Rolf Roos
Henk Terhell uit Oostvoorne maakte ons attent op een waarneming op 1 augustus 2026 van de vooral in Zuid-Limburg voorkomende braamparelmoervlinder. Hij fotografeerde in de duinen van Voorne een wat afgevlogen exemplaar nabij het A.J. Bootpad.
De echte primeur van deze soort in dit duin komt op naam van Robin van Leeuwen, die de soort op 16 juni zag, iets noordelijker langs het Van Burenpad, ook nabij het A.J. Bootpad. Dit pad is vanwege veel heelblaadjes en koninginnekruid en genoeg beschutting geliefd bij vlinders. De waardplant voor de rups, braam, is hier volop. Ook keizersmantel, een andere parelmoervlinder, wordt hier gespot. “Het seizoen zit er wel op kom dus nu niet met zijn allen kijken,” zegt Henk op 11 augustus. Het zou niettemin interessant zijn of deze soort met opvallende witte vlekken aan de onderzijde zich echt gaat vestigen, vergelijkbaar met de op Voorne succesvolle veldparelmoervlinder die we op deze site ook volgen.
Braamparelmoervlinders zijn behalve uit Zuid-Limburg (sinds 2011) in ons land ook bekend uit Brabant, o.a. het Beekdal van ’t Merske. Sinds 2006 in België.

Braamparelmoervlinder, Voorne, enigszins afgevlogen exemplaar maar onmiskenbaar. Foto Henk Terhell, 1 augustus 2026.

Verspreiding van de braamparelmoervlinder in Nederland tot en met 10 augustus 2026. Alle waarnemingen zijn van na 2010. Duinwaarnemingen: 2026 (ook Zuid-Kennemerland). Klik op de kaart voor een link naar verspreidingsatlas.
Nico van der Wel (15 augustus)
Nederland droogt uit. Het is het hele voorjaar al droog geweest maar nu lijkt het een recordjaar te worden als het gaat om het neerslagtekort en problemen in de waterhuishouding. Veel nieuws over het oplopende tekort aan zoet water, water vasthouden door sluizen te sluiten of nog maar beperkt te openen, verbod op beregening (zelfs voor de tuinders in het Westland). Het zoute water dat via de sluizen van IJmuiden het Noordzeekanaal binnenkomt, bereikte het Amsterdam-Rijnkanaal in Amsterdam Oost.

Op de site van waterleidingbedrijf PWN in Noord-Holland verscheen in augustus 2026 dit bescheiden bericht. Helaas geen achterliggende gegevens. Van de grote natheid 2023/2024 zijn wel degelijk grote effecten (zoals het verdwijnen van de vogelnestorchis). Nu volledig herstel verwachten lijkt wat optimistisch.
Ook in de duinen is het buitengewoon droog, met de laatste week een rits duinbranden. We gaan hier de gevolgen van de droogte bijhouden in het hele Nederlandse duingebied. De laatste week waren er meerdere duinbranden, maar we zijn ook benieuwd naar nieuwe stuifplekken, opgedroogde plassen en kurkdroge of juist nog natte duinvalleien. Graag ontvangen we foto’s en waarnemingen per mail zodat we die in het overzicht kunnen verwerken.

Het Breede Water, drooggevallen, op 26 juli 1976, met treurige peilstok. Foto H.C. van der Hoek, Streekarchief VP
Nico van der Wel
Bramen plukken in de duinen. Een jaarlijks terugkerend ritueel. Overal langs de kust gaan mensen in augustus het duin in om een bakje bramen uit de natuur bij elkaar te zoeken. Het mag niet overal, sterker nog: het mag vaak helemaal niet. Het geldt namelijk als ‘stropen’ en is dus verboden. En net als stropen is het plukken van deze lekkere nazomervrucht een fenomeen met eeuwenoude wortels. Onze tip (en die van Jac. P. Thijsse) is evenwel: de lekkerste zitten in het buitenduin, in wat naoorlogs het ‘dauwbraamlandschap’ is gaan heten.
Zoals in alle natuurgebieden geldt in de duinen dat bloemen plukken, planten verzamelen en ook zaad oogsten verboden is, net zoals het vangen van zangvogels en het schieten van roofvogels. Uitzondering: bramen plukken in augustus. Staatsbosbeheer is er heel helder over: het mag niet behalve dan zeer beperkt voor eigen gebruik – het spreekwoordelijke ‘champignonbakje’. Hoewel die bakjes in de praktijk eerder emmertjes zijn is de moraal duidelijk: commercieel of anderszins grootschalig plukken is uit den boze, dat verstoort de natuur teveel en ontneemt vele dieren een belangrijke voedselbron; plunderen van natuurterreinen moet voorkomen worden.

Dick van der Laan, natuurkenner uit Oostvoorne plukt bramen in het Kruiningergors: een recreatiegebied zonder verbodsbepalingen inzake bramen.
Staatsbosbeheer (o.a. Texel, Schoorlse Duinen) en PWN (Noordhollands Duinreservaat) gedogen de kleinschalige pluk van bramen in augustus, PWN in Noord-Holland boven het IJ zelfs buiten de paden. Natuurmonumenten verbiedt bramen plukken zonder meer. Dat leidt tot de gekke situatie dat het in het ene duingebied oogluikend wordt toegestaan, terwijl het bijvoorbeeld in Nationaal Park Zuid-Kennemerland en op Schiermonnikoog verboden is.
Bij de provinciale landschappen, en daarbij gaat het voor de duinen vooral over Landschap Noord-Holland en het Zuid-Hollands Landschap, is er weinig over te vinden. Het ZHL heeft toegangsvoorwaarden met een duidelijk verbod om “planten of delen daarvan te beschadigen of mee te nemen; paddenstoelen of delen daarvan te beschadigen of mee te nemen; – eieren van dieren te rapen, uit het nest te nemen of te vernielen”. Over bramen geen woord. Over Voorne, waar de duinen beheerd worden door Natuurmonumenten en het Zuid-Hollands Landschap, meldt lokaal natuurliefhebber Piet Mout ons dat overal gewoon ruim geplukt wordt.
Dit brengt ons op het volgende punt: natuurlijk worden overal bramen geplukt, of het nu mag of niet mag of een beetje mag. Boswachters, BOA’s en ander veldpersoneel zullen in het bramenseizoen de handen vol hebben aan de combinatie gastheerschap-toezichthouder. Hoe zou dat gaan: vriendelijk terechtwijzen – ‘champignonbakje’ – op de paden blijven – en heel soms ingrijpen? Zelf had ik vorig jaar tijdens het aalbessen plukken vlak bij mijn huis een gesprek met een plantsoenbeheerder. Ik stond daar met mijn aardbeienbakje, we hielpen samen nog een oude mevrouw die de weg vroeg, en toen hij wegreed voegde hij mij toe: “Dat bessen plukken is eigenlijk verboden hoor.”

Roeland Koning, ca 1925: Terug van het bramen zoeken. Uit: Een beeld van zijn werk in 15 reproducties. Libellenserie nr. 55, Bosch & Keuning (1934). Gevonden door Frans Beekman.
In de middeleeuwen en nog ver daarna was jagen, vangen en verzamelen van flora en fauna in de duinen en andere ‘wildernissen’ verboden. In krantenarchieven De grootgrondbezitter wilde zijn privilege beschermen of exploiteren (o.a. konijnenteelt, jachtrechten verpachten). De vaak straatarme aanwonenden van de duingebieden hadden een ander belang: eten op tafel en als het om bramen en ander fruit ging: een lekkernij.
Als je de terreinbeheerders van nu vergelijkt met de grootgrondbezitters van vroeger, is er wel een belangrijk verschil: Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en Staatsbosbeheer staan voor een algemeen belang namelijk natuurbeheer. Bestrijding van eerdergenoemd plunderen hoort hier natuurlijk bij. Maar net als bij veel grootgrondbezitters vroeger is hun reputatie onder lokale bewoners vaak niet geweldig. Dat leidt hier en daar tot voorgebakken boosheid: wat een terreinbeheerder ook doet het is nooit goed. Het verkrijgen en behouden van draagvlak in de regio is een zaak van balanceren en valt voor natuurbeheerders dan ook niet mee. Begrijpelijk is overigens wel dat de landelijk vastgestelde natuurdoelen de lokale bevolking niet zoveel zeggen, en een verbod op bramen plukken al helemaal niet.
Toch zal iedereen begrijpen dat je een duinterrein niet moet leegplukken, net zo min als je een stuk kwelder niet zomaar mag ontdoen van zeekraal of lamsoor. Overigens is dat laatste eveneens een eeuwenoude traditie die de laatste jaren sterk is teruggeschroefd (vergunningplicht, alleen nog oogsten na het broedseizoen).

Foto Ivar Leidus, licentie via Wikimedia Commons
Tot slot staan we nog even stil bij een bijzondere en ook lekkere braam, de dauwbraam (Rubus caesius). De vruchten van deze soort hebben een waslaagje. De dauwbraam komt voor in de duinen van Holland en de Delta, Thijsse schreef er al over (zie onder). Bekend is ook het zgn. dauwbraamlandschap, beschreven door landschapsecoloog Henk Doing (1927-1996): langs een afslagkust stuift veel zand naar binnen en ontstaat achter de zeewering een vaak zeer brede strook waar landinwaarts stuivend zand een milieu schept waarin de dauwbraam domineert. Juist daar staan de meest malse bramen, in het buitenduin.
Dauwbraam in het Reggers Sandervlak (bij Egmond). Foto Rolf Roos
Met de huidige droogte komt het ene na het andere knelpunt in de waterhuishouding in het nieuws. Daaronder ook de drinkwatervoorziening van de Waddeneilanden. In de loop van de vorige eeuw heeft elk eiland leidingwater gekregen. Uit eigen bodem én van de vaste wal.
In november 2013 schreef Sander Peters voor H2O Magazine hierover een artikel dat nog steeds actueel is – en dat we hier opnieuw beschikbaar maken (zie voor de pdf hieronder). Vlieland en Schiermonnikoog zijn zelfvoorzienend, Terschelling en Ameland deels. Alleen Texel krijgt haar drinkwater volledig van de vaste wal, via een pijpleiding, maar dat was niet altijd zo – zie ook dit artikel over het Mokslootgebied en de geschiedenis van de waterwinning op Texel.
Hoewel de winning op de meeste Waddeneilanden aanmerkelijk is, wordt het grondwater in overleg met de natuurbeheerders zodanig gewonnen dat de verdroging van de duinen minimaal is. Hoe dat dit jaar, met deze enorme droogte, zal uitpakken zullen we moeten afwachten.
Het artikel uit H2O als pdf: Drinkwater op een eiland: van ver halen of zelf maken? MaandbladH2Onov13
Rolf Roos m.m.v. Rob Rossel (data-analyse)

Hangende bloemetjes van moeslook. Foto Eleftherios Katsillis, licentie via Wikimedia Commons
Moeslook (Allium oleraceum) is een wilde uiensoort. De Nederlandse naam wijst op gebruik in de keuken, op een oude praktijk van plukken en verzamelen. Vroeger ook gekweekt in de moestuin, het is een ‘vergeten groente’. Alle delen zijn eetbaar, maar laat deze Rode Lijstsoort liever staan. Moeslook was vroeger algemener en wordt vaak over het hoofd gezien. Maar niet, zoals we verderop zullen zien, door plantenwaarnemers op Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland.
De meest bekende look is bieslook, verkrijgbaar in de super. Wie deze soort lang laat staan en water geeft krijgt vanzelf fraaie roze bloemen. Fijn gesneden is het jonge loof erg lekker in de salade. Ook bekend, maar minder mals is de kraailook. Deze soort staat op alle zandige en kleiige dijken die (na mei) later worden gemaaid en in de duinrand, met taaie stengels en een bruinige bloeiwijze met ‘broedbollen’: kleine uitjes (met zeer sterke smaak) die elders weer kunnen kiemen. Ook diep in najaar en in de winter is kraailook al present met (dan nog) fris groen loof. Het is een algemene soort, deze wilde ui, kraailook. Vraag niet waarom deze zo heet. Kraaien eten de broedbolletjes of kleine knollen niet. In onze salade is een beetje kraailook (de broedbolletjes) goed te doen mits jong en niet te veel. Bent u wildplukker: doe het met mate en let op plaszones van honden, vossen, reeën en konijnen.

Moeslook met kenmerkende tweekleppige bladschede rond de bloeiwijze. Als de bloemetjes opengaan verschijnen de charmant overhangende lelie-achtige bloemetjes.
Nu de ‘lastige’ soort: moeslook, ons hoofdonderwerp. Verwaarloosd, zelfs onder plantenliefhebbers, want moeslook is een laat in juli bloeiende soort en wordt vaak over het hoofd gezien. De naam doet vermoeden dat de soort als smakelijk werd beschouwd. Bureaus die soorten inventariseren voor natuurorganisaties missen deze soort vaak. En als ze al worden aangetroffen zetten terreinbeheerders deze gegevens vaak niet op waarneming.nl. Hoe dan ook zijn waarnemingen van vrijwilligers nodig voor het landelijke beeld, ook omdat moeslook vaak buiten natuurgebieden voorkomt. De soort is landelijk de laatste vijftig jaar achteruitgegaan door te vroeg maaiwerk en het verdwijnen van allerlei rommelhoekjes in het landschap. In de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta is het een zeldzame soort van oude dijken en soms ook in het duin. Als je de soort eenmaal kent zie je ze op de goede standplaatsen bij honderden (bijv. bij Goedereede-Havenhoofd onderaan de Nieuwendijk langs de Galgeweg, m.n. de zuidzijde).
De landelijke verspreidingsatlas laat zien dat de soort ook langs de rivieren voorkomt en noordwaarts in het kalkrijke duin (maar daar zeer zeldzaam). Op de Rode Lijst staat de soort als ‘kwetsbaar’. Dat klopt. Klik op het kaartje, ook voor de vaak prachtige foto’s die er onder staan.
Dankzij de gegevens op waarneming.nl (die de NLGO-werkgroep Onderzoek kan downloaden en analyseren) hebben we een goed beeld van vondsten de laatste tien jaar (zie het kaartje). Interessant is dat het een soort is van de oudere landschappen, oude binnendijken en reeds lang bestaande duinen. Hoewel de soort zich o.a. via broedbolletjes goed kan verspreiden is het tempo daarvan laag. Op deltawerken is de soort nog nergens gevonden. .
De locaties met moeslook op waarneming.nl (1 jan 2016-23 juli 2026) staan in onderstaande tabel. Het zijn er 12 in Zeeland en 13 in Zuid-Holland. Op de meeste locaties werden een of twee keer in die tien jaar exemplaren van moeslook gevonden. De hoogste frequenties waren in Preekhilpolder (4) en Bokkepolder (5) wat volledig op conto te schrijven is van twee of drie waarnemers. Omdat de soort snel over het hoofd wordt gezien hangt het beeld van de verspreiding meer dan waarschijnlijk samen met de woonplekken van de vrijwillige onderzoekers deze 10 jaar (ca 15 in totaal).
| Dreischor – Adriana Johannapolder | Schouwen-Duiveland |
| Haamstede – Slotbos | Schouwen-Duiveland |
| Kerkwerve | Schouwen-Duiveland |
| Nieuwerkerk – Steenzwaan e.o. | Schouwen-Duiveland |
| Noordgouwe – Polder Noordgouwe west | Schouwen-Duiveland |
| Noordgouwe – Weeldijk e.o. / weeltje | Schouwen-Duiveland |
| Oosterland – Lage Rampertseweg e.o. | Schouwen-Duiveland |
| Schuddebeurs – Klein Bettewaardepolder west | Schouwen-Duiveland |
| Sirjansland – Dijkwater noord | Schouwen-Duiveland |
| Westenschouwen – dorp | Schouwen-Duiveland |
| Zonnemaire – Polder Bloois en Oud Bommenede | Schouwen-Duiveland |
| Zonnemaire – Polder Zonnemaire west | Schouwen-Duiveland |
| Goedereede (voormalige gemeente) | Goeree-Overflakkee |
| Goedereede Havenhoofd | Goeree-Overflakkee |
| Goedereede Havenhoofd – Bosaanplant | Goeree-Overflakkee |
| Grevelingen (geheel) | Goeree-Overflakkee |
| Grevelingen – De Val e.o. | Goeree-Overflakkee |
| N57 – Ouddorp rotonde | Goeree-Overflakkee |
| Oostdijk – Bokkepolder | Goeree-Overflakkee |
| Oostdijk – gehucht en binnenduinrand | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Middelduinen | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Preekhilpolder | Goeree-Overflakkee |
| Ouddorp – Preekhilpolder – zeedijk | Goeree-Overflakkee |
| Oude Tonge | Goeree-Overflakkee |
| Sommelsdijk – Christoffelpolder | Goeree-Overflakkee |
De aantallen waarnemingen op de twee bekeken eilanden nemen de laatste tien jaar significant toe (zie hieronder), maar hier is nog geen juichend persbericht over de toename van moeslook uit te destilleren. Waarom niet?
Hoewel het aantal waarnemingen door de jaren heen statistisch gezien toeneemt, is het maar de vraag of die een ‘reële’ vooruitgang is of een waarnemerseffect: er kijken nu meer mensen, die geven ook meer waarnemingen door met wisselende aantallen. De analyse die dit corrigeert heet met een weinig toegankelijke de statistische methode GLM met effort als “offset”. Onderzoekers weten dat ‘de waarheid’ niet bestaat maar het is wel de kunst om op basis van metingen zo betrouwbaar mogelijk uitspraken te doen. Hoewel je statistiek af kunt doen met de quote van de onbetrouwbare president Nixon ‘there are lies, damned lies and statistics‘, doen we dit vakgebied daarmee te kort. Door statistiek kunnen we veel heldere uitspraken doen, ook al is de uitkomst altijd gebonden aan de keuze van een bepaalde rekenmethode. Daarover kan echte veel overeenstemming zijn, zoals over de statistisch ”nette’ variant bij trendanalyses: GLM met effort als “offset”. Hierover in een vervolgpagina een toelichting.
De calculatie is uitgevoerd door Rob Rossel en levert een beeld op dat een harde onderbouwing geeft van een statisch gezien waarschijnlijke toename. Dus toch een juichend persbericht! Er zijn beslist aanwijzingen dat deze Rode Lijst soort vooruit gaat, mogelijk als gevolg van beter (later, terughoudender?) maaibeheer.
Lees hier de toelichting over statistiek

Moeslook (rechtsonder, de bruine propjes)) in zeer laat gemaaide dijk met beemdkroon, dauwbraam en gewone kruisdistel, Goedereede. Opvallend veel in de onderste rand van de dijk, de zuidelijke zijde.
Gewapend met een serie oude kaarten (zie de links naar kaarten hieronder) krijgen we zicht op het ontstaan van de Kwade Hoek, vanaf het uitzichtpunt bij ’t Lichie.
We bezoeken de Kwade Hoek bij het hoge uitzichtpunt bij ’t Lichie, niet ver van de parkeerplaats annex fietsenstalling. Op basis van historische beelden krijgt de deelnemer een ruimer zicht op de geschiedenis van dit bijzondere gebied. Het verhaal sluit aan bij een recent verhaal over het ontstaan van de Kwade Hoek.
Veldcollege van Rolf Roos die de laatste twee jaar een reeks verhalen over historie Kwade Hoek schreef. Voor natuur- en landschapsliefhebbers die het verhaal achter de mooie planten en vogels willen weten.
De beelden waarmee we gaan werken: kaart 1753, Gevers 1828; kaart strekdammen 1874; kaart aangroei 1912; kaart topo ca 1938.
Aanmelden: via de winkel van Natuurmedia
29 augustus 2026 10u – 11u
Rolf Roos
Hieronder staat een kleine en aangroeiende caleidoscoop van neuzen bij wilde orchideeën. We zoeken meer van dit soort foto’s en vooral ook van een omschrijving van de geur. Over vele, gekweekte huiskamer-orchideeën doet men lyrisch en de commercie grossiert in geurflesjes met diverse verlokkingen. Maar wat weten we nu van de geuren van de eigen, wilde soorten van ons land, zo’n 50 in totaal?
We lopen de hieronder weergegeven orchideeën-met-neus één voor één af. In het geval van muggenorchissen is geur een onderscheidend kenmerk. Volgens Heukels’ Flora (24e druk) heeft de grote muggenorchis ‘een zwakke, wat schimmelige geur’, terwijl de dichte ‘een sterke kruidnagelgeur’ zou hebben. Onze neus rook bij de laatste, zeer zeldzame soort vooral een rijk vanilleboeket. De wespen lokkende en vrij algemene brede wespenorchis geurde volgens ons naar niets. Maar de wesp denkt daar anders over. De foto daaronder toont de honingorchis met haar subtiele nectargeur. (Zie ook de reportage op deze site met Kees de Kraker over schimmelgeur bij de honingorchis, maar dan gaat het over de ondergrondse delen.) Ook herfstschroeforchis (hierboven, zonder neus) zou bescheiden maar duidelijk geuren. Van de harlekijn (geen foto) is bekend dat deze aangenaam geurt maar een insect geen nectar biedt. Bokkenorchis stinkt echt maar wie zou hij daarmee lokken?
Wie heeft er een mooie foto van neus met welriekende nachtorchis? Wie harlekijn? Mail ons! Veel dank

Kees de Kraker met wortelknol herfstschroeforchis..niet verrassend maar toch: ruikt naar de schimmel waar orchideeen mee verbonden zijn.

Auteur bij dichte (?) muggenorchis, Voorne, 2026 ” Zeer geurig, vanilleachtig, maar ik ruik geen kruidnagel”

Dennenorchis bij Schoorl, 2026, met Bert de Boer uit Alkmaar die ons schrijft: “Wat geur betreft, is deze niet zo sterk, maar toch enigszins een melange van dennelucht en jasmijn (vrij zwaar dus).”
Rob Rossel (tekst en foto’s)
Samenvatting
Acht jaar inventariseerde de auteur nachtvlinders in een insectvriendelijke tuin nabij de Kwade Hoek. Particuliere terreinen en tuinen vormen gezamenlijk een aanzienlijk deel van het Nederlandse landschap, en hun betekenis is van grote invloed op insecten. Tussen 2017 en 2026 werd op een natuurlijk beheerd perceel van circa 2,7 hectare in de Bokkepolder (Goeree-Overflakkee) onderzoek verricht naar nachtvlinders, met behulp van een lichtval, een laken en smeer. Het terrein grenst direct aan de duinen en wordt beheerd met als uitgangspunt het vergroten van de biodiversiteit, in het bijzonder die van insecten. Gedurende de onderzoeksperiode werden op 191 vangnachten in totaal 3.733 registraties van macrovlinders verricht, behorend tot 377 soorten. Het aantal jaarlijks waargenomen soorten hing sterk samen met het aantal vangnachten in dat jaar (R² = 0,93). Een Chao1-schatting geeft aan dat de werkelijke soortenrijkdom in de orde van 425 soorten kan liggen, wat suggereert dat ook na acht inventarisatiejaren nog geregeld nieuwe soorten worden aangetroffen. Daarnaast zijn 223 soorten microvlinders vastgesteld. Door andere waarnemers zijn in de Bokkepolder nog eens 61 soorten gemeld die op het eigen terrein nog niet zijn waargenomen (waaronder zes macrovlinders). Dit brengt het totaal op 661 soorten. De resultaten laten zien dat een natuurlijk beheerd en gunstig gelegen particulier terrein een aanzienlijke lokale diversiteit aan nachtvlinder kan herbergen, waaronder meer dan honderd soorten van de Rode Lijst.
De afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat insectenpopulaties onder druk staan. Langlopende meetreeksen tonen een afname van biomassa, verspreiding en populatieomvang van veel insectengroepen (Hallmann et al., 2017). Voor nachtvlinders geldt een vergelijkbaar beeld: verschillende soorten zijn zeldzamer geworden door veranderingen in het landschap, intensivering van de landbouw, stikstofdepositie, verdroging en de toenemende hoeveelheid kunstlicht tijdens de nacht. Een warmer wordend klimaat zorgt desondanks voor nieuwe zuidelijke soorten terwijl noordelijke soorten het moeilijker krijgen.
Tegelijkertijd groeit het besef dat particuliere terreinen een bijdrage kunnen leveren aan het behoud van biodiversiteit. Dit geldt voor kleinere tuinen, maar zeker ook voor grotere particuliere percelen, die door hun omvang en variatie in vegetatie mogelijk een substantiële rol kunnen spelen. Wanneer dergelijke terreinen natuurlijk worden beheerd, kunnen zij fungeren als nectarbron en stapstenen tussen natuurgebieden (Morpurgo et al., 2024; Tew et al., 2021).
Nachtvlinders zijn hiervoor een geschikte indicatorgroep: ze reageren op veranderingen in vegetatiestructuur, waardplanten en beheer. Er zijn ongeveer 865 macro- en ongeveer 1400-1480 micro-nachtvlinders, waardoor verschuivingen in de leefomgeving vaak zichtbaar worden in de soortensamenstelling. Het onderscheid tussen micro- en macrovlinders is van oorsprong praktisch, niet wetenschappelijk: macrovlinders zijn de doorgaans grotere, opvallende soorten (zoals dagvlinders en de grotere nachtvlinders), terwijl microvlinders de vaak kleinere, minder opvallende nachtvlindergroepen omvatten — de indeling zegt dus meer over grootte en herkenbaarheid dan over verwantschap.
Langdurige inventarisaties zijn nog beperkt alhoewel er momenteel door de Vlinderstichting een monitoringnetwerk is opgezet om meerjarige tellingen op één vaste locatie uit te laten voeren (citizen science). Ook zijn veel gegevens afkomstig uit losse waarnemingen of kortlopende tellingen. Een meerjarige monitoring maakt het juist mogelijk om de ontwikkeling van de soortenrijkdom en de mate van volledigheid van een inventarisatie te beoordelen.
In dit artikel wordt de nachtvlinderfauna beschreven van een particulier terrein dat gedurende acht jaar zeer regelmatig werd onderzocht. De centrale vraag luidt: hoe ontwikkelt de soortenrijkdom van macrovlinders zich in een natuurlijk beheerd terrein aan de rand van de duinen, wanneer dit gedurende meerdere jaren systematisch wordt geïnventariseerd? Omdat de macrovlinders het meest consistent zijn onderzocht en gedetermineerd, ligt de nadruk in dit artikel op deze groep; de microvlinders en waarnemingen van derden komen afzonderlijk aan bod in het laatste hoofdstuk.
De inventarisatie vond plaats op een terrein in de Bokkepolder op Goeree-Overflakkee. Deze bijna 28 hectare grote polder ligt direct tegen de duinen van de Kwade Hoek aan en vormt een overgang tussen het agrarisch landschap en het kustgebied van de Noordzee.
Binnen een kilometer komen verschillende landschapstypen samen: jonge en grijze duinen, vochtige duinvalleien, duindoornstruwelen, ruige graslanden, landbouwgronden en particuliere tuinen. Hierdoor liggen waardplanten uit uiteenlopende biotopen dicht bij elkaar, en kunnen zowel typische duinsoorten als algemene cultuurvolgers worden verwacht.
Het betreffende perceel bestaat uit houtwallen, hooiland, vijver en diverse kleine elementen zoals een keverbank en vleermuizenbunker; aan de zuidzijde een bloemrijke dijk in beheer bij Natuurmonumenten, in het noorden langs de Stellingweg veel opgaand bos met en daarachter de zeewering met daar weer achter de zilte gronden van de Kwade Hoek. Het terrein grenst niet direct aan een akker waardoor bestrijdingsmiddelen niet direct op het terrein kunnen komen. Het is echter niet uitgesloten dat door drift toch wat residuen in het gebied neerdalen.

Het terrein wordt, door een lokaal hoveniersbedrijf, gemaaid met een maaibalk op een maaihoogte van ongeveer 10 centimeter. Het gebruik van een maaibalk en deze maaihoogte biedt insecten de grootste overlevingskans. Na enkele dagen drogen wordt het maaisel geschud, gewierst en vervolgens afgevoerd.
Vanaf 2014 is het terrein beheerd met de nadruk op fauna, in het bijzonder als leefgebied voor insecten. Waar mogelijk is gekozen voor inheemse bomen en struiken, met bloeiende kruiden gedurende het hele groeiseizoen. Het maaibeheer gebeurt gefaseerd, ruige vegetatie blijft gedurende de winter staan, dood hout wordt zoveel mogelijk behouden. Dit ook met het oog op kevers. Er wordt geen gebruik gemaakt van insecticiden, en kunstlicht wordt zoveel mogelijk beperkt tot wat voor de inventarisatie zelf nodig is.
Door deze aanpak is een mozaïek ontstaan van korte vegetaties, bloemrijke delen, ruigten, struiken en kleine bosjes, verspreid over het hele perceel. Deze structuurvariatie is vermoedelijk een van de factoren die bijdragen aan de waargenomen soortenrijkdom. Daarnaast staat het terrein in directe verbinding met de omliggende duinen. Nachtvlinders zijn mobiel, en het terrein fungeert daardoor waarschijnlijk niet alleen als leefgebied, maar ook als foerageerplek voor soorten die hun larvale ontwikkeling elders in het duingebied voltooien.
De relatie tussen het aantal vangnachten en het aantal jaarlijks waargenomen soorten is onderzocht met lineaire regressie. De potentiële totale soortenrijkdom is geschat met de Chao1-index, die gebruik maakt van het aantal soorten dat slechts één of twee keer is waargenomen (singletons en doubletons) om een indruk te geven van het aantal nog niet gevonden soorten. Daarnaast is de ontwikkeling van de cumulatieve soortenlijst gevolgd om te beoordelen of de inventarisatie een verzadigingspunt begint te naderen.
Gedurende de onderzoeksperiode werden in 191 vangnachten macrovlinders geregistreerd. De inventarisatie-intensiteit varieerde sterk tussen de jaren (tabel 2). In 2017 en 2018 stond de lichtval slechts enkele keren opgesteld en zijn er alleen jaartotalen. Vanaf 2019 werd systematisch geïnventariseerd, met de grootste vanginspanning in 2020–2022. Vanaf 2023 nam het aantal vangnachten weer af. De cumulatieve soortenlijst groeide vooral sterk gedurende de eerste vier inventarisatiejaren: van 44 soorten in 2018 naar 300 soorten na 2020. Daarna vlakte de toename duidelijk af, zonder dat een volledig plateau werd bereikt – ook in 2026 kwamen er nog 9 nieuwe soorten bij.
| Jaar | Vangnachten | Nieuwe soorten | Cumulatief |
| 2017 | onbekend | 29 | 29 |
| 2018 | onbekend | 15 | 44 |
| 2019 | 28 | 178 | 222 |
| 2020 | 28 | 78 | 300 |
| 2021 | 36 | 39 | 339 |
| 2022 | 33 | 19 | 358 |
| 2023 | 19 | 5 | 363 |
| 2024 | 21 | 3 | 366 |
| 2025 | 12 | 2 | 368 |
| 2026 | 14 | 9 | 377 |
Tabel 2. Vangnachten, nieuwe soorten en cumulatief aantal macrovlindersoorten per jaar.
Dit patroon komt overeen met een gebruikelijke soortenaccumulatiecurve. Tijdens de eerste inventarisatiejaren worden relatief veel nieuwe soorten geregistreerd. In latere jaren vlakt deze toename af, doordat een steeds groter deel van de aanwezige soorten al eerder is waargenomen. Nieuwe soorten kunnen echter gedurende de gehele onderzoeksperiode worden gevonden, ongeacht hun algemene of zeldzame voorkomen. Ook in de curve is te zien dat de toename na de eerste jaren afvlakt, zonder dat een duidelijk plateau wordt bereikt. Het aantal waargenomen soorten per jaar daalt in de latere jaren ten opzichte van de piek in 2021-2022, maar dit gaat gepaard met een vergelijkbare afname in het aantal vangnachten; de absolute aantallen per jaar zijn daarom niet zonder correctie onderling vergelijkbaar.
De lichtval vangt slechts iets meer soorten ondanks dat deze aanmerkelijk vaker is opgesteld.
| Vangmethode | Vangnachten | Macro’s | Micro’s |
| Laken | 27 | 273 | 120 |
| Lichtval | 170 | 308 | 151 |
Er zijn hiervoor een aantal verklaringen. Bij het laken wordt actief, gedurende een paar uur, naar aanvliegende vlinders gekeken, terwijl de lichtval passief gedurende de hele nacht vangt en pas ’s ochtends in één keer wordt gecontroleerd – een deel van de bezoekende vlinders is dan alweer weggevlogen voordat deze konden worden vastgelegd. Ook het verschil in lichtsterkte en type lamp is een niet te onderschatten factor. Daarnaast is er uitsluitend in de periode mei-oktober met het laken gestaan, terwijl de lichtval het hele jaar door – ook in de wintermaanden – is gebruikt. Typische voorjaars- en wintersoorten zoals voorjaarsboomspanner, perentak, dunvlerkspanner en de grote en kleine wintervlinder zijn dan ook uitsluitend met de lichtval gevangen en nooit op het laken – wat past bij het ontbreken van winter- en vroege voorjaarsavonden in de lakendata. Dit neemt niet weg dat de lichtval, dankzij het veel grotere aantal vangnachten, over de hele periode wel tot meer verschillende macro-soorten heeft geleid (308 tegenover 273 bij het laken); beide methoden blijven dan ook waardevol en vullen elkaar aan.
Tussen het aantal vangnachten en het aantal per jaar waargenomen soorten bestond een zeer sterke samenhang (lineaire regressie, R² = 0,93; p < 0,001). Ongeveer 93% van de variatie in het jaarlijkse aantal soorten kan dus worden verklaard door verschillen in het aantal vangnachten. Dit betekent dat jaren met weinig waargenomen soorten niet noodzakelijk wijzen op een afname van de biodiversiteit, maar grotendeels het gevolg zijn van een lagere inventarisatie-intensiteit.
Van de 377 vastgestelde macrovlindersoorten werden er 67 slechts eenmaal op het terrein geregistreerd en 45 tweemaal; samen ruim 30% van alle aangetroffen soorten. Dit zegt niets over hoe zeldzaam deze soorten landelijk zijn – het gaat om soorten die op dít terrein maar één of twee keer zijn gezien, wat net zo goed algemene soorten kunnen zijn die er toevallig zelden langskomen. Dit aandeel is bovendien niet star: kort na 2018 bestond de soortenlijst nog vrijwel volledig (100%) uit soorten met hooguit twee waarnemingen, in 2020 was dat gedaald tot 54%, en inmiddels (2026) nog maar 30%. Naarmate de inventarisatie langer loopt, worden eerder incidenteel geregistreerde soorten dus geregeld opnieuw waargenomen en verdwijnen ze uit deze categorie – vooral de recentst ontdekte soorten (2025-2026) zijn nog vaak maar één of twee keer gezien, simpelweg omdat er nog weinig tijd was om ze opnieuw waar te nemen.
Met de Chao1-estimator – een rekenmethode die uitgaat van het aandeel van dit soort incidenteel waargenomen soorten – is een geschatte totale soortenrijkdom van macrovlinders berekend van circa 425 soorten (SE ≈ 16). De tot nu toe waargenomen 377 soorten vertegenwoordigen daarmee ongeveer 89% van deze schatting. Dergelijke schattingen blijven met onzekerheid omgeven, maar wijzen er wel op dat de inventarisatie behoorlijk compleet begint te worden, en dat voortzetting van de monitoring naar verwachting nog een beperkt maar niet verwaarloosbaar aantal nieuwe soorten voor dit terrein zal opleveren.
Gedurende de inventarisatie zijn 377 soorten macrovlinders vastgesteld. Vergelijkingsmateriaal van andere particuliere terreinen is beperkt beschikbaar, wat een absolute uitspraak over hoe uitzonderlijk dit is lastig maakt. De Nederlandse macro-nachtvlinderfauna omvat ongeveer 850 soorten; met 377 daarvan op één terrein is een aanzienlijk deel van die fauna hier al vastgesteld. Waarschijnlijk is er niet één verklaring voor het hoge aantal soorten, maar is er sprake van een samenspel van landschappelijke ligging, de omvang van het terrein, natuurlijk beheer en de lange duur van de monitoring zelf.
Het terrein ligt direct aan de binnenduinrand, waar verschillende leefgebieden elkaar overlappen: open duinen, vochtige valleien, duindoornstruwelen, graslanden, landbouwpercelen en tuinen liggen dicht bij elkaar. Duinterreinen bieden een groot aantal waardplanten voor rupsen en nectarbronnen voor volwassen vlinders. Daarnaast kunnen ze fungeren als brongebied voor soorten die zich buiten het duingebied verspreiden – veel nachtvlinders zijn goede vliegers en overbruggen zonder moeite afstanden van enkele honderden meters tot enkele kilometers. Kustgebieden fungeren bovendien soms als corridor voor trekkende soorten; tijdens warme zomers kunnen migrerende nachtvlinders vanuit Zuid-Europa of Engeland de Nederlandse kust bereiken, en een langjarige inventarisatie vergroot de kans dat zulke incidentele bezoekers worden vastgesteld. Bekende voorbeelden van trekvlinders zijn o.a. de algemene gamma-uil, het spectaculaire blauw weeskind, de oprukkende Spaanse vlag en de roodstreepspanner die gebruikmakend van gunstige winden het zuidwesten van Nederland bereikt (Jacobusse et al., 2016).
Een kenmerk van het terrein is de variatie in vegetatiestructuur: bloemrijke delen, ruigtes, struweel, jonge en oudere bomen, grasvegetaties en dood hout liggen dicht bij elkaar. Voor insecten is deze afwisseling waarschijnlijk van belang, omdat rupsen vaak gebonden zijn aan specifieke waardplanten terwijl volwassen vlinders weer andere eisen aan hun omgeving stellen. Het laten staan van vegetatie gedurende de winter biedt bovendien overwinteringsmogelijkheden, zowel voor vlinders als voor hun natuurlijke vijanden.
Gedurende de hele onderzoeksperiode is het terrein natuurlijk beheerd: geen insecticiden, gefaseerd maaien, en behoud van dood hout en ruigte waar mogelijk. Dit zijn relatief eenvoudige maatregelen, die ook op kleinere schaal, in een gewone particuliere tuin, met beperkte inspanning kunnen worden toegepast.
Zou de inventarisatie na een of twee jaar zijn beëindigd, dan zou een aanzienlijk kleiner deel van de huidige soortenlijst zijn vastgesteld – na 2018 stond de teller nog op 44 soorten, tegenover 377 nu. Dit is een bekend patroon in biodiversiteitsonderzoek. De Chao1-schatting bevestigt dat de inventarisatie nog niet volledig verzadigd is, en langdurige monitoring maakt bovendien veranderingen in de samenstelling van de fauna zichtbaar – relevante informatie in een tijd waarin insectenpopulaties onder druk staan.
De sterke samenhang tussen het aantal vangnachten en het aantal waargenomen soorten (R² = 0,93) laat zien dat de bemonsteringsinspanning een belangrijke factor is bij het interpreteren van verschillen tussen jaren. Een jaar met weinig vangnachten zal vrijwel altijd minder soorten opleveren dan een jaar met intensieve inventarisatie, ook zonder dat de onderliggende biodiversiteit is veranderd. Voor toekomstige vergelijkingen verdient het aanbeveling jaarlijks een vergelijkbaar aantal inventarisatiemomenten aan te houden.
Naast de 377 hierboven besproken macrovlindersoorten zijn op het terrein ook 223 soorten microvlinders vastgesteld. Microvlinders zijn tijdens dezelfde vangsessies meegenomen, maar zijn minder consequent tot op soort gedetermineerd dan macrovlinders, waardoor het aantal van 223 vrijwel zeker een onderschatting is van het werkelijk aanwezige aantal microvlindersoorten. Om deze reden zijn de microvlinders in de voorgaande hoofdstukken buiten de kwantitatieve analyses gehouden.
Daarnaast zijn door andere waarnemers in de Bokkepolder en de directe omgeving nachtvlinders gemeld die op het eigen terrein (nog) niet zijn vastgesteld. Dit betreft doorgaans incidentele waarnemingen, niet afkomstig uit een systematische vangst, en daarom niet meegenomen in de hierboven gepresenteerde schattingen van de soortenrijkdom. Deze meldingen zijn niettemin waardevol: ze laten zien dat de Chao1-schatting van circa 425 soorten niet louter een statistisch abstractum is, maar dat er ook daadwerkelijk aanwijsbare soorten in de naaste omgeving voorkomen die op het eigen terrein nog niet zijn aangetroffen.
Door andere waarnemers zijn in totaal 76 soorten gemeld: 9 macrovlinders en 67 microvlinders. Daarvan waren 61 soorten nog niet eerder op het eigen terrein vastgesteld: 6 macrovlinders en 55 microvlinders. Onder de nieuw gemelde macrovlinders bevinden zich de hoornaarvlinder, het vlasbekuiltje, de witte-l-uil, de dwerghuismoeder, de tweekleurige uil en de gepluimde snuituil. Worden deze 6 macrovlinders bij de 377 op het eigen terrein vastgestelde soorten opgeteld, dan komt het totale in de Bokkepolder aangetoonde aantal macrovlindersoorten op 383.
Van de 660 nachtvlindersoorten die in de Bokkepolder zijn vastgesteld, komt de overgrote meerderheid (624 soorten, 94,5%) ook elders op Goeree-Overflakkee voor. Dat is een sterke aanwijzing dat de Bokkepolder, ondanks de relatief bescheiden oppervlakte van het terrein, een representatieve doorsnede biedt van de nachtvlinderfauna van het eiland.
Toch is er ook een duidelijke keerzijde: van de 1.276 soorten uit de bredere Goeree-Overflakkee-dataset zijn 652 soorten (ruim de helft) nog niet in de Bokkepolder gevonden. Dit verschil is goed te verklaren uit de aard van de vergelijking. De regionale dataset bundelt waarnemingen uit sterk uiteenlopende leefgebieden – van het strand bij Ouddorp tot de Haringvlietbrug – terwijl de Bokkepolder één kleine polder is op Goeree-Overflakkee. Bovendien is de inventarisatie-inspanning op regionaal niveau vele malen groter (ruim 47.000 registraties tegenover ruim 4.480 in de Bokkepolder) en verspreid over talloze waarnemers en jaren, wat vanzelf tot een grotere soortenlijst leidt.
Opvallend is verder dat 36 soorten wél in de Bokkepolder zijn vastgesteld, maar niet voorkomen in de geraadpleegde Goeree-Overflakkee-lijst. Dit zijn mogelijk soorten die elders op het eiland simpelweg nog niet zijn gemeld, of waarnemingen die nog niet zijn ingevoerd in de regionale database. Het zijn bovendien grotendeels microvlinders die waarschijnlijk minder gedetermineerd worden. Een andere reden is dat ze bijv. gebonden zijn aan zandgrond zoals het rozenblaadje, de zwartstipspanner en de walstrospanner.
Van de maximaal 2345 soorten nachtvlinders in Nederland zijn de 1313 gemelde vlinders op Goeree-Overflakkee ongeveer 56% van de Nederlandse soorten. Ervan uitgaande dat de allerkleinste micro’s niet vastgelegd worden door de meeste gebruikers van waarneming.nl zal het werkelijke percentage hoger liggen.
Gedurende acht inventarisatiejaren zijn op een natuurlijk beheerd particulier terrein in de Bokkepolder 377 soorten macrovlinders vastgesteld tijdens 191 vangnachten. Deze soortenrijkdom is vermoedelijk het resultaat van een combinatie van factoren: de ligging direct aan de duinen en aangrenzende erven en dijken, de omvang en variatie aan vegetatiestructuren van het terrein, beheer zonder bestrijdingsmiddelen, en niet in de laatste plaats de lange duur en consistentie van de monitoring zelf.
De resultaten laten zien dat particuliere terreinen kunnen bijdragen aan lokale biodiversiteit, en dat langdurige inventarisatie essentieel is voor een representatief beeld van de aanwezige fauna: ook na acht jaar worden nog nieuwe soorten gevonden, en de Chao1-schatting suggereert dat de werkelijke soortenrijkdom nog altijd iets hoger ligt dan het huidige aantal waargenomen soorten. Met de microvlinders en de waarnemingen van derden in het laatste hoofdstuk meegerekend, telt de totale nachtvlinderlijst van de Bokkepolder verder aan. De Bokkepolder illustreert daarmee dat een goed beheerd particulier terrein, zeker in een gunstig gelegen landschap en van een zekere omvang, een reële bijdrage kan leveren aan het lokale insectenleven.
Verder lezen
Dank aan de mensen die hun waarnemingen in Waarneming.nl hebben ingevoerd. Hiermee is een goed beeld verkregen van de nachtvlinderrijkdom van Goeree-Overflakkee.
Piet van Son †, Johan Schipperen, Guus Dekkers, Jannie en Siep Sinnema. Alle lid van de sectie ter Haar.
Wim Bosman en Theo Nieuwenhuizen – 26 juni 2026
[red.] In de 17e eeuw trokken diverse kunstenaars, waaronder Rembrandt en Ferdinand Bol, naar de buitenplaats Saxenburg nabij Bloemendaal en legden het landschap vast. Tegenwoordig is er van deze buitenplaats weinig meer van te zien maar het lag ten oosten van hoge duinen, de bekende Kopjes van Bloemendaal. Eerder besteedden we op deze website uitgebreid aandacht aan de kunstwerken die hier gemaakt zijn. Wim Bosman en Theo Nieuwenhuizen komen nu met een compleet nieuwe interpretatie die we hier graag presenteren. Helemaal onderaan dit verhaal vindt u het genoemde werk van Rembrandt uit het Rijksmuseum.
Het aan Roelant Roghman toegeschreven blad uit Dresden toont het toenmalige Saxenburg, zij het van een veel vertrouwder kant dan tot nu gedacht. Het weidse landschap komt sterk overeen met het hoofdonderwerp van de panoramische ets van zijn veronderstelde leermeester Rembrandt uit 1651.

Roelant Roghman (?), Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden, ca 1651?, pen in bruin, penseel in kleur, 16,6 x 27,5 cm, Dresdan, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett, inv.nr. C 1920-150
Echter, tijdens het vergelijken van de landschappelijke hoofdkenmerken van de actuele situatie, de ets van Rembrandt en de afbeelding van Roghman zijn weliswaar de vele overeenkomsten treffend, maar houd je er tegelijkertijd een draaierig gevoel over; de onderlinge verhoudingen kloppen gewoonweg niet. Na kort reflecteren werd duidelijk: deze weergave is gespiegeld ten opzichte van de toenmalige werkelijkheid: létterlijk! Zoals op een etsplaat.
Na ‘ontspiegelen’ valt alles ineens op zijn plaats. We kijken niet in noordelijke richting maar net als Rembrandt en De Koninck naar het oostzuidoosten, waarbij het praktisch om hetzelfde gezichtsveld gaat (zie de reconstructie onderaan). Picturaal bezien is het grootste verschil dat zij waarnamen vanuit een aanzienlijk lager standpunt. Roghman daarentegen neemt ogenschijnlijk een meer zuidelijk gelegen uitgangspositie in, maar dat blijkt gezichtsbedrog zodra je de respectievelijke perspectieven over elkaar heen legt. De al snel meer dan 20 meter hogere, en circa 100 meter westelijker positie van Roghman heeft als perspectivisch effect dat de herkenbare landschapselementen van de meer nabije onderste beeldhelft minder ver uiteen staan. De niet te overtreffen weidsheid van Rembrandts verbeelding heeft een sterk horizontaal karakter, en daar doet de ruimtelijk meer verticaal gestructureerde Roghman nauwelijks voor onder. Het adembenemend fraaie landschap van Saxenburg, Duin en Daal en het Bloemendaalse Bos in wording ontrolt zich richting de verre horizon.
Naast de verschillen (stijl, techniek, positie met inbegrip van de waarnemingshoogte), zijn er ook andersoortige afwijkingen. Deze topografische aspecten zijn onderwerp van een aanstaande nader onderbouwde publicatie. Toch willen we op deze plaats een enkele noemen, voor meer houvast wat betreft de datering van deze Roghman.
Zo vallen direct de sterke verschillen op qua weergave van de valleibodem-verkaveling van de bleekvelden op de voorgrond. Aan de linkerkant (noord) komen de afbeeldingen van Rembrandt, De Koninck en Roghman nog redelijkerwijs overeen. Waar het midden en de zuidzijde door eerstgenoemde meester heel neutraal worden weergegeven, is bij De Koninck een ongespecificeerd en vagelijk bruin terrein afgebeeld. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om recent ‘aangekard land’ – landaanwinning door demping van een meer met aangevoerde grond – zoals lokaal al aangegeven op de kaarten van Okkersz. uit 1599. Dit kennelijk te dempen en volgens historische bronnen visrijke ‘Den Meer’, dat bij Okkersz. nog zo’n 4,5 hectare besloeg, is 50 jaar later vrijwel gereed om voor de bleekindustrie en/of agrarische benutting dienst te doen. Ook het telkens weergegeven prieel of vogelhuis, dat bij Rembrandt en Philip Koninck nog omgeven is door de restanten van het meer, staat bij Roghman geheel of ten minste grotendeels op land en wordt omringd door allerhande gewas waaronder bomen. Er is nog een bewijs voor een aanzienlijke tijdsspanne tussen 1651 en het vastleggen door Roghman: de laan en zichtas vanuit huize Saxenburg naar het zuidzuidwesten is nu tot voorbij het paviljoen doorgezet. Het bijkomende belang hiervan is dat de verschillen in topografie bewijzen dat tussen het vervaardigen door Rembrandt en Koninck in 1651 en anderzijds dat van Roghman ten minste een decennium gemoeid moet zijn, en vermoedelijk zelfs nog aanzienlijk meer jaren zodat een datering van rond 1670 reëel lijkt.
Een aspect dat voorafgaande aan een definitieve publicatie ook reeds hier verdient te worden aangestipt is het ontbreken van de Haarlemse contour. Het zal met de lichtval van dat moment te maken hebben. Helaas is de ons ter beschikking staande afbeelding onvoldoende scherp om zekerheid te kunnen bieden, maar op de plaats waar je de Grote Kerk (St. Bavo) van Haarlem zou verwachten, zijn net voldoende friemellijntjes aanwezig om aan dit ‘landmark’ te suggereren. En bijvoorbeeld ook de ruïne van Huis te Kleef – vanuit Roghmans standpunt bezien precies tussen de kerk van Haarlem en Bloemendaal in – lijkt afgebeeld.
Nu we over ten minste drie direct vergelijkbare afbeeldingen beschikken, wordt niet alleen het ruimtelijk gebruik en de inrichting van dit deel van zuidelijk Kennemerland verder opgehelderd, maar ook de landschapsdynamiek tijdens de overgang van de neringdoende naar ontspanning zoekende en naar rust en schoonheid verlangende mens.
Voor verdere bespreking – zoals ook over het hoe-en-waarom van de gespiegelde weergave – wordt verwezen naar de aanstaande publicatie.

Benadering van het standpunt van Rembrandt (dat van Roghman wijkt niet veel af). Foto Layla Wijsmuller-Vafi 2019, bewerking Wim Bosman ( (klik voor vergroting)
Rolf Roos (15 april 2026, update met veel kaartmateriaal 23 juni 2026)
Waarom is er in het duin van Schiermonnikoog bijna geen spoor van menselijk gebruik van voor 1800 te vinden? Zijn de Schiere monniken alleen in naam nog verbonden aan dit eiland? Welke sporen liet o.a. landbouw en het waterbeheer in het duinlandschap en de kwelder achter?
Dankzij publicaties van Lisanne Rietman (2020) en Jeroen Wiersma e.a. (2022) is veel informatie over historisch landschapsgebruik en de spanningen tussen diverse gebruikers en eigenaren binnen en buiten het huidige Nationaal Park op een rij gezet. Beide publicaties en enkele andere die digitaal beschikbaar zijn, staan onderaan dit artikel in de bronnenlijst. We staan vooral stil bij de verdiensten van de masterscriptie van Lisanne Rietman en voegen daar inzichten uit de andere publicaties aan toe.
Van grote betekenis voor Schier is dat het grondbezit van de middeleeuwen tot na de Tweede Wereldoorlog grotendeels in één hand lag. Fascinerend is het om te lezen dat de eilander gemeenschap altijd heeft moeten dealen met grootgrondbezitters die het soms maar matig deden (de Staten van Friesland vanaf 1580, vanaf de 17e tot halverwege de 19e eeuw de Stachouwers), terwijl anderen, buitenstaanders, door hun inzet of investeringen het eiland mede vormgaven, o.a. Banck (19e eeuw) en de Duitse graaf Von Bernstorff (tot 1945).
Het Nationaal Park Schiermonnikoog omvat nu het gehele eiland buiten de dorpskern en de polder. Na 1945 was ‘Domeinen’ ofwel de Dienst der Domeinen van het ministerie van Financiën eigenaar en beheerder, tot 1989. Over de huidige beheerder Natuurmonumenten wordt door eilanders soms geklaagd en mogelijk in sommige gevallen terecht, maar vooral dankzij de natuurbescherming floreert het eiland in economisch opzicht. Nu is het aan ‘de natuurbescherming’ om eilander belangen een redelijke plek te geven, en een van de mogelijkheden tot gesprek is via de historie. Bewoners (en bezoekers) hechten soms meer aan oude sporen en verhalen dan aan zeldzame vogels. Inzetten op een ‘wildernisverhaal’ spoort zeker niet met opvattingen over een meer arcadisch natuurbeeld, zo laat Lisanne Rietman in haar scriptie zien. Haar werk is heel gevarieerd omdat ze behalve bronnenonderzoek ook veldwerk deed en ook een twaalftal bewoners sprak.
We spraken Lisanne Rietman, thans beleidsambtenaar in Deurne, over enkele hoofdlijnen.

Op deze uitsnede van een kaart met zeediepten en bakens rond en op Schier uit 1762 staan niet onbelangrijke details: het nieuwe dorp ‘Oosterburen’ als rijtje huizen, een laatste bouwwerk waar ongeveer Westerburen lag en de economisch niet onbelangrijke Kooij. Bron: Tresoar.
Een zichtbaar spoor in het landschap is het ‘Westerburenpad’, net ten westen van het huidige dorp dat van na 1760 dateert en door de toenmalige landeigenaar Stachouwer na desastreuze stormvloeden rond 1715 zeer planmatig is aangelegd. Het huidige dorp heeft sinds ca 1990 bordjes ‘Schiermonnikoog’ gekregen, maar de bewoners noem(d)en hun dorp ook wel ‘Aisterbun’ ofwel ‘Oosterburen’. Die inslag van het Fries is er nog steeds, al ligt het eiland in mentaal opzicht ver van de wal. ‘Buren’ is algemeen middeleeuws Nederlands voor ‘bewoners’ wat we ook terugzien in het woord buurt(t)schappen.
In haar afstudeerscriptie zet Lisanne Rietman op een overzichtelijke manier de belangrijkste landgebruikers in het duinlandschap op een rij en vat het ook steeds in kaartjes samen. Allereerst het (m.n.) vroegere landgebruik van het duin- en kustlandschap door boeren. Er waren historische spanningen tussen ‘polderboeren’ van buiten het eiland op door eigenaar Banck gestichte boerderijen (in de gelijknamige polder die hij aanlegde) en de veel kleinschaliger ‘dorpsboeren’ met enkele koeien aan huis. Nu is er een grotendeels plaatsgebonden veestapel op zes bedrijven; anderhalve eeuw terug waren er op west en op oost grazende kuddes, die in de ochtend naar graasgronden gingen en in de avond aan huis werden gemolken. Oude veldnamen van weggetjes als ‘ut Kupaid’ zijn tot op heden bekend. Jongvee gaat nog steeds naar de kwelder. It kupaid wordt vandaag de dag gewoon nog gebruikt. Het metalen rek/hekwerk is er nog, om de koeien te begeleiden richting de kwelder.
Tot de oudste en meest herkenbare sporen in het landschap horen volgens Lisanne Rietman de eendenkooien (begin 19e eeuw), waarvan nog een fraaie bij boerderij Talsma ligt. Een overzicht van nu nog aanwezige sporen is te vinden in bijgaande pdf.
Op de onderstaande kaart van Lisanne Rietman staan vijf soorten relicten van landgebruik: agrarische activiteiten, jacht, infrastructuur en nederzettingen, waterbeheer, ‘overig’.
via de onderstaande links zijn voor elk soort relict de kaarten te zien:
Relatief recente ingrepen inzake natuurbeheer (van na 1980) zijn niet meegenomen, wel belangrijke historische zaken zoals bosaanleg en ontwatering. Lisanne Rietman: “De huidige relicten die verband houden met agrarische activiteiten, hebben betrekking op restanten van oude duinakkers, dobbes d.w.z. drinkputten voor vee, veedriften, een schaapskooi en ontwateringsstructuren. De jachtcultuur op het eiland heeft relicten achtergelaten in de vorm van wildplassen voor wild, een eendenkooi en een restant van een eendenkooi, en de percelering van een wildakker. Tegenwoordig zijn nog verschillende paden zichtbaar die verwijzen naar het historisch landgebruik, ook zijn er nog restanten zichtbaar van de oude bunkerdorpen uit de Tweede Wereldoorlog: Batterij en het Schleidorp.” En: “De Stenen palen aan de westzijde van het eiland verwijzen naar het eigendomsrecht van de aanwas. Deze Stenen palen zijn kenmerkend voor de particuliere eigendomsgeschiedenis van het eiland.”

En uit haar scriptie: “Tot de jaren zestig van de vorige eeuw is het landschap op Schiermonnikoog sterk beïnvloed door de agrarisch-maritieme cultuur die op het eiland heerste. Door de toename van toeristische groei en erkenning van natuurwaarden, veranderde het eiland geleidelijk naar een ruraal/landelijk-recreatieve samenleving.” Van ‘zelfvoorzieningslandschap’ naar ‘belevingslandschap’. Van 100 gasten per jaar een eeuw terug naar meer dan 100.000.
Na een analyse van diverse vormen van landschapsgebruik en een waardering, komt Rietman met enkele conclusies. Haar doel is het zichtbaar maken van landschapskenmerken die recht doen aan de identiteit en het verhaal van het eiland. Ze trekt een lijn vanuit het extensieve gebruik in het verleden naar landschapsbeheer dat intensiever werd. Tegenwoordig wordt het nationaal park voornamelijk conform het ‘wildernisbeeld’ beheerd, landschappelijk beheer wordt zoveel mogelijk beperkt om de natuur zo veel mogelijk zijn gang te laten gaan. Gezien de geschiedenis van het eiland c.q. het oorspronkelijke intensieve gebruik van bepaalde gebieden zou ‘gebiedsgericht beheren van arcadische natuurbeelden’ volgens Rietman passender zijn.
“Het arcadisch natuurbeeld zou bijvoorbeeld kunnen worden nagestreefd in de binnenduinrand nabij het dorp en op de Binnenkwelder. Ter plekke van de binnenduinrand wordt al relatief veel beheer uitgevoerd. Door de focus in dit gebied meer naar een arcadisch natuurbeeld te richten, zal het landschap wat opener worden en zullen oude ontginningsstructuren zichtbaar worden. De Binnenkwelder zou door het relatief intensieve beheer in het verleden door maaien, ontwatering en begrazing, geschikt zijn voor een beheer naar een arcadisch natuurbeeld. Door intensiever landschapsbeheer worden relicten zichtbaarder, iets wat vanuit de historie gezien al past bij het intensievere karakter van deze binnenduinrand. Dit geldt ook voor de Binnenkwelder door het relatief intensieve beheer in het verleden door maaien, ontwatering en begrazing, én door de aanwezigheid van enkele relicten, is dit gebied ook geschikt om intensiever te beheren conform een arcadisch natuurbeeld. Op deze manier zullen oude ontwateringsstructuren zichtbaar worden in het landschap, kan het beheer worden gecombineerd met extensieve agrarische activiteiten etcetera.”
In het Zwanenwater, een Natura 2000-gebied in de kop van Noord-Holland, stapelen tientallen bestrijdingsmiddelen zich op. Dat concluderen milieuorganisaties Mobilisation for the Environment (MOB) en Stichting Advocaat van de Aarde in een rapport dat op 29 mei is aangeboden aan de Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) en Natuurmonumenten.
Het Zwanenwater – het grootste duinmeer van Europa en grootste natuurreservaat van de Noordkop – bestaat naast twee ondiepe zoetwaterplassen uit vochtige duinvalleien, natte graslanden, moerassen en wilgenbos. Het als Natura 2000 aangewezen gebied grenst aan het grootste bollenareaal van Nederland, dat bekend staat om een intensief gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Zodoende verdiepten de stichtingen, bekend van de broers Johan en Frans Vollenbroek, zich in waterkwaliteitsmetingen die HHNK tussen 2020 en 2024 uitvoerde. Conclusie: de duinmeren bevatten tientallen bestrijdingsmiddelen, waaronder insecticiden, herbiciden, fungiciden, biociden en PFAS-houdende middelen. Daaronder bevinden zich ook niet-toegelaten middelen, en stoffen die soms al sinds de jaren ’70 verboden zijn.
Het Zwanenwater wordt uitsluitend door regen- en kwelwater gevoed. Er wordt geen gebiedsvreemd water op aangevoerd, of op geloosd vanuit bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringen. Zodoende is “de enige verspreidingsroute die het grote aantal bestrijdingsmiddelen in dit water kan verklaren” verspreiding via de lucht, door drift, verdamping en verwaaiing van bodemdeeltjes, aldus de stichtingen.
Naast het feit dat sommige van de aangetroffen stoffen waterkwaliteitsnormen overschrijden, uiten de organisaties met name hun zorgen over het ‘cocktail’-effect dat de stoffen gezamenlijk kunnen hebben. De gelijktijdige aanwezigheid van herbiciden, fungiciden, insecticiden, biociden en afbraakproducten daarvan vergroot immers de kans op mengseltoxiciteit. Ondertussen maken de geïsoleerde ligging en lage doorstroming van het duinmeer dat de stoffen nauwelijks verdund worden en zich langzaam opstapelen.
Zodoende is het van belang, aldus het rapport, om te bepalen wat het gezamenlijke effect is van alle aangetroffen stoffen op het leven in en rond het water. Daarbij gaat het om zowel acute als chronische negatieve effecten die aquatische soorten kunnen ondervinden voor bijvoorbeeld overleving, groei en voorplanting; de zogeheten toxische druk.
Om een beeld te krijgen van het aandeel van bestrijdingsmiddelen in deze toxische druk, heeft MOB een inschatting gemaakt met een rekentool van zowel de Bestrijdingsmiddelen Atlas als het STOWA-programma Sleutelfactor Toxiciteit. Hierbij wordt de totale toxische druk ingeschat die mengsels van chemische stoffen – bestrijdingsmiddelen, maar ook andere stoffen zoals zware metalen, ammonium en PAKs – uitoefenen op het waterleven.
[artikel gaat verder onder de foto]
Uit de berekeningen die MOB deed volgt dat de ecotoxische druk in het Zwanenwater voornamelijk bepaald wordt door bestrijdingsmiddelen en PAKs. Terwijl ammonium, metalen en andere stoffen vrijwel uitsluitend in de klassen ‘geen’ of ‘geringe toxische druk’ vallen, laten bestrijdingsmiddelen meerdere resultaten zien in klasse ‘hoog’.
Een hoge toxische druk betekent dat het ecosysteem structureel onder druk staat: effecten kunnen zich ophopen en tot een verlies aan biodiversiteit of veranderingen in de soortensamenstelling leiden. Eerdere studies hebben aangetoond dat een hogere toxische druk van stoffenmengsels gepaard gaat met een daling van de ecologische toestand. Daarbij wordt opgemerkt dat de beoordeling van macrofauna in het Zwanenwater inderdaad gedaald is van ‘matig’ (2009, 2015) naar ‘ontoereikend’ (2021, 2024), in strijd met het verslechteringsverbod van de Kaderrichtlijn Water.
Overigens zijn deze berekeningen om velerlei redenen waarschijnlijk een “forse onderschatting” van de daadwerkelijke mengseltoxiciteit, stelt het rapport. Zo gaan de gehanteerde waterkwaliteitsnormen voor chronische blootstelling uit van lineaire dosis-effectrelaties, terwijl onderzoek erop wijst dat ecologische schade mogelijk juist exponentieel toeneemt bij langdurige chronische blootstelling.
Ook worden in voornoemde rekentools lang niet alle aanwezige stoffen meegenomen, zoals PFAS. Metingen van twee PFAS-stoffen, PFOA en PFOS, laten echter zien dat deze in significante hoeveelheden zijn aangetroffen in het Zwanenwater. Zo werd in 2022 een PFOA-gehalte van 110 nanogram per liter gemeten (ruim het dubbele van de oppervlaktewaternorm voor zoete wateren, 48 nanogram per liter), en in 2019 een PFOS-gehalte van 25 nanogram per liter (ruim 38 keer de norm van 0,65 nanogram per liter). Ook worden lang niet alle werkzame stoffen en afbraakproducten – zoals trifluorazijnzuur (TFA), een belangrijk afbraakproduct van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen – gemonitord in het Zwanenwater.
“Opmerkelijk is dat het waterschap ontzettend veel metingen doet, maar dat met deze gegevens weinig gedaan wordt”, concludeert het rapport. “Jaarlijks wordt in Nederland 80 tot 100 miljoen uitgegeven aan het monitoren van de waterkwaliteit, maar aan de gevonden meetwaarden worden weinig harde conclusies verbonden.”
“Het onderzoek wijst op een structureel bestuurlijk probleem”, schrijven MOB en Advocaat van de Aarde in een gezamenlijk bericht. “Het Ctgb beoordeelt toelatingen van middelen zonder rekening te houden met verspreiding naar nabijgelegen natuur of mengseltoxiciteit. Waterschappen meten en rapporteren, maar kunnen nauwelijks ingrijpen bij normoverschrijdingen. Provincies zijn verantwoordelijk voor Natura 2000, maar voeren vrijwel geen monitoring uit op bestrijdingsmiddelen.”
De veertien aanbevelingen die de stichtingen naar aanleiding van het onderzoek doen zijn dan ook op alle betrokken overheden gericht. Zo worden het waterschap en de provincie aangeraden om doelstellingen voor de Kaderrichtlijn Water te koppelen aan instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden, en wordt het Ctgb aangeraden de toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen zodanig aan te passen dat rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten. Ook wordt de provincie opgeroepen om de vergunningplicht voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen nabij Natura 2000-gebieden actief te handhaven.
“Het verrast mij hoe ongelooflijk veel schadelijke stoffen hier gevonden zijn”, liet hoogheemraad Jos Beemsterboer van HHNK alvast weten aan het Noordhollands Dagblad. “Dat vind ik echt verschrikkelijk en daar baal ik van. Waar komt dat vandaan? Is dat binnen een straal van 300 meter of hebben we het over twintig kilometer? Om in te kunnen grijpen, moeten we dat eerst uitzoeken.”
Natuurmonumenten, beheerder van het Zwanenwater, heeft aangekondigd stappen te zullen ondernemen “om de partijen in beweging te krijgen” indien de overheden geen passende maatregelen treffen. De natuurbeheerder ziet het onderzoek als “belangrijk en urgent signaal om de provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de Gemeente Schagen en gebruikers van bestrijdingsmiddelen erop te wijzen dat ze verantwoordelijkheid moeten nemen. (..) We zijn verbaasd dat de uitkomsten van dit soort metingen niet vanzelfsprekend tot actie leidt bij overheden.”
Daar verbaast ook MOB zich over. “Hoe kan het dat de overheid dit soort onderzoeken niet zelf doet? Waarom moeten het partijen van buiten zijn die deze problematiek aankaarten en zich verdiepen in die gegevens?”, aldus chemicus Jantine Leeflang (MOB), auteur van het rapport, gistermiddag in radioprogramma Noordkop Actueel. “Als het te lang duurt tot er actie ondernomen wordt, gaan wij handhavingsverzoeken de deur uit sturen.” Leeflang hoopt dat de overheden ‘voor de zomer’ met een inhoudelijke reactie op het rapport komen.
Het Zwanenwater is geen uitzondering, benadrukken MOB en Advocaat van de Aarde tot slot; eerder “het topje van de ijsberg”. Onderzoek van onder andere De Vlinderstichting en Vereniging Meten=Weten heeft immers laten zien dat bestrijdingsmiddelen zich tot tientallen kilometers kunnen verspreiden en diep in Natura 2000-gebieden doordringen.
Overigens besluit Leeflang haar rapport met de opmerking dat ze voor het tot stand komen van het onderzoek een aantal mensen had willen bedanken, maar de namen van deze mensen uit veiligheidsoverwegingen niet noemt. Vorig jaar werd een onderzoeker van de Vlinderstichting met de dood bedreigd na het publiceren van een rapport over pesticidemetingen in Natura 2000-gebieden. Ook andere natuurorganisaties in binnen- en buitenland hebben rondom dit thema regelmatig met bedreigingen te maken.
“De aanwezigheid van deze stoffen in het water, zeker in normoverschrijdende concentraties, vinden wij onwenselijk”, laat een woordvoerder van HHNK desgevraagd weten. “Het rapport laat zien dat Natura2000‑gebieden geen gesloten systemen zijn en dat invloeden uit de omgeving kunnen worden aangetroffen. Daar waren wij van op de hoogte, maar dit rapport onderstreept dat feit wederom. Wij bestuderen het rapport nader en gaan in overleg met de provincie over wat de mogelijkheden zijn.”
“Daarnaast nemen wij actief deel in gebiedsprocessen met stakeholders om een impuls te geven aan de waterkwaliteit, ondersteunen en ontwikkelen we diverse initiatieven en zijn we voortdurend in overleg met medeoverheden en de branche om tot een verbetering van de waterkwaliteit te komen.”
Het volledige rapport van MOB en Advocaat van de Aarde over het Zwanenwater kunt u hier downloaden

Panorama van het Zwanenwater, 2014. Foto MatsAlkmaar (licentie via Wikimedia Commons)
Gerard Oostermeijer
De groenknolorchis, een weinig opvallende maar bijzondere orchidee, komt vooral op de Waddeneilanden nog veel voor. Het is een merkwaardige pionierplant die het goed doet in vrij kalkrijke duinvalleien die zich steeds verjongen.
De groenknolorchis (Liparis loeselii), vroeger ook wel Sturmia genoemd, komt ook buiten de Wadden op verschillende plaatsen in Nederland nog in redelijke aantallen voor. In de ons omringende landen is hij echter zeer zeldzaam. Nederland draagt daarmee een grote verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van deze soort in Europa. De groenknolorchis is opgenomen in de Europese Habitatrichtlijn en heeft in ons land de hoogste beschermingsstatus. Dit artikel beschrijft het reilen zeilen van deze soort in relatie tot de dynamiek en het beheer van zijn leefgebieden.
De groenknolorchis komt voor in jonge duinvalleien en trilvenen. Het zijn vooral de vroege stadia in de vegetatieontwikkeling van duinvalleien en verlandende moerassen, waar vochtige, voedselarme en kalkrijke of basenrijke omstandigheden heersen. Andere bijzondere soorten van deze vegetaties zijn parnassia, knopbies, moeraskartelblad, moeraswespenorchis, vleeskleurige orchis, zomerbitterling en slanke gentiaan. Wanneer door natuurlijke processen uiteindelijk verzuring en verstruiking optreedt en de voedselrijkdom toeneemt, is de groenknolorchis één van de eerste soorten die verdwijnt.

Figuur 2. Enkele bloeiende exemplaren van de groenknolorchis in een loopduin (secundaire uitblazingsvallei). Noordvaarder, Terschelling.
In Nederland komt de groenknolorchis nog in flinke aantallen voor op de Waddeneilanden (tot meer dan 10000 ex zoals op Texel, 2013) en in Zeeland. In de vastelandsduinen is hij hier en daar te vinden waar door afplaggen een pioniermilieu is gecreëerd (zoals in het Zwanenwater) of in een door de mens aangelegde primaire duinvallei zoals het Kennemerstrand bij IJmuiden. De soort komt in laagveengebieden nog voor in de Nieuwkoopse en Ankeveense Plassen, De Wieden en de Weerribben, steeds op plaatsen waar relatief schoon en bovendien basenrijk (grond)water aanwezig is.
In tegenstelling tot vele begeleidende soorten uit het zelfde milieu en vegetatiestadium heeft de groenknolorchis een relatief simpele voortplantingsstrategie. De kleine, geelgroene bloempjes zijn niet bijzonder aantrekkelijk voor insecten, en bloembezoek is dan ook nog nooit waargenomen. De stuifmeelklompjes vallen vanzelf op de stempel, zodat zelfbestuiving spontaan optreedt (Figuur 3). Dat is tevens te zien aan de vruchtzetting: bijna alle bloemen vormen een vrucht, waarin de groenknolorchis afwijkt van bijvoorbeeld de vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata) uit dezelfde habitat. De laatstgenoemde leidt insecten om de tuin door net te doen alsof hij in de bloemspoor nectar produceert, maar die spoor is leeg. Daarmee is de vleeskleurige orchis afhankelijk van insectenbezoek, zodat lang niet alle bloemen bestoven worden en een vrucht vormen.

Figuur 3. Groenknolorchis, bloeiwijze. Let op het glimmende gele bolletje bovenin de bloem; dat is het stuifmeelklompje dat reeds spontaan op de stempel gevallen is.
Doordat zelfbestuiving – en daarmee inteelt – de regel is, is de genetische variatie in een populatie van groenknolorchis relatief laag. Inteelt, die bij allerlei plantensoorten als gevolg van kleine populatiegrootte optreedt, heeft waarschijnlijk ook geen nadelige effecten meer. De nakomelingen die zg. inteeltdepressie vertonen (een afname van kieming, groei of bloei door foutjes in het DNA die bij inteelt aan het licht komen) zijn door natuurlijke selectie allang uit de populaties verwijderd. Door de beperkte genetische diversiteit reageren alle individuen in een populatie wel min of meer hetzelfde op veranderende omstandigheden: als het droog is staan ze allemaal laag in de vallei, als het nat is staan ze allemaal in een gordel hoog tegen de duinhellingen. In die zin is de soort vergelijkbaar met de éénjarige slanke gentiaan, die ook een spontane zelfbestuiver is. De geringe genetische variatie zal ook invloed hebben op de levensduur van de populatie: wanneer het milieu ongeschikt is geworden leggen nagenoeg alle individuen in een kort tijdsbestek het loodje.

Figuur 4. Verband tussen de zuurgraad van de bodem (berekend uit de Ellenberg-indicatorgetallen voor zuurgraad van soorten in de omringende vegetatie) en de dichtheid van juvenielen van de groenknolorchis in natte duinvalleien. Het verband is statistisch significant (P=0,004): de zuurgraad verklaart 67% van de gevonden verschillen in juvenielendichtheid.
Populaties van de groenknolorchis leven gemiddeld inderdaad vrij kort. We analyseerden op grond van gegevens uit FlorBase (het bestand met inventarisatiegegevens van Floron) hoe lang de soort gemiddeld in een kilometerhok aanwezig was, en vonden dat in de meeste gevallen de levensduur van een populatie slechts tussen de 8 en 10 jaar bedroeg. Uit onderzoek van de populatie-opbouw bleek dat dit deels te maken heeft met het dichtgroeien van de vegetatie in een jonge primaire duinvallei, maar vooral met het snel zuurder worden van de bodem. Die verzuring gaat samen met de opbouw van een organische laag van afgestorven plantenresten. De dichtheid van juveniele plantjes (jonge planten met één blaadje en zonder bloemen) in een duinvalleipopulatie vertoonde een sterk positief verband met de pH (=zuurgraad) van de bodem: hoe zuurder, hoe minder verjonging (Figuur 4). Dit verband werd ook gevonden voor de totale dichtheid aan planten, maar niet voor de dichtheden van vegetatieve of reproductieve volwassen planten. Kortom: de juvenielen zijn gevoeliger voor veranderingen in het milieu dan de andere levensstadia. De gevoeligheid voor bodemverzuring betekent ook dat een beheerder weliswaar de vegetatieontwikkeling met behulp van maaien of begrazing kan afremmen, maar daarmee het verdwijnen van een pioniersoort als de groenknolorchis niet kan tegenhouden. Afplaggen werkt dan beter, omdat daardoor het kalkrijke zand (of – in laagveenterreinen – het basenrijke water) weer aan de oppervlakte komt. Door afplaggen wordt echter ook het maaiveld verlaagd, waardoor het milieu naast kalkrijker of basenrijker ook natter wordt. Uit waarnemingen van beheerders van o.m. de Inlaag Hoofdplaat (zuidoever Westerschelde), de Kreeftepolder (Texel) en de Schapenwei (Voorne’s Duin) blijkt dat de groenknolorchis daar vrij slecht tegen kan: in natte jaren werden steevast minder individuen waargenomen dan in drogere jaren.
De verdeling van genetische diversiteit over het landschap hangt af van de uitwisseling van genen via zaadverspreiding en verspreiding van stuifmeel. Zoals eerder gezegd is dat laatste bij groenknolorchis zeer beperkt, omdat er nagenoeg uitsluitend zelfbestuiving plaatsvindt. Daardoor vindt genenuitwisseling tussen de verschillende groeiplaatsen eigenlijk alleen door middel van zaadverspreiding plaats. Met behulp van AFLP-merkers (Amplified Fragment Length Polymorphism, een methode voor DNA-fingerprinting) hebben we dit proces voor de Waddeneilanden geprobeerd te reconstrueren. Uit het onderzoek bleek dat de populaties op grond van hun verzameling van individuele DNA-vingerafdrukken goed van elkaar te onderscheiden waren. Normaal gesproken is dit een aanwijzing voor beperkte verspreiding van zaad en stuifmeel, maar bij groenknolorchis moeten we ook rekening houden met de spontane zelfbestuiving van de soort. Theoretische modelstudies laten zien dat dit de verdeling van de genetische diversiteit sterk beïnvloedt. Toch werd er binnen de populaties nog relatief veel genetische variatie gevonden, hetgeen doet vermoeden dat ze vaak ontstaan zijn door kolonisatie van een ‘verse’ primaire duinvallei vanuit meerdere oudere populaties. Eén enkele zaadbron zou immers tot weinig variatie leiden, omdat de kolonisator nakomelingen produceert die door de zelfbestuiving allemaal zeer sterk op de moederplant lijken.

Figuur 5. Overzicht van de aantallen individuen van de groenknolorchis die op grond van hun DNA-vingerafdruk door de “toewijzingstest” aan een andere populatie dan die waar ze in voorkomen werden toegewezen. De lange pijlen betreffen verspreiding over lange afstanden, van het ene naar het andere eiland, de korte pijlen betreffen zaden die op hetzelfde eiland van de ene naar de andere populatie zijn verspreid.
De vingerafdruk-patronen in het landschap werden tevens gebruikt om de mogelijke herkomst van de individuen in recent gekoloniseerde populaties te herleiden. Dit gebeurde met zogeheten ‘toewijzingstesten’ (assignment tests). Hieruit bleek dat de meeste kolonisaties plaatsvonden vanuit nabijgelegen oudere populaties op hetzelfde eiland. Een beperkt deel van de planten was afkomstig van een ander eiland (Figuur 5). Zaadverspreiding kan dus incidenteel over zeer lange afstanden, tot wel 288 kilometer (de afstand hemelsbreed tussen Vlieland en Borkum), plaatsvinden. De vraag is of dit alleen via de wind gebeurt, of ook regelmatig via de laarzen of schoenen van duinvallei-onderzoekers… We moeten er overigens niet van uitgaan dat nieuwe duinvalleien altijd snel ‘gevonden’ zullen worden door de zaden van de groenknolorchis: in Cupido’s Polder op de Boschplaat van Terschelling bestaat al meer dan tien jaar geschikt habitat voor de soort, maar werden de eerste individuen pas enkele jaren geleden waargenomen.
Om de levensvatbaarheid van de groenknolorchis op de lange termijn te garanderen is het vanwege de hoge dynamiek en korte levensduur van individuele populaties noodzakelijk dat er regelmatig nieuw habitat ontstaat. In een netwerk van populaties (een zogenaamde ‘metapopulatie’) is het niet erg dat er populaties verdwijnen, zolang er maar voldoende nieuwe bijkomen door kolonisatie van nieuwe duinvalleien (of, in het binnenland, nieuwe verlandende petgaten). In duingebieden gebeurt dit laatste door de vorming van primaire duinvalleien, wat op de Waddeneilanden nog steeds veel voorkomt, zoals op de Noordsvaarder op Terschelling en De Hors op Texel. In de vastelandsduinen vindt echter geen primaire duinvalleivorming meer plaats. Met een dynamischer kustbeheer, waar gaten in de zeereep mogen ontstaan en overstromingsvlakten (‘washovers’) gevormd mogen worden, ontstaat wellicht ook in dit gebied nieuw habitat voor de groenknolorchis en zijn begeleiders. Ook het ontstaan van strandvlaktes zoals het Kennemerstrand (na verlenging van de Zuidpier bij IJmuiden) biedt goede perspectieven, maar we moeten ons wel realiseren dat dergelijke strandvlaktes relatief kort geschikt zijn voor de zeldzame soorten van de jongste ontwikkelingsstadia. Op kalkrijke bodem of in gebieden met kalkrijke kwel kan de geschiktheid met behulp van maaibeheer echter vrij lang gerekt worden, zoals bij IJmuiden ook fraai zichtbaar is. In laagveengebieden verdwijnt habitat van de groenknolorchis door het dichtgroeien, verdrogen en verzuren van trilvenen. Dit kan alleen worden tegengegaan door regelmatig nieuwe pet- of trekgaten te graven op locaties met een kansrijke aanvoer van basenrijk (kwel)water. Lokaal is ook succes geboekt door het eerder genoemde afplaggen van veenmosrietlanden, waardoor het bufferende water weer toe kan treden tot het wortelbereik en de verzuring afneemt.

Figuur 6. Resultaten van een simulatiemodel gebaseerd op de demografie en verspreiding van de huidige populaties van de groenknolorchis, en op de verwachte ontwikkeling van habitat op grond van natuurbeleids- en beheerplannen in enkele scenario’s. De grafiek laat het verschil zien in de aantalsontwikkeling van het gehele netwerk van populaties (de metapopulatie) tussen een scenario waarbij dezelfde oppervlakte nieuw habitat in één keer wordt gecreëerd, bijv. na een grote EU-subsidie, of in de vorm van het regelmatig realiseren van kleinere oppervlakten.
Bij het creëren van nieuw habitat voor pioniersoorten moet verstandig worden omgesprongen met subsidies. Uit ons metapopulatiemodel voor de groenknolorchis bleek bijvoorbeeld dat een scenario waarbij veel habitat ineens wordt gecreëerd (bijvoorbeeld na een grote EU-subsidie voor het graven van een grote oppervlakte aan petgaten) weliswaar tot een piek in de grootte van de het hele netwerk van populaties leidt, maar dat deze metapopulatie vervolgens instort als gevolg van het feit dat er overal tegelijk een tekort aan geschikt habitat optreedt (Figuur 6). Het is dus beter om het creëren van geschikt habitat in de tijd uit te spreiden, zodat de extincties en kolonisaties in de metapopulaties van allerlei soorten meer in balans zijn.
Dit verhaal kon alleen maar geschreven worden dankzij de inzet, kennis en hulp van een groot aantal mensen. Een viertal studenten van de Universiteit van Amsterdam deed onder begeleiding van Gerard Oostermeijer, Annemieke Kooijman en Patrick Meirmans hun afstudeeronderzoek aan de Groenknolorchis: Yorike Hartman (populatie-ecologie en metapopulatiemodel), Cathy Liu en Sascha van der Meer (populatiegenetica) en Annelies van der Craats (relaties bodem en vegetatie met leeftijd duinvalleien). Aan de Rijksuniversiteit Groningen deed Rohani Shahrudin haar promotieonderzoek aan (onder meer) de Groenknolorchis, onder begeleiding van Ab Grootjans, Annemieke Kooijman en Gerard Oostermeijer. Rohani verdedigt op 19 mei 2014 aan de RUG haar proefschrift, getiteld “Do we really need management to preserve pioneer stages in wet dune slacks?” Ook zijn we veel dank verschuldigd aan alle terreinbeheerders die hun kennis over de groenknolorchis en het beheer van duinvalleien en laagveengebieden met ons deelden en toestemming gaven om in hun terreinen te werken. Een deel van het onderzoek werd mogelijk gemaakt door een subsidie aan het OBN-deskundigenteam Duin- en Kustlandschap.
Rienk Slings
Red.: dit artikel is gebaseerd op het document ‘Landschapstype Zeedorpenlandschap’, opgesteld ten behoeve van duinbeheer door het PWN; aan het eind staat een link naar het artikel ‘Kalkgraslanden van de duinen’ dat de eerste auteur in 1994 publiceerde in het tijdschrift De Levende Natuur. Hierin gaat hij uitgebreid in op gebruik, bodem en de bijzondere vegetatie. In de onderstaand verhaal veel voorbeelden rond Wijk aan Zee. Het landschapstype is in meer of mindere mate aanwezig bij alle oude zeedorpen van Scheveningen tot en met Egmond aan Zee ) en kent ook varianten als ‘duindorpvegetatie’ zoals lokaal aan de binnenduinrand bij Heemskerk en Castricum (Papenberg).

Bloemenzee in het Vuurbaakduin met o.a. ossentong (wit en blauw), bitterkruid, bitterkruidbremraap, glad en geel walstro, grote ratelaars 6-7-2013 foto Rienk Slings. De toren op de achtergrond is het zgn. “hoogreservoir” een soort watertorentje op het duin.
In trefwoorden: er is sprake van een “ongeordende” geomorfologie; windkuilen; duinlandjes; bloemrijke graslanden; bijzondere fauna; struwelen.
In de duinen rondom de oude zeedorpen komt een afwijkend duinlandschap voor met bijzondere levensgemeenschappen van planten en dieren die men de naam ‘Zeedorpenlandschap’ heeft gegeven.
Het zeedorpenlandschap is ontstaan door zeer langdurige (ongeveer 1000 jaar), maar in de tijd en intensiteit afwisselend menselijk gebruik van het duin rondom de oude zeedorpen in de kalkrijke duinen, zoals Wijk aan Zee en Egmond. Soms waren er perioden van roofbouw (waarbij het duin zo intensief gebruikte dat het volop in verstuiving raakte), soms had men het duin niet nodig en gebruikte men het nauwelijks, de ‘pastorale’ fase. Dit hing vooral samen met het wel en wee van de kustvisserij, zoals tijdens de tachtigjarige oorlog (1568-1648) en in de 20e eeuw met de opkomende badcultuur. Het gebruik bestond uit begrazing, betreding, kappen van struiken, trekken van helm, winnen van duinplaggen, maar ook het boeten van netten (waardoor fosfaathoudend zeewier in het duin kwam), of zelfs het bewust bemesten van graslanden met zeeafval, zoals de soms massaal aanspoelende zeesterren. Vanaf ca 1850 vindt pas ontginning van duinvalleien tot duinlandjes plaats, soms tot kilometers diep in het duin. Door het eeuwenlange gebruik ging het oorspronkelijk aanwezige ‘Dauwbraamlandschap’ (het dominante zeewaarts gelegen landschapstype volgens de indeling van Henk Doing, die ook de term Zeedorpenlandschap bedacht, dat ontstaat als de kust afslaat en landinwaarts verstuift, het duin kalkrijk is waarin dauwbraam opvallend aanwezig is) over in het ‘Zeedorpenlandschap’. De menselijke invloed heeft zich bij tijden ver uitgestrekt: zo is de invloed van Wijk aan Zee tot in het huidige Nationale Park Zuid-Kennemerland terug te vinden (in de vorm van restanten van zeedorpenvegetaties en uitgestrekte duinrooshellingen, als teken dat hier vroeger zeedorpengraslanden waren). Maar doordat een groot deel ten noorden van Wijk aan Zee adellijk eigendom was, reikte de invloed hier niet veel verder dan tot aan de grens met Heemskerk. Ook van Egmond was het maximale invloedsgebied asymmetrisch, maar andersom: om de noord groter dan om de zuid, wat mogelijk samenhangt met andere bezitsverhoudingen rond Egmond vanaf de Middeleeuwen.

Bodemprofiel in het zeedorpenlandschap van Vuurbaakduin Wijk aan Zee met oorsilene schermhavikskruid; zichtbaar zijn slakkenhuisjes 6-7-2013 foto Rienk Slings

Chaotische morfologie van de duinen rond zeedorpen met o.a. lokaal oude en nieuwe stuifkuilen; foto Rienk Slings
In perioden met roofbouw ontstonden veel chaotische, maar relatief kleinschalige (d.w.z. kleiner dan 3 ha aaneengesloten) windkuilverstuivingen. Dicht bij het dorp, waar het gebruik altijd het intensiefst was, kwamen ook grote verstuivingen voor. Door de vele verstoringen ontstonden hier echter geen zuivere parabool- of kamduinvormen. Duinvormen zijn hier vaak chaotisch of simpeler gezegd: rommelig.
Aan de zuidwestkant van Wijk aan Zee probeerde men deze verstuivingen tegen te houden omdat het zand wegen, huizen, akkertjes en warmoezerijen bedreigde. Hierdoor is aan de loefzijde een onnatuurlijk hoog gelegen duingebied kon ontstaan, waarvan het Paasduin en de Klugte bij Wijk aan Zee duidelijke voorbeelden zijn. Getuige de aanwezigheid van, nu vastgelegde, heuse loopduinen in de nabijheid van de zeedorpen moeten er echter ook perioden met zeer grootschalige verstuivingen zijn geweest: zie bijvoorbeeld het in het noordoosten van Wijk aan Zee gelegen Kneuenduin, en het duin oostelijk van het Starrevlak.
In combinatie met betreding, (vee)begrazing, en mogelijk fosfaatrijke bemesting ontstond een bijzondere zowel relatief humusrijke als kalkrijke bodem, die een bijzondere vegetatie draagt.
In perioden met weinig gebruik leidt ontkalking door uitspoeling van kalk met de van nature zure regen al tot snelle successie van open duin naar laag struweel met o.a. liguster en duindoorn.
Typerende (processoorten) – zijn o.a. hondskruid, bitterkruidbremraap, silenesoorten (kegel-, nacht- en oorsilene), wondklaver, ratelaars, en de patrijs.
Ongewenst vanuit beheeroptiek is sterke nieuwvestiging of uitbreiding van wilde liguster en/of duindoorn. Vergrassing met duinriet, frans raaigras, basterdstrandkweek of zachte haver kan voorkomen.
Beheerstrategie in dit landschapstype is : patroonbeheer d.w.z.men streeft er naar om kenmerkende levensgemeeschappen te handhaven door zonodig te kappen, te begrazen of soms te maaien. Ook branden van struweel kan een waardevolle maatregel zijn, maar door de maatschappelijke weerstand hiertegen wordt dit weinig gedaan. Het beheer bestaat voornamelijk uit (seizoens)begrazing met zwaar vee; gebruik van duinlandjes op traditionele manier. Geleide betreding. Uitblijven van kleinschalige verstuivingen is zorgpunt, vanwege benodigde kalkinput om ontkalking tegen te gaan. Mogelijk is herintroductie van uitgestorven planten (akkeronkruiden) en dieren (bv veldparelmoervlinder) een optie.
Zonering
Omdat door begrazing vanuit de boerderijen en dorpen aan de binnenduinrand zeedorpenachtige begroeiingen zijn ontstaan, is het niet altijd eenvoudig om bepaalde terreindelen bij het zeedorpenlandschap, dan wel de binnenduingraslanden in te delen. Doordat in vroeger eeuwen de zeedorpeninvloed zich veel verder heeft uitgestrekt dan tegenwoordig, is het trekken van grenzen ook enigszins arbitrair.
Natuurwaarden zijn vooral gekoppeld aan de bloemrijke graslanden en daarvan afhankelijke insecten, alsmede aan de vele zandplekken. Bedreigde & karakteristieke vaatplanten (orchideeën) en insecten (o.a. nachtvlinders zoals de aan silenes gebonden nachtvlinders) komen hier voor.

Nachtsilene met nachtvlinder, het uiltje Dianthoecia albimacula. Bron: Artis Bibliotheek; tegenwoordig witvleksileneuil geheten.
Andere insecten zijn (recent) uitgestorven, zoals de veldparelmoervlinder bij Wijk aan Zee en het oorsilene-uiltje bij Egmond. Recreatieve waarden bestaan uit de beleving van rijke, weelderige natuur. Soms is het er gezellig druk en er zijn altijd hondenuitlaatrondjes. Duinen dichtbij de Zeedorpen worden veel gebruikt voor trimrondjes na het eten. Zeedorpenduinen behoren in Noord-Holland tot de drukst bezochte delen van de open duinen. Plaatselijk ook met opzet buiten de paden. Er zijn vele spelmogelijkheden. De cultuurhistorische waarde van nog actief gebruikte duinlandjes is groot. De aardkundige waarden zijn doorgaans sterk beïnvloed door eeuwenlang intensief gebruik. Vanwege de nabijheid van de zee zijn er geen hoge archeologische waarden te verwachten. Maar hierop zijn uitzonderingen, zoals bij Noordwijk waar de kust is verder afgeslagen dan bij Wijk aan Zee en nu in Romeinse tijd reeds bewoond binnenduin aan de zeereep kan grenzen.
Voor alle normale recreatieve gebruik is dit duin niet kwetsbaar, met uitzondering van de voortplantingsperiode van dieren. Betreding is, in gradiëntvorm, zelfs gewenst. Dit kan zowel door vee als door de mens. Voordeel van vee is de grote stuurbaarheid. Mensen laten zich door de beheerder veel moeilijker sturen. Beide vormen zijn echter gewenst omdat ze elkaar aanvullen.
Links
Achtergrond artikel:De Levende Natuur 95 (4) pag.120-130 (1994) De kalkgraslanden van de duinen door Q.L.Slings
Film: honden en hondskruid
Artikel over hondskruid
Historische beelden van Wijk aan Zee:
Jacob van Ruisdael ca 1665 (tekening)

Wijk aan Zee door J. van Ruisdael 1660-1670 Fondation Custodia, Collection Frits Lugt, Parijs; Penseel in grijs zwart krijt
Frans Beekman, 17 juni 2026
In 2025 en 2026 verschenen drie historische bijdragen over de binnenduinen van Den Haag in Haagwinde, een uitgave van de 100-jarige AVN.
Laan van Poot uit Haagwinde 03, november 2025, p. 6-7.
“De binnenduinrand langs de Laan van Poot heeft een bijzondere geschiedenis. De overgang van de Westduinen naar de lage binnenduinen is opvallend: het is een vrij steile helling. De duintoppen hier reiken tot ruim 20 meter boven zeeniveau en de Laan van Poot ligt op 2 à 3,5 meter boven NAP. Het uitgesleten Fuutpad met aan beide zijden hoog oplopend duin lijkt wel op een holle weg in Limburg. De binnenduinrand (vroeger voorduinen) heeft deels een menselijke achtergrond. “
Bosjes van Pex en omgeving uit Haagwinde 01, maart 2026, p. 4-5.
“De stadsuitbreiding was omstreeks 1920 gevorderd tot de Goudenregenstraat. Ten zuidwesten ervan lagen nog stukken oude binnenduinen. Op de overgang naar de weilanden langs de Haagse Beek lag de rij boerderijen. Voor de aanleg van de aangrenzende Bloemenbuurt werd ook weer zand afgegraven. Vanaf de Daal en Bergselaan (1923) leidt een trap 2,7 meter omlaag naar de Hyacinthweg. In dezelfde tijd begon de Plantsoenendienst met de aanleg van de Bosjes van Pex. “
Historie van de Haagse Beek uit Haagwinde 02, p. 4-5.
In het verhaal over de Haagse Beek komt het beeld naar voren van een waterloop die tweevoudig uniek is: de stroomrichting draaide om, ca 700 jaar geleden. Een ‘normale’ duinbeek loopt van het duin af west-oost, maar deze stroomt achter langs het duin, thans van zuid naar noord (Kijkduin-Hofvijver).
Rolf Roos, 16 juni 2026; update 21 juli
Met dank aan Mathijs Broere, Gerben van Geest, Gerard Lokker en Hein Nouwens
Tot nu toe zijn alleen duinen bij Scheveningen, Katwijk, Noordwijk, Zandvoort, Velsen, Wijk aan Zee, een hoekje van Castricum en Egmond aan Zee erkend als ‘zeedorpenlandschap‘. Na enige verkenningen van het duin bij Havenhoofd, Goedereede, door de Ouderenbond voor Natuurstudie (voor mensen tussen 23 en 123 jaar) denken sommigen daar heel anders over. Keken de onderzoekende randstedelingen wel ver genoeg om zich heen? Een reportage.
Het begint deze dag al goed: meteen aan ons beginpunt aan het Haveneind, het oude havenfront van Havenhoofd, zeehaven van Goedereede sinds 1641, stond voor onze neus een nieuwe plantensoort voor dit voormalige eiland: zilverkruiskruid. Gewoon bij de ingang van een duinpad. Het blijkt een variatie op een bekend thema: uit warme landen en/of verwilderd uit tuinen. Toch een leuk ding. Maar we hadden het niet helemaal goed – waarneming.nl waar we onze gegevens uploaden helpt ons uit de jongensdroom en meldt binnen 24 uur: “De foto’s laten een andere soort zien: Zilverkruiskruid x Jakobskruiskruid – Jacobaea x albescens (J. maritima x J. vulgaris).” Dank. Daar doen we (twee heren, goed voor 100 jaar natuurstudie) het ook mee.
[Op de hoogte blijven van natuuronderzoek rond Havenhoofd? Meld je hier aan voor appgroep ‘Natuurstudie havenhoofd‘]

Kaart van Gevers 1827 toont de ongeschonden kustduinen; naast de Lazaret zien we exact 4 huisjes bij Havenhoofd. In de naastgelegen ‘Gorzenpolder’ staan boompjes: hakhoutcultuur van waarschijnlijk wilgen die werden gebruikt als rijshout voor kustverdediging en beschoeiingen. Klik op kaart voor vergroting
Havenhoofd, Goedereede heeft als bos vermomde zeeduinen. We volgen een pad achter de zeereep dat dichtbegroeid is met bos (iepen, abelen, meidoorns) en klimop op de bodem. Meer iets voor een matig voedselrijk stadsbos dan een natuurlijk struweel
met vlier en af en toe een krom eikje, het gewone beeld van vlak bij zee. Hier werd de zeereep (en een deel van het gors) rond 1970 fors opgehoogd met (helaas) enigszins voedselrijk zand. Voedzamer dan gewoon duinzand. We volgen een door kinderen uitgelopen bospad, donker en zonder veel doorkijkjes, met af en toe een bouwsel als een halve wigwam en sporen van een illegaal vuurtje. Het wilde westen van Goeree. Ergens staat de stinkende lis midden in het bos. Er moeten ook bunkerresten te vinden zijn. Ik zou er als kind voor tekenen. We weten dat die opgehoogde zeereep verderop overgaat in de oorspronkelijke zeeduinen van de ‘Rooklaasduynen’ met, ter hoogte van ’t Plaatje, een ‘Quaade Hoek’, zwakke plek in de kustverdediging. Die duinen waren ooit de zeewaartse begrenzing van de Rooklaasplaat, ingepolderd in 1641. Toen ontstond ook, na aanleg van het kanaal naar Goedereede, het Havenhoofd met een Lazaret, een pesthuis; in de 18e eeuw stond er aan de overzijde van het kanaal in het gors een galg en vanaf de 19e eeuw was het Haveneind door vissers bevolkt, deels uitgeweken uit het voor vissersschepen moeilijk toegankelijke Goedereede. De tijd van de zeilboten eindigde ruim een eeuw geleden en in de oorlog werd Havenhoofd gesloopt en daarna weer herbouwd. Het lag net hoog genoeg om in 1953 niet te worden overspoeld. Daarna kwamen Deltawerken, de havens van Stellendam, de ophoging van de zeereep, toen werd Havenhoofd onthoofd en beroofd van haar ingang naar de zee. Huizen met uitzicht op zee en op de koeien op het gors verdween (zie verder beweiding Kwade Hoek). Maar wat deed de natuur?
We speuren naar resten van oorspronkelijke duinen. Voorbij wat hoge, grauwe abelen en veel rode kamperfoelie stuiten we op een bosje zeegroene zegge. Een voorbode. Ineens staan we in een omsloten, grasrijk duin met hoge hellingen bedekt met duinsterretjes en zanddoddegras. Kalkrijke duinen. Een rommelig duin, door aanwonenden belopen en daardoor deels open maar niettemin met veel opslag van wilg en ratelpopulier. We zien meteen duinsoorten als sint-janskruid en kraailook. En daar is ook een van de weinige soorten die al voor de oorlog in 1920 door Theodorus Weevers van hier werd gemeld: de kleine ruit. Voor de open duinen van Havenhoofd een kenmerkende soort, want hij staat ook bij het enige open (gemaaide) stukje een paar honderd meter westwaarts, waar de laatste jaren ook kegelsilene en walstrobremraap zijn aangetroffen, maar ondanks maaiwerk vergassing domineert. Andere ‘zeedorpensoort’ blauwe bremraap is soms op de Nieuwendijk (weinig) en langs Meester Snijderweg (veel bij 1 lantaarn)ten oosten van Havenhoofd te vinden, niet in het duin zelf.
We noteren leuke soorten van duingraslanden: beetje liggende klaver, zachte haver (veel), duinfakkelgras, de gewone en ook wat veelbloemige veldbies. Een enkel exemplaar van gewone vleugeltjesbloem duikt op, muizenoor, schermhavikskruid en gele morgenster. In jongere open stukjes ook wat buntgras maar vooral veel mosrijke stukken met kandelaartjes. Gerard Lokker determineert duinreigersbek en gewone reigersbek, de kleverige vinden we niet. Ook geen zwenkdravik, die we vanaf Voorne veel in het kalkrijke duin treffen op net tot rust gekomen stuifzand, hier alleen ijle dravik. In de jongste delen met veel duinsterretjes of open zand staan tussen het zanddoddegras ook honderden kegelsilenes.
In dit pioniermilieu hebben ook nachtsilenes en kleine ruit een optimum. De zeer rijk bloeiende pollen van nachtsilene is een van de vijf Rode Lijstsoorten die we treffen. Ja, staat ook mooi op de nabijgelegen Nieuwendijk, maar hier veel koninklijker.

Zuidhelling met kruisdistels en nachtsilenes op de achtergrond struwelen, duingraslandjes en huizen van Havenhoofd.
Ik loop hier met de werkhypothese in mijn hoofd dat dit stuk duin bij het vissersdorp een ‘zeedorpenlandschap’ is: meestal eeuwenlang beweid met wat vee en gebruikt door aanwonenden. Bekend en beschreven van Scheveningen tot Egmond aan Zee als bloemrijk duingrasland met veel silenesoorten (kegelsilene, oorsilene, nachtsilene) en duinfakkelgras. Een deel van de kenmerkende bloemenrijkdom missen we hier (b.v. geen kleine ratelaars, geen bitterkruid) of staat alleen iets verderop in deze duinenrij een kenmerkende soort als wondklaver, maar we hebben drie extra’s: gewone kruisdistel (nergens in het zeedorpenlandschap van Scheveningen tot Egmond, maar hier in de deltaduinen wel), de eerder genoemde kleine ruit, en als we een helling afdalen blijkt een dalletje goed voorzien van grondwater (dus ook nog vochtig in de zomer) en belanden we in een uniek duinvalleitje. Naast de ‘normale’ soorten als koninginnekruid, zomprus, zeegroene zegge en ruw walstro staat er veel rode klaver en ongekend veel gewone vleugeltjesbloem. En, nog nooit door ons in een duinvallei gezien: klavervreters, parasitair op rode klaver. Heel brutaal ook midden op een pad. Rietorchis completeert het moerassige boeket, net als enig riet. Een ‘zeedorpenduinvalleitje’, niet bekend uit enig ander zeedorp, want daaromheen werd, zoals bij Egmond elke vallei meteen omgezet in aardappelakkertje. Hein Nouwens uit Havenhoofd attendeerde ons er op dan de ‘rietorchis’, althans op in 2025 hier verzameld materiaal, de kruising tussen bosorchis en vleeskleurige orchis kan zijn. Zie foto.
Het gebied heeft vrij veel open zand volop harkwespen en andere gravende insecten, en ook smal vlieszaad en wat ruigtesoorten als vlasbekje, bijvoet en bleke klaprozen groeien hier. Een helling waar we een oudere humuslaag vermoeden staat vol schapenzuring. Enkele stukjes zijn wat graziger en minder een zand- en mosrijkpioniermilieu en daar treffen we bv. kruipend stalkruid en dauwbraam. We vonden in dit gebied ook walstrobremraap, parasitair op het vele geel walstro, dat hier groeit. Van grote betekenis is ook het voorkomen van beemdkroon (in particulier perceel buiten het Natura2000 gebied maar wel in de zeeduinen van Havenhoofd) en net buiten ons werkgebied is ook blauwe bremraap bekend, een ‘zeedorpensoort’.
Conclusie: door rommeligheid en gebruik (veel belopen door autochtonen, honden) en het beheer en is de flora te beschouwen een zeedorpenlandschap, al zullen scherpslijpers zeggen dat we een aantal kenmerkende soorten en de duinakkertjes (die lagen wel in ruim bemeten voortuinen van de vissershuisjes) missen. Op een kaart van rond 1850 staat welgeteld 1 akkertje in het duin. We speuren voort. Er was hier zeker ook langdurig beweiding met koeien waarbij het gors en het duin geen grenzen kenden. Ook konijnen, hier volksvoedsel in de jaren ’50, ontbreken tegenwoordig geheel. En wanneer stond hier nog een geit aan een touw die de boel af en toe kort afvreet? Eigenaar en beheerder Natuurmonumenten heeft rond 2014 enkele hectares zeeduin open gemaakt, zowel achter Havenhoofd en aan de Stellingweg net ten westen van Havenhoofd. Veel bomen en struiken zijn verwijderd en zo is het half open landschap deels teruggekeerd. Sindsdien bestaat het vervolgbeheer uit het periodiek maaien/afvoeren en het verwijderen van exoten (met name mahonie – waardoor er tijdelijk veel kaal zand is) en verwijderen van populieren/abelenopslag, eens in de 2-3 jaar. Resultaten in het duin gelegen achter de Breenstraat duin zijn prima maar het open duintje (het ‘Duintje van Ruud’) in het begin van de Stellingweg (met een fijn uitzichtbankje) is landschappelijk fraai, er zingt af en toe een boomleeuwerik, maar qua flora & vlinders is de opbrengst mager. Gras blijft hier domineren ondanks de vele ingrepen, al houdt de kenmerkende kleine ruit ook hier al een eeuw stand. Of de goede resultaten in het centrale deel mede komen door de extra dynamiek door wat bezoekers en/of door de betere kwaliteit van de bodem (oorspronkelijk duin) verdient aandacht. Duidelijk is dat indammen van het oprukkend bos en opslag van struiken hier loont. En dynamiek in een dynamisch milieu kan geen kwaad als er ook weer decennia van rust volgen. Onderzoek naar het openen van de zeereep ten koste van struweel op veel meer plekken zou de aandacht van de beheerder mogen hebben.
Soortenlijst Zeeduinen Havenhoofd (tm juni 2026). Alleen waarnemingen van plantenwerkgroep NLGO zijn opgenomen. Totaal bijna 80 soorten waaronder 8 soorten van de rode lijst. Veel algemene soorten zijn nog niet ingevoerd. Aanvullingen juli: hop, walstrobremraap

Luchtfoto (winterbeeld). Veel bebossing maar ook nog open duin. Bron pdok. Klik op beeld voor online versie
Rolf Roos, 11 juni 2026
Een zeer solide landhuis vormt het hart van landgoed Olaertsduyn. Het lijkt voor de eeuwigheid gebouwd door de man die ooit het hele Voornse duin bezat, de Rotterdamse reder William Smith. Zowel landhuis als landgoed zijn rijksmonument. Het is van cultuurhistorisch belang als voorbeeld van een ‘jonge’ buitenplaats uit de vroege 20e eeuw en herbergt bijzondere bomen en bosflora. (Duinen en mensen Voorne, 2023)
Juni 2026, bericht in het Westvoorns weekblad: de gemeente Voorne aan Zee besluit het Landgoed Olaertsduyn aan te kopen. Een verstandig besluit, gezien de waarde en de publieke functie die het in het verleden (o.a. als Volkshogeschool) heeft vervuld. Hoe het zal worden gebruikt en beheerd is nu een open vraag. We geven hier enige achtergronden en mocht de gemeente advies wensen: vanuit Kenniscentrum Duinen zijn we daar zeker toe bereid.
Ons volledige verhaal over Olaertsduyn uit ‘Duinen en mensen Voorne’ (2023) vindt u hier als pdf. We voegen terugkijkend op dit stuk anno 2026 enige nuances toe. Achterhaald zijn o.a. de genoemde plannen voor een ‘Ecoresort’ en een voorgenomen rondwandelpad met openstelling stierf een vroegtijdige dood. Destijds maakten we het verhaal in ons boek in goede samenwerking met de vorige eigenaar, Meindert van Buuren, zoals ik dat ook deed met enkele andere landgoederen op Voorne. Hete hangijzers als het door velen betreurde hoge hek heb ik toen laten rusten. Ik had ook enig begrip voor het gegeven dat ruiters gewoon dwars door het gebied konden gaan; paarden zijn lokaal een plaag geworden, zoals o.a. de megalomane manege in het voormalige (middeleeuwse) Berkenrijs wel laat zien. Gemeenten en terreinbeheerders zoals ook het Zuid-Hollands Landschap hoeven echt niet alle ‘beleving’ te faciliteren. De qua natuur en landschap tamelijk futloze gemeente Westvoorne (thans Voorne aan Zee) had wellicht meteen en krachtig moeten handhaven, dan had de binnenduinrand meer van haar luister behouden. Daarom nu wel hulde voor de aankoop door de nieuwe gemeente Voorne aan Zee!
Olaertsduyn is qua architectuur en tuinaanleg absoluut de top. De twee reuzenmammoetbomen, de wachters achter het huis, zullen de komende eeuw de skyline van Voorne bepalen, maar dan in gunstige zin. De natuur ter plekke is fraai en behorend bij hoog
opgaand bos, maar op andere landgoederen is deze soms beter beheerd en rijker. Van de voorjaarsflora vallen hier alleen de slanke sleutelbloemen op. Verwildering met exoten dreigt. Natuurherstel is nog goed mogelijk, ook in de kleine graslanden achter het landhuis. Een rijkdom als in de Waranda (graslanden van oude eendekooi) moet hier mogelijk zijn, maar alles valt of staat bij goede inrichting en aansluitend ook goed beheer, in lijn met de cultuurhistorie van dit rijksmonument.
Voor verklaring van de naam ‘Olaertsduyn’ verwijzen we naar artikel van Nol Freijsen (2021) Oude veldnamen in de Voorne duinen (1): Olaertsduin, Windgat en Opdam.
Ruzie over overdracht sleept zich voort: zie AD 19 juni 2026
https://www.ad.nl/voorne-aan-zee/ruzie-over-landgoed-in-rockanje-sleept-zich-voort-na-de-verkoop-mogen-we-ontruimen~ad9224a3/
Eerdere artikelen uit het Algemeen Dagblad:
Rolf Roos, 24 juli 2026
Met dank aan Herwin van den Engel en Jan Both
Lezers attenderen ons regelmatig op locaties van galgen in het Nederlandse kustlandschap, wat we opnemen in ons landelijke overzicht van galgen in duinen en kwelders op deze site. Dankzij speurwerk van Herwin van den Engel, die in het Nationaal Archief relevante kaarten uit 1753 en 1780 aantrof, en aanvullingen van Jan Both van het Regionaal Historisch Centrum Voorne-Putten Goeree-Overflakkee (Middelharnis/Brielle), hebben we nu ook een wat completer beeld gekregen van galgen op Goeree, nabij de oude stad Goedereede. Omdat die galgen van Goedereede verplaatst werden naarmate het landschap zich verder ontwikkelde (er werd steeds opnieuw buitendijks land bedijkt), kunnen we spreken van ‘zwalkende galgen’. Voor twee van de beschreven galgen zoeken we naar aanvullend bewijs. Een blik op het landschap, maar dan vanaf de galg.

Oude bermsteen met veldnaam: levend erfgoed van Goeree-Overflakkee. Onderzoek toonde aan de dat bermsteen, ook naamkei genaamd, uit de ’80-iger jaren van de vorige eeuw dateert.
Executie door ophanging mag dan in 1795 formeel worden beëindigd, op oude kaarten is in ons land nog een veelheid aan ‘geregten’ (executieplaatsen), galgen en raderen te vinden. Sommige veldnamen als Galgenduin (Egmond) en Galgenbos (Goeree) zijn nog steeds in gebruik. Tot de Franse Revolutie dienden ‘geregten’ maandenlang tot publiek vertoon. De lijken bleven ter afschrikking hangen op goed zichtbare plekken, vaak aan de noordzijde van een stad (een Germaans gebruik dat hier resoneert, volgens een andere. meer nuchtere verklaring, koos men de noodkant omdat de voorheen overheersende zuidwestelijke winden de stank konden verjagen). Vergelijk het met de locatie van de rioolzuivering, de RWZI, ten noorden van Goedereede. Ook kenmerkend: bijna altijd lag een galg aan een gemeentegrens. Vooral langs de vastelandskust werden hoge duinen gebruikt, maar op Goeree werd buitendijks land gebruikt, gorzen, hoewel we een duinlocatie niet geheel uitsluiten.
Onze bronnen zijn bijna alleen oude kaarten en we houden ons zeer aanbevolen voor schriftelijke bronnen die verwijzen naar gebruik van de locaties van genoemde galgen. Ook verwelkomen we kaarten en/of teksten die bewijs kunnen leveren voor de volgende vooralsnog hypothetische galgen: in de Rooklaasduinen (thans Havenhoofd ter hoogte van Stellingweg/Breenstraat) en nabij de locatie ‘hoek huidige Visserdijk/vroegere Nieuwe Westerloose Galgeweg’ (waar boerderij Westerloo aan ligt).
Welke vier plekken bij Goedereede hebben we nu in beeld? Vooraf enkele poldernamen en dateringen. Rond 1550 lag Goedereede nog open aan zee, schepen lagen er voor anker. Ten noordwesten van Goedereede lag Polder de Oude Oostdijk (uit ca 1150), waarvan de oostelijke dijk, die deels uit duinen bestond, nu al weer eeuwen Helmdijk heet. Aan het begin van deze Helmdijk, aan de zeezijde, verrees in de 16e eeuw of eerder een galg op een gorsje (kwelder) van de Rooklaasplaat. Een eeuw later (rond 1641) werd deze Rooklaasplaat ingepolderd en ook werd het Havenkanaal aangelegd (Goedereede-Havenhoofd). Een nieuwe weg dwars door de nieuwe Rooklaaspolder kreeg een heldere naam: De Plaatse Galge wegh. Zie detail van de kaart uit 1698. Die Galge wegh liep van de oude locatie van de galg naar de toenmalige zeeduinen. Op dezelfde kaart uit 1698 staat nog een tweede Galg Weg: de Nieuwe Westerloose Galg Weg, genoemd naar polder Nieuw Westeloo. Daar situeren we mogelijk ook een galg. De Rooklaasduinen (ook wel Plaatse duynen) waren waarschijnlijk laag en boden onvoldoende bescherming. Dit leidde na stormvloeden in 1682 en 1715 tot de aanleg in 1727 van een beschermende inlaagdijk, de huidige Nieuwendijk. De strook tussen deze dijk en de Rooklaasduinen werd begin 19e eeuw de huidige Bokkepolder.

Kaart Goeree uit Nationaal Archief met onbedijkte Rooklaasplaat, Jacob van Deventer, ca 1550. Klik op beeld vooruitvergroting. Galg 1. Zoek de galg, rechtsboven op het groene gorsje.

Detail met galg en rad op gorsje (buitendijks begroeid land) op kaart ca 1550 net naast de overgang tussen de (nog steeds bestaande) Hoofddijk en Helmdijk
De locatie van Galg 1 in het onbedijkte land aan zee is te zien op de kaart van ca 1550 van Jacob van Deventer: een gors aan de rand van de latere Rooklaaspolder waar de Hoofddijk overgaat in de Helmdijk. Hier lag tot de inpoldering in 1641 een landschap van gorzen en (zandige) slikken. Gebruik van de galg wordt vermeld door kroniekschrijver van Dam (17e eeuw) in 1586 i.v.m. drie vermeende ‘heksen’ waarvan er eentje pas na ter aarde bestelling weer naar de galg is verplaatst, d.w.z. opgegraven en weer publiek vertoond). (de andere werden eerst levend verbrand). Na de inpoldering van de de Rooklaasplaat in 1641 werd Galg 1 niet lang meer gebruikt. Bij grondbewerking zijn ooit beenderen gevonden, zo meldt althans F. den Eerzamen in zijn kroniek ‘Het eiland over Goeree’ uit 1966. Het land werd ontgonnen voor o.a. teelt van graan. Wel werd het perceel van de galg beplant (zie kaart 1698). Later heet deze plek Galgenbos. Op topografische kaarten tussen ca. 1880 en 1993 ontbreekt hier het bos. De ouderdom van het woord Galgenbos (genoemd in het boek Veldnamen en boerderijen, 2003) is onduidelijk.

1733 ‘De inlaag van het jaar 1727’ (thans de Nieuwendijk) ligt er ter bescherming van de dunne duinenrij van de Quaaden Hoek. De oudere galgeweg liep toen nog door in de latere Bokkepolder maar is, waarschijnlijk na 1805 toen de polder werd opgericht, vervallen.
Van 1780 weten we zeker dat er een galg ten oosten van Havenhoofd stond (we noemen hem hier Galg 3). Maar wat gebeurde er tussen 1641 en 1780? Was er een galg in de zeeduinen aan het einde van de galgeweg? Vlak na 1641 werd een Galgeweg aangelegd, en deze ligt er nog steeds en liep, getuige de kaart van Cruquius uit 1733, in ieder geval tot 1733 ook door tot tegen de Rooklaasduynen (thans de zeeduinen bij Havenhoofd). Een galg (Galg 2?) aan het einde van deze weg op een hoog duin, net ten westen van Havenhoofd is speculatief zolang er geen aanvullend bewijs is. De zeeduinen, gelegen voor wat later de Kwade Hoek is gaan heten, werden in de jaren tot ca 1720 steeds smaller; mogelijk was een galg op die locatie al begin 18e eeuw niet meer te handhaven.
Uit 1780 is een kaartbeeld bekend met een aanduiding van een galg – Galg 3 – bij Havenhoofd in de Gorzen van de Scharrezee aan de rand van het Haringvliet, de huidige Schadeleepolder.
Over een mogelijke Galg 4? in of bij de Westerloose Polder: meest voor de hand liggend is een locatie aan het havenkanaal, voor de zichtbaarheid en de afschrikwekkende werking. Midden in de polder, eventueel nabij de (grote) boerderij Stadswijk is onwaarschijnlijk. De hoek van de huidige Visserdijk en de Nieuwe Westerloose Galgeweg, dichtbij de Nieuwe Westerloose Sluis, zie de kaart uit 1698, lijkt de meest logische plek.
Zowel op de kaart van 1698 als op een kaart uit 1753 van de gebroeders Hattinga staat een ‘Galg Weg’. In 1698 heet deze weg de ‘Nieuw Westerloose Galg Weg’, hij loopt van de ‘Nieuwe Westerloose Sluys’ in het Havenkanaal naar boerderij ‘Stadwijck’ (aan de rand van de toenmalige zeedijk). In 1753 is deze weg (verkeerd) benoemd als de ‘Waterloose Galg Weg’. De hypothese is dat er aan het begin van deze weg een galg heeft gestaan. Deze weg bestaat nog maar is in tweeën geknipt door de Trambaan en later de Damweg/N57. De locatie Stadwijck bestaat ook nog steeds, evenals de magnifieke en zeer grote Stelleput (buitendijkse vluchtplaats voor vee incl. drenkplek).
We zijn nu gekomen tot vier locaties waarvan er slechts twee zeker zijn. Wie kan ons verder helpen? We hebben o.a. de volgende vragen.
Reacties zijn van harte welkom, graag onder dit bericht of naar info[at]duinenenmensen.nl
Rolf Roos
7 juni 2019, update 1 juni 2026
Ratelaars staan in bermen, de duinen en in laat gemaaide hooilanden. De naam ‘ratelaar’ is goed getroffen en komt van de rammelende, roodbruin gekleurde zaaddozen in de nazomer. Ze zaaien zich makkelijk uit. Het zijn halfparasieten (met bladgroen) die ondergronds grassen aftappen en zo de grasgroei onderdrukken. Heel geschikt voor natuurlijke graslanden waar hierdoor juist meer variatie aan bloemen kan komen. In gewoon boerenland tref je ze niet want ze kunnen niet tegen veel mest. Vroeg (voor half juli) maaien is ook funest.Op Goeree staan wel drie soorten ratelaars. Het meest voorkomend is de grote ratelaar, terwijl de zeldzame kleine ook in de duinen te vinden is. Echt bijzonder is het recente voorkomen van de harige ratelaar. Hoe herken je die? Alle ratelaars hebben een gele bloem met een paars of wit vlekje er op. Er onder zit een enigszins opgezwollen kelk. Die kelk is kaal, licht of donkergroen bij de grote of kleine ratelaar maar wollig-donzig bij de harige soort. De harige is zo erg aaibaar. Harige ratelaars komen vrijwel alleen in het kalkrijke Zuid-Limburg voor maar zijn ook gevonden in de Kwade Hoek en omgeving. Soms simpel langs het pad. Waarschijnlijk met maaimachines hier heen gekomen. Maar wanneer en door wie? Ecologisch heel boeiend want de reden dat de soort niet aan de kalkrijke kust voorkwam heeft waarschijnlijk gelegen aan de grote afstand naar Limburgse kalkgraslanden. Met het vele transport vervagen alle grenzen.
En hoe zal de soort zich verder gedragen op Goeree? Kwade Hoek is als jong duin aan de noordoostzijde dicht bij de monding van het kalkrijke Haringvliet ook kalkrijk. De Oostduinen zijn dat al minder en daar staat de soort in 2019 (nog) niet maar opduiken langs de kalkhoudende Nieuwendijk bij de Bokkenpolder (zie foto hieronder) is geen toeval.
In de relatief kalkarme Middelduinen en Westduinen is de harige ratelaar niet zo snel te verwachten. Maar in de jongere delen richting Brouwersdam ligt volop geschikt biotoop. We volgen de soort de komende jaren. Kijk (ook online op je mobiel) op bijgaande kaart voor enkele vindplaatsen).
Maar eerst het spoor terug: waar komt de soort vandaan en waar is deze het eerst opgedoken (dat heeft met elkaar te maken); zie de aanvullende reacties onderaan dit bericht. Hoe we via Adri en Gerwin toch weer bij Krijn terecht kwamen…
1 juli Ik had Adrie van Heerden aan de lijn, een uitstekend veldonderzoeker die ook na zijn pensioen nog onderzoek doet. Hij dacht dat de harige ratelaar door een fout in de zaadselectie bij de leverancier is geleverd aan Natuurmonumenten die het rond 2014 gebruikte om in nieuwe terreinen ratelaars in te zaaien om de te verwachten grasgroei te onderdrukken. In herstelde natuurterreinen (zoals opgeschoonde duinstruwelen) wil gras nog wel eens flink opduiken en vooral als dat duinriet is wil men problemen voor zijn. Kortom, naar zijn idee had Natuurmonumenten een verkeerde leverancier. Inzaaien met vreemde mengsels is overigens schering en inslag. De meeste margrieten die we zien zijn Franse margrieten en zelfs wondklavers die van nature in ons land alleen liggend zijn komen nu in allerlei oprijzende vormen voor. De grote verrommeling van natuurgebieden was al ingezet door de vloed van exoten en wordt bevorderd door welwillend inzaaien met verkeerde plantjes…Wel meer biodiversiteit, dat wel, maar echt enthousiast worden we toch niet. Of zat de vork anders in de steel?
9 juli Gerwin Geertse van Natuurmonumenten heeft harige ratelaars herkomst op Goeree nageplozen en mailt ons: ‘ De eerste waarneming die bij ons bekend is dateert van 2005 (1 groeiplaats). Tussen 2011 en 2017 is het aantal groeiplaatsen en aantal planten in het gebied toegenomen (op basis van twee SNL karteringen). De herkomst is bij ons onbekend. Bij de “open duin projecten” op Goeree die afgelopen jaren zijn uitgevoerd, is echter niets ingezaaid dus dat kan niet de reden zijn dat de plant er staat. Over hoe de plant in het verleden hier terecht is gekomen (via natuurlijke of onnatuurlijke weg) kunnen we echter niets zeggen. Het verhaal van de fout in de zaadselectie in Natuurmonumenten terreinen ken ik wel uit West-Brabant, waarbij volgens mij hierdoor ook harige ratelaar in een terrein is gekomen.”
We weten dus nu vanaf wanneer (2005) alleen nog niet hoe materiaal (mogelijk uit West-Brabant?) hier is terecht gekomen blijft de vraag.
Wat was de allereerste plek precies? Bij een entree, een werkschuur oid of midden in het terrein? Ik mail wederom Gerwin: “Krijn Tanis meldde me vroege waarneming in bunkervallei. Is dat ook jullie eerste plek?? Daar bivakkeerden vroeger ook onderzoekers toch? Dan zijn er twee introductiehypotheses: of mee met onderzoekers die ook veel elders komen of ingezaaid door maaimachines die ook elders werkten….”
11 juli Gerwin Geertse stuurt me fraai kaartje uit de database Natuurmonumenten van de exacte plek op Bunkervallei waar in 2005 275 exemplaren werden geteld. Krijn Tanis had gelijk! Hij meldde ons dat de eerste ’10 jaar geleden’ uit de Bunkervallei bekend waren. Het was dus 14 jaar, maar een kniesoor die daar op let.
Bij een getal van 275 planten was 2005 ook niet het jaar van vestiging maar minimaal 1-2 jaren eerder. Hoe kwamen ze nu? De twee hypotheses (mee gelift met onderzoekers of meegelift met maaimachines) zijn het meest plausibel en blijven voorlopig leidend bij verder botanisch recherche-werk.
Meer vindplaatsen? Weet je vanaf wanneer? Bericht het ons door een reactie onder dit bericht te plaatsen.

Gerard Lokker, een uitstekend florist van Goeree, bij door hem aangetroffen harige ratelaars in bloemrijke dijk, juni 2019.

De zusters Brouwer. Links Marieke die grote ratelaar aanwijst; rechts Anneke met in linker hand een harige ratelaar, die fijn donzig aanvoelt.

Topfotograaf Nico van Kappel op safari. Bijschrift: Harige ratelaar schrikt van kale man. Foto Coen Blom.
Op de route door de Kwade Hoek hieronder staat globaal waar ratelaars samen en gescheiden voorkomen. De kleine ratelaar staat duidelijk meer aan de net zoete bovenrand van de (voormalige) strandvlakte, terwijl de harige domineert op de aangegeven route. In juni 2019 werd bij onderzoek in Oostduinen (aan de overzijde van Middenduinpad) overigens geen enkele harige is aangetroffen, wel veel grote, de kleine ratelaar en de kleverige ogentroost. En mogelijk een hybride tussen de kleverige ogentroost en de grote ratelaar (zie foto).

Grote ratelaar of kruising van grote ratelaar met de kleverige ogentroost?
Langs paden, in valleien en aan de rand van de kwelder: overal duiken ratelaars op. Op de Kwade Hoek is de kleine (een rode lijst soort) en de grote ratelaar te vinden, maar ook de harige, die geimporteerd is met maaimachines, waarschijnlijk vanuit Brabant. Oorspronkelijk uit Zuid-Limburg. In ons land hebben we niet alleen exoten uit b.v. Zuid-Amerika, maar ook ‘overkanters’: welkom als ze maar niet woekeren.
Op de kaart staan enkele plekken. Wie er meer weet…laat het weten!
Rolf Roos
21 mei 2026
Heden doen we een aparte excursie, geheel online. We gaan natuurzoeken in het meest verrommelde duin van Voorne, het gebied van de Heveringen, ooit gelegen op de grens van de gemeentes Oostvoorne en Rockanje (zie Duinen en mensen Voorne (2023) p42-45). Wie van verandering houdt kan hier zijn hart ophalen. Maar er zijn ook zeer fraaie doorkijkjes en restanten. En we gaan deze excursie zeer monter afsluiten middenin het villawijkje waarvoor een waar cultuurhistorisch fenomeen werd verkwanseld: een oude eendenkooi met omringende duinen werd verkwanseld. Hier fonkelt niettemin de natuur en klinkt de echo van het verleden in de naam ‘Waranda’, het vergeetwoord voor (wikipedia): “een besloten jachtterrein of lusthof, doorgaans eigendom van een voorname familie. De naam komt al in de middeleeuwen voor, doch ook daarna werden nog vele warandes aangelegd. Ze waren er in verschillende soorten, zoals de konijnenwarande die ingericht was voor de jacht op konijnen.”
Kijk naar de foto hieronder van het hoekje duinrand uit 1963. Wie het vergelijkt met de kaart daaronder van dezelfde plek in 1827, kan duizend verschillen zoeken. Voor liefhebbers van het heden dit is de topografie van 2021.
De uitdaging is om een aansprekend detail terug te vinden dat er na twee eeuwen nog is. Wat hebben luchtfoto 1963/topokaart 2021 gemeen met de kaart van 1827? We gaan op jacht. Wees gewaarschuwd: op de oude kaart ligt het noorden niet boven maar rechts.

Rond het Berkenrijs, Heveringen Oostvoorne 1963. In het midden de Spartelvijver uit de jaren 50. Het gaat ons om de waterpartij rechts die op de oude kaart onderaan in het midden ligt. Bron: Streekarchief Voorne Putten

Kaart van Gevers, 1827 Voorne, detail. Noorden is rechts. De bewuste waterpartij ligt in het onderste groene bosje.
Dit is cartografie voor liefhebbers, want alleen het perceel met kavelnr. 365, een waterpartij, vinden we in het heden terug. Zie de detailkaart die de plas van de eendekooi toont.
Uit Duinen en mensen Voorne p43: “In de villawijk de Waranda in Oostvoorne ligt een vijver, restant van de eendenkooi ‘in ’t poldertje’ uit 1687. (…) Op de kaart van Gevers uit 1827 heeft de kooi drie ‘pijpen’ waar de gevangen eenden levend werden gevangen voor ze ‘de pijp uitgingen’. Behalve vogels leverde de kooi ook hakhout.”
Anno 2026 leiden lommerrijke stille weggetjes van alle kanten naar het hart van het wijkje ‘Waranda’, dat is aangelegd in de oude Heveringen, in de middeleeuwen de kern van het Voornse landschap. De wegen leiden naar een laagte, ruim gevuld met een meertje waarlangs wat vissers zitten en kinderen spelen. Wie de kaarten van nu, 1910 en 1827 vergelijkt kan zien dat dit meertje een eeuwenoude historie heeft en het is een wonder dat het er nog ligt. Het was de kern van een bosje rond een waarschijnlijk 17e-eeuwse eendenkooi. in 1827 was dit het uitzicht van de bewoners van het iets verder oostwaarts gelegen Kooysight, een klein landgoed aan de Heveringseweg met een laat 18e-eeuws woning. De eendenkooi en het omringende hakhoutbos waren in de 19e eeuw ruim 60 jaar hun eigendom (onderdeel van hun enorme duinbezit op Voorne, zie Duinen en mensen Voorne p38-39). De wijk Waranda is genoemd naar het eeuwenoude gebruik om konijnen in omheinde stukken duin te fokken (warandes) voor pels en vlees. Grote delen van de Heveringen werden daarvoor gebruikt tussen 1450 en 1850.
Van het meertje in de eendenkooi, de kooiplas, lijken kromme lijnen te resoneren met het verleden. Zou de kooiplas (deels) intact zijn? Alle bos er om heen is gekapt en omgezet in grasland, deels met wat aanplant van gemeentelijke groenvoorzieningen. Het zou niet meer zijn dan een rustig plekje met wat groen, ware het niet dat hier schoon kalkrijk kwelwater toevloeit naar de lage en waarschijnlijk nooit bemeste bodems. En jawel, er staan verbodsbordjes. Oevers niet betreden.
Ook spelende jongens die hier rondlopen weten me te vertellen dat er orchideeën staan. Opletten dus.
Voor we ingaan op die orchideetjes voeren we eerst de grassen en zeggen ten tonele, aangezien die minstens evenveel over het milieu hier vertellen. Zo staat er kamgras, van iets voedselrijker hooilanden, zeegroene en zwarte zegge en hier en daar een pol zilte zegge en wat zilte rus. Die laatste twee staan regelmatig ook zoet, dus niet meteen een oude stormvloed of zoute kwel veronderstellen, al is wat oude nalevering van dat laatste niet ondenkbaar.
De zeer zeldzame platte bies maakt de plantenkenner blij, al is het plat en volgens vlotte waarnemers onooglijk. Maar het is een soort die alleen op Voorne en Goeree redelijk vaak te vinden is in natte duingedeeltes maar daarbuiten in ons land zeer schaars is. Reden voor wat lokaal chauvinisme. Om het feestje compleet te houden: ook de tweerijige zegge, die op de platte bies lijkt maar hoger is en wat propperiger, is present. En voor wie het nu nog niet genoeg is: de armbloemige waterbies (ook Rode Lijstsoort ) en borstelbies, een botanische dwerg die de boomlange plantenkenner Dick van der Laan uit Oostvoorne overal weet te onderscheiden, staan hier in volle, 2cm hoge glorie!
Veel grassen en veel zeggen dus, maar ook veel bloemen. Rond 1 juni staan hier honderden keverorchissen te bloeien en vele roze rietorchissen. De veel zeldzamere vleeskleurige orchis komt net deze dagen in bloei, laag en niet zo paarsig als rietorchis, maar meer zalmroze. Eerder in het voorjaar is ook brede orchis (of mei-orchis) gespot maar die vinden we eind juni niet meer, wel de rozetten van de zomerbloeier moeraswespenorchis en de minieme blaadjes van teer guichelheil, beide ook soorten van kalkrijke duinvalleien en in ons land bedreigd.

Landhuis Kooysight aan de Heveringseweg keek in 18827 over kale lage duinen van de Heveringen uit op het hakhoutbos met eendenkooi die zijn eigendom was.
Maar let op: dit is geen duinvallei maar een orchideeënrijk, nat hooiland. Goed beheerd (door de gemeente, ze verdienen een pluim) en zomaar in de bebouwde kom. Niet dankzij de bebouwing, maar omdat de natte kern van een oud gebied toevallig (?) gespaard bleef en bodem, water en beheer deugen. Rijke natuur heeft vrijwel altijd meerdere gunstige oorzaken tegelijk: historie, bodem en woningbouw gaven elkaar hier een hand. We maken ons maar geen voorstelling van de natuur op omringende gronden die onder bebouwing verdween. Maar de Heveringen, ooit honderden hectare groot en nauwelijks belopen, leven nog. Zelfs buiten de contour van het Natura2000 gebied ‘De duinen van Voorne’.
“Kun je goud maken door een goud-ijzer legering goud te noemen? Kun je natuur beschermen door de standaard voor kwaliteit en bescherming te verlagen? Zo ja, dan hebben we er sinds april een nationaal park bij: Nationaal Park Hollandse Duinen (NPHD), met 18.000 hectare strand inclusief vele tientallen strandtenten, bollenvelden, pretparken, woonwijken, waterwingebieden, weiden waar jaarlijks mest wordt uitgereden met rondom sloten waarin geen leven te bekennen is, het Haagse Bos met het Malieveld en stukken mooie natuur. ” (Michel Hegener, NRC, 15 mei 2026)
Rolf Roos en Nico van der Wel
In feite is de uitholling van het begrip ‘Nationaal Park’ die Michel Hegener in de NRC op 15 mei 2026 zo treffend beschrijft, al jaren gaande. De parken zijn bestuurlijk krachteloos opgezet, met aan de top een ‘Overlegorgaan’ waarin alle betrokken natuurbeheerders, ngo’s, de provincie, gemeenten en belangengroepen al polderend werken aan de ‘ontwikkeling’ van het park. In de praktijk is dat allemaal niet verplichtend en boterzacht waarbij vooral de marketing en, met enig geluk, enkele vormen van natuureducatie van de grond komen. De nieuwste parken betreffen waardevolle landschappen, ook in cultuurhistorische zin, met daarin enkele grote natuurkernen. Dit geldt al langer voor de Drentsche Aa, recenter ook voor het Van Gogh Nationaal Park en nu dus voor Hollandse Duinen. De status ‘nationaal park’ levert nauwelijks extra geld op voor natuur of cultuurhistorie, wel meer bezoek en -naar je mag hopen- meer ‘draagvlak’. Wat vooral opvalt: ook dit nationaal park is een feest van positieve geluiden – maar de ingevoerde natuurliefhebber moet zijn uiterste best doen om tussen de regels van de marketing door iets te vinden over concrete natuurplannen, onderzoek aan natuur, beter beheer, demping van de milieudruk. Waar is de winst voor de natuur?
Bij alle soms ronkende websites is er echter maar één proof of the pudding, namelijk de ‘eating’: wat doet men daadwerkelijk, wat herstelt, investeert, onderzoekt en evalueert men echt. En daar ontbreekt het ook bij het bestuurlijke sprookje van Nationaal Park Hollandse Duinen aan. Zoek op de site van NPHD naar een budget en een plan van aanpak van dit nieuwe park en je verdwaalt in een woud van ‘stakeholders’ die allemaal het landschap op hun manier te gelde mogen maken, zonder een deel van hun winst voor natuur of landschap beschikbaar te stellen. Niets nieuws onder de zon, gezien de andere nationale parken. De parken bestaan maar de meerwaarde voor natuur en cultuurhistorie is nihil terwijl de kassa rinkelt bij regionale ondernemers en aanwonende huizenbezitters waarvan de huizenprijzen stijgen.
Wat ontbreekt is slagvaardig bestuur en een goed gedekte begroting die mede door de bedrijven en burgers die de vruchten van de mooie gebieden plukken gedekt wordt. Jazeker, naast ruim landelijk budget graag een (lokale) natuurbelasting, en/of toegangskaartjes, en/of parkeergelden ten behoeve van het park zodat er een economisch fundament ligt onder een fraai ecologisch doel.
Als natuurbeleid zo leidt tot meer en beter beschermde natuur, dan maakt het ons niet uit of het een nationaal park is of niet. Duidelijk is dat de Rijksoverheid nauwelijks meer voor de nationale parken over heeft dan voor de verzakte kademuren op Terschelling. ‘Intacte ecologische processen’ zijn in ons land vrijwel overal achterhaald. Het pleidooi van Michel Hegener in de NRC om weer aan te sluiten bij deze internationale IUCN standaard lijkt echter geen haalbare kaart. We pleiten voor ecologisch pragmatisme. De mens kan goed doen of het verzieken, dat is de kwestie in het park dat Nederland heet. Maar als het ministerie voor Natuur etc, de natuurorganisaties en andere betrokkenen de koek goed aansnijden en uitserveren met concrete herstelplannen en verlaging van de vergader- en milieudruk, is er veel te winnen.

Is een Nationaal Park primair een inkomstenbron voor adviesbureaus of gaat de natuur hier de komende jaren echt weer vooruit? Weet men hoe men er nu voor staat en welke doelen concreet verzilverd gaan worden?
Rolf Roos
Update 6 mei 2026

Eerste waarneming van de veldparelmoervlinder uit 2022, foto Jaco Diemeer.
Op 8 mei 2022 zagen Hanneke van Weezenbeek en Jaco Diemeer uit Rockanje op een wandeling langs de Spartelvijver in het kleine reservaat De Heveringen de eerste veldparelmoervlinder in de duinen sinds meer dan een halve eeuw. In tijden van drama-verhalen over insecten toch weer een opsteker? Na geheel uit ons land te zijn verdwenen waren er na 1995 alleen een aantal populaties in Zuid-Limburg en later ook in Noord-Brabant bekend.

Op boterbloem, 2025, foto Henk Terhell
Omdat de soort in 2022 op Voorne op diverse plekken opdook en er ook een tiental waarnemingen waren op de Kwade Hoek (die eerste door A. van Steensel, 12 mei 2022), werden er diverse wenkbrauwen gefronst om zowel de diverse vindplaatsen – duinen…ver van binnenlandse populaties – als om de vele waarnemingen. Was de soort niet uitgezet? Chris van Swaay van de Vlinderstichting: “Het is onwaarschijnlijk dat dit een spontane vestiging betrof. De eieren worden namelijk in één klomp afgezet waardoor je maar op één plek nakomelingen zou verwachten. Hoe de soort er dan is terechtgekomen zullen we wellicht nooit weten.” Voor ons was de soort, als dubieuze nieuwkomer of als klein ecologisch geschenk, zo interessant dat hij in 2023 de cover van Duinen en mensen Voorne (april 2023) haalde.

Voor 2025 zien we vergelijkbare aantallen, nabij waterrijke plekken in de binnenduinen waar ze veel op boterbloem foerageren (mondelinge mededeling fotograaf Henk Terhell).
De soort blijkt na 2022 niet meer gezien op Goeree op de winderige Kwade Hoek, maar explodeerde zowat in het wat meer beschutte Oostvoorne met meer dan 500 meldingen. In 2024 zijn ze ook weer regelmatig maar veel minder gezien, in mei en juni op diverse plaatsen in de Heveringen.

In 2026 kwam de eerste melding al op 30 april en van een compleet nieuwe plek: midden in het Waterbos gebied. Fotograaf Rob Kraaijeveld uit Hellevoetssluis legde het dier vast: zie de foto. We zijn heel benieuwd hoe 2026 zich verder zal ontwikkelen.
Heb je leuke melding of mooie foto’s? Mail het ons

Deze ‘heatmap’ voor 2024 geeft de intensiteit van de meer dan 200 waarnemingen van soms wel 25 individuen per waarneming. De kaart laat een kerngebied zien maar ook verspreiding, zowel naar heemtuin Tenellaplas (altijd een bron van ontsnappingen) als naar het meer open duin, de Vliegveldvallei. Bron: waarneming.nl.
“Kruidenrijke, droge en schrale graslanden met een open, korte, vrij rommelige mozaïekstructuur.
Lage vegetaties met een hoge dichtheid aan smalle weegbree (de waardplant) worden afgewisseld met hogere overstaande vegetaties waarin de rupsen kunnen overwinteren en zich verpoppen. Daarnaast is er wat kale grond aanwezig en groeien er vaak op korte afstand bloemrijke ruigten met geschikte nectarplanten. Meestal is er enige beschutting in de vorm van verspreid staande struiken, struweel of een bosrand. (..) Een levensvatbare populatie omvat zo’n tien tot vijftien geschikte plaatsen van zo’n 0,1 hectare elk, niet verder dan vijfhonderd meter van elkaar gelegen.”
“Rups: half juni-begin mei. De soort overwintert als rups in een spinselnest met tientallen rupsen bij elkaar. De verpopping vindt plaats in dichte vegetatie. De eieren worden in groepjes afgezet op de onderzijde van een liggend blad van een klein exemplaar van de waardplant. De rups is zwart met dwarsrijtjes van lichte stipjes en een roodbruine kop.”
Een grafiek van de vliegtijd (in m.n. mei en juni) staat hier (bron Vlinderstichting)
De inheemse en zeer zeldzame soort blijkt zich in de Hollandse Delta te hebben gevestigd, in ieder geval op Voorne. Voor een eventuele uitzetting die wel wordt gesuggereerd, is geen bewijs gevonden. De soort gedraagt zich nu als een levenskrachtige nieuwkomer. Ook bij eerdere vestigingen waren er soms verrassingen. De terugkeer in Zuid-Limburg was bijv. langs een Rijksweg, de A79. En als het milieu voor deze soort niet deugt, dan verdwijnt ze vanzelf.

Voornse veldparelmoervlinder, 2023; foto Henk Terhell
Pau Heerschap e.a.
Update 13 mei 2026
De tekst hieronder is van de hand van Pau Heerschap, en is (met toestemming) overgenomen uit Jan Zwemer & Pau Heerschap (2020): ‘Maar’ meid en knecht in het Deltagebied. Uitgave Zeeuwse Dialect Vereniging. Zie reactie onder dit artikel t.a.v. naamgeving en wat de namen ons ‘vertellen’.
Nieuw gemelde soorten n.a.v dit online bericht:
Toeters voor fluitenkruid in Zeeland (Frans Beekman: ‘Eén van mijn eerste Zeeuwse woorden was juist van deze plant.’) Krijn Tanis en Gerard Lokker stuurden beiden de lijstjes op uit E.J. van den Broecke de Man, P. Heerschap, D.K. Soldaat-Poortvliet (1988) Dialecten op Goeree-Overflakkee. Uitgave Zeeuwse Vereeniging voor Dialectonderzoek, Vlissingen. Al deze bronnen zijn verwerkt in onderstaande lijst.
Pau Heerschap: In de akkerbouw moest er natuurlijk alles aan gedaan worden om de onkruiden op het veld te bestrijden, zodat die niet het reguliere gewas zouden verstikken. Veel boerenarbeiders besteedden de meeste werktijd aan het wieden van onkruid. Men zou bijna kunnen zeggen dat het wieden de grondslag was van hun bestaan. Het is al lang geleden dat men een rij veldarbeiders in linie, als in slagorde, meestal in gebogen of kruipende houding, zich over de akkers zag voortbewegen.
Diverse hulpmiddelen stonden hen ter beschikking. Het bekendste is de schrepel (handwiedijzer), in allerlei vormen en afmetingen. Daarnaast had men de schoffel, die geduwd werd, met ijzers in diverse breedtes. Ook werd gebruik gemaakt van de hak of ‘ouweêle. Soms werd gebruik gemaakt van een industriële wiedmachine, ook met wiedijzers in verschillende breedtes.
Bij ons thuis werden in mijn jeugd in het hof elk jaar sjalotten verbouwd. Voor het onderhouden van het sjalottenveld had mijn vader zelf op een slimme manier een wiedmachine ontworpen. Het uitgangspunt was de voorvork van een oude fiets, met het wiel, zonder banden, er nog in. Ongeveer op de plaats waar de trappers hadden gezeten werd een ijzeren bevestigingspunt vastgemaakt. Hij ontwierp dan zelf de beugels die als schoffel daaraan bevestigd konden worden. Regelmatig ging hij met zijn tekeningetjes naar de plaatselijke smid, die dan allerlei beugels smeedde: een smalle, om tussen de rijen sjalotten te kunnen wieden, een v-vormige brede, waarmee de sjalotten gerooid konden worden. De meest ingewikkelde was een klein ploegje, waarmee de grond omgeploegd werd als de sjalotten eruit waren, zodat in die aarde de sperziebonen met de groen-rode pootstok konden worden gepoot voor een tweede gewas. Tussen die rijen werd dan weer gewied met de kleine beugel. Heel nuttig, zo’n multifunctioneel apparaat.
Uit de negen regioboeken, die in de loop der jaren verschenen zijn als voorbereiding voor het supplement op het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, zijn de benamingen van inheemse wilde planten verzameld. Er is wel gestreefd naar volledigheid, maar of ik daarin geslaagd ben, is aan de beoordeling van de lezers. Cultuurplanten zoals de bijvoorbeeld de narcis heb ik buiten beschouwing gelaten. Toch is bij twijfelgevallen er hier en daar wel een doorgeslipt. Het lijkt mij aardig om in de toekomst daaraan in het verenigingsblad van de Zeeuwse Dialectvereniging, Nehalennia, een aparte rubriek te wijden. Onder vuulte wordt verstaan: alle wilde planten die door boeren, knechts en arbeiders regelmatig verwijderd moesten worden.

Voor de leesbaarheid zijn de regio’s genummerd: 1 West Zeeuws-Vlaanderen, 2 Hetland van Axel, 3 Oost Zeeuws-Vlaanderen, 4 Walcheren, 5 Zuid-Beveland, 6 Noord-Beveland,7 Tholen en St. Philipsland, 8 Goeree-Overflakkee (soms vermelding van eerst de Goereese variant en daarnaast de Flakkeese), 9 Schouwen-Duiveland.
Nummers verwijzen naar de kaart
| Akker-ereprijs | veugeldèrm 1, 6, ‘oenderd(j)èrm 3 |
| Akkerkool | Sluuse vuulte, dauwkôôl’n 1, dauwkôôl’n 2 |
| Akkermelkdistel | melkdèstel, melkriet, melkgroen, 3, steekelmelkwied, zeumermèllukkruut 7 zoute melkwied 8, kniensôôren (G) 8, stekelmelkwied (O) 8, melkwied 9 |
| Akkermunt | munte, stinkers, muntepeeje 3,stienkers 7 |
| Akkerwinde | pispotjes 1, 7, 9, winde, wortelwinde, pèrrepluukes 3, moaiewinde 7 |
| Avondkoekoeksbloem | nachtlichtje 1 |
| Biezen | kerwassen 5 |
| Bindwilg | têênen 9 |
| Bitterzoet | duvelsbiiet, elfranke 1, ellefranke 4 |
| Boterbloem | beuterblomme, Sintsekruut, pinksterkruut 1, pinksterblomme 2, 5, 6, 7, bot(t)erblom(me) 3, beuterblomme 4, 5, butterbloome (G) 8, butterblomme (O) 8, 9, pinksterblomme 9 |
| Braam | kattebraemen (wilde braam) 4, |
| Brandnetel | tieng’l 1, 2, tingel 3, broejneetel 4, broeinekel 5, broenékels 6, 7,broewnekels/-netel 8, |
| Bremraap | bremroap, kloaverduuvel 7 |
| Buntgras | scheerkwasje (G) 8 |
| Dauwbraam | braem, braemdoorn 9 |
| Distel | stekel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, distel, destel 3, ossesteekels, schaepesteekels 7 |
| Doodkruid | asgalle 1 |
| Dovenetel | witt’n tiengel 2, doaveneekel 7, (witte) temme broewnekel 7, tamme netel 8 |
| Duist | duusgors (G) 8 |
| Echt walstro | bontekeezeëten (G) (bontekees=julikever) 8, |
| Eendenkroos | ruusgrieten, brieten, griete 9 |
| Ereprijs | Blauwe/blauwe ganzemuur 8 |
| Fluitekruid | Koekoeksgroewnte/dolle peejen 8 toeters 9 |
| Gewone veldbies | Broo’ies (G) 8 |
| Grote lisdodde | Duulen (G)8 |
| Haagwinde | Pispotten 8 |
| Heermoes | Kattestaert of paerestaert8 |
| Heggerank | Witte wiegerd (G)8 |
| Herderstasje | Leepeltjeskruud 8 |
| Hondsdraf | Kruup-deur-d’n-tuun (G) 8 |
| Klaproos | Kankerblommen (G) of klaproozen 8 |
| Klein hoefblad | Hoeven ‘Hoeven doewe de boeren bedroeve’ 8 |
| Klein kruiskruid | Pluuskruud 8 |
| kleine brandnetel | hoewnderbroewnekel of kleine broewnekel (G) 8, broe(i)neekel 9 |
| Klis | klitten 4, 8, 9 |
| Knoopkruid | Rôôdbêên (O)8 |
| Kroontjeskruid (tuinwolfmelk) | vrattekreùd, koekoekskreùd 3, zulver-onger-waeter 8 |
| Kropaar | Uulekop (G) of vlekkop (0)8 |
| Kruisdistel | Schaepestekel 9 |
| Kruiskruid | sinkseblom, -kreùd, seisejoen 3, seansejuun 6 |
| Krulzuring | sulker, zuring, suursel, suusel, suusel, koekeleute 3 |
| Kweekgras | gospêêm 1, gospeejen 1, 3, strèkgos 2, hospeejen 2, 4 ,5, gospee’n, strekgras 3, 4, 7, strekhos 5, 6, kweek(e) 8 |
| Liguster | palmèkke 7 |
| Lisdodde | bezuu(r)en, plompers, sek-sigaoren 4, stienksehaoren 5, poesters 6,(grote)duulen (G), lampepoesers 8, 9, poesters 9 |
| Look | kwoailoaf 7 |
| Luzerne | melooten (G) 8 |
| Madeliefje | weiblomme 1, 2, koeieblom 2, meiblommeke(n, weiblom, poaseblom 3, koeweitje 5, koeieblomme 6, 7, 9, dui’ies (G) 8, |
| Margriet | pèreblomme 1,2, ganzeblomme 1, koeie-oahen, paereblommen 6, koei- of kalversoahe, koeieblomme 7 |
| Meidoorn | kraojebessen (bessen van de meidoorn) 5, doornèkke, meulenaersèrten 7, doorn, doornbôôm 9 |
| Melde | blauwkoppen 7, melde,(G) meijen (O) 8, meije,4 |
| Melkdistel | melkwiet 1, melkriet 2 |
| Monnikskap | kousjes en schoetjes 1 |
| Muizengerst(= kruipertje) | Jan-kruup-in/haesje-kruup-in 8 |
| Muur | goezemoeze, ‘oezemoeze 1, muur(e), roezemoes 3, oezemoes 4, groezemoeze 9 |
| Muurpeper | êêuwig leven 9 |
| Nachtschade | zwarte beijers 4, bostebeijers 5 |
| Netel | zoete netel, bloeiende tieng’l, tamme tieng’l 1, |
| Paardenbloem | pèrezêêker, melkwiet, zêêkebède 1, 2, pisseblomme 1,beddezêêker, beddepisser 2, 4, 6, 7, pisseblom, melkkreùd, melkriet 3, pissebed 4, melkriet 5, pisseblomme 5, mealkwied 6, paerezêêker 7, 9 melkwied 8, paerepisser 4, 9 |
| Paarse dovenetel | purpere(n), zoete(n) tingel 3 |
| Paddestoelen | (witte) spookebrôôd 5, Oosje Pik z’n eeten 7, hôôsjesbrôôd (G) 8 |
| Papaver | eulbolle, ulebolle,blauw maenzaed,papaover 9 |
| Perzikkruid | Jezusbloed, retse, christusbloed, christuskind 1, rotse, ruë-, roeë-, rôôdbêên, wilde wissen, smettus 3, bloedblad 6, rutte 7, rooie Jan 4, 9 |
| Pinksterbloem | koekoeksblomme 1, 2, 5, 6, koekoeksbloem 4, stieselblomme 6, schaepeblomme 9 |
| Raaigras | ‘aeverhras 7 |
| Ridder- of krulzuring | rôôdwiejken (G) 8, zuureng 9 |
| Riet(wortels) | Riejtbommels (G) 8 |
| Rood guichelheil | Rôôie ganzemuur 8 |
| Slaapbol | (wilde) pepaover 7 |
| Sleedoorn | zwarte doorn 7 |
| Smeerwortel | heneezeblad, smèrwortel, spekwortel 8 |
| Speerdistel | p(j)êrdendèstel, p(j)êrdestekel 3, ossestekel 6, 9 |
| Spies(blad)melde | male, zêêmale, melde (dezelfde namen voor de uistaande melde) 3, zout(e)meijen 4, 9 |
| St. Jakobskruiskruid | Geele stienkers 8 |
| Sterremuur | ‘oenderdèrm 1, oe(n)zemoes 4, mure 6, 7, oensmoes 7 |
| Stippelganzevoet | dauwkôôl, male, moalestekken, mêbôôm, -buëm, meibôôm, maaibôôm 3 |
| Straatgras | teùntjesgras, -gos, stroatgos 3, boagerdgors (G) 8 |
| Strandkweek | blaeuwe jan ( G) 8 |
| Trilgras | bevertjes 5, 8, 9, schuddekopjes (O) 8 |
| Varkensgras | Vèrkesgos, 1, 2, 9, v(j)êrkesgras, -gos 3,vèrekesgos 4,verkenshos 5, vearkesgos, vearkeséten 6 |
| Varkenskers | v(j)êrkeskaas,- kazze, -kizze, -kers 3 |
| Veenwortel | lôôie wilgen 8 |
| Veldbeemdgras | zweunegos 1, pluumgos1,2, pluumhos 4, 5, vèrrekesgras 8 |
| Veldbies | (gewone) brôô’ies (G) 7 |
| Vlier | klasspinthout 7, vleere 8, 9, vliender 4 |
| Vogelwikke | wikke 9 |
| Voorjaarshelmbloem | puutebloomen (G) 8 |
| Vossenstaart | duust 1, 2, 4, 5, 6, ‘oazehras 7 |
| Weegbree | wegaorsblad, wegblaoren 1, ribbe, ribbel, ribberblad, rubberblad, weversblad 3, weekeblaeren 4, (smalle weegbree hongetongen, smal weegblad, (G) 8, grote weegbree kattetongen, brêêdweegblad 8, weegeblaeren 9 |
| Wilde haver, Oot | ôot, wilden ‘aver 1, oat, ôôt, wild’oaver, ôôite 3, wilden’aever 4 |
| Wilde mosterd | zempe 1, zemp 5, |
| Wilde peen | wilde koejepee 8, wilde pee 9 |
| Wilde zuring | pèrezurkel 1 |
| Windhalm | pleùmgras, -gors 3 |
| Witte dovenetel | Temme broewneekel/tamme neetel 8 |
| Witte klaver | stêênkloavers 6 |
| Witte krodde | dubbeltjeskruud, dubbeltjesvuulte, Judaskruut 1,dubbeltjevuulte 2, dubbelt(j)es, dubbelt(s)jeskreùd, witte wijven, pakkèt(s)jes 3, dubbeltjeskruud 4, stêênkruud, Witte Jan, Jantje witteblomme 6 |
| Wolfsmelk | kraontjesvuulte 1, krôôntjeskruud 4, 5, zulver-on(g)der-waeter 6, 8 |
| Zandzegge | haogtegors of rêêpen (G) 8 |
| Zilte rus | aertgors 9 |
| Zwaluwtong | boeka-, boekwitwinde 3, |
| Zwarte nachtschade | allebes, bôômbes, zwarte jenevers 1, bostebeiers 2, 3, bostebeze(n), boste baaiers 3, koordedan(g)sers 6, zwarte keezen 7, bostappel 9 |
Aparte lijst voor bomen
| nl | dialect |
| berk | Bèrkebaom |
| braamstruik | Braem bos |
| den | Denne(baom) |
| haag van meidoorns | Doornhegge |
| eik | Eike(baom) |
| els | Elze(baom) |
| haag | Haegbeuke |
| hazelnoot | Haeze(I)neute(baom) |
| lep | lepebaom |
| kers | Keerzebaom (Goeree) |
| kastanje | Kerstanjebaom |
| coniteer | Konniefeere |
| prunus | Japanse kers(e) |
| knotwilg | Kopbaom |
| linde | Lindebaom |
| mispel | Mispelbaom |
| moerbei | Moerbeezebaom (Goeree) |
| walnoot | Okke)neutebaom |
| olm | Olmen(baom) |
| buxus | Palmhegge |
| perzik | Pirksebaom/perzukkeboam |
| pruim | Pruumebaom |
| Spar | Sparre |
| vlier | Vlêêrebaom of spuitehout |
| wilg | Wilgebaom |
Rolf Roos (beeld: Machiel van Wijngaarden)
update 2 mei 2026
Het meest hoogmoedig, het meest onzinnig en het meest onmogelijk is een Theorie van Alles. Dat is natuurlijk geen reden om het niet te proberen. Alle feiten, waarden en processen op een rij in een groots verhaal. Van de kleinste deeltjes tot de meest complexe ecosystemen. Liefst inclusief het menselijk bedrijf. Zo’n theorie geeft houvast en het geeft ook fijn te denken. Sinds mensen dat doen, zo’n 100.000 jaar, zoeken ze ernaar en soms lijkt het een paar eeuwen of millennia dat ze het beest bij de staart hebben: een mooi afgerond en wellicht ook rustgevend wereldbeeld dat niet zelden al in de bronstijd werd rondverteld. Vanaf het spijkerschrift (dat alleen de priesters en boekhouders beheersten) stond het op een kleitablet of in een boek, om in navolgende eeuwen te worden aangevuld om vervolgens – niet zelden vanwege de machtspositie der priesters – heilig te worden verklaard. Pas later leerden we dat elk boek aanleiding is voor een nieuw en wellicht beter boek. Er zijn licht ironische varianten van zo’n overkoepelend verhaal met beschrijvingen van goden en hun daden, zoals bij de Grieken, maar die kostten niettemin Socrates het leven. Er valt niet te spotten met religie vooral als je het opneemt tegen een machthebber met het juiste geloof. Het is ook een delicate balans. Hoe kunnen we respect hebben, soms zelfs iets heilig verklaren en tegelijk de broodnodige scepsis en ironie niet de nek om draaien? Waar kunnen we eerbiedig schaterlachen? Bij de oude Grieken kon het voor een eerste keer.
Ruim voor het begin van onze jaartelling is het beschrijven (van de eigen geschiedenis) en waarnemen (van de hele wereld) begonnen en de eerste atoomtheorie was al vroeg een feit, 2500 jaar voor er een atoom kon worden waargenomen. Wellicht gaat het denken veel sneller dan het experiment. Aristoteles was wellicht ook een eerste ecoloog, eeuwen voor het woord bestond. In onze dagen zoeken nieuwe mythische helden, onze fysici, naar de kern van alle materie en zo zitten we met een Olympus vol met alleen voor hen waarneembare deeltjes met prachtige namen. Deeltjes die ze proberen te vangen in een web van eeuwige wetten. Het schijnt nog net niet gelukt te zijn. Het opperste geluk is het voorspellen van een deeltje dat pas na een halve eeuw of meer, door de steeds fijnere apparatuur, kan worden waargenomen om dan te worden verwelkomd met een ovationeel applaus in een zeer ruime symposiumzaal. Weer een bouwsteen voor de Theorie van Alles. De vrolijke filosoof Democritus, die van het eerste atoom, klapt trots mee vanuit zijn hemel.
Maar er is helaas iets vervelends met al die kennis aan de hand. Ik mocht dat ervaren op de universiteit, als eerstejaars bioloog. Vele tientallen onbekende vakken (analytische chemie, atoombouw en straling, plantenfysiologie etc.) werden ons gepresenteerd en evenzovele horizonnen werden verlegd. Dit uitdijende heelal was op zich al waardevol maar het meest waardevolle inzicht was dat je per deelgebied met enkele gerichte vragen al aan de kennishorizon zat en dat er dan wel deuren opengingen naar nog te ontdekken kennis, maar wel volgens een licht miskende oerwet, namelijk dat achter elke deur minstens drie andere deuren verschijnen. Eenieder begrijpt dan: de kennis dijt uit maar een volledig begrip is een illusie. Of meer positief: een lovenswaardig, maar altijd snevend streven. Toch blijven zoeken, al verbranden we onze vleugels.
Nog duivelser wordt het spel als we het over ‘kwaliteit’ willen hebben. Daar ontkomen we niet aan. De natuur en ons landschap staan onwaarschijnlijk onder druk, de planeet is in crisis en dan moet je een visie op kwaliteit ontwikkelen. Om de diffuse en door kennis alleen maar weidsere werkelijkheid behapbaar en bespreekbaar te maken, ontkomen we niet aan modellen. En plaatjes van modellen. Ecologen zijn goed in het timmeren van bouwwerken met een veelheid aan factoren, bouwstenen en relaties die een ecosysteem beschrijven. En de agenda is niet alleen dat we de bouwstenen (flora en fauna) willen kennen en de processen en hun relatief gewicht, we willen ook de natuur herstellen, beheren, kortom de kwaliteit verbeteren. Zie hieronder een mooi voorbeeld, ontleend aan Duinen en mensen Kennemerland (2009): het licht aangepaste model van Anton van Haperen, ontwikkeld voor beheer van duingebieden, maar als denkkader veel breder toepasbaar. Elke modellenbouwer zal zich uitputten in excuses dat lang niet met alles rekening kon worden gehouden. Zo’n model zet ons denken echter wel op de grond. En het moet liefst simpeler: hard nodig want figuren met twee of meer pijltjes doen het bestuurlijk doorgaans
belabberd.
Ik neem u mee naar de praktijk van mijn eigen achtertuin: een in 1727 bedijkt landschapje, een inlaagpolder, ooit ontworpen om de noordkant van het eiland Goeree niet te laten wegspoelen. Zo ontstond de Bokkepolder en toen men zich veilig waande verschenen er in dit poldertje in de 19e eeuw ook huisjes. Die bedijking, betaald door de Staten van Holland, was om de totale teloorgang van het eiland Goeree te verhinderen en de scheepvaartroutes naar de haven van Rotterdam veilig te stellen. Want de duinen waren hier destijds flinterdun. Het was een ‘quaaden hoeck’. En het is gelukt: in de 200 jaar erna is de zeereep hier zeewaarts aangegroeid en ontstond er benoorden het poldertje bovendien een uniek brak gorzengebied, de Kwade Hoek. Voor de oriëntatie: zie het kaartje. De Bokkepolder is een poldertje ingeklemd tussen Nieuwendijk (1727) en zeereep (opgehoogd ca 1970). Er zijn oude walletjes en dijken, deels vergraven en hoog begroeid, maar deels nog in oude glorie onderlangs het duin gelegen.
Omdat op de dijk van ‘onze’ Bokkepolder de lila beemdkroon bloeit tussen geel kruiskruid en witte wilde peen, streken we bijna tien jaar geleden neer tussen deze bloemdijk en de zeereep. Op een ruim bemeten erf, aan de polderzijde begrensd door enkele hectares overbemest en bespoten maisland. Bij het inlezen over de nieuwe leefomgeving kwamen we naast een lief boekje ‘Vogels, planten en dieren van de Bokkepolder’ uit 1989 – toen er nog weidevogels zaten – ook nog uit het vorige milennium daterende plannen tegen om de binnenduinrand te herstellen. Wat in die jaren lukte: gronden van een enkele particulier werd met flinke subsidie omgezet in ‘natuur’ en enkele poelen werden aangelegd. Maar verder bleef het vrij stil. Tot rond 2022 vanuit de provincie Zuid-Holland, de gure BBB-wind van dat moment ten spijt, opnieuw ambtelijk gas werd gegeven. Plannen voor ‘zelfrealisatie’ d.w.z. natuur op eigen erf naast de nadrukkelijke wens de hele binnenduinrand, de natuurlijke buffer tussen overmest polderland en de duinen, een meer natuurlijk karakter te geven. Goed idee, maar welke kant wilde men op? Kende men bv de trends bij de broedvogels de laatste 40 jaar? Dat bleek niet uit de ambtelijke stukken.
In ons poldertje stond er pardoes als doel’ habitattype vochtige duinvallei’ op het programma. Welk denken van de provincie zat hier nu achter? Dacht men eerst wel na over de meest geschikte kwaliteit nu men beleidsbudget had vrijgemaakt? Had men zich verdiept in de cultuurhistorie, de ontstaansgeschiedenis, de bestaande en historische natuurwaarden, de maatschappelijke mogelijkheden? De vogelstand op deze ogenschijnlijk stabiele plek is in 40 jaar enorm veranderd. Juist deze polder blinkt uit in soms drogere, maar bloemrijke graslanden. En wie moest het gaan beheren? Had men überhaupt een strategie? Voor zover we dit hebben kunnen waarnemen was het vooral een top-down: ergens in een oude beleidsnota stond dat er meer vochtige duinvalleien moesten komen en die beleidslijn zou boven elke redelijke twijfel zijn verheven Meer discussie volgde, want wat zijn de waarden van zo’n poldertje nu precies, waar kunnen we uit kiezen? En gaat het inmiddels landelijk sinds 2000 niet redelijk goed met die vochtige valleien terwijl drogere ecosystemen het moeilijk hebben?
Als natuurbewoner en pleitbezorger van alle waarden die ons landschap in zich draagt, moeten we ons startpunt kennen. Wat is ons fundament? In bijgaand beeld staat het fundament als gelaagde piramide afgebeeld met enkele hoofdvragen, waaronder het beschrijven van het ontstaan en het verwoorden van alle waarden, en dat zijn er flink veel meer dan alleen Rode Lijstsoorten. In de achtergrond van het beeld de bloemdijk waar we achter wonen en die we iedereen toewensen. Schoonheid, kortom.
Daarboven staan de grote groene knoppen waaraan we kunnen draaien. Ik heb me beperkt tot drie, dan blijft het goed bespreekbaar – voor wie een denkraam groter dan een Amerikaanse president heeft. Die knoppen zijn even belangrijk. Aan elke knop kan je draaien om de kwaliteit, hoe je die ook expliciet maakt, te verbeteren. En als je niet goed draait kan je de boel ook vernachelen. Bijvoorbeeld als je ruimtelijk de zaak verbindt kunnen heel goed allerlei exoten binnenkomen die je liever uitsluit. En met iets te voortvarend gegraaf ten behoeve van natuurherstel kun je de geschiedenis van bodem en archeologie vernietigen. Elke natuurbeheerder weet hoe het uitpakt als rustig bestaand historisch gebruik of zorgvuldig beheer– dat tot rijkdom heeft geleid – ineens wegvalt. Hoe werkt dit gesleutel en gedraai in de praktijk? We kiezen daarvoor een nog kleiner schaalniveau, het eigen landje.
In tien jaar op ons eigen erf (0,5 ha) kon ik als kleine grondbezitter in het geheel niet aan de knop ‘Ruimte’ draaien, aan ‘Milieu’ ietsje meer (houtwallen handhaven tegen inwaai van mest en gif, zelf alleen paardenmest opbrengen in de moestuin, geen chemie maar handwerk in de moestuin), maar aan ‘Beheer’ juist zeer veel. Uitgangspunt: langzaam meegroeien met het bestaande landschap en op kleine schaal veel leefgebieden scheppen: bos, hooiland, water, een heuvel, oevers. Een oude ervaring is dat hoe meer diversiteit er is aan milieutjes, hoe meer biodiversiteit, natuur, er wil opbloeien. Wie zoals wij wat uren neemt voor een beheer gericht op afvoer van voedingsstoffen en gevarieerd maaien (van veel tot zeer weinig) en het handhaven van rommelhoekjes, krijgt veel natuur gewoon cadeau. Inmiddels leven er meer dan 300 wilde planten op ons erf waarvan ik als spontane vestigingen noem: grasklokjes, beemdkroon, grote tijm, bijenorchis. Voor de tamelijk zinloze discussie of we dit ‘natuur’ mogen noemen verwijs ik naar mijn boekje ‘Erf’ uit 2025. Dat onze natuur niet goed past in provinciale denkramen met habitattypen die nuttig zijn in grote natuurgebieden, dat is evenwel zeker. En subsidie vragen we maar niet aan, want we blijven graag vrij in onze keuzes. De kern is evenwel: met rustig maar weloverwogen draaien aan slechts een van de knoppen en het nemen van tijd (heelmeester van vele wonden in het landschap) kunnen we prima vooruitgang boeken.
Ook als we verder kijken dan ons erf lang en breed is, zou de analyse van het fundament voorop mogen staan. Welke waarden heeft de polder, wat weten we, wat meten we?
Vanuit de provincie kwamen dure metingen aan het grondwater (het doel van de vochtige duinvalleien is inmiddels aangepast richting vochtig hooiland) maar veel natuurwaarden (vogels, zoogdieren e.d. en het grotere belang van het gebied voor omliggende natuurgebieden) werden nauwelijks aangestipt. De provincie bekijkt het landschap niet in haar geheel, maar concentreert zich op de lapjes grond die mogelijk te verwerven zijn. Een cruciaal proces als het voortdurend verder dichtgroeien (successie) van zowel zeereep (geen aanpak voorzien) als struweel en hydrologische onzekerheden i.v.m. klimaatverandering bleven onbenoemd. Andere waarden dan natuur hangen er verder een beetje bij hoewel de gemeente Goeree-Overflakkee een beleid heeft voor cultuurhistorie. Maar dat deze polder de fysieke reddingsboei is geweest voor het hele eiland en dijken kent vanaf de middeleeuwen tot de 18e eeuw staat niet goed op de agenda. Een dijk van een landschap, een cultuurmonument, het zou de kern kunnen zijn van een toekomstvisie.
Gezien de eigen ervaring trommelen we vervolgens primair op de drum van het natuurbeheer: als dat niet goed is verzorgd, kan je voor zo’n polder bedenken wat je wilt, wat ook wel bleek uit nieuw particulier ‘natuurland’ dat soms goed maar vaak ook slecht werd beheerd. Wil je weidevogels dan moet opgaand bos er uit. En het inroepen van een natuurbeschermingsorganisatie is ook geen garantie voor goed beheer, want die is geheel afhankelijk van de aannemer of boer die het beheer uitvoert, soms met te zware machines of te laat of te vroeg. Het aansturen daarvan is managementsvraag nr. 1. Wat hier zou helpen in de planvorming: met de beoogd beheerder aan tafel zitten. Daaromheen een team vormen. Of het nu gemeente, waterschap, particulier of natuurclub is.
Als oud-milieubeschermer trompetteren we bovendien over de milieukwaliteit: het inwaaien van mest en gif op o.a. de natuurdijk bleek daar al tot stagnatie en achteruitgang in de natuurlijke rijkdom te leiden, dus is het voor duur geld opkopen van overgewaardeerde landbouwgrond wel effectief? En weet men in Den Haag wel hoeveel geknal hier is van jager, carbid-burger en boer aan de rand van een officieel ‘stiltegebied’? Welk beleid zet provincie, rijk of gemeente in om ook dit milieubederf vanuit de meer landinwaarts gelegen polders te stoppen? Het bleef onheilspellend stil. De beleidspersonen voor natuur zijn niet die voor het milieu. Het adagium lijkt: als we die gronden nu maar binnenhalen dan komt dat met het beheer vast wel goed. We helpen het hopen, maar draaien graag mee aan de juiste knoppen. Met meer ruimte voor natuur valt wat te winnen, maar goed beheer vormt de crux en zonder verlichting van de milieudruk leidt natuurbeleid tot kortstondige succesjes maar soms zomaar tot weggegooid geld.
Ter relativering: ons model is maar een model, een kapstok voor discussie. Maar wel graag over alle elementen van ons landschap. Dood en levend, van natuurlijke oorsprong of voortkomend uit het menselijk bedrijf dat zo kenmerkend is voor het landschap in ons land. Over een te waarderen werkelijkheid. Niet een plannetje voor een landje maar graag een Theorie van Alles. En de volgende stap is om woorden te vinden om de ziel van het landschap te duiden. Waarom zo’n poldertje karakter heeft en wat dat is. Waarom we plekken en stemmen uit het verleden minimaal een beetje heilig moeten verklaren… daarover een andere keer.
——
We zijn een rijk land. Alleen al over een klein poldertje zoals de hierboven besproken Bokkepolder is een dossier van kennis aan te leggen. Specifiek over cultuurhistorie zie online en de toekomstplan: visie Bokkepolder.
Ook verscheen in 2025 een boekje: ERF. Over elke vierkante meter is een boekje te schrijven als je er maar induikt.
Gerard Oostermeijer
De kleine en lieflijk ogende harlekijn (Anacamptis morio) is een orchidee zoals vele soorten uit deze familie: ze bedriegen en misleiden insecten om aan hun gerief, bestuiving en bevruchting, te komen. De bloemen hebben net als akelei of springzaad een lange spoor aan hun aantrekkelijke bloem. Het verschil is dat de spoor van de harlekijn nooit met nectar gevuld wordt, het is een loze huls. Planten in grote populaties zijn in het nadeel, want hommels leren weg te blijven. Is nu ook het raadsel waarom orchideeën bijna altijd maar mondjesmaat voorkomen opgelost?
(Red.: deze tekst is een – licht gewijzigde – publicatie uit het boek Niet zonder elkaar – bloemen en insecten. )
Bloembezoekers, hommels komen op het veelbelovende uiterlijk af, maar daar ontdekken ze dat er niets in de spoor zit. ‘’Kan gebeuren, denken ze. Iemand is me voor geweest’. Zo bezoeken naïeve hommels gemiddeld een stuk of vier of vijf harlekijnen voordat ze besluiten dat er toch ècht niets te halen valt. In de tussentijd hebben ze stuifmeelklompjes op hun kop geplakt gekregen die op de stempels van een of meer van de volgende planten hun pollen hebben achtergelaten. De misleidingsstrategie
van de harlekijn werkte. De hommel heeft echter wél van de ervaring geleerd, en zal niet zo snel nog een harlekijn bezoeken. Dat dit bedrog ook voor de harlekijn verkeerd uitpakt bleek op Texel, in het natuurreservaat de Bol. Daar blijkt het percentage bloemen dat een vrucht vormt net zo laag als in hele kleine populaties van bv. 10 exemplaren. In die laatste groep komt die lage vruchtzetting doordat er simpelweg te weinig planten zijn om hommels aan te trekken. Maar in de honderdduizend planten tellende populatie van de Bol zijn gewoon veel meer planten dan naïeve hommels. Op een gegeven moment hebben alle hommels geleerd om die nectarloze harlekijnen te mijden. Dat zal die bedriegers leren: de meeste planten blijven het hele seizoen zonder bloembezoek en vormen geen nageslacht.
De natuurbeheerder kan hier iets van leren: de door hooilandbeheer gecreëerde en soms onnatuurlijk grote populaties zijn eigenlijk niet ‘normaal’ voor de soort. De evolutie van de misleidingsstrategie van orchideeën heeft plaatsgevonden in kleine populaties, waar het aantal bloembezoekers meer in verhouding stond tot het aantal planten.
Onderzoek van Kos & Anselin toont aan dat de vruchtzetting het beste gaat bij een populatiegrootte van enkele tientallen tot hooguit honderden individuen. Ook bij andere niet-belonende orchideeënsoorten is deze wankele balans tussen te klein en te groot gevonden. Een optimale populatiegrootte is zeker niet de maximale. Grappig is dat iedere onderzoeker uit ervaring weet dat ze meestal verspreid staan en sporadisch zijn te vinden. Niet alleen een kwestie van het milieu (ze zijn veeleisend) maar ook een goede bestuivingsstrategie.
Conclusie: massapopulaties zoals de dennenorchis bij Schoorl, de gevlekte orchis bij het Alloo op Texel, moeraswespenorchis in jonge duinvalleien zijn mogelijk minder vitaal dan we denken.

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne
Tekst: Rolf Roos met medewerking van Bob Benschop, met dank aan Jan Alewijn Dijkhuizen
Geen route voor watjes of drukdruk-bezoekers die een snelle natuursnack wensen. Je moet er wat voor doen, je willen verdiepen. Op deze ommeloop komt in ruim 8,5 km en meer dan 25 tussenstops de hele staalkaart van natuur en historie van de Duinen van Oostvoorne langs. Van oud naar jong en weer terug. Van zoet naar zout. Van onder NAP tot bijna 13m hoog.
Vanuit Tenellaplas gaat het via de oude Heveringen en sluippaadjes, langs De Sipkesslag met meertjes en het Duintje van Dick, het Pitje van Praal en Schelpenpad naar het Vliegveld. Vandaar langs de Molenkreek naar het Parnassiavlak, onderdeel van het Groene Strand. Dan langs de zoute kust van het voormalige autostrand, thans de Slikken van Voorne van het Zuid-Hollands Landschap en bijzondere strandhaken weer het duin in over het A.J.Bootpad via o.a het Van Itersonbos richting het Locomotiefpad en dan tenslotte langs de Kleine Heveringen weer terug naar de heemtuin bij Tenellaplas. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er te maken zijn t.a.v. beheer. In de duinen van Oostvoorne zijn in het kader van het boek ‘Bloeiende duinen’ speciaal voor plantenliefhebbers kortere rondjes gemaakt met kenmerkende planten (‘hotspots’ ): Tenellaplas e.o., Heveringen, Parnassiavlak.
Op de kaart hieronder ruim 25 locaties die je gezien moet hebben om het duin te leren kennen. Info is per locatie aan te klikken. Achtergronden bij deze route staan in het boek Duinen en mensen Voorne.
Rolf Roos
22 april 2026
We flaneren langs de oude dijkjes bij Havenhoofd, Goedereede. Ik bewonder de oude bermstenen van ruw beton die de gemeente en waterschap als erfgoed zouden mogen koesteren. Galgeweg, Nieuwendijk, Korte Nieuwendijk. Laagbijdegrondse stenen bakens, uit de tijd dat de mensen nog klein waren en het budget voor bebording beperkt. De bermstenen worden ook ‘naamstenen’ genoemd en zijn 26 juni 2026 door Kees van Rixoort beschreven in artikel van Eilandennieuws. Deze Goereese ‘landmarks’, zijn in 2025 nog rechtopgezet door de gemeente. Op de kruising van drie 17e- en 18e-eeuwse wegen staat zo langzaamaan ook een woud van lange-afstand-fietsroute-bewegwijzering en aanduidingen van fietspaden. Allemaal roestvrij staal. En dan nog drie-vier borden van de natuurbeheerders.
De lokale natuur- en landschapsvereniging NLGO, die de Korte Nieuwendijk samen met het Waterschap van ruig struweel heeft ontdaan, plaatste op eenvoudige palen een matig leesbaar bordje met de mededeling dat zij hier nu het beheer doen. Een van de twee bordjes is binnen een maand gesneuveld. Voorlichting moet tegenwoordig hufterproof. En ondanks het beheer schieten op de Korte Nieuwendijk struiken weer uit de grond. Het wordt tijd dat er schaapjes op komen grazen. De hekken zijn inmiddels geplaast.
Veel wilde bijen scharrelen dit voorjaar al boven de open grond van de Korte Nieuwendijk op zoek naar plekken om nestholletjes te graven. Zandbijen, grasbijen, pluimvoetbijen. Ze zitten vooral op de Nieuwendijk en aangrenzende erven en koloniseren de opgeschoonde Korte Nieuwendijk binnen de kortste keren.
Op de kop van de aansluitende Nieuwendijk (ooit, bij de aanleg in 1727, de Lange Nieuwendijk genaamd en sinds 1986 in beheer bij Natuurmonumenten) staan weer andere, onverwoestbare borden. Op een zwarte paal van gerycled plastic stond tot voor kort een miniem blauw pijltje dat aangaf dat de vriendelijke wandelaar hier rechtsaf mag lopen langs een geitenpaadje door het bloemrijke gras langs de sloot. Vermijd zo die gevaarlijke Galgeweg. Maar een kloek ander bord bovenop deze dijk vermeldt de eigenaar en ‘Geen toegang’. Het is inmiddels groen uitgeslagen. Luchtververvuiling met meststoffen doet groene algen goed. Vlinders die hier vliegen nemen door dezelfde meststoffen echter in rap tempo af. Op nog geen twee meter van het verbodsbord staat sinds april 2026 een fonkelvers paneel op een onverwoestbaar geachte houten paal, een tentoonstelling waardig. Lekker laag, voor mensen uit het bermstenentijdperk. Ik durf de kosten niet te schatten, maar het is prachtig. Een mooie foto van
de dijk in zomertooi, vrolijke teksten over bloemen en insecten. Komt dat zien. Loop tussen deze paaltjes door.
Ik tref mezelf op deze kruising, dit ballet van bordjes, in een meervoudige spagaat. Voor de iets oudere mens toch een wat pijnlijke move. Mag ik er nu in of is het verboden? Je ziet de brave dagjesrecreanten onderling confereren, terwijl hele en halve autochtonen van oudsher elk verbodsbord haten en zonder te lezen het graspad kiezen. En crossers en ruiters kiezen geheel ongeremd de bovenzijde van de dijk. Want ze weten: de tijd dat de veldwachter hier in de bosjes op je lag te loeren is voorbij. De huidige BOA heeft een werkgebied van 6000 hectare. Veel bordjes uit onmacht?
Het is ook een bonte etalage van materialen, van zwakke paaltjes en oud plastic tot roestvrij staal en houten zuilen. Elke eigenaar en beheerder met een eigen stijl en boodschap. In het land van samenwerking plaatst een ieder uiteindelijk toch een eigen keutel. De meest ingetogen partij is degene die wellicht het meest te zeggen heeft: het eeuwenoude, uiteindelijk vrijwel alles dicterende Waterschap Hollandse Delta, maar die naam ontbreekt. En ook de boer die de Nieuwendijk deels pacht van Natuurmonumenten en er laat hooit vanwege de bloemen, heeft geen tijd voor meedenken over voorlichting en blijft onvermeld.
Wie kort iets wil zeggen, dikt het ware, soms waterige verhaal met nuances altijd in tot een geurige siroop met oneliners en mooie foto’s. Nog even en men leest niet meer en hobbelt van qr-code naar qr-code. Hoe leg je tegenwoordig iets uit? Ik weet de oplossing niet. Ik had negen jaar geleden contact met de toenmalige voorlichter van Natuurmonumenten, Ted, om deze mooie dijken toch goed te etaleren en de doorgang behalve voor de vriendelijke wandelaar simpel in te dammen met een balk of laag hek. En toon op simpel bordje wat voor moois je hebt. Laat vooral een boswachter rondlummelen, vlinders tellen en met mensen praten. We kregen destijds alleen een verbodsbord, thans belaagd door algen. Een sjiek voorlichtingsbord konden we pas in 2026 verwelkomen, we zijn weer twee voorlichters verder, maar dan heb je ook een halve expo op je dijk. Met dank aan Anne.
Theo Baas
In droge duinvalleien en op zuidhellingen kunnen we bloemrijke duingraslanden vinden. Dit soort vegetaties bestaat uit een mozaïek van laagblijvende grassoorten, kruiden, bladmossen en korstmossen. De vegetaties zijn over het algemeen erg bloemrijk met tientallen soorten bloeiende planten die zijn aangepast aan droogte en grote temperatuurverschillen. Dat zijn soorten als gewone reigersbek en duinviooltje met diep reikende wortels en er zijn ook eenjarige soorten (zogenaamde wintersannuellen) die kiemen in het najaar of de winter, direct bloeien in het daarop volgende voorjaar (rond april) en dan zaadzetten om voor de hete zomer weer af te sterven. Als zaad overleven ze de zomer.
Bloemrijke duingraslanden zijn gebonden aan droge, voedsel- en humusarme grond. Bloemrijke duingraslanden worden ook wel grijze duinen of ‘vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie‘ genoemd. Ze zijn onderverdeeld in kalkrijke, kalkarme en ‘heischrale’ begroeiingen met vele tientallen typen. (Zie de Natura 2000 indeling voor een meer compleet overzicht). We geven hier 4 voorbeelden uit de 2 grootste groepen.
Zie ook het verhaal over witte, zwarte en grijze veldnamen op deze site.
Kenmerkend voor kalkrijke omstandigheden, zoals in de meeste vastelandsduinen ten zuiden van Bergen, zijn soorten als duinpaardenbloem, geel walstro, duinfakkelgras, grote tijm, kruipend stalkruid, voorjaarsganzerik, het zeldzame zandviooltje en de voorjaarsannuellen kandelaartje, lathyruswikke, ruw vergeet-mij-nietje en vroegeling.

Bloemrijk duingrasland (grijs duin), kalkrijke variant bij zeedorpen met hondskruid en grote ratelaar, zichtbaar zijn ook glad walstro en smalle weegbree. Wijk aan Zee, zeeduinen. Foto van de auteur

Kalkrijk duingrasland met grote tijm, kleine leeuwetand en biggekruid, Wimmenum, Noord-Holland. Foto van de auteur

Bloemrijk duingrasland (grijs duin), kalkarme variant met duinviooltje en korstmossen. Zichtbaar zijn ook zandzegge, gewone veldbies en duinkruiskruid. Noordhollands duinreservaat, Castricum; in gebied met kalkrijke duinen maar deze zijn oppervlakkig uitgeloogd. Foto van de auteur
Voor de kalkarme duinen op de Waddeneilanden en in de vastelandsduinen ten noorden van Bergen zijn soorten als buntgras, schermhavikskruid, hondsviooltje, schapenzuring, zandblauwtje, kleine leeuwentand en viltganzerik kenmerkend, tezamen met de voorjaarsannuellen vroege haver, klein tasjeskruid en zandhoornbloem.

Bloemrijk duingrasland (grijs duin), kalkarme variant met zandblauwtje en gewoon biggekruid. Zichtbaar zijn ook buntgras en fijn schapengras. Schoorl. Foto van de auteur

Bloemrijk duingrasland (grijs duin), kalkarme variant met struikheide en korstmossen. Zichtbaar zijn ook helm en braam. Texel. Foto van de auteur
Bloemrijke duingraslanden zijn uitermate gevoelig voor voedselverrijking. Een groot probleem is stikstofdepositie vanuit de lucht waardoor hogere grassen en struiken hun kans krijgen en de grijze duinen kunnen overwoekeren. In sommige gebieden is opslag van (zwarte) dennen een groot probleem. Dit wordt nog versterkt door de achteruitgang van de konijnenstand in de duinen door verschillende ziekten, waardoor deze belangrijkste begrazer is gedecimeerd. Een nieuw probleem is klimaatverandering. Het voorjaar wordt steeds droger, waardoor het voor voorjaarsannuellen steeds moeilijker wordt hun levenscyclus te voltooien en zaad te zetten. Tot slot, grijze duinen zijn uitermate gevoelig voor betreding.In droge perioden worden de korstmossen zeer broos waardoor ze bij betreding verpulveren. Grijze duinen staan op de lijst van Europese habitattypen waardoor we in Europees verband een speciale verantwoording dragen voor de instandhouding.
In sommige gebieden wordt extensieve begrazing met schapen toegepast om de opslag van houtige gewassen tegen te gaan.
Verder lezen: Bloeiende duinen: een reis van delta naar de wadden.
Rolf Roos
Voor de oorlog werden er op Voorne, in het Quackjeswater, ingrijpende werkzaamheden uitgevoerd. In 1937 liet Cees Sipkes, later adviseur van het Zuid-Hollands Landschap op Voorne, zijn kritische licht schijnen op het gegraaf en gebagger. Bij nalezing van zijn verhaal blijkt zijn kritiek tijdloos.
Cees Sipkes (1937): De werkzaamheden in Natuurmonument Voorne’s Duin. Uit tijdschrift De Levende Natuur.
Na de oorlog was Cees Sipkes (die in 1989 overleed) decennia adviseur bij het Zuid-Hollands Landschap dat ruwweg de helft van de duinen van Voorne in beheer kreeg (andere helft: Natuurmonumenten). Omdat hijzelf fervent plantentuinen aanlegde (o.a. Tenellaplas) en in de ‘zuil’ thuishoort van plantenkenners die ook hovenier/tuinarchitect zijn (met o.a. J. Landwehr, Rob Leopold, Hein Koningen, Peter Kollee) zou je niet verwachten dat hij in de vooroorlogse discussie over ‘ingrijpen of niet’ voor terughoudenheid pleit. In het kader van de werkverschaffing rond 1935 waren er onder leiding van A.J. Boot in o.a. het Quackjeswater baggerwerkzaamheden uitgevoerd en vegetaties vernietigd. OOk het net ontstane Breede Water viel nog onder de zeggenschap van de familie van Hoey Smith, tot 1927 eigenaren van het hele duin van Voorne.
Sipkes is uitermate kritisch. Was al dit grondwerk wel nodig? Welke fouten werden gemaakt? Sommige discussiepunten kunnen bekend voorkomen. En de tijd achterhaalt menige stelling, bijvoorbeeld deze, die we ook verderop nog tegenkomen: “Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.”
Maar in een bijzin treft ons opeens een goede, poëtische suggestie: “Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind.” En: “Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur.”
Op verschillende plaatsen in ons land tracht men het gemis aan natuurschoon te vergoeden door plassen te graven, heuvels op te werpen en bosch aan te leggen. Waar we veel verlies aan natuurschoon zien door menschelijken invloed en waar de werkeloosheid aanleiding is tot het zoeken van objecten, zullen dergelijke plannen talrijker worden. (…)
Veel van deze werken verraden naast een goede bedoeling, onvoldoende kennis van het natuurlijke landschap, waarvan men de nabootsing nastreeft. In het algemeen zijn de taluds van de oevers te steil en verraden de hoogten de menschelijke hand. De beste en mooiste van deze werken zijn, voorzoover mij bekend, het Zuiderpark in den Haag en het duinmeer op het Provinciaal Landgoed van Noord-Holland. Maar ook de minder geslaagde brengen groen, water en reliëf in het landschap, de flora wordt rijker, de vogels vinden drink- en broedplaats en de mensch vindt verpoozing.
Ook in een natuurmonument is nu een dergelijk werk verricht, zooals Dr. Hofker beschreef, de uitdieping van het Breede Water en het Kwakjeswater bij Rockanje. In andere natuurmonumenten is dit nimmer geschied. In het Naardermeer heeft men zich beperkt tot het maaien van riet. In gedeelten waar men zelfs dit naliet, ontstond spontaan een uiterst interessant natuurbosch, van els, berk en lijsterbes, dat vanuit den trein voor ieder waarneembaar is en dat zich ontwikkelt tot een oerwoud, waar reeds nu een dierenwereld en plantengroei is, die men er zoo spoedig niet verwacht had. De gelegenheid tot bestudeering van die spontane begroeiing en de veranderingen daarvan, stempelt reeds, afgezien van de rijke vogelwereld, het Naardermeer tot een natuurmonument. Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.
Het nog jonge Breede Water rond 1935 met zeewaarts nog deels stuivende duinen. Foto Th. van der Steeg, Streekarchief VP
(…)
Wat heeft men echter gedaan? Men heeft uitgediept, zoowel in het Breede Water, als in het Kwakjeswater, waar een zeer interessante phase van verlanding en spontane boschvorming aan de gang was en men heeft het materiaal uit de diepte op de oevers gebracht, daarmee de bestaande moerasflora ten deele begravend, de taluds naar het water heeft men steiler gemaakt, zoodat de gelegenheid tot begroeiing van verschillende zones geringer gemaakt is.
ledere soort van moerasplanten stelt zeer bepaalde eischen aan den bodem en in jaren met verschillende hoogte van het grondwater, groeien velen ook op andere plaatsen. Het is bekend, dat aan de steile kanten van de fasantendrinkplaatsen in de duinen nooit zoo gemakkelijk moerasplanten komen als op de meer vlakke hellingen, op even vochtige plaatsen elders. Allerhande factoren als wind, stabiliteit van de groeiplaats, humificatie, zonbestraling en bacterieleven, spelen een rol bij de vestiging van subtiele soorten, als orchideeën, gentiaanachtigen, Parnassia, e.d.
Nu kan ingrijpen van den mensch wel eens gunstig zijn voor dergelijke soorten. Een dunne laag zand over het Vliegveld van Oost-Voorne, heeft een vegetatie van Parnassia in het leven geroepen als nergens elders. Maar het Vliegveld lag niet in het Natuurmonument en het resultaat had evengoed anders uit kunnen vallen.
Zoo kan ik de landschaps-verfraaiing in het natuurmonument op Voorne niet toejuichen en de wijze waarop men uitgediept heeft, niet deskundig noemen, hoe goed men het ook bedoeld moge hebben.
(…)
Goed, desnoods had men op het terrein op Voorne nieuwe plassen kunnen graven in duingedeelten, die uit een biologisch oogpunt weinig waard waren en voor de studie van de successie van de vegetatie, de plantensociologie van minder beteekenis dan de bestaande plassen. Men had dan op zoo natuurlijk mogelijke wijze een plas kunnen graven. Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind, die de taluds een natuurlijk profiel gegeven zou hebben en als het juiste oogenblik gekomen was, had men alles vast kunnen leggen met helm (ook als tegenwicht tegen een onnatuurlijken toestand, de vele konijnen) en men had in een nieuwe duinplas de interessante begroeiing van de eerste phase van Kruipende Vetmuur via Parnassia, Orchideeën, Gentianen tot een stadium van duin, weide of bosch opnieuw kunnen volgen. En elders verder naar het westen ontstaan spontaan weer nieuwe valleien met plassen water en kunnen we het proces ten derde male volgen.
Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur, laten we wanneer we werken uitvoeren in een natuurmonument ons beperken tot herstellen van een natuurlijken toestand, kleine, weinig, ingrijpende bescherming van planten of dieren daargelaten.