Update 20 september 2026
De Oostvoornaar Cees Hokke, nazaat van de jachtopziener Izak Dekker (1873-1955) die we portretteerden op pagina 35 in het boek Duinen en mensen Voorne (zie afbeelding) vond meer beeld in zijn archief waarmee we het verhaal van de duinen verder kunnen aanvullen. Ook vonden we diverse oude foto’s van de rijshoutschermen ter hoogte van het huidige Breede Water die een bijzondere tijdreeks vormen. De mens en de wind hielpen hier met de afsluiting. En na het ontstaan van een bredere zeereep werd het Breede Water dieper door stijgend grondwater.
Niet zomaar een foto van mannen van rond 1920. Het beeld toont paard en kar, die volgens Cees Hokke van zijn overgrootvader Izak Dekker wars. Op de foto staan rechts Jan Piet Oudwater, de man links is Aart Dekker Izn (Izn: d.w.z. de zoon van Izak Dekker de jachtopziener; ‘Izn’ is hier een belangrijke toevoeging want er waren er meerdere Aart Dekkers aan de duinrand).
Aart Dekker, grootvader van Cees, verhuurde paard en wagen aan ‘de Maatschappij’, d.w.z. NV Voorne’s Duin, ten behoeve het afsluiten van het Breede Water aan de zeezijde. Nu kennen we het Breede Water als een met bos omzoomd meer, in die tijd was het een breed nat strand dat rond 1910 was ontstaan na kustaangroei. Hoe dat verliep in de tijd: zie bijgaande kaartreeks, pag. 131 uit Duinen en mensen Voorne en een tweetal unieke foto’s van voor de oorlog, genomen op dezelfde plek, vanaf paal 11 noordwaarts. Het is ter hoogte van wat na 1938 ‘Strypemonde’ heet.

De situatie na de afsluiting, 1936; foto privécollectie. Links achter ontwikkelt zich ook weer een groen strand op De Punt.
Aan de zeezijde is met verrijden van zand maar vooral met stuifschermen van o.a. riet en wilgentenen de natte vlakte gesloten. Daarna ontstond het meer door stijging van het grondwater. De oostzijde van het Breede Water is de kustlijn van 1910, de westzijde die van 1934. Ook het waterschap, lang niet altijd een applausmachine voor NV Voorne’s Duin, was blij met het resultaat: zie het handgeschreven commentaar bij de foto uit een gedenkboek van het Hoogheemraadschap van Voorne uit 1950 (Stadsarchief Rotterdam).
Rolf Roos
Ter hoogte van Landgoed Strypemonde ligt er anno 2026 veel bos, tussen het 20e-eeuwse Breede Water (zeezijde) tot nabij de 15e-eeuwse Noorddijk aan de polderzijde. Nog maar 400 jaar geleden was het een open kustgebied (het Windgat), een door lage duinen begrensde strandvlakte met gorsen en kreken en werden diverse dijken aangelegd die we in het boek Duinen en mensen Voorne hebben beschreven. Die bedijking vormde de basis voor ontginning tot landbouwgrond en later ook aanleg van bosgebieden (hakhout). In dit artikel ligt de focus op het bosgebied rond landhuis Strypemonde waarvan de bouw in 1937 startte.
Er zijn sinds kort nieuwe bronnen beschikbaar; zo werd in het Regionaal Historisch Centrum in 2026 een vroege kaart van het landgoed (ca 1938) gearchiveerd die we hieronder tonen. We publiceren bovendien getypte lijsten van aanplant tussen ongeveer 1960 en 2000 van honderden verschillende boomsoorten en variëteiten. De lijsten zijn beschikbaar gesteld door de familie Van Hoey Smith en tonen wat de broers Ru (destijds de bewoner van Strypemonde) en Dick (verbonden aan Arboretrum Trompenburg in Rotterdam, eens bezit van de familie) als liefhebberij hebben aangeplant. We beperken ons tot het eigenlijke landgoed van 40 hectare. Om de rijke historie vanaf de middeleeuwen te kunnen duiden, verwijzen we naar een artikel en routebeschrijving elders. Over de veldnaam Windgat (voor het eerst vermeld in 1479) meer in een uitgebreid verhaal van Nol Freijsen. In dit artikel een oproep om na te gaan wat er van de vele aangeplante exotische bomen resteert.
Over aanleg van landgoed en bos staat in de beschrijving van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed bij aanwijzing van Strypemonde tot Rijksmonument (2021) o.a.: “Nadat de buitenplaats Overburgh in 1932 door brand werd verwoest betrokken James van Hoey Smith en diens familie het bij de dan nog niet als zodanig aangelegde buitenplaats Strypemonde gelegen oorspronkelijke Pesthuis. (…) In 1937-1938 liet James op een restant van de Pietersdijk het landhuis Strijpemonde bouwen, naar ontwerp van architect J.W. Janzen, die tevens huisvriend van de familie was. Tegelijkertijd of kort hierna werd rondom het huis – wellicht deels in samenwerking met architect Janzen – een zeer ruime parkaanleg in landschapsstijl aangelegd, bestaande uit een ruime parkweide met grootschalige vijverpartij in landschapsstijl. Het uitgraven van de vijver gebeurde met kruiwagens in het kader van een werkverschaffingsproject. Het zicht vanuit het huis op de weide met vijverpartij wordt door het al eerder genoemde bos uit de periode 1800-1819 begrensd [bedoeld wordt het Windgat]. In dit bos werd een losmazig patroon van slingerpaden aangelegd en een nieuwe vijver met heuvelpartij. Een ruime in curven verlopende laan vanaf boerderij de Schaapskooi dient sindsdien als oprijlaan naar het landhuis. (…) Het gehele park werd beplant met in Nederland zeldzame uitheemse bomen en planten, waaronder bamboe, kurkeik en een pinetum in het bos ten zuidwesten van het landhuis. Omstreeks 1960 werd in het bos uit de periode 1800-1819 een laan van Metasequoia aangelegd. De onderdelen van het complex Strijpemonde staan in een fraaie landschappelijke omgeving met een grote afwisseling van gesloten en open delen.”
Dan een citaat uit Ontginningen aanwijzing beschermd dorpsgezicht Voornes Duin (2017):
“Het Windgat werd uiteindelijk definitief afgesloten door nieuwe duinrepen die zich de laatste tweehonderd jaar op de voormalige strandvlakte ontwikkelden. Een deel van het Windgat heeft de oorspronkelijke functie uit de tijd van de ontginning behouden: hakhoutbos en weidegrond. Bij de aanleg van de buitenplaatsen is dit ontginningslandschap aangepast. Het geometrische lanenpatroon van het loofbos van Windgat werd deels vervangen door slingerpaden. In de jaren 1950 werden hier veel dennen geplant, waardoor het open karakter van het gebied verdween. Het landgoed kent een rijke beplanting, waaronder exotische eikensoorten en een laan met metasequoia’s (…). De exotische bomen hebben naast een natuur- ook een belangrijke cultuurhistorische waarde, omdat zij een directe connectie vormen met de Rotterdamse familie Smith. Deze bewoonde in Kralingen de buitenplaats Trompenburg, waar J. van Hoey Smith in 1928 het (nog bestaande) arboretum Trompenburg stichtte. Beheerder daarvan was zijn zoon D. van Hoey Smith.”

Kaart van Strypemonde van vlak voor de oorlog met grasland en bossen. Het bosgebied linksboven is De Vallei en al lang geleden verkocht. Opvallend zijn de vooroorlogse veldnamen: Paardenwei (werd Vogelwei) en Gorsweiden, waarbij het woord gors mooi verwijst naar het zoute verleden. Meteen onder de Paardenwei is de Pietersdijk aangegeven (dit deel is met dennen ingeplant) en ook een dennenbos. De Noorddijk heet hier Schapendijk. Eerste en Tweede Jaagpad behoeven geen toelichting. Het Tweede Jaagpad is hernoemd tot A.J. Bootpad, naar de opzichter van destijds. In het ooit strak geometrisch aangelegde bos (Het Windgat) zien we de nieuwe slingerpaden. Bron: Regionaal Historisch Centrum, Brielle, archiefnr. 707. Klik op de kaart voor uitvergroting.

Van enkele specifieke aanplanten, zoals de nog bestaande laan met Chinese mammoetbomen (ook wel watercypressen genoemd) is globaal bekend wanneer dit plaatsvond, nl. rond 1960, nadat een eerdere aanplant van Sitkasparren het had begeven.
Wat plantten Ru en Dick van Hoey Smith aan? Er bestaan van hun hand twee documenten, gedateerd rond 1960 (volgens de dochter van Dick, Maaike Schalij-van Hoey Smith) met een goede administratie van waar welke soort werd aangeplant. Helaas ontbreken aanplantjaren, maar dit moet geweest zijn tussen 1960 en eind jaren 90, toen Ru overleed.
Dankzij twee archiefstukken weten we in welke vakken hij welke soorten heeft aangeplant. Er is een document dat plantvakken aangeeft en wat per plantvlak is geplant, en een bomenlijst met waar welke soort is aangeplant. We treffen een indrukwekkende hoeveelheid boomsoorten uit alle hoeken van de wereld.
Bekend is dat Dick van Hoey Smith een passie had voor eiken: meer dan 50 soorten en variëteiten vonden hun weg naar het landgoed. Van enkele soorten zijn er karteringen waardoor we ze tot op heden terug kunnen vinden, zoals van de moseik, zie de verspreidingskaart met deze soort en bijschrift uit Duinen en mensen Voorne pag 87. Een goede inventarisatie van wat er nu nog van resteert al die aangeplante soorten ontbreekt. Op de oude lijst staan behalve Chinese moerascypressen (Metasequoia glyptostroboides) ook de Amerikaanse redwood (Sequoiadendron giganteum) en kustmammoetboom (Sequoia sempervirens). Als ze nog mochten leven kan je die niet over het hoofd zien….Deze soorten zijn klassiekers van botanische tuinen en arboreta, maar van minstens even groot belang zijn de zeer vele soorten den (Pinus) en de meer dan 50 soorten eiken. Dat laatste is in potentie een unieke collectie maar wat is er nog van over? Een antwoord op deze vraag is cultuurhistorisch van groot belang en ook is het boeiend om te zien welke van al deze exotische soorten het in het huidige (warmere, nattere, in de zomer, drogere) klimaat goed doen. Van de mediterrane moseik weten we dat die zich momenteel goed uitzaait. Daarnaast is aandacht voor mogelijke probleemsoorten relevant. Wat gaat er, bij gebrek aan natuurlijke vijanden, wellicht te hard? In de Voornse duinen zijn al problemen met diverse rassen van esdoorns, hulst, en ook wijnbes, Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw woekeren. En het is evident dat al die exoten tot bijzondere vondsten bij andere soortgroepen moeten leiden. Zijn er al nieuwe keversoorten op gevonden? Of paddenstoelen? De laatste zijn redelijk in beeld maar zeker niet uitputtend beschreven.
Kortom: de hier gepubliceerde kaart en de documenten over de beplanting zijn een basis voor verder onderzoek. Als er veel exotisch plantmateriaal uit de vorige eeuw resteert, is de instelling van een ‘Arboretum Strypemonde’ te overwegen, wellicht als dependance van Trompenburg. Maar eerst de feiten op een rij.
Henk Terhell
Bekijk het fotoboek over Strypemonde en bij Tenellaplas (2026).
De foto’s zijn uit de periode 2019-2022, en zijn alle gemaakt in landgoed Strypemonde en rondom bezoekerscentrum Tenellaplas te Rockanje. Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in een naam? Meld het ons!
Eerrder verschenen vele foto’s voor het boek Duinen en mensen Voorne waaronder paddenstoelenfoto’s op landgoed Mildenburg (Oostvoorne).
Rolf Roos
De Rotterdamse ‘havenbaron’ William Smith en zijn zoon James van Hoey Smith waren centrale figuren in de duingeschiedenis van Voorne. De familie stichtte twee waardevolle landgoederen: Olaertsduyn (ca 1912) en Strypemonde (1938) en had daarbij de vrije hand van locatiekeuze. Ze kozen gerenommeerde architecten van hun tijd, want ze hadden het geld en ze wensten allure. Zo ligt landhuis Strypemonde bovenop de niet als cultuurmonument erkende Pietersdijk (van ca 1570) en ook middenin het duinlandschap. Over de omvang circuleren verschillende getallen. Dat heeft te maken met de verkoop van een groot duingedeelte er ooit deel van uitmaakte aan Natuurmonumenten, eind vorige eeuw. Thans resteert ca 40 hectare. In dit artikel meer over de sympathieke, maar foutieve naam van het landgoed.
William Smith had eind 19e eeuw het hele duin van Voorne verworven. Als eigenaren deden hij en zijn zoon aan natuurbescherming inclusief jacht, maar ze wilden ook geld verdienen aan hun duinbezit: ze verpachtten visserijrechten, landjes voor duinlandbouw én ze ventten grote delen uit als ‘exploitatiegebied’ (Duinen en mensen Voorne p54-59). Bouwkavels werden verkocht waarbij de eigenaren kregen allerlei regels opgelegd kregen (zgn. servituten, een oud woord voor erfdienstbaarheden). Het Quackjeswater dat ze ook bezaten was in de vorige eeuw decennia een drinkwaterwingebied en tot in de Tweede Wereldoorlog een goede bron van inkomsten.
Wat weten we nu exact over Strypemonde? Wij staan in voor onze eerdere tekst uit Duinen en mensen Voorne: pag. 132-143, die hier te downloaden is. Deze tekst bevat een route met veel landschappelijk informatie. De online versie van deze tekst is een wandeling in en rond het landgoed: de Grote Ommeloop van de duinen van Rockanje.
Regelmatig lezen we in officiële stukken minder juiste zaken omdat auteurs, ook van recente teksten over het ‘rijksmonument’ Strypemonde, zonder bronnen te checken opschreven wat hun informanten hen vertelden. Daarnaast speelt het oorlogsverleden van o.a. James van Hoey Smith de geschiedschrijving parten. We proberen ons te verdiepen in de feiten. James was actief pleitbezorger van natuur en cultuur en schreef er geregeld stukken over. Daarbij kon hij, wellicht op basis van zijn status als grootgrondbezitter, weleens overdrijven, bijvoorbeeld over de in zijn ogen ‘overbeweiding’ van het duin (rond 1910). Ook plooide hij de lokale geschiedenis wel eens naar eigen inzicht, waardoor we bijvoorbeeld opgescheept zitten met de mythe over de monding van de Strype. We prikken deze ballon door en hebben daar de gehele historie bij nodig.

Ligging van de particuliere landgoederen op Voorne, 2025. In ons boek Duinen en mensen Voorne (2023) zijn ’t Reigersnest. Mildenburg, Berkenrijs, Olaertsduyn en de Leyse redelijk uitvoerig beschreven. Het belang van Kooysight en Kranenhout werd onderstreept. Op het kaartje in lichtblauw de huidige (recent verbrede) Strypse wetering, restant van de Strype die tot de middeleeuwen net ten noorden van Rockanje richting zee stroomde. Zie ook de huidige topografische kaart.
In de formele beschrijving van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed bij aanwijzing van Strypemonde tot Rijksmonument uit 2021 staat: “Nadat de buitenplaats Overburgh in 1932 door brand werd verwoest betrokken James van Hoey Smith en diens familie naar het dan nog niet als zodanig aangelegde buitenplaats Strypemonde gelegen oorspronkelijke Pesthuis. Boerderij de Schaapskooi bleef boerderij en rentmeesterwoning van de landerijen maar diende sindsdien tevens als jachthuis van de familie James van Hoey Smith, die in het bos en aangrenzende duingebied jaagde. In 1937-1938 liet James op een restant van de Pietersdijk het landhuis Strijpemonde bouwen, naar ontwerp van architect J.W. Janzen, die tevens huisvriend van de familie was. Tegelijkertijd of kort hierna werd rondom het huis – wellicht deels in samenwerking met architect Janzen een zeer ruime parkaanleg in landschapsstijl aangelegd, bestaande uit een ruime parkweide met grootschalige vijverpartij in landschapsstijl. Het uitgraven van de vijver gebeurde met kruiwagens in het kader van een werkverschaffingsproject. Het zicht vanuit het huis op de weide met vijverpartij wordt door het al eerder genoemde bos uit de periode 1800-1819 begrensd. In dit bos werd een losmazig patroon van slingerpaden aangelegd en een nieuwe vijver met heuvelpartij. Een ruime in curven verlopende laan vanaf boerderij de Schaapskooi dient sindsdien als oprijlaan naar het landhuis. De vijverpartij van de in Ijsselsteen opgetrokken boerderij de Schaapskooi is oorspronkelijk een wiel. Het gehele park werd beplant met in Nederland zeldzame uitheemse bomen en planten, waaronder bamboe, kurkeik en een pinetum in het bos ten zuidwesten van het landhuis. Omstreeks 1960 werd in het bos uit de periode 1800-1819 een laan van Metasequoia aangelegd. De onderdelen van het complex Strijpemonde staan in een fraaie landschappelijke omgeving met een grote afwisseling van gesloten en open delen. In het park staan ondermeer het aan het begin van de oprijlaan gelegen toegangshek, een brug over de vijver, een ponystal met bijbehorende hooiberg aan de bosrand, een houtschuur ten noordwesten van de oprit bij het huis en tweetal veeshelters op het weiland, die alle dateren uit de bouwtijd van het landhuis en eveneens zijn ontworpen door architect J.W. Janzen.” (…)
Daarna volgt: “De naam Strypemonde moet worden gerelateerd aan het voormalige zeegat de Strype dat ooit nabij de historische buitenplaats uitmondde.” Ook de officiële tekst voor aanwijzing van beschermd dorpsgezicht Voornes Duin, 2017 verhaspelt de feiten. “Het Windgat is een laagte tussen de duinen, die de plaats aangeeft waar de Strype, een oude vloedgeul, vroeger het land binnendrong.”
De Strype was geen vloedgeul, eerder een getijdekreek, ‘vroeger’ is wel erg vaag en de Strype als hoofdstroom lag niet ‘hier.’ Er wordt met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis gelopen.
De Strype was begin 14e eeuw al afgedamd door de nog steeds aanwezige Vleerdamsedijk; die loopt vanaf Rockanje/Meertje de Waal landinwaarts richting Oostvoorne. Voor die dijk (ten oosten) ligt ook nu nog een watergang, de Strypse Wetering. Erachter ontstond de strandvlakte van Het Windgat, een brede zwakke plek in de kustlijn. Het was een breed slufterachtig gebied, op oude kaarten aangeduid als Wintglop, met meerdere kreken o.a. een ‘Groote Kreek’. Dit landschap leek wel wat op de huidige Kwade Hoek op Goeree. Vervolgens stoof net ten noorden van Rockanje de voormalige hoofdstroom (de ‘echte Strype’) deels dicht maar diverse ‘swinnen’ resteerden (denk aan de huidige straatnaam Swinsedreef). Ze zijn nog zichtbaar op de kaart uit 1608 van Kouter (zie hieronder). Na de Vleerdamsedijk zijn aan het eind van Middeleeuwen in het toenmalige Windgat ook de Noorddijk (15e eeuw) en de Pietersdijk (16e eeuw) aangelegd. Na totstandkoming van de Pietersdijk (ca 1570) werd het gebied pas in 17e eeuw veiliger en pas echt veilig na 19e-eeuwse aanlanding van zand. Nu is ‘Windgat’ de naam voor een ver landinwaarts gelegen bosgebied, maar het was dus ooit de naam voor de gehele open westpunt waar meerdere kreken doorheen sneden die sporen hebben nagelaten. Bijvoorbeeld een wiel uit 1570 in de Noorddijk achter de Schaapskooi (niet het watertje ervoor, dat is een gegraven vijver).
In recentere eeuwen ontstonden strandvlaktes als de Vallei, de Paardenwei (nu Vogelwei) en het Breede Water. De laatste ging zich rond 1930 vullen na aanleg van een zanddijk met behulp van rijshout tussen strandpalen 10 en 11. Zie ons aparte artikel hierover. Dat bleek ook het moment om in dit intrinsiek zwakke, maar net in die decennia uitdijende kustgebied een landgoed te beginnen. Best wel een risicovolle stap. Met bouwde op de Pietersdijk dat in die tijd zeker geen ‘restant’ was, die door vergraving leed en waarvan het mooiste deel nu dennenaanplant torst. Als James van Hoey Smith, die vanuit persoonlijke interesses veel van het landschap wist, een correcte naam voor zijn landgoed had willen kiezen, dan lag ‘Windgat’ of ‘Groote Kreeke’ voor het grijpen. Hij koos voor een meer romantische naam, waardoor generaties natuurliefhebbers nu denken dat juist hier de Strype uitmondde. Taal doet er toe. Een ‘Windgat’ klinkt nauwelijks aantrekkelijk, terwijl een ‘Strypemonde’ ons de oren doet spitsen.

Kaart van Kouter uit 1608. Rechts van het midden het Windgat met de Groote Kreeke (afgebeeld als een soort meertje) en een slufter naar zee. Het restant van de Strype vóór de Vleerdamsedijk (middenonder) leeft voort als Strypse Wetering.
Rolf Roos
(foto’s van auteur, tenzij anders vermeld)
De rij ‘klimaatmigranten’ langs duin en kust wordt jaarlijks langer. Een recente nieuwkomer is de fotogenieke strandnarcis (Pancratium maritimum) maar sommige zuidelijke soorten breiden zich al vele tientallen jaren uit. Bekend voorbeeld is de inmiddels langs de kust vrij algemene zeewolfsmelk, ook bekend van de spectaculaire rups van de niet meer zeldzame zeewolfsmelkpijlstaartvlinder. Ook de zuidelijke zeevenkel staat tot op Ameland en zeeradijs verscheen in 2015 op Terschelling.
Zeealant, een zeer gulle, gele bloeier uit het Middellandse Zeegebied, dook in 2008 op in Kwade Hoek op Goeree, maar heeft vooral waarnemingen in de Waddenzee, tot voorbij Schiermonnikoog. Hiermee is de rij niet af. Ook de zeekool verscheen, bijvoorbeeld tussen basaltblokken op de Afsluitdijk. De strandnarcis voegt zich sinds 2023 in de rij van soorten waarvoor ‘adaptatie’ geen probleem lijkt. Grappig dat de soort ‘strandnarcis’ heet. Dat klopt voor die stabiele mediterrane stranden die geen overmatige recreatie kennen. Maar ook daar staan ze veiliger in nabijgelegen duintjes. Toch maar duinnarcis?

Strandnarcis bloeit vroeg in het jaar. Foto: Semonitis licentie via wikimedia commons
Na de bloei maakt de strandnarcis, zwarte zaden in vrij plompe vruchten, die na de rijping en blootstelling aan de elementen opengaan. De zaden kunnen drijven en lange afstanden over zee afleggen. De wetenschappelijke naam Pancratium maritimum (dus geen Narcissus), verwijst naar de oud-Griekse vechtsport, waarbij zo’n beetje alles mocht: pankration. Groeien in zeeduinen is ook geen kleinigheid.

In de verspreidingsatlas staan eind 2026 twee locaties: eentje in de delta en een aan de zandige zuidkust van de voormalige Zuiderzee. Klik op beeld voor de verspreidingsatlas.
Rolf Roos
AI-vrij garantie: de auteur staat in voor de herkomst van zijn teksten. Deze garantie geldt niet voor de opgenomen citaten uit het persbericht van dit boek.
Een atlas is, zoals we van de basisschool weten, een boek met kaarten. Als kind verslond ik atlassen. Van de wereld, oude kaarten van Indië, historische kaarten. Kaarten als poorten naar het verleden en voor begrip van het heden. Bij een provinciale atlas van het water verwacht de lezer allerlei kaarten. Van vroegere overstromingen. Ook graag kaarten van waterwegen en hoe we met ons bootje van A naar B kunnen komen. Kaarten met goed en slecht water als we willen zwemmen. Of een kaart waar je het vroegst in het seizoen kan schaatsen, mocht het nog een keer koud worden. Kaarten met waar we ons drinkwater vandaan halen en hoe het waterverbruik groeit. En kaarten over diverse natte narigheid. Zoals: waar zitten al die landbouwgifstoffen in ons water, waar zakken de veenbodems het hardst nu er soms enorme droogte heerst? Waar zijn er wellicht gevaarlijke gebieden nu er ook grote wateroverlast kan optreden? Of over waterkwaliteit vroeger en nu: is die nu vooruitgegaan? Waar en hoe dan? En waarom zijn er in ons land behalve polders ook ‘waterschappen’ en wie trekt daar aan de touwtjes?
Het persbericht meldt: “Aan de hand van gedetailleerde waterstaatskaarten beschrijven deskundige auteurs het systeem dat de mens, economie, natuur, recreatie en landbouw dient.” Een beetje knullige tekst. Want vroeger was het heel simpel: het ging om veiligheid, drinkwater, vervoer en landbouw. Allemaal economie. En die ‘natuur’ is er pas heel recent bijgekomen. Plus ‘klimaat’. Dit boek getuigt van de vele aanzetten en de eerste resultaten om een nieuwe koers in te slaan.
2777 gram, 400 pagina’s, waar voor je geld?
De niet te tillen ‘Wateratlas van Noord-Holland’ bevat heel veel kaarten die ook regelmatig antwoord geven op enkele van de opgeworpen vragen. We geven enkele doorkijkjes in deze Atlas, die gezien de hoeveelheid foto’s en soms meanderende teksten ook heel simpel ‘Water in Noord-Holland’ had mogen heten. Dat had ons ook verwarring met de al bestaande ANWB-wateratlassen bespaard. Het boek dat een inleiding met duidelijke vraagstelling mist, wordt ingekaderd in het ‘Ten geleide’ dat veronderstelt dat we meestal achteloos aan het water voorbijgaan en dat het nodig is dat we ‘het watersysteem’ leren kennen. ‘Het’ watersysteem? De eindredacteur is onder de indruk van het complexe systeem van duizenden peilgebieden, honderden polders en 11 boezemgebieden. Begrijpelijk, maar of de Noord-Hollander, behalve dan de boeren die eeuwen de waterschappen hebben gevormd en tot voor kort beheersten, gaat denken in systemen, dat lijkt me de vraag. Maar concrete projecten in eigen regio, gedragen door herkenbare bestuurders of voormannen/vrouwen, daar krijg je mensen wel mee mee. Zie de Stichting Oer-IJ (mede-uitgever) die fantastisch werk doet in de regio Castricum en ook de beste teksten over projecten in dit boek heeft.
Opbouw
Er zijn vijf inleidende hoofdstukken. Er is een fijne historische intro met mooie kaarten en saillante details, maar waarin de grote lijn: hoe komt het dat een eerst hoger gelegen Hollandse land zo is gezakt (nl. door eeuwenlange ontwatering ten behoeve van landbouw en door vervening) niet wordt belicht. Pas op pag. 226 wordt dit benoemd. Landbouw, hoe nodig ook, heeft ons land laten zakken, zoals landbouw, helaas, ons nog steeds verder omlaag helpt. Of is ergens al het tij gekeerd?
In het deelhoofdstuk over ‘het levende water’ komen we veel te weten over fosfaat, stikstof en zout en lezen we dat we ‘ondanks alles nog steeds heldere sloten, plassen en meren hebben’, maar het gepresenteerde kaartbeeld met toekomstperspectieven toont iets heel anders: vooral polders met veel bruin, troebel water waarvoor – hoe bedenkt men het in de bureaucratie – ‘troebelwaterdoelen’ haalbaar worden geacht. Zijn ‘troebelwaterdoelen’ ook beleidsdoelen? Op dit soort mist zit de Noord-Hollandse burger niet te wachten. Waar kunnen we nu weer gaan vissen en zonder risico het gevangen palinkje roken?
Het ook inleidend bedoelde hoofdstuk over klimaat ‘anders omgaan met water’ bevat veel informatieve kaartjes maar mist een inzichtelijk en krachtig bestuurlijk verhaal. Het gaat natuurlijk niet om die regenton in de achtertuin, maar hoe we a. per direct een rem zetten op verdere toename van klimaatstress, en b. hoe de samenleving een kernachtig pakket maakt om ergste gevolgen te beperken. Er zijn openstaande vragen. Welke concrete beperkingen leggen we aan ‘gebruikers’ (lees boeren en burgers) op om relatief nieuwe doelen als ‘natuur’ en ‘klimaat’ goed te realiseren. Hoeveel grond hebben we nodig om ruimte te scheppen voor water nu het klimaat in hoog tempo kantelt? Het boek schenkt hier nog geen echt klare wijn. Wel allerlei mooie voorbeelden. Maar waar in Noord-Holland is men al geheel op koers? In Amsterdam (zie pag. 353)? De lezer verlangt naar een concrete intro van de vele interessante gebiedsbesprekingen in de Atlas. Dat had de watergedeputeerde ook kunnen doen in plaats van het nu weinig zeggende voorwoord (dat was de plek geweest om de vele auteurs die zich voor dit boek hebben ingespannen te waarderen). Een tip voor uitgevers: als een bestuurder iets mag zeggen in een boek, vraag iets concreets over tastbaar beleid of plaats het anders niet. Niets is sneller verouderd en zou ons bespaard moeten blijven dan bestuurlijke vaagpraat. Wees zuinig met papier, met woorden en met de lezer. Die wil graag stevige koek.
Tastbaar water
Concreet wordt het boek als het gaat over drinkwater en afvalwater. Grondwater wordt wat kleintjes behandeld (waarom blijft vervuild grondwater onbelicht en ook niet in kaart gebracht?) en we begrepen niet waarom sommige foto’s (bv. aanleg riool op pag. 104) hier nu staan. Voor alle drie typen ‘onzichtbaar’ water had ik graag gelezen (en in kaartbeeld gezien) wat de belangrijkste positieve wapenfeiten de laatste 50 jaar zijn geweest; denk bijvoorbeeld aan herstel van de grondwaterbellen in de duinen. En is er al een rem voorzien op de toename van drinkwaterconsumptie? Bij het informatieve verhaal over afvalwater staat een illustratief kaartje met ‘het onzichtbare water’ van Broek in Waterland met riolen met allerlei kleurtjes en missen we een goede legenda, wat helaas bij veel kaarten het geval is. Auteurs veronderstellen veel voorkennis of verwachten dat men de hele tekst eerst leest voor men het beeld bekijkt, maar de werkelijkheid is natuurlijk andersom. Broek in Waterland brengt me bij de categorie van ‘niet uitgewerkte onderwerpen’: de gifbelt Volgermeerpolder en met ambitieus nieuw doel: het vormen naar nieuw veen. Lukt dat met het huidige water en het huidige klimaat? Honderden miljoenen zijn hier geïnvesteerd, maar hoe goed gaat het nu?
Regio’s
Hoe concreter hoe beter en het is een goede keus dat het leeuwendeel van het boek aan diverse deelgebieden en regio’s wordt besteed. We lichten als voorbeeld de duingebieden en binnenduinrand eruit. Theo Bakker schrijft heel informatief over hoe de zoetwaterlens onder de duinen is ontdekt (1826) en hoe deze, afhankelijk van de ondergrond, overal op een andere manier opbolt. Eind 19e eeuw in Schoorl: plus 12 meter boven NAP. Dat is een flink flatgebouw! Dat wil zeggen dat ook valleibodems die zo hoog lagen aan de oppervlakte net nat werden. In dit hoofdstuk helaas niets over verdroging als gevolg van kustafslag, waterwinning en aanplant van bos. Die bel in Schoorl zakte 3 meter weten we uit een baanbrekend rapport over duinvalleien waaraan Bakker ooit meewerkte. Hoeveel gaat het helpen nu steeds meer naaldbos verdwijnt? Beelden over herstel van grondwaterstanden na beëindiging van waterwinning (Zuid-Kennemerland) of aanpassing hiervan (Castricum, Bergen) zouden een kader geven voor het duinherstel dat in veel geplagde duinen optrad. Zo zijn er nu 60% meer vochtige duinvegetaties in de Kennemerduinen. Een knappe prestatie waarvoor een mooi kaartje niet had misstaan. Zou het zo blijven met de huidige zomerse extremen?
De enorme fluctuaties die recent optreden door natte winters en superdroge zomers worden goed beschreven in technische zin, maar over de concrete effecten voor flora en fauna komen we weinig te weten, terwijl van bijvoorbeeld Texel bekend is dat heide letterlijk verdronk, parnassia in slecht gedraineerde valleien kopje onderging (maar zich kon herstellen) en dat de enige vindplaats van de beroemde vogelnestorchis bij Bergen is uitgeroeid door dit klimaatgeweld. Er zijn zeer veel monitoringsgegevens, maar beheerders lijken vooral de successen te etaleren. Het is geweldig dat er (lage aantallen) honingorchis, groenknolorchis en soms herfstschroeforchis zijn, maar de belangrijkste populatie honingorchis van ons land op het Kennemerstrand is in tegenstelling tot wat er in het boek staat tanende. En beheerders zijn traag met ingrijpen waar verruiging optreedt, of denken in ons tijdsgewricht te makkelijk dat het door ‘natuurlijke processen’ allemaal goed zal komen.
In dit boek veel aandacht voor duinrellen en soms zeer bijzondere kokerjuffers. Dit (in de winter) warmere, stromende grondwater is in de winter bij vorst een toevlucht voor vele vogels (watersnippen), wat helaas onbenoemd blijft. Echt interessant en informatief zijn teksten over nieuwe gebieden als de ‘Schoonwatervallei’. Niet in het duin, maar in de polder tussen Bakkum en Akersloot, die vreemd genoeg op twee plekken wordt besproken (pag. 171 en 371). De lezer die van hoed en rand wil weten moet wat bladeren, maar vooral het laatste hoofdstuk, over het Oer-IJ, is zeer informatief en inspirerend. Verspreid in het boek staan meer mooie kustverhalen, zoals over de ‘Zandpolders’ boven Callantsoog met bijzondere soorten van brak water, de komst van struikheide en de ’troetelorchidee’ – want Europees van belang – groenknolorchis. In het verhaal over het Zwanenwater wordt eerlijk gemeld dat de vervuiling met fosfaat vooral door vogels komt maar we missen een verhaal over uitbaggering in het verleden en de effecten daarvan. Ook de alarmerende PFAS-metingen in het meer hadden niet onvermeld mogen blijven.
In een overzichtsboek als deze Atlas horen toch ook concrete trends bij flora en fauna mede als gevolg van kwelschermen (werken ze?) en gebiedsuitbreidingen aan de binnenduinrand o.a. ten zuiden van Callantsoog en op Texel. Dit had wel in de verf mogen worden gezet. Het duinrandherstel van een project als Mariendal blijft geheel onbelicht, evenals trends in de duinen bij Den Helder. Overal zijn er in natuurgebieden elke zes jaar karteringen van flora en fauna en ook vele vrijwilligers voeren data in. Daar is meer verhaal over te presenteren dan hier is gebeurd. Ook over trends in de duinen van Texel lezen we in dit boek niets, terwijl er prachtige projecten zijn geweest (o.a. Mokslootproject) waarvan we nu de resultaten willen lezen.
Terug bij af
Terug naar het persbericht van de uitgever, dat onnodig praat met meel in de mond: “Verschillende maatschappelijke belangen strijden om voorrang bij het gebruik van het water. De problematiek is hardnekkig weerbarstig en de praktijk bij lange na niet eenvoudig, waarbij grenzen in zicht komen en soms worden overschreden. “ Tja. In het boek treffen we een mooie impressie van een historisch treffen tussen de dijkgraaf en boze boeren rond 1600 bij Assendelft. Hoe gaat dat nu? De atlas bevat veel technische details, maar hoe wij mensen het nu sociaal klaren met het water, je mag er vaak naar gissen. De drie waterschappen in Noord-Holland krijgen keurige PR teksten achterin, maar nergens een verhaal met vlees en bloed hoe bij een concreet probleem de mouwen moesten worden opgestroopt. De wel erg brave benadering van de agrarische sector in dit boek kan eigenlijk ook niet meer. Waterschappers wordt volwassen! “Daarom zou elke inwoner van Noord-Holland moeten kunnen beschikken over basiskennis van het watersysteem.” Dat laatste is een begrijpelijke wens van projectleiders maar dat bereik je wellicht niet met een te dik boek. Dan zijn wervelende en eerlijke campagnes over lokale waterprojecten een beter idee: zichtbare zaken die mensen raken, gewoon via de lokale krant plus internet. En vooral: bijeenkomsten op locatie. Samen een rondje roeien. Het boek kan dan worden opgeknipt in mooie online magazines of pdf’s, als achtergrondmateriaal op project-websites.
Tenslotte. Dit dikke boek had een moderne encyclopedie kunnen zijn als bronnen in de tekst (en bij grafieken!) goed zouden zijn vermeld, legenda’s bij kaarten glashelder zouden zijn en er een mooie index zou zijn gemaakt. Dat kost altijd zes weken aan het eind, als je denkt dat het boek klaar is. En dan verspreid overal accurate QR-codes naar websites met aanvulling of updates. Doe mee met al die vernieuwing! Aan enthousiasme bij de auteurs, hun projecten met aandacht voor herstel van de natuur zal het niet liggen. Maar is een boek met goede bedoelingen ook een goed boek? Vorm uw mening en koop het. Per kilo is het zeer goedkoop.
Bestellen:
www.uitgeverijnoordholland.nl
Stichting Uitgeverij Noord-Holland
39,95, 2777 gram, 400 pags
Kees van Rixoort beschreef het veldcollege kernachtig in het Eilandennieuws van 4 september 2026:
” Vanaf het hoge uitzichtpunt bij ’t Lichie zie je wat de Kwade Hoek tot de Kwade Hoek maakt: struweel, grasland, schorren, een vogelwalhalla, een aangroeikust, duinen, een honderd jaar oude lantaarn voor de scheepvaart, geen duinvalleien… In de verte tekenen zich zandbanken af met daarachter Voornes Duin en de skyline van Maasvlakte 1 en 2. De Kwade Hoek, dat is puur natuur, denk je. Maar hoe zag dit gebied er vroeger uit? En hoe ontwikkelde het zich tot wat het nu is en straks wordt?
Over deze vragen – en de antwoorden daarop – ging het veldcollege ‘150 jaar Kwade Hoek’, dat Rolf Roos zaterdagochtend 29 augustus gaf op het uitzichtpunt. Roos, die vlak bij de Kwade Hoek woont en bovenmatig geïnteresseerd is in het raakvlak van natuur, landschap en historie, introduceerde zich aan de collegelopers als historisch ecoloog.”
Lees hier het bronverhaal over het ontstaan van de Kwade Hoek. Reageer online!
Joop Mourik en Anneke Koper
Dit artikel is een bewerking uit 2026 en ontleend aan: De natuur bewonderen en bestuderen, Honderd jaar veldbiologie en natuurbehoud in Zuid-Kennemerland. Serie Haarlemse miniaturen deel 56. Uitgeverij De Vrieseborch, KNNV Afdeling Haarlem en omstreken, 2001. Interessant is dat het vasthoudende inzicht van Kees Sipkes, namelijk dat bebouwing van een enkel huis in het duin rond de Zeeweg van Bloemendaal zou leiden tot een olievlek, geleid heeft tot het geweldige duinlandschap dat we nu nog kennen.
De Natuurhistorische Vereniging (NNV) Haarlem werd op 16 maart 1901 opgericht met als doel natuurkennis te verspreiden en zich in te zetten voor het behoud van de lokale flora en fauna. Na verscheidene acties rondom Haarlem, protesteerde de vereniging vanaf 1926 tegen de dreigende bebouwing van de duinen. Onder aanvoering van Kees Sipkes werd de NNV Haarlem luidruchtig klokkenluider. In de jaren dertig waren de acties ongemeen fel omdat volgens Jac. P. Thijsse de “de vier W’s: woningen, wegen, werkverschaffing en waterleiding zich geducht in het Kennemerduin doen gevoelen.” De successen waren wisselend maar commissies en werkgroepen schudden de overheidsinstanties wakker. Door tenminste een vertraging, maar soms ook volledige afwijzing van voorgenomen bouwplannen en wegenaanleg is in die tijd veel onherstelbare schade voorkomen. Na de oorlog was het tij gekeerd en kon de oprichting van het Nationaal Park De Kennemerduinen worden gevierd. Maar hoe ontstond deze vroege inzet voor de natuur?
De eerste signalen van verontrusting
Excessen in verzamelwoede en jacht brachten al in de beginjaren van de 20e eeuw heftige discussies onder de leden teweeg. De natuur moest beschermd worden tegen “de vernielende invloed van de baldadige of onnadenkende mens.” Maar wat er allemaal aan flora en fauna in de weidegebieden en oeverlanden rondom Haarlem verdween, ontsnapte grotendeels aan de aandacht van de natuurvrienden. Zij hielden zich voornamelijk op in bos en duin. In 1906 voerde de NNV Haarlem een actie voor de bescherming van een zeldzame plant in Haarlem, de Blauwe anemoon, en van het Liedemoerasje. De vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten was net opgericht en er was nog steeds veel verontwaardiging over het plan van Amsterdam om het Naardermeer tot stortplaats van stadsvuil te bestemmen. Het ophogen van zompig rietland met afval was overigens in laag Nederland heel gewoon. Ook de gemeente Haarlem had vergelijkbare plannen. De Haarlemse NNV leden waren bang dat het storten van afval het einde zou betekenen van het bekende bloemenparadijsje langs de Liede. Het bestuur verzocht gemeente Haarlem om het oeverland te mogen huren maar dit bleek onmogelijk. Echter de aandacht was gevestigd en het Liedemoerasje bleef gespaard. Nu is het een natuurmonument van Landschap Noord-Holland en nog steeds een uniek Haarlems veenmos-rietland met onder andere veenpluis, dophei, ronde zonnedauw, grote veenbes, moerasviooltje, dotterbloem en orchideeën.
De Primulabeek verloren, het Naaldenveld ontzien.
De eerste actie tegen de aantasting van de duinen had betrekking op het Naaldenveld en de schilderachtige Primulabeek die de natuurliefhebbers hadden leren kennen door de bundel “Onkruid, botanische wandelingen in Kennemerland” (1886) van F.W. Van Eeden. Tot grote ontzetting van velen was men hier in 1925 begonnen met de aanleg van een weg langs kavels voor toekomstige villabouw. Begin 1926 richtte de Afdeling een verzoekschrift aan de gemeente Bloemendaal, waarin ongerustheid werd uitgesproken en gevraagd werd om het Naaldenveld te ontzien. Het antwoord was dat de gemeente niets tegen de schending kon doen, het terrein was immers particulier bezit. Maar de NNV, onder aanvoering van Kees Sipkes (geboren 1895), liet het er niet bij zitten en organiseerde een protestbijeenkomst. Ook Jac. P. Thijsse sprak zijn bezorgdheid uit: “Helaas zijn we ondanks al onze tentoonstellingen, excursies en andere propaganda-maatregelen nog niet bij machte om ook maar een half procentje uit de beurs van de belastingbetaler te toveren voor het behoud van de mooiste delen van het Nederlandse landschap.” Voor de Primulabeek kwam de reddingsactie te laat en voor het Naaldenveld werd een commissie ingesteld om de schade zoveel mogelijk te beperken. Aan het einde van 1926 ventileerde Sipkes zijn teleurstelling in het Haarlems Dagblad:
“Over het Naaldenveld behoef ik niet te spreken. Alleen al de wijze waarop de wegen zijn aangelegd, op verhoogd niveau door een weiland en dwars door de Primulabeek, is in strijd met het respect dat wij mensen moeten hebben voor het natuurschoon.”

De Zeeweg als centraal element in het huidige landschap van Kennemerland. Bron topotijdreis. Klik op beeld voor uitvergroting.
Van Zeewegactie tot Nationaal Park
Bij de openstelling in juni 1921 van de zacht kronkelende Zeeweg vanaf Bloemendaal naar wat we nu kennen als Bloemendaal aan zee waren er nog geen tekenen van ongerustheid in NNV kringen. Dat werd anders toen het gemeentebestuur van Bloemendaal op 8 september 1921 plannen bekend maakte om de onkosten van de aanleg te bestrijden door een brede strook duingrond ter weerszijden van de weg aan te kopen en deze te bestemmen als bouwgrond voor villa’s. Een deel van de bouwbestemming was ook al gevonden. Schuin tegenover de Haarlemse watertoren kon wel het nieuwe Raadhuis gebouwd worden. Dit verontrustte de natuurvrienden nog meer, want dat zou weleens het begin kunnen worden van een nieuwe dorpskern in de duinen. Jarenlange strubbelingen volgden met verontruste burgers die op de financiële risico’s wezen, projectontwikkelaars en Gedeputeerde Staten van Noord Holland. In 1929 besloot de gemeenteraad tot aankoop waarna de NNV Haarlem aan de bel trok. Het Naaldenveld stond model: als eenmaal huizenbouw toegestaan werd, zou niet alleen het landschap langs de Zeeweg bedorven worden maar kwam het hele duingebied in gevaar. De schaal van de protesten was aanvankelijk regionaal maar in 1930 besloot het bestuur om de kwestie landelijke bekendheid te geven en er nog een schepje bovenop te gooien. Een Nationaal park was het doel.
De visie van de NNV Haarlem e.o. en de eerste schermutselingen
De eerste tekenen van bezorgdheid dateren uit 1926. Kees Sipkes richt zich tot de kranten en krijgt het bestuur mee om een verzoekschrift aan de gemeenteraad van Bloemendaal te sturen “om de natuurlijke staat van de duinen benoorden de Zeeweg te bewaren”. “Bebouwing langs de Zeeweg en het natuurschoon, er kon een Nationaal park gesticht worden”, zo luidde de titel van een krantenartikel dat hij aan de Zeewegkwestie wijdde. Het natuurschoon van de Bloemendaalse duinen moest ongerept blijven en dus vrij van bebouwing. Dat bleef het uitgangspunt voor alle NNV acties die hun hoogtepunt bereikten in de periode 1929-1933.
In de motivering bij het gemeentelijke aankoopbesluit van oktober 1929 stond dat “het gewenst is om de langs de Zeeweg gelegen terreinen in eigendom te verkrijgen teneinde zodoende in staat te zijn het natuurschoon aldaar zoveel mogelijk te kunnen beschermen”. Daar bespeurde de Afdeling een addertje onder het gras. Het kon toch niet waar zijn dat de gemeente bijna een miljoen gulden uitgaf louter en alleen om het natuurschoon te beschermen? Het addertje zat ‘m in de manier waarop de gemeente deze bescherming meende te kunnen bieden; namelijk door de duingronden vergezeld van een bouwvergunning weer te verkopen. De argwaan was groot en onmiddellijk werd een protestactie op touw gezet.
“De heer Sipkes vindt dat een actie groot moet worden aangepakt. Als dit niet gestuit wordt vreet het verder het noorden in en de ontwikkelende wereldstad heeft een Nationaal Park nodig. Er moet een agitatie comité komen.”
Om te beginnen gingen brieven uit naar de gemeente Bloemendaal en Gedeputeerde Staten van Noord Holland. Maar ook werd aangeklopt bij de Gewestelijke Commissie en bij landelijke organisaties zoals het Hoofdbestuur van de NNV, de ANWB en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. De landelijke natuurorganisaties stelden zich afwachtend op, maar de ANWB plaatste al in december een bericht over “Bedreigd natuurschoon” in het ledenblad De Kampioen.
De voorwaardelijk goedkeuring van Gedeputeerde Staten
Onverwachte steun in de rug kwam al snel van Gedeputeerde Staten. Het raadsbesluit tot aankoop werd eind 1929 goedgekeurd onder de voorwaarde “dat daarmee niet vooruit wordt gelopen op een beslissing tot bebouwing.” Ofwel goedkeuring van aankoop betekende niet automatisch groen licht voor bebouwing. In dit eerste, zij het kleine succes zag de Afdeling een aanmoediging. Het bestuur zette de actie voort om het gevaar van toekomstige bebouwing definitief uit de weg te ruimen. Zonder de krachtige steun van het NNV Hoofdbestuur en Natuurmonumenten helaas. De landelijke natuurorganisaties vonden dat de bouwstemming acceptabel was “mits de bebouwing ruim zou worden opgezet en niet verder het gebied zou indringen”. Deze wel uiterst voorzichtige opstelling schoot de Afdeling in het verkeerde keelgat, juist omdat hierdoor de kern van haar eigen visie ondergraven werd. Namelijk dat de bouw van ook maar één woning als precedent zou werken en dat daarmee andere bebouwing in de toekomst niet tegen te houden zou zijn. Het was hoog tijd om het duingebied definitief veilig te stellen. Steun van Natuurmonumenten was daarvoor wel noodzakelijk.
Een oproep tot aankoop en reservering als natuurpark.
De NNV Haarlem pakte het in 1930 groots aan en richtte een verzoekschrift aan Provinciale Staten met de vraag of “de provincie ertoe zou kunnen besluiten de duinterreinen, begrensd door de spoorbaan Overveen-Zandvoort ten zuiden en de bebouwingen van de gemeente Velsen ten noorden en noordoosten, te kopen en voor natuurpark te reserveren.” Voor de realisatie was de steun van Natuurmonumenten als mogelijk toekomstig beschermheer onontbeerlijk. Het bestuur bleef bij Natuurmonumenten aandringen en nadat verschillende concepten heen en weer waren gegaan ontstond er in juni consensus. Het verzoekschrift werd door beide verenigingen ondertekend en aan Provinciale Staten verzonden. Voor de verwerving van brede steun werden afschriften verstuurd aan particuliere en overheidsorganisaties. In hetzelfde kader stelde Sipkes voor om een speciaal tijdschrift te laten verschijnen dat geheel gewijd was aan de Zeewegactie en de bescherming van het Kennemerlands Natuurschoon. In november 1930 verscheen de Kennemer Wandelaar “in een oplage van 1000 exemplaren, voornamelijk bestemd voor de pers, landelijke natuurorganisaties, gemeentebesturen, het provinciebestuur en leden van de Eerste en Tweede kamer.”
Nieuwe bedreigingen
Nog voordat het blad was verschenen lag er een brandbrief van Natuurmonumenten met het bericht dat het beoogde natuurpark alweer in gevaar was. In het kader van de werkverschaffing had de regering aangekondigd dat in de winter van 1930 begonnen zou worden met de aanleg van een weg door de duinen van IJmuiden naar Noordwijk. Landelijke en gemeentelijke protesten waren voldoende om de uitvoering af te blazen.
Twee jaar later liet Bloemendaal weer wat van zich horen. Nu was het plan opgevat om een verbindingsweg van de Brouwerskolk naar de Zeeweg aan te leggen, dwars door een ongerept deel van de duinrand. Tussen deze weg en de Brouwerskolk zou een nieuwe woonwijk gebouwd kunnen worden. Voor het ontwerp was Leon. A. Springer (oud voorzitter NNV Haarlem) benaderd, maar hij bedankte voor de opdracht. Hij vond dat bebouwing het natuurschoon van deze omgeving teveel schade zou toebrengen. Op 1 oktober riep de vereniging de hulp in van het college van Gedeputeerde Staten om haar invloed uit te oefenen om “te voorkomen dat wederom een van de meest karakteristieke en tevens een der laatste stukjes natuurschoon van Kennemerland verloren gaan.” Doordat inmiddels de Contactcommissie inzake Natuurbescherming was opgericht kon het bestuur volstaan met ondersteuning en kennis van zake. In juni 1933 kwam het bericht van Gedeputeerde Staten dat “mede door het rekest der NNV Afdeling Haarlem goedkeuring is onthouden aan het Raadsbesluit der Gemeente Bloemendaal tot aanleg van een weg langs de Brouwerskolk.” Tegen deze afwijzing ging de gemeente in beroep bij de Kroon. Tijdens de openbare behandeling door de Raad van State hield de heer C. C. van Beaumont namens de NNV Haarlem e.o. een vurig pleidooi voor het behoud van het Brouwerskolkje. De teleurstelling was groot toen in januari 1934 de vernietiging van het besluit van Gedeputeerde Staten bekend gemaakt werd. Daarna kon de Brouwerskolkweg alsnog aangelegd worden en waren de bedreigingen voor de schending van het duingebied nog lang niet uit de lucht. Opnieuw werden acties gevoerd, onder andere tegen de afzanding van de duinen bij Bentveld en tegen een plan van de gemeente Zandvoort om een weg door de duinen achter Koningshof aan te leggen naar de Zandvoorterweg. In februari 1940 kwam de Zeewegkwestie opnieuw aan de orde omdat de gemeente Bloemendaal “nu plannen heeft om terreinen aan de Zeeweg af te zanden.” Kees Sipkes wijst erop dat de gemeente zonder deskundige voorlichting laat graven. Bovendien wijst hij op de wenselijkheid om het ongerept duinterrein tussen Haarlem IJmuiden en Zandvoort tot een Nationaal park te maken. “De regering zal misschien met oog op de komende mobilisatie tot medewerking geneigd zijn.” Zover kwam het in 1940 niet maar tijdens de oorlog rijpten de plannen.
Ontwikkeling van een visie
Onmiddellijk na de bevrijding pakte bestuurslid Sipkes de draad van de duinbeschermingsacties en het ideaal van een Nationaal park weer op. In de bestuursvergadering van 28 juli 1945 zette hij uiteen “wat de NNV kan doen en met welke organisaties samenwerking gezocht moet worden om een grote actie te voeren voor het ongerept bewaren van de 5000 ha duinterrein tussen Zandvoort, Haarlem, IJmuiden en Velsen.” Hij schreef een visie over het toekomstige “Nationaal Duinreservaat bij Haarlem” waarin voor het eerst ook het (herstel)beheer en de gewenste inrichting van het duingebied ter sprake komen. Een overzichtskaart van het uitgestrekte duinterrein had hij ook al paraat, met veldnamen en al. Daarmee keek hij ver vooruit want het Nationaal Park Zuid-Kennemerland van die omvang zou pas in 1995 tot stand komen. Voor de Haarlemse NNV leden hield Kees Sipkes in oktober 1945 een voordracht over zijn visie en later dat jaar volgde de instelling van een Duinreservaat Comité, waarvoor Natuurmonumenten en de Contactcommissie voor Natuurbescherming werden benaderd.
“Tussen Zandvoort, Haarlem, IJmuiden en Velsen ligt het grootste nog gave duingebied van West Europa, alleen doorsneden door de bekende Zeeweg. Door de NNV is er altijd voor geijverd dat dit prachtige landschap een groot natuurmonument zou worden…. Reeds meer dan 25 jaren geleden werd er in het gebouw van de Hollandse Mij der Wetenschappen een duintentoonstelling gehouden met als strekking: ‘De Haarlemse duinen een groot natuurmonument.’ Later voerde de Afdeling Haarlem der NNV een actie tegen bebouwing langs de Zeeweg, omdat dit de waarde van het toekomstige natuurmonument in sterke mate zou verminderen. Schrijver heeft voor de oorlog in de Haarlemse pers menig pleidooi gehouden voor dit doel. Toen is de oorlog gekomen en zijn deze duinen opgenomen in de Duitse kustverdediging en doorgraven met een tankgracht, terwijl op sommige punten reeksen kazematten gebouwd zijn. Wie echter meent dat deze duinen hiermee onherstelbaar vernield zouden zijn, overschat de omvang van deze vernielingen en onderschat de regeneratieve krachten van dit jonge landschap, dat nog maar net in het begin van zijn ontwikkeling is….Wanneer dit gebied tot Nationaal park verklaard zou worden kan dit dienstbaar gemaakt worden aan een zo groot mogelijke groep van onze bevolking…. Een bijzondere terreinbehandeling, aanleg van paden, planten van hout en een vermindering van het aantal konijnen zal daar echter zeker noodzakelijk zijn…. In januari van dit jaar is overleden de bekende popularisator van de natuurstudie: dr. Jac. P. Thijsse. Het plan de bunkerstellingen te laten onderstuiven had zijn volle instemming. Zouden wij zijn nagedachtenis beter kunnen eren dan door dit grote en in ons land mooiste natuurmonument te noemen: THIJSSE RESERVAAT ?” (Ontleend aan: Nationaal duinreservaat bij Haarlem, door C. Sipkes, 1945 )
De realisatie
Door de algemene malaise na de oorlog liep het initiatief vertraging op en toen Sipkes in verband met een nieuwe werkkring in 1946 naar Voorne vertrok viel de NNV Haarlem stil. Het bestuur verzocht hem om de contacten met Duinreservaat Comité te blijven onderhouden. In de volgende jaren werkte Sipkes, samen met landelijke organisaties, achter de schermen verder aan de totstandkoming van het natuurmonument, zoals blijkt uit artikelen in de krant en brieven. Hij hield het Haarlemse bestuur op de hoogte van de ontwikkelingen, gaf aanwijzingen over de inrichting en het beheer en de rol die de vereniging daarbij zou kunnen spelen. In 1949 was de oprichting aanstaande, “al kan het nog wel een half jaar duren. Ik vind het zeer nodig dat de Afdeling van zich laat horen maar dit is een zeer subtiele affaire. We moeten waken voor technisch volmaakte maar landschap bedervende voorzieningen zoals betonwegen die door overheidsdiensten elders in de duinen zijn aangelegd en tegen jachttoestanden zoals op Voorne die de flora veel schade berokkenen en de recreatie bemoeilijken.” Vinger aan de pols houden was zijn devies en hij besloot zijn raadgevingen voor de inrichting met: “door uitstuivingen en waar mogelijk door afgravingen is veel te bereiken.”
Op 15 april 1950 werd de Stichting Nationaal Park De Kennemerduinen opgericht. Daarmee was het doel bereikt waar de natuurvrienden decennia lang met veel volharding aan gewerkt hadden. Op de feestelijke bijeenkomst in het Krelagehuis (16 maart 1951) ter gelegenheid van het gouden jubileum van de inmiddels Koninklijke NNV afdeling Haarlem e.o. bedankte de burgemeester van Haarlem, mr. P. Cremers, leden en bestuur” voor hun onvermoeibare ijver om de Kennemerduinen als pronkjuweel van het Nederlandse landschap in zijn rijkdom aan schoonheid te bewaren.” Na de pauze hield Kees Sipkes een bevlogen voordracht met lichtbeelden over “Het nationale park de Kennemerduinen, het mooiste geschenk bij ons 50 jarig jubileum.” De dag erna werd een excursie onder zijn leiding gehouden.
Lees verder: Kees Sipkes (1895-1989) in de NNV Haarlem en omstreken.
Rolf Roos
Met dank aan Rob Rossel (dataverwerking en grafieken), Dick van der Laan en Dick Kerkhof voor aanvullende gegevens
Wat doe je als je een plant aantreft die normaal zeldzaam is en ook nog in een ander milieu blijkt te groeien dan je hebt geleerd? Altijd leuk als de natuur een beetje op haar kop staat. Over de ontwarring van de blauwe en witte knoop. We verzamelen in dit artikel argumenten voor de stelling dat de zich rap verspreidende Voornse (en ook Goereese, Schouwse?) blauwe knoop een voorbeeld lijkt van een ‘heemtuin-escape’ met een mogelijk afwijkend ‘genetisch profiel’.
Op de laatste dag van augustus 2026 troffen plantenvriend Jaco Diemeer en uw verslaggever veel bloemen van een even zeldzame als zeldzaam mooie plant, de blauwe knoop, in de duinen van Voorne. Het is een bloem van eind augustus, de kers op het bloeiseizoen. We vonden er vele verspreid in een vallei achter het Bakenpad en troffen een zeer rijke plek aan de rand van het (Voormalige) Vliegveld. Beide keren stond de blauwe tussen of nabij het palet aan soorten dat we kennen van kalkrijke duinvalleien met o.a. moeraswespenorchis, vleeskleurige orchis (beide in zaad), parnassia (deels door de droogte geveld maar ook nog deels in bloei), slanke gentianen in zaad en in bloei en geelhartjes. Een fraai gezelschap. Alleen: die blauwe knoop is vooral bekend uit het binnenland van mineraalarme terreinen en dan m.n. van licht zure blauwgraslanden en voorzover in de duinen: in oudere ook lichtzure duingraslanden zoals de vroongronden op Schouwen en een ouder, ongemaaid duin op Texel (zie foto). Maar hier op Voorne stond de blauwe schoonheid in een puur kalkrijk gezelschap. En een extra puzzel: naast die fraaie blauwe stond ook minstens zo sprankelend de witte. ‘Zeldzaam’ volgens onze Flora. Hier echter volop.
Eddy Weeda’s onvolprezen Oecologische Flora (deel 3, pag 286) kon ons niet echt helpen dit keer. “Kenmerkend voor oude vochtige binnenduingraslanden, met name valleien in vroongronden.” De online FlORON verspreidingsatlas: meldt niet meer dan “zeeduinen (oud duingrasland)”. Maar op Voorne staan ze in relatief jonge valleien (Bakenpadvallei, Stekelhoek) tot op het zeer jonge Groene strand (met name in het niet afgegraven strook, en massaal, zoals we in 2021 zagen. Langszij van deze strook is aan de noordzijde rond 2013 struweel gerooid, de bodem deels weggehaald en aan de zuidzijde is waterpartij aangelegd waardoor ‘de blauwe knoop strook’ ca 30cm hoger is komen te liggen en neerslag zo wordt gedraineerd. Zie de hoogtekaart en dan de groene strook waar 1.10 plus NAP in staat.

Op het Groene strand van Voorne, de rand die het Plevierenvlak wordt genoemd, 2021 met massavegetatie van blauwe knoop. Met uitzicht op ‘piramide’ met vervuilde grond en ander afval op de Maasvlakte aan de overzijde van het (niet zichtbare) Oostvoornse meer. Foto Cora van der Plaats.
In de negentiende eeuw is er geen blauwe knoop uit de Nederlandse duinen bekend zie F. van Eeden, 1874, maar daar moeten we gezien het beperkte aantal waarnemers in die eeuw niet te veel waarde aan hechten. Kansrijke milieus (o.a. binnenduingraslanden Texel, Bakkum, Schouwen) waren ruim aanwezig. Dan de 20e eeuw. Streeplijsten van FLORON en gegevens van Weevers’ duin vermelden de soort op Voorne wel van voor 1950; zie ook overzicht van rode lijst soorten op Voorne. Helaas kunnen we niet achterhalen waar de soort is gevonden. Een plantenlijst van de heemtuin 1988-1990 van KNNV Voorne vermeldt ook blauwe knoop op deze plek. Dick van der Laan uit Oostvoorne, vroeger werkzaam op Weevers’ Duin kende de soort als ‘heel schaars, ik weet niet meer waar precies’. Maar op basis van zijn oude gegevens stond de soort in ieder geval in 1987 in de duinen ten oosten van de Sipkesslag (Verbrande Vlak) en het Wintgat nabij Landhuis Strypemonde. Daarna geen veldwaarnemingen, wel aanwezigheid in de Heemtuin (ca 1989)/
Dick Kerkhof, vroeger werkzaam bij het Zuid-Hollands Landschap (ZHL) schreef ons augustus 2026: ” In de afgegraven delen van het Plevierenvlak (noordwestelijk deel van het Groene strand, red.) verscheen (rond 2008, red.) tot ieders stomme verbazing veel blauwe knoop, in een kalkminnende vegetatie die weinig of niets wegheeft van heischraal grasland. Meegekomen met maaimachines van de ZHL-beheerders? Als die eerst de heemtuin maaien en vervolgens duinvalleien, kan dat de verklaring zijn. Blauwe knoop is ook verschenen in een inlaag langs de Oudelandse Zeedijk op Goeree, die ook gemaaid werd door ZHL-medewerkers gestationeerd in Oostvoorne.” De ‘maaimachinetheorie’ is weliswaar sympathiek, maar wat moeten we dan met de vele blauwe knopen die ik vanaf 2019 in een afgesloten particulier duin achter Rockanje waar ook jonge kalkrijke bodems vanaf 2008 waren ontstaan en alleen 3 koetjes de openheid verzorgden?? Hier een passage uit Duinen en mensen Voorne over dit gebied.
Waarnemingen ingevoerd op waarneming.nl (geschikt voor na 2005, zodra het invoeren een steeds grotere vlucht neemt) laten blauwe knoop zien vanaf 2007 (alleen Heemtuin Tenellaplas), gevolgd door een cascade van ontdekkingen en deelgebieden.
| 2007 Heemtuin Tenellaplas |
| 2008 Oostvoornse meer/Groene strand/Plevierenvlak |
| 2009 Oostvoornse meer/Parnassiavlak |
| 2018 Vliegveld |
| 2019 Stekelhoek/De Leijse |
| 2021 Gamandervallei |
| 2021 Olaertsduyn |
| 2021 Oostvoornse Meer – Slag Bergeend |
| 2021 Stinzentuin Mildenburg (Heemtuin) |
| 2022 Voorne – Westplaat |
| 2023 Inspectiepad / Vogelvlak e.o. |
| 2024 Oostvoornse Meer – Slag Baardmannetje |
| 2026 Sipkesslag e.o /Bakenpad |
| 2026 Voornes Duin – Vogelpoel e.o. |
Het aantal waarnemingen steeg tussen 2008 en 2026 significant en ook het aantal locaties waar de soort is gevonden.
De kaarten tonen de snelle verspreiding. Ik vermoed dat we genetisch ander materiaal hebben op Voorne dan bv. op Texel en dat het zaad, zoals Dick Kerkhof ook opmerkt , vanuit Tenellaplas deels door maaimachines is verspreid. Heemtuin Tenellaplas is zoals ik eerder beschreef: ‘een dierentuin voor planten met de poorten wijd open ‘. Blauwe knoop is ook bekend van kalkgraslanden uit Centraal Europa (ook Zuid-Limburg) en wellicht komt daar onze bronplant vandaan.

Wie meer informatie heeft of een ander inzicht, laat het ons weten. Zie ook de reactie onder dit bericht over het verschijnen op Schouwen…zijn daar geen oudere vondsten bekend?
Het zou de moeite waard zijn met de moderne DNA technieken om te analyseren of de ‘Voornse’ blauwe knoop gewoon een kalkminnend/kalkverdragend buitenbeentje is.
Nico van der Wel
Ondanks enige regen is Nederland nog steeds droog. De zomer is de warmste ooit en we koersen af op een recordjaar als het gaat om het neerslagtekort en problemen in de waterhuishouding. In de tweede helft van augustus is het gaan regenen, eerst mondjesmaat maar de afgelopen week meer en meer. De waterstanden in het IJsselmeergebied zijn licht gestegen, van rond 30 cm naar 29 cm onder NAP. Omvangrijke duinbranden zijn na de eerste week van augustus niet meer opgetreden. Toch is het op veel plaatsen nog buitengewoon droog.

Op de site van waterleidingbedrijf PWN in Noord-Holland verscheen in augustus 2026 dit bescheiden bericht, zonder achterliggende data. Van de grote natheid 2023/2024 zijn wel degelijk grote effecten bekend (zoals het verdwijnen van de vogelnestorchis). Nu volledig herstel verwachten lijkt wat optimistisch.
Dit is de afsluiting van dit overzicht van droogte in het Nederlandse duingebied. De gevolgen zullen zich nog lang laten voelen o.a. in lage grondwaterstanden en (deels) verdorde heidevelden, dus we zijn nog steeds benieuwd naar uw berichten. Graag ontvangen we foto’s en waarnemingen per mail.

8 augustus 2026: het Quackjeswater (Voorne) valt droog. NB Hier werd tot 1951 drinkwater gewonnen voor Hellevoetsluis, Oudenhoorn en Nieuw Helvoet. Foto Rolf Roos. Klik voor vergroting
In Noord-Holland zijn momenteel zeven 4×4-tankautospuiten beschikbaar die geschikt zijn voor het bestrijden van natuurbranden. De voertuigen staan verspreid over verschillende brandweerkazernes in de provincie. De wagens staan hoog op hun wielen, beschikken over een grote watertank en kunnen indien nodig tijdens het rijden blussen. Tegelijkertijd kunnen ze ook worden ingezet bij reguliere branden, zoals een woningbrand. Toch ontbreekt er volgens Storm van Leeuwen nog iets belangrijks: kleinere voertuigen die speciaal zijn gemaakt voor moeilijk begaanbaar terrein. “Je ziet het: deze combivoertuigen zijn heel erg groot. We kunnen er veel mee, maar wil je echt wendbaar zijn moet je voor specifieke terreinvoertuigen kiezen.”
Tot slot voor de liefhebbers: hier de droogtemonitor van Rijkswaterstaat die zo vaak in het nieuws is.
En lees 50 jaar duinonderzoek op Terschelling inclusief herstel (?) na duinbrand.

Heideveld in de duinen van Bergen NH, 27 augustus 2026: oranje (verdord, hoger) en paars (lager). Foto Nico van der Wel

Het Breede Water (Voorne), drooggevallen, op 26 juli 1976, met treurige peilstok. Foto H.C. van der Hoek, Streekarchief VP
Rolf Roos
We beperken ons hier tot de flora, de wilde planten. We laten de lijst (zie hier de pdf zien van alle planten (en kruisingen etc.) die van 2016-2026 op Goeree-Overflakkee zijn gevonden en zijn ingevoerd op waarneming.nl. Een leuke kennistest: het zijn er (de echte wilde soorten) meer dan 1000, waaronder een serie zeer bedreigde soorten die vrijwel alleen in terreinen van natuurorganisaties staan waarvan we exacte locaties niet kunnen noemen. Neem nu de net ontdekte en zeer zeldzame klimopbladwaterranonkel, ergens op de Scheelhoek. Of het fijn goudscherm dat in hogere gorzen kan opduiken. We bespreken enkele van de soorten die door de vele plantenliefhebbers die zo attent zijn hun vondsten in te voeren, zijn gevonden, ook buiten de officiële natuurgebieden. We maakten een aparte analyse van een bijzondere uiensoort: moeslook. Deze staat op de Rode Lijst maar hij lijkt vooruit te gaan. Agrarische gebieden zijn vaak verarmd, maar er blijkt langs dijken en dammen, in recreatiegebieden en op particuliere erven meer rijkdom verborgen te zijn dan gedacht. Gerard Lokker maakte in 2026 een lijst van opvallende (vaak invasieve) soorten (zie deze bijlage). Hierin valt op hoeveel nieuwkomers er zijn: uit verre landen, uit het zuiden, uit tuinafval verwilderd. Meer biodiversiteit, maar soms wel bedenkelijke.
Als groot en gul lid van de boterbloemfamilie is de dotterbloem een sieraad bij menige vijver, maar we kijken hier alleen naar wilde dotterbloemen. Daar zijn ook ondersoorten van. De spindotterbloem is de zeldzame ondersoort van het zoetwatergetijdegebied van Biesbosch tot Haringvliet. Af en toe te zien langs het Haringvliet, zoals op de Slijkplaat. De gewone dotterbloem komt vaker voor, is een aan stilstaand zoet water gebonden ondersoort. Hij is voor de Tweede Wereldoorlog op de Kwade Hoek waargenomen door prof. Th. Weevers, toen een deel van dit gorzengebied zoeter was. In de polder ontbreekt de soort (te zoute slootjes, te veel schonen, teveel mest) maar in zoetere delen bij de Punt en ook het Volgerland nabij de Vuurtoren van Ouddorp, daar staan ze. Ook af en toe (en toenemend?) langs de oevers van het Haringvliet. Een leuke en herkenbare soort die zal kunnen volgen waar het water zoeter en schoner wordt. Of verdwijnen als het zouter wordt. Op Voorne komt de gewone dotterbloem in de duinen voor. We zien uit naar meer waarnemingen in duin, duinrand en op de slikken.
Dit mediterrane plantje is zeer fraai (“kroonbladen citroengeel, aan de voet meestal bloedrood gevlekt, al voor de middag afvallend”). De soort is in ons land ernstig bedreigd, en langs de kust sinds 2023 gevonden op het eiland Ossehoek, gelegen in de Grevelingen tegenover het Zeeuwse Den Osse; recent ook op Texel. Het is een eenjarige soort, die dus elk jaar moet weten te kiemen (in de herfst). Veel medewerkers van Staatsbosbeheer karteren de soort. Ossehoek is geen officieel natuurgebied zoals het nabijgelegen Hompelvoet, maar heeft die allure wel met de vele wilde orchideeën en parnassia, en ook met dit absoluut unieke zonneroosje. Ondanks de bedreigde status staat het gewoon openbaar op waarneming.nl. Zie voor alle meldingen: Ossehoek op Waarneming.nl
De Grevelingen is alom geroemd als natuur- en recreatiegebied van internationale klasse. Het zgn. Strategisch Ontwikkelplan Grevelingen 2020-2030 beschrijft de ambitie van het Bestuurlijk Overleg Grevelingen (BOG) en bepaalt de toekomstige ontwikkelingen. Het BOG is een samenwerking tussen gemeente Goeree-Overflakkee, gemeente Schouwen-Duiveland, provincie Zeeland, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat. Ze staan voor het beheer en de ontwikkeling van de waterrijke natuur- en recreatiegebieden. Online kunnen we lezen dat BOG (en haar uitvoerend beheerder Staatsbosbeheer) nieuwe toiletgebouwen plaatst op Ossenhoek. Prima natuurlijk. We zouden ook graag op hun site lezen wat het beheer is ten aanzien van alle natuur en onderzoek.
Wie op waarneming.nl actief is en planten of dieren invoert, kan behalve de eigen waarnemingen ook – ten dele – die van anderen zien. Het is logisch dat van zeer bedreigde soorten niet op de meter nauwkeurig te zien is waar ze staan, want er zijn altijd malloten die iets willen uitsteken en er bestaan commerciële belangen. Een poppenorchis of een bokkenorchis is helaas geld waard. Maar als je als onderzoeker of natuurbeschermingsorganisatie nu wil weten wat waar groeit of leeft en of er wellicht trends zijn, is het van belang gebruik te kunnen maken van alle gegevens, ook op waarneming.nl. Dat is des te meer van belang omdat terreinbeheerders, een enkele uitzondering daargelaten, de eigen onderzoeksrapporten helaas niet publiceren. Overheidsinstellingen zijn dit evenwel verplicht. Particuliere clubs die subsidie ontvangen en leden hebben (zoals Natuurmonumenten) siert het als ze zich periodiek tegenover het publiek verantwoorden. Ze zijn het niet verplicht, maar het zou voor hun draagvlak goed zijn. Gelukkig zijn er ook de waarnemingen van vele kenners en liefhebbers! Door gegevens te laten zien weten we hoe gebieden en soorten zich ontwikkelen. Detailgegevens waardoor zeldzaamheden kunnen worden uitgestoken of onder de voet gelopen, publiceren we in de regel niet.

Aanlegsteiger van de Hompelvoet. Met dreigende luchten doet de Delta niet onder voor de Waddeneilanden. Foto Henk Terhell.
Rolf Roos
Op 20 augustus 2026 ging Henk Terhell uit Oostvoorne, bekend van o.a. zijn foto’s voor het boek Duinen en mensen Voorne, voor het eerst in zijn ruim tachtigjarige leven naar de Hompelvoet, een met slecht weer ongastvrije maar fraai begroeide zandplaat, die na indammen van de Grevelingen permanent boven water kwam te liggen. Een zoet eiland in een zout meer.
Ook hier maakte Henk schitterende foto’s waarvan we hieronder enkele laten zien. Aan het slot staat als verrassing een topfoto die Jan Rinkel weer van hem maakte: een onverschrokken, ineengedoken Henk bezig met het fotograferen van hét symbool van de Hompelvoet: herfstschroeforchis. Niet voor een kleintje vervaard. Henk vertelde van het paard dat direct na dit shot het herfstschroeforchisje in zijn grote bek deed verdwijnen. Nee, daar had hij net geen foto van maar voor wie van nep houdt…hier een echte nepfoto van paard met herfstschroeforchis.
Zie voor meer over Hompelvoet het artikel duinvallei-eilanden of Hollands vulkanisme.

Fotograaf Henk Terhell en zeer opdringerige paarden. Ze ruiken de smakelijke hapjes in de rugzak. Zoek de herfstschroeforchis op de voorgrond. Foto Jan Rinkel, 26 augustus 2026.
(Update 20 augustus 2026, oorspronkelijk uit 2018)
Naar slechts weinigen wordt een duin vernoemd. En als we al een persoonsnaam in het duinlandschap vinden, weten we meestal niet wie er achter zat. Lakemansvlak, Frederiksveld, Niels Blink. We hebben er geen idee meer van wie dat waren. Soms is een plek naar een overleden boswachter genoemd. Of een oude Heilige: Albertdal, of een edelman: Aelbrechtsberg. De meeste persoonsnamen in het duin zijn van vroegere boeren die er een landje hadden, van stuifdijkaanleggers of helmplanters. Jan Dirk z’n Dal, Kees Dekkershok etc. Biologen halen zelden de eeuwigheid van een vernoeming in de natuur. Maar er is een uitzondering: Rita’s Duin op Terschelling. Bijgaand een primeur: het verhaal van Rita zelf. Ze onderzocht het duin een halve eeuw, vanaf 1966. Hieronder haar relaas met eigen foto’s (tenzij anders aangegeven). Zoom in op de kaart en kijk mee met Rita naar de flora van dit landschap. Hoe een ogenschijnlijk tamelijk saai duintje op een ‘schoon’ waddeneiland onder de voet werd gelopen door luchtvervuiling en brand, en waarna graafwerk en ‘overpoedering’ weer tot een nieuwe situatie leidde. (red.).
Omdat deze zomer er diverse duinbrand waren is het goed in dit stuk te lezen wat het advies van Rita Ketner-Oostra in haar ‘eigen’ duin op Terschelling is geweest na een duinbrand:
“Kan afbranden van vergraste duinen weer kaal zand met korstmossen terugbrengen? Niet dus. Terwijl de as en het kale zand geleidelijk verdwenen werd het duin al weer snel bedekt met een zee van grassen. Eerst verschenen er de typische mossen na brand, zoals purpersteeltje en later vestigde zich opnieuw grijs kronkelsteeltje. Mijn advies is om na brand de duingrond zo kaal mogelijk te maken. Het minder zure onderliggende zand kan dan weer gaan stuiven. Buntgras en korstmossen krijgen dan een kans zich te vestigen.”
(Door Rita Ketner-Oostra)
Het begon in 1966
In de duinen ten noorden van Oosterend op Terschelling lag vroeger het biologisch onderzoeksstation Schellingerland 1, een voormalige Duitse namaakboerderij bij het bunkercomplex de Oostbatterij. Met andere studenten bracht ik daar in 1966 een vrolijke zomer door. Mijn afstudeeropdracht ging uit van het Instituut voor Systematische Plantkunde van de Universiteit Utrecht. In die tijd zonder computer bracht je voor het praktische werk minstens zes weken in ‘het veld’ door. Niet geklaagd: het strand was vlakbij. En mijn zus en vriendinnen mochten komen logeren.

Rechts de auteur, die in 1968 uitleg geeft aan studente Hanneke Baretta-Bekker. Foto Han Klein
Mijn opdracht was om van de droge duinen de korstmosvegetatie te beschrijven. Het ging om de op de grond groeiende soorten. Ik begon op een vlakbij het biologisch station gelegen groot loopduin. Zulke grote van elkaar gescheiden duinen zijn typerend voor oostelijk Terschelling. Wouter van Dieren beschreef in de 1930-er jaren het Terschellingse duinlandschap 2.. Grote onbegroeide loopduinen verplaatsten zich vroeger met de wind mee. Tot er eind 19e eeuw van de Staat geld voor helmbeplanting kwam die door de bevolking zelf werden uitgevoerd. Het vlakbij gelegen Jan Thijssensduin werd bijvoorbeeld door het gezin van Jan Thijssen met helm beplant.
Op de top van mijn 20 meter hoge onderzoeksduin staat ook in 2017 nog een betonnen paal met de letters R en D, van de RijksDriehoek-meting. Deze zijn later door mijn medestudenten gebruikt voor Rita’s Duin. Door de beheerder van het Biologische station George Visser kwam die naam weer terecht in het boek van Arjen Kok over Terschellingse veldnamen 3.

De kop van de paal van de RijksDriehoeksmeting. De paal in langzaam in de bodem opgenomen (door overstuiving?). Er resteert een ’tegel’ met R D is nog aangetroffen in 2017.
Op de 80 meter lange glooiende westhelling van mijn duin en op de veel kortere en steilere zuidhelling begon ik met stokken en touwen grote vierkanten van 4 bij 4 meter uit te zetten. Voor elk vlak schatte ik de hoeveelheid kaal zand, de groene planten, de mossen en korstmossen. Van die laatste beschreef ik de korstvormige soorten en de vele soorten Cladonia’s (rendiermossen NB geen mossen maar korstmossen). Op een ondergrond van kleine blaadjes ontwikkelen zich bekerjes en staafjes. Deze pionier-soorten op het kale zand zijn typerend voor het open kalkarme duinzand in het Waddengebied. De rendiermossen komen later in de vegetatie en hechten zich aan plantenresten.

Kortsmosrijke vegetatie. De polletjes zijn buntgras. 1966

Muurpeper en vals rendiermos
Na te zijn afgestudeerd op dit onderzoek kwam ik vanaf 1967 tot herfst 1972 opnieuw naar Terschelling, maar nu als medewerker van de eerder genoemde afdeling Vegetatiekunde. Het onderzoek werd uitgebreid naar de korstmosrijke duinvegetatie over het hele eiland. Ook begeleidde ik studenten die op de Waddeneilanden het vak vegetatiekunde kwamen doen. ’s Winters ging ik een week per maand naar Utrecht om hen bij het uitwerken van de veldgegevens te assisteren. Ik woonde namelijk sinds 1969 op Terschelling nadat ik was getrouwd met mijn vriend Pieter Ketner. Hij was als ecoloog aangesteld voor het IBP (Internationaal Biologische Programma) op Terschelling.
Vanaf 1975 waren de kalkrijke duinen aan de Nederlandse kust en ook de kalkarme duinen op de Waddeneilanden aan het veranderen in een golvende zee van grassen. Men nam aan dat stikstofrijke stoffen afkomstig van de toegenomen landbouw en verkeer de natuurlijke vegetaties beïnvloeden. Landelijk kwam onderzoek tot stand over ‘Zure regen’ en over ‘Stikstofneerslag via de atmosfeer’. Tijdens zomervakanties op Terschelling viel me al op dat de duinen er zo anders uitzagen dan in 1966. Ook de duinterreinen ver van de zeereep waren volledig bedekt met wuivende helm, zandzegge en duinriet. Mossen overheersten waar vroeger korstmossen groeiden. Eén daarvan was het in Nederland nieuw-ingekomen mos grijs kronkelsteeltje (een zgn. neofyt). Dit ook wel ‘tankmos’ genoemde mos had zich in het binnenland massaal op open zand gevestigd. Maar ook in de kustduinen was deze soort geleidelijk binnengedrongen.
In 1990 vroeg Ger Londo van het RIN (Rijksinstituut voor Natuurbeheer, nu Alterra) mij hoe het er met de korstmossen op Terschelling voorstond. Eind 1980-er jaren was namelijk mijn vroegere werk over de korstmossen op Terschelling uitgegeven als RIN-Rapport. Toen pas? Dat kwam omdat ons gezin een aantal jaren in het buitenland was geweest. In de zomer van 1990 heb ik toen het onderzoek uit 1966 herhaald. Mijn beschrijvende werk uit 1966 ging de basis vormen voor dit toegepaste onderzoek.

Westhelling in 1966 en met vergrassing in 1990
Op Rita’s duin heb ik vanuit een vast punt weer een groot aantal vierkanten ingemeten en de schattingen herhaald van het % kaal zand, groene planten, mossen en korstmossen. En ook om welke soorten het ging. Mijn kennis van de Cladonia’s liet ik van toen af aan controleren door de korstmossenexpert André Aptroot. Zo kon zichtbaar gemaakt worden wat er in 25 jaar veranderd was 4. Van belang daarbij is dat dit duin ver weg is van de dorpen en er geen invloed van toeristen waarneembaar was. De conclusie was: het pionier-gras buntgras was praktisch verdwenen en de totale bedekking van helm en zandzegge was toegenomen tot 80% (zie boven). Maar vooral de achteruitgang van de korstmossen op de westhelling was spectaculair: van 50% naar 3%. En in de moslaag groeide vooral de indringer grijs kronkelsteeltje (25%). Ook hier werd als oorzaak van deze veranderingen de landelijk sterk toegenomen stikstofneerslag aangenomen. Annemieke Kooijman met studenten van de Universiteit van Amsterdam deed daarvoor bodemonderzoek op Terschelling. Zij bewezen dat de stikstofneerslag vooral een enorm effect had op het uiterst voedselarme duinzand in het Waddengebied. 5 Vanaf 1991 was dit onderzoek onderdeel van het herstelprogramma EffectGerichte Maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring van de droge duinen (EGM).
In de 1990-er jaren heb ik opnieuw de droge duinvegetatie over het hele eiland beschreven. Vergelijking met de vegetatie-opnamen uit de ’60-er jaren hebben de veranderingen zichtbaar gemaakt. Mijn oude en nieuwe opnamen zijn samengevoegd met het computer programma TURBOVEG. De ontwerper daarvan bij Alterra, Stephan Hennekens, hielp mij daarbij, evenals Karle Sýkora van Wageningen Universiteit. Het resultaat was een vegetatiekundige artikel over de grote veranderingen in de kalkarme duinen en de mogelijkheden van beheer. 6
Door de inzet van Hans Boll van Staatsbosbeheer Fryslân kwam in 1995 het groene licht om een groot MONITOR-programma voor vegetatie en bodem van de Terschellingse droge duinen op te zetten. Het doel was om de teruggang van de biodiversiteit te volgen, vooral het effect van vergrassing en vermossing op de korstmossen. Van west naar oost heb ik proefvlakken uitgezet: voor een deel in nog niet vergraste situaties. Maar ook in de jongste duintjes bij paal 26 waar ik korstmossen als pioniers verwachtte.
Bovendien werden in een aantal terreinen beheer-experimenten ingezet zoals het plaggen van het mos grijs kronkelsteeltje. In proefvlakken niet ver van de zeereep werd de invloed van overstuiving op de vegetatie gevolgd. Het hieronder volgende onderzoek na brand ging er ook deel van uit maken.
In het vroege voorjaar van 1993 leek een telefoontje van Harry Horn (destijds hoofd van Staatsbosbeheer op Terschelling) eerst alarmerend. Mijn vergraste duin was volkomen afgebrand bij een duinbrand. Een jongen had in de zeereep met een aansteker gespeeld. Door een sterke landinwaartse wind had de sterk verdroogde vegetatie vlam gevat en mijn duin bleek niet meer te redden.

De westhelling van het in maart 1993 afgebrande Rita’s Duin. (Foto Maaike Veer)

Dezelfde helling 3 maanden na de brand met opnieuw helm en zandzegge.
Opnieuw heb ik die zomer een groot aantal van aaneengesloten vierkanten ingemeten en beschreven. Er werden in totaal 52 vierkanten gevolgd, namelijk in de lengte 26 vierkanten van 4 meter lang en in de breedte twee vierkanten breed. De nieuwe factor was: de hoeveelheid as per vierkant. Om de verandering in soorten te volgen werden ook kleinere proefvlakken gevolgd.
Vervolgens ben ik zeven zomers naar Terschelling gegaan en heb de beschrijvingen herhaald. Dat was steeds in dezelfde periode van de voorzomer om ongeveer dezelfde ontwikkeling van de grassen en de overige groene planten aan te treffen. Mijn dochters vonden het nogal verdacht dat ik altijd in juni tijdens het culturele festival Oerol op Terschelling moest zijn. Ja inderdaad, ik heb er veel try-outs en avondvoorstellingen kunnen meemaken. De eerste jaren verbleef ik op het Biologische Station dat in 1993 naar Midsland was verhuisd. Maar toen dat het basiskantoor voor Oerol werd, mocht ik logeren bij onze vrienden Martha en Sil Roos in Lies.
Maar of het afbranden van vergraste duinen weer kaal zand met korstmossen kan terugbrengen? Niet dus. Terwijl de as en het kale zand geleidelijk verdwenen werd het duin al weer snel bedekt met een zee van grassen. Eerst verschenen er de typische mossen na brand, zoals purpersteeltje en later vestigde zich opnieuw grijs kronkelsteeltje. Met hulp van Karle Sýkora en Marianne van de Peijl zijn de oude en nieuwe gegevens statistisch bewerkt, met als resultaat een artikel over het effect van brand. 7
Mijn advies is om na brand de duingrond zo kaal mogelijk te maken. Het minder zure onderliggende zand kan dan weer gaan stuiven. Buntgras en korstmossen krijgen dan een kans zich te vestigen. Eenzelfde conclusie kwam uit de monitoring van de proefvlakken tussen Hoorn en Oosterend. Overstuiving met zand houdt daar de biodiversiteit in stand.
Een nieuw tijdperk brak aan: hoe kunnen de duinen ‘verjongd’ worden of minstens hun soortenrijkdom aan planten behouden? Sinds 1998 was ik lid van het OBN-deskundigenteam ‘Droge duinen en stuifzanden’ waar veel mogelijkheden tot verjonging van de duinen revue passeerden. We keken vooral ook naar betaalbaarheid, waarbij begrazing de minst kostbare bleek. Ook op Terschelling werd daartoe in 2002 overgegaan. Staatsbosbeheer maakte in de vergraste duinen ten oosten van de Badweg van Oosterend een begrazingseenheid met paarden en koeien.
Ook Rita’s Duin viel binnen zo’n begrazingsgebied. Om toch mijn langdurige onderzoek te kunnen voortzetten werd een gedeelte van de westhelling afgebakend met prikkeldraad.

Binnen deze omheining van 16 bij ruim 70 meter viel een deel van de oorspronkelijke vierkanten die voor het brandonderzoek in gebruik waren. Daar werd dus de invloed van begrazing uitgesloten. Ten noorden ervan werd een reeks aaneengesloten vierkanten ingemeten om de invloed van de begrazing zichtbaar te maken.
Publiek! Het opnemen van de gegevens en ook die van de kleinere proefvlakken deed ik nu minder vaak dan tijdens het brandonderzoek. Was het in 2005 of 2010? Een achttal nieuwsgierige paarden kwam aanhollen. Ik zat binnen de omheining maar mijn rugzak met brood lag er buiten. Tot mijn schrik roken de paarden dat en begonnen er aan te rukken….brood in plastic, niet goed dus. Dus ik kroop bliksemsnel onder het draad door en begon tegen de paarden te roepen. Ja, met dezelfde woorden of het stoute kinderen waren: ”Niet doen, pas op!!” Gelukkig hielp dat en in galop vertrokken ze.
Na enkele jaren bleek er vanaf het strand en de voorduinen enorm veel vers zand te verstuiven. Dit was het resultaat van het dynamisch kustbeheer door Rijkswaterstaat. Sinds 2010 vond er zandsuppletie voor de kust tussen Hoorn en Oosterend plaats en werden de duinen niet meer met helm beplant 8. Dit instuivende zwak kalkhoudende zand (0,6% CaCO3) werd een extra milieufactor, zowel binnen als buiten de omheining. Alle proefvlakken werden rijker aan korstmossen (11 soorten in totaal). Sommige soorten zijn kenmerkend voor zwak basische of neutrale bodem (gewoon schildmos, zomersneeuw en vals rendiermos). Andere soorten zoals open rendiermos voor meer zure bodem; zie de soortenlijst in het (korst)mossentijdschrift Buxbaumiella). 9

Omheining op de westhelling in 2013. Vanuit de voorduinen instuivend zwak kalkhoudend zand.

Centraal vals rendiermos (donkergrijs) is kenmerkend voor zwak basisch zand; er boven: open rendiermos (lichtgrijs) en gewoon klauwtjesmos, beide voor zwak zure bodem.
In alle vierkanten ontwikkelden zich ook veel mossen. Door het instuivende zand en de zilte zeewind was het ‘tankmos’ grotendeels afgestorven. Het zandhaarmos ontwikkelde zich daarna en ook gewoon klauwtjesmos. Dit lijkt een normale vegetatieontwikkeling in de droge duinen. Er was ook wel invloed van konijnen maar de hoeveelheid konijnen wisselde nogal door de jaren heen. Door hun gegraaf ontstonden er open plekken wat weer gunstig was voor de bloemplanten waaronder duinviooltjes.
Maar helm en zandzegge nemen duidelijk af door begrazing. Dit was de conclusie bij de afsluiting van het project in 2013. Binnen de omheining stond namelijk veel vitale helm. Dit was in 2017 nog duidelijker te zien.

Veel helm binnen de omheining in 2017.
De invloed van stikstof bleek in de 1990-er jaren zo schrikbarend dat ook in de landelijk politiek de bakens verzet werden. Projecten van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) kwamen van de grond om de biodiversiteit in Nederland te waarborgen. Als onderzoeker wilde ik mijn steentje daaraan bijdragen. Mijn opleiding in de vegetatiekunde gaf mij die kans. Mijn interesse en kennis van de korstmossen kwam goed van pas omdat korstmossen uitstekende indicatoren zijn voor veranderingen in het milieu. In het voorgaande noemde ik de inspirerende mensen waardoor ik aan de slag kon. Maar helaas: de invloed van stikstof op de natuur is nog steeds groot, minstens zo groot als in de 1990-er jaren. Het vermogen van de natuur tot herstel wordt echter zichtbaar bij goed beheer.
rita.ketner.oostra@gmail.com maart 2018

1 De geschiedenis van dit biologisch station is te vinden bij: Van der Maarel, E., Sterk, A.A., Lensink, B.M. en Freijsen, A.H.J. 2011. De Stichting Wetenschappelijk Duinonderzoek. Het Nederlandse duinonderzoek in historisch en internationaal perspectief. KNNV Uitgeverij, Zeist.
2 Van Dieren, J.W. 1934. Organogene Duenenbildung. Proefschrift Universiteit Amsterdam
3 Kok, A. 2009. Aastermiede & Wachthuusplak. Veldnamen op Terschelling in duin en polder. Uitg. Van Gorkum, Assen.
4 Ketner-Oostra, R. 1993. Buntgrasduin op Terschelling na 25 jaar weer onderzocht. De Levende Natuur 94 (1): 10-17.
5 Kooijman, A.M., A. van Hinsberg, H. Noordijk, M. van Til & C. Cusell, 2010. Stikstofdepositie in kalkrijke en kalkarme duinen: gaat het wel zo goed? De Levende Natuur 111 (4): 166-170.
6 Ketner-Oostra, R. & K.V. Sýkora, 2000. Vegetation succession and lichen diversity on dry coastal calcium-poor dunes and the impact of management experiments. J. Coastal Conservation 6: 191-206.
7 Ketner-Oostra, R., van der Peijl, M.J. & Sýkora, K.V. 2006. Restoration of lichen diversity in grass-dominated vegetation of coastal dunes after wildfire. J. Veg. Science 17: 147-156.
8 Ketner-Oostra, R. & K.V. Sýkora, 2012. Effect van overstuiving op korstmosrijke duinen op Terschelling. De Levende Natuur 113 (4): 167-173.
9 Ketner-Oostra, R. 2014. Herstel van korstmosrijke duinen op Terschelling door beheersingrepen. Buxbaumiella 99:1-13.
4, 5, 8 en 9 te downloaden: www.natuurtijdschriften.nl
6 en 7 staan als artikelen in mijn proefschrift als Hoofdstuk 2 en 4. Dit is te downloaden: www.primolibrary-wur.nl/Library Catalogue. Vervolgens via Search: edepot.wur.nl 18487


Vanaf het fietspad gezien, 8 juli 2018: een onopvallend duin; 20 meter hoog. In de 19e eeuw liep dit schildvormige duin nog en is toen met helmaanplant vastgelegd.
In 2017 is op deze site door Rita Ketner zelf verslag gedaan van 50 jaar onderzoek op een ogenschijnlijk saai en rustig Schelllinger duintje. Dat het er ooit in brand stond, volledig met gras is overdekt geweest is bij inspectie in 2018 niet te zien. Het is een licht begraasd met vee (met name in de zomer). Rita’s Duin: de naam is een lichtvoetige verwijzing naar het bijna verdwenen paaltje met de letters R en D van de RijksDriehoekmeting dat in 2018 door ons nog is terug gevonden. Wij tonen 10 kenmerkende bloemen. Het droge duintje bleek ook een aardige vochtige voet te hebben.

Een stuivend duin in de zeereep ((paal 15, een verstuivingsproject gestart in 1995) geeft een kleine boost aan de vegetatie op de westhelling met meer geel walstro, hondsviooltje ed.
Een achtergrondverhaal bij deze wandeling wordt gepubliceerd in het boek ‘Bloeiende duinen’.
Bezoek andere hotspots met behulp van de overzichtskaart.
Rob Rossel (tekst en foto’s)
[noot van de redactie: de Vlinderstichting organiseert deze week, in de nacht van 4 op 5 september, de Nacht van de Verwondering met overal in het land nachtvlinder-activiteiten (red.)]
Samenvatting
Acht jaar inventariseerde de auteur nachtvlinders in een insectvriendelijke tuin nabij de Kwade Hoek. Particuliere terreinen en tuinen vormen gezamenlijk een aanzienlijk deel van het Nederlandse landschap, en hun betekenis is van grote invloed op insecten. Tussen 2017 en 2026 werd op een natuurlijk beheerd perceel van circa 2,7 hectare in de Bokkepolder (Goeree-Overflakkee) onderzoek verricht naar nachtvlinders, met behulp van een lichtval, een laken en smeer. Het terrein grenst direct aan de duinen en wordt beheerd met als uitgangspunt het vergroten van de biodiversiteit, in het bijzonder die van insecten. Gedurende de onderzoeksperiode werden op 191 vangnachten in totaal 3.733 registraties van macrovlinders verricht, behorend tot 377 soorten. Het aantal jaarlijks waargenomen soorten hing sterk samen met het aantal vangnachten in dat jaar (R² = 0,93). Een Chao1-schatting geeft aan dat de werkelijke soortenrijkdom in de orde van 425 soorten kan liggen, wat suggereert dat ook na acht inventarisatiejaren nog geregeld nieuwe soorten worden aangetroffen. Daarnaast zijn 223 soorten microvlinders vastgesteld. Door andere waarnemers zijn in de Bokkepolder nog eens 61 soorten gemeld die op het eigen terrein nog niet zijn waargenomen (waaronder zes macrovlinders). Dit brengt het totaal op 661 soorten. De resultaten laten zien dat een natuurlijk beheerd en gunstig gelegen particulier terrein een aanzienlijke lokale diversiteit aan nachtvlinders kan herbergen, waaronder meer dan honderd soorten van de Rode Lijst.
De afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat insectenpopulaties onder druk staan. Langlopende meetreeksen tonen een afname van biomassa, verspreiding en populatieomvang van veel insectengroepen (Hallmann et al., 2017). Voor nachtvlinders geldt een vergelijkbaar beeld: verschillende soorten zijn zeldzamer geworden door veranderingen in het landschap, intensivering van de landbouw, stikstofdepositie, verdroging en de toenemende hoeveelheid kunstlicht tijdens de nacht. Een warmer wordend klimaat zorgt desondanks voor nieuwe zuidelijke soorten terwijl noordelijke soorten het moeilijker krijgen.
Tegelijkertijd groeit het besef dat particuliere terreinen een bijdrage kunnen leveren aan het behoud van biodiversiteit. Dit geldt voor kleinere tuinen, maar zeker ook voor grotere particuliere percelen, die door hun omvang en variatie in vegetatie mogelijk een substantiële rol kunnen spelen. Wanneer dergelijke terreinen natuurlijk worden beheerd, kunnen zij fungeren als nectarbron en stapstenen tussen natuurgebieden (Morpurgo et al., 2024; Tew et al., 2021).
Nachtvlinders zijn hiervoor een geschikte indicatorgroep: ze reageren op veranderingen in vegetatiestructuur, waardplanten en beheer. Er zijn ongeveer 865 macro- en ongeveer 1400-1480 micro-nachtvlinders, waardoor verschuivingen in de leefomgeving vaak zichtbaar worden in de soortensamenstelling. Het onderscheid tussen micro- en macrovlinders is van oorsprong praktisch, niet wetenschappelijk: macrovlinders zijn de doorgaans grotere, opvallende soorten (zoals dagvlinders en de grotere nachtvlinders), terwijl microvlinders de vaak kleinere, minder opvallende nachtvlindergroepen omvatten — de indeling zegt dus meer over grootte en herkenbaarheid dan over verwantschap.
Langdurige inventarisaties zijn nog beperkt alhoewel er momenteel door de Vlinderstichting een monitoringnetwerk is opgezet om meerjarige tellingen op één vaste locatie uit te laten voeren (citizen science). Ook zijn veel gegevens afkomstig uit losse waarnemingen of kortlopende tellingen. Een meerjarige monitoring maakt het juist mogelijk om de ontwikkeling van de soortenrijkdom en de mate van volledigheid van een inventarisatie te beoordelen.
In dit artikel wordt de nachtvlinderfauna beschreven van een particulier terrein dat gedurende acht jaar zeer regelmatig werd onderzocht. De centrale vraag luidt: hoe ontwikkelt de soortenrijkdom van macrovlinders zich in een natuurlijk beheerd terrein aan de rand van de duinen, wanneer dit gedurende meerdere jaren systematisch wordt geïnventariseerd? Omdat de macrovlinders het meest consistent zijn onderzocht en gedetermineerd, ligt de nadruk in dit artikel op deze groep; de microvlinders en waarnemingen van derden komen afzonderlijk aan bod in het laatste hoofdstuk.
De inventarisatie vond plaats op een terrein in de Bokkepolder op Goeree-Overflakkee. Deze bijna 28 hectare grote polder ligt direct tegen de duinen van de Kwade Hoek aan en vormt een overgang tussen het agrarisch landschap en het kustgebied van de Noordzee.
Binnen een kilometer komen verschillende landschapstypen samen: jonge en grijze duinen, vochtige duinvalleien, duindoornstruwelen, ruige graslanden, landbouwgronden en particuliere tuinen. Hierdoor liggen waardplanten uit uiteenlopende biotopen dicht bij elkaar, en kunnen zowel typische duinsoorten als algemene cultuurvolgers worden verwacht.
Het betreffende perceel bestaat uit houtwallen, hooiland, vijver en diverse kleine elementen zoals een keverbank en vleermuizenbunker; aan de zuidzijde een bloemrijke dijk in beheer bij Natuurmonumenten, in het noorden langs de Stellingweg veel opgaand bos met en daarachter de zeewering met daar weer achter de zilte gronden van de Kwade Hoek. Het terrein grenst niet direct aan een akker waardoor bestrijdingsmiddelen niet direct op het terrein kunnen komen. Het is echter niet uitgesloten dat door drift toch wat residuen in het gebied neerdalen.

Het terrein wordt, door een lokaal hoveniersbedrijf, gemaaid met een maaibalk op een maaihoogte van ongeveer 10 centimeter. Het gebruik van een maaibalk en deze maaihoogte biedt insecten de grootste overlevingskans. Na enkele dagen drogen wordt het maaisel geschud, gewierst en vervolgens afgevoerd.
Vanaf 2014 is het terrein beheerd met de nadruk op fauna, in het bijzonder als leefgebied voor insecten. Waar mogelijk is gekozen voor inheemse bomen en struiken, met bloeiende kruiden gedurende het hele groeiseizoen. Het maaibeheer gebeurt gefaseerd, ruige vegetatie blijft gedurende de winter staan, dood hout wordt zoveel mogelijk behouden. Dit ook met het oog op kevers. Er wordt geen gebruik gemaakt van insecticiden, en kunstlicht wordt zoveel mogelijk beperkt tot wat voor de inventarisatie zelf nodig is.
Door deze aanpak is een mozaïek ontstaan van korte vegetaties, bloemrijke delen, ruigten, struiken en kleine bosjes, verspreid over het hele perceel. Deze structuurvariatie is vermoedelijk een van de factoren die bijdragen aan de waargenomen soortenrijkdom. Daarnaast staat het terrein in directe verbinding met de omliggende duinen. Nachtvlinders zijn mobiel, en het terrein fungeert daardoor waarschijnlijk niet alleen als leefgebied, maar ook als foerageerplek voor soorten die hun larvale ontwikkeling elders in het duingebied voltooien.
De relatie tussen het aantal vangnachten en het aantal jaarlijks waargenomen soorten is onderzocht met lineaire regressie. De potentiële totale soortenrijkdom is geschat met de Chao1-index, die gebruik maakt van het aantal soorten dat slechts één of twee keer is waargenomen (singletons en doubletons) om een indruk te geven van het aantal nog niet gevonden soorten. Daarnaast is de ontwikkeling van de cumulatieve soortenlijst gevolgd om te beoordelen of de inventarisatie een verzadigingspunt begint te naderen.
Gedurende de onderzoeksperiode werden in 191 vangnachten macrovlinders geregistreerd. De inventarisatie-intensiteit varieerde sterk tussen de jaren (tabel 2). In 2017 en 2018 stond de lichtval slechts enkele keren opgesteld en zijn er alleen jaartotalen. Vanaf 2019 werd systematisch geïnventariseerd, met de grootste vanginspanning in 2020–2022. Vanaf 2023 nam het aantal vangnachten weer af. De cumulatieve soortenlijst groeide vooral sterk gedurende de eerste vier inventarisatiejaren: van 44 soorten in 2018 naar 300 soorten na 2020. Daarna vlakte de toename duidelijk af, zonder dat een volledig plateau werd bereikt – ook in 2026 kwamen er nog 9 nieuwe soorten bij.
| Jaar | Vangnachten | Nieuwe soorten | Cumulatief |
| 2017 | onbekend | 29 | 29 |
| 2018 | onbekend | 15 | 44 |
| 2019 | 28 | 178 | 222 |
| 2020 | 28 | 78 | 300 |
| 2021 | 36 | 39 | 339 |
| 2022 | 33 | 19 | 358 |
| 2023 | 19 | 5 | 363 |
| 2024 | 21 | 3 | 366 |
| 2025 | 12 | 2 | 368 |
| 2026 | 14 | 9 | 377 |
Tabel 2. Vangnachten, nieuwe soorten en cumulatief aantal macrovlindersoorten per jaar.
Dit patroon komt overeen met een gebruikelijke soortenaccumulatiecurve. Tijdens de eerste inventarisatiejaren worden relatief veel nieuwe soorten geregistreerd. In latere jaren vlakt deze toename af, doordat een steeds groter deel van de aanwezige soorten al eerder is waargenomen. Nieuwe soorten kunnen echter gedurende de gehele onderzoeksperiode worden gevonden, ongeacht hun algemene of zeldzame voorkomen. Ook in de curve is te zien dat de toename na de eerste jaren afvlakt, zonder dat een duidelijk plateau wordt bereikt. Het aantal waargenomen soorten per jaar daalt in de latere jaren ten opzichte van de piek in 2021-2022, maar dit gaat gepaard met een vergelijkbare afname in het aantal vangnachten; de absolute aantallen per jaar zijn daarom niet zonder correctie onderling vergelijkbaar.
De lichtval vangt slechts iets meer soorten ondanks dat deze aanmerkelijk vaker is opgesteld.
| Vangmethode | Vangnachten | Macro’s | Micro’s |
| Laken | 27 | 273 | 120 |
| Lichtval | 170 | 308 | 151 |
Er zijn hiervoor een aantal verklaringen. Bij het laken wordt actief, gedurende een paar uur, naar aanvliegende vlinders gekeken, terwijl de lichtval passief gedurende de hele nacht vangt en pas ’s ochtends in één keer wordt gecontroleerd – een deel van de bezoekende vlinders is dan alweer weggevlogen voordat deze konden worden vastgelegd. Ook het verschil in lichtsterkte en type lamp is een niet te onderschatten factor. Daarnaast is er uitsluitend in de periode mei-oktober met het laken gestaan, terwijl de lichtval het hele jaar door – ook in de wintermaanden – is gebruikt. Typische voorjaars- en wintersoorten zoals voorjaarsboomspanner, perentak, dunvlerkspanner en de grote en kleine wintervlinder zijn dan ook uitsluitend met de lichtval gevangen en nooit op het laken – wat past bij het ontbreken van winter- en vroege voorjaarsavonden in de lakendata. Dit neemt niet weg dat de lichtval, dankzij het veel grotere aantal vangnachten, over de hele periode wel tot meer verschillende macro-soorten heeft geleid (308 tegenover 273 bij het laken); beide methoden blijven dan ook waardevol en vullen elkaar aan.
Tussen het aantal vangnachten en het aantal per jaar waargenomen soorten bestond een zeer sterke samenhang (lineaire regressie, R² = 0,93; p < 0,001). Ongeveer 93% van de variatie in het jaarlijkse aantal soorten kan dus worden verklaard door verschillen in het aantal vangnachten. Dit betekent dat jaren met weinig waargenomen soorten niet noodzakelijk wijzen op een afname van de biodiversiteit, maar grotendeels het gevolg zijn van een lagere inventarisatie-intensiteit.
Van de 377 vastgestelde macrovlindersoorten werden er 67 slechts eenmaal op het terrein geregistreerd en 45 tweemaal; samen ruim 30% van alle aangetroffen soorten. Dit zegt niets over hoe zeldzaam deze soorten landelijk zijn – het gaat om soorten die op dít terrein maar één of twee keer zijn gezien, wat net zo goed algemene soorten kunnen zijn die er toevallig zelden langskomen. Dit aandeel is bovendien niet star: kort na 2018 bestond de soortenlijst nog vrijwel volledig (100%) uit soorten met hooguit twee waarnemingen, in 2020 was dat gedaald tot 54%, en inmiddels (2026) nog maar 30%. Naarmate de inventarisatie langer loopt, worden eerder incidenteel geregistreerde soorten dus geregeld opnieuw waargenomen en verdwijnen ze uit deze categorie – vooral de recentst ontdekte soorten (2025-2026) zijn nog vaak maar één of twee keer gezien, simpelweg omdat er nog weinig tijd was om ze opnieuw waar te nemen.
Met de Chao1-estimator – een rekenmethode die uitgaat van het aandeel van dit soort incidenteel waargenomen soorten – is een geschatte totale soortenrijkdom van macrovlinders berekend van circa 425 soorten (SE ≈ 16). De tot nu toe waargenomen 377 soorten vertegenwoordigen daarmee ongeveer 89% van deze schatting. Dergelijke schattingen blijven met onzekerheid omgeven, maar wijzen er wel op dat de inventarisatie behoorlijk compleet begint te worden, en dat voortzetting van de monitoring naar verwachting nog een beperkt maar niet verwaarloosbaar aantal nieuwe soorten voor dit terrein zal opleveren.
Gedurende de inventarisatie zijn 377 soorten macrovlinders vastgesteld. Vergelijkingsmateriaal van andere particuliere terreinen is beperkt beschikbaar, wat een absolute uitspraak over hoe uitzonderlijk dit is lastig maakt. De Nederlandse macro-nachtvlinderfauna omvat ongeveer 850 soorten; met 377 daarvan op één terrein is een aanzienlijk deel van die fauna hier al vastgesteld. Waarschijnlijk is er niet één verklaring voor het hoge aantal soorten, maar is er sprake van een samenspel van landschappelijke ligging, de omvang van het terrein, natuurlijk beheer en de lange duur van de monitoring zelf.
Het terrein ligt direct aan de binnenduinrand, waar verschillende leefgebieden elkaar overlappen: open duinen, vochtige valleien, duindoornstruwelen, graslanden, landbouwpercelen en tuinen liggen dicht bij elkaar. Duinterreinen bieden een groot aantal waardplanten voor rupsen en nectarbronnen voor volwassen vlinders. Daarnaast kunnen ze fungeren als brongebied voor soorten die zich buiten het duingebied verspreiden – veel nachtvlinders zijn goede vliegers en overbruggen zonder moeite afstanden van enkele honderden meters tot enkele kilometers. Kustgebieden fungeren bovendien soms als corridor voor trekkende soorten; tijdens warme zomers kunnen migrerende nachtvlinders vanuit Zuid-Europa of Engeland de Nederlandse kust bereiken, en een langjarige inventarisatie vergroot de kans dat zulke incidentele bezoekers worden vastgesteld. Bekende voorbeelden van trekvlinders zijn o.a. de algemene gamma-uil, het spectaculaire blauw weeskind, de oprukkende Spaanse vlag en de roodstreepspanner die gebruikmakend van gunstige winden het zuidwesten van Nederland bereikt (Jacobusse et al., 2016).
Een kenmerk van het terrein is de variatie in vegetatiestructuur: bloemrijke delen, ruigtes, struweel, jonge en oudere bomen, grasvegetaties en dood hout liggen dicht bij elkaar. Voor insecten is deze afwisseling waarschijnlijk van belang, omdat rupsen vaak gebonden zijn aan specifieke waardplanten terwijl volwassen vlinders weer andere eisen aan hun omgeving stellen. Het laten staan van vegetatie gedurende de winter biedt bovendien overwinteringsmogelijkheden, zowel voor vlinders als voor hun natuurlijke vijanden.
Gedurende de hele onderzoeksperiode is het terrein natuurlijk beheerd: geen insecticiden, gefaseerd maaien, en behoud van dood hout en ruigte waar mogelijk. Dit zijn relatief eenvoudige maatregelen, die ook op kleinere schaal, in een gewone particuliere tuin, met beperkte inspanning kunnen worden toegepast.
Zou de inventarisatie na een of twee jaar zijn beëindigd, dan zou een aanzienlijk kleiner deel van de huidige soortenlijst zijn vastgesteld – na 2018 stond de teller nog op 44 soorten, tegenover 377 nu. Dit is een bekend patroon in biodiversiteitsonderzoek. De Chao1-schatting bevestigt dat de inventarisatie nog niet volledig verzadigd is, en langdurige monitoring maakt bovendien veranderingen in de samenstelling van de fauna zichtbaar – relevante informatie in een tijd waarin insectenpopulaties onder druk staan.
De sterke samenhang tussen het aantal vangnachten en het aantal waargenomen soorten (R² = 0,93) laat zien dat de bemonsteringsinspanning een belangrijke factor is bij het interpreteren van verschillen tussen jaren. Een jaar met weinig vangnachten zal vrijwel altijd minder soorten opleveren dan een jaar met intensieve inventarisatie, ook zonder dat de onderliggende biodiversiteit is veranderd. Voor toekomstige vergelijkingen verdient het aanbeveling jaarlijks een vergelijkbaar aantal inventarisatiemomenten aan te houden.
Naast de 377 hierboven besproken macrovlindersoorten zijn op het terrein ook 223 soorten microvlinders vastgesteld. Microvlinders zijn tijdens dezelfde vangsessies meegenomen, maar zijn minder consequent tot op soort gedetermineerd dan macrovlinders, waardoor het aantal van 223 vrijwel zeker een onderschatting is van het werkelijk aanwezige aantal microvlindersoorten. Om deze reden zijn de microvlinders in de voorgaande hoofdstukken buiten de kwantitatieve analyses gehouden.
Daarnaast zijn door andere waarnemers in de Bokkepolder en de directe omgeving nachtvlinders gemeld die op het eigen terrein (nog) niet zijn vastgesteld. Dit betreft doorgaans incidentele waarnemingen, niet afkomstig uit een systematische vangst, en daarom niet meegenomen in de hierboven gepresenteerde schattingen van de soortenrijkdom. Deze meldingen zijn niettemin waardevol: ze laten zien dat de Chao1-schatting van circa 425 soorten niet louter een statistisch abstractum is, maar dat er ook daadwerkelijk aanwijsbare soorten in de naaste omgeving voorkomen die op het eigen terrein nog niet zijn aangetroffen.
Door andere waarnemers zijn in totaal 76 soorten gemeld: 9 macrovlinders en 67 microvlinders. Daarvan waren 61 soorten nog niet eerder op het eigen terrein vastgesteld: 6 macrovlinders en 55 microvlinders. Onder de nieuw gemelde macrovlinders bevinden zich de hoornaarvlinder, het vlasbekuiltje, de witte-l-uil, de dwerghuismoeder, de tweekleurige uil en de gepluimde snuituil. Worden deze 6 macrovlinders bij de 377 op het eigen terrein vastgestelde soorten opgeteld, dan komt het totale in de Bokkepolder aangetoonde aantal macrovlindersoorten op 383.
Van de 660 nachtvlindersoorten die in de Bokkepolder zijn vastgesteld, komt de overgrote meerderheid (624 soorten, 94,5%) ook elders op Goeree-Overflakkee voor. Dat is een sterke aanwijzing dat de Bokkepolder, ondanks de relatief bescheiden oppervlakte van het terrein, een representatieve doorsnede biedt van de nachtvlinderfauna van het eiland.
Toch is er ook een duidelijke keerzijde: van de 1.276 soorten uit de bredere Goeree-Overflakkee-dataset zijn 652 soorten (ruim de helft) nog niet in de Bokkepolder gevonden. Dit verschil is goed te verklaren uit de aard van de vergelijking. De regionale dataset bundelt waarnemingen uit sterk uiteenlopende leefgebieden – van het strand bij Ouddorp tot de Haringvlietbrug – terwijl de Bokkepolder één kleine polder is op Goeree-Overflakkee. Bovendien is de inventarisatie-inspanning op regionaal niveau vele malen groter (ruim 47.000 registraties tegenover ruim 4.480 in de Bokkepolder) en verspreid over talloze waarnemers en jaren, wat vanzelf tot een grotere soortenlijst leidt.
Opvallend is verder dat 36 soorten wél in de Bokkepolder zijn vastgesteld, maar niet voorkomen in de geraadpleegde Goeree-Overflakkee-lijst. Dit zijn mogelijk soorten die elders op het eiland simpelweg nog niet zijn gemeld, of waarnemingen die nog niet zijn ingevoerd in de regionale database. Het zijn bovendien grotendeels microvlinders die waarschijnlijk minder gedetermineerd worden. Een andere reden is dat ze bijv. gebonden zijn aan zandgrond zoals het rozenblaadje, de zwartstipspanner en de walstrospanner.
Van de maximaal 2345 soorten nachtvlinders in Nederland zijn de 1313 gemelde vlinders op Goeree-Overflakkee ongeveer 56% van de Nederlandse soorten. Ervan uitgaande dat de allerkleinste micro’s niet vastgelegd worden door de meeste gebruikers van waarneming.nl zal het werkelijke percentage hoger liggen.
Gedurende acht inventarisatiejaren zijn op een natuurlijk beheerd particulier terrein in de Bokkepolder 377 soorten macrovlinders vastgesteld tijdens 191 vangnachten. Deze soortenrijkdom is vermoedelijk het resultaat van een combinatie van factoren: de ligging direct aan de duinen en aangrenzende erven en dijken, de omvang en variatie aan vegetatiestructuren van het terrein, beheer zonder bestrijdingsmiddelen, en niet in de laatste plaats de lange duur en consistentie van de monitoring zelf.
De resultaten laten zien dat particuliere terreinen kunnen bijdragen aan lokale biodiversiteit, en dat langdurige inventarisatie essentieel is voor een representatief beeld van de aanwezige fauna: ook na acht jaar worden nog nieuwe soorten gevonden, en de Chao1-schatting suggereert dat de werkelijke soortenrijkdom nog altijd iets hoger ligt dan het huidige aantal waargenomen soorten. Met de microvlinders en de waarnemingen van derden in het laatste hoofdstuk meegerekend, telt de totale nachtvlinderlijst van de Bokkepolder verder aan. De Bokkepolder illustreert daarmee dat een goed beheerd particulier terrein, zeker in een gunstig gelegen landschap en van een zekere omvang, een reële bijdrage kan leveren aan het lokale insectenleven.
Verder lezen
Dank aan de mensen die hun waarnemingen in Waarneming.nl hebben ingevoerd. Hiermee is een goed beeld verkregen van de nachtvlinderrijkdom van Goeree-Overflakkee.
Piet van Son †, Johan Schipperen, Guus Dekkers, Jannie en Siep Sinnema. Alle lid van de sectie ter Haar.
Geert Faasse
In natuurgebied de Kwade Hoek is begin juli 2026 door Natuurmonumenten een totaal niet in het landschap passend bouwwerk geplaatst, een Pipowagen. Daarom hebben we bij de gemeente Goeree-Overflakkee een Handhavingsverzoek ingediend tegen Natuurmonumenten om de wagen weer te laten verwijderen. Zie de formele tekst (pdf).
De Pipowagen is officieel bedoeld om voorlichting te geven over de mooie natuur en het beschermde, kwetsbare landschap van de Kwade Hoek. Daarvoor is vergunning weliswaar aangevraagd, maar Natuurmonumenten heeft daar echter niet op gewacht maar het ‘bouwwerk’, want dat is het in formele zin, alvast illegaal neergezet. Zij noemen het een”Duinwagen”.
De gemeente is voornemens een vergunning te gaan verlenen op oneigenlijke gronden, namelijk dat het een tijdelijk bouwwerk zou zijn. Dat is het niet want het komt daar elk jaar 4 tot 5 maanden te staan. Uit het omgevingsplan is echter duidelijk dat dit soort zaken niet kunnen midden in een kwetsbaar natuurgebied. Veel mensen hebben het erover, storen zich er aan en wat nu?
Natuurmonumenten en de gemeente lijken dit onzalige plan en aantasting van het landschap op de Kwade Hoek door te zetten. Als de vergunning afgegeven wordt, kan daar nog bezwaar tegen worden gemaakt. Om dit onzalige plan aan te pakken is nu alvast een handhavingsverzoek ingediend. ‘Een terreinbeheerder dient het geweldige, open landschap te behouden en niet te ontsieren met bouwwerken die slechts een heel kleine gedeelte van de tijd zullen worden bemensd. Net als grote banieren bij de ingang ‘bezoek de kraamkamer van de natuur’ lijken dit soort voorlichtingszaken vooral bedoeld om leden te werven. Of dat laatste hiermee lukt is maar de vraag.
Over de mediastrategie van Natuurmonumenten en de mening van ‘Het Groene-Strand Goeree-Overflakkee’ leest u meer onder deze link.
Reageren kan onder dit bericht.
Zie ook facebookpagina en
de website van het Groene strand
Rolf Roos, 16 juni 2026; update 21 juli
Met dank aan Mathijs Broere, Gerben van Geest, Gerard Lokker en Hein Nouwens
Tot nu toe zijn alleen duinen bij Scheveningen, Katwijk, Noordwijk, Zandvoort, Velsen, Wijk aan Zee, een hoekje van Castricum en Egmond aan Zee erkend als ‘zeedorpenlandschap‘. Na enige verkenningen van het duin bij Havenhoofd, Goedereede, door de Ouderenbond voor Natuurstudie (voor mensen tussen 23 en 123 jaar) denken sommigen daar heel anders over. Keken de onderzoekende randstedelingen wel ver genoeg om zich heen? Een reportage.
Het begint deze dag al goed: meteen aan ons beginpunt aan het Haveneind, het oude havenfront van Havenhoofd, zeehaven van Goedereede sinds 1641, stond voor onze neus een nieuwe plantensoort voor dit voormalige eiland: zilverkruiskruid. Gewoon bij de ingang van een duinpad. Het blijkt een variatie op een bekend thema: uit warme landen en/of verwilderd uit tuinen. Toch een leuk ding. Maar we hadden het niet helemaal goed – waarneming.nl waar we onze gegevens uploaden helpt ons uit de jongensdroom en meldt binnen 24 uur: “De foto’s laten een andere soort zien: Zilverkruiskruid x Jakobskruiskruid – Jacobaea x albescens (J. maritima x J. vulgaris).” Dank. Daar doen we (twee heren, goed voor 100 jaar natuurstudie) het ook mee.
[Op de hoogte blijven van natuuronderzoek rond Havenhoofd? Meld je hier aan voor appgroep ‘Natuurstudie havenhoofd‘]

Kaart van Gevers 1827 toont de ongeschonden kustduinen; naast de Lazaret zien we exact 4 huisjes bij Havenhoofd. In de naastgelegen ‘Gorzenpolder’ staan boompjes: hakhoutcultuur van waarschijnlijk wilgen die werden gebruikt als rijshout voor kustverdediging en beschoeiingen. Klik op kaart voor vergroting
Havenhoofd, Goedereede heeft als bos vermomde zeeduinen. We volgen een pad achter de zeereep dat dichtbegroeid is met bos (iepen, abelen, meidoorns) en klimop op de bodem. Meer iets voor een matig voedselrijk stadsbos dan een natuurlijk struweel
met vlier en af en toe een krom eikje, het gewone beeld van vlak bij zee. Hier werd de zeereep (en een deel van het gors) rond 1970 fors opgehoogd met (helaas) enigszins voedselrijk zand. Voedzamer dan gewoon duinzand. We volgen een door kinderen uitgelopen bospad, donker en zonder veel doorkijkjes, met af en toe een bouwsel als een halve wigwam en sporen van een illegaal vuurtje. Het wilde westen van Goeree. Ergens staat de stinkende lis midden in het bos. Er moeten ook bunkerresten te vinden zijn. Ik zou er als kind voor tekenen. We weten dat die opgehoogde zeereep verderop overgaat in de oorspronkelijke zeeduinen van de ‘Rooklaasduynen’ met, ter hoogte van ’t Plaatje, een ‘Quaade Hoek’, zwakke plek in de kustverdediging. Die duinen waren ooit de zeewaartse begrenzing van de Rooklaasplaat, ingepolderd in 1641. Toen ontstond ook, na aanleg van het kanaal naar Goedereede, het Havenhoofd met een Lazaret, een pesthuis; in de 18e eeuw stond er aan de overzijde van het kanaal in het gors een galg en vanaf de 19e eeuw was het Haveneind door vissers bevolkt, deels uitgeweken uit het voor vissersschepen moeilijk toegankelijke Goedereede. De tijd van de zeilboten eindigde ruim een eeuw geleden en in de oorlog werd Havenhoofd gesloopt en daarna weer herbouwd. Het lag net hoog genoeg om in 1953 niet te worden overspoeld. Daarna kwamen Deltawerken, de havens van Stellendam, de ophoging van de zeereep, toen werd Havenhoofd onthoofd en beroofd van haar ingang naar de zee. Huizen met uitzicht op zee en op de koeien op het gors verdween (zie verder beweiding Kwade Hoek). Maar wat deed de natuur?
We speuren naar resten van oorspronkelijke duinen. Voorbij wat hoge, grauwe abelen en veel rode kamperfoelie stuiten we op een bosje zeegroene zegge. Een voorbode. Ineens staan we in een omsloten, grasrijk duin met hoge hellingen bedekt met duinsterretjes en zanddoddegras. Kalkrijke duinen. Een rommelig duin, door aanwonenden belopen en daardoor deels open maar niettemin met veel opslag van wilg en ratelpopulier. We zien meteen duinsoorten als sint-janskruid en kraailook. En daar is ook een van de weinige soorten die al voor de oorlog in 1920 door Theodorus Weevers van hier werd gemeld: de kleine ruit. Voor de open duinen van Havenhoofd een kenmerkende soort, want hij staat ook bij het enige open (gemaaide) stukje een paar honderd meter westwaarts, waar de laatste jaren ook kegelsilene en walstrobremraap zijn aangetroffen, maar ondanks maaiwerk vergassing domineert. Andere ‘zeedorpensoort’ blauwe bremraap is soms op de Nieuwendijk (weinig) en langs Meester Snijderweg (veel bij 1 lantaarn)ten oosten van Havenhoofd te vinden, niet in het duin zelf.
We noteren leuke soorten van duingraslanden: beetje liggende klaver, zachte haver (veel), duinfakkelgras, de gewone en ook wat veelbloemige veldbies. Een enkel exemplaar van gewone vleugeltjesbloem duikt op, muizenoor, schermhavikskruid en gele morgenster. In jongere open stukjes ook wat buntgras maar vooral veel mosrijke stukken met kandelaartjes. Gerard Lokker determineert duinreigersbek en gewone reigersbek, de kleverige vinden we niet. Ook geen zwenkdravik, die we vanaf Voorne veel in het kalkrijke duin treffen op net tot rust gekomen stuifzand, hier alleen ijle dravik. In de jongste delen met veel duinsterretjes of open zand staan tussen het zanddoddegras ook honderden kegelsilenes.
In dit pioniermilieu hebben ook nachtsilenes en kleine ruit een optimum. De zeer rijk bloeiende pollen van nachtsilene is een van de vijf Rode Lijstsoorten die we treffen. Ja, staat ook mooi op de nabijgelegen Nieuwendijk, maar hier veel koninklijker.

Zuidhelling met kruisdistels en nachtsilenes op de achtergrond struwelen, duingraslandjes en huizen van Havenhoofd.
Ik loop hier met de werkhypothese in mijn hoofd dat dit stuk duin bij het vissersdorp een ‘zeedorpenlandschap’ is: meestal eeuwenlang beweid met wat vee en gebruikt door aanwonenden. Bekend en beschreven van Scheveningen tot Egmond aan Zee als bloemrijk duingrasland met veel silenesoorten (kegelsilene, oorsilene, nachtsilene) en duinfakkelgras. Een deel van de kenmerkende bloemenrijkdom missen we hier (b.v. geen kleine ratelaars, geen bitterkruid) of staat alleen iets verderop in deze duinenrij een kenmerkende soort als wondklaver, maar we hebben drie extra’s: gewone kruisdistel (nergens in het zeedorpenlandschap van Scheveningen tot Egmond, maar hier in de deltaduinen wel), de eerder genoemde kleine ruit, en als we een helling afdalen blijkt een dalletje goed voorzien van grondwater (dus ook nog vochtig in de zomer) en belanden we in een uniek duinvalleitje. Naast de ‘normale’ soorten als koninginnekruid, zomprus, zeegroene zegge en ruw walstro staat er veel rode klaver en ongekend veel gewone vleugeltjesbloem. En, nog nooit door ons in een duinvallei gezien: klavervreters, parasitair op rode klaver. Heel brutaal ook midden op een pad. Rietorchis completeert het moerassige boeket, net als enig riet. Een ‘zeedorpenduinvalleitje’, niet bekend uit enig ander zeedorp, want daaromheen werd, zoals bij Egmond elke vallei meteen omgezet in aardappelakkertje. Hein Nouwens uit Havenhoofd attendeerde ons er op dan de ‘rietorchis’, althans op in 2025 hier verzameld materiaal, de kruising tussen bosorchis en vleeskleurige orchis kan zijn. Zie foto.
Het gebied heeft vrij veel open zand volop harkwespen en andere gravende insecten, en ook smal vlieszaad en wat ruigtesoorten als vlasbekje, bijvoet en bleke klaprozen groeien hier. Een helling waar we een oudere humuslaag vermoeden staat vol schapenzuring. Enkele stukjes zijn wat graziger en minder een zand- en mosrijkpioniermilieu en daar treffen we bv. kruipend stalkruid en dauwbraam. We vonden in dit gebied ook walstrobremraap, parasitair op het vele geel walstro, dat hier groeit. Van grote betekenis is ook het voorkomen van beemdkroon (in particulier perceel buiten het Natura2000 gebied maar wel in de zeeduinen van Havenhoofd) en net buiten ons werkgebied is ook blauwe bremraap bekend, een ‘zeedorpensoort’.
Conclusie: door rommeligheid en gebruik (veel belopen door autochtonen, honden) en het beheer en is de flora te beschouwen een zeedorpenlandschap, al zullen scherpslijpers zeggen dat we een aantal kenmerkende soorten en de duinakkertjes (die lagen wel in ruim bemeten voortuinen van de vissershuisjes) missen. Op een kaart van rond 1850 staat welgeteld 1 akkertje in het duin. We speuren voort. Er was hier zeker ook langdurig beweiding met koeien waarbij het gors en het duin geen grenzen kenden. Ook konijnen, hier volksvoedsel in de jaren ’50, ontbreken tegenwoordig geheel. En wanneer stond hier nog een geit aan een touw die de boel af en toe kort afvreet? Eigenaar en beheerder Natuurmonumenten heeft rond 2014 enkele hectares zeeduin open gemaakt, zowel achter Havenhoofd en aan de Stellingweg net ten westen van Havenhoofd. Veel bomen en struiken zijn verwijderd en zo is het half open landschap deels teruggekeerd. Sindsdien bestaat het vervolgbeheer uit het periodiek maaien/afvoeren en het verwijderen van exoten (met name mahonie – waardoor er tijdelijk veel kaal zand is) en verwijderen van populieren/abelenopslag, eens in de 2-3 jaar. Resultaten in het duin gelegen achter de Breenstraat duin zijn prima maar het open duintje (het ‘Duintje van Ruud’) in het begin van de Stellingweg (met een fijn uitzichtbankje) is landschappelijk fraai, er zingt af en toe een boomleeuwerik, maar qua flora & vlinders is de opbrengst mager. Gras blijft hier domineren ondanks de vele ingrepen, al houdt de kenmerkende kleine ruit ook hier al een eeuw stand. Of de goede resultaten in het centrale deel mede komen door de extra dynamiek door wat bezoekers en/of door de betere kwaliteit van de bodem (oorspronkelijk duin) verdient aandacht. Duidelijk is dat indammen van het oprukkend bos en opslag van struiken hier loont. En dynamiek in een dynamisch milieu kan geen kwaad als er ook weer decennia van rust volgen. Onderzoek naar het openen van de zeereep ten koste van struweel op veel meer plekken zou de aandacht van de beheerder mogen hebben.
Soortenlijst Zeeduinen Havenhoofd (tm juni 2026). Alleen waarnemingen van plantenwerkgroep NLGO zijn opgenomen. Totaal bijna 80 soorten waaronder 8 soorten van de rode lijst. Veel algemene soorten zijn nog niet ingevoerd. Aanvullingen juli: hop, walstrobremraap

Luchtfoto (winterbeeld). Veel bebossing maar ook nog open duin. Bron pdok. Klik op beeld voor online versie

Locatie 4: een duinplas langs het wandelpad rond het Eerste Water, in de noordoosthoek van het Zwanenwater. Zie ook deze botanische hotspot-wandeling.
Nico van der Wel, 15 augustus 2026
De afgelopen twee jaar fotografeerde Michiel Schreijer geregeld een duinpoel in het Zwanenwater (zie kaartje, ons ‘Rondje Zwanenwater’ – botanische hotspot wandeling – gaat erlangs). We tonen hier zes foto’s van deze poel, die normaliter een doorsnede van 6 meter heeft. De eerste is van 1 april 2024 (na de zeer natte winter van 2023/2024) en de laatste van 3 augustus 2026. Onder die laatste nog een toelichting van Michiel Schreijer.
Herfst en winter van 2023-2024 waren zeer nat, wat overal langs de kust leidde tot duinvalleien die overstroomden, onbegaanbare fiets- en wandelpaden, op de Zeeweg naar Bergen aan Zee stond maandenlang water. In het huidige zeer droge jaar is het nog moeilijk voor te stellen hoe nat de duinen begin 2024 waren – zie een eerder bericht op deze site. In de loop van 2024 zakte het water weg maar tot eind 2024 stond het grondwater in de duinen nog steeds hoog. Dat geldt ook voor deze poel, zie de derde foto.

1 april 2024: in de zeer natte herfst en winter van 2023-2024 is de duinplas, normaal met een doorsnede van 6 meter, uitgegroeid tot een kleine watervlakte; het wandelpad staat onder water. Foto Michiel Schreijer

3 juni 2024: twee maanden later is het water wel gezakt maar het pad staat nog steeds onder water. Foto Michiel Schreijer

2 december 2024: zelfs een half jaar later is het pad nog overstroomd, al staat het water nu wel duidelijk lager. Foto Michiel Schreijer

7 april 2025: de duinplas heeft zijn ‘normale’ proportie terug, het pad is weer goed begaanbaar. De vegetatie loopt uit. Foto Michiel Schreijer

1 juni 2026: op het eerste gezicht oogt de situatie normaal, maar aan de onderkant van de gele lissen is te zien dat het waterstand al sterk is gedaald. Het is een begraasd gebied, riet ontbreekt vrijwel. Foto Michiel Schreijer

3 augustus 2026: de duinplas staat droog. De uitloper over de modderbodem is van een rietplant: de verlanding komt op gang. Foto Michiel Schreijer
Deze poel is een van de veertien kleine duinpoelen die ik sinds 2021 geregeld bemonster om de soortensamenstelling van de algen te volgen. Op het hoogtepunt van de droogte van dit jaar, in juli-augustus, kon ik er nog maar zeven bemonsteren. De poel ligt op de helling van de Verloren Dijk, dus niet in een echte laagte. De Verloren Dijk is een duinenrij aan de oostkant van het Zwanenwater (zie kaartje); het kan overigens ook een aangelegde lage zanddijk zijn. Het water is bruin door looizuren, o.a. afkomstig van de afbraak van plantenmateriaal uit de poel zelf maar ook bijv. ingewaaid wilgenblad uit een naburig struweel. Door de kalkarmoede is het water ook zurig.
Typische hogere planten zijn watermunt en gele lis, en in het water groeien fonteinkruiden o.a. duizenknoopfonteinkruid. Riet ligt niet zo voor de hand hier omdat die soort wat meer voedingsstoffen nodig heeft. Nu met de droogval krijg je natuurlijk modder en dan probeert riet wel zijn kans te grijpen. Normaliter bevat het water diverse kleine waterroofkevers die jagen op waterwantsen en muggenlarven. Er leven ook veel libellenlarven, zowel van de jufferlibellen als van de grote glazenmakerlibellen. In de poel komen enkele fraaie, maar ook zeldzame sieralgen voor (foto’s hieronder bijgevoegd).
Voor veel organismen betekent de droogval een harde reset, in de zin dat ze de poel helemaal opnieuw moeten koloniseren als er weer water staat. Veel libellenlarven en eendagsvlieglarven overleven de huidige droogte niet. Ook kokerjuffers waarschijnlijk niet en dat geldt natuurlijk ook voor eventuele stekelbaarzen. Slakken hebben zo hun methoden om een tijdelijke droogval te overleven. Waterplanten zoals waterranonkel en waterpest leggen ook zeer snel het loodje. Kroos en fonteinkruiden kunnen het nog even uithouden als de bodem nog een tijdje vochtig blijft.
In de duinvalleien is iets anders aan de hand. Allerlei vochtminnende landplanten nemen het tijdelijk volledig over van de mossen en waterplanten. Maar als het water terugkomt gaan al die landplanten eerst dood en dat leidt ertoe dat er veel dood organisch materiaal in het systeem komt, waardoor draadwieren zich massaal gaan ontwikkelen. Dat zagen we ook in 2023 toen veel droge delen in het Zwanenwater langdurig onder water kwamen te staan en zich veel flab en algen in het water ontwikkelden.
Met de huidige droogte komt het ene na het andere knelpunt in de waterhuishouding in het nieuws. Daaronder ook de drinkwatervoorziening van de Waddeneilanden. In de loop van de vorige eeuw heeft elk eiland leidingwater gekregen. Uit eigen bodem én van de vaste wal.
In november 2013 schreef Sander Peters voor H2O Magazine hierover een artikel dat nog steeds actueel is – en dat we hier opnieuw beschikbaar maken (zie voor de pdf hieronder). Vlieland en Schiermonnikoog zijn zelfvoorzienend, Terschelling en Ameland deels. Alleen Texel krijgt haar drinkwater volledig van de vaste wal, via een pijpleiding, maar dat was niet altijd zo – zie ook dit artikel over het Mokslootgebied en de geschiedenis van de waterwinning op Texel.
Hoewel de winning op de meeste Waddeneilanden aanmerkelijk is, wordt het grondwater in overleg met de natuurbeheerders zodanig gewonnen dat de verdroging van de duinen minimaal is. Hoe dat dit jaar, met deze enorme droogte, zal uitpakken zullen we moeten afwachten.
Het artikel uit H2O als pdf: Drinkwater op een eiland: van ver halen of zelf maken? MaandbladH2Onov13
Rolf Roos
“6 – 12 toezicht stroperij. bij paal 6 tegen hoge duin. 12 strikken gevonden, waarin 1 haas, 2 konijnen, 2 fazanten, gepost. en ‘s middags tot 17:45 uur gepost, niemand gekomen, voor de koude gevlucht, buit meegenomen. “ (Jan Vlietland, 8 januari 1965)
De paar zinnen van Jan Vlietland hierboven geven een beeld uit een andere tijd. Het is een tekst, een beetje in telegramstijl, met al bijna verouderde woorden als ‘stroperij’ en ‘buit’ en het woord ‘gepost’ dat staat voor: ‘op wacht staan om iemand in de kraag te grijpen’. Die ‘buit’ kreeg een goede bestemming overigens. “Elken zondag hadden we een knientje op tafel”, vertelt Mina, zijn vrouw ons in 2025. Jan Vlietland was bewaker, boswachter en opzichter vanaf ongeveer 1952, eerst op de Punt en Hompelvoet en vanaf ca 1960 ook op de Kwade Hoek. Als we kijken naar de natuur van de duinrand van de Kwade Hoek is het gebied 60 jaar later compleet veranderd: konijnen, waar zie je ze nog? Behalve waar nog zout water komt of flink wordt gemaaid, staan tegenwoordig overal struiken. In de half open bunkers, waarvan er eentje door Jan werd onderhouden (en gelucht!) voor verblijf voor onderzoekers en soms NJN-ers (jongeren die aan natuurstudie doen), zaten zwaluwen. ‘Jan van de Veugeltjes’ patrouilleerde in het zeer open kustlandschap met het gors, onbegroeide slikken en lage duintjes. Een enkele keer nam het landschap hem te grazen:
“13 – 18 aanvankelijk controle, doch door ’t hoog opgezweepte water ingesloten en moeten wachten op eb! Zat met twee hazen op een heuveltje van ± 30 m2!” (9 december 1965)
We troffen in Stadsarchief Amsterdam een pak met ca 400 vellen, (archiefstuk 999-2639, onderdeel van het papieren archief van Natuurmonumenten) o.a. vier maandverslagen en veel dagrapporten uit 1965. Allemaal met de hand geschreven. Soms een halve pagina, soms een enkele zin. De helft van zijn tijd was voor het waterleidingbedrijf (Oost- en Middelduinen). In de Kwade Hoek was hij parttimer met eigen werktijden. Hij maakte lange dagen van soms 5 uur in de ochtend tot laat in avond, en hij had geen personeel. Wat oudere lezers belanden via de verslagen van Jan in een paar zinnen in de vrolijke TV-wereld van Swiebertje: zwerver, goedmoedig op het pad gehouden door een veldwachter, Bromsnor, en Saar, een oudere vrouw, die altijd wel een ‘kopjen kofjen’ voor hem te drinken had. Jan Vlietland was zo’n veldwachter. Zijn snor kreeg hij op latere leeftijd. In de vijftiger jaren was zijn functie ‘bewaker’, in zijn laatste jaren noemde men hem boswachter of, veel sjieker, ‘opzichter’. Meningen van mensen die hem gekend hebben lopen sterk uiteen van ‘veel van geleerd op excursie’, ‘vervelende man’, ‘hij kende zijn vogels’, ‘een ouderwetse boswachter’ tot ‘hij was heel soepel voor de lokalen’ en ‘hij gaf zelden een bekeuring’. In de schrijfsels van Jan Vlietland komen geen zwervers voor, wel jongens en dubieuze types met ‘hazen hitsende’ honden en meestal ongrijpbare stropers. Hij reed op een brommertje dat hij parkeerde bij een bunker bij het Plaatje (inmiddels verdwenen). Niet op slot, zodat de telgen Breen van de Oostdijkseweg er hun jolige rondjes op konden rijden als Jan op de Kwade Hoek liep. Want als er 1 familie was die zich niet aan de regels hield waren dat wel ‘die van Breen’.
Wat zag hij als hij rond liep, behalve vogels, konijnen en strikken? Een enkele keer toont hij zijn kennis van de flora en pakt hij lyrisch uit, zoals aan het eind van zijn broedvogelverslag van juni 1965:
“De vlier is nu prachtig in bloei en ook de liguster zit volop in knop, echter nog niet veel bloeiende struiken.Er is nu volop gras voor het vee. Opmerkelijk zijn de grote velden met rolklaver, zodat dit met de vele bloeiende kattendoorn, de groene vlakte een prachtige aanblik geeft. Ook zijn weer een groot aantal zeedistels aanwezig. In de buurt van paal 6 is ook het laksteeltje weer aanwezig, hoewel in niet te groot aantal en slecht ontwikkeld. Bij paal 4½ werden enkele bremrapen gezien op wortels van de kruisdistel. In de buurt bij “De Zeemeeuw” werden langs het grindpad enkele exemplaren van het bilzenkruid gevonden.”
Jan Vlietland deed mee aan landelijke vogeltellingen (destijds georganiseerd door de ITBON). Hij gaf af en toe een excursie en maakte zijn rondjes. We liepen zijn verslagen na op contacten, vogelwaarnemingen, bekeuringen en bedreigingen. Steeds heel veel vogels, maar geen saaie kost. Hij schreef sobere zinnen met weinig spellingsfouten. Nieuwe of speciale woorden bij hem zijn ‘Ritpad’ – dat blijkt een ‘rondritpad’ maar waar lag precies lag weten we niet. Wie wel? Het gors noemt hij regelmatig ook ‘grasvlakte’ of ‘grasland’, de plek waar vee of paarden staan. Ander eigen taalgebruik: vogels ‘azen’ op prooi, ransuilen azen op muizen die in de schemering het pad oversteken, fazanten azen op helmzaad. Hazen en ganzen ‘babbelen’ op de grasvlakte. En we leren dat ‘lichtbakken’ ook een werkwoord kan zijn en ‘lichtbakker’ de persoon die dat doet.
“Vier personen op het pad aangetroffen in bunker (…) gedeelte deur kapot gestompd en twee ruiten stuk uitgeslagen; moet gezien de sporen gisteren gebeurd zijn. Zaak met politie opgenomen. “ (Zondag 16 januari 1965)
En:
“Zaak bij bunker met politie bekeken en enkele jeugdige knapen verhoord, echter niets bewezen kunnen krijgen.” (17 januari 1965)
Het zijn veelal sobere verslagen van surveillances met zeer veel aangetroffen strikken. Zoveel dat wel duidelijk is dat stropen in 1965 nog een gewone manier was om vlees op het bord te krijgen. Strikken hadden soms een dunne draad (speciaal voor fazanten). Hij maakte ze onklaar door ze ‘op te trekken’. Hij vindt ook wildklemmen, soms met konijn of kat er in. Maar zelden rapporteert hij een bekeurde stroper. Wel ‘jongens’ die worden gegrepen of verjaagd (“nozems”). Je weet echter nooit wat hij onvermeld liet. De verslagen waren onderdeel van zijn werk, ze kwamen terecht bij het bestuur van Stichting Natuurmonument de Beer die hem betaalde. Een vast werkcontract was het niet, want hij werkte ook voor het waterleidingbedrijf en incidenteel voor Rijkswaterstaat. Begin jaren 50 ontving Vlietland bovendien geld van lokaal grondeigenaar Jacob Breen (zie apart artikel over beheerplan en verhoudingen langs de duinrand in 1971). Waarschijnlijk waren dit pachtgelden bestemd voor Stichting de Natuurmonument Beer. De Fam. Breen werd door hem in 1965 wel verdacht van jacht met lichtbakken en patronen (dat mocht wel in Jacobs eigen duin – de zeereep richting Havenhoofd – maar niet op het gors).
De toegangsregels waren destijds streng en overzichtelijk: behalve de boer mag niemand erin tenzij met bramenplukvergunning (afgegeven voor Rijkswaterstaat!) of met een betaalde dag- of weekkaart (afgegeven door o.a. de VVV). Door de hoge waterstanden wilden verbodsbordjes nog wel eens wegspoelen. De boswachter van vroeger deed alle klussen en hij rapporteerde ze netjes. Een voorbeeld: de Bunker (bij de gelijknamige Bunkervallei) die werd gebruikt voor verblijf van onderzoekers, leidde tot het laatste karwei van 1965:
“Bunker, welke door de vele regen was volgelopen, leeggeschept en matten enzovoort buiten gedroogd, bedden gelucht.” (31 december 1965)
Als man die het werk in het open veld alleen deed, moest je op je tellen letten als je drie stropers tegelijk betrapte. Hij trekt zelfs een keer zijn pistool.
“Een paar jongens 10 tot 12 jaar met herdershond weggejaagd.” (25 september)
“Vijf uur ‘s ochtends gepost bij strikken geen stropers komen opdagen. (…) 17:15 u. weer gepost bij strikken waar nu twee jongens bij gesnapt werden; beiden 12 jaar! Flink gewaarschuwd ook de ouders. (8 oktober)
“13:15 u nazoeken wat persoon bij paal zes uitspookte waarbij 28 wild strikken gevonden, alles opgetrokken.” (9 oktober)
“Posten bij strikken; konijn afgemaakt en laten liggen.” (19 oktober)
“Stroperij op grasvlakte; iemand met hond gezien, echter niet kunnen benaderen.”(19 november)
“Intussen af en toe controle stroperij enzovoort waarbij in het geheel 182 strikken opgetrokken.” (24 oktober tot en met 12 november vakantie)
“Controle duinen en grasvlakte toch weer verse patronen gevonden. Er is dus toch gelichtbakt; na onderzoek bleek dat het niet de heer Breen is geweest.” (27 november)
“13 strikken gevonden; twee jongens (18 en 19 jaar) bekeurd met honden welke achter hazen gehitst werden. (5 december)
“Controle 32 strikken gevonden waarin drie konijnen en een kat! 17:15 uur tot 19:30 uur gepost bij strikken niets gekomen en buit meegenomen. (20 december)
“Gepost bij strikken; weer niets 13 uur tot 17 uur. Controle strikken weggehaald door de stroper.” (21 december)
“Controle te verwachten stroperij in verband met kerstdagen. ± 200 m van ’t lichtje, drie personen bezig met uitdelven van konijnen, gesnapt en weggestuurd; met veel tact en geluk en een flink bad rammel ontlopen. Heb trouwens ook pistool laten zien.” (24 december)
Wat concluderen we hier nu uit? Duidelijk is dat het oude gebruik onder aanwonenden van de Oostdijkse weg en de Nieuwendijk (of een neef of een oom) om regelmatig een strik te zetten, nog niet was beëindigd. Honderden strikken van mogelijk tientallen aanwonenden treft Jan aan, en hij rapporteert dat aan zijn bestuur. Jan Vlietland, zelf geboren aan de duinrand bij de Westduinen, was ook volgens zijn vrouw Mina én volgens Annelies Breen, dochter van landheer Jacob, heel coulant tegen het eigen volk. Slechts een enkele stroper wordt echt gepakt en een enkele keer is het ook echt spannend. Ja, rotjongens, die waren er volop.
Personen die met naam genoemd worden zijn er slechts een handvol: ‘Tanis’ (boer uit Goedereede, bijnaam Kommer de Brommer jr), ‘Hoek’ (mogelijk Moosje Hoek van de boerderij bij ’t Plaatje of Kommer Hoek uit Ouddorp die werkte bij Rijkswaterstaat en ook vlinders onderzocht) en diverse keren (Jacob of Jaap) ‘Breen’ (eigenaar duin richting Havenhoofd, tevens hoofdpachter van het gors).
Hij noemt diverse excursies: met Cees Sipkes (bekend van Voorne) en vogelwacht Schouwen, met Sipkes met Prof. Heimans (zoon van de legendarische Eli, compaan van Thijsse) en Kierewit, bestuurslid van Natuurmonumenten. Uit Haarlem twee excursies met Vogelwacht Haarlem en Vogeltrekstation Haarlem. Ook twee schoolklassen o.l.v. mej. Doorn uit Oude Tonge komen een ochtend langs. Van extern onderzoek wordt alleen de ‘planologische dienst’ gemeld die van alles wilde weten over beheer en toezicht, want daar was een “schrikbarende gebrek” aan gegevens.
Behalve het fraaie verhaal dat hij samen met hazen op een eilandje werd ingesloten, treffen we meer guur weer en hoog water. Zo is er een melding dat het water zo hoog stond dat het over de Parnassiavallei tot bijna bij de bunker kwam. Die destijds zoete, gewoon door vee beweide vallei westelijk van het pad bij het Lichie, kreeg af en toe een zoute onderdompeling.
“Weer vreselijk hoog water; de hele Kwade Hoek onder, zelfs tot bijna bij de bunker (paal 10) stond het water en slechts enkele van de hoogste heuveltjes bleven boven water. Veel hazen waren genoodzaakt naar de kant te zwemmen waar ze doodvermoeid bleven zitten. Een paar mensen trachten met de hand deze te vangen. Heb ze dat spoedig met een bekeuring afgeleerd. Een paar anderen konden daardoor ontsnappen… ” (10 december 1965). Op 11 december zijn er veel lijken:
In 1965 weinig notities hierover. In het maandverslag over mei staat een verwijzing naar eerdere problemen:
“Met het uitbreken van de koeien gaat het nog goed. Schrikdraad wordt niet meer gebruikt. De draden zijn er nog wel aangevuld met prikkeldraad.“
En:
“Melkvee vandaag door Tanis weggehaald. Alleen dat jongvee is nog aanwezig.” ( 21 oktober 1965)
In maandverslag juni 1965 treffen we een bijzondere observatie die past in het beeld van vergiftiging door DDT en ander landbouwgif in de zestiger jaren.
“Opmerkelijk is het grote aantal onbevruchte eieren onder vrijwel alle vogelsoorten. Bij de scholeksters vaak twee van de drie. Ook bij de fazanten, die toch een kleiner legsel hadden (7 tot 10 eieren) waren er soms vier onbevrucht.“
Ook doet hij meldingen van stookolieslachtoffers (papegaaiduiker, Jan van Gent). Omdat in die jaren ganzen maar bescheiden voorkwamen worden ze gemeld en geteld. Roofvogels waren zeer schaars, maar een groep ransuilen passeert regelmatig zijn pad. Uit een maandverslag over broedvogels van juni 1965 op pag.7 blijkt een vooruitziende blik: de grote sterns proberen zich te vestigen, maar zullen dat pas onder dekking van de vele kapmeeuwen (kokmeeuwen) in 1966 succesvol gaan doen. Zie hieronder.
“8 volwassen ransuilen gezien; 18 ganzen zien neerstrijken; bij paal 5½ enkele eenden komen azen in plassen; bij paal 6 en 7 ook waren veel eenden bij en op de slikken waartussen nog enkele bergeenden. Een achttal lepelaars waren ook op de slikken (oostzijde).” (21 september)
“16u controle Kwade Hoek; 120 ganzen op het gors; op de slikken een twaalftal lepelaars zes blauwe reigers 150 bergeenden waarvan 75% jong; wat plevieren en in de poeltjes op het gors wat watersnippen. (…) Rattenkolonie aangetroffen waar kapmeeuwenkolonie heeft gezeten. Deze hebben er waarschijnlijk reeds eerder gezeten, maar dan in het lange gras, maar nu door het hoge water naar hoger terrein verdreven.” (30 september)
“Ook enkele nieuwe gevallen van myxomatose onder de konijnen.” (1 oktober)
“Trek vinken kievieten lijsters kauwtjes, leeuwerikken, kneuen, kepen, putters witte kwikstaarten, ringmussen, graspiepers, spreeuwen en enkele strandleeuwerikken. Hoog in de lucht (plus minus 500 m) waarschijnlijk een ruigpootbuizerd zien schroeven. Deze trok schroevende in zuidwest richting. Mis voor zulke dingen goede kijker. “(4 oktober)
“16 uur controle helmreep van 11 tot 14 paal en terug over het pad een velduil gezien; 13 hazen 85 fazanten (azen op helmzaad), in de helm groeien de duindoornbessen. Terug op het pad veel fazanten in ondergaande zon plusminus 150. In de schemering, vijf ransuilen azen boven het pad op overstekende muizen. (6 oktober)
“± 4000 spreeuwen kwamen roesten in riet, duindoorn en vlier bij Paal 9½ ook veel kramsvogels aanwezig ± 500.”(21 oktober)
“Bij het krieken van de dag enkele troepen ganzen gepasseerd (waarschijnlijk grauwe) in het terrein. Weinig vogels, meest kramsvogels nog een zestal pestvogels gezien. Ook een paar goudvinken verder wat gewone gewoon goed koperwieken merels heggenmussen. Op het strand een honderdtal strandleeuwerikken.” (11 december)
Kortom: 1965 kende een rijke natuur. Over wat hij zelf jaagde rept hij helaas met geen woord en ook missen we de reacties van de vaak geleerde bestuursleden uit de Randstad die zijn verslagen onder ogen kregen, afgezien van een enkele markering in de kantlijn. Dingen die niet veranderd zijn: toen en nu waren verwilderde katten een groot probleem. Toen en nu figureren er haast geen vrouwen in het duin. Natuur, zeker de wilde, is een mannenwereld. Het allergrootste verschil tussen vroeger en nu is niet de toegankelijkheid (nu is er toegang op paden vrij behoudens afgesloten stukken), maar het beheer! In 1966 was het een ouderwets ‘Natuurmonument’ in de zin dat men vrijwel niets deed behalve toezicht en vogels tellen (en wat onderhoud aan eigen gebouwen en de bunker). De paden en wegen waren voor Rijkswaterstaat. Wel plantte de boswachter zelf nog duindoorns en helm om verstuiving tegen te gaan, waar nu wel anders over wordt gedacht. Het inscharen van vee door pachters werd destijds eerder getolereerd dan dat men er veel voordelen van zag. Er werd (nog) niet gemaaid in valleien, struikgroei werd niet tegengegaan (ook niet nodig als er veel vee en konijnen zijn). In 1966 rukte de konijnenziekte myxomatose al op, wat later grote gevolgen zou hebben voor het open duin – het ging massaal dichtgroeien. Het gevolg van wegvallen van konijnen, wegvallen van beweiding en stikstof uit de lucht.
Zie ook:
Bronnen: Jan Vlietland, archieven 1965
Meer artikelen met of over Jan Vlietland:
Zwemmen in de tweede sloei en daarna eieren rapen (tot ca 1977)
Rolf Roos
Henk Terhell uit Oostvoorne maakte ons attent op een waarneming op 1 augustus 2026 van de vooral in Zuid-Limburg voorkomende braamparelmoervlinder. Hij fotografeerde in de duinen van Voorne een wat afgevlogen exemplaar nabij het A.J. Bootpad.
De echte primeur van deze soort in dit duin komt op naam van Robin van Leeuwen, die de soort op 16 juni zag, iets noordelijker langs het Van Burenpad, ook nabij het A.J. Bootpad. Dit pad is vanwege veel heelblaadjes en koninginnekruid en genoeg beschutting geliefd bij vlinders. De waardplant voor de rups, braam, is hier volop. Ook keizersmantel, een andere parelmoervlinder, wordt hier gespot. “Het seizoen zit er wel op kom dus nu niet met zijn allen kijken,” zegt Henk op 11 augustus. Het zou niettemin interessant zijn of deze soort met opvallende witte vlekken aan de onderzijde zich echt gaat vestigen, vergelijkbaar met de op Voorne succesvolle veldparelmoervlinder die we op deze site ook volgen.
Braamparelmoervlinders zijn behalve uit Zuid-Limburg (sinds 2011) in ons land ook bekend uit Brabant, o.a. het Beekdal van ’t Merske. Sinds 2006 in België.

Braamparelmoervlinder, Voorne, enigszins afgevlogen exemplaar maar onmiskenbaar. Foto Henk Terhell, 1 augustus 2026.

Verspreiding van de braamparelmoervlinder in Nederland tot en met 10 augustus 2026. Alle waarnemingen zijn van na 2010. Duinwaarnemingen: 2026 (ook Zuid-Kennemerland). Klik op de kaart voor een link naar verspreidingsatlas.
Rolf Roos
Voor de oorlog werden er op Voorne, in het Quackjeswater, ingrijpende werkzaamheden uitgevoerd. In 1937 liet Cees Sipkes, later adviseur van het Zuid-Hollands Landschap op Voorne, zijn kritische licht schijnen op het gegraaf en gebagger. Bij nalezing van zijn verhaal blijkt zijn kritiek tijdloos.
Cees Sipkes (1937): De werkzaamheden in Natuurmonument Voorne’s Duin. Uit tijdschrift De Levende Natuur.
Na de oorlog was Cees Sipkes (die in 1989 overleed) decennia adviseur bij het Zuid-Hollands Landschap dat ruwweg de helft van de duinen van Voorne in beheer kreeg (andere helft: Natuurmonumenten). Omdat hijzelf fervent plantentuinen aanlegde (o.a. Tenellaplas) en in de ‘zuil’ thuishoort van plantenkenners die ook hovenier/tuinarchitect zijn (met o.a. J. Landwehr, Rob Leopold, Hein Koningen, Peter Kollee) zou je niet verwachten dat hij in de vooroorlogse discussie over ‘ingrijpen of niet’ voor terughoudenheid pleit. In het kader van de werkverschaffing rond 1935 waren er onder leiding van A.J. Boot in o.a. het Quackjeswater baggerwerkzaamheden uitgevoerd en vegetaties vernietigd. OOk het net ontstane Breede Water viel nog onder de zeggenschap van de familie van Hoey Smith, tot 1927 eigenaren van het hele duin van Voorne.
Sipkes is uitermate kritisch. Was al dit grondwerk wel nodig? Welke fouten werden gemaakt? Sommige discussiepunten kunnen bekend voorkomen. En de tijd achterhaalt menige stelling, bijvoorbeeld deze, die we ook verderop nog tegenkomen: “Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.”
Maar in een bijzin treft ons opeens een goede, poëtische suggestie: “Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind.” En: “Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur.”
Op verschillende plaatsen in ons land tracht men het gemis aan natuurschoon te vergoeden door plassen te graven, heuvels op te werpen en bosch aan te leggen. Waar we veel verlies aan natuurschoon zien door menschelijken invloed en waar de werkeloosheid aanleiding is tot het zoeken van objecten, zullen dergelijke plannen talrijker worden. (…)
Veel van deze werken verraden naast een goede bedoeling, onvoldoende kennis van het natuurlijke landschap, waarvan men de nabootsing nastreeft. In het algemeen zijn de taluds van de oevers te steil en verraden de hoogten de menschelijke hand. De beste en mooiste van deze werken zijn, voorzoover mij bekend, het Zuiderpark in den Haag en het duinmeer op het Provinciaal Landgoed van Noord-Holland. Maar ook de minder geslaagde brengen groen, water en reliëf in het landschap, de flora wordt rijker, de vogels vinden drink- en broedplaats en de mensch vindt verpoozing.
Ook in een natuurmonument is nu een dergelijk werk verricht, zooals Dr. Hofker beschreef, de uitdieping van het Breede Water en het Kwakjeswater bij Rockanje. In andere natuurmonumenten is dit nimmer geschied. In het Naardermeer heeft men zich beperkt tot het maaien van riet. In gedeelten waar men zelfs dit naliet, ontstond spontaan een uiterst interessant natuurbosch, van els, berk en lijsterbes, dat vanuit den trein voor ieder waarneembaar is en dat zich ontwikkelt tot een oerwoud, waar reeds nu een dierenwereld en plantengroei is, die men er zoo spoedig niet verwacht had. De gelegenheid tot bestudeering van die spontane begroeiing en de veranderingen daarvan, stempelt reeds, afgezien van de rijke vogelwereld, het Naardermeer tot een natuurmonument. Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.
Het nog jonge Breede Water rond 1935 met zeewaarts nog deels stuivende duinen. Foto Th. van der Steeg, Streekarchief VP
(…)
Wat heeft men echter gedaan? Men heeft uitgediept, zoowel in het Breede Water, als in het Kwakjeswater, waar een zeer interessante phase van verlanding en spontane boschvorming aan de gang was en men heeft het materiaal uit de diepte op de oevers gebracht, daarmee de bestaande moerasflora ten deele begravend, de taluds naar het water heeft men steiler gemaakt, zoodat de gelegenheid tot begroeiing van verschillende zones geringer gemaakt is.
ledere soort van moerasplanten stelt zeer bepaalde eischen aan den bodem en in jaren met verschillende hoogte van het grondwater, groeien velen ook op andere plaatsen. Het is bekend, dat aan de steile kanten van de fasantendrinkplaatsen in de duinen nooit zoo gemakkelijk moerasplanten komen als op de meer vlakke hellingen, op even vochtige plaatsen elders. Allerhande factoren als wind, stabiliteit van de groeiplaats, humificatie, zonbestraling en bacterieleven, spelen een rol bij de vestiging van subtiele soorten, als orchideeën, gentiaanachtigen, Parnassia, e.d.
Nu kan ingrijpen van den mensch wel eens gunstig zijn voor dergelijke soorten. Een dunne laag zand over het Vliegveld van Oost-Voorne, heeft een vegetatie van Parnassia in het leven geroepen als nergens elders. Maar het Vliegveld lag niet in het Natuurmonument en het resultaat had evengoed anders uit kunnen vallen.
Zoo kan ik de landschaps-verfraaiing in het natuurmonument op Voorne niet toejuichen en de wijze waarop men uitgediept heeft, niet deskundig noemen, hoe goed men het ook bedoeld moge hebben.
(…)
Goed, desnoods had men op het terrein op Voorne nieuwe plassen kunnen graven in duingedeelten, die uit een biologisch oogpunt weinig waard waren en voor de studie van de successie van de vegetatie, de plantensociologie van minder beteekenis dan de bestaande plassen. Men had dan op zoo natuurlijk mogelijke wijze een plas kunnen graven. Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind, die de taluds een natuurlijk profiel gegeven zou hebben en als het juiste oogenblik gekomen was, had men alles vast kunnen leggen met helm (ook als tegenwicht tegen een onnatuurlijken toestand, de vele konijnen) en men had in een nieuwe duinplas de interessante begroeiing van de eerste phase van Kruipende Vetmuur via Parnassia, Orchideeën, Gentianen tot een stadium van duin, weide of bosch opnieuw kunnen volgen. En elders verder naar het westen ontstaan spontaan weer nieuwe valleien met plassen water en kunnen we het proces ten derde male volgen.
Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur, laten we wanneer we werken uitvoeren in een natuurmonument ons beperken tot herstellen van een natuurlijken toestand, kleine, weinig, ingrijpende bescherming van planten of dieren daargelaten.

Werkkamp de Schaapskooi, Rockanje, vanwaaruit werklozen aan het werk werden gezet in de natuur. Foto: Th. van der Steeg, ca 1936. Streekarchief VP
Nico van der Wel
Bramen plukken in de duinen. Een jaarlijks terugkerend ritueel. Overal langs de kust gaan mensen in augustus het duin in om een bakje bramen uit de natuur bij elkaar te zoeken. Het mag niet overal, sterker nog: het mag vaak helemaal niet. Het geldt namelijk als ‘stropen’ en is dus verboden. En net als stropen is het plukken van deze lekkere nazomervrucht een fenomeen met eeuwenoude wortels. Onze tip (en die van Jac. P. Thijsse) is evenwel: de lekkerste zitten in het buitenduin, in wat naoorlogs het ‘dauwbraamlandschap’ is gaan heten.
Zoals in alle natuurgebieden geldt in de duinen dat bloemen plukken, planten verzamelen en ook zaad oogsten verboden is, net zoals het vangen van zangvogels en het schieten van roofvogels. Uitzondering: bramen plukken in augustus. Staatsbosbeheer is er heel helder over: het mag niet behalve dan zeer beperkt voor eigen gebruik – het spreekwoordelijke ‘champignonbakje’. Hoewel die bakjes in de praktijk eerder emmertjes zijn is de moraal duidelijk: commercieel of anderszins grootschalig plukken is uit den boze, dat verstoort de natuur teveel en ontneemt vele dieren een belangrijke voedselbron; plunderen van natuurterreinen moet voorkomen worden.

Dick van der Laan, natuurkenner uit Oostvoorne plukt bramen in het Kruiningergors: een recreatiegebied zonder verbodsbepalingen inzake bramen.
Staatsbosbeheer (o.a. Texel, Schoorlse Duinen) en PWN (Noordhollands Duinreservaat) gedogen de kleinschalige pluk van bramen in augustus, PWN in Noord-Holland boven het IJ zelfs buiten de paden. Natuurmonumenten verbiedt bramen plukken zonder meer. Dat leidt tot de gekke situatie dat het in het ene duingebied oogluikend wordt toegestaan, terwijl het bijvoorbeeld in Nationaal Park Zuid-Kennemerland en op Schiermonnikoog verboden is.
Bij de provinciale landschappen, en daarbij gaat het voor de duinen vooral over Landschap Noord-Holland en het Zuid-Hollands Landschap, is er weinig over te vinden. Het ZHL heeft toegangsvoorwaarden met een duidelijk verbod om “planten of delen daarvan te beschadigen of mee te nemen; paddenstoelen of delen daarvan te beschadigen of mee te nemen; – eieren van dieren te rapen, uit het nest te nemen of te vernielen”. Over bramen geen woord. Over Voorne, waar de duinen beheerd worden door Natuurmonumenten en het Zuid-Hollands Landschap, meldt lokaal natuurliefhebber Piet Mout ons dat overal gewoon ruim geplukt wordt.
Dit brengt ons op het volgende punt: natuurlijk worden overal bramen geplukt, of het nu mag of niet mag of een beetje mag. Boswachters, BOA’s en ander veldpersoneel zullen in het bramenseizoen de handen vol hebben aan de combinatie gastheerschap-toezichthouder. Hoe zou dat gaan: vriendelijk terechtwijzen – ‘champignonbakje’ – op de paden blijven – en heel soms ingrijpen? Zelf had ik vorig jaar tijdens het aalbessen plukken vlak bij mijn huis een gesprek met een plantsoenbeheerder. Ik stond daar met mijn aardbeienbakje, we hielpen samen nog een oude mevrouw die de weg vroeg, en toen hij wegreed voegde hij mij toe: “Dat bessen plukken is eigenlijk verboden hoor.”

Roeland Koning, ca 1925: Terug van het bramen zoeken. Uit: Een beeld van zijn werk in 15 reproducties. Libellenserie nr. 55, Bosch & Keuning (1934). Gevonden door Frans Beekman.
In de middeleeuwen en nog ver daarna was jagen, vangen en verzamelen van flora en fauna in de duinen en andere ‘wildernissen’ verboden. In krantenarchieven De grootgrondbezitter wilde zijn privilege beschermen of exploiteren (o.a. konijnenteelt, jachtrechten verpachten). De vaak straatarme aanwonenden van de duingebieden hadden een ander belang: eten op tafel en als het om bramen en ander fruit ging: een lekkernij.
Als je de terreinbeheerders van nu vergelijkt met de grootgrondbezitters van vroeger, is er wel een belangrijk verschil: Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en Staatsbosbeheer staan voor een algemeen belang namelijk natuurbeheer. Bestrijding van eerdergenoemd plunderen hoort hier natuurlijk bij. Maar net als bij veel grootgrondbezitters vroeger is hun reputatie onder lokale bewoners vaak niet geweldig. Dat leidt hier en daar tot voorgebakken boosheid: wat een terreinbeheerder ook doet het is nooit goed. Het verkrijgen en behouden van draagvlak in de regio is een zaak van balanceren en valt voor natuurbeheerders dan ook niet mee. Begrijpelijk is overigens wel dat de landelijk vastgestelde natuurdoelen de lokale bevolking niet zoveel zeggen, en een verbod op bramen plukken al helemaal niet.
Toch zal iedereen begrijpen dat je een duinterrein niet moet leegplukken, net zo min als je een stuk kwelder niet zomaar mag ontdoen van zeekraal of lamsoor. Overigens is dat laatste eveneens een eeuwenoude traditie die de laatste jaren sterk is teruggeschroefd (vergunningplicht, alleen nog oogsten na het broedseizoen).

Foto Ivar Leidus, licentie via Wikimedia Commons
Tot slot staan we nog even stil bij een bijzondere en ook lekkere braam, de dauwbraam (Rubus caesius). De vruchten van deze soort hebben een waslaagje. De dauwbraam komt voor in de duinen van Holland en de Delta, Thijsse schreef er al over (zie onder). Bekend is ook het zgn. dauwbraamlandschap, beschreven door landschapsecoloog Henk Doing (1927-1996): langs een afslagkust stuift veel zand naar binnen en ontstaat achter de zeewering een vaak zeer brede strook waar landinwaarts stuivend zand een milieu schept waarin de dauwbraam domineert. Juist daar staan de meest malse bramen, in het buitenduin.
Dauwbraam in het Reggers Sandervlak (bij Egmond). Foto Rolf Roos

Slanke gentiaan, met karakteristieke franje aan de kroonbladeren. Foto Gerard Oostermeijer
Gerard Oostermeijer
(Red.: ontleend aan het boek Niet zonder elkaar – bloemen en insecten, Louis Schoonhoven e.a., 2015. )
Update augustus 2026. In veel duinvalleien is ondanks weken droogte de slanke gentiaan weer te vinden, vooral in valleien die door nabij oppervlakte- of infiltratiewater niet sterk konden uitdrogen. Zie de oeverlanden rond het Oostvoornse meer. Met de veldgentiaan is het in 2026 somber gesteld, althans dit droge jaar. In de Westduinen op Goeree nog geen enkele. Maar mocht er weer een nat jaar komen met regen in juli dan zullen we de ernstig bedreigde soort weer gaan treffen want ondergronds heeft de soort een lang levende zaadbank.
Gerard Oostermeijer
Gentianen horen tot de mooiste planten van onze flora. Ze groeien bijvoorbeeld in natte heidevelden, zoals de klokjesgentiaan. Drie soorten staan vooral langs de kust: kruisbladgentiaan in kalkrijk duingrasland, slanke gentiaan en veldgentiaan in vochtige, kalkrijke duinvalleien. Ze hebben blauw tot lila gekleurde, klokvormige bloemen waar hommels op afkomen.
Ze verschillen in hun voortplantingsstrategieën. Klokjesgentiaan en kruisbladgentiaan zijn overblijvende soorten, slanke gentiaan en veldgentiaan zijn éénjarig. Aan de bloemen is voor een groot deel al te zien in welke mate ze afhankelijk zijn van bezoekende insecten. Klokjesgentiaan en kruisbladgentiaan hebben grote, blauwe bloemen die druk bezocht worden door diverse soorten hommels. De bloemen van slanke gentiaan en veldgentiaan zijn een stuk kleiner. Er komen ook minder hommels op af.
De bloemen verschillen ook van binnen. Bij net geopende bloemen van de klokjes- en kruisbladgentiaan, beide overblijvend, zijn de twee stempellobben nog gesloten, maar de meeldraden openen zich al. De bloem is dan functioneel alleen mannelijk (protandrie). Als hommels na enkele dagen het meeste stuifmeel hebben weggehaald, gaan de stempellobben open en wordt de bloem functioneel vrouwelijk. Dan kan bestuiving en bevruchting optreden. Dit bloemontwerp beperkt de overdracht van eigen stuifmeel binnen een bloem, waardoor minder zelfbestuiving plaatsvindt. Als de plant meerdere bloemen in verschillende ontwikkelingsstadia op dezelfde stengel heeft, kan wel buurbloembestuiving (geitonogamie) optreden, wat in feite op hetzelfde neerkomt, want het is ook eigen stuifmeel. Zelfbestuiving leidt tot maximale inteelt, waardoor overlevingskans en groei van de nakomelingen verminderen (inteeltdepressie). De poging van de bloem om dat te vermijden, verklaart meteen waarom er in de bloemen van deze soorten een ruimtelijke scheiding is tussen helmknoppen en stempel (herkogamie).
De stempel steekt een eind boven de helmhokjes uit. Dat maakt spontane overdracht van het eigen stuifmeel nóg moeilijker. Bij de kleine, lila bloemen van de eenjarige slanke gentiaan en veldgentiaan gaat het anders. Hier is veel meer overlap in het opengaan van meeldraden en stempel, zowel in tijd als in plaats. De rijpe meeldraden raken de tegelijkertijd ontvankelijke stempel gemakkelijk, zodat zelfbestuiving eerder regel is dan uitzondering. Zelfs bezoekende insecten zullen eerder aan die zelfbestuiving dan aan kruisbestuiving bijdragen. Zo mikken de overblijvende soorten vooral op kruisbestuiving door hommels, terwijl de eenjarige soorten zich doorgaans spontaan zelf bestuiven.
Hebben die éénjarigen dan geen last van inteeltdepressie? Het cryptische antwoord hierop is: in principe wel, maar uiteindelijk niet. In principe vertonen alle zelfbestuivers inteelt, net als de kruisbestuivers, want ook bij hen komt bestuiving met eigen stuifmeel voor, hoewel de bloem het probeert te voorkomen. Dat eigen stuifmeel komt uit dezelfde bloem of uit andere bloemen van dezelfde plant. Het verschil tussen zelf- en kruisbestuivers zit hem erin dat de spontane zelfbestuivers continu en maximaal aan inteelt doen, elke generatie weer. Alle individuen die last hadden van een erfelijke afwijking, ziekte of groeistoornis zijn door natuurlijke selectie allang uit de populatie verdwenen, en daarmee ook de dragers van die afwijkingen en ziektes. Meer inteelt heeft in de volgende generaties bijna geen nadelige effecten meer, tenzij er door mutatie een nieuwe afwijking of ziekte ontstaat, maar de dragers daarvan worden meteen weer uit de populatie verwijderd. Deze selectie is hard, maar effectief. Belangrijk voordeel is dat de soorten meteen onafhankelijk zijn geworden van de aanwezigheid van bloembezoekende insecten. Met name in pioniergemeenschappen (zoals in jonge duinvalleien die ontstaan op vochtig zand), waar de benodigde insectensoorten nog niet aanwezig zijn, is dit een voordeel. Dat geldt eens te meer voor eenjarigen, want die gaan na de bloei dood, en hebben dus maar één kans om zich succesvol voort te planten.
Gedwongen pendelaars
De vraag dringt zich op: als het alleen voordelen heeft, waarom zijn dan niet alle planten zelfbestuivers? Er is een duidelijke keerzijde. Zelfbestuiving leidt tot een vermindering van genetische diversiteit in een populatie. Dat is bij veranderende milieuomstandigheden een groot nadeel. Als een zeer natte duinvallei in een jaar met weinig regen uitdroogt, dan zijn er in de populatie geen genetische verschillen tussen planten die beter en planten die minder zijn aangepast aan drogere omstandigheden. Er is dan een aanzienlijke kans dat alle planten tegelijk doodgaan. De enige buffer die er dan is, zijn de zaden van vorige jaren die nog in de bodem zitten. Omdat hun populaties genetische diversiteit missen moeten de eenjarige gentianen in de duinen met het grondwater meebewegen: in droge jaren staan ze allemaal op de valleibodem, het vochtigste deel van hun habitat. In natte jaren staan ze hoger, in een smalle gordel aan de duinvoet. Zo pendelen de eenjarigen heen en weer. De overblijvende klokjesgentianen daarentegen staan in de natte heide, verspreid over een groter deel van de gradiënt tussen nat en droog, en vertonen hooguit wat verschillen in bloei tussen natte en droge jaren. Zij hoeven ook niet elk jaar (veel) zaad te produceren, omdat een individu wel vijftien jaar oud kan worden. In die lange tijd worden gemiddeld voldoende zaden gevormd om de volgende generatie veilig te stellen.
Joop Mourik en Anneke Koper
Dit artikel is een bewerking uit 2026 en ontleend aan: De natuur bewonderen en bestuderen, Honderd jaar veldbiologie en natuurbehoud in Zuid-Kennemerland. Serie Haarlemse miniaturen deel 56. Uitgeverij De Vrieseborch, KNNV Afdeling Haarlem en omstreken, 2001.
Kees Sipkes was Junior secretaris 1915-1916, bestuurslid en secretaris 1925-1947; erelid.
Kees Sipkes was een veelzijdig man met uitgesproken denkbeelden en idealen. Gedurende zijn lange bestuurslidmaatschap van de NNV Afdeling Haarlem e.o. heeft hij veel ondernomen. Sipkes was wel het meest gedreven bestuurslid, zeer vasthoudend en eigenwijs. Hij behoorde tot de meest actieve en felle natuurbeschermers van de jaren dertig en veertig, was mondig en liet zich niet met kluitjes in het riet sturen. Voor de goede zaak nam hij het vergaderen voor lief en trommelde invloedrijke mensen op om z’n doelen te bereiken. Sipkes werd NNV lid in 1912. Als junior trok hij al de aandacht als waarnemend tweede secretaris in het bestuur en behartiger van de belangen van zijn leeftijdgenoten. Na de Eerste Wereldoorlog, toen de belangstelling voor de natuur wat inzakte, bruiste hij van energie om van alles aan te pakken. Hij was oprichter van de Botanische studieclub (1918), organisator van tal van excursies samen met z’n maat Jan P. Strijbos en mede oprichter van de NJN. Voor de NNV Haarlem was hij in 1921 actief in de Werkgroep Plantentuin en Vogelbosje in Groenendaal in Heemstede. Vanaf 1926 was hij de drijvende kracht achter de acties tegen de schending van de duinen en bossen in Kennemerland en schetste hij de eerste plannen voor een groot Duinreservaat. Samen met NNV voorzitter mr. J. D. van der Plaats richtte hij in 1928 de Federatie voor Natuur- en Landschapsschoon in Kennemerland op. In de jaren dertig zette Sipkes zich als senior bestuurslid in voor de Jongerengroep. Na 1945 zag hij kans om voldoende steun voor het Duinreservaat te krijgen. De kroon op het werk was de stichting van het Nationaal Park de Kennemerduinen in 1950. Op de herdenkingsavond op 2 april 1965 ter gelegenheid van Thijsse’s honderdste geboortedag in de Muziekzaal van Brinkmann, bracht hij een eerbetoon aan zijn leermeester en vriend “Thijsse en de plantenwereld.”
Kees Sipkes was botanicus in hart en nieren en zeer begaan met de duinflora. Hij was tuinarchitect van beroep. Gestimuleerd door zijn vader en Jac. P. Thijsse begon hij in 1918 met een kwekerij voor wilde planten in het tuinbouwgebied aan de Zijlweg in Haarlem. Zijn bedrijf De Teunisbloem was genoemd naar de plant die prof. dr. Hugo de Vries voor zijn genetisch onderzoek gebruikte. Tot zijn belangrijkste opdrachten behoorden de aanleg van Thijsse’s Hof in Bloemendaal en van de Tenellaplas op Voorne. In vele opzichten vertolkte Kees Sipkes met luide stem en actie wat Jac. P. Thijsse op diplomatieke en voorzichtige wijze nastreefde.
Rolf Roos m.m.v. Rob Rossel (data-analyse)

Hangende bloemetjes van moeslook. Foto Eleftherios Katsillis, licentie via Wikimedia Commons
Moeslook (Allium oleraceum) is een wilde uiensoort. De Nederlandse naam wijst op gebruik in de keuken, op een oude praktijk van plukken en verzamelen. Vroeger ook gekweekt in de moestuin, het is een ‘vergeten groente’. Alle delen zijn eetbaar, maar laat deze Rode Lijstsoort liever staan. Moeslook was vroeger algemener en wordt vaak over het hoofd gezien. Maar niet, zoals we verderop zullen zien, door plantenwaarnemers op Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland.
De meest bekende look is bieslook, verkrijgbaar in de super. Wie deze soort lang laat staan en water geeft krijgt vanzelf fraaie roze bloemen. Fijn gesneden is het jonge loof erg lekker in de salade. Ook bekend, maar minder mals is de kraailook. Deze soort staat op alle zandige en kleiige dijken die (na mei) later worden gemaaid en in de duinrand, met taaie stengels en een bruinige bloeiwijze met ‘broedbollen’: kleine uitjes (met zeer sterke smaak) die elders weer kunnen kiemen. Ook diep in najaar en in de winter is kraailook al present met (dan nog) fris groen loof. Het is een algemene soort, deze wilde ui, kraailook. Vraag niet waarom deze zo heet. Kraaien eten de broedbolletjes of kleine knollen niet. In onze salade is een beetje kraailook (de broedbolletjes) goed te doen mits jong en niet te veel. Bent u wildplukker: doe het met mate en let op plaszones van honden, vossen, reeën en konijnen.

Moeslook met kenmerkende tweekleppige bladschede rond de bloeiwijze. Als de bloemetjes opengaan verschijnen de charmant overhangende lelie-achtige bloemetjes.
Nu de ‘lastige’ soort: moeslook, ons hoofdonderwerp. Verwaarloosd, zelfs onder plantenliefhebbers, want moeslook is een laat in juli bloeiende soort en wordt vaak over het hoofd gezien. De naam doet vermoeden dat de soort als smakelijk werd beschouwd. Bureaus die soorten inventariseren voor natuurorganisaties missen deze soort vaak. En als ze al worden aangetroffen zetten terreinbeheerders deze gegevens vaak niet op waarneming.nl. Hoe dan ook zijn waarnemingen van vrijwilligers nodig voor het landelijke beeld, ook omdat moeslook vaak buiten natuurgebieden voorkomt. De soort is landelijk de laatste vijftig jaar achteruitgegaan door te vroeg maaiwerk en het verdwijnen van allerlei rommelhoekjes in het landschap. In de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta is het een zeldzame soort van oude dijken en soms ook in het duin. Als je de soort eenmaal kent zie je ze op de goede standplaatsen bij honderden (bijv. bij Goedereede-Havenhoofd onderaan de Nieuwendijk langs de Galgeweg, m.n. de zuidzijde).
De landelijke verspreidingsatlas laat zien dat de soort ook langs de rivieren voorkomt en noordwaarts in het kalkrijke duin (maar daar zeer zeldzaam). Op de Rode Lijst staat de soort als ‘kwetsbaar’. Dat klopt. Klik op het kaartje, ook voor de vaak prachtige foto’s die er onder staan.
Dankzij de gegevens op waarneming.nl (die de NLGO-werkgroep Onderzoek kan downloaden en analyseren) hebben we een goed beeld van vondsten de laatste tien jaar (zie het kaartje). Interessant is dat het een soort is van de oudere landschappen, oude binnendijken en reeds lang bestaande duinen. Hoewel de soort zich o.a. via broedbolletjes goed kan verspreiden is het tempo daarvan laag. Op deltawerken is de soort nog nergens gevonden. .
De locaties met moeslook op waarneming.nl (1 jan 2016-23 juli 2026) staan in onderstaande tabel. Het zijn er 12 in Zeeland en 13 in Zuid-Holland. Op de meeste locaties werden een of twee keer in die tien jaar exemplaren van moeslook gevonden. De hoogste frequenties waren in Preekhilpolder (4) en Bokkepolder (5) wat volledig op conto te schrijven is van twee of drie waarnemers. Omdat de soort snel over het hoofd wordt gezien hangt het beeld van de verspreiding meer dan waarschijnlijk samen met de woonplekken van de vrijwillige onderzoekers deze 10 jaar (ca 15 in totaal).
| Dreischor – Adriana Johannapolder | Schouwen-Duiveland |
| Haamstede – Slotbos | Schouwen-Duiveland |
| Kerkwerve | Schouwen-Duiveland |
| Nieuwerkerk – Steenzwaan e.o. | Schouwen-Duiveland |
| Noordgouwe – Polder Noordgouwe west | Schouwen-Duiveland |
| Noordgouwe – Weeldijk e.o. / weeltje | Schouwen-Duiveland |
| Oosterland – Lage Rampertseweg e.o. | Schouwen-Duiveland |
| Schuddebeurs – Klein Bettewaardepolder west | Schouwen-Duiveland |
| Sirjansland – Dijkwater noord | Schouwen-Duiveland |
| Westenschouwen – dorp | Schouwen-Duiveland |
| Zonnemaire – Polder Bloois en Oud Bommenede | Schouwen-Duiveland |
| Zonnemaire – Polder Zonnemaire west | Schouwen-Duiveland |
| Goedereede (voormalige gemeente) | Goeree-Overflakkee |
| Goedereede Havenhoofd | Goeree-Overflakkee |
| Goedereede Havenhoofd – Bosaanplant | Goeree-Overflakkee |
| Grevelingen (geheel) | Goeree-Overflakkee |
| Grevelingen – De Val e.o. | Goeree-Overflakkee |
| N57 – Ouddorp rotonde | Goeree-Overflakkee |
| Oostdijk – Bokkepolder | Goeree-Overflakkee |
| Oostdijk – gehucht en binnenduinrand | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Middelduinen | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Preekhilpolder | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Preekhilpolder – zeedijk | Goeree-Overflakkee |
| Oude Tonge | Goeree-Overflakkee |
| Sommelsdijk – Christoffelpolder | Goeree-Overflakkee |
De aantallen waarnemingen op de twee bekeken eilanden nemen de laatste tien jaar significant toe (zie hieronder), maar hier is nog geen juichend persbericht over de toename van moeslook uit te destilleren. Waarom niet?
Hoewel het aantal waarnemingen door de jaren heen statistisch gezien toeneemt, is het maar de vraag of die een ‘reële’ vooruitgang is of een waarnemerseffect: er kijken nu meer mensen, die geven ook meer waarnemingen door met wisselende aantallen. De analyse die dit corrigeert heet met een weinig toegankelijke de statistische methode GLM met effort als “offset”. Onderzoekers weten dat ‘de waarheid’ niet bestaat maar het is wel de kunst om op basis van metingen zo betrouwbaar mogelijk uitspraken te doen. Hoewel je statistiek af kunt doen met de quote van de onbetrouwbare president Nixon ‘there are lies, damned lies and statistics‘, doen we dit vakgebied daarmee te kort. Door statistiek kunnen we veel heldere uitspraken doen, ook al is de uitkomst altijd gebonden aan de keuze van een bepaalde rekenmethode. Daarover kan echte veel overeenstemming zijn, zoals over de statistisch ”nette’ variant bij trendanalyses: GLM met effort als “offset”. Hierover in een vervolgpagina een toelichting.
De calculatie is uitgevoerd door Rob Rossel en levert een beeld op dat een harde onderbouwing geeft van een statisch gezien waarschijnlijke toename. Dus toch een juichend persbericht! Er zijn beslist aanwijzingen dat deze Rode Lijst soort vooruit gaat, mogelijk als gevolg van beter (later, terughoudender?) maaibeheer.
Lees hier de toelichting over statistiek

Moeslook (rechtsonder, de bruine propjes)) in zeer laat gemaaide dijk met beemdkroon, dauwbraam en gewone kruisdistel, Goedereede. Opvallend veel in de onderste rand van de dijk, de zuidelijke zijde.
Rolf Roos
Hieronder staat een kleine en aangroeiende caleidoscoop van neuzen bij wilde orchideeën. We zoeken meer van dit soort foto’s en vooral ook van een omschrijving van de geur. Over vele, gekweekte huiskamer-orchideeën doet men lyrisch en de commercie grossiert in geurflesjes met diverse verlokkingen. Maar wat weten we nu van de geuren van de eigen, wilde soorten van ons land, zo’n 50 in totaal?
We lopen de hieronder weergegeven orchideeën-met-neus één voor één af. In het geval van muggenorchissen is geur een onderscheidend kenmerk. Volgens Heukels’ Flora (24e druk) heeft de grote muggenorchis ‘een zwakke, wat schimmelige geur’, terwijl de dichte ‘een sterke kruidnagelgeur’ zou hebben. Onze neus rook bij de laatste, zeer zeldzame soort vooral een rijk vanilleboeket. De wespen lokkende en vrij algemene brede wespenorchis geurde volgens ons naar niets. Maar de wesp denkt daar anders over. De foto daaronder toont de honingorchis met haar subtiele nectargeur. (Zie ook de reportage op deze site met Kees de Kraker over schimmelgeur bij de honingorchis, maar dan gaat het over de ondergrondse delen.) Ook herfstschroeforchis (hierboven, zonder neus) zou bescheiden maar duidelijk geuren. Van de harlekijn (geen foto) is bekend dat deze aangenaam geurt maar een insect geen nectar biedt. Bokkenorchis stinkt echt maar wie zou hij daarmee lokken?
Wie heeft er een mooie foto van neus met welriekende nachtorchis? Wie harlekijn? Mail ons! Veel dank

Kees de Kraker met wortelknol herfstschroeforchis..niet verrassend maar toch: ruikt naar de schimmel waar orchideeen mee verbonden zijn.

Auteur bij dichte (?) muggenorchis, Voorne, 2026 ” Zeer geurig, vanilleachtig, maar ik ruik geen kruidnagel”

Dennenorchis bij Schoorl, 2026, met Bert de Boer uit Alkmaar die ons schrijft: “Wat geur betreft, is deze niet zo sterk, maar toch enigszins een melange van dennelucht en jasmijn (vrij zwaar dus).”
Rolf Roos
(naschrift 2026) We hebben het laatste rapport uit 2021 van Kees de Kraker hier online gezet. Het zou natuurbeheerder Staatsbosbeheer sieren als zij zelf alle oudere onderzoeksrapporten zou tonen en ook de rapportages sinds 2021. Een topgebied als de Grevelingen verdient ook topvoorlichting.
Kees de Kraker (in 2022 71 jaar) ging met pensioen. Als vogelwachter en natuurkenner (geen plant ontgaat hem) maakte hij magnifieke verslagen van de natuurgebieden in en rond de Grevelingen. In tegenstelling tot veel rapporten die in de bureaulade van natuurorganisaties blijven liggen of geheim zijn, maakt Kees ze steeds openbaar, zodat velen mee kunnen genieten en begrijpen waarom dit gebied van zeer groot belang is. We citeren zijn begeleidende brief en geven onderaan enkele links naar zijn werk. De uitstekende natuurkenner George Tanis uit Ouddorp volgt Kees op. We hopen in de toekomst op vergelijkbare doorkijkjes in natuur en beheer in de Grevelingen. We citeren enkele passages uit de brief van Kees.
” Bijgaand de jaarlijkse rapportage van mijn onderzoek in de Grevelingen dat in opdracht van Staatsbosbeheer wordt verricht. Middels jaarlijkse rapportage waarbij de voorgeschiedenis wordt meegenomen, krijgt men een beeld welke kant het uitgaat met de natuur in de Grevelingen. Op basis van het verrichte onderzoek worden aanbevelingen gedaan voor het beheer. (…) 2021 is het laatste jaar waarover ik verslag zal doen. Zeventig geworden en zo nu en dan gezondheidsproblemen, voor mij reden om een punt te zetten achter mijn geregelde activiteiten in de Grevelingen. Vooral het opstellen van het jaarlijkse verslag kost mij steeds meer tijd, er is duidelijk een vertragingsfactor in geslopen, zand in de machine! Hopelijk geldt dat niet voor het verslag over 2021. ”
” Ieder jaar heeft zijn verrassingen en sommige ontwikkelingen zijn spectaculair om te volgen. Andere zaken verlopen teleurstellend. Weersinvloeden, zoals een stormachtige wind, bijzonder natte omstandigheden of langdurige droogte laten hun sporen na. Sinds 2017 is er geen vestiging van Grote Sterns in de Grevelingen en neemt de populatie Groenknolorchis sterk af. Dit laatste gaat wellicht niet toevallig samen met drie droge jaren, waarvan 2020 een extreem voorbeeld was. Met de Noordse woelmuis gaat het ook niet erg goed, wel opvallend dat de soort nog steeds aanwezig is op de kleine recreatie-eilandjes. Van de kustbroedvogels vestigden zich weer heel wat Kluten, Dwergsterns en Strandplevieren op Markenje, maar het broedsucces was daar bijzonder laag.”
“Ondanks dat er met gericht beheer veel te bereiken valt, laat de natuur zich niet dwingen. Maar hoe meer je er van weet, des te beter begrijp je waarom dieren bepaalde keuzes maken of plantensoorten komen en gaan. In de jaarlijkse verslagen wordt er naar gestreefd om de ontwikkelingen helder en overzichtelijk weer te geven. Ook foto’s zijn altijd een belangrijk onderdeel van het verslag. Waardering voor de natuur gaat gepaard met genieten van de schoonheid er van. “
“Voor de beheerder zijn de voor het gebied geformuleerde instandhoudingsdoelen een belangrijke opgave die nagestreefd wordt. Noodzaak tot het nemen van maatregelen of weren van negatieve ontwikkelingen, horen daarbij. Continuïteit in beheer, met oog voor de ontwikkelingen en een lange termijnvisie zijn belangrijke zaken.”

Meer verhalen en films over Kees de Kraker of de Grevelingen op deze site:
Grevelingenrapport van Kees de Kraker 2021
Harlekijnen op de Hompelvoet, 2020
Geen plafond aan aantallen herfstschroeforchis? (2017)
Herfstschroeforchis op de Hompelvoet in 2016
De geur van herfstschroeforchis (reportage)
Duinvalleieilanden of: Hollands vulkanisme
Is dit teveel informatie? Geen nood: een beeldende samenvatting van de hand van Kees de Kraker staat in het boek Bloeiende duinen.

Wim Bosman en Theo Nieuwenhuizen – 26 juni 2026
[red.] In de 17e eeuw trokken diverse kunstenaars, waaronder Rembrandt en Ferdinand Bol, naar de buitenplaats Saxenburg nabij Bloemendaal en legden het landschap vast. Tegenwoordig is er van deze buitenplaats weinig meer van te zien maar het lag ten oosten van hoge duinen, de bekende Kopjes van Bloemendaal. Eerder besteedden we op deze website uitgebreid aandacht aan de kunstwerken die hier gemaakt zijn. Wim Bosman en Theo Nieuwenhuizen komen nu met een compleet nieuwe interpretatie die we hier graag presenteren. Helemaal onderaan dit verhaal vindt u het genoemde werk van Rembrandt uit het Rijksmuseum.
Het aan Roelant Roghman toegeschreven blad uit Dresden toont het toenmalige Saxenburg, zij het van een veel vertrouwder kant dan tot nu gedacht. Het weidse landschap komt sterk overeen met het hoofdonderwerp van de panoramische ets van zijn veronderstelde leermeester Rembrandt uit 1651.

Roelant Roghman (?), Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden, ca 1651?, pen in bruin, penseel in kleur, 16,6 x 27,5 cm, Dresdan, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett, inv.nr. C 1920-150
Echter, tijdens het vergelijken van de landschappelijke hoofdkenmerken van de actuele situatie, de ets van Rembrandt en de afbeelding van Roghman zijn weliswaar de vele overeenkomsten treffend, maar houd je er tegelijkertijd een draaierig gevoel over; de onderlinge verhoudingen kloppen gewoonweg niet. Na kort reflecteren werd duidelijk: deze weergave is gespiegeld ten opzichte van de toenmalige werkelijkheid: létterlijk! Zoals op een etsplaat.
Na ‘ontspiegelen’ valt alles ineens op zijn plaats. We kijken niet in noordelijke richting maar net als Rembrandt en De Koninck naar het oostzuidoosten, waarbij het praktisch om hetzelfde gezichtsveld gaat (zie de reconstructie onderaan). Picturaal bezien is het grootste verschil dat zij waarnamen vanuit een aanzienlijk lager standpunt. Roghman daarentegen neemt ogenschijnlijk een meer zuidelijk gelegen uitgangspositie in, maar dat blijkt gezichtsbedrog zodra je de respectievelijke perspectieven over elkaar heen legt. De al snel meer dan 20 meter hogere, en circa 100 meter westelijker positie van Roghman heeft als perspectivisch effect dat de herkenbare landschapselementen van de meer nabije onderste beeldhelft minder ver uiteen staan. De niet te overtreffen weidsheid van Rembrandts verbeelding heeft een sterk horizontaal karakter, en daar doet de ruimtelijk meer verticaal gestructureerde Roghman nauwelijks voor onder. Het adembenemend fraaie landschap van Saxenburg, Duin en Daal en het Bloemendaalse Bos in wording ontrolt zich richting de verre horizon.
Naast de verschillen (stijl, techniek, positie met inbegrip van de waarnemingshoogte), zijn er ook andersoortige afwijkingen. Deze topografische aspecten zijn onderwerp van een aanstaande nader onderbouwde publicatie. Toch willen we op deze plaats een enkele noemen, voor meer houvast wat betreft de datering van deze Roghman.
Zo vallen direct de sterke verschillen op qua weergave van de valleibodem-verkaveling van de bleekvelden op de voorgrond. Aan de linkerkant (noord) komen de afbeeldingen van Rembrandt, De Koninck en Roghman nog redelijkerwijs overeen. Waar het midden en de zuidzijde door eerstgenoemde meester heel neutraal worden weergegeven, is bij De Koninck een ongespecificeerd en vagelijk bruin terrein afgebeeld. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om recent ‘aangekard land’ – landaanwinning door demping van een meer met aangevoerde grond – zoals lokaal al aangegeven op de kaarten van Okkersz. uit 1599. Dit kennelijk te dempen en volgens historische bronnen visrijke ‘Den Meer’, dat bij Okkersz. nog zo’n 4,5 hectare besloeg, is 50 jaar later vrijwel gereed om voor de bleekindustrie en/of agrarische benutting dienst te doen. Ook het telkens weergegeven prieel of vogelhuis, dat bij Rembrandt en Philip Koninck nog omgeven is door de restanten van het meer, staat bij Roghman geheel of ten minste grotendeels op land en wordt omringd door allerhande gewas waaronder bomen. Er is nog een bewijs voor een aanzienlijke tijdsspanne tussen 1651 en het vastleggen door Roghman: de laan en zichtas vanuit huize Saxenburg naar het zuidzuidwesten is nu tot voorbij het paviljoen doorgezet. Het bijkomende belang hiervan is dat de verschillen in topografie bewijzen dat tussen het vervaardigen door Rembrandt en Koninck in 1651 en anderzijds dat van Roghman ten minste een decennium gemoeid moet zijn, en vermoedelijk zelfs nog aanzienlijk meer jaren zodat een datering van rond 1670 reëel lijkt.
Een aspect dat voorafgaande aan een definitieve publicatie ook reeds hier verdient te worden aangestipt is het ontbreken van de Haarlemse contour. Het zal met de lichtval van dat moment te maken hebben. Helaas is de ons ter beschikking staande afbeelding onvoldoende scherp om zekerheid te kunnen bieden, maar op de plaats waar je de Grote Kerk (St. Bavo) van Haarlem zou verwachten, zijn net voldoende friemellijntjes aanwezig om aan dit ‘landmark’ te suggereren. En bijvoorbeeld ook de ruïne van Huis te Kleef – vanuit Roghmans standpunt bezien precies tussen de kerk van Haarlem en Bloemendaal in – lijkt afgebeeld.
Nu we over ten minste drie direct vergelijkbare afbeeldingen beschikken, wordt niet alleen het ruimtelijk gebruik en de inrichting van dit deel van zuidelijk Kennemerland verder opgehelderd, maar ook de landschapsdynamiek tijdens de overgang van de neringdoende naar ontspanning zoekende en naar rust en schoonheid verlangende mens.
Voor verdere bespreking – zoals ook over het hoe-en-waarom van de gespiegelde weergave – wordt verwezen naar de aanstaande publicatie.

Benadering van het standpunt van Rembrandt (dat van Roghman wijkt niet veel af). Foto Layla Wijsmuller-Vafi 2019, bewerking Wim Bosman ( (klik voor vergroting)
Rolf Roos (15 april 2026, update met veel kaartmateriaal 23 juni 2026)
Waarom is er in het duin van Schiermonnikoog bijna geen spoor van menselijk gebruik van voor 1800 te vinden? Zijn de Schiere monniken alleen in naam nog verbonden aan dit eiland? Welke sporen liet o.a. landbouw en het waterbeheer in het duinlandschap en de kwelder achter?
Dankzij publicaties van Lisanne Rietman (2020) en Jeroen Wiersma e.a. (2022) is veel informatie over historisch landschapsgebruik en de spanningen tussen diverse gebruikers en eigenaren binnen en buiten het huidige Nationaal Park op een rij gezet. Beide publicaties en enkele andere die digitaal beschikbaar zijn, staan onderaan dit artikel in de bronnenlijst. We staan vooral stil bij de verdiensten van de masterscriptie van Lisanne Rietman en voegen daar inzichten uit de andere publicaties aan toe.
Van grote betekenis voor Schier is dat het grondbezit van de middeleeuwen tot na de Tweede Wereldoorlog grotendeels in één hand lag. Fascinerend is het om te lezen dat de eilander gemeenschap altijd heeft moeten dealen met grootgrondbezitters die het soms maar matig deden (de Staten van Friesland vanaf 1580, vanaf de 17e tot halverwege de 19e eeuw de Stachouwers), terwijl anderen, buitenstaanders, door hun inzet of investeringen het eiland mede vormgaven, o.a. Banck (19e eeuw) en de Duitse graaf Von Bernstorff (tot 1945).
Het Nationaal Park Schiermonnikoog omvat nu het gehele eiland buiten de dorpskern en de polder. Na 1945 was ‘Domeinen’ ofwel de Dienst der Domeinen van het ministerie van Financiën eigenaar en beheerder, tot 1989. Over de huidige beheerder Natuurmonumenten wordt door eilanders soms geklaagd en mogelijk in sommige gevallen terecht, maar vooral dankzij de natuurbescherming floreert het eiland in economisch opzicht. Nu is het aan ‘de natuurbescherming’ om eilander belangen een redelijke plek te geven, en een van de mogelijkheden tot gesprek is via de historie. Bewoners (en bezoekers) hechten soms meer aan oude sporen en verhalen dan aan zeldzame vogels. Inzetten op een ‘wildernisverhaal’ spoort zeker niet met opvattingen over een meer arcadisch natuurbeeld, zo laat Lisanne Rietman in haar scriptie zien. Haar werk is heel gevarieerd omdat ze behalve bronnenonderzoek ook veldwerk deed en ook een twaalftal bewoners sprak.
We spraken Lisanne Rietman, thans beleidsambtenaar in Deurne, over enkele hoofdlijnen.

Op deze uitsnede van een kaart met zeediepten en bakens rond en op Schier uit 1762 staan niet onbelangrijke details: het nieuwe dorp ‘Oosterburen’ als rijtje huizen, een laatste bouwwerk waar ongeveer Westerburen lag en de economisch niet onbelangrijke Kooij. Bron: Tresoar.
Een zichtbaar spoor in het landschap is het ‘Westerburenpad’, net ten westen van het huidige dorp dat van na 1760 dateert en door de toenmalige landeigenaar Stachouwer na desastreuze stormvloeden rond 1715 zeer planmatig is aangelegd. Het huidige dorp heeft sinds ca 1990 bordjes ‘Schiermonnikoog’ gekregen, maar de bewoners noem(d)en hun dorp ook wel ‘Aisterbun’ ofwel ‘Oosterburen’. Die inslag van het Fries is er nog steeds, al ligt het eiland in mentaal opzicht ver van de wal. ‘Buren’ is algemeen middeleeuws Nederlands voor ‘bewoners’ wat we ook terugzien in het woord buurt(t)schappen.
In haar afstudeerscriptie zet Lisanne Rietman op een overzichtelijke manier de belangrijkste landgebruikers in het duinlandschap op een rij en vat het ook steeds in kaartjes samen. Allereerst het (m.n.) vroegere landgebruik van het duin- en kustlandschap door boeren. Er waren historische spanningen tussen ‘polderboeren’ van buiten het eiland op door eigenaar Banck gestichte boerderijen (in de gelijknamige polder die hij aanlegde) en de veel kleinschaliger ‘dorpsboeren’ met enkele koeien aan huis. Nu is er een grotendeels plaatsgebonden veestapel op zes bedrijven; anderhalve eeuw terug waren er op west en op oost grazende kuddes, die in de ochtend naar graasgronden gingen en in de avond aan huis werden gemolken. Oude veldnamen van weggetjes als ‘ut Kupaid’ zijn tot op heden bekend. Jongvee gaat nog steeds naar de kwelder. It kupaid wordt vandaag de dag gewoon nog gebruikt. Het metalen rek/hekwerk is er nog, om de koeien te begeleiden richting de kwelder.
Tot de oudste en meest herkenbare sporen in het landschap horen volgens Lisanne Rietman de eendenkooien (begin 19e eeuw), waarvan nog een fraaie bij boerderij Talsma ligt. Een overzicht van nu nog aanwezige sporen is te vinden in bijgaande pdf.
Op de onderstaande kaart van Lisanne Rietman staan vijf soorten relicten van landgebruik: agrarische activiteiten, jacht, infrastructuur en nederzettingen, waterbeheer, ‘overig’.
via de onderstaande links zijn voor elk soort relict de kaarten te zien:
Relatief recente ingrepen inzake natuurbeheer (van na 1980) zijn niet meegenomen, wel belangrijke historische zaken zoals bosaanleg en ontwatering. Lisanne Rietman: “De huidige relicten die verband houden met agrarische activiteiten, hebben betrekking op restanten van oude duinakkers, dobbes d.w.z. drinkputten voor vee, veedriften, een schaapskooi en ontwateringsstructuren. De jachtcultuur op het eiland heeft relicten achtergelaten in de vorm van wildplassen voor wild, een eendenkooi en een restant van een eendenkooi, en de percelering van een wildakker. Tegenwoordig zijn nog verschillende paden zichtbaar die verwijzen naar het historisch landgebruik, ook zijn er nog restanten zichtbaar van de oude bunkerdorpen uit de Tweede Wereldoorlog: Batterij en het Schleidorp.” En: “De Stenen palen aan de westzijde van het eiland verwijzen naar het eigendomsrecht van de aanwas. Deze Stenen palen zijn kenmerkend voor de particuliere eigendomsgeschiedenis van het eiland.”

En uit haar scriptie: “Tot de jaren zestig van de vorige eeuw is het landschap op Schiermonnikoog sterk beïnvloed door de agrarisch-maritieme cultuur die op het eiland heerste. Door de toename van toeristische groei en erkenning van natuurwaarden, veranderde het eiland geleidelijk naar een ruraal/landelijk-recreatieve samenleving.” Van ‘zelfvoorzieningslandschap’ naar ‘belevingslandschap’. Van 100 gasten per jaar een eeuw terug naar meer dan 100.000.
Na een analyse van diverse vormen van landschapsgebruik en een waardering, komt Rietman met enkele conclusies. Haar doel is het zichtbaar maken van landschapskenmerken die recht doen aan de identiteit en het verhaal van het eiland. Ze trekt een lijn vanuit het extensieve gebruik in het verleden naar landschapsbeheer dat intensiever werd. Tegenwoordig wordt het nationaal park voornamelijk conform het ‘wildernisbeeld’ beheerd, landschappelijk beheer wordt zoveel mogelijk beperkt om de natuur zo veel mogelijk zijn gang te laten gaan. Gezien de geschiedenis van het eiland c.q. het oorspronkelijke intensieve gebruik van bepaalde gebieden zou ‘gebiedsgericht beheren van arcadische natuurbeelden’ volgens Rietman passender zijn.
“Het arcadisch natuurbeeld zou bijvoorbeeld kunnen worden nagestreefd in de binnenduinrand nabij het dorp en op de Binnenkwelder. Ter plekke van de binnenduinrand wordt al relatief veel beheer uitgevoerd. Door de focus in dit gebied meer naar een arcadisch natuurbeeld te richten, zal het landschap wat opener worden en zullen oude ontginningsstructuren zichtbaar worden. De Binnenkwelder zou door het relatief intensieve beheer in het verleden door maaien, ontwatering en begrazing, geschikt zijn voor een beheer naar een arcadisch natuurbeeld. Door intensiever landschapsbeheer worden relicten zichtbaarder, iets wat vanuit de historie gezien al past bij het intensievere karakter van deze binnenduinrand. Dit geldt ook voor de Binnenkwelder door het relatief intensieve beheer in het verleden door maaien, ontwatering en begrazing, én door de aanwezigheid van enkele relicten, is dit gebied ook geschikt om intensiever te beheren conform een arcadisch natuurbeeld. Op deze manier zullen oude ontwateringsstructuren zichtbaar worden in het landschap, kan het beheer worden gecombineerd met extensieve agrarische activiteiten etcetera.”