camping tot 300 kampeerders kunnen huisvesten. Uitbreidingen volgden elkaar dan ook in rap tempo op in de jaren 1959, 1961, 1963, 1968 en 1971. Het terrein groeide uit tot een camping met ca. 800 plaatsen voor stacaravans en ca. 100 toeristische plaatsen voor tent en caravan.

Beeld uit de jaren ’60. Bron: Collectie SAVP

De onderneming zelf werd op 29-03-1961 voortgezet onder de naam “N.V. Rondeweibos” (statutair gevestigd te Geervliet). De vennootschap had ten doel de exploitatie van het onder Rockanje gelegen complex weide- en bosterrein, genaamd de Rondewei. Officieel omvatte de exploitatie van het complex nog steeds de verzorging en verkoop van de houtopstand, maar de nadruk kwam steeds meet te liggen op exploitatie van het kampeercentrum. De naamloze vennootschap was nog steeds een strikte familieaangelegenheid, zo werden met ingang van 27 december 1962 105 aandelen à fl. 500,– uitgegeven aan de familie Trouw en verwanten, de totale grootte bedroeg fl. 52.500,–. Exact tien jaar later, op 27-12-1972 werd de naamloze vennootschap omgevormd tot een besloten vennootschap.

De camping was een succes, eigenlijk een te groot succes. Reeds in april 1956 vond er in de raadzaal van het Oostvoornse gemeentehuis een vergadering plaats van de natuurbeschermingswachten. ‘De perscommissie verzorgde vele oproepen, zowel ter bescherming van de meidoorns als om hulp in te roepen voor de in nood verkerende vogels’. Het toegenomen aantal toeristen kende dus een keerzijde. Zo gaf het ‘overmatig grote bezoek’ aan het strand aanleiding om een speciale circulaire rond te zenden met het verzoek om nog intensiever te patrouilleren. De politie was in de weekeinden reeds overbelast en kon daarom te weinig aandacht aan de natuurbescherming besteden.

Toegang tot het recreatiegebied vormde een ander struikelpunt: ‘Polderwegen een probleem’, kopte de Nieuwe Brielsche Courant reeds in februari 1960. De toename van het ‘vreemdelingenverkeer’ zorgde niet alleen voor conflicten met natuurbeheerders. De toenmalige burgemeester van Rockanje, de heer Spaans, pleitte voor meer geld voor recreatiegemeenten, onder meer voor onderhoud aan de toegangswegen. De Rondeweiweg vormde onder andere de toegangsweg naar speeltuin ‘De Houten Paardjes’ en het Quackjeswater. De weg was eigendom van Natuurmonumenten, maar in onderhoud bij de polder St. Annagors en Schapenpolder. Er volgde een langdurige discussie over de toegangswegen. Een bijdrage van de belanghebbenden (Natuurmonumenten als duineigenares en de familie Trouw als exploitant van het Rondeweibos) vonden velen niet meer dan billijk.

Door toename van het aantal toeristen en de steeds uitbreidende camping raakten de eigenaren, nog steeds de familie Trouw, in ditzelfde licht eveneens verwikkeld in een langdurig conflict met Natuurmonumenten over de toegang tot een pad dat de verbinding vormde tussen de Rondeweiweg, het Rondeweibos en via de Koepelberg naar het strand. Het pad was cruciaal voor de exploitanten omdat het de enige mogelijkheid vormde om bezoekers vanuit het Rondeweibos het strand te laten bereiken. Beide partijen namen advocaten in de arm en er volgde een verhitte discussie en uitgebreide correspondentie. De familie Trouw voerde diverse getuigen op die te kennen gaven dat het pad reeds vanaf het begin van de twintigste eeuw voor iedereen toegankelijk was, zonder dat het ooit was afgesloten of was voorzien van borden. De kwestie sleepte zich voort totdat het pad in 1967 definitief door Natuurmonumenten aan beide zijden met palen en prikkeldraad werd afgesloten. Om deze barricade kon de familie Trouw niet heen, bovendien vonden zij dat ze lang genoeg hadden geprocedeerd. De directie van de camping heeft tenslotte maar besloten om de kampeerders over een eigen weg naar het strand te leiden.

In de jaren ’60 en ’70 bood het Rondeweibos een totaal andere aanblik: de camping draaide op volle toeren.Collectie SAVP.

Ondanks deze conflicten werden steeds grotere stukken bos gekapt voor de immer groeiende camping. Het terrein werd in de loop der jaren steeds verder uitgebreid en er verrezen allerlei voorzieningen. Naast de noodzakelijke faciliteiten realiseerde men er een dienstwoning voor het beheerdersechtpaar (uiteraard een familie Trouw), een aparte caravanloods, een restaurant, een speeltuin en in 1987 opende men een eigen verwarmd openluchtzwembad op het terrein.

De familie Trouw bleef eigenaar van de succesvolle camping totdat zij deze in 2001 aan Molecaten Vakantieparken verkochten: na bijna 200 jaar kreeg het Rondeweibos een nieuwe eigenaar.

Tenslotte

(Klik op de afbeelding voor een uitvergroting) Eén van de oudste afbeeldingen van de duinrand, de kaart van Gevers 1827, Nationaal Archief. Perceel 84 van het Quackjewater is nog  geen bos, maar waarschijnlijk beweid duingrasland met wat struiken. Naast perceel 85 is de ronde weijer al te vinden, inclusief een weggetje er om heen. De hele kaart staat met een uitgebreide bespreking in het boek Duinen en mensen Voorne

De naam ‘Ronde wei’ vraagt om een verklaring. Lag hier een rond weiland dat later bos werd? Vanaf de 19e eeuw is al op kaarten een ronde vijver te zien, een ronde ‘weijer’,  in het dialect van de streek. Deze ronde vijver ligt er nog steeds. Mogelijk is in de 19e eeuw de vijver gebruikt als bron voor schoon drinkwater dat uit de nabijgelegen duinhelling omhoog kwam. Wie weet er meer van? De helling achter de Ronde weijer heette voor de oorlog Koepelduin…heeft iemand een vooroorlogse foto hiervan met de koepel? Reageer onder dit artikel.

Dubbelfoto van de ronde vijver (ronde weijer) 1920 – 2022. Klik op de foto.

Hoogtekaart van de duinen en binnenduinrand van Oostvoorne met enkele grotere, deels onverklaarde afvlakkingen.

(Door: Rolf Roos & Nico van der Wel met diverse inbreng van Frans Beekman, Anton van Haperen, Bob Benschop en Bert van der Valk); versie 31 maart 2022; nb. ook Michiel Purmer van Natuurmonumenten komt nog met documentatie uit 1940.)

Veel agrarische duinlandjes (17e- 20e eeuw) werden afgevlakt en regelmatig werd zand afgevoerd ook voor ophoging van wegen en soms ook van natte landerijen (bv. Helhoek: het grote vlak ten zuidoosten van het Berkenrijs werd begin 20e eeuw opgehoogd met zand van de Heveringen). Enkele grotere afzandingen staan op bovenstaande kaart, die ook fraai laat zien hoe ver het duinzand ooit landinwaarts liep. De ster bij Ketjil is volgens de huidige eigenaar een commerciële afgraving geweest van vlak voor de start van de camping (ca 1970?). Hoeveel zand ging hier weg en waarheen? De andere sterren zijn veel oudere gevallen. Bovenstaande kaart is een ruwe aanduiding van plekken waar Op basis van de hogere gronden aan weerszijden) veel zand moet zijn weggehaald. Er is op veel plaatsen sprake van onnatuurlijke laagtes in hogere terreinen. Wie weet meer van de afzanding van het Berkenrijs, de Geest, maar ook van het merkwaardig vlakke Mildenburg? Hieronder enkele bevindingen en gedachten.

Algemeen

Van Haperen: “Daar het om de zandwinning gaat,  moet je deze op Voorne niet bekijken door de bril van de Hollandse vastelandskust. Daar waren de steden (en het laagveen van het platteland: de toemaak) de grote vragende partij met een enorme zandbehoefte. Er werden watergangen (‘zandvaarten’) aangelegd, waardoor zand naar de stad werd vervoerd. Een dergelijke vraag en een dergelijke infrastructuur heeft op Voorne altijd ontbroken. Je kunt de situatie op Voorne beter vergelijken met die op Walcheren (zie artikel de Klerk in Archief Zeeuws Genootschap Wetenschappen 2013). De zandwinning had er een meer kleinschalig karakter.”
Vragen van Frans Beekman: a. “Waar groef men naar zand in WO II voor de bunkerbouw? Antwoord van Dick van der Laan:o.a. van bij de Tenellaplas en er was een uitgebreid railnet door de duinen voir transport van materialen en zand.
b. Waar haalde men zand voor de dijken in 1953?  Antwoord:  er waren geen dijkdoorbraken op Voorne. We is er olv Sipokes zand wegggegraven lansg Berkenrijs weg (*vermoedelijk waar nu de parkeerplaats ligt).
c. Was er op Voorne meer afzanding binnenduinen?”

Middelburg

Bob Benschop van Streekarchief Voorne-Putten dook  in de archieven van Mildenburg, maar slechts een hypothese resteert: “Ergens verwacht ik dat de afgraving plaats heeft gevonden bij de aanleg van het park omstreeks 1785, maar zeker weten doe je het natuurlijk nooit.” Hij bekeek de Akten van openbare verkoop van houtgewas en bomen vanuit de buitenplaats Mildenburg, respectievelijk het huis te Oostvoorne (en vanuit de vogelkooi); met bijbehorende stukken, van 1744 tot 1810. ” Ik heb de akten allemaal doorgenomen, maar feitelijk is het jaar na jaar op precies dezelfde wijze opgestelde verkoop van opgeschoten wilgen en prachtige essen, goed te gebruiken voor o.a. tuinstaken.” Maar geen enkele akte over afgravingen, zelfs niet een enkele opmerking.

Naar aanleiding van een  idee van de eerste auteur dat Mildenburg wellicht is aangelegd op een voormalige strandvlakte, schreef Bert van der Valk: “Ik ben er helemaal niet van overtuigd dat het een strandvlakte  betreft. Ik vermoed op grond van wat we nu weten uit de boringen op Mildenburg gezet (nu 7 stuks in een raai vanaf het einde van de kwekerijmuur tot aan de oude zeereep) dat het hele vlakke, laaggelegen stuk van Mildenburg flink afgezand is. De lithologische sequentie is dan: afgezand Oud Duinzand  op zandige en schelprijke verslagafzettingen op rietveen op klei (‘oude blauwe’). Ik kan dat overtuigender aantonen als ik een profiel heb. (…) Ik raad je aan het woord strandvlakte maar even in de ijskast te zetten.”

Van Haperen: “Of Mildenburg bij de aanleg is ontzand vraag ik me af. Veel waarschijnlijker lijkt mij dat het is geëgaliseerd, waarbij lage gedeelten kunnen zijn opgevuld met zand uit de hogere delen. Ik lees dat Bert van der  Valk het heeft over Oud Duinzand. Ik ben wel benieuwd naar de onderbouwing en de profielen en hoe oud dat duinzand dan is. Overigens kan een strandvlakte ook uit Oud Duinzand zijn opgebouwd.”

(RR: dit komt spoedig in loop 2022)

1725: ‘wederrechtelijk afgraven’

Een fragment over afzandingen uit 1725: dan richt Gerard Bicker van Swieten (de nieuwe eigenaar van de Oostvoornse duinen) een verzoekschrift aan de Staten van Holland om maatregelen te nemen tegen het wederrechtelijk afgraven en verhuren van de door hem gekochte duinen met het Berkenrijs. Maar waar precies? Leidde dit tot maatregelen en wat was het resultaat?

18e eeuw: aanvoer van duinzand voor een straatweg mislukt

In het Streekarchief is vrijwel niets te vinden over afgraven van en handel in duinzand. Pas van de 20e eeuw, als afgraven vergunningplichtig wordt, ontstaat een beeld uit gearchiveerde stukken. Dit terwijl over de verkoop van hout een overvloed aan stukken uit meerdere eeuwen bestaat. Zandschuiten in de haven van Brielle lijken vooral van het vasteland te komen, en er is geen spoor van aanvoer vanuit Oostvoorne. De archieven van de Generale Dijckage zijn op dit punt nog niet ontsloten, die van het Hoogheemraadschap van Voorne suggereren dat er een gangbare praktijk van ‘zand halen’ bestond onder bewoners van Rockanje en Oostvoorne. Naar het idee van Dick van der Laan waren dit slechts kleinschalige activiteiten ten behoeve van de teelt van ( de destijds beroemde Voornse) bospeen.

De voorlopige slotsom luidt dat duinzand door de eeuwen heen kleinschalig en alleen lokaal werd afgegraven en gebruikt. Een interessante bevestiging van dit beeld komt van Jan Kluit (1777). Hij meldt dat plannen voor een straatweg van Brielle naar Hellevoetsluis telkens schipbreuk lijden. Op een gegeven moment begint men er weer mee, en een burger uit Nieuwenhoorn neemt de klus aan om zand uit de Kwakse duinen aan te voeren voor het werk aan de weg. ‘Dog al rasch wordt dit werk gestaakt. Er kwamen van daer, schoon maer een uur rijdens zijnde, zeer langzaam half gelade vragten aan het werk (..).’ Het werk werd gestaakt en pas in 1804 weer opgepakt. In 1806 was de straatweg klaar (zie https://www.voornewiki.nl/archives/303).

De beperking zat hem blijkbaar heel lang in de onmogelijkheid van grootschalig zandtransport. Een kruiwagen ging nog wel, maar met een grote, zwaar beladen kar met zand over onverharde wegen rijden – dat ging gewoonweg niet.

De NV Voorne’s Duin en het waterschap

Als begin 20e eeuw de NV Voorne’s duin exploitatiemogelijkheden zoekt, komt het Hoogheemraadschap in het geweer, en beperkt o.m. de verkoop van zand. Vanaf dat moment is afgraven van zand vergunningplichtig (sindsdien is er een flinke correspondentie over dit onderwerp). Van der Graaf (1990) meldt dat de NV éénmaal een flinke slag slaat: in 1906 verkoopt men ruim 23.000 kuub voor ƒ 2800 voor de aanleg van de weg Oostvoorne-Rotterdam. Waar het zand werd afgegraven vertelt hij niet. Wel zegt hij: “Van oudsher was bet waarschijnlijk gewoonte, zand uit de duinen te halen voor allerlei doeleinden. Meestal werden daarvoor bepaalde plaatsen aangewezen door de eigenaars, in overleg met een goedkeuring van de Generale Dijckage, later het Hoogheemraadschap. Ongetwijfeld zullen afnemers van zand hebben moeten betalen aan de duineigenaars.”

Eerste en Tweede zanderij

Twee veldnamen in de duinen van Rockanje nabij het Brede water zijn Eerste en Tweede zanderij. Ze dateren uit de jaren ’60 en waren lokale afgravingen om de zeereep elders te versterken. De Tweede (nabij de Grote Hoogte) was erg diep en is in het landschap met moerasbos opgegaan, de Eerste is nu nog te bezoeken: het is een bloemrijke, jaarlijks in de nazomer gemaaide duinvallei. Over de Eerste zanderij is veel documentatie en loopt ook onderzoek waaraan in Duinen en mensen Voorne een verhaal zal worden gewijd. Hier alvast een dubbel beeld (klik op de foto en gebruik de schuifbalk in het midden die naar links en rechts kan).

Ketjil: jaren ’70

De eigenaar vertelde ons  (Bert en Rolf) dat zijn vader Ketjil in bezit had verkregen (1 ha). Er is toen " duingebied" verkocht door de firma ( red. het Administratiefonds?) die het golfterrein had ingericht, maar er toch niets in die richting mee deed. Toen zijn stukjes grond van 1 ha per stuk aan particulieren verkocht. Daarna heeft hij van twee anderen hun gekocht en afgegraven, dus 3 ha in totaal. Dat was  in de zeventiger jaren van de vorig eeuw.  Volgens Dick van der Laan, die in 1958 hier kwam wonen, moet het eerder zijn geweest. De zoon vond dat zijn vader het iets te laag had gemaakt, want er is waterbezwaar in de winter.

Weet u meer en kent u een historische bron? Laat het ons weten.

In een brief van J. van Hoey Smith aan het Hoogheemraadschap van Voorne in 1953 (gevonden in archieven) wordt melding gemaakt van 2-3000 stuks koeien en paarden in de duinen van Voorne aan het begin van de 20e eeuw. Op 1500 hectare duinland is dat ruim twee koeien per hectare, terwijl een duinlandschap gezien de natuurlijke schraalheid maximaal 1 koe op 10 hectare verdraagt. Kortom: er was een vreselijke overbeweiding of de getallen kloppen niet.

Er is ons geen enkel beeld van een Voorns duinlandschap bekend vol koeien en dat maakt ons argwanend.

Het weinige beeld uit het Streekarchief dat we hebben laat een viertal beestjes zien (en drie kinderen..koeienjongens?) in een inderdaad beweid duinlandschap nabij Rockanje. Flink beweid maar niet overbeweid.

De duineigenaar van rond 1910 (NV Voorne’s Duin) had andere bedoelingen met het duin: eigen agrarische ontwikkeling, verpachting en exploitatie (villabouw). Oude beweidingsrechten van aanwonende boeren zullen een hinderpaal zijn geweest ook al bracht beweiding enige inkomsten mee, want boeren moesten betalen. Dat er sprake was van overbeweiding en ook enige verstuiving (in de zeeduinen) is wel aannemelijk maar hoeveel vee was er nu echt? Het Hoogheemraadschap van Voorne verbood destijds de beweiding en daar hadden we een halve eeuw later behoorlijk spijt van (duin is dichtgegroeid).

Dat ‘beweidingsverbod’ (in de nieuwe Keur van 1909) was overigens niet een algeheel verbod, de beweiding werd beperkt. Beweiding werd vergunningplichtig, net als afzanding / afgraving wat in die tijd ook overal meest kleinschalig plaatsvond. De Keur maakt duidelijk dat beweiding van de buitenduinen alleen in bijzondere gevallen zou worden toegestaan (in principe niet). Beweiding van de binnenduinen mocht alleen tussen 1 Mei en 15 October en onder algemene voorwaarden (i.h.a. zorgen dat er geen verstuiving optreedt) en specifieke voorwaarden (afhankelijk van de plek).
De streekhistoricus  Van der Graaf uit Rockanje meldt dat de omheinde duinpercelen van de NV Voornes Duinen buiten deze vergunningplicht vielen.

Help ons aan beeld of aan cijfers. Wie weet uit landbouwarchieven, overlevering in de familie of beeld hoeveel beesten er echt waren? Zie hieronder de brief van van Hoey Smith die om aanvulling vraagt! Zie aanvullingen aan het eind!

Dank! Rolf Roos & Nico van der Wel

Mail ons of reageer onder dit bericht!

Reactie Bob Benschop, 23 maart 2022, streekarchief Voorne Putten: zie plaatjes bijgaand met aantallen vee gemeente Oostvoorne, Rockanje en Nieuw-Helvoet rond 190  (Uit: de Toestand van de Gemeente, Streekarchief).

Melkvee ging zeker niet het duin in, jongvee kwam er wel voor in aanmerking. Als je alle jongvee bij elkaar optelt kom je aan ruim 2000 ex, maar gingen al die dieren ook het duin in? Dat is zeer onwaarschijnlijk, als het een kwart was zal het veel zijn, ergo de genoemde getallen in de brief  van J. van Hoey Smith achten we onwaarschijnlijk.

Drie scans met hoeveelheden vee rond 1900:

Oostvoorne

Rockanje

Nieuw-Helvoet

 

Kees de Kraker (in 2022 71 jaar) ging met pensioen. Als vogelwachter en natuurkenner (geen plant ontgaat hem) maakte hij magnifieke verslagen van de natuurgebieden in en rond de Grevelingen. In tegenstelling tot veel rapporten die in de bureaulade van natuurorganisaties blijven liggen of geheim zijn, maakt Kees ze steeds openbaar, zodat velen mee kunnen genieten en begrijpen waarom dit gebied van zeer groot belang is. We citeren zijn begeleidende brief en geven onderaan enkele links naar zijn werk. De uitstekende natuurkenner George Tanis uit Ouddorp volgt Kees op. We hopen in de toekomst op vergelijkbare doorkijkjes in natuur en beheer in de Grevelingen. We citeren enkele passages uit de brief van Kees.

” Bijgaand de jaarlijkse rapportage van mijn onderzoek in de Grevelingen dat in opdracht van Staatsbosbeheer wordt verricht. Middels jaarlijkse rapportage waarbij de voorgeschiedenis wordt meegenomen, krijgt men een beeld welke kant het uitgaat met de natuur in de Grevelingen. Op basis van het verrichte onderzoek worden aanbevelingen gedaan voor het beheer. (…) 2021 is het laatste jaar waarover ik verslag zal doen. Zeventig geworden en zo nu en dan gezondheidsproblemen, voor mij reden om een punt te zetten achter mijn geregelde activiteiten in de Grevelingen. Vooral het opstellen van het jaarlijkse verslag kost mij steeds meer tijd, er is duidelijk een vertragingsfactor in geslopen, zand in de machine! Hopelijk geldt dat niet voor het verslag over 2021.  “

” Ieder jaar heeft zijn verrassingen en sommige ontwikkelingen zijn spectaculair om te volgen. Andere zaken verlopen teleurstellend. Weersinvloeden, zoals een stormachtige wind, bijzonder natte omstandigheden of langdurige droogte laten hun sporen na.  Sinds 2017 is er geen vestiging van Grote Sterns in de Grevelingen en neemt de populatie Groenknolorchis sterk af. Dit laatste gaat wellicht niet toevallig samen met drie droge jaren, waarvan 2020 een extreem voorbeeld was. Met de Noordse woelmuis gaat het ook niet erg goed, wel opvallend dat de soort nog steeds aanwezig is op de kleine recreatie-eilandjes. Van de kustbroedvogels vestigden zich weer heel wat Kluten, Dwergsterns en Strandplevieren op Markenje, maar het broedsucces was daar bijzonder laag.”

“Ondanks dat er met gericht beheer veel te bereiken valt, laat de natuur zich niet dwingen. Maar hoe meer je er van weet, des te beter begrijp je waarom dieren bepaalde keuzes maken of plantensoorten komen en gaan. In de jaarlijkse verslagen wordt er naar gestreefd om de ontwikkelingen helder en overzichtelijk weer te geven. Ook foto’s zijn altijd een belangrijk onderdeel van het verslag. Waardering voor de natuur gaat gepaard met genieten van de schoonheid er van. “

“Voor de beheerder zijn de voor het gebied geformuleerde instandhoudingsdoelen een belangrijke opgave die nagestreefd wordt. Noodzaak tot het nemen van maatregelen of weren van negatieve ontwikkelingen, horen daarbij. Continuïteit in beheer, met oog voor de ontwikkelingen en een lange termijnvisie zijn belangrijke zaken.”

Grevelingenverslag 2019

Grevelingenverslag 2020

Grevelingenverslag 2021 (dank voor dit laatste rapport Kees!)

Meer verhalen en films over Kees de Kraker of de Grevelingen op deze site:

Harlekijnen op de Hompelvoet, 2020

Geen plafond aan aantallen herfstschroeforchis? (2017)

Herfstschroeforchis op de Hompelvoet in 2016 

Berichten van Hompelvoet

De geur van herfstschroeforchis (reportage)

Duinvalleieilanden of: Hollands vulkanisme

Is dit teveel informatie? Geen nood: een beeldende samenvatting van de hand van Kees de Kraker staat in het boek Bloeiende duinen.

In dit bericht staan links naar al onze routes. De gpx-bestanden van de getoonde routes zijn gratis downloadbaar; beschrijvingen staan online en achtergronden staan in onze boeken: Duinen en mensen Voorne (over natuur en cultuur van de duinen op Voorne) en Bloeiende duinen (over de hoogtepunten van onze duinflora). 

Duinenenmensen-routes

De routes gaan over natuur en cultuur, over toen en nu, speciaal ontwikkeld bij het boek Duinen en mensen Voorne.

Kustroute: van Quackgors tot Kruiningergors

Dijkenroute: van Stenen Baak tot Quackgors, langs middeleeuwse dijken aan de binnenduinrand

Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust.

De grote ommeloop van de Duinen van Oostvoorne

De grote ommeloop van de Duinen van Rockanje

 

Bloeiende duinen- routes

(hotspots met 10 kenmerkende bloemen per route, ontwikkeld bij het boek Bloeiende duinen)

Zie de kaart met alle routes en zoom in op Voorne.

 

 

Tekst en foto’s: © Jeroen Rijpsma

De Heesterhof ligt aan de ingang van de duinen van Oostvoorne, in het verlengde van de F.H.G. van Itersonlaan, verscholen onder dennen en zand, maar is nog goed zichtbaar. De auteur bespreekt de aanleg van dit bunkercomplex, de onderdelen, het gebruik en wat er van over is en nu nog te zien. Met uniek kaartmateriaal (red.).

Heesterhof op hoogtekaart met enkele details. Ontleend aan: Duinen en mensen Voorne; ©  Natuurmedia

Een hoofdkwartier in bouw

In de bitterkoude winter van 1942 op 1943 gingen tientallen Nederlandse arbeiders onder leiding van de Organisation Todt (OT) aan het werk langs de Vliegveldweg, het tegenwoordige Sipkesslag. Hier was aan de rand van de duinen achter een tuinderij aan de Duinzoom een bunkercomplex van de Atlantikwall gepland, die de Wehrmacht Widerstandnest (WN) 104 doopte. Via het tramspoor Rotterdam-Oostvoorne werden materialen en grondstoffen aangevoerd die ter hoogte van hotel Duinoord aan de Zeeweg werden overgeslagen op een smalspoor. Dit was speciaal aangelegd voor de bunkerbouw op afgelegen locaties. Het spoor liep naar verschillende bouwplaatsen kilometers ver de duinen in en vertakte richting het Breede Water en landgoed Oleartsduyn, net voordat het Baupunkt 54 aandeed. Dit was de naam die de OT gaf aan WN 104. De arbeiders laadden hier het grind, staal en hout uit voor de meer dan twintig geplande bouwwerken. Maandenlang doorbrak het rumoer van de bouwwerkzaamheden het voorheen zo stille natuurgebied.

Nadat het interieur met onder andere gasfilterinstallaties, kachels, pantserplaten en stalen deuren was voltooid en de bedden, krukken, tafels en lampen naar binnen waren gebracht namen in de zomer van 1943 infanteristen hun intrek in de fonkelnieuwe bunkers. Het complex kreeg zowel onder de Duitsers als de bevolking de bijnaam ‘Heesterhof’, vernoemd naar de heesters die hier al voor de oorlog groeiden. Het was een van de vier compagniehoofdkwartieren van een infanteriebataljon van Grenadierregiment 723 dat Voorne moest verdedigen tijdens een geallieerde invasie. De troepen hadden hun gevechtsstellingen in de duinen langs het strand, terwijl een reserve vanuit dit hoofdkwartier snel kon uitrukken naar de locatie waar een landing plaatsvond, zo was het idee.

Betonstort voor de bunkerbouw in oorlogstijd.

Soorten bunkers

De bunkers in het complex zijn grofweg in twee categorieën te onderscheiden; zogenaamde bomvrije exemplaren van gewapend beton en ‘scherfvrije’ bunkers die volledig waren opgetrokken uit bakstenen. Die laatste kenmerken zich door hun hoge gewelfd plafond, een toogconstructie die in de romaanse bouwstijl veel is toegepast en sterkte verleend. Deze gemetselde bouwwerken waren ook voorzien van ramen waarvoor scherfmuren stonden. In de praktijk verbleven de manschappen overdag liever hier, dan in de bunkers waar geen daglicht toetrad. Het waren eigenlijk ook meer versterkte huizen dan ‘echte’ bunkers, want ze boden geen bescherming tegen zware granaat- of bominslagen. Dit was wel het geval met de Ständige (St) Befestigungsanlagen. Dit zijn gestandaardiseerde betonnen bunkers waarvan de imposant dikke muren van twee tot drie meter dik bommen van vijfhonderd pond konden weerstaan. Omdat deze, inclusief het interieur, naar standaardontwerp waren uitgevoerd was vooraf al exact bekend wat er allemaal nodig was om ze te bouwen. Dit zorgde voor een efficiënt proces van planning tot oplevering.

Naoorlogse opmeting uit 1947 van twee Tobruks, gangen en een manschappenbunker type St-501 met zijn opvallende drie meter dikke muren. Het Bureau Registratie Verdedigingswerken van de Nederlandse genie legde alle Duitse bouwwerken vast, ter beoordeling of ze nog voor enig nut konden zijn voor de eigen strijdmacht. Bron: Nationaal Archief

De ingang van de St-bunkers kon van binnenuit vanachter een pantserplaat onder vuur worden genomen. De rode kleur is de oorspronkelijke camouflageverf.

Links van de ingang is nog steeds leesbaar typenummer 622, met daaronder het Baupunktnummer 58, bunker 07.

Het complex

De compagnie in Heesterhof, zo’n tweehonderd manschappen groot, werd aangevoerd door een Oberleutnant die kantoor hield in een van de gemetselde bouwwerken, de Schreibstube. Ook waren er twee langgerekte bakstenen exemplaren voor manschappen, een grote keuken en vier kleine tongewelven voor de opslag van voorraden, water en kolen. Daarnaast waren er de eerder genoemde bomvrije bunkers; een voor de opslag van munitie (St-134 Munitionsunterstand) en zes voor manschappen, waarvan de grootste tevens in gebruik was als gewondenverzamelplaats (5x St-501 Gruppenunterstand en 1x St-622 Doppelgruppenunterstand/Sanitätsstand). Deze kolossen alleen verslonden gezamenlijk al meer dan drieduizend kubieke meter beton. In het midden van het complex stond een ongewapend betonnen toiletbunker met zeven zitplaatsen. De fecaliën vielen in een forse beerput eronder, die via een luik aan de achterkant regelmatig werd geleegd. Onder geen beding mochten de militairen hun behoefte in de natuur doen, omdat dit de bodem waaruit drinkwater werd onttrokken verontreinigde. De waterpompen in de bunkers voorzagen de militairen immers van zuiver duinwater wat tijdens een belegering van vitaal belang was. Langs de periferie van het complex stonden zes betonnen Tobruks, kleine gevechtsbunkers voor een mitrailleur. De naam refereert aan de stad in Libië, waar soortgelijke ontwerpen van Italiaanse origine inspiratie gaven aan de Duitse Festungpioniere die ze massaal toepaste in de Atlantikwall. Normaliter verbonden open loopgraven deze wapenopstellingen met de manschappenbunkers. In Widerstandnest 104  waren die echter deels vervangen door aaneengeschakelde ovale betonnen ringen die zo gangen vormden, zodat de militairen ook tijdens een beschieting beschermd naar hun positie konden snellen. In feite renden ze door afgedankte rioolbuizen, maar dat zullen weinigen hebben geweten. Alle bouwwerken werden op het maaiveld gebouwd, vermoedelijk vanwege de hoge grondwaterstand in het duin. Om minder op te vallen werd zoveel mogelijk duinzand over de bunkers gegooid en over de ingangen camouflagenetten gespannen, wat onverlet liet dat het complex vanuit de lucht duidelijk zichtbaar bleef. Voor wie meer wil weten over de Atlantikwall klik dan hier.

Authentieke Duitse Baufortschrittkarte van het bunkercomplex. De functies van alle elementen zijn benoemd tot begin januari 1944. De dubbele zigzaggende lijn is de prikkeldraadversperring rondom, van een tankgracht was toen nog geen sprake. Bron: Nederlands Instituut Militaire Historie.

Een re-reanactment groep in actie in de hospitaalbunker. De wanden bij de ingang zijn schuin afgevlakt om de brancard beter naar binnen te brengen.

De bunkers waren voorzien van een waterpomp, waarvan alleen nog de bevestiging resteert. Hierboven waarschuwden Gotische letters het water niet te drinken alvorens te koken. Duidelijk zijn de horizontale lijnen van de houten bekisting zichtbaar in de okergeel geverfde betonmuur.

Schuldig landschap

Bunkercomplex Heesterhof kent een beladen geschiedenis. Op deze locatie werd de evangelist Leendert van der Meer gefusilleerd. Hij was een felle anti-Duitser die twee weken voor zijn executie nog een aantal stakende RTM-personeelsleden in Oostvoorne aan onderduikadressen hielp. Van der Meer was onder de bevolking bekend als iemand die mensen uitnodigde om bij hem naar de illegale radiozenders te luisteren. Elk dorp in Nederland telde wel wat toestellen die niet waren ingeleverd en waar ‘s avonds heimelijk naar werd geluisterd. Nieuwtjes deden vervolgens als een lopend vuurtje de ronde. Als er een radio werd gevonden leidde dit voor de betrokkene in het gunstigste geval tot een week hechtenis, maar dit was op Voorne in het najaar van 1944 heel anders. De geallieerden rukten na de invasie op de stranden van Normandië eerder dat jaar (D-day 6 juni) snel op en bereikten Zeeland en Brabant. Door het naderende front waren de Duitsers angstig en heerste er een grimmige sfeer op Voorne. Elk vermeend verzet moest met de kop worden ingedrukt. Na een vondst van een aantal radio’s elders op het eiland dreigden de Duitsers één op elke tien mannelijke inwoners dood te schieten. Toen de Ortskommandant was getipt dat in het evangelisatiegebouw in Oostvoorne illegaal naar Radio Oranje werd geluisterd ondernamen ze tijdens de uitzending op de avond van 9 oktober 1944 actie. Van der Meer zat met enkele vrienden nietsvermoedend aan de radio gekluisterd toen het geluid van de deurbel hen opschrikte. Snel verstopten ze het toestel, maar de zoekende soldaten vonden onder de preekstoel een ander exemplaar die ondanks de dikke laag stof voldoende aanleiding vormde iedereen op te pakken. Ze werden naar Heesterhof gebracht en in een bunker gevangen gezet.

Inmiddels waren hier al een jaar legionairs van het Wolga-Tatarische Bataillon 826 gelegerd. Zij waren tijdens de Duitse veldtocht in Rusland gevangen genomen en kregen de keus: of het uniform van de Wehrmacht dragen of een erbarmelijk lot in krijgsgevangenschap. Major Ernst Schermuly was de commandant van dit bataljon en tevens Inselkommandant van Voorne. Hij kwam persoonlijk langs om de gevangenen te ondervragen, want hij had grote interesse te weten of er mogelijk banden waren tussen het verzet en zijn onbetrouwbare Ost-Bataillon. Toen hij wist dat die er niet waren droeg hij de zaak over aan de Sicherheitsdienst in Rotterdam. Tijdens hun verhoor op 11 oktober zou Leendert van der Meer hebben toegegeven lid te zijn van een illegale organisatie. Hij weigerde namen te noemen en gaf aan dat zijn bezoekers er buiten stonden. Zij kwamen er dan ook met een korte werkstraf vanaf, maar voor hemzelf was er geen clementie. In hun bijzijn werd hij nog dezelfde dag standrechtelijk geëxecuteerd door een vuurpeloton van Wolga-Tataren. Het evangelisatiegebouw werd hierna in brand gestoken als waarschuwing aan de bevolking en weduwe Van der Meer werd van het eiland verbannen. Langs het Sipkesslag staat een klein bordje ter nagedachtenis aan deze droevige gebeurtenis.

Een gedenkbordje langs de Sipkesslag voor evangelist Leendert Van der Meer met op de achtergrond de betonnen molshopen onder de bomen.

Een bunkereiland

Toen de geallieerde opmars eind november 1944 bij de grote rivieren in Nederland stagneerde veranderde de Duitse verdedigingssituatie op Voorne. De Atlantikwall was voornamelijk gericht op een geallieerde invasie vanuit zee, maar een aanval vanaf landzijde was nu ook heel reëel. Het eiland werd daarom beschouwd als frontgebied en in allerijl werden overal extra veldwerken en versperringen aangelegd. Rondom WN 104 moest een tankgracht komen waarvoor een deel van de mannelijke bevolking uit de omgeving werd opgetrommeld. Daags voor hun arbeidsinzet viel er een briefje op de deurmat met tijdstip en locatie en de opmerking zelf een spade mee te nemen. Indien aan de oproep geen gehoor werd gegeven zouden er de strengste straffen volgen. De uitgegraven ring rondom het bunkercomplex liep vol grondwater, zodat het halverwege januari een eiland in het duin was. De luchtverkenners van de Royal Air force hadden er geen enkele moeite mee deze versperring te herkennen, want het donkere water in de gracht stak scherp af tegen het lichtgekleurde duinzand. Van de gracht resteert tegenwoordig slechts een langgerekte flauwte in het struweel.

In harmonie met de natuur

Na de oorlog waren de volumineuze bunkers de natuurbeheerders een doorn in het oog. Slopen bleek te duur, zodat de bunkers op advies van natuurbeschermer Cees Sipkes die in dienst was bij de terreineigenaar van dat moment, het Administratiefonds Rotterdam, werden ondergewerkt en beplant met Corsicaanse dennen. De drie duinplasjes aan beide zijden van het complex herinneren aan het hiervoor afgegraven zand. De begroeiing zorgde ervoor dat de bouwwerken in de loop der jaren steeds beter opgingen in de natuur en decennia later wisten de meeste wandelaars niet meer dat de bulten onnatuurlijk waren. Vleermuizen daarentegen wel. Zij vinden via kleine openingen van ventilatiekanalen of schoorstenen hun weg naar het binnenste van de onzichtbare bunkers, ook al zijn die doorgangen verticaal. Binnen heerst een constante temperatuur en het is vochtig; de ideale omgeving voor de winterslaap en de paring. Het Zuid-Hollands Landschap plaatste in 1994 in de ingang van de grootste bunker een deur met een klein vlieggat. Zo werden de beestjes niet gestoord tijdens hun slaap, want als ze een paar keer wakker worden leidt dat tot een gewisse dood. Uit de langlopende telling blijkt een gestage groei van de populatie van verschillende soorten. Sinds een paar jaar zijn ook enkele Tobruks voorzien van afsluitbare deksels om de rust voor deze beschermde diersoort te garanderen. Tegenwoordig is weer her en der beton zichtbaar. Het zand zakt langzamerhand naar beneden, mede als gevolg van de grazende pony’s in het duingebied die ook over de bulten trekken. Het beton trekt weer de aandacht van kinderen, die van de wandelpaden afgaan om op ‘spannend bunkeronderzoek’ te gaan. Overigens zijn het ook vaak volwassenen mannen die tijdens een wandeling hun nieuwsgierigheid niet kunnen onderdrukken en meer willen zien. Zo ontstaan vele ‘olifantenpaadjes’ en weer een volgende verandering in het landschap. Het filmpje geeft een indruk hoe de bunkers na de oorlog in de natuur zijn opgegaan.

 

Betonsporen 

Betonsporen (1). Een trapje van een metersdiepe nooduitgang van een manschappenbunker, volgestort met duinzand.

Betonsporen (2): ingang van een grotendeels verzande gang.

Betonsporen (3) Een ovaalvormige gang, opgebouwd uit betonnen rioolbuisringen.

Betonsporen (4) Een Tobruk met vleermuisdeksel. Wandelaars lopen van de paden af om al die stukken beton te bekijken.

Betonsporen (5) Prefab betonblokken. Deze werden soms gebruikt ter vervanging van bekistingshout. Ook werden er scherfmuren van gemaakt.

Betonsporen (6) Een schoorsteen verraadt de aanwezigheid van een bakstenen bouwwerk onder de grond. Het zijn openingen waar vleermuizen gebruik van maken.

Betonsporen (7) De ingang van de toiletbunker ligt vol met duinzand waarin een boom wortelt.

Betonsporen (8) De ingang van de afgesloten vleermuisbunker van het Zuid-Hollands Landschap

De Corsicaanse dennen op de kunstmatige heuvels. C.Sipkes had als taak na de oorlog de sporen hiervan zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.

Het verbodsbord van de vleermuisbunker viel, evenals veel bunkers, ten prooi aan vernielingszucht.

 

4 kiekjes van 1 gebied in de vijftiger jaren in Zuid-Holland, de Heveringen Waarschijnlijk zijn dit oudste naoorlogse  beelden van de oudste duinen van Voorne. Wie heeft er meer?

 

Mail: waar, wat en wanneer naar duinenenmensen. Of zet uw reactie onder dit bericht (maar dan weet iedereen het).

 

Menno van Lopik:

“Linksonder kijken we naar het Grenspad de rotonde, linksboven naar de Windgatseweg en rechtsonder is oost van de huidige scoutinggebouwen.
Rechtsboven is een van de opstallen van Duinstraat 5 maar daar twijfel ik over”

8 kiekjes van 1 gebeurtenis Waarschijnlijk zijn dit de vroegste beelden van de eerste vorm van natuurontwikkeling in de duinen. Door baggeren kwam ook klei etc naar boven waardoor de Tenelleplas een ander biotoop is dan het omringende duin. Foto’s uit archief van oud-boswachter Jan Timmerman.

Mail: waar, wat en wanneer naar duinenenmensen.

 

Over diverse landgoederen komt in het boek Duinen en mensen Voorne een tekst, veelal vergezeld van historische kaartmateriaal. Over Mildenburg komt een zeer uitgebreid verhaal over de geweldige rijkdom aan paddestoelen. Als warming up staan hieronder de openingspagina’s over dit landgoed. Klik op het beeld voor grotere weergave.

In dit artikel wisselt het persoonlijk perspectief zich af met een gedegen feitenrelaas over het vrijwel verdwijnen van de wielewaal op Voorne (in 2021: 1 broedgeval). De persoonlijk noot maakt snel duidelijk waarom iemand aan deze vogelsoort gehecht raakt. ” Vanuit een kolossale beuk tegenover ons huis werd ik in de zomer vaak gewekt door de bekende zang van de wielewaal die daar jaar in jaar uit zijn jongen grootbracht. Halverwege mei keerden de vogels terug van hun reis uit hun overwinteringsgebied in Afrika. Mijn vader was minder blij met deze zomergast. Precies aan de overkant van het bos teelde hij namelijk een flink veld met rode bessen, die juist in de zomer rood kleurden en voor een deel in zijn inkomen voorzagen. Het wielewaalpaartje beschouwde deze bessen natuurlijk als een tafeltje-dek- je en placht daar heel wat bessen van te verorberen.

Het artikel laat wel en wee van wielewaal de laatste eeuw zien en plaatst ook ons voor ‘het raadsel van de Hollandse delta’: waarom gaat het op Goeree redelijk goed en en is op Voorne de situatie tragisch.  De auteur: “Met enige terughoudendheid kan worden aangenomen dat de situatie tijdens de trek (jacht) en in het overwinteringsgebied de wielewaal parten speelt.” Maar ook: “De toename op Goeree-Overflakkee lijkt vooral te maken hebben met de flinke toename van bomen en het ouder worden hiervan.”

Of de auteur er uit komt…lees het artikel. (red.)

Ontleend aan In de Branding nr 1, 2022. Lees hier het hele verhaal als pdf.

De auteur schetst aan de hand van enkele oudere bronnen hoe anders de vogel- en zoogdierbevolking was in vorige eeuwen. Zo noemt vermeld hij:  “In de jachtplakkaten over Voorne wordt vanaf 1627 het korhoen genoemd. Ook in plakkaten van gebieden als Katwijk, Leeuwenhorst en Voorne worden naast korhoen, ook nog kwartel en kievit vermeld. De kwak werd rond 1520 genoemd maar niet meer na 1580.” Uit deze laatste zin maakt aannemelijk dat het Quackjeswater (pas vanaf de 19e eeuw als zodanig bekend) niet naar de kwak is genoemd, maar veel simpeler: naar de naast gelegen veel oudere Polder De Quack, die mogelijk weer niet naar de mooie reigerachtige, maar naar een bestuurder of kaartenmaker uit die tijd met de naam Quack is genoemd (die, inderdaad, vast wel naar de kwak is genoemd). (red)

Lees het hele artikel als pdf. (Ontleend aan In de Branding, nr 1. 2022).

DE BEER IN BEELD

Het fameuze natuurmonument De Beer lag aan de zuidkant van de monding van de Nieuwe Waterweg. Het was een prachtig voorbeeld van een dynamisch duinsysteem waar de zee vrij spel had. Grote strandvlaktes zorgden voor een ideale vestigingsplaats voor een kustbroedvogels, zoals visdiefje, dwergstern, de grote stern, kluut en bontbekplevier. De Beer ontwikkelde zich tot een natuurgebied dat uniek was voor Nederland. De Duitse bezetter hield verschrikkelijk huis op De Beer. Toch herwon De Beer na de oorlog een deel van zijn vooroorlogse grootsheid. In 1958 begon de aanleg van Europoort waardoor De Beer geheel zou verdwijnen. Dit unieke gebied is vastgelegd in twee publicaties.

Deel 1 behandelt de periode tot 1940. 39 pagina’s, 58 afbeeldingen, liggend A4-formaat, € 17,50. Deel 2 beslaat de periode na 1945. 125 pagina’s, 210 afbeeldingen, liggend A4- formaat, € 22,50. Deel 1 en 2 tezamen kosten € 35,00. Alle prijzen zijn inclusief verzendkosten.

Bestellen kan door het verschuldigde bedrag over te maken op rekening: NL20 ASNB 0707 1330 33 ten name van E. Buijsman in Houten. Vermeld bij de betaling de gewenste delen.

Demoversie van deel 1:  De Beer in beeld deel 1 (tot 1940)

Demoversie van deel 2: De Beer in beeld deel 2 (na 1945)

 

page1image50049024 page1image49828736

In het kader van het komende boek ‘Duinen en mensen Voorne’ vinden komend seizoen een aantal ‘Voornse expedities’ plaats voor  intekenaars, meedenkers en meeschrijvers, leden van natuur- en historische verenigingen, maar ook geïnteresseerden of terreinbeheerders (boswachters die bij willen leren) kunnen zich aanmelden.

Steeds gaat het om middagen 14.00u i.s.m. verschillende vakmensen rond wisselende thema’s die we in boek Duinen en mensen Voorne bespreken. En in tegenstelling tot de kabouter in dit bericht: het wordt ‘hard’ werken.

16 juni De grote ommeloop door de duinen van Rockanje: route in ontwikkeling in het gebied Breede water/Waterbosch met speciale aandacht voor de resultaten van herstelprojecten. In samenwerking met Marten Annema.

9 juli Botanische waarde van de Heveringen i.s.m. Erik Ketting en Dick van der Laan. Om meer te weten over flora en beheer: in uitgezette (virtuele) proefveldjes wordt de flora gekarteerd. Iedereen met goede plantenkennis en de inzet om ook de grassen en zeggen te willen leren is welkom. Eerder onderzoek, klik hier.

13 augustus Duinvlinders en herstelprojecten i.s.m. Theo Briggeman. In de omgeving van Breede water en Waterbosch lopen we vlinderroutes na en bespreken we de trends.

Aanmelden? Vermeld aub in uw aanmeldingsmail uw naam, tel.nr. en eventuele expertise rond het onderwerp. Ook fotografen zeer welkom.

Aanmelding via Rolf Roos

Maximaal aantal deelnemers: 10

Nieuws en voorintekening boek Duinen en mensen Voorne via deze link.

Deelnemers krijgen vooraf per mail bericht over de startlocatie.


Paulus Potter (1625-1654), De konijnenjacht met een fret, ca 1650, olieverf op paneel, 17 x 19,8 cm

Het olieverfpaneel  ‘Uit het leven van de jager’ van Paulus Potter dat ook bekend staat (door de twee centrale panelen) als ‘ De straf van een jager’ en ‘De rechtbank van de dieren’ is bijna een stripverhaal. Rondom twee centrale voorstellingen die respectievelijk de rechtbank zelf (met een leeuw als opperrechter) en de tenuitvoerlegging (het aan het spit braden van de jager en ophanging van de jachthonden) laten zien, worden vele vormen van jacht en bijbehorende geneugten beeldend getoond. We krijgen de halve fauna van Europa en enkele hoogtepunten uit Afrika te zien, een feest voor de kijker. Kort te zien in  2017  in de Hermitage, Amsterdam, als uitleen uit Sint Petersburg.

Het kunstwerk
Paulus Potter was een van de knapste dierenschilders die Nederland ooit gekend heeft. Hij is befaamd om de verbluffende levensechtheid van zijn dieren en de kennelijke liefde waarmee hij ook het onaanzienlijkste of schamelste exemplaar weergaf. Van 1649 tot 1653 woonde Potter in Den Haag, waar hij veel werkte voor kringen rondom het stadhouderlijk hof. In die jaren koos hij meermalen de jacht tot onderwerp. Een beroemd voorbeeld daarvan is het schilderij Het leven van de jager, een beeldverhaal met twee hoofd- en twaalf randvoorstellingen. Tien van de twaalf kleine panelen tonen de jacht op verschillende dieren, de twee middenpanelen schilderen het uiteindelijke lot van de jager en zijn honden: hun veroordeling en terechtstelling door de dieren die hij bejaagd heeft.

Een minder opvallende voorstelling aan de rechterzijde, ca 15 bij 25 cm laat een man met zijn hond zien, die gespannen naar beneden kijken in afwachting van wat komen gaat. Volgens het bijschrift in de Amsterdamse Hermitage een ‘konijnenjacht met fret’. Een fret is geen wilde bunzing, maar een gedomesticeerde. De activiteit staat ook bekend als ‘fretteren’. De tamme en slanke fret werd losgelaten voor het hol zodat hij er soepel in kon verdwijnen om een konijn te grijpen. Daarbij rennen de andere konijnen in doodsnood naar buiten om tegen het gespannen net aan te rennen om door de jachthond te worden gegrepen. Het mooi gespannen net aan de linkerzijde moest het wegvluchten beletten. Het moment is prachtig. Alles en iedereen staat klaar. Wat er mis kan gaan zien we heel klein op de achtergrond. Daar draven een minuscule figuur met stok en zijn hond achter twee konijnen aan die ontsnapt  zijn en vlak daarna in hun nauwelijks zichtbare holen zullen verdwijnen.

Fretteren was tot in de vorige eeuw een gewone tak in het jachtbedrijf. Verwilderde fretten zijn tot op heden bekend uit de duinen. En zelfs nu nog is er nog iemand die het kan: de ‘faunabeheerder’  die de konijnen in de dijken op de Maasvlakte moet bestrijden kan het ook.

Alle details in het het werk zijn veelzeggend, los van de jacht. Op deze manier konijnen kweken/jagen was vanaf de middeleeuwen (ca 1300) een profijtelijk bedrijf. De ‘duinmeier’  of een speciaal aangestelde ‘conijn jagher’ (dat kan de persoon met omgeknoopte zakdoek zijn die we zien) die het duin voor ‘konijnenwarande’ pachtte moest er veel voor neerleggen bij de grondeigenaar.  Duinmeiers probeerden zoveel mogelijk konijnen te kweken, wat frequent tot verstuivingen leidde, de duinen mede kaal hield en aan de binnenduinrand grote conflicten gaf met de aanpalende boeren, die de knagers en gravers niet mochten bejagen, maar ze wel op hun land kregen. Een traditie van stroperij kleurde de duinrand van de middeleeuwen tot ca 1990, toen vrijwel alle jacht stopte en we daarna stropers alleen nog van oude ansichtkaarten kennen. Een enkele halfvergane houten pin met stalen strik vinden we nog wel tot op heden in het duin, langs al lang verlaten konijnenpaadjes.

In het schilderij zien we veel kaal en hoog duin met op de horizon een vissersdorpje getuige de hoge toren (met vlag) aan de linkerkant, een vuurboet. Potter neemt ons naar alle waarschijnijkheid op het hier afgebeelde paneeltje mee naar de duinen bij Scheveningen, dat – goed herkenbaar aan zijn karakteristieke vuurboet – oprijst achter de duinen.

Ook zeldzaam op vroege duinschilderijen zijn de herkenbare botanische details. De pollen zijn onmiskenbaar helmgras, de struiken met de oplichtende blaadjes hebben veel weg van duindoorns.

Het thema van de wraak der dieren op hun bedreigers bestond al langer in de beeldende kunst, Potter moet het gekend hebben uit allegorische prenten. Ook de meeste jachtvoorstellingen op het grote schilderij ontleende hij gemakshalve aan oudere kunstenaars, op twee na: de jacht op berggeiten en de traditionele Hollandse konijnenjacht.Het grotere verhaal van dit kunstwerk, de rechtbank en de ten uitvoerlegging van de opgelegde straf, vormt het aandachtvragende centrum. Maar voor de duingeschiedenis is een blik naar opzij heel illustratief.

Paulus Potter, Het leven van de jager, 84,5 x 120 cm.; Sint Petersburg, Hermitage, inv.nr. 823

 

Paulus Potter, De rechtbank der dieren (uit Het leven van de jager)

 

(Met dank aan de Hermitage, Amsterdam, Arnoud Bijl; copyright beeld: © State Hermitage Museum, St Petersburg)

Literatuur

Amy Walsh, Edwin Buijsen en Ben Broos,  Paulus Potter. Schilderijen, tekeningen en etsen, tent.cat. Den Haag/Zwolle 1995, pp. 127-135

 

 

 

Door Martijn de Groot

In 2019 en 2020 wandelde ik langs de hele Nederlandse kust, van Zeeuws-Vlaanderen tot Schiermonnikoog, om alle kilometer-strandpalen te fotograferen. Strandpalen zijn meestal fotogeniek, dat vond ik altijd al. Vaak zijn ze getekend door jaren van zon, zeewind en regen. Zo ontstond een bijzondere collectie foto’s, waarvan de mooiste te zien zijn op de website www.strandwachters.nl.

Op Ameland worden de oude voorschriften voor het uiterlijk van de palen nog in ere gehouden.

Onder het wandelen begon ik me steeds meer vragen te stellen over de functie, de geschiedenis, het uiterlijk en de onderlinge verschillen tussen de palen. Ik ging met kantonniers praten, met timmerlui en omgevingsmanagers, las oude rapporten van Rijkswaterstaat en raadpleegde archieven van het rijk, provincies en hoogheemraadschappen. Het begon tot me door te dringen dat ik bezig was om cultureel erfgoed vast te leggen, dat ook nog eens werd bedreigd.

Die palen staan er al sinds de negentiende eeuw, zo bleek. Ze verschenen in 1843 voor het eerst langs de Noord-Hollandse kust, en in de jaren tachtig van die eeuw waren ze overal te zien: elke kilometer één. De palen werden door Rijkswaterstaat gebruikt om jaarlijkse strandmetingen te doen: hoogte van de paal, afstand van paal tot duinvoet, van paal tot hoogwaterlijn, van paal tot laagwaterlijn. Zo kon de ontwikkeling van strand en duinen op de voet worden gevolgd. Dat was, en is nog steeds, belangrijk in een land dat zich altijd tegen de zee moet verdedigen.

Inmiddels worden de palen al dertig jaar niet meer gebruikt voor hun oorspronkelijke doel. Strandmetingen worden tegenwoordig met satelliettechniek gedaan. In de jaren negentig zijn veel strandpalen weggehaald – in Zeeland zelfs zo goed als allemaal – totdat er protesten klonken van toeristische organisaties, gemeentes en veiligheidsregio’s, die ze toch wel wilden behouden voor oriëntatie op het strand. Ze zijn nu voornamelijk in beheer bij de water- en hoogheemraadschappen, die zich van die verantwoordelijkheid met wisselend enthousiasme kwijten. Zo wordt bijvoorbeeld op de Zuid-Hollandse eilanden, waar als een van de weinige plekken nog een dubbele rij palen behouden is gebleven, overwogen om een van die rijen weg te halen. De waterbeheerders zelf hebben geen belang bij de palen. Vandaar de grote regionale verschillen in de staat waarin ze verkeren en de mate waarin ze nog op hun plaats staan.

Gaandeweg begon ik steeds meer te snappen van de oude ‘strandpalencultuur’, waarvan in de loop van de jaren maar weinig schriftelijk is vastgelegd. Ik was dus blij dat ik nog mensen kon spreken die in de jaren tachtig zelf met het ‘Rijksstrandpalenstelsel’ hadden gewerkt, en besloot alles in een boek op te tekenen. Dat is nog niet helemaal af maar de foto’s zijn wel klaar. Daarvan deel ik er 330 op www.strandwachters.nl, van palen met cijfers die lopen van 1 t/m 100. Ze kunnen daar ook als Ansichtkaart worden besteld. Wie dat doet, helpt met € 0,25 per kaart ook de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij KNRM, die veel goed werk doet langs de kust en daarbij nog steeds veel belang heeft bij strandpalen om zich te oriënteren. De website biedt daar meer informatie over, en ook over het wandelproject en de geschiedenis van de palen.

Martijn de Groot is communicatieadviseur en tekstschrijver, voornamelijk actief op het gebied van land- en tuinbouw en groene ruimte

Strandpalen op 200 meter onderlinge afstand op de Noordvaarder, Terschelling

 

Ook in het binnenduin staan veel palen zoals deze bij Langevelderslag [onderdeel van hetzelfde voormalige ‘rijksstrandpalenstelsel’ als die op het strand].

 

Paal 5 bij Julianadorp

Wanneer leden van de Ockenrodegroep, die in 1967 begonnen met het inventariseren van broedvogels in Solleveld en Ockenrode nabij Den Haag, nu terugkijken naar deze beginperiode dan doen ze dat met weemoed en enige treurnis. De vogelwereld van de jaren zestig bestaat niet meer. Tal van typische duinvogels zijn in de loop der jaren verdwenen of sterk afgenomen maar er zijn ook positieve ontwikkelingen: andere soorten namen juist toe of hebben zich recentelijk als nieuwkomer gevestigd. We horen nu geen jodelende wulpen meer en missen ook andere eens vertrouwde geluiden van kievit, grutto, tureluur, scholekster, patrijs, zomertortel, grauwe klauwier, paapje en tapuit. Van de bijna 100 paar veldleeuweriken is er geen enkele meer over. Ook ransuil (ooit 9 paar), boomvalk en torenvalk (ooit 17 paar!) hebben Solleveld verlaten. Er verschenen echter wel nieuwkomers zoals de aalscholver (322 paar in 2020), verschillende soorten ganzen en eenden, roerdomp, waterral, buizerd, havik, blauwborst, kleine karekiet, Cetti’s zanger en boomleeuwerik.

Mogelijke oorzaken die de vogelstand beïnvloed kunnen hebben zijn de komst van drinkwaterinfiltratie, de verruiging door de sterke afname van het konijn en door stikstofdepositie, het verdwijnen van omliggende agrarische gebieden, de effecten van ”De Grote Droogte” in de Sahellanden en ten slotte de kolonisatie door vos, havik en bosuil. De afname van een aantal zangvogelsoorten zoals grasmus, nachtegaal, gekraagde roodstaart en sprinkhaanzanger in de jaren zeventig viel duidelijk samen met “De Grote Droogte” van 1969-93 in hun voornaamste overwinteringsgebied, de Sahel. Toen de regenval zich daarna weer herstelde namen deze soorten weer toe en deze doen het nu weer uitstekend.

De komst van de vos viel samen met het verdwijnen van veel resterende grondbroeders. Daarnaast leek de kolonisatie door de havik en de bosuil de stand van kleinere roofvogels en ransuil naast die van groene specht, houtduif en kleinere kraaiachtigen te beïnvloeden. De tegenwoordige bezoeker van Solleveld kan nog steeds genieten van de vogelrijkdom daar maar moet zich wel realiseren dat deze vogelrijkdom veranderlijk is. Een halve eeuw geleden was deze heel anders en zal over een halve eeuw ook weer anders zijn.

(Martin Lok in naschrift:) We hebben uitvoerig gestudeerd op het effect van de zandmotor en contact gehad met mensen die daar naar vogelbewegingen kijken, maar geen enkel effect kunnen ontdekken. Je zou verwachten dat de zandmotor een positief effect op de visstand zou hebben en daar mee de aalscholvers positief kunnen beïnvloeden. De aalscholvers foerageren wel voornamelijk op zee maar vaak ver van de zandmotor.

Het hele artikel  (pdf) van Jacco Duindam, Gerben J. van Geest, Gerjon Gelling & Martin Lok verscheen in Holland’s Duin, 2021

 

De in Castricum wonende Arend de Jong is niet alleen een goed vogelaar die in staat is de uilen persoonlijk te lokken (zie een kort TV- item met hem uit 2013), maar beschrijft zijn resultaten ook kort en bondig. We citeren hier een kort verhaal van hem met een unieke waarnemingsreeks (ontleend aan: PWN Nieuwsbrief 62, 2021: 18 en 19).(red.)

 

 

In het tijdschrift Hollandʼs Duinen, platform voor duinonderzoek
in Berkheide, Meijendel en Solleveld, nr. 79, pag. 21-29, november 2021 verscheen van de hand van Frans Beekman het artikel Veldnamen in Meijendel waarvan we hier de pdf graag weergeven.

 

 

 

Van veel duingebieden staan op duinenenmensen studies van veldnamen. Zie zoekterm ‘veldnamen’:  artikelen of rapporten over Terschelling, Texel, Zwanenwater, Kennemerland, DeBeer, Voorne en nu ook Meijendel.

Ook op duinenenmensen een  In memoriam van de ‘uitvinder’ van duintaal, Rob Rentenaar, plus links naar zijn (duin) publicaties.

 

Door: Rolf Roos, met dank aan Dick van der Laan; aanvullingen welkom aub onderaan artikel.

Laatste update:17 nov. 2021

F.W. van Eeden (1829-1901) was directeur van het Koloniaal Museum, maar daarnaast een belangrijk plantenkenner. In zijn ook nu nog goed leesbare boek ‘Onkruid’ uit 1886 stelt hij voor om sommige delen van Nederland te bewaren als monument der natuur, waarmee het woord ‘natuurmonument’ voor het eerst werd gebruikt. In 1874 publiceerde van Eeden een ‘Lijst der planten die in de Nederlandsche Duinstreken gevonden zijn’, die we als pdf hebben opgenomen. Het is het eerste overzicht van de botanische rijkdom van de duinen. F.W. van Eeden had zelf veel veldkennis opgedaan in de duinen van Kennemerland. Op Voorne is hij voor zover bekend niet geweest maar hij vermeldt wel zijn bron van kennis over dit eiland: “Flora van Brielle en omstreken, voornamelijk van de duinen van Voorne, gedurende een tweejarig verblijf  aldaar samengesteld door den Heer M. W. Beijerinck, met raadpleging van den heer Huisman te Brielle, en mij in handschrift afgestaan.“ Beide bronnen zijn voor zover bekend verloren gegaan.

Necrologie van Eeden uit 1901

Frederik-Willem van Eeden, portret uit 1899 door Therese Schwartze.

De lange lijst uit 1874 bevat veel bijzonderheden van Voorne, waarbij soms Rockanje of Oostvoorne expliciet worden genoemd. Een enkele keer wordt ook het (toen nog vele malen grotere) gebied van de Heveringen genoemd, een laag en oud binnenduinlandschap op de grens van Rockanje en Oostvoorne. Eén van die bijzonderheden is de hondspeterselie, “talrijk aan den Hevering” (nu zeer zeldzaam in Voornes Duin omgeving Eerste Slag / Tweede Slag). Duidelijk is dat de soortenlijst ook de destijds onbemeste dijkjes van Voorne omvat, met soorten als moeslook, gevlekte rupsklaver, dolle kervel (“algemeen bij de dijken”), veldlathyrus en (“veel”) aardaker. En daarnaast akkers met windhalm en korenbloem. 

Flora van Voorne in 1874 en nu

We wagen het de lijst van toen te vergelijken met de huidige situatie. Was de flora van Voorne in 1874 rijker, armer, anders? De vergelijking is deels vals want tegenover de waarnemingen van een enkele florist rond 1870, staan de digitaal vastgelegde waarnemingen van vele honderden waarnemers nu. Dit ‘waarnemerseffect’ geeft mogelijk een te gunstige kijk op de flora van nu (er wordt maar weinig gemist). Bovendien hebben we inmiddels een deels ander klimaat (met meer zuidelijke soorten); bosontwikkeling; een andere indeling van soorten (en soms andere namen); andere typen leefgebied (steden, wegen, stenen dijken en industriegebieden) en is er sprake van overbemesting van het landelijk gebied. 150 jaar geleden lagen overal schraal begroeide maar soortenrijke dijkjes tussen bloemrijke drasse graslanden en kruidenrijke akkers. Kortom vergelijken komt met veel voetangels en klemmen. De vergelijking kan wel eens mank gaan, maar scherpt zeker de geest. We bespreken per biotoop (van zilt land tot bos) enkele belangrijke accentverschillen om aan het eind een conclusie te formuleren.

Hoe volledig was de lijst van 1874?

De ‘afwezigheid’ van een soort in 1874 terwijl deze er nu wel voorkomt, kan verschillende oorzaken hebben. Er zullen soorten niet op de lijst staan omdat ze gemist zijn door de botanici van rond 1870 (zoals waarschijnlijk de aardbeiklaver) of omdat ze later pas zijn verschenen. Dat laatste geldt voor het doorgaans aan bos gebonden stofzaad, in 2010 gevonden door de lokale plantenwerkgroep van de KNNV maar ten tijde van van Eeden nog onbekend. Meestal is het lastig uit te maken waarom een soort ‘ontbreekt’, maar gelukkig vermeldt van Eeden bij een aantal soorten expliciet ‘niet op Voorne’ en dan kunnen we aannemen dat er destijds wel naar gekeken/gezocht is. Zo’n soort is pijpenstrootje: die ontbrak 150 jaar geleden. De soort is gekoppeld aan een op Voorne zeldzamer milieutype (ontkalkt, licht zuur, vochtig), en komt er tegenwoordig zeer schaars voor. Dat de onmiskenbare vleeskleurige orchis ontbreekt in van Eedens overzicht, moet een gevolg zijn van onvolledigheid, net als het ‘missen’ van kruipend zenegroen, nu zeer algemeen langs bosranden en in duinvalleien. Van beide soorten is het niet voorstelbaar is dat ze er vroeger niet waren. Kortom, de lijst van van Eeden is prachtig, maar zeker niet ‘compleet’.

Langs zee en strand

Zilte en brakke soorten

Gestippelde ganzevoet, zeegroene ganzevoet, spiesmelde en strandmelde kwamen destijds al langs kwelders of aangroeikusten voor, net als zeepostelein, zeewolfsmelk en zeeaster. Op hogere kwelders of jonge duintjes ook kattendoorn (“op Voorne niet algemeen”), Deens lepelblad, blauwe zeedistel en zeewinde (door van Eeden vermeld voor de Maasmond, dus mogelijk niet Voorne). Wilde selderij, melkkruid en zilt torkruid werden ook vroeger gevonden en in de jongste standvlaktes stond herfstbitterling vermeld op het destijds voorkomende “Groene strand bij Rockanje”, naast strandduizendguldenkruid en waterpunge.   

Wateren en moerassen 

Op de lijst uit 1874 staan geen waterlelie en kalmoes vermeld, maar tegenwoordig zijn beide soorten bescheiden aanwezig in Oostvoorne. Dat er wel degelijk nauwkeurig werd gekeken blijkt ook uit een tweetal soorten die alleen van Voorne bekend waren: de moerasgamander en de bittere veldkers. Deze laatste soort, in duinen zeer zeldzaam, is te verwarren met witte waterkers en leggen we terzijde. Van moerasgamander is de vermelding in 1874 de oudst bekende. De soort komt nog steeds voor, vroeger iets algemener, nu in ons land alleen in de duinen van Voorne.

Andere soorten uit zeer natte milieus in 1874: 4 soorten waterkers, poelruit, watermuur, gele lis en galigaan. Ook ondergedoken- en groot moerasscherm waren van Voorne bekend, de laatste soort nu niet meer. In het water ook 4 soorten fonteinkruid, waaronder de zeldzame ongelijkbladige, maar het bijzondere weegbreefonteinkruid (nu alleen op Voorne en Texel) was nog niet ontdekt. Verder vele soorten waterranonkel, kattenstaart, heelblaadjes en de wateraardbei. Hoe nat en kalkrijk het was blijkt uit de kleine valeriaan: “algemeen op Voorne”; ook nu nog relatief veel te vinden vooral in mei. En wat te denken van moerasandijvie: destijds “zeer algemeen”. De uitgestrektheid van de vochtige en natte duinen weerspiegelde zich ook in het voorkomen van de moerasvaren (destijds alleen bekend van Texel en Voorne) en de veel voorkomende waterdrieblad (nu schaars en verdwenen uit het Quackjeswater) en moeraskartelblad. Smeerwortel en bitterzoet completeren het beeld van meer voedselrijke moerassen in het duin, vroeger en nu. Voor de natte Voorne duinen van nu is ook de grote boterbloem aansprekend, net als de moesdistel; beide niet bij van Eeden.Tenslotte de vondst van de forse moeraswolfsmelk: “Duinen ten zuiden van Rockanje, zeldz.“. Nu alleen bekend uit Oostvoorne. 

Vochtige valleien

Vochtige duinvalleien zijn bloemrijke milieus die ook toen al van zich deden spreken met watermunt en knopbies, rond wintergroen, geelhartje, teer guichelheil, parnassia en armbloemige waterbies. En natuurlijk vele orchideeën waarvan heden nog terug te zien zijn: keverorchis, groenknolorchis, hondskruid, harlekijn (“vrij algemeen” nu nog slechts in 1 gebied), moeraswespenorchis, gevlekte en brede orchis. Niet vermeld worden de voor Voorne en Goeree zo kenmerkende platte bies en de rietorchis, maar dat is wellicht een kwestie van indeling en nomenclatuur geweest. Wél in 1874 en ontbrekend in 2020: bruinrode wespenorchis, grote muggenorchis (weer bekend sind 2021) en honingorchis (verdwenen in de jaren 60). In 1874 onderscheidde men de duinwespenorchis nog niet.

‘Moeilijke’ varentjes als maanvarentje en addertong worden in 1874 respectievelijk niet en wel gememoreerd. Wel werd de blauwe knoop gevonden, die door menig florist ook nu nog over het hoofd wordt gezien vanwege de zeer late bloei. Slanke gentiaan wordt gememoreerd (“talrijk”) en de inmiddels van Voorne verdwenen veldgentiaan, al was de laatste ook toen al “zeer zeldzaam”. De tegenwoordig aanwezige kruisbladgentiaan ontbrak zo goed als zeker in 1874. Naast de ook nog overal aanwezige kale jonker wordt ook de Spaanse ruiter vermeld, niet meer bekend van na 1960. Een soort van blauwgraslanden en oudere, van oorsprong kalkrijke duinvalleien. 

Droge duinen

In droge duinen was het nu algemene slangekruid in 1874 nog niet present, evenmin als het onmiskenbare zeepkruid. Ook kleine steentijm, niet talrijk maar toch regelmatig te zien, blijft onvermeld. Avondkoekoeksbloem staat wel op de oude lijst maar kegel- , nacht- en oorsilene hadden het label “niet vermeld op Voorne”. Nu niet meer: ze bloeien alle in het duin. In 1874 wel present: de veldhondstong en diverse toortsen.

Het zandblauwtje, op Goeree zo algemeen in het oude duinland bij Ouddorp en in Middel- & Oostduinen, ontbrak toen en nu op het kalkrijke Voorne. “Niet algemeen” staat er bij het buntgras van 1874. Dat de meer kalkminnende beemdkroon destijds niet gevonden is (terwijl de soort relatief veel op Goeree staat) is interessant. Deze niet te missen soort groeide blijkbaar destijds niet op Voorne. Anno 2020 is ze op 1 plekje aanwezig in de Kaapduinen. Het hazepootje stond destijds te boek als zeldzaam (nu niet), wat niet gold voor de algemeen voorkomende gewone agrimonie en het glad parelzaad.

Ook wordt rond 1874 geen enkele bremraap genoemd; ook nu zijn ze nog altijd niet talrijk. Heel sporadisch treffen botanici tegenwoordig de walstrobremraap en op Mildenburg is regelmatig de klimopbremraap te zien. De in de delta sterk aanwezige klavervreter ontbreekt op Voorne. Alleen rond de Tenellaplas zijn nu diverse bremraapsoorten te vinden, maar die zijn aangeplant. Evenals de struikhei die ‘wild’ ontbrak in de 19e eeuw. In de 20e eeuw kwam (volgens Dick van der Laan) struikhei voor op de Heveringen, waar nu het parkeerterrein van het bezoekerscentrum Tenellaplas en het restaurant ‘de Meidoorn’ zijn gelegen en eveneens langs het Grenspad, maar de soort is daar verdwenen door verruiging en een paardenroute.

Op de lijst van 1874 schitteren naast tijm en geel walstro ook voorjaarsganzerik, knolboterbloem, kruipend stalkruid, wondklaver en o.a. de grassoorten zachte haver en bevertjes die “zeer algemeen op Voorne” waren, maar tegenwoordig op dijken ontbreken en in het duin veel meer verspreid lijken voor te komen. Treffend is de vermelding van het ruig viooltje naast maarts viooltje, hondsviooltje en duinviooltje.

En evenmin ontbraken kleine bevernel en driedistel. Bitterkruid sierde ook toen de Voornse duinen, maar grasklokje was er toen schaars en dat is nog steeds zo. Het zuur- en mestgevoelige dwergviltkruid werd in 1874 gevonden, maar is al voor WO II van Voorne verdwenen. Vroeger en nu aanwezig maar schaars: de voorjaarszegge en het smal fakkelgras. Tenslotte was van de grassen het tegenwoordig door vermesting oprukkende duinriet ook toen flink present in ons land: “Allerwege over de gehele duinstreek. Ook op de Binnenduinen”.

Bos en struweel

Er was veel minder bos in die tijd en wat er stond aan bomen was zelden oud. Dat zien we terug in destijds ontbrekende ‘echte’ bossoorten van de ondergroei. Lelietje van dalen ontbrak 150 jaar geleden, maar is nu overal in bosranden aanwezig, net als daslook. Langs bosranden bloeide in het voorjaar nog geen fijne kervel, althans het was nog niet waargenomen. Wel stond er holwortel (te verwarren met de nu zeer algemene vingerhelmbloem die niet op de lijst staat). Andere bolgewassen destijds waren gewone vogelmelk en het sneeuwklokje. Stengelloze sleutelbloem wordt niet vermeld (noch enige andere Primula), wat doet vermoeden dat alle tegenwoordig voorkomende soorten (zoals de stengelloze in de bossen, en de gulden in de duinen) zijn aangevoerd en verwilderd. Vroeger en nu zeer zeldzaam: hartgespan en stinkende ballote. Ook de minder kritische bosandoorn was al present. Heggenrank was net als nu “talrijk”, wat wijst op aanwezigheid van struweel waar de soort tegen opkruipt. Waar tegenop? ER was meer geboomte dan we nu vaak denken. De berberis was destijds “zeldzaam op Voorne“ (nu zeker niet), maar dat gold niet voor de eenstijlige meidoorn, vuilboom, wegedoorn, gewone esdoorn, Spaanse aak, lijsterbes, berk, zwarte populier en zomereik. Kardinaalsmuts stond te boek als “zeldzaam”. In de ondergroei “veel” robertskruid. Toen en nu was er veel Gelderse roos, liguster en vlier. Bos kan dan schaars zijn geweest, struweel was er overal. In 1874 wordt – heel opvallend- er nog jeneverbes in het duin vermeld. Nu al lang niet meer.

Niet rijker, wel anders?

Was Voorne in de 19e eeuw nu rijker? Nostalgisch aangelegde plantenspeurders omarmen deze stelling wellicht, want groeide er toen niet nog veldgentiaan en honingorchis? Was kleine valeriaan geen meer algemene verschijning en waren harlekijnen niet min of meer gewoon? Ze hebben wellicht gelijk, maar de lijst van wat ze toen (nog) niet hadden (of niet zagen) is ook omvangrijk: beemdkroon, kleine steentijm, vleeskleurige orchis, bremrapen en nauwelijks silenesoorten, om maar een paar omissies/nog niet aanwezige soorten te noemen. Voor een goede onderbouwing van ‘rijker of niet’ missen we vooral informatie over hoe men vroeger keek en soorten noteerde; de datastroom van heden is niet te vergelijken met het lijstje van twee liefhebberende floristen toen. Wat wel zeker is: Voornes flora had destijds een aantal andere accenten.

Een eerste accent is de grote verwildering van deels aangevoerde en deels spontaan gearriveerde, Nederlandse, soorten. Dat is echt van na 1900 met sleutelbloemen, wilde akelei, daslook, fijne kervel en lelietje van dalen. Deze trend is grotendeels een weerspiegeling van de bosontwikkeling, al dan niet in combinatie met aanvoer of aanplant door de mens. Bijzondere soorten als kruisbladgentiaan duiken op en verspreiden zich, soms als escape uit een manmade hotspot, de heemtuin van Sipkes aan de Tenellaplas. Zoals eenbloemig parelgras, de maretak, wilde akelei en zwartblauwe rapunzel, ruig klokje etc.

Een tweede belangrijk accent is dat Voorne zeer nat is, maar het lijkt dat het destijds wellicht nog moerassiger was met al die kleine valeriaan, veel moerasandijvie, waterdrieblad en poelruit. In dit natte Voorne kon de moerasgamander zich 1,5 eeuw handhaven. 

Een derde accent, een verschil tussen vroeger en nu, zit meer aan de dijk- en polderzijde. De algemeen genoemde bevertjes, bijzondere dijkbloemen, leuke poldergraslanden, veel planten van zomen als dolle kervel en ijzerhard, zijn nagenoeg verdwenen. Een botanisch rijk cultuurlandschap werd grotendeels villawijk en/of recreatieterrein. 

Kortom: of Voorne rijker was laten we in het midden, heel anders was het wel.

Interessant was dat de stedeling en romanticus van Eeden destijds meer waardering opbracht voor het duin dan voor de polder: “Het gele warme duin en het groene, vlakke koude weiland met slooten en dijken, staan tegenover elkaar als de mensch, die in volle vrijheid leeft en werkt, tot den man met gebonden beroepsarbeid, die dagelijks in den socialen rosmolen moet loopen”.

(Uit: Van Callantsoog tot St. Pancras, 1893)

 

Bij het boek Duinen en mensen Voorne werken we aan nieuw overzicht van natuur en historie. De eerste verhalen beginnen we nu af te ronden. Als voorproef dit korte hoofdstuk over het Kaapduin waar de geschiedenis van het gebruik de natuur van het heden dicteert. Klik op de foto en de pdf van het concept wordt leesbaar. Een kleine stap voorwaarts! Omdat het een concept is zijn correcties welkom! Leen Hoogerwerf  uit Rockanje wist veel van deze waterwinning (waarover geen publicaties bestaan) en zijn reactie wordt ook verwerkt in onze eindversie. Commentaar altijd welkom tot eind 2022, maar aub geen bozige toon. De ‘echte’ geschiedenis bestaat niet; we kunnen alleen nieuwe feiten steeds beter in een verhaal gieten.

Jan Alewijn Dijkhuizen op zoek naar…