Rolf Roos, 1 december 2022

Voor me ligt een even wonderlijk als bijzonder boek. Het eerste hoofdstuk, de eerste paragraaf van deze ‘Nova Flora Neerlandica deel 2’ luidt:  ‘De geschiedenis van de Nederlandse caricologie’. Kortom een werk dat de auteurs niet schreven voor de gemiddelde geraniumliefhebber, maar voor de vastbijters die weten dat ‘caricologie’ de ‘kennis van het geslacht Carex’ betekent en ‘Carex ‘ een plantengeslacht is dat de onbeduidende Hollandse naam ‘zegge’ heeft gekregen. Dat het boek niet gewoon de ‘Nieuwe Nederlandse Flora’ heet, verkleint de afstand tussen auteurs en beginnende plantenliefhebber niet, maar dit zal geheel onterecht blijken. Het binnenwerk is goed verzorgd Nederlands.

Van de 235 Europese zeggesoorten komen er ruim 60 in ons land voor. Laat u niet uit het veld slaan. Sta even stil hoeveel soorten zegge u zelf kent en spiegel dat aan de geboden collectie. In de duinen en langs de kust staan vele soorten, van zandzegge tot dwergzegge, van blauwe tot zilte zegge.

Al die zegges hebben op het eerste gezicht een minder aantrekkelijk uiterlijk (sprieterig, groen, bruin, propperig), maar wie zich buigt, op de knieën gaat en oog heeft voor de details in de kleuren bruin, geel en groen wordt getrakteerd op een floristisch driesterrenrestaurant. Meteen het hoogtepunt: de vlozegge met bij aanraking en na rijping wegspringende bloemdelen. Frappant bij de vlozegge is het vlo-achtige uiterlijk dat de zgn. urntjes hebben. NB ‘urntjes’ is een term die alleen caricologen gebruiken: het zijn de mini-doosjes met daarin verstopt de bloemdelen, waar tijdens de bloei meeldraden of stempels uithangen, en die later het zaadje bevatten.

Vlozegge met naar beneden hangende urntjes die bij aanraking wegspringen. Foto uit besproken boek.

Kortom een boek om van te smullen, al is dat niet het doel. Het doel is ordening. Welke soorten en ondersoorten zijn er en hoe houd je die uit elkaar. Met topfoto’s uiteraard, zoals van de vlozegge.

Er is een waar legioen van kleine zeggesoorten, die meestal groeien in natte gebieden en ingetogen en niet zelden ook bedreigd zijn, met een paar uitzonderingen. De droogteminnende, uiterst algemene en door ‘stikstof’ zelfs woekerende zandzegge in duinen en op zandgronden is de meest opvallende. De grote hangende zegge, zeer zeldzaam in het wild voor 1990, is in enkele decennia overal in natte bossen en plantsoenen komen groeien, zonder dat daar een goede verklaring voor wordt gegeven. De hand van de tuinman en veel kiemkrachtig zaad spelen een rol. Warmte wellicht? En die dwergzegge van jonge duinvalleien: fors vooruit gegaan door honderden herstelprojecten: kale vochtige bodems waren de nieuwe zaaibedjes.

De schijnbaar economisch nutteloze zeggen zijn een feest voor ecologen, vegetatiekundigen en plantensystematici. Maar de plantenkenners zitten in een vreemde spagaat. De geschiedenis leert dat elke zeggegids dikker wordt, de biodiversiteit in ons land neemt als geheel toe. Dat heeft twee hoofdoorzaken: meer kennis (zo werd zelfs de verloren gewaande veenzegge in 2006 in ons land (terug?) gevonden) en steeds meer verwilderende import. Ook bij deze groep planten blijken namelijk vele nieuwkomers te arriveren, waaronder opvallend veel Amerikanen, en langzaam een plek in ons landschap te vinden. Maar in het natuurrijke landschap zelf zijn de kritische zeggensoorten van blauwgrasland en moeras nog wel aanwezig. Vaak uit landbouwgebieden verdreven tot in de resterende natuurreservaten. Natuurlijk, bermzegge staat nog overal en moeraszegge groeit langs sloten en kanalen, maar de kleintjes, daar gaat het om. De nietige vlozegge, die een urenlange zoektocht waard is, is de heilige graal voor de zeggeliefhebber. Bovendien zijn vlozegges, net als veel andere zegges, door hun fijnzinnige voorkeur voor een bijzonder milieutype buitengewoon schaars.  Kijk op de rand van net niet te natte, oudere, licht verzuurde duinvalleien met een beetje kalkrijke kwel.

Drienervige zegge. Foto Ronald van Wijk.

Dat uitgerekend die ene soort waarvan ons landje het hart vormt van een klein Europees verspreidingsgebied, de veel in duinvalleien voorkomende drienervige zegge, het lelijkste jongetje van de klas is, maakt de uitdaging om ze in mooie boeken te beschrijven er  alleen maar groter op.

Bestellen bij de KNNV-uitgeverij via deze link. 39,50

 

Door: Rolf Roos m.m.v. Dick van der Laan en Leen Hoogerwerf

(Uit de serie verhalen over de duinen van Voorne waarvoor we te weinig ruimte hadden in het boek Duinen en mensen Voorne. Maar wel online!). Commentaar en aanvullingen welkom, onderaan het artikel a.u.b.)

We gaven er op voorhand geen cent voor. Nooit ergens een verhaal of stukje over gelezen en vast geheel platgelopen vanuit het naastgelegen recreatiegebied: de duintjes van het Kruiningergors. Ooit het begin van de boog Voornse duinen met strandpaal nrs. 1 en 2. Die blijken verdwenen, maar we treffen een grote zeldzaamheid aan.

Dick van der Laan (1935) uit Oostvoorne die ik mee vroeg, moest me tot zijn schande bekennen dat hij er sinds 1966, toen hij deze duinen samen met freule Claartje Sloet van Oldruitenborgh inventariseerde, niet meer was geweest. Ik wilde erheen, want voor de dijkgeschiedenis van Voorne zijn de polder en de kuststrook van het Kruiningergors heel belangrijk. En hoe was het gebied veranderd? In de middeleeuwen was het – tot de 15e eeuw – zo’n solide gebied dat er vanaf Brielle dijken naartoe werden gelegd. Pas daarna verscheen de Heindijk aan de binnenzijde, note bene gemaakt van zand! En was er nog iets van een ‘gors’ te zien? (Gors = ‘Maasmonds’ voor kwelder.) En wat voor zouts resteert er nog na de afdamming van 1950?

We nemen de fiets vanaf Oostvoorne, langs de tot fietspad gepromoveerde Boulevard richting de hooggelegen Noorddijk en daarna via wat bochten onder de grote weg naar de Maasvlakte door de Gorslaan in, de entree van het recreatiepark. Vlak daarvoor valt ons oog op een doorlopend weggetje met de naam ‘Zanddijk’, waarover later meer. Langs de Gorslaan (goede & oude naam) vinden we voorbij wat huisjes met het vrolijke bordje ‘Rimboe’, waar we onze fietsen achterlaten, een zijpad. Dat voert naar een lange smalle strook tussen een bosachtig park en het Brielse Meer, die zich anno 2021 niet onmiddellijk als duingebied laat herkennen. Maar elke resterende en elke nieuwe plant zal ons een verhaal bieden. Maar allereerst: waar komt de naam vandaan?

Trosglidkruid langs het wandelpad

Gorzen en duinen in de Maasmonding

Een uitgave van de historische vereniging Westelijk Voorne, Het Kruininger gors en zijn bewoners tot 1953 uit 2006 geeft een verklaring voor de naam.
“De polder dankt de naam aan het geslacht van Cruiningen. De duinen en de gorsingen van Kruiningen waren sinds de 15e eeuw een belangrijk bezit van de Heren van Heenvliet. In 1627, na de dood van Maximiliaan van Cruiningen verkochten de erfgenamen de Heerlijkheid Heenvliet met de duinen en gorsingen van Kruiningen aan Johan Polyander van den Kerckhoven.”

Ons startpunt voor het verhaal over het landschap is een citaat van Nol Freijsen over het Kruiningergors als noordelijke begrenzing van de polders Oosterland. Uit zijn boek ‘Van Pietersdijk tot Wolvenpolder’ uit 2017:

Aanvankelijk hadden de polders Oosterland [ten noordwesten van Brielle, red.] geen sluiting aan de westkant althans niet in de vorm van een dijk. Beschutting werd daar geboden door het duingebied aan de monding van de Maas. Ook de andere oude polders die tegen de duinen eindigden, maakten van die duinen gebruik als sluitdeur en waren niet afgerond met een dijk. In de loop van de tijd is de Maasmond in zuidelijke richting gaan verschuiven met funeste gevolgen voor het eiland Voorne. Zijn noordwestelijke kust werd opgevreten door het rivierwater en zo verminderde de omvang en sterkte van het duin- en gorzengebied op die plaats. Het verloor zijn beschermende functie en als gevolg daarvan ontstond de behoefte aan een westelijke dijk voor de polders Oosterland. Het is de oorsprong van de Heyndijk tussen de polders en het tegenwoordige Kruiningergors, het recreatiegebied. De aftakeling van de kustverdediging ging verder, zodat in 1561 een ophoging van de Heyndijk en verdere maatregelen nodig waren om het zeewater daar te weerstaan. Deze ophoging, vermeld door Fruin (1876), maakt duidelijk dat de Heyndijk vóór 1561, laten we zeggen in de 15e eeuw, is aangelegd.

In de late middeleeuwen, de 13e of 14e eeuw, legden burgers uit Brielle de Bollaarsdijk aan, een lage dijk van Brielle naar de Kruiningerduinen van destijds die, in de woorden van Nol, de ‘sluitdeur’ vormden. Die moeten op zich stevig genoeg geweest zijn, maar de Maasmond kwam steeds zuidelijker te liggen. De duinen werden zwakker wat tot doorbraken leidde, ook richting Brielle, en men greep aan het einde van de middeleeuwen in. Er kwam een dijk aan de landzijde van het duin: de trotse Heyndijk of Heindijk die we nu nog kennen. Een bijzondere dijk want het is een van de weinige op Voorne-Putten die met zand is aangelegd.

Heyndijk en ‘caede’

Op de oudste kaart die ons ter beschikking staat, van Potter uit 1576, krijgen we voor het eerst een concreet beeld. Oostvoorne is er te zien, nog voorzien van kloeke waterloop van de burcht naar de toen machtige stad Brielle. De Heyndijk is herkenbaar (ook met handschrift ter hoogte van de Maas). Een forse kreek is getekend tussen de langgerekte duinenrij van het Kruiningergors en deze dijk. We kunnen ons een goede voorstelling maken van dit gebied in de 16e eeuw, want we hebben een tegenhanger in de 21e eeuw, een eiland verderop: de Kwade Hoek op Goeree, ook een open duin met kwelder bij een riviermonding en lage duinen richting zee. Als het destijds een Natura-2000 gebied was geweest was het Kruiningergors niet ontgonnen, maar zo zal de geschiedenis niet lopen.

Detail van de kaart van Potter, 1576, met ten noorden van Oostvoorne ons studiegebied dat de structuur heeft van de Kwade Hoek op Goeree nu. Collectie Maritiem Museum.

Een halve eeuw later, in 1626, benoemt de Voornse landmeter Leenaart Cornelis Koutter op een prachtige kaart ons gebied voor de eerste keer als ‘Cruniger duijnen’. Ernaast ligt het inmiddels door een ‘caede’ omgeven gebied waar eerst een kreek lag: het ‘Buitengors’ dat blijkens het zwierige opschrift net is verkocht, waarschijnlijk aan zijn naamgever. We kunnen slechts gissen naar de rijke burger met de voornaam Krijn of de familienaam Kruijne, een naam die op Voorne niet zeldzaam is.

Detail van Kaart van Koutter uit officieel uit 1626 met ‘Cruniger Duynen’, een ‘Caede’ en een ‘Buytengors dat reeds verkocht is’ (Na de dood van Maximiliaan van Cruiningen in 1627 verkochten de erfgenamen de Heerlijkheid Heenvliet met de duinen en gorsingen van Kruiningen aan Johan Polyander van den Kerckhoven) . Nationaal Archief

Het is deze kade op de kaart van 1626 die we nu mogelijk als lage ‘zomerdijk ‘ in een modernere vorm en meer noordelijk terugvinden in het gebied. De kade hield het water van de Maasmond buiten en vrijwaarde zo het Buitengors van zout water. In de periode die volgde is de naam Cruiningerduinen overgegaan op het gors en kreeg het hele gebied deze naam.

Ontginning

Met meer en minder moeite werd het gors ontgonnen, want in 1807 meld Kops over dit gebied: “Dezen grond hebben de ondernemers met veel kosten daar aan te besteden, eer zij daar eenige vruchten van konden genieten, tot goed Graanland gemaakt; aan de oostzijde moesten zij eene kade maken om het tegen den vloed te dekken.“ Op de laagste delen (in het voormalige ‘Breede water’) ligt goede kleigrond. Op een  kadastrale kaart uit 1816 uit het Streekarchief treffen we daar dan goed verkaveld land waarvoor keurig belasting moest worden betaald. En buiten die kade liggen ‘de duinen’ met een ander belastingtarief: dat van ‘strand’, ‘hevering’ of ‘weiland’ (zie verder het boek Duinen en mensen Voorne voor het woord ‘hevering’). In dit duingebied was beweiding blijkbaar gebruikelijk, tot op het vermoedelijk deels begroeide, groene strand aan toe. Leen Hoogerwerf voegt hier aan toe: “In de kadastrale gegevens van het begin 19e eeuw staan ‘Arie Vlielander consorten’ als eigenaar vermeld.  Arie Vlielander (ambachtsheer van Nieuwenhoorn) en burgemeester in Numansdorp en zijn broer Benjamin Vlielander (heer van Rockanje) zijn betrokken bij allerlei veilingen, verkopen e.d. in de gehele regio, ook in het Kruiningergors.  De hierna genoemde notarissen Kruijne waren in een aantal gevallen betrokken als notaris bij die transacties. Tot de erfenis van  Maartje Bakker, weduwe en ususfructuair erfgename van Jacobus Rademaker, is op 20-12-1827 overleden te Brielle in haar huis, wijk 1 nr. 64 behoort 1/3 van het Kruiningergors.”

We maken een kleine sprong naar een kaart uit 1862 waarop we veel huidige contouren herkennen en een (dan nog) ruim bemeten duin. Op deze kaart duikt de naam ‘Kruijne’ weer op. Het gaat om een bijzondere militaire kaart die het gebruik als schietterrein mede regelt. Op deze kaart is vermeld; “Het terrein A onder rigting van Zeeburg tot gebruik daarvan Heer Kruijne toegestaan onder voorwaarden voorzichtigheid maatregelen te nemen, ingeval het rundvee zich aan het strand vertoond”. We weten hierdoor dat de duingebieden ter plekke gebruikt werden voor rundvee. Koepel Zeeburg was een vast markeringspunt en men mocht hopen dat de kanonnen niet zover zouden schieten. En heer ‘Kruijne’ met zijn vee (mogelijk een pachter) was weer gewaarschuwd. Leen Hoogerwerf voegt hier aan toe: “De familie Kruijne is een familie die stamt uit Zwartewaal. Hendrik Kruijne wordt redelijk welgesteld en wordt toegelaten als procureur en later notaris. Zijn zoon Louis Mijnard Kruijne (1789-1865) wordt ook notaris evenals de kleinzoon Henri Louis Mijnard (1816-1883). In 1855 koopt H.L.M. van Kruijne een perceel grond in Kruiningergors. L.M. van Kruijne en H.L.M. van Kruijne regelen in hun jaren als notaris ook de erfpacht in Kruiningergors namens  het Dijkcollege van Voorne. Het is dan ook waarschijnlijk dat de op de kaart vermelde heer Kruijne handelde als notaris dan wel als grondeigenaar, Maar het geeft niets te maken met de naam Kruiningergors .”

Kaart 1862 van gehele Kruiningergors (Streekarchief VP)

De duinregel van Kruiningergors (door Leen Hoogerwerf)

In 1927 wordt bij Provinciale Staten gesproken over ‘de duinregel’ (de duinenrij) van het Kruiningergors. Door de kustafslag wordt deze steeds smaller en gevreesd wordt voor een doorbraak, In de tijd daarna komt dit nog een paar keren op tafel. Er wordt heen en weer gepraat over wie verantwoordelijk is. Het hoogheemraadschap van Voorne heeft tot nu toe de belangen van het Kruiningergors behartigd, maar vindt het niet langer haar taak. Er wordt ook nog geprobeerd om het balletje naar de gemeente Oostvoorne te schuiven; als je als gemeente mensen toestaat om buitendijks te gaan wonen, moet je er ook maar voor opdraaien. Vervolgens wordt gesproken over een bedrag van Fl 55.000,–. Maar de bewoners vinden dat niet nodig en vinden een zanddijk voldoende. In december 1929 wordt een bedrag van Fl 8200,– aan de polder Kruiningergors verstrekt om een zanddijk over het Heemradenduin aan te leggen, aansluitende aan den verlengden Noorddijk van het Hoogheemraadschap van Voorne bij huize „Sonnevanck”.
Na de aanleg van deze zanddijk blijkt een en ander niet voldoende. In 1934 komt de versteviging van deze zanddijk al weer op tafel. Er wordt door statenleden denigrerend over de bewoners gesproken. Ze hadden daar niet moeten gaan wonen; je gaat ook geen bewoners beveiligen die op het strand van Scheveningen gaan wonen, e.d.  De problematiek komt in de jaren daarna nog meerdere keren op tafel, en eind mei 1938 wordt een begin gemaakt met de versterking in het kader van een werklozenproject.
In 1946, de oorlog is voorbij, is de zeewering wederom verslechterd en er wordt op het buitendijksbeloop van een bestorting van betonblokken en verdere versterkingen uitgevoerd voor totaal een bedrag van f 5748,20

Hoe een klein stukje Kruiningergors de gemoederen bijna 20 jaar kan bezighouden. En als dat allemaal voorbij is, wordt in 1948 besloten om het Brielse Gat af te sluiten en al in 1950 is de afsluiting gereed. (Bronnen: Delpher en Nieuwe Brielsche Courant.)

20e eeuw: de recreatie begint

Dan begint de 20e eeuw en gaan stedelingen recreëren. Eerst nog bescheiden. In 1925 is men blij met enkele tientallen tenten. Op de luchtfoto uit 1950, genomen ten tijde van de afsluiting van de Brielse Maas door de Brielse Maasdam, zien we al een goed gevuld recreatiegebied (destijds ‘recreatiekamp’ genoemd) en vele paadjes door het duin. De Gorslaan ligt er en de oude Zanddijk is beter dan nu zichtbaar als begrenzing tussen het huisjesterrein (gelegen op de oude kwelder = polder) en het grotendeels gehandhaafde duin en strand. De Brielse Maasdam was tijdens de Watersnoodramp in februari 1953 de redding van Voorne,  want de enkele meters hoge kade  en oude Heindijk zouden het nooit gehouden hebben. De Voornse recreatiehuisjes bleven gespaard, maar Putten liep onder. De Brielse Maasdam stelde zo de recreatieve ontwikkeling veilig en is de voorloper van de latere Deltawerken.

De eerste tenten rond 1925 n het duinlandschap (Streekarchief)

Leen Hoogerwerf: “De wijze waarop op het Kruinigergors is gebouwd is heel apart. Eerst werden de tenten voorzien van een houten vloer, later houten wanden met een dak van tentdoek, en weer later kwamen er vaste daken op. De meeste materialen werden aangevoerd met de stoomtram van de RTM. Iedere reis werden door de bewoners wel wat plankjes, deuren, enz. met de tram meegebracht. In de jaren 50 was het Kruiningergors uitgegroeid tot een recreatieverblijf van betekenis. Op zondagavond werden circa 6000 mensen vanuit Oostvoorne met de tram naar Rotterdam terug gebracht. Velen daarvan kwamen van ‘het Gors’. En dan waren er nog velen die met fietsen en brommers heen en weer reisden. Ook waren er gezinnen, waarvan alleen de vader op zondag terug ging naar Rotterdam. Moeder en kinderen bleven de hele zomer op het Kruiningergors. Er was ’s-zomers op de lagere school vaak een extra schoolklas om de kinderen van “het gors” te kunnen opvangen.”

Luchtfoto van het Kruiningergors uit 1950. Op deze luchtfoto is de eerder genoemde bestorting met betonblokken goed te zien (linksonder).  Ook is goed te zien over welk kleine stukje dijk er al die jaren in de Provinciale Staten is gepraat

Wandeling 2021: op zoek naar duinen

De luchtfoto uit 1950 toont al het zijweggetje dat we in 2021 naar links insteken. Het paadje is overhuifd door bomen, maar aan het eind stuiten we op de kade, de Zanddijk om het recreatiegebied, als nakomer van de Caede uit de 17e eeuw waarmee de ontginning begon.

Na het oversteken van de oude ‘Caede’ verlaten we het eigenlijke Kruiningergors en binnen de kortste keren beklimmen we wat lage duinen. Ze liggen er nog. Net als wat bunkers die hier een bijzonder speelterrein vormen. Deze duinen zijn uit de lucht nauwelijks te herkennen want alles is dichtgegroeid, behalve de paden en enkele kleine strandjes aan het inmiddels zoete water van het Brielse Meer. Er ligt een groot en kaal speelstrand. Verderop is er een soort vogelstrandje met een door rotsblokken afgesloten baai waar we aalscholvers, grote en kleine zilverreiger en veel knobbelzwanen treffen en een heus natuurstrandje met allerlei bekende duinbloemen.

Het bos is vooral een hoog struweel met grote wegedoorns, kardinaalsmuts en meidoorns, de laatste is wel op zijn retour. Naast brandnetel en nagelkruid zien we ook bijzondere planten: het in ons land zeer zeldzame trosglidkruid en enkele tuinontsnappingen die zich uitbreiden, zoals het ruig klokje, grote maagdenpalm en tuinjudaspenning. Beschaduwde hellinkjes met veel eikvarens zijn er ook, brede stekelvarens en echte bosplanten als stinkende gouwe, bosandoorn en lelietje der dalen. Populieren, abelen, maar ook eiken en een enkele linde zijn hier inmiddels de baas. Smakelijke bramen woekeren overal en beperken op natuurlijke wijze de toegang tot het duin.

Dick van der Laan keurt de bramen, 2021.

Langs bosranden fladderen bonte zandoogjes en net als op Oostvoorne vragen koninginnekruid en heelblaadjes in de nazomer de aandacht van vlinder en vlinderaar. Japanse duizendknoop woekert net als elders in het duin en wordt bestreden door extra te maaien, al weten we niet door wie want nergens maakt een eigenaar zich met een bordje kenbaar. Ook de oranjegele Canadese guldenroede heeft zich hier, nu nog bescheiden, gevestigd.

Bont zandoogje zonnend op Japanse duizendknoop

In zandige stukjes langs de paden scharrelen diverse wilde bijtjes en de blauwvleugelsprinkhaan schiet pijlsnel door de lucht, net lang genoeg om zijn blauwe vleugels te showen. Op de grond is hij een gecamoufleerde bruine verschijning. Begrijpelijk want ook de sprinkhaandoder, een forse sluipwesp, is door het warmere klimaat verschenen en grijpt sprinkhanen om ze levend te begraven, voorzien van een ei.

Sprinkhaandoder op gewone kruisdistel

Duinsoorten

Intussen maken we een lijstje van echte duinsoorten. Langs het veel belopen strandje zien we op het eerste oog niet veel van het zoute verleden. Wel duindoorn, duinriet en lokaal nog zandhaver. Lokaal ook de wolfsmelksoorten  heksenmelk en cypreswolfsmelk. De 20e-eeuwse nieuwkomer duinlangbaardgras is er ook. Maar op de rustiger delen van de strandjes zien we soorten waar Dick heel enthousiast van wordt, zoals zijn lievelingssprietje de borstelbies. Kleine sprietige polletjes met een pittig bruin bloemetje. En vaak een voorbode voor meer leuke plantjes. Op het meest natuurlijke strandje is het roze van het strandduizendguldenkruid veel te zien, en vertegenwoordigen herfstbitterling (een gentiaantje) en veel herfstleeuwentand de gele component in de wilde flora.

Dit is het moment om even te kijken naar het eerste bezoek van Dick in 1966 en de lijstjes die hiervan zijn overgeleverd. (Dick van der Laan en Claartje Sloet (1966). Streeplijsten Kruiningergors. Uit archief Weevers’ Duin). Net als nu stonden er destijds strandduizendguldenkruid, herfstbitterling, sierlijk vetmuur, hazepootje en herfstleeuwentand.

Wat ontbrak in hun lijstjes van destijds zijn de soorten die met de bosontwikkeling samenhangen zoals eikvaren en trosglidkruid. Het open landschap van toen had nog een sterk zandige en deels zoute toets, al was de Brielse Maasdam al weer 16 jaar oud: zilte zegge en zeewolfsmelk stonden er nog maar zijn nu logischerwijze verdwenen. Helaas verdwenen ook vele duingrasland- en riviersoorten uit 1966 zoals bevertjes, geel walstro, zachte haver, gewone rolklaver, vleugeltjesbloem, zeegroene zegge, gestreepte klaver goudhaver, hondsviooltje en het echt duizendguldenkruid. Kortom het ‘duin’ van het Kruiningergors is een voormalig duingebied waar open duin niet werd hersteld of beweid en een combinatie van bos en struweel het eindstation lijkt. Ook de parasitaire maretak is ontsnapt uit Oostvoorne en heeft zich in de bomen genesteld.

Strandduizendguldenkruid en herfstleeuwetand op strandje langs Brielse maas.

Bij de strandjes helaas geen spoor meer van de historische Strandpalen nr. 1 (ooit 800m westwaarts van de Stenen Baak) en nr. 2. In de 19e eeuw keurig om de kilometer geplaatst langs de hele oude kustboog van Voorne tot aan het Quackgors: 1 tot en met 19. De palen staan er verderop nog deels, maar zijn door Rijkswaterstaat uit onderhoud genomen nu satelliet en GPS plaatsbepaling tot op de centimeter mogelijk maken. Op Voorne is de oude palenreeks pas weer voorbij het Oostvoornse Meer goed herkenbaar. Dit meer ontstond westelijk van het Brielse Meer na de aanleg van een tweede dam in de monding van de voormalige Brielse Maas, de Brielse Gatdam. Pas bij Paal 7 tegenover het A.J. Bootpad begint het ‘echte’, zoute strand weer.

Lange afstandswandelaars in het Kruiningerbos van nu

We lopen binnendoor terug langs een smal paadje waar slechts 1 ATB-er beleefd om doorgang vraagt. Het bijna ook door ons vergeten Kruiningergors staat weer op onze kaart. En niet alleen bij ons. Het blijkt onderdeel van een grote internationale route, de GR5 van Noordzee tot Middellandse zee. Zwaar bepakte sportievelingen doorkruisen het gebied richting het Voornse duin en daarna de Haringvlietsluizen en verder. En precies halverwege het Kruiningergors blijkt een rustgebied voor kabouters een dimensie aan de natuurbeleving van onze allerkleinsten te hebben toegevoegd.

Elk gebied zijn eigen karakter, ook het Kruiningergors. En ‘officieel’ is het helemaal geen natuur meer. Er staat ook geen enkel bordje met ‘natuur’ of ‘verboden toegang’. Alles mag hier, zo lijkt het en dat maakt het pas tot een echt zeldzaam gebied. Zelfs plantenspeurders komen hier nauwelijks, ten onrechte natuurlijk.

Foto van Henk Terhell van 76 meter hoogte met de ‘blik’ westwaarts over de 17e-eeuwse Stenen Baak en het Kruiningergors en op voorgrond de schans en het huisjesterrein aan Brielse Maas, aangelegd op voormalige duinen. Links onder in beeld ligt het licht zoute natuurgebiedje ‘De Ommeloop’.

Beeld van de Stenen Baak vroeger en nu online op duinenenmensen.

Literatuur

Dick van der Laan en Claartje Sloet , 1966. Streeplijsten Kruiningergors. Uit archief Weevers’ Duin.

Freijsen, N. , 2017. Van Pietersdijk tot Wolvenpolder. Ontstaan van het polderlandschap op de eilanden Voorne en Putten. Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

Kops, J., 1807. Bijzonderheden wegens het Cultiveren van Duingronden nabij het Dorp Oostvoorn, bij den Briel, medegedeeld door een Landbouwer in deze streken. Magazijn van Vaderlandschen Landbouw 3, 323-333.

Roos, Rolf, 2022. Het verdwenen Nieuwe Water op Voorne (en een verdwenen Brede Water)

Santen, Hans & Clara Zoelen (red.),  2006. ‘Het kruininger gors en zijn bewoners tot 1953 : een gemeenschap tussen koepel Zeeburg en het stenen baken’. Uitgave Hist. Ver. Wesetlijk Voorne. Streekarchief VP nr. 1786

Door: Tello Neckheim & Rykel de Bruyne. (Met dank aan Adriaan Gmelig Meyling; Stichting ANEMOON).

Iedereen kent slakken: spreekwoordelijk traag kruipende dieren met ogen op steeltjes waarvan de meeste een slakkenhuisje op hun rug meedragen. Slakken behoren tot de stam der Weekdieren (Mollusca). Er bestaan meerdere klassen, met naast huisjesslakken en naaktslakken ook tweekleppigen (mossels; in zoet en zout water) en inktvissen (in zee). In de Duinen van Oostvoorne komen meer dan zestig soorten landslakken voor. Behalve landslakken leven er ook zoet- en brakwaterslakken en tweekleppigen in het gebied. 

Onderzoek naar de landslakken

In 2021 zijn twee speciale slakkenexcursies gehouden. Eén door Tello Neckheim (20 augustus) en een samen met Joop Eikenboom (26 juli). Daarbij zijn zichtwaarnemingen gedaan en diverse monsters van de strooisellaag genomen. De resultaten zijn ingevoerd in Waarneming.nl. Ook werden gegevens gebruikt uit de veldgids ‘Slakken en mossels’ (Jansen, 2015) en van een inventarisatie van de landslakken van Zuid-Holland (Boesveld, 2005). Ook in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), een samenwerkingsverband van overheden ten behoeve van de inwinning van natuurgegevens voor beleid, zijn in het gebied inventarisaties uitgevoerd. Aangetekend moet worden dat naar naaktslakken (slakken zonder slakkenhuis) veel minder is gezocht. Deze groep is op de soortenlijst nog ondervertegenwoordigd.

Bij een excursie benodigd verzamelmateriaal: zeven voor het uitzeven van strooisel, harkje, monsterzakjes, rugzak met proviand, loep, pincet en divers ander verzamel- en documentatiemateriaal. (Foto: Tello Neckheim).

Zoetwaterweekdieren

Dit hoofdstuk gaat over landslakken. Hoewel in de Duinen van Oostvoorne diverse droogvallende poelen, waterhoudende vijvers, geulen en allerlei drassige plaatsen aanwezig zijn waar ook in zoet- en brakwater levende slakken en tweekleppigen voorkomen, worden die hier verder niet uitgebreid besproken. Het Oostvoornse Meer is brak met een wisselende saliniteit. Op de meeste andere plaatsen is het water zoet. Maar net als in de andere duingebieden in Nederland leven in de duinwateren van Oostvoorne relatief weinig weekdiersoorten en ontbreken de echt zeldzame soorten. Er is in ons land één bijzondere duinsoort die vrijwel uitsluitend voorkomt in schone heldere duinplasjes. Dat is de Gladde schijfhoren Gyraulus laevis, een zeldzame schijfhorenslak waarvan het aantal vindplaatsen in Europa achteruit lijkt te gaan. Uit het onderzoeksgebied is deze soort niet bekend. Dat is wel het geval bij de Platte schijfhoren Anisus vorticulus. Deze is opgenomen in de bijlagen II en IV van de Habitarichtlijn en geniet daardoor in Nederland en Europa speciale bescherming. Op de Rode Lijst staat deze soort gekwalificeerd als kwetsbaar (KW). De Platte schijfhoren is tijdens bemonsteringen in 2010 meerder malen aangetroffen in het Quackjeswater.

De landslakken

Landslakken kun je grofweg onderverdelen in huisjesslakken en naaktslakken. Je zou het van een dier waarvan het lichaam voor het grootste deel uit water bestaat misschien niet verwachten, maar er zijn meerdere soorten slakken die voornamelijk voorkomen in droge en zandige duinen. Duingebieden bestaan niet alleen uit open zandige plaatsen maar ook uit bossen en moerassen met alle tussenliggende gradiënten. In de Duinen van Oostvoorne komen vergeleken met andere duingebieden in Nederland de meeste soorten landslakken voor en de dichtheden zijn er vaak eveneens opmerkelijk hoog. Het gebied staat bekend om de diversiteit aan biotopen. In elke specifieke habitat komen specifieke soorten landslakken voor. Maar er zijn ook landslakken die op vrijwel alle plaatsen kunnen leven.

Links: Typische huisjesslak: de Zwartgerande tuinslak Cepaea nemoralis; zowel algemeen in duingebieden als elders in het land. Geel exemplaar  met donkere kleurbanden, Oeverlanden Amsterdam 5-7-2014 (Foto: Tello Neckheim); rechts: Grijze wormnaaktslak Boettgerilla pallens. Naaktslakken hebben in de loop van de evolutie hun slakkenhuis verloren. Oostvoorne 20-8-2021 (Foto: Tello Neckheim).

In de zeereep en droge duinen

In de droge zeereep komen voornamelijk slakken voor die zich hebben aangepast aan droogte en warmte. Niet voor niets worden sommige van deze soorten duinslakken genoemd, hoewel ze ook elders in het land voorkomen (zie verder bij Duinslakken). Ook een uit heel Nederland bekende soort als de Segrijnslak kan op bepaalde plaatsen in de zeereep en het droge duin overleven, als het niet té droog wordt tenminste. Hetzelfde geldt voor de Zwartgerande tuinslak, waarvan je in grote delen van de zeereep de huisjes kunt vinden. Die hebben meerdere kleurpatronen, van eenkleurig geel, bruin of roze, tot exemplaren met diverse donkere kleurbanden. Opvallend is dat op plaatsen met veel zon de huisjes vaker lichter zijn dan in beschaduwde bossen. Lichte kleuren weerkaatsen de zon namelijk beter, waardoor gele slakken beter bestand zijn tegen warmte en droogte. Op iets meer beschutte plaatsen in de duinen leven onder takken, stenen en in mos twee soorten tonnetjes. Het Mostonnetje kun je een echte duinsoort noemen. Dit slakje leeft veel onder stenen en hout en in mos in duingebieden. Maar ook elders in het land is de soort op vergelijkbare plaatsen te vinden. In de Duinen van Oostvoorne komt ook het Genaveld tonnetje (Rode Lijst soort) aanwezig. Deze is ook te vinden op wat meer begroeide plaatsen en in bosranden of op muurtjes. Tonnetjes zijn verhoudingsgewijs kleine soorten, net als de Slanke agaathoren en de Scheve jachthorenslak, die beide ook kunnen overleven in relatief droge biotopen.

Zwartgerande tuinslak Cepaea nemoralis. Een van de bekendste slakken van ons land. Ook algemeen in duingebieden. Egaal bruin exemplaar zonder kleurbanden, Oostvoorne 20-8-2021 (Foto: Tello Neckheim.)

 

Mostonnetje Pupilla muscorum, kruipend op een arm. Klein slakje (5 mm hoog) met een huisje als een klein ouderwets (regen)tonnetje. Oostvoorne, 20-8-2021 (Foto: Tello Neckheim.)

Onder struiken, langs bosranden en in bossen

Slakken leven vaak in de strooisellaag. Dus daar waar veel afgevallen bladeren en takjes liggen. Daar blijft het lang vochtig en groeit ook mos. Bosjes en struikgewas zijn dan ook voor veel soorten landslakken een goed leefgebied. In de soortenlijst is te zien welke soorten daar voorkomen. Vaak zijn het ubiquisten, soorten die je in zeer veel uiteenlopende biotopen kunt aantreffen. Voorbeelden zijn algemene huisjesslakken als het Boerenknoopje, de Geribde jachthoren, de Doorschijnende glasslak, de Haarslak en ook het minieme Dwergpuntje (1,4 mm). Behalve enkele naaktslakken die alleen bij regen in bossen tevoorschijn komen, kun je tot de echte bossoorten ook een fraai slakje rekenen dat een klein bol huisje heeft met gebogen stekeltjes: het Stekelslakje (2 mm). Die vind je vrijwel uitsluitend in de strooisellaag van bossen. In de Duinen van Oostvoorne is het Stekelslakje vrij zeldzaam.

Links: Haarslak Trochulus hispidus. Onder hout, tussen pissebedden. Het huisje heeft kleine haartjes (8 mm). Oostvoorne 20-8-2021; rechts: Stekelslakje Acanthinula aculeata (3 mm). Noord Hollands Duinreservaat 30-4-2012 (Foto’s: Tello Neckheim.)

Op vochtige plaatsen; langs oevers en in vochtig bos

In de Duinen van Oostvoorne zijn veel vochtige plaatsen. Echte moerassoorten zijn de Donkere glimslak, de Slanke agaatslak en een klein naaktslakje met de naam Kleine akkerslak. Maar ook de Dikke korfslak (Rode Lijst soort), de Bolle dwergslak, de Gladde tolslak, de Grote kristalslak en nog een aantal andere soorten zijn vooral op natte plaatsen te vinden.

De Wijngaardslak

Niet te missen in de Duinen van Oostvoorne is de Wijngaardslak. Deze grote bij wet beschermde soort is op meerdere plaatsen in de binnenduinen aan te treffen. Het slakkenhuis kan ruim 5 cm worden. Vooral na een regenbui is de soort vaak actief en kun je ze relatief snel voortkruipend aantreffen. Het dier is niet schuw, maar als je ze aanraakt worden de ogen op steeltjes als eerste ingetrokken of trekken ze zich zelfs helemaal in hun grote huis terug. Bij droog weer tref je de dieren vastgeplakt op een boom aan of gewoon op de grond tussen planten en struiken. Ze kunnen zich goed onvindbaar maken en zich zelfs in de bodem ingraven. Ook hun eitjes leggen ze in een holletje in de grond en in zelfgegraven holen brengen de slakken ook de winter door. Na de winter kruipen de Wijngaardslakken uit hun holen. Van mei tot en met juli is het de tijd voor verleiden, voorspel en paren. Zoals de meeste slakken zijn Wijngaardslakken tweeslachtig (hermafrodiet); ze hebben zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Desondanks doen ze niet aan zelfbevruchting. Ze zoeken altijd een partner en bevruchten elkaar wederzijds. En dat gaat niet zonder slag of stoot. De dieren vertonen opvallend paringsgedrag, waarvan ook een soort paringsdans deel uitmaakt. Als twee Wijngaardslakken elkaar ontmoeten, betasten ze elkaar met de (vier) voelhorens. Dan klampen ze zich aan elkaar vast, richten zich heftig bewegend hoog op, waarbij de monddelen elkaar betasten. Na een tijdje verstrengeld heen en weer wiegen, zakken ze uitgeput weer naar de bodem. Maar na een rusttijd begint het liefdesspel opnieuw. Dit alles kan soms wel 20 uur duren. Op een bepaald moment kan de ene partner een 7 tot 11 millimeter lange kalkpijl, de zogenaamde liefdespijl, in het lijf van de ander schieten. De geprikte partner kan eveneens een pijl afschieten. Met die liefdespijl wordt een hormoonstof in de partner overgebracht. Op een gegeven moment komt uit beider geslachtsopeningen het mannelijk geslachtsorgaan te voorschijn, een melkwit slurfachtig geheel dat ze om elkaar heen kronkelen, om vervolgens in de vrouwelijke geslachtsopening van de partner te verdwijnen. Tijdens deze eigenlijk paring, die hoogstens een kwartier duurt worden zaadpakketjes aan de wederhelft overgedragen. Daarna trekken beide partners zich terug en gaat ieder weer zijn/haar weg. Overigens is de Wijngaardslak niet de enige slak die een dergelijk gedrag vertoont en liefdespijlen afschiet. Ook bij het iets kleinere familielid de Segrijnslak en diverse andere soorten komen liefdespijlen en een zekere (zij het veel minder uitgebreide) paringsdans voor.

De Wijngaardslak staat ook bekend als Escargot en wordt in de landen om ons heen als delicatesse gegeten. Zonder beschermde status zou dit populaire dier door het wegvangen snel uit ons land verdwijnen. Gelukkig voor de liefhebbers zijn er speciale slakkenfarms waar voor consumptie bestemde dieren worden gekweekt. Ook de lege huisjes mogen niet verzameld worden. Hoewel deze regel discutabel lijkt voor wat betreft de bescherming van de soort, is een leeg slakkenhuisje nuttig in de natuur. Veel soorten insecten en spinnen maken gebruik van het lege huisje om in te schuilen en er zijn zelfs bijensoorten die speciaal een slakkenhuisje gebruiken om hun ei in te leggen. Ook kleine mierensoorten maken er soms een nest in. De kalk die afbrekende slakkenhuisjes oplevert is belangrijk voor de bodem en de vegetatie en de kringloop van het kalk komt ook weer ten goede aan andere slakken. De kalk is ook belangrijk voor vogels, voor de aanmaak van eieren.

De Wijngaardslak komt in de Duinen van Oostvoorne verspreid voor in een gebied dat zich uitstrekt van het Breede Water in het noorden tot en met de Stekelhoek in het zuiden. De soort is daar nergens echt talrijk. Het meest algemeen zijn de dieren in gemengde bossen ten oosten van het Breede Water en het aangrenzende binnenduinbos Strypemonde (Boesveld, 2005).

Wijngaardslak Helix pomatia. De grootste huisjesslak uit de duinen van Voorne (6 cm). Strypermonde 20-8-2021 (Foto’s: Tello Neckheim.)

Duinslakken

De meeste soorten duinslakken die nu in de Nederlandse duinen voorkomen, zoals de Slanke duinhoren en de Bolle duinhoren,hebben zich ten minste deels onder invloed van de mens verspreid. Het zijn van oorsprong niet-inheemse Zuid-Europese en Atlantische soorten die, omdat de mens een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verspreiding en vestiging in ons land, ook wel gerekend worden tot de exoten. Ook in de Duinen van Oostvoorne komen diverse soorten uit deze groep voor, zoals in de gemaakte duinen en bermen ten noorden van het Oostvoornse Meer. Opvallend is dat de beide duinhorens aan de randen van die aangelegde duinenrij voorkomen en dus mogelijk aangevoerd zijn met materiaal en grond. De Bolle duinslak is een algemene soort op kalkrijke onbeschaduwde spaarzaam begroeide zandige plaatsen. Met name richting zeereep kun je deze kleur- en vormvariabele soort aantreffen. Veelal vind je dan ook lege huisjes van vorige generaties. De Griekse duinslak lijkt veel op de Bolle duinslak maar heeft grovere ribben op het huisje en is in het Voornse Duin zeldzamer. Op een enkele plek komt in het gebied ook de Afgevlakte duinslak voor. Hiervan is het huisje duidelijk platter. De populatie die in de duinen leeft is amper gekleurd: de huisjes zijn vrijwel geheel kalkwit. Een recente nieuwkomer is de Zandslak, deze soort verspreidt zich snel in Nederland en gedraagt zich qua verspreiding als een echte pionier. Deze slak met vaak mooi getekende huisjes is massaal te vinden op struiken of paaltjes, waarin ze omhoog klimmen om de hitte op de grond te vermijden. Na regen of in koelere nachten gaan de slakken dan op zoek naar algen of planten. Het Duintolletje is in Nederland voor het eerst aangetroffen op de Brouwersdam. Dit kleine slakje wordt in de duinen langs de Nederlandse kust geleidelijk algemener en komt van oorsprong eveneens uit zuidwestelijk Europa. In de Oostvoornse kalkrijke en droge duinen zijn verder nog de Grofgeribde grasslak en de Fijngeribde grasslak te vinden, die zich hier eveneens als echte warmteverdragende duinsoorten gedragen (de laatste is een Rode Lijst-soort). Opmerkelijk is dat deze soort hier in de duinen wat kleiner blijft dan op sommige plaatsen in de Noord-Hollandse duinen (eigen waarnemingen). Ook kartuizerslakken, respectievelijk de Grote kartuizerslak en de Kleine kartuizerslak zijn in de Duinen van Oostvoorne te vinden. De Grote houdt meer van vochtige duinpannen en bosranden, de Kleine is meer een soort van open veld met houtachtige, opgaande vegetatie (en is een Rode lijst soort).

Twee soorten van de familie der duinslakken. Links de Bolle duinslak Cernuella virgata. Een huisjesslak met een variabel huisje, zowel mét kleurbanden als zonder en gewoonlijk vage dwarsribjes. Rechts de Griekse duinslak Cernuella cisalpina. De huisjes hebben gewoonlijk sterkere dwarsribben. Brouwersdam, november 2021. (Foto’s: Joop EIkenboom.)

Clausilia’s (raketjes)

De soorten uit deze familie hebben huisjes die uit een groot aantal, steeds iets in grootte toenemende windingen bestaan. Ze lijken wel op raketjes. Opvallend is dat deze huisjes niet gewoon rechtsgewonden zijn (met de top omhoog zit de mondopening rechtsonder) maar in spiegelbeeld gedraaid. Ze zijn linksgewonden in plaats van ‘normaal’ rechtsgewonden. Het voor Nederland zeldzame Vergeten schorshorentje is in de duinen van Voorne in vergelijking met de duinen meer naar het noorden vrij algemeen. Dit is een boombewonende soort die op de schors van wilgen, iepen en populiersoorten voorkomt, maar ook wel op Paardenkastanje, Gewone esdoorn, Meidoorn en Wegedoorn. Niet op Zomereik en Beuk en zeker niet op naaldbomen; de zuurgraad van de schors is te hoog voor deze soort. De sterk gelijkende Slanke schorshoren Balea perversa leeft meer landinwaarts, eveneens op schors van bomen. Anders dan andere Clausilia-soorten maken schorshorentjes niet echt deel van de fauna van de strooisellaag en komen ze zelden op de grond. Interessant is dat hun directe neefje de Vale clausilia helemaal niet voorkomt in de Duinen van Oostvoorne. Deze soort is (plaatselijk zeer) algemeen in de Noord-Hollandse duinen en leeft daarnaast onder meer ook langs de grote rivieren, rond Nijmegen en in Limburg. Waarom deze soort niet in de Voornse duinen voorkomt is onbekend; de juiste biotoop is zeker aanwezig. Deze soort komt wel voor wel in de strooisellaag evenals op valhout en op stammen van bomen. Hetzelfde geldt voor een andere soort: de Grote clausilia die in grote delen van Nederland vrij algemeen voorkomt. Ook in de Duinen van Oostvoorne is deze soort met een relatief groot huisje (tot ruim 10 mm) aanwezig, zij het nog op een enkele plaats. Deze slak lijkt zich overigens landelijk in de Nederlandse duingebieden uit te breiden.

Vergeten schorshoren Balea heydeni. (10 mm), levend op schors van Wegedoorn. Quackjeswater 26-7-2021 (Foto: Tello Neckheim.)

Vergeten schorshoren Balea heydeni. (10 mm), Quackjeswater 26-7-2021 (Foto: Joop Eikenboom).

Korfslakken

Korfslakken hebben een huisje als een ouderwets bijenkorfje en zijn klein (vaak hoogstens 2,5 mm). Je moet er goed naar zoeken en de soorten worden vooral door specialisten gevonden. Er leven in de Duinen van Oostvoorne meerdere soorten. De vanuit natuurbescherming en -behoud belangrijkste en daardoor bekendste soort is de Nauwe korfslak. Deze staat vermeld in bijlage II van de Habitatrichtlijn van de Europese Unie. De Habitatrichtlijn is bedoeld om de biodiversiteit in stand te houden door de wilde flora en fauna en hun habitat te beschermen. In de Duinen van Oostvoorne komt dit beschermde slakje algemeen voor in de geschikte habitat. De dichtheden van de plaatselijke populaties zijn hier, vergeleken met voor­komens elders in de Nederlandse kustduinen, relatief hoog. Zo is de soort boven het Noordzeekanaal veel zeldzamer en afwezig in de kalkarme duinen. In het gebied onder het Noordzeekanaal zijn de dichtheden in de duinen hoger, zeker meer naar het zuiden toe. Meer naar het noorden langs de kust leeft de soort onder andere op de hoge kwelders van Schiermonnikoog en Rottumeroog en -plaat, maar ontbreekt het dier verder in het Waddengebied. De Duinen van Oostvoorne vormen dus een belangrijk leefgebied voor de Nauwe korfslak in Nederland. Dat maakt dat de beheerders van dit gebied een verantwoordelijke rol hebben bij het in stand houden van deze soort.

Het huisje van de Nauwe korfslak is, net als bij de Clausilia’s, opvallend genoeg in spiegelbeeld gedraaid (linksgewonden). Het wordt hoogstens 1,8 x 0,9 mm en is meestal glanzend bruin tot roodbruin gekleurd. Op het huisje staan schuine dwarsribbels en in de mondopening zitten diverse kenmerkende tandplooien. De dieren zijn levend te vinden onder valhout en in mos in open terrein en langs zomen in de strooisellaag. Vaak is er een relatie met populieren en Duindoorn omdat het bladstrooisel van specifiek deze soorten veel kalk bevat wat gemakkelijk kan worden afgegeven aan de omgeving en kan worden opgenomen door slakken. Het huisje van de Kleine korfslak is eveneens linksgewonden en lijkt op de Nauwe korfslak, maar wordt groter en een stuk zeldzamer in het Oostvoornse duingebied (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Noord-Hollandse duinen). De overige korfslakken hebben een normaal (rechts-) gewonden huisje. Zo ook de Bolle korfslak. Deze soort leeft verspreid in Nederland in drassige gebieden en is relatief algemeen in de Duinen van Oostvoorne in vochtige gebieden, zoals bij het Quackjeswater. Het is een soort van de Rode Lijst en het voorkomen ter plaatse geeft aan dat de biotopen van blijvende natte zoetwatergebieden vaak bijzonder zijn. De vierde echte korfslak in de Duinen van Oostvoorne is de Dwerg-korfslak. Deze leeft op relatief drogere plaatsen verspreid door het hele land. Ook hier is dat het geval, onder meer onder struiken, in mos en in bosgebieden. Andere korfslakken uit het gebied hebben anders dan de eerder behandelde korfslakken geen tandplooien in de mondopening van het huisje. Dit betreft twee soorten uit het geslacht Columella (resp. de Tandloze korfslak en de Ruwe korfslak) en de Cilindrische korfslak, een minieme soort die sterk aan kalk gebonden is en slechts eenmaal uit het gebied gemeld is.

Nauwe korfslak Vertigo angustior (2 mm). Het huisje van deze beschermde soort (Habitatrichtlijn) is van nature linksgewonden. (Fotos: Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON)

Beheer en bescherming

Specifiek voor Voorne geldt dat hier de grootste populaties voorkomen van de Nauwe korfslak in Neder­land. Dat maakt het gebied alleen al voor de landslakken van groot belang. In het verleden hebben bepaalde beheersmaatregelen voor de Nauwe korfslak behoorlijk negatief uitgepakt. Dat geldt met name het grootschalig afplaggen van duingebied en het inzetten van vee als methode om ‘Grijs Duin’ te vergroten of verbeteren. De behouden refugia waren veel te klein en terreinen met belangrijke populaties werden niet afgerasterd. Omdat er nauwelijks onderzoek werd gedaan naar de gevolgen van deze vormen van be­heer, verdwenen meerdere deelpopulaties van de Nauwe korfslak in de Nederlandse duingebieden of wer­den deze sterk uitgedund of raakten ze versnipperd (Gmelig Meyling et al., 2019; Boesveld et al., 2018). Intussen is er veel aandacht geweest voor deze problematiek en zijn beheerders zich er meer bewust van dat er ook rekening moet worden gehouden met beschermde en andere slakkensoorten en daarmee met de gehele bodemfauna. Vanwege het nog steeds afnemen van veel slakkensoorten in de Nederlandse duingebieden is het belangrijk de Nauwe korfslak en andere weekdieren in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) te blijven monitoren. Voor de Nauwe korfslak, met landelijk gezien grote dichtheden in de populaties ter plaatse, is een uitbreiding van het aantal meetpunten in de Duinen van Voorne wenselijk. Dan zijn ook op gebiedsniveau significante trends voor deze beschermde soort vast te stellen en ontstaat meer inzicht in de populatieveranderingen. Wat betreft het natuurbeheer in duingebieden blijven voor de Nauwe korfslak en daarmee verbonden slakken de belangrijkste adviezen kleinschalig beheer, zoveel mogelijk beperken van afplaggen, afrasteren van refugia en het instellen van grotere refugia.

 

Slakkenexpert Joop Eikenboom in actie bij het Quackjeswater tijdens een speciale slakkenexcursie in de duinen van Oostvoorne op 26 juli 2021. (Foto: Tello Neckeim.)

Nawoord

Na het schrijven van dit artikel vertelde Sylvia van Leeuwen, dat zij recent op zoek is geweest naar land- en zoetwaterslakken in de duinen van Voorne. En heeft hier een rapport van geschreven voor Het Zuidhollands Landschap. Er zijn tijdens haar bezoeken geen soorten landslakken waargenomen die nog niet in de lijst stonden. In haar verslag vermeld zij 22 soorten zoetwatermollusken gemeld van de Tenellaplas, Heveringen, Inspectiepad en omgeving vliegveld. Ook geeft Sylvia aan dat er meerdere soorten te verwachten zijn zoals Aplexa hypnorum en Assiminea grayana. In de Tenellaplas was de zoetwater weekdierfauna het meest divers. In de literatuurlijst wordt het verslag door haar geschreven vermeld (van Leeuwen, 2021).

Tabel 1. Soortenlijst Voorne

Wetenschappelijke naam Nederlandse naam Biotoop Rode lijst
1 Acanthinula aculeata Stekelslakje op kalkrijke zandgrond met vegetatie
2 Aegopinella nitidula Bruine blinkslak onder struiken, in bos
3 Alinda biplicata Grote clausilia diverse plaatsen, ook antropogeen
4 Arianta arbustorum Heesterslak onder struiken, in bos
5 Arion circumscriptus Grauwe wegslak onder struiken
6 Arion intermedius Egel-wegslak onder struiken
7 Arion rufus Oranje wegslak algemeen
8 Balea heydeni Vergeten schorshoren op schors van bepaalde bomen
9 Balea perversa Slanke schorshoren op schors van bepaalde bomen Bedreigd
10 Boettgerilla pallens Grijze wormnaaktslak voornamelijk ondergronds
11 Candidula gigaxii Fijngeribde grasslak open droge kalkrijke duinen, gras Bedreigd
12 Candidula intersecta Grofgeribde grasslak droge duinen, gras
13 Carychium minimum Plompe dwergslak vochtige tot natte strooisellaag, oevers
14 Carychium tridentatum Slanke dwergslak vochtige strooisellaag
15 Ceciliodes acicula Blindslakje ondergronds
16 Cepaea nemoralis Zwartgerande tuinslak onder struiken, in gras, in bos
16 Cernuella cisalpina Griekse duinslak droge duinen, gras, mos
17 Cernuella neglecta Afgevlakte duinslak droge duinen, gras, mos
18 Cernuella virgata Bolle duinslak droge duinen, gras, mos
19 Cochlicella acuta Slanke duinhoren droge duinen, gras, mos
20 Cochlicella barbara Bolle duinhoren droge duinen, gras, mos
21 Cochlicopa lubrica Glanzende agaathoren struiken, bos
22 Cochlicopa lubricella Slanke agaathoren droge en vochtige strooisellaag
23 Columella aspera Ruwe korfslak bos, ook op aride plaatsen
24 Columella edentula Tandloze korfslak vochtig tot nat, oevers Kwetsbaar
25 Cornu aspersum Segrijnslak op diverse plaatsen, ook antropogeen
26 Deroceras invadens Zwervende akkerslak met name antropogeen
27 Deroceras laeve Kleine akkerslak oevers, gras, vochtige plaatsen
28 Deroceras reticulatum Gevlekte akkerslak onder struiken, in bos
29 Discus rotundatus Boerenknoopje onder struiken, in bos
30 Euconulus fulvus Gladde tolslak diverse plaatsen, ook aride plaatsen
31 Euconulus praticola Moeras-tolslak vochtige tot natte strooisellaag, oevers
32 Helix pomatia Wijngaardslak bos en bosranden, kalkrijke grond Kwetsbaar
33 Hygromia cinctella Gekielde loofslak vochtige duinen, bosjes, antropogeen
34 Lauria cylindracea Genaveld tonnetje droge duinen, muurtjes bosranden Kwetsbaar
35 Limax maximus Tijgerslak in bos, diverse plaatsen, ook in tuinen
36 Lucilla scintilla Aardschijfje ondergronds
37 Monacha cantiana Grote kartuizerslak vochtige duinen
38 Monacha cartusiana Kleine kartuizerslak droge open plaatsen Bedreigd
39 Nesovitrea hammonis Ammonshorentje struiken, bos, ook op aride plaatsen
40 Oxychilus alliarius Look-glansslak in houtmolm, ook op aride plaatsen
41 Oxychilus cellarius Kelder-glansslak in vochtige duinen, ook antropogeen
42 Oxychilus draparnaudi Grote glanslak diverse plaatsen, ook antropogeen
43 Oxyloma elegans Slanke barnsteenslak natte oevers of moeras
44 Paralaoma servilis Duintolletje op droge tot vochtige open plaatsen
45 Punctum pygmaeum Dwergpuntje onder struiken, in bos
46 Pupilla muscorum Mostonnetje op droge duinen of muurtjes
47 Quickella arenaria Rode barnsteenslak vochtige duinvalleien Verdwenen
48 Succinea putris Barnsteenslak vochtige tot natte plaatsen met vegetatie
49 Succinella oblonga Langwerpige barnsteenslak droge en vochtige strooisellaag
50 Theba pisana Zandslak droge duinen
50 Trochulus hispidus Haarslak diverse plaatsen, ook antropogeen
51 Vallonia costata Geribde jachthorenslak onder struiken, in bos
52 Vallonia excentrica Scheve jachthorenslak droge tot vochtige open plaatsen
53 Vallonia pulchella Fraaie jachthorenslak vochtig bos, struiken, strooisel, oevers
54 Vertigo angustior Nauwe korfslak duinen, strooisel o.a. populier Bedreigd
55 Vertigo antivertigo Dikke korfslak moeras, oevers Kwetsbaar
56 Vertigo pusilla Kleine korfslak bos, droge tot vochtige strooisellaag
57 Vertigo pygmaea Dwerg-korfslak bos, struiken, gras, oevers Kwetsbaar
58 Vitrea contracta Kleine kristalslak droge tot vochtige plaatsen
59 Vitrea crystallina Grote kristalslak vochtig tot nat, oevers
60 Vitrina pellucida Doorschijnende glasslak onder struiken, in bos
61 Zonitoides nitidus Donkere glimslak vochtig tot nat, oevers

Bronnen

Boesveld, A., A.W. Gmelig Meyling, C.M. Neckheim, R.H. de Bruyne, J.H. de Boer & A.D.P. van Peursen, 2018. Nauwe korfslak afgenomen door natuurbeleid. Nature Today 9-JUL-2018. https://www.naturetoday.com/nl/nl/nature-reports/message/?msg=24461

Boesveld, A., 2005. Inventarisatie van de landslakken van Zuid-Holland. EIS2005-13. Stichting European Invertebrate Survey – Nederland.

Gmelig Meyling, A.W., A. Boesveld, J.H. de Boer & C.M. Neckheim, 2019. Het natuurbeleid en de afname van de Nauwe korfslak. Zoekbeeld 9(1): 17-23.

Jansen, E.A., 2015. Veldgids slakken en mossels – land en zoetwater. KNNV Uitgeverij, Zeist.

Eikenboom, Joop, 2021. Excursieverslag dd 26-7-2021 in de Duinen van Voorne met vergelijking naar excursie in 2001. Niet gepubliceerd.

Leeuwen, S. van,, 2021. De weekdieren van Oostvoorne in de duinen van het Zuid-Hollands Landschap in juni 2020. Rapportage aan Het Zuidhollands Landschap. 

Later toegevoegde bronnen:

Boesveld, A. & A.W. Gmelig Meyling (2009). Inventarisatieonderzoek naar het voorkomen van de Nauwe korfslak Vertigo angustior in de Bakenvallei en het Grote Vlak in de Duinen van Voorne in 2009. Rapportage ANEMOON/ Metridium.

Boesveld, A. & A.W. Gmelig Meyling (2010). Voorkomen van de Nauwe korfslak Vertigo angustior in diverse vegetatietypen en biotopen op Voorne en Goeree, alsmede advies voor beheer. Rapportage ANEMOON/Metridium/EIS.

Boesveld, A., W.J.M. Maassen en E. Gittenberger (2005). Twee echte Balea’s in Nederland (Gastropoda, Pulmonata, Clausiliidae). Basteria 69 (1-3): 13- 19.

Henrard, J.B., 1946a. Bijdrage tot de kennis der Molluskenfauna van Oostvoorne. Basteria 10(1-2): 25-32.

Henrard, J.B., 1946b. Over de landslakkenfauna van Oostvoorne. Basteria 10 (3-4): 42-45.

Wallbrink, H., R.H. de Bruyne and J.C.A. Eikenboom (2001). Een nieuwe landslak voor Nederland: Paralaoma servilis (Shuttleworth, 1852) (Gastropoda, Pulmonata, Endodontidae). Basteria, 65(1/3), 89-92.

Zie ook het bericht in Nature Today van 16 november 2022.

In een uitspraak van de rechtbank wordt de overheid (rijk en gemeente Rotterdam) gemaand om natuurcompensatie na voltooiing Tweede Maasvlakte in 2008 werkelijk handen en voeten te geven.

Zie de persrechter met de hele boodschap in 1 minuut.

 

 

 

 

We citeren eerst een artikel van Boris van der Spek uit de NRC, 15 november 2022.(red.)

Bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte werd afgesproken dat de ontstane natuurschade gecompenseerd zou worden. Daar is in werkelijkheid weinig van terechtgekomen.

De overheid moet vaart zetten achter de natuurcompensatie die was afgesproken bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Dat heeft een rechtbank in Utrecht dinsdag bepaald. In april van dit jaar hadden zeven natuurorganisaties een zaak aangespannen omdat zij vonden dat de overheid maar weinig had waargemaakt van de natuurcompensatie die was beloofd bij de aanleg van het megaproject in het Rotterdamse havengebied.

De rechter in Utrecht oordeelde dat de regering inderdaad te weinig heeft gedaan en haast moet maken, negen jaar na de voltooiing van de Tweede Maasvlakte. Binnen zes weken moet minister Christianne van der Wal (Natuur en Stikstof, VVD) met een plan komen voor de invulling van de natuurcompensatie. Binnen zestien weken moet ze een definitief besluit maken. In de uitspraak noemt de rechter een verbod op bodemberoerende visserij, zoals garnalenvisserij, als mogelijke compensatie.

Natura 2000-gebied

Bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte in 2008 werd natuurbeschermingsgebied de Voordelta aangewezen als Europees beschermd Natura 2000-gebied, om zo de natuurschade door de aanleg van het havengebied te compenseren. In de praktijk is er weinig sprake van natuurherstel, stelden natuurorganisaties — waaronder Natuurmonumenten, het Wereld Natuur Fonds en de Vogelbescherming — bij het aanspannen van hun zaak.

De overtreder in de zaak is volgens de rechtbank Havenbedrijf Rotterdam, omdat zij de natuurschade niet genoeg hebben gecompenseerd. Het was echter de verantwoordelijkheid van Van der Wal om daarop toe te zien, zei de rechter. In een reactie aan persbureau ANP zegt het Havenbedrijf dat het ministerie met oplossingen moet komen. „Wij als Havenbedrijf gaan niet over bijvoorbeeld het verbieden van garnalenvisserij in de Voordelta”, aldus een woordvoerder.

Natuurmonumenten meldt in haar persbericht van 15 november: “In 2008 ging in een klap 2455 hectare rijke onderwaternatuur voor de kust van Zuid-Holland en Zeeland verloren door de aanleg van de Tweede Maasvlakte voor Rotterdam. Het nieuwe industriegebied werd er simpelweg bovenop gestort.” Lees verder hun pleidooi voor een zeereservaat. Of het hele dossier: prachtig online!

Industrie op Maasvlakte 2, kitesurfers en natuur. Foto Marieke Brouwer.

Bij de voorbereiding van het boek Duinen en Mensen Voorne stuitten we op een liedje van Louis Davids over Oostvoorne uit het midden van de jaren 1930. Het archief van Openluchtmuseum De Duinhuisjes te Oostvoorne bood uitkomst: we hebben tekst en muziek van ‘Alleen in Oostvoorne’ nu compleet. VVV Oostvoorne publiceerde toen een seizoensfolder waarin het lied met muziek was opgenomen.

De datering lijkt duidelijk. In het lied wordt de archeologische opgraving op het Burcht-terrein genoemd, en dat was een project van de werkverschaffing uit 1934. De tekst van het lied is gepubliceerd in de Nieuwe Brielsche Courant van 12 juni 1934. Eerder werd al een optreden aangekondigd voor 10 juni 1934, in Vreewijk in Oostvoorne (speeltuin en etablissement), alwaar de vierkoppige ‘Old Dixie Fun Band’ de hele dag zal optreden én o.a. ‘het nieuwste lied van Louis Davids’ zal uitvoeren.

Wie weet hier meer over? Wie heeft een geluidsopname, met Louis Davids? Was het een commerciële klus voor deze grote volkszanger, voor de RTM (tram en stoomboot) bijvoorbeeld, en/of had deze geboren Rotterdammer een band met Oostvoorne? Het is niet ondenkbaar dat hij zoals wel meer Rotterdammers in zijn jeugd met de tram of de stoomboot hier kwam optreden (als ‘miniatuurkomiek’) of recreëren. Wie weet er meer van en kan ons voorzien van verhalen over deze curiositeit?  Mail ons: info@duinenenmensen.nl.

(Nico van der Wel)

Voor verschillende deelgebieden op Voorne heeft Henk Terhell zijn mooiste beelden verzameld. U treft ze op de locaties hieronder.

Quackjeswater

Strypemonde en nabij Tenellaplas

Overbosch en Kranenhout

Duinen van Oostvoorne

Mildenburg

 

Door: Rolf Roos en Nol Freijsen (overleden 24 augustus 2021)

Met dank aan Frans Beekman, Bob Benschop, Jacqueline van Hoey Smith en Nico van der Wel

Dit verhaal is ontleend aan het boek Duinen en mensen Voorne (2023).

Persbericht: Het Berkenrijs bestaat nog steeds

Berkenrijs’ is een oude term voor de oogst aan takken en twijgen uit berkenhakhoutbos. Op Voorne is ‘Berkenrijs’ een veldnaam die al voorkomt in stukken en op kaarten uit de Middeleeuwen. Het berkenhakhout dat er ooit moet zijn geweest is nauwelijks meer terug te vinden, maar de veldnaam is gebleven. Aan de binnenduinrand op de grens van Oostvoorne en Rockanje treft men dicht bij elkaar drie wegen aan met gelijkluidende namen. Eén heet kortweg ‘Berkenrijs’ en ook treffen we een ‘Berkenrijspad’ en de ‘Berkenrijsweg’. Wat was het oorspronkelijke Berkenrijs en waar lag het? En tenslotte: wat vinden we er in het veld nog van terug?

Vaak wordt verondersteld dat de duinen van Voorne zo goed als boomloos waren door het gebruik van alle houtgewas voor kachels en ovens, door beweiding met vee en (van 1400 tot 1950) en de vele konijnen tot ca 1960. Maar dit beeld is vertekend. Er waren hakhoutbosjes, houtwallen rond landerijen, jachtbosjes en er was aanplant bij huizen. Ook waren er houtopstanden voor de heren en vrouwen van Voorne en hun opvolgers, de graven van  Holland Het gebruik van houtopstanden was soms nauwkeurig voorgeschreven, getuige enkele grafelijke rekeningen uit de 13eeeuw. Zo geeft graaf Floris V ten gunste van Albert, heer van Voorne (1273) en later van Katharina, vrouwe van Voorne (1283) toestemming dat ze varkens ‘mogen weiden in de hout, genaamd de weide van Voorne, zonder vademinge [belasting] verschuldigd te zijn.‘ Het boslandschap loopt blijkbaar moeiteloos over in een beweid landschap en de graaf valt zijn bemiddelde leenheer niet lastig met een extra varkensbelasting.

Hoe komen we nu meer te weten?  De meeste gegevens in ons artikel zijn ontleend aan grafelijke domeinrekeningen die zijn samengevat in een tekst van A.A Arkenbout (1974) over het kasteleinschap van de burcht van Oostvoorne. Dit was het ‘kasteelheerschap’, een voornaam ambt dat naast plichten ook veel rechten omvatte en een gewilde functie was. Ook Karel V, die als graaf van Holland ook heer van Voorne was, stelde een kastelein aan om hof en burcht te beheren. Kasteleins woonden te Brielle en hadden in Oostvoorne op de (verdwenen) voorhof van de burcht een slaapkamer tot hun beschikking. De kastelein mocht ook hakhout uitbaten, en in hun administratie komen we de vroegste vermeldingen van het Berkenrijs tegen.

Burcht op tekening ca 1650 met laatste fragment voorburcht.

Activiteiten in het Berkenrijs in de 15e-eeuw

Berkenrijs wordt voor het eerst met naam en toenaam genoemd in 1418. Het gaat om ‘een bosch t Oestvoirn ins mijns heeren duynen ende heet berkenrijs‘. In dat jaar verzorgde men aanplant, mogelijk gaat het om de eerste aanleg. De kosten zijn fors, meer dan 60 mensen werken mee. Coen Willemsz. kooopt 20.000 elzen te Alphen. Met zeven wagens gaan ze via Brielle naar de duinen. Ook de namen van de planters zijn bekend: Volkert Willemsz., Dirc Hugensz., Boudin die Nayer en Tijstgen Jansz. Ze poten de bomen met 57 helpers in een enkele dag. De kosten van de maaltijd van die dag, bestaande uit brood en kaas, zijn voor de rentmeester van de heer van Voorne. De bomen worden tegen vraat van o.a. konijnen met pek ingesmeerd. Deze investering in bos gaat gepaard met aanstelling van boswachters (kosten 3 pond per jaar) die omheiningen verzorgen en schadelijk wild op afstand moeten houden. De investering moet gaan renderen door de verkoop van het hout aan de bevolking van Voorne en wellicht voor het vuurbaken. Het aantal geplante bomen doet ons veronderstellen dat het beplante gebied ongeveer 1 hectare groot was (bij aanplant van hakhout op een onderlinge afstand van 1 meter kan je er ca 100 op een are planten). Wellicht was de oppervlakte groter als de elzen verder uiteen werden gezet.

Opvallend is dat er geen berken worden aangeplant, maar elzen. De naam ‘Berkenrijs’ wijst erop dat er hiervóór in een natuurlijke situatie berken zijn gehakt. De aanplant van elzen in plaats van berken zal een commerciële keuze zijn geweest. Misschien vanwege de groeiomstandigheden (vochtige grond in laagtes in het duin), misschien vanwege geringe opbrengst van berken (minder goed brandhout?).

INTERMEZZO: Hakhoutbos

De keuze voor elzen bij de aanplant wijst er op dat het om een nat gebied gaat waaruit waarschijnlijk hakhout werd geoogst (kap eens in de ca 10 jaar). Na de kap komen de stronken weer tot groei, veelal met meerdere dunne stammen. Door kapwerk in stroken te doen, kan een bosperceel elk jaar geld in het laatje brengen. De verkochte takken en stammetjes werden voor allerlei doelen gebruikt, zoals stutten, stelen voor gereedschap en als brandstof. De toenmalige naam voor dit gekapte hout is ‘rijshout’, vandaar het woord ‘rijs’ in de naam van deze bossen (rijshout is een algemene term, niet specifiek voor elzen). De jonge bomen genoten een zekere bescherming, doordat hakhoutbos werd omgeven door een wal met struikgewas (meestal meidoorn en duindoorn) dat ongenode gasten tegenhield. Behalve het Berkenrijs waren er op Voorne nog andere hakhoutbossen, bijvoorbeeld het bos van het Windgat. Soms zijn daaruit landgoedbossen ontstaan, zoals in het geval van Strypemonde en de Mildenburg.

Vanaf halverwege de 15e eeuw

Zo’n 45 jaar later, in 1453-1454, duikt het Berkenrijs weer op in de grafelijke archieven. De Heer van het Land van Voorne, Frank van Borssele, die Voorne in leen heeft van de graaf, blijkt er dan herten en/of reeën te hebben. Hij investeert in een schuur, waarschijnlijk niet meer dan een plaggenhut. Van reebokken kon je toen (en nu) overigens ook last hebben. Uit de rekening van 1457-1458 blijkt dat de heer aan Meester Lambrecht, chirurgijn te Brielle, een bedrag van zeven schellingen en zes groten moet betalen omdat hij een kind ‘gemeestert ende genesen hadde, dat zeer gequetst was van een reede bock, dat mijn heer hadde lopende int Berckenrijs t Oestvoirne’. In 1464-1465 blijkt het Berkenrijs vooral uit elzen te bestaan die gedeeltelijk worden gekapt en tot 1700 takkenbossen (‘mutsaers’) worden gebonden, een behoorlijke hoeveelheid hout. Na de dood van Frank van Borssele schrijft men dat de machthebber van dat moment, de hertog van Bourgondië, in de duinen van Oostvoorne een klein bosje heeft genaamd ‘t Berckenrijs waar ‘veel crayen inne nestelen, die de luyden groot scade doen aen de vruchten op ten acker’. Omwonenden verzoeken dan ook om het hout te laten kappen en dat wordt gehonoreerd.

Het Berkenrijs in de 16e eeuw

Uit stukken van 1518 blijkt het aanbesteden van de kap van het Berkenrijs een feestelijke aangelegenheid was. Ten huize van de kastelein worden veertien maaltijden gebruikt door de rentmeester, officieren en leden van het gerecht van Brielle. Men is per schuit van Brielle naar Oostvoorne gekomen, wat eveneens wordt betaald.

Door geldzorgen gedwongen verkoopt keizer Karel in een akte te Brussel op 14 juli 1536 diverse renten en andere inkomsten uit de domeinen, waaronder het kasteleinschap van Oostvoorne. Karel V en zijn erfgenamen behouden zich echter het recht voor om het ambt tegen het bedrag van verkoop terug te mogen kopen. Er is bij deze verkoop echter een uitzondering gemaakt voor het bos in de duinen van Oostvoome, genaamd ‘Het Berckenrijs’, dat keizerlijk domein (bezit) blijft. Zo lang zal dat niet meer zijn want in 1581, na de Opstand en het ontstaan van de Republiek, vervallen de bezittingen aan de Staten van Holland. Wel blijven deze domeinen nog lang ‘Grafelijkheidsduynen’ heten. Pas in 1725 verkopen de Staten de duinen van Oostvoorne aan een particulier, Gerard Bicker van Swieten. Hij heeft dan gekocht ‘de duynen met het Berkenrijs’. Hij transporteert op 15 juli 1744 dit gebied voor 3036 florijnen aan Diederik van Leyden, de toenmalige ambachtsheer van Oostvoorne.

De 16e-eeuwse auteur Adriaen Terling Willemsz, destijds rector van het Sint Catharinaklooster in Brielle in de heerlijkheid Voorne, meldt dat het Berckenrijs een oord was waar de heren en vrouwen van Voorne wandelden. Een vroeg voorbeeld van recreatie in de duinen?

Bijzonder is in 1552 de vermelding door Merula van gebruik en vernieling van het Berkenrijs, in een verordening voor het Land van Voorne, met niet-malse straffen: “Omdat wij vernomen hebben dat, ten behoeve van feesten (o.a. kermissen, schutterijen, bruiloften), zoveel bomen uit onze Berkenrijs of bossen worden gekapt en meegenomen, dat gevreest moet worden dat, tenzij daartegen wordt opgetreden, binnenkort de Berkenrijs volledig vernield zal zijn. Daarom verbieden wij iedereen (geestelijkheid, adel of ambachtsman), om enig mei of ander hout te hakken of af te breken in ons bos op een boete van 10 karolus gulden (1/3 voor de heer, 1/3 voor de aangever, 1/3 voor de baljuw). Wie niet kan betalen zal lijfelijk gestraft worden.”

Uit al deze vermeldingen kunnen we concluderen dat het Berkenrijs of Berckenrijs een niet onbelangrijk hakboutbos was, zelfs zodanig dat Karel V het ook in tijden van (geld)nood in bezit hield. Vergelijkbare bossen met de naam Berkenrijs treffen we in de regio Den Haag (Vogelaar, 2012). Het Berkenrijs was in de bronnen onderdeel van de Heerenduinen of Grafelijkheidsduinen, maar waar lag het nu precies?

Berkenrijs op de kaart: twee locaties

Een oudste geografische vermelding  is uit 1479. Berkenrijs ligt aan de oostzijde van ’t Wintgat (van der Graaf & Wind, 1985). Het Wintgat was destijds overigens een veel ruimer gebied dan het huidige bosgebied met die naam. Het was ook geen bos maar, zoals de naam al zegt, een ‘gat’: een naar de zee open landschap dat pas na aanleg van de Pietersdijk in 1571 deels beteugeld werd (Freijsen, 2021). Vanaf eind 16e eeuw verschijnt er op meer kaarten een Berkenrijs. We zeggen hier ‘een’ want er zijn grofweg twee locaties.

Kouter geeft op zijn kaart uit 1608 de naam Berckenrijs aan een terrein globaal net ten noorden van landgoed Olaertsduin aan de rand van de Rockanjese Heveringen. Belangrijk detail: dit Berckenrijs was een vlak land in tegenstelling tot de naastliggende duinen. Het gebied werd in die tijd opnieuw afgegrensd, gezien de vermelding van diverse oude en nieuwe ‘paelen’. Een kaart ca 1645 (polder Rockanje  NA 4.VTH 2037 CA 1645) geeft een aanduiding ‘BerckenRijs’ net buiten de duinen, globaal op dezelfde plek.

Dan volgt in 1675 op een kaart van de Generale Dijckagie (het ‘waterschap’) een andere locatie met de naam ‘Jong Berckenrijs’, in de Heveringen van Oostvoorne . Op de plek die we bij Kouter als Berckenrijs aangeduid zagen (die noemen we maar even ‘Oud Berkenrijs’), toont deze kaart een bos zonder naam. Het Jong Berckenrijs heeft exacte maten (14 gemet en 60 roe = ruim 6 hectare). We zien het terug op de kaart van 1695 van Herman van Dijck (zie detailkaart hierboven). Ook op kaarten uit 1701 (Stemmers) en 1733 (Cruquius) zijn twee ‘Berkenrijzen’ te vinden, waarvan alleen Jong Berckenrijs met naam en toenaam.

Om de verwarring te blijven voeden: op een kaart van Tirion (1749) heet Jong Berckenrijs weer Berckenrijs, terwijl in 1750 in een zakatlas behalve dit Berckenrijs ook nu de beboste landgoederen Kooisigt en Kranenhout verschijnen.

Voor we naar de 19e-eeuwse kaarten gaan, melden we twee grondtransacties met een Berkenrijs. In 1698 verkoopt Willem Clotterbooke aan Adam Gijselaar het Jong Berckenrijs (groot 14 gemet en 60 roede = ca 6 hectare). In 1744 passeert het voorheen statelijke bezit van Van Swieten naar Diederik van Leyden als ‘een partij duynen met het berckenrijs’.

Ging het bij deze twee transacties om hetzelfde gebied? Wij denken van niet. Ook op basis van de ligging (de een vrijwel geheel in het duingebied van Rockanje dat al voor 1700 particulier bezit was, de ander onder Oostvoorne) en de aparte vermeldingen in verkoopaktes gaan we uit van twee ‘Berkenrijzen’, waarvan alleen de jongere variant de meer moderne kaarten lijkt te gaan halen. Dat ‘Berkenrijs’ ligt noordelijk van het oude Berkenrijs, globaal onder het westelijk uiteinde van de Zandweg van Oostvoorne.

Op de kaart van Gevers van Voorne hierboven uit 1827 komt dit als ‘Jong’ bestempelde Berkenrijs in volle glorie voor, met een ligging die redelijk correspondeert met terreinen met dezelfde naam op eerdere kaarten vanaf 1675. Na 1850 verdwijnt de naam Berkenrijs van de kaarten maar de contour van het gebied niet. De naam leeft mondeling voort.

Wat is er nog te vinden in het veld?

Van het geschetste ‘oude ‘Berkenrijs is nog iets terug te vinden, ter hoogte van de weg die Berkenrijs heet. Op deze locatie, lang in bezit van de familie Van Hoey Smith, werd een fazantenkwekerij gevestigd die tot na de oorlog bleef bestaan, zo vertelt voormalig duinboer Wijnant Kleijburg ons in 2021.

Luchtfoto ca 1930. Bron: privecollectie.

De naam viel ons op in een fotoboek van James van Hoey Smith waarin bij een luchtfoto uit ca 1930: ‘Golfterrein met Berkenrijs’ is vermeld. Het golfterrein werd natuurgebied (met als huidige naam ‘Heveringen’), het Berkenrijs werd tuinbouwgrond en later deels  fazantenkwekerij en kippenhouderij en daarna caravanopslag. Het is deels bestemd voor wat villa’s en een enkel ouder huis. Een heel klein vochtig hoekje is van het Zuid-Hollands Landschap.

Kaart uit einde 19e eeuw met nog intact het Berkenrijs en de eendenkooi (thans villawijk De Waranda).

De contour van dit gebied is exact terug te vinden op de topografische kaarten van eind 19e eeuw. Vlak land, aan de kustzijde omringd door lage duinen, de Heveringen, net als op de kaart van Kouter. En zelfs op de meest recente kaart, waarop het hele gebied herverkaveld blijkt, is de noordelijke rand (met het Grenspad waaraan ooit het clubhuis van de vooroorlogse golfclub zat) nog te volgen. Precies het gebied waar het Berkenrijspad naar toe leidt, de Berkenrijsweg een aanvoerroute is en de weg ‘Berkenrijs’ pal langs loopt. Dit was de entree van de voormalige fazantenkwekerij die inmiddels al jaren een caravanstalling is (die nooit in dit monumentale landschap gedoogd had mogen worden).

Topografie 2020

En ook het Grenspad lijkt nog traceerbaar op de kaart van Kouter uit 1608. Als bezegeling van een grenskwestie werd een ‘nieuw pael’ geplaatst en ook een oude vermeld. De ronding van de getrokken grens is nog herkenbaar tot op vandaag. Naar deze ‘paelen’ hebben we vergeefs gezocht.

Einde 19e eeuw werd er nog hakhout uit het Berkenrijs verkocht, en na 1903 is het bos door NV Voornes Duin omgezet in tuinbouwgrond. Verkoop van hakhout was nog aan de orde in 1903. Ontleend aan Struinen 2010, nr 1.

Van de oude elzenaanplant uit de 15e eeuw resteert niet meer dan een schamel rijtje. Maar de bodem is hier is nog vochtig en humeus als vanouds. Zo lijkt het Oud Berckenrijs gehavend en wel de huidige tijd te hebben gehaald maar is haar jongere tegenhanger geheel verzwolgen in de voortdurende maalstroom van productie en consumptie. Of ligt er ergens nog een randje bos dat eraan herinnert?

Opname met een drone vanaf 80 meter hoogte boven het Grenspad met zicht op  het Berkenrijs in 2022 met forse voorbereidingen voor nieuwsbouw rechts en de grote opslag voor caravans links. De voorgrond en het centrum is nog gaaf en dateert uit de middeleeuwen.

Post scriptum

De locatie van het 15e-eeuwse Berkenrijs was lang onbekend en werd, net als de hele Heveringen, zeer lang als marginale grond beschouwd waarvan het historisch belang niet goed werd onderkend. Meteen na de watersnoodramp van 1953 werden hier zakken zand gevuld met instemming van de eigenaar van dat moment, het Administratiefonds Rotterdam, en onder aanvoering van Cees Sipkes. Marcus Adriani, directeur van het verdwenen veldstation Weever’s Duin, was een van de eersten die in de 60-tiger jaren voor behoud pleitte.

Bronnen

Arkenbout, A.A.(1974) Het kasteleinschap van de Burcht van Oostvoorne. In: Arkenbout, A.A. en H. van der Graaf (1974) De burcht te Oostvoorne. Oostvoorne.https://duinenenmensen.nl/wp-content/uploads/2021/06/Van-der-Graaf-Arkenbout-1974-de-Burcht-te-Oostvoorne.pdf

Freijsen, Nol (2021) Oude veldnamen in de Voorne duinen (1): Olaertsduin, Windgat en Opdam.

Graaf, H. van der en C. Wind (1985) Rockanje, wording en groei. Repro-Holland B.V., Alphen aan den Rijn.

Roos, Rolf & Nol Freijsen (2022) Het Voornse Berkenrijs: van keizerlijk hakhout tot caravanopslag. Tijdschrift voor Historische Geografie 2 (2022): 153-164.

Vogelaar, E. (2012) Bosgeschiedenis van het Oude Duinlandschap in politiek, sociaal en economisch perspectief. Wageningen University, Wageningen.

Augustus 2022. Met de zgn. spragelmachine van de firma Dick Klok Cultuurtechniek uit Heenvliet wordt de te ruige vegetatie in de Kleine Heveringen in een proefvlak afgeschraapt en geheel afgevoerd. Menno van Lopik van het Zuid-Hollands Landschap houdt toezicht. De activiteit is voorlopig eenmalig.

Eerder in  2022 werd de vegetatie van het binnenduinrandgebied De Kleine Heveringen onderzocht en het bleek nog zeer soortenrijk, maar wel aan de droge en ruige kant. Omdat de veldgentiaan hier vroeger (tot eind jaren ’90) groeide en van heel Voorne is verdwenen (wel nog op Goeree) is een herstelplan uitgevoerd. De graslanden zijn ondanks schapenbeweiding (twee weken kort in november) verruigd (te hoog) en aanvullend beheer is dan gewenst. Er is voorgesteld om twee kommen te spragelen (zie foto) en 1 kom met ruige moeraskruiden licht te plaggen. Ook wordt gepleit voor een hoger waterpeil in de vele omringende sloten van dit voormalige tuindersgebied zodat in het duin de vochtminnende planten mee kunnen profiteren.

Marten Annema inspecteert in juni 2022 het veld dat in aug. 2022 is gesprageld. Het verspreid voorkomen van bijzondere soorten als bevertjes, voorjaarszegge, tormentil, zeer lokaal hondsviooltje en veel tandjesgras  toont dat er  kansen zijn voor de veldgentiaan in dit laatste restant relatief intact gebleven en gedeeltelijk ontkalkt binnenduingrasland. Wel is er duidelijk sprake van vergrassing mede door de stikstofvervuiling.

Door Marten Annema (oud-beheerder Middel- en Oostduinen) en Rolf Roos werden in juni 2022 op kansrijke plekken vegetatieopnames gemaakt zodat we de komende jaren exact kunnen volgen wat de ingrepen in  3 proefgebieden gaan opleveren.

We werden geadviseerd door oud boswachter Johan Te Grootenhuis die nog precies wist waar ze vroeger stonden. Aan de groene kleur kan je zien dat de kommen onder invloed van het grondwater staan.

Ligging van de drie proefplekken. Op de hoogtekaart kan je aan de omringende sloten goed zien dat het hier flink wordt ontwaterd.

Om de natuur te herstellen moet de beheerder niet alleen de hoeveelheid voedingsstoffen afvoeren en de graslanden openhouden, maar ook de waterstand proberen te verbeteren. Hier is ook een rol voor het Waterschap weggelegd want 2022 was een droog dieptepunt voor het duin en hogere peilen aan de binnenduinrand zijn meer nodig dan ooit.

Vanaf 2022 gaan we geduld oefenen of er nog kiemkrachtig zaad in de bodem aanwezig is en de soort terugkeert. Het Zuid-Hollands Landschap heeft haar verantwoordelijkheid voor de uit haar terrein verdwenen soort nu genomen. Veldgentiaan staat symbool voor zeer soortenrijke duingraslanden met tal van vlinders. Foto: Theo Baas

Met dank aan het Hugo de Vriesfonds die onderzoek en reportages mede mogelijk maakt. En ter afsluiting een dubbelbeeld uit het boek Duinen en mensen Voorne. Informatie of bestellen?

Klik hier voor grote versie in onze collectie dubbele beelden.

(door: Henk Terhell & Rolf Roos) Hier treft u dubbele foto’s, van vroeger en nu. Klik op de kaart en zie een unieke collectie dubbele foto’s die veel ingrepen vroeger en nu in de duinen van Voorne verhelderen.

Oude beelden zijn doorgaans afkomstig van het Streekarchief Voorne-Putten (met veel dank!) of het ansichtkaarten-archief van Frans Beekman, de meeste huidige zijn van de hand van Henk Terhell, tenzij anders vermeld. Redactie: Rolf Roos

Heeft u zelf ook zulke dubbele foto’s? Mail het ons.

Een groot deel van deze foto’s wordt toegepast in het boek Duinen en mensen Voorne, voorzien van uitgebreide toelichting.

(door: Rolf Roos m.m.v. Henk Terhell)

Bij  het boek Duinen en mensen Voorne zitten 4 grote routes die een overzicht bieden op dit unieke en sterk veranderende kustlandschap. Hier de Kustroute. Voor uitgebreide toelichting en achtergronden: zie Duinen en mensen Voorne.

Andere routes bij het boek Duinen en mensen Voorne:

Dijkenroute langs de binnenduinrand

De Grote Ommeloop van de duinen van Oostvoorne

De Grote Ommeloop van de duinen van Rockanje

Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust.

Voor de oriëntatie hebben we aantal keren strandpalen gebruikt. Helaas zijn  1 t.m. 5 en 17 t.m. 19 verdwenen. Of toch niet? Geef het ons door.

Strandpaal 13 nabij Tweede Slag Rockanje; foto Martijn de Groot

Strandpaal 7, de enige betonnen langs de Voornse kust.

Veel strandpalen zijn te vinden op de strandpalensite van Martijn de Groot.

Veel historische beelden, ook langs de kust, staan online in de Duinen van Voorne vroeger en nu.

Tekst: Rolf Roos m.m.v. Nol Freijsen 

Zie voor een overzichtsverhaal over de dijken aan de binnenduinrand en hoe het samenspel tussen duin en dijk zich in 500 jaar ontvouwde: het boek Duinen en mensen Voorne. Daar tref je ook meer informatie over alle locaties. De pdf van de route in het boek is hier als voorpublicatie te zien. Reacties? Graag onderaan dit bericht of per mail.

In Memoriam dijkenkenner Nol Freijsen (1934 – 2021).

Zie ook in ontwikkeling: Kustroute: van Quackgors tot Kruiningergors

Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust. De route is ook op die fiets door de polder en langs Brielle terug te rijden, zie de kaart.

 

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne

Tekst: Rolf Roos met medewerking van Bob Benschop, met dank aan Jan Alewijn Dijkhuizen

Geen route voor watjes of drukdruk-bezoekers die een snelle natuursnack wensen. Je moet er wat voor doen, je willen verdiepen. Op deze ommeloop komt in ruim 8,5 km en meer dan 25 tussenstops de hele staalkaart van natuur en historie van de Duinen van Oostvoorne langs. Van oud naar jong en weer terug. Van zoet naar zout. Van onder NAP tot bijna 13m hoog.

Vanuit Tenellaplas gaat het via de oude Heveringen en sluippaadjes, langs De Sipkesslag met meertjes en het Duintje van Dick, het Pitje van Praal en Schelpenpad naar het Vliegveld. Vandaar langs de Molenkreek naar het Parnassiavlak, onderdeel van het Groene Strand. Dan langs de zoute kust van het voormalige autostrand, thans de Slikken van Voorne van het Zuid-Hollands Landschap en bijzondere strandhaken weer het duin in over het A.J.Bootpad via o.a het Van Itersonbos richting het Locomotiefpad en dan tenslotte langs de Kleine Heveringen weer terug naar de heemtuin bij Tenellaplas. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er te maken zijn t.a.v. beheer. In de duinen van Oostvoorne zijn in het kader van het boek ‘Bloeiende duinen‘ speciaal voor plantenliefhebbers kortere rondjes gemaakt met kenmerkende planten (‘hotspots’ ): Tenellaplas e.o., Heveringen, Parnassiavlak.

Op de kaart hieronder ruim 25 locaties die je gezien moet hebben om het duin te leren kennen. Info is per locatie aan te klikken. Achtergronden bij deze route staan in het boek Duinen en mensen Voorne.

 

Route bij het boek Duinen en mensen Voorne

Tekst: Rolf Roos, met dank aan Theo Briggeman, Han Meerman en Henk Terhell 

Op deze ommeloop komt in ruim 10 km en 30 tussenstops de natuur en historie van de Duinen van Rockanje langs.  Het is hier al eeuwen grotendeels zoet en de flora is er ongekend rijk. Bos- en duinvogels laten zich zien en horen. Grote delen van het duin zijn rond 2007 van bos en struweel ontdaan en de resultaten kun je nu zien en horen. Voor wie wil weten hoe dit duin is ontstaan, hoe het is gebruikt, welke hoogtepunten er zijn, welke keuzes er gemaakt zijn t.a.v. beheer: zie  nadere uitleg staan in Duinen en mensen Voorne, hier alleen de highlights.

Je kunt deze ommeloop op vele plekken beginnen en ook onderbreken. Nabij de Tweede slag, vanaf het strand bij paal 11, vanaf het Bootpad, vanaf Waterbos en ingang Kreekpad, ons beginpunt. Er zijn vele schone duinwatertjes maar geen uitspanningen. Een aantal keren doen we een kort heen-en-weertje, b.v. naar een uitkijkpunt, de zee, een bijzondere vallei. 
 
In de duinen van Rockanje zijn bij het boek ‘Bloeiende duinen‘ voor plantenliefhebbers ook diverse korte rondjes gemaakt met steeds 10 kenmerkende planten (‘hotspots’ ): zie Waterbos

(door Rolf Roos) De Eerste Zanderij, slechts 0,1 hectare groot, ligt nabij het Breede Water aan de rand van het landgoed Strypemonde, De zanderij is ontstaan in 1965 (en niet zoals het voorlichtingsbord ter plekke vermeld in 1966)  door zandwinning voor (lokale) kustversterking. Het bijzondere is dat de vallei op advies van bioloog Ger Londo (1935-2018) zodanig is ingericht dat de voorwaarden voor een vochtige duinvallei optimaal werden gemaakt: in de winter net onder water, in de zomer grotendeels droogvallend en met heel geleidelijke oevers. Hier kreeg natuur opnieuw een kans en dat was een halve eeuw geleden echt pionierswerk. Van minstens evenzo groot belang is dat Londo van 1965 tot en met 2002 jaarlijks de vegetatie volgde en dit publiceerde, zodat we van die periode een uitstekend beeld hebben. Dit is volgens de methode van Londo herhaald in 2022. Van 0 soorten in 1965 naar maximaal 78 in 1995 om daarna licht te dalen. En hoe staat het er nu voor?

Zie: de rapportage voor Natuurmonumenten als pdf

Conclusie:  we zien een ouder wordende vallei met meer dan een halve eeuw hetzelfde beheerregiem (nazomer maaien, geen beweiding), waarin successie & klimaat zichtbaar zijn, inclusief het langzaam aan verschijnen van soorten van (lokale) ontkalking. In de winter is hier nog steeds aanrijking door kalkrijk grondwater. Daarnaast is de invloed van de omgeving door aanvoer van zaden van bomen en struiken groot. De vegetatie is zeer divers en rijk aan Rode Lijstsoorten, waaronder de minder concurrentiekrachtige  en vele moeraskruiden.

 

Zie: de tabel met alle soorten per jaar.

 

Verslag van het symposium op 19 november 2022 in Oostvoorne

Nico van der Wel

Op 19 november organiseerden Natuurvereniging Hollandse Delta en Natuurmedia een symposium over de duinen van Voorne. Zo’n honderd mensen waren naar Cultureel Centrum De Man in Oostvoorne gekomen. Natuurbeheerders, de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland en bestuurders van gemeente en waterschap lieten hun licht schijnen over natuur, milieu en ook landbouw en recreatie op Voorne. Rolf Roos gaf inkijkjes in het komende boek ‘Duinen en mensen Voorne’.

Menno van Lopik en Wouter van Steenis

Zowel Menno van Lopik (Zuid-Hollands Landschap) als Wouter van Steenis (Natuurmonumenten) vertelden over herstelbeheer. Dat is nodig om de successie, die door allerlei oorzaken erg snel gaat, tegen te houden. Het wegvallen van het konijn, de verminderde dynamiek vanuit zee (zand, wind, zout) en de overmaat aan de snelle meststof stikstof die maar blijft vallen – het zijn de voornaamste problemen waar beheerders mee zitten. Alles bij elkaar leidt dit tot meer bos en struweel en minder van de zeer soortenrijke open duinterreinen (droog duingrasland, duinvalleien). Natuurmonumenten heeft ongeveer 15 jaar geleden een flink areaal ontdaan van bos en struweel, wat toen een nieuwe koers in het beheer was. Tot die tijd liet men de verbossing min of meer begaan. Nu kiezen zowel ZHL als Natuurmonumenten voor zulk herstelbeheer, en ze werken ook aan structurele verbeteringen: betere verbindingen tussen open gebieden om isolatie van populaties te verhelpen (o.a. zandhagedis) en om migratie van konijnen vanuit de Maasvlakte mogelijk te maken. De resultaten zijn gunstig, maar beide sprekers waarschuwen dat ook aan herstelbeheer een eind komt, je kunt niet bezig blijven. Menno van Lopik voegde er nog een laatste bedreiging van de biodiversiteit aan toe: invasieve exoten als de Japanse Duizendknoop, watercrassula en, in duinwatertjes, de goudvis.

Wethouder Lies van der Pol van gemeente Westvoorne en lijsttrekker van D66 bij de gemeenteraadsverkiezingen van de nieuwe gemeente Voorne aan Zee, vertelde over de rol van de gemeente als het om natuur gaat. Heel eenvoudig gaat het dan om bijvoorbeeld het actief inzetten op ‘bomen laten staan’, aanplant van inheemse planten in plantsoenen en actief beleid voor natuureducatie op scholen. Op regionaal niveau is de opgaaf voor de gemeente om te komen tot regionale samenwerking als het gaat om het stikstofdossier en de aanzanding van de kust van Voorne. Wat dat laatste betreft: de kust van Voorne is sterk veranderd door de Deltawerken en de havenwerken en de gevolgen voor de recreatiesector zijn ingrijpend. De opgaaf is om een nieuwe balans te zoeken tussen landbouw, natuur en recreatie en nieuwe kansen te creëren.

Alex Ouwehand en Jan Bonjer

Daar sloot Alex Ouwehand van de Natuur- en milieufederatie Zuid-Holland naadloos op aan. De uitweg is z.i. om voor Voorne te komen tot één visie op natuur, recreatie en landbouw – een integrale visie, dus niet denken in tegenstellingen en aparte domeinen, maar samenwerken en elkaar versterken. Daarvoor moeten we de genoemde kwesties (achteruitgang natuur, stikstof, perspectief voor landbouw en recreatie) gezamenlijk oplossen. Als dat lukt, dan is ook ondersteuning en financiering vanuit rijk en provincie mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het stimuleren van natuur op het netwerk van dijken in het landschap. Voor een goed ontwerp daarvan is samenwerking nodig tussen agrariërs, natuurbeheerders en het waterschap – en het levert een mooier landschap waar recreanten en bewoners van kunnen genieten.

Dijkgraaf Jan Bonjer van Waterschap Hollandse Delta hield een enthousiast verhaal over de kansen die zo’n regionale samenwerking biedt. Hij illustreerde dat met succesverhalen uit het hele beheergebied van het waterschap, waarin waterbeheer, landbouwontwikkeling en natuur samengaan. Ook legde hij de nadruk op ‘breed kijken’: staar je niet blind op je eigen gebied maar bekijk ook het grotere verband. Een vraag uit het publiek naar de oorzaken van de kustverzanding leverde hem een perfect voorbeeld op. Hij betoogde dat het geen zin heeft om alleen naar Voorne te kijken. Het is tijd om voor de hele Delta te gaan inventariseren wat de negatieve effecten zijn van de Deltawerken en de havenwerken. Als je dat beeld compleet hebt, kun je ook reëel kijken wat je te doen staat en wat er mogelijk is.

Theo Briggeman spreekt over de maatregelen die nodig zijn om de duinen gezond te maken.

Het slotakkoord van de middag kwam van voorzitter Theo Briggeman van Natuurvereniging Hollandse Delta. De duinen van Voorne hebben een hoge biodiversiteit, maar die krijgt klappen door de aanhoudende milieudruk en een aantal andere oorzaken. Helaas heeft Voorne de oplossing niet in eigen hand, omdat verreweg de meeste vervuiling van buiten de regio komt. Het zal behalve van lokale sectoren vooral van grote en kleine partijen in de omgeving moeten komen. Gemeente, provincie en het rijk moeten zich daarvoor inzetten. En wat de kustverzanding betreft: dat zullen we moeten accepteren. Het heeft geen zin om bijvoorbeeld te proberen de strandrecreatie te redden, die sector zal nieuwe wegen moeten zoeken. Net als voor de natuur en de landbouw geldt hier: gezamenlijk moeten we oplossingen vinden.

Theo Briggeman sloot af met de aankondiging van een Kenniscentrum Duinen van Voorne, een initiatief van Natuurvereniging Hollandse Delta, Streekarchief Voorne-Putten en uitgeverij Natuurmedia. Bij het maken van Duinen en mensen Voorne bleek heel veel informatie en beeld ‘overal en nergens’ te vinden. Het idee is om zoveel mogelijk informatie uit diverse oude en nieuwe bronnen en archieven bij elkaar te brengen. Denk aan materialen van het voormalige veldstation Weevers’ Duin (er is geen archief  meer!) en de onderzoeken aan duin en kust van Voorne van diverse instanties uit de afgelopen decennia. Een mooi voorbeeld is ook het bestuursarchief van KNNV Voorne vanaf 1930, dat onlangs opdook. Ook persoonlijke documenten als dagboeken, excursieverslagen en waarnemingstabellen kunnen interessant zijn, maar ook bijvoorbeeld vakantie- of familiefoto’s. Het is de bedoeling om het verzamelde materiaal te ontsluiten via een speciaal portaal. Als u interessante stukken of foto’s of oude kaarten heeft – reageer onderaan dit artikel!

 

De presentaties op het symposium zijn terug te kijken op youtube: https://www.youtube.com/channel/UCJwjlUkqzOxt7QoC3eLoy8Q

Als inleiding bij elke spreker vertoonde Rolf Roos telkens een mooie dubbele pagina uit Duinen en mensen Voorne.

 Boek Duinen en mensen Voorne bestellen of info over achtergronden?

 

 

 

 

 

(Frans Beekman)

Na de veldnamen van Meijendel (Holland’s Duinen nr. 79) en van De Beer (Holland’s Duinen nr. 80) is er in dit tijdschrift aandacht voor de tussenliggende duinen van Delfland. Plaatselijk zijn hier de duinen veel smaller dan ten noorden van Den Haag. Veldnamen van verschillende ouderdom verwijzen naar de landschappelijke historie. Oude kaarten en archieven geven informatie.

Lees hier het gehele verhaal als pdf. (Ontleend aan Holland’s Duinen 2022, nr.81: 49-57)

“De veldnamen in de duinen tussen Hoek van Holland en Scheveningen geven een goed inzicht op het landschappelijk verleden. Op de Oude Duinen wijzen namen van drinkpoelen (wapel, sol) op beweide duingraslanden (veld) met plaatselijk heide. De naam Eyckenduynen verwijst naar het eikenbos dat van nature op Oude  Duinen groeit. Het eikenhakhout van Solleveld staat dus op een logische plek. Bijzonder in de omgeving van Den Haag is het gebruik van het aardige verkleinwoord ‘bosje’. De namen eindigend op –geest duiden op hoger gelegen bouwland. Sommige duinboerderijen kregen in de 17e  eeuw een  (zomer)recreatieve bestemming voor stedelingen. In de Jonge Duinen zijn er namen die  eindigen op –berg  of –duin  voor  hoge toppen. De namen van duinvalleien in de Westduinen bij Scheveningen eindigen vaak op –del,  -pan of –veld  en dat sluit aan op de veldnamen in de Oostduinen. Opvallend in de zeereep waren vroeger openingen waar schepen in de winter beschut lagen, met namen eindigend op –gat. De grote kustafslag van Delfland leidde een aantal keren tot verplaatsing van het vissersdorp Ter Heijde. Bij de Maasmond was  er juist kustaangroei met zandplaten en gorzen, maar later ook kustafslag.”

Klik op het beeld voor alle nummers van dit tijdschrift als pdf

Klik hier naar overzichtspagina met historische kaarten van 15e – 20e eeuw, afkomstig uit Nationaal Archief, Streekarchief Voorne-Putten, Maritiem Museum e.v.a. Hieronder twee fraaie voorbeelden.

Detail van kaart van onbekende auteur, ca 1645, duinen Rockanje. NA 4.VTH 2037

Detail Maasmond met aanleg Nieuwe Waterweg, 1867

Klik hier naar overzichtspagina met historische kaarten van 15e – 20e eeuw, afkomstig uit Nationaal Archief, Streekarchief Voorne-Putten, Maritiem Museum e.v.a.

Theo Briggeman & Piet Mout/Natuurvereniging Hollandse Delta

SAMENVATTING

  • Ook op de duinen van Voorne komt teveel stikstof neer, ruim 1600 mol per hectare per jaar ofwel bijna 23 kilo. Vooral open duin (‘grijze duinen’ / duingraslanden), vochtige duinvalleien en droge bossen zijn erg gevoelig en te zwaar belast. De helft van de depositie komt uit het buitenland en van zee, het aandeel van de landbouw is met 21 procent relatief beperkt.
  • Na 2000 is in een aantal gebieden (de Pan, de Vogelpoel, De Leyse) herstelbeheer uitgevoerd: dichtgegroeide terreinen zijn weer open gemaakt en er is geplagd om de voedselrijke toplaag van de bodem te verwijderen. De resultaten zijn wisselend maar overwegend positief. Maar omdat de oorzaak, de vele stikstof, niet is weggenomen, lijken deze terreinen hier en daar alweer dicht te groeien.
  • Er komt de komende jaren meer geld voor herstelbeheer. Maar aanpak van de stikstofbronnen is noodzakelijk voor duurzame resultaten. Maatregelen zijn nodig om de ‘buitenlandse’ depositie te verminderen (havens van Rotterdam en Antwerpen / scheepvaart, Verenigd Koninkrijk).

Inleiding

Stikstof (N2) is een kleur- en reukloos gas dat overal om ons heen is. Ongeveer 78 procent van lucht bestaat uit stikstof. Stikstof is van zichzelf niet schadelijk voor mens en milieu. Maar er zijn ook verbindingen van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn. Dit zijn stikstofoxiden (NOx, verbindingen van stikstof en zuurstof, en ammoniak (NH3, een verbinding van stikstof en waterstof). Stikstofoxiden (NOxkomen vooral in de lucht terecht door uitlaatgassen van het verkeer en de uitstoot van industrie. Ammoniak (NH3) is met name afkomstig van dieren in de veeteelt. Een klein deel komt uit overige bronnen zoals industrie, de bouw en het verkeer. Boeren gebruiken mest van dieren en kunstmest om hun land te bemesten. Een deel van die mest komt vrij als ammoniak en komt zo in de lucht.

Stikstof: een probleem voor veel planten en dieren

Te hoge stikstofdepositie is allereerst een probleem voor de bodem. Vervolgens voor de planten, de insecten, vogels en tot slot het gehele ecosysteem. Door een teveel aan stikstof verzuurt onze bodem. Daardoor verdwijnen mineralen zoals kalk en magnesium uit de bodem. Daar zijn planten afhankelijk van. Zonder kalk en magnesium gaan ze dood. Omdat een overmaat aan stikstof ook een overmaat aan plantenvoeding inhoudt, verdwijnen planten die een voorkeur hebben voor voedselarme grond, waaronder veel bloeiende kruiden die belangrijk zijn voor insecten en vogels.

Voor de planten leidt een te hoge stikstofdepositie tot een verstoorde balans van voedingsstoffen. Dat heeft tot gevolg dat gevoelige soorten minder goed groeien en kwetsbaar worden voor verdroging, insectenplagen en bodemziektes. Gevoelige plantensoorten worden weggeconcurreerd door minder gevoelige en door stikstofminnende plantensoorten. Algemene soorten worden algemener, zeldzame soorten worden zeldzamer.

In Voornes Duin leidt de te hoge depositie tot een versterking van de trend van verhouting van het duin: een toename van struweel (meidoorn, zuurbes, vlier, duindoorn) en bos (esdoorn, berk, grove den). Dat is ongewenst omdat de enorme soortenrijkdom van Voornes Duin vooral gevonden wordt in de verschillende soorten duingraslanden en andere open gebieden, die door toenemende vergrassing door stikstof toch al in kwaliteit achteruitgaan. De stikstofwinnaars onder de planten zijn soorten als braam, duinriet en zandzegge.

De negatieve gevolgen van stikstof werken vanuit de plantenwereld door naar die van insecten. Van het aantal soorten dagvlinders op Voorne bijvoorbeeld is de laatste decennia een vijfde deel verdwenen en dreigt een aantal andere soorten  de komende jaren ook te verdwijnen. Het gaat vooral om graslandsoorten en soorten van open duin. Dagvlinders reageren relatief snel op veranderingen in hun milieu. Zij zijn de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn. Binnen de stikstof mijdende dagvlinders is naast de achteruitgang in soortenaantal ook de achteruitgang in aantallen schrikbarend te noemen. Het dichtgroeien van open duinterreinen als gevolg van stikstof, is erg nadelig voor de vogelsoorten die van open terrein afhankelijk zijn. Er leven bijvoorbeeld veel minder insecten, het voedsel van vogelsoorten als boomleeuwerik, grauwe klauwier en tapuit. Wellicht hierdoor zijn deze broedvogels helemaal van Voorne verdwenen. Met behulp van de Europese subsidies zijn de zuidelijke delen van de duinen van Voorne in de periode 2005-2007 opengemaakt en keerde de boomleeuwerik weer helemaal terug. Grauwe klauwier en tapuit keerden helaas nog niet terug.

De herkomst van de stikstof

De stikstof die op de duinen van Voorne (1432 ha) neerslaat, kent verschillende bronnen. Een zeer groot deel (48%) komt vanuit het buitenland. Nog eens 9 procent komt van de scheepvaart en 11 procent van de industrie. In tegenstelling tot elders in Nederland is het aandeel van de landbouw dus relatief beperkt, ongeveer een vijfde (21%). In Voornes Duin is zo’n 38 procent van de stikstofgevoelige natuur overbelast. In 2018 was de gemiddelde stikstofdepositie 1611 mol per ha per jaar (bijna 23 kilo). Het gebied is daarmee het zwaarst belaste gebied van de Natura 2000-gebieden in Zuid-Holland. Voornes Duin is een duingebied met een hoog kalkgehalte. Omdat de depositie van stikstof moeilijk is terug te dringen, liggen er voornamelijk opgaven voor verbetering van de kwaliteit van het gebied, o.a. door het creëren van bufferzones en door herstelbeheer (zie verderop).

 

Herkomst stikstofdepositie Voornes Duin (cirkeldiagram) en overschrijding Kritische Depositie Waarde (KDW) Voornes Duin in 2019, 2025 en 2030. Bron: Gebiedsplan Stikstof 0.5 Provincie Zuid-Holland mei 2022

 

Stikstofdepositie op Voorne. Bron: Gebiedsplan Stikstof 0.5 2022

Kritische depositiewaarde

De kritische depositiewaarde (KDW) wordt gedefinieerd als ‘de hoeveelheid depositie die een intact ecosysteem over langere tijd kan verdragen zonder dat significante schade optreedt aan de structuur of het functioneren van dat systeem’. Per habitattype is de KDW vastgesteld. Op Voorne zijn bijvoorbeeld kwetsbare habitattypen als witte duinen, grijze duinen (kalkrijk en kalkarm), vochtige duinvalleien en droge duinbossen in het geding. Voor deze habitattypen zijn de KDW’s in de tabel van toepassing (Bobbink et al, 2022).

Kritische Depositiewaarden (KDW) van verschillende habitattypen in de duinen (Bobbink et al, 2022).

 

Herstelprojecten

In een aantal stukken van Voornes Duin (de Pan, de Vogelpoel, De Leyse) zijn herstelprojecten uitgevoerd om de negatieve gevolgen van de stikstofdepositie het hoofd te bieden. In de periode 2005-2008 zijn in de Pan (nabij het Quackjeswater) delen van het droge kalkrijke duingrasland opengemaakt. Binnen korte tijd namen bij de flora pioniersoorten van zandige bodems en echte duingraslandsoorten toe. Broedvogels van open duin (roodborsttapuit en boomleeuwerik) en halfopen duin (kneu, boompieper) hebben zich nieuw gevestigd en komen er nog steeds in goede aantallen voor. Tapuit en grauwe klauwier kwamen tot nu toe evenwel niet terug. Kritische dagvlindersoorten stellen teleur.  Kleine parelmoervlinder en heivlinder verdwenen bijvoorbeeld zo goed als helemaal. De duinparelmoervlinder kwam niet terug. Datzelfde geldt voor de zandhagedis, die nauwelijks meer voorkomt. Het project heeft wel bijgedragen aan de instandhoudings- en uitbreidingsdoelstelling van het habitattype grijze duinen (kalkrijk).

Boomleeuwerik keerde terug,

de tapuit nog niet.

Ook bij de Vogelpoel (nabij het Breede Water) zijn stukken van het terrein opgemaakt. Dat heeft ertoe bijgedragen dat er een afwisselende structuur is ontstaan met zandige plekken, stukken met duingraslandsoorten en niet afgegraven stukken met struweel en zoomvegetaties. Broedvogels als boompieper, roodborsttapuit en graspieper hebben zich gevestigd en komen er nog steeds voor. Ook hier stelden zandhagedis, kleine parelmoervlinder, argusvlinder en heivlinder teleur. Dit project droeg eveneens bij aan het in stand houden en uitbreiden van het habitattype grijze duinen.

Heivlinder

Kleine parelmoervlinder

Inmiddels zijn we 15 jaar verder en kunnen we op basis van observaties in het veld concluderen dat het terrein langzamerhand weer begint dicht te groeien, ondanks de inzet van grote grazers aangevuld met intensief maaibeheer. Op den duur zullen de geschetste verbeteringen bij ongewijzigde stikstofbronnen weer teniet worden gedaan. Het blijft dweilen met de kraan open. In een gebied als dat van de Pan is inmiddels weer sprake van een matige overbelasting. Dat geldt voor een substantieel deel van Voornes Duin.

Overwogen zou kunnen worden de betrokken gebieden een tweede keer open te maken c.q. af te graven. Dat is dan ook tegelijkertijd de laatste keer, omdat een derde keer niet meer tot de mogelijkheden behoort. De gewenste situatie is dan niet meer terug te brengen, onder andere omdat er teveel mineralen zouden zijn uitgespoeld en er in de diepere lagen geen zaadbank meer aanwezig is.

Andere factoren, integrale aanpak

De huidige depositie is niet de enige factor van belang. N-depositie en verzuring vinden al tientallen jaren plaats. In de bodem vindt ook opslag van stikstof plaats, rond de 40 procent is de schatting. Dat betekent dat er na 20 jaar zo’n 22-24 gram stikstof per vierkante meter in de bodem zit. Verzuring zorgt verder voor versnelde ontkalking. Daardoor komen er veel fosfaten vrij. Dat zorgt voor een enorme biomassatoename per vierkante meter. Naast deze bodemprocessen zijn ook bovengrondse processen van belang, zoals de drastische afname van konijnen als gevolg van ziekten als myxomatose en VHS. Daardoor wordt er minder gras weggevreten met vergrassing en hogere biomassaproductie tot gevolg (Kooijman 2009).

Kwaliteit en kwantiteit van de natuur op Voorne zijn dus niet alleen te beïnvloeden door maatregelen op het gebied van stikstof. Ook maatregelen op bijvoorbeeld het gebied van klimaat (droogte), waterkwaliteit en terreinbeheer zijn van invloed. Externe invloeden spelen ook nog een rol, zoals de verzanding van de kust van Voorne. Arcadis verwacht dat de Hinderplaat binnen vijf jaar aan het Groene Strand zal vastgroeien.

Een integrale, allesomvattende, aanpak van deze problemen is dan ook noodzakelijk. Van overheidswege zullen de komende jaren substantiële middelen beschikbaar worden gesteld om de kwaliteit van de natuur op Voorne een flinke impuls te geven. Ook in kwantitatief opzicht zal er een uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) gebied worden gerealiseerd, zodat er een buffer rond de Natura2000 gebieden kan ontstaan en het gebied robuuster zal worden. Dit netwerk zou een ring van natuurgebieden rond het eiland Voorne-Putten moeten realiseren, zodat er een verbinding ontstaat van natuurgebieden rondom het eiland. Het versneld realiseren van het provinciale NNN netwerk zou op Voornes Duin een reductie van 30 mol N/ha/j met zich meebrengen ofwel slechts 2 procent van gemiddelde depositie (Gebiedsplan stikstof Zuid-Holland).

Aanpakken van stikstofbronnen

Deze impulsen zullen evenwel op den duur ontoereikend zijn indien de hierboven genoemde bronnen van stikstofuitstoot niet werkelijk worden aangepakt. Omdat een groot deel van de stikstofdepositie vanuit het buitenland en de zee afkomstig is, zal hier actief en snel optreden van Rijk en Europese Gemeenschap noodzakelijk zijn. Ingrijpen dient op zo’n kort mogelijke termijn te geschieden en uiterlijk in 2030 tot een substantiële reductie van de stikstofemissie moeten leiden. Vanuit Rotterdam zouden drastische maatregelen moeten worden genomen als het gaat om de vervuiling door schepen. De techniek om met behulp van zgn. NOx-scrubbers de rook van schepen te ontdoen van NOx is voorhanden. De scheepvaart lijkt nog niet uit eigen beweging van deze techniek gebruik te willen maken. Een verplichting zoals reeds voor SOx-scrubbers is ingevoerd, is daarom dringend noodzakelijk. Hierdoor zouden de emissies afkomstig van de scheepvaart sterk teruggedrongen kunnen worden. De Europese Commissie en het Rijk zouden onmiddellijke actie moeten ondernemen om de emissies vanuit de haven van Antwerpen en vanuit het Verenigd Koninkrijk terug te dringen.

Opvallend is dat in regionaal opzicht de bijdrage van de landbouw nog altijd 21 procent bedraagt. Gezien de bijzondere status van Voornes Duin als botanisch rijkste hotspot van Nederland en met extreem hoge andere biodiversiteit, lijkt de urgentie om de regionale emissies uit agrarische bronnen binnen één à twee jaar terug te dringen erg hoog. De betrokken melkveehouderijen en varkenshouders dienen hiertoe zo snel mogelijk uitgekocht te worden c.q. moeten worden verplicht hun uitstoot anderszins te beëindigen. Duidelijk is dat het op Voorne om een gering aantal uitstotende agrarische bedrijven gaat.

Stikstofreductie op regioniveau is voorts te behalen door de NNN gebieden (versneld) te realiseren. Daardoor ontstaat een buffer tussen de Natura 2000-gebieden en het achterland. Het levert een stikstofreductie van 30 mol N/ha/j voor Voornes Duin op ofwel 2 procent van de gemiddelde depositie (dus lang niet voldoende).

Scheepvaart in de Maasmond, 12 juli 2017. Foto Kees Torn (Wikimedia Commons)

 

Literatuur

  • Aggenbach, Camiel (2022). Stikstof in de duinen van Voorne. Duinenenmensen.nl
  • Arcadis, Royal Haskoning DHV & SWECO (2022). Natuurdoelanalyse Natura2000. 100 Voornes Duin, Provincie Zuid-Holland. Den Haag, 14 maart 2022
  • Bobbink, R., C. Loran & H. Tomassen (2022). Review and revision of emperical critical loads of nitrogen for Europe. German Environment Agency, draft version
  • Dobben van, H.F. & A. van Hinsberg (2008). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura2000 gebieden. Alterra WageningenUR. Alterra-rapport 1654
  • Kooijman, Annemieke, et al. (2009). Duinbeheer: landschap, dynamiek en beheer. Verslag veldwerkplaats Duin- en kustlandschap
  • Kooijman, dr. A.M. et al. (2009). Stikstof depositie in de duinen: alles in beeld? Landschap 29(3) 147-154
  • Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit  & Natuurmonumenten (2010). Onderzoeks-monitoring Voornes Duin 2004-2008. Den Haag, juni 2010
  • Provincie Zuid-Holland (2022). Gebiedsplan Stikstof 0.5. Den Haag, mei 2022
  • Provincie Zuid-Holland (2019). Naar een gebiedsgerichte aanpak. Den Haag, 10 december 2019

Camiel Aggenbach

[Redactie:] Onlangs vroegen we Camiel Aggenbach van onderzoeksinstituut KWR naar een inschatting van de stikstofneerslag in de duinen van Voorne. Hieronder zijn bevindingen, die ook aan bod zullen komen in het komende boek ‘Duinen en mensen Voorne’. De gevonden gehaltes aan stikstof-totaal (dus NOx en NHx) zijn hoger dan de kritische depositiewaarden van duinhabitat-types, maar lager dan landelijke gemiddeldes. Meer dan de helft komt van NHx (waaronder ammoniak).

Depositie van stikstof (totaal)

In de duinen van Voorne staan vier meetstations die gebruikt zijn voor de monitoring van stikstofdepostie, i.v.m. de aanleg van de Tweede Maasvlakte (Hensen et al. 2017). In de periode 2011-2016 varieerde de gemeten stikstof-totaal depositie van deze stations van 19,6 tot 32,2 kg N/ha/j. Voor de twee meetstations die in de hele periode zijn gevolgd, loopt de waarde in het zuidelijk deel van de duinen van Voorne op van 26.6 naar 32,2 kg N/ha/j. In het noordelijk deel blijft hij min of meer gelijk (range 19,6-23,3 kg N/ha/j). De toename in het zuidelijke deel wordt veroorzaakt door een toename van de depositie van ammoniak. Het aandeel van gereduceerde stikstof (NHx) in de totale stikstofdepositie is met ca 55-65 procent aanzienlijk, maar lager dan het landelijke gemiddelde in dezelfde periode (69 procent; https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie).

De gemeten stikstofdepositie ligt meestal boven de kritische depositiewaarden van habitattypes. Zo bedraagt die van Kalkrijke Grijze Duinen 15 kg N/ha/j en die van Kalkrijke Duinvalleien 20 kg N/ha/j. Voor beide habitats is Voornes duin belangrijk.

stikstof duinen Voorne

Ammoniakconcentraties duinen van Voorne van 2005 t/m 2020, gemeten met het Meetnet Ammoniak Natuur (RIVM – https://man.rivm.nl/gebied/voornes_duin)

Ammoniak in de lucht

Met het Meetnet Ammoniak Natuur (MAN) meet het RIVM maandelijks de ammoniakconcentratie in de lucht op vier locaties: Quackgors, Stekelhoekvallei, Schapenwei en Slikken van Voorne (zie grafiek). De jaargemiddelde concentraties tussen 2005 en 2021 van deze meetpunten variëren tussen 1,5 tot 4.7 µg/m3. Dat is lager dan gemiddelde meetwaarde van alle meetlocaties in Nederland (5,2-8,6 µg/m3). Af en toe treden relatief hoge uitschieters op bij het meetpunt Quackgors, maar over de oorzaak valt alleen maar te speculeren.

In de droge jaren 2018 en 2019 treden hogere concentraties op dan in de jaren daarvoor. Waarschijnlijk heeft dat grotendeels te maken met extreem warme en droge zomers waardoor minder ammoniak neerslaat dan in jaren met een relatief natte zomer. In de Schapenwei zijn gedurende 2011 t/m 2016 extra ammoniakmetingen uitgevoerd met een meetstation (Hensen et al. 2017). De jaargemiddelde luchtconcentratie bedroeg 1,3 tot 3,7 µg/m3 (ongeveer vergelijkbaar met het MAN meetpunt Schapenwei).

Stikstofgehalte in mossen

Op twee locaties in het open duin is in juni 2019 en 2021 het overal in het droge duin voorkomende duinklauwtjesmos (foto) bemonsterd en is van de groene mosdelen het stikstofgehalte bepaald (Aggenbach & Geurts 2022). Het stikstofgehalte in mossen kan gebruikt worden als een maat voor de stikstofdepositie van afgelopen 2-3 jaar. Het stikstofgehalte in deze mosplantjes bedraagt 7,7 tot 10,2 mg N/gram droge stof (g DG). Ten opzichte van andere metingen in de kustduinen is dat in het lage deel van de range (7,7-12,3 mg N/g DG).

Duinklauwtjesmos in droog duingrasland. Deze soort komt algemeen voor in droge duingraslanden en kan in latere successiestadia een hoge bedekking hebben zo lang bedekking van de kruidlaag laag is en de bodem relatief basenrijk is. Omdat ze plakkaten vormt is de soort makkelijk te bemonsteren (foto Camiel Aggenbach).

Deze meetwaarden bevinden zich in een bereik waarbij in het mos verzadiging met stikstof optreedt. Een hogere stikstoftoevoer leidt dan niet meer tot een hoger gehalte in het mos. Op dit moment is de stikstofdepositie in een groot deel van de kustduinen zo hoog dat duinklauwtjesmos verzadigd is voor stikstof. Uit Europees onderzoek waarin ook mossen zijn bemonsterd in gebieden met een lage stikstofdepositie blijkt dat in korte vegetaties stikstofverzadiging optreedt bij een stikstofdepositie hoger dan 11 kg N/ha/j. Dat betekent voor onze metingen dat een sterke daling nodig is van de stikstofdepositie om een effect in stikstofconcentratie in het mos te meten.

duinriet duinen Voorne 2022

Dominantie van duinriet in een duingrasland in de duinen van Voorne. Foto: Camiel Aggenbach 20-8-2022, Locatie ca. 51.8828 4.0375

Locatie van de foto hierboven: ca. 51.8828 4.0375

Effecten van stikstofdepositie op het duin

Voor zover bekend is geen analyse beschikbaar waarin de effecten van stikstof in Voornes duin vergaand worden geanalyseerd. Voor Voornes duin kan wel worden vastgesteld dat de kritische depositiewaarden van belangrijke duinhabitats langdurig werden overschreden Overigens is zo’n analyse lastig uit te voeren. Effecten van stikstof kunnen in het veld vooral worden aangetoond door de toestand van natuur in gebieden met een lage en hoge depositie te vergelijken of door bemestingsexperimenten uit te voeren. Over de ecologische effecten is alleen in algemene zin iets te zeggen.

Stikstof is een belangrijk nutriënt voor planten. Door meer toevoer van stikstof kunnen bepaalde soorten beter groeien en de overhand krijgen. In duingraslanden leidt een langdurig hoge stikstofdepositie tot een hoger aandeel van hoge grassen en zeggen als Duinriet, Kweek, Helm en Zandzegge (Kooijman et al. 2017). Omdat de hoge grassen en Zandzegge concurrentiekrachtig zijn, nemen dan het aandeel en soortenaantal van kruiden, mossen en kostmossen af. Korstmossen nemen ook af omdat diverse soorten gevoelig zijn voor een hoge stikstofdepositie. Het aantal karakteristieke duingraslandsoorten neemt dan ook sterk af bij vergrassing.

Naast het eutrofiërende effect kan er in duingraslanden als gevolg van de verhoogde stikstofdepositie ook achteruitgang optreden door versnelde bodemverzuring. Dit is het geval wanneer de bodemtoplaag ontkalkt. De kalkarme bodem heeft een geringe buffercapaciteit tegen verzuring. Bij een hoge stikstofdepositie verzuurt de bodem sterker dan bij een lage stikstofdepositie. Voornes duin is een jong duingebied waarvan een groot deel van de bodem nog tot bovenin het profiel kalkrijk is. Als er al ontkalking is opgetreden is, is de ontkalkingsdiepte van de bodem gering. Omdat op de meest plekken nog ondiep in de bodem de aanwezigheid van kalk bodemverzuring voorkomt, is bodemverzuring geen groot knelpunt. Dit blijkt ook het feit dat de vegetatie van de huidige duingraslanden vooral bestaan uit de kalkrijke vorm, en kalkarm duingrasland niet of zeer weinig voorkomt.

In duingraslanden met een kalkrijke bodem, zoals op Voorne, treedt relatief weinig vergrassing ten opzichte van oppervlakkig ontkalkte duingebieden aan de Hollandse vastelandskust op omdat door de hoge kalkrijkdom de beschikbaarheid van fosfaat laag is en daardoor ook de productiviteit laag blijft. Desondanks is opvallend dat op Voorne in de kalkrijke duingraslanden Duinriet regelmatig een hoge bedekking heeft (veldwaarneming augustus 2022). Bodems die oppervlakkig ontkalken zoals bijvoorbeeld de middenduinzones in van de vastelandsduinen zijn echter wel gevoelig voor vergrassing omdat dan fosfaat is vrijgekomen uit opgeloste schelpfragmenten. Deze fosfaat komt dan in makkelijk oplosbare vorm beschikbaar. De plantengroei heeft is daardoor minder gelimiteerd door fosfaat, zodat bij meer toevoer van stikstof uit de lucht hoge grassen de overhand krijgen (Kooijman et al. 2017). Belangrijk voor de ecologische effecten van een hoge stikstofdepositie is dat bij een langdurige overschrijding (meerdere decennia)van de kritische depositie waarden achteruitgang van de soortenrijkdom van planten blijft doorgaan. In de Nederlandse duingraslanden zijn diverse kenmerkende plantensoorten tussen 1990 en 2010 sterk afgenomen (Bobbink et al. 2015). Deze achteruitgang zal doorgaan zolang de actuele depositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. blijft en de effecten kunnen niet of weinig worden verzacht worden met lokale herstelmaatregelen.

Ook de vestiging en groei van struiken en bomen kunnen worden bevorderd door een hoge stikstofdepositie, waardoor de successie naar struweel en bos sneller kan verlopen. In de duinen van Voorne komt veel bos en struweel voor en in de duingraslanden staan vaak ook verspreid struiken. Bos en struweel hebben een hogere aerodynamische ruwheid dan korte vegetatie en zorgen daarmee voor meer invang van depositie. Duinlandschappen zijn zeer heterogeen qua ruwheid door zowel veel variatie in de vegetatie als door het geaccidenteerde reliëf, waardoor de stikstofdepositie ook op kleine schaal sterk kan variëren.

Tot slot

Op basis van de huidige deposities  op Voorne en het kalkrijke uitgangsmilieu schatten we in dat diverse duinvegetaties onder druk staan (graslanden, duinvalleien), al is de situatie niet zo ernstig als in het binnenland. Voor bos en struweel is bevordering van een versnelde successie en aanwas van struiken en bomen waarschijnlijk. De omvang van vergrassing van duingraslanden is thans niet goed in beeld.

Provincie en beheerders zouden op basis van de huidige monitoring van indicatieve grassen en mossen en kwetsbare soorten die snel verdwijnen (vb vb vb) de situatie vijf- tot tienjaarlijks kunnen evalueren. Ook kwetsbare dagvlinders en paddenstoelen verdienen professionele monitoring en rapportage.

Met monitoring van stikstofgehalte in mossen is vast te stellen of er daadwerkelijk een sterke daling van de stikstofdepositie gaat optreden.

 

Referenties

Aggenbach C.J.S. & J.J.M. Geurts (2022). Biomonitoring van atmosferische stikstofdepositie met mossen. KWR 2021.121, KWR Water Research Institute.

Bobbink, R., M. Nijssen, E. Remke & A. Kooijman (2015). Effecten van verhoogde stikstofdepositie door 2 nieuwe kolencentrales op duingebieden passend beoordeeld? Rapport 2014-62, B-WARE, Nijmegen.

Hensen, A., W.C.M. van den Bulk, D. van Dinther, K.F.A. Frumau (2017). Stikstofdepositie en bronnenonderzoek Maasvlakte 2. ECN-E–17-82, ECN.

Kooijman, A. M., M. van Til, E. Noordijk, E. Remke, and K. Kalbitz. 2017. Nitrogen deposition and grass encroachment in calcareous and acidic Grey dunes (H2130) in NW-Europe. Biological Conservation 212:406-415.

Rolf Roos

Omdat we niet elk prachtig detail in het boek Duinen en mensen Voorne konden opnemen, schrijven we diverse online artikeltjes over opvallende historische duinzaken.

Op een kaart uit 1950 van Cees Sipkes (in zijn boek ‘Voorne’ uit de ANWB-reeks ‘Nederland ons aller tuin’) staat een verloren gegaan Voorns meer: het Nieuwe Water. Het ligt op de meest westelijke punt: een onder water staande duinvallei op het v.m. (voormalige) Groene strand. Omdat er een uitzichtduin getekend is ten oosten ervan – dat vrijwel zeker de Zwarte Hoogte is – is de lokatie duidelijk: de Groene punt, later deels afgeslagen, het restant is bedolven onder hoge, kunstmatige zeeduinen. Als de kust hier verder was aangegroeid i.p.v. afgeslagen was de waterstand verder omhoog gegaan en was er een helder meer, toevluchtsoord voor geoorde futen en snippen ontstaan. De nabijgelegen Schapenwei staat nu op de nominatie om weer een moeras dan wel meer te worden. Er komt veel water uit de ondergrond van het nieuwe zeeduin en als Natuurmonumenten zou stoppen met kunstmatige afwatering is het karakter zo veranderd…. in het Nieuwste Water.

Detail van de kaart van de duinen van Voorne uit Sipkes (1950). Het Nieuwe Water ligt achter strandpaal 10 ‘in’ de westpunt van Voorne. Onderaan dit artikel is de volledige kaart weergegeven.

Breede Water

Het verdwenen Nieuwe Water is niet het enige meer dat in de loop der tijd ontstond en verdween. Het aardigste is er eentje met de naam Breede Water: het lag nog in de 18e eeuw in de zuidoostelijke oksel van het Kruiningergors, net achter de Noordduinen en de Heindijk. Restant van een zeer nat verleden.

Een kaart van Cruquius uit 1733 met het Brede Water (hier niet benoemd). Het Kruiningergors was een landschap zoals de Kwade Hoek: gorzen, hoge en lagere duinen en veel water. Lang kon het zeewater achter de duinenrij langs tot vlakbij Oostvoorne komen, waarschijnlijk vooral bij zeer hoge vloed.

Kops, die het in  1807 beschrijft steekt de loftrompet over de ontginning van dit andere Breewater:

” Het beste of laagste gedeelte stond het geheele jaar door onder water. Deze streek gronds heeft daarom van onheugelijke tijden, en volgens de oudste bescheiden welke daar van nog voorhanden zijn, den naam gedragen van het Hemdijksche Gors of het Breewater, en werd in dien staat gebruikt tot het weiden van Vee, en was daar toe weinig beter geschikt dan de vlakten in de Duinen. Dezen grond hebben de ondernemers met veel kosten daar aan te besteden, eer zij daar eenige vruchten van konden genieten, tot goed Graanland gemaakt; aan de oostzijde moesten zij eene kade maken om het tegen den vloed te dekken, en te gelijk groeven zij een tocht of watergang om het water af te leiden, welke watergang zij genoodzaakt waren te beschoeijen, om dat de kanten in den zandigen grond niet konden blijven staan. Voorts hebben zij er gruppen en slooten door gelegd, en het zoo verre gebragt, dat het tegen den vloed beveiligd is, en het geheele veld volkomen droog loopt door de sluis, welke zij hebben moeten maken. Thans is er in deze vlakte omtrent 70 Morgens onder den ploeg, waar van het grootste gedeelte zand is: in de laagte, die altijd onder water gestaan heeft, is het kleigrond, en aldaar teelen zij alle soorten van Granen.”

Kaart uit Sipkes’ boek ‘Voorne’ (1950) uit de ANWB-serie ‘Nederland ons aller tuin’.

Natuurmonumenten en het Zuid-Hollands Landschap, voerden najaar 2022 herstelwerkzaamheden uit in de Voornse duinen om sommige gedeelten van het gebied meer open te maken. Hier enkele foto’s van de ingrijpende veranderingen bij de Sipkesslag en het A.J. Bootpad, het gehele Inspectiepad en aan de zijden van het Parnassiavlak. Hopelijk  zal de tijd spoedig deze wonden in het landschap helen.
Meer informatie over de werkzaamheden en de doelen zijn te vinden in een bericht op de website van Natuurmonumenten. Info van Zuid-Hollands Landschap ontbreekt nog.

(door Henk Terhell)

Het zou een goed idee zijn als men op de websites van betrokken organisaties per deelgebied met een kaartje zou melden welke natuur er stond voor de ingreep (incl. Rode Lijstsoorten en andere bijzonderheden, o.a. van de fauna) en wanneer er onderzoek plaats vindt naar de resultaten (red.).

30 oktober 2022

Vanaf de Sipkesslag voor het Schelpenpad richting noordoost

Richting zuidwest naar Sipkesslag (voor Schelpenpad

Ingang Inspectiepad vanaf Sipkesslag

Inspectiepad richting AJ Bootpad

Parnassiavlak vanaf ingang trap

Parnassiavlak vanaf de zuidoostkant

Zicht op AJ Bootpad (links) net voorbij het hek

Zicht op AJ Bootpad nog ten zuiden van de Gamandervallei

 

Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 in landgoed Mildenburg te Oostvoorne.

Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!

Meer over paddenstoelen van Mildenburg, met namede soorten op beuken: zie het boekDuinen en mensen Voorne.

Preview opening van hoofdstuk Mildenburg in Duinen en mensen Voorne.

Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 in landgoed Strypemonde en rondom de Tenellaplas te Rockanje.

Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!

Meer over paddenstoelen: zie het boek Duinen en mensen Voorne.

Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 in landgoedbossen Overbosch en Kranenhout te Oostvoorne.

Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!

Meer over paddenstoelen: zie het boek Duinen en mensen Voorne.

Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 in het duingebied bij Oostvoorne.

Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!

Meer over paddenstoelen: zie het boek Duinen en mensen Voorne.

Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 bij het Quackjeswater te Rockanje.

Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!

Meer over paddenstoelen: zie het boek Duinen en mensen Voorne.

Voorne Groene Strand

Het Groene Strand bij Oostvoorne

Het Groene Strand ligt tegenwoordig rustig te liggen aan de oever van het Oostvoornse Meer, tussen de Brielse Maasdam uit 1950 (oostelijk) en de Brielse Gatdam uit 1966. Het is een interessant gebied, en in Duinen en mensen Voorne besteden we er uitgebreid aandacht aan. In dit verhaal kijken we naar de zwerftocht van de naam ‘Groene Strand’ over de kaart van Voorne. Er lag namelijk ooit een kilometers lang groen strand tussen Rockanje en Oostvoorne. En gezien de voorspellingen kan dat in de toekomst wel eens opnieuw gebeuren.

Maar eerst: wat is een groen strand eigenlijk? Het zijn begroeide stukken strand die soms ontstaan op brede stranden tegen de duinvoet. Bekende voorbeelden zijn te vinden op Goeree en Schiermonnikoog (zie de foto’s). Typisch voor groene stranden is dat er zoute invloed is, doordat  het zeewater soms nog de duinvoet bereikt. Maar door de zoetwaterbel in de hoge zeewering en door regenbuien is er ook een grote zoete invloed, zeker als de branding ver weg is. In zeer brede stranden (zoals op de Hors op Texel en op Goeree) kunnen er aan de duinvoet vegetaties van zoete duinvalleien ontstaan. Parnassia op het strand! In dat ‘groene’ zat economische waarde. De duinen werden in het groeiseizoen beweid met vee van boeren uit de polders, en zo gauw op een nieuwe plek fris groen opdook greep men zijn kans, ook als dat op het strand was.

Schiermonnikoog groen strand paal 3

Groen strand op Schiermonnikoog bij Paal 3 inclusief strandpaviljoen. Het uitgestrekte gebied ligt aan het einde van de Badweg. Dicht bij het ‘echte’ strand is de zee-invloed groot. Vroeger had Voorne ook zo’n groen strand, en dat kan in deze eeuw opnieuw gebeuren als de Voornse kust inderdaad, zoals voorspeld, verder gaat aangroeien.

‘Het Groene of begroeide strand’ op Voorne

In 1816 wordt in Brielle de Voornse nalatenschap van Sibilla Maria de Thoms geveild. Zij was de weduwe van Helenus van Leyden (overleden in 1794), ambachtsheer van Oostvoorne en van Rockanje en van nog een paar Voornse ambachten. Sibilla was dan ook ‘vrouwe van Oostvoorne’ enz. (nog wat titels). Tot de nalatenschap behoort het hele duin van Voorne. Helenus en zijn vader Diederik waren duineigenaren van buiten Voorne, en begonnen rond 1760 met de verpachting van kleine duinpercelen, het begin van de typisch Voornse duinboerderijtjes (‘duinhuisjes’).

‘Perceel 21’ in de veilingakte betreft de duinen en Heveringen van Rockanje. Die zijn in totaal ‘664 Morgen 212 roeden’ groot (ruim 600 hectare), “met allen de daartoe behorende Gronden wegen en uitpaden – waarbij ook volgt het zoogenaamd Groene of begroeide strand, bekend volgens de daarvan uitgegeven Erfpagtbrief door den Heer Hoofdadministrateur van ’s Lands Domeinen de dato 13 Maart 1815, den 19e April 1815 ter Griffie van de Rechtbank te Brielle geaccepteert welke acceptatie den 6e Mei daaraan volgend alzoo is geregistreerd.”

Daar is het groene Strand. Blijkbaar onderdeel van de duinen van Rockanje, en blijkbaar eigendom van Domeinen, d.w.z. de Staten van Holland. Dit terrein is in erfpacht bij genoemde Sibilla, weduwe Van Leyden, vrouwe van Oostvoorne enz. Opvallend is dat de erfpachtovereenkomst is afgesloten in 1815. Sibilla stierf in 1814. Sinds het overlijden van haar man in 1794 nam de Brielse notaris Hugo van Andel haar zaken op Voorne waar, en het lijkt erop dat ze sindsdien niet meer zelf op Voorne is geweest, ondanks het mooie ‘Huis te Voorne’ plus landgoed (Mildenburg) dat haar vader en haar echtgenoot hadden laten aanleggen. Notaris Van Andel streefde als zaakwaarnemer blijkbaar actief naar rendement. Onder zijn auspiciën verzorgden twee opzichters de exploitatie van hakhoutbossen onder Rockanje en Oostvoorne. Waarschijnlijk zat Hugo van Andel ook achter de (eeuwigdurende) erfpacht van het Windgat in 1808 aan een aantal notabelen, die er een hakhoutbos gingen exploiteren. In 1815 regelde hij ongetwijfeld de verpachting van het ‘Groene of begroeide strand’.

Een erfpacht van 60 gulden

“Als zekere Gronden gelegen tusschen Oostvoorne en Rockangien bestaande in Duinen en zogenaamde Groene Landen, te zamen volgens gedane opmeeting eene uitgestrektheid hebbende van 360 morgen, 351 Voornsche roeden, (..) met alle active en passieve Regten Geregtigheiden, Lasten en Servituten, daartoe van ouds behoord hebbenden en nog behorende belast volgens die Erfpagtbrief met een jaarlijksche Erfpagt van 60 Guldens ’s Jaars ten behoeven van ’s Lands Domeinen.”

Volgens de veilingakte van de nalatenschap ligt het groene strand tussen de toenmalige Westplaat en Olaartsduinen. Het beslaat een flink oppervlak: 360 morgen is meer dan 300 hectare. De nalatenschap bevat geen kaart, maar voor een indruk van het gebied kunnen we gelukkig beschikken over een kaart uit 1712, van de kaartenmaker Gideon van Rest.

Kaart van Gideon van Rest (1712) uit het Nationaal Archief. Een speciale weergave van duinen, strand en de toenmalige Westplaat nabij Rockanje. Het groene strand is de lichtgroene strook langs de duinvoet.

Deze kaart is een mooie illustratie dat oude kaarten nooit zomaar gemaakt werden, maar altijd voor een specifiek doel. Er speelde in die tijd een kwestie tussen de particuliere duinbezitters in Rockanje en de Staten van Holland. Dat ging over de grens tussen het particuliere duin aan de ene kant, en strand, begroeide strand en Westplaat aan de andere. Alles wat aangroeide viel namelijk toe aan de overheid. De opmetingen van Gideon van Rest waren waarschijnlijk bedoeld om de besprekingen over begrenzingen verder te helpen, zo wordt duidelijk in zijn toelichting (rechtsonder op de kaart). Het begroeide strand is volgens Van Rest iets meer dan 100 hectare. In het Nationaal Archief liggen een aantal stukken uit de 17e en 18e eeuw over deze ‘grensgeschillen’ die een en ander nog kunnen ophelderen. Je bent nooit uitgezocht, elk nieuwe gegeven levert weer nieuwe vragen op. Iets voor later.

Van Dijck (1697)

Interessant is overigens dat het groene strand ontbreekt op andere kaarten, bijvoorbeeld die van Van Dijck (1697). Maar die kaart had dan ook een ander doel. Heveringen, duinen, strand en Westplaat staan er wel op, maar zijn niet precies opgemeten, althans die opmetingen staan niet op de kaart. Van Dijck’s kaart is tot de invoering van het kadaster rond 1830 gebruikt als basis voor grondverkopen en -verpachtingen.

Detail Windgat en omgeving bij Van Rset 1712

Kaart Gideon van Rest uit 1712, Windgat en omgeving. Duidelijk leesbaar: de afmetingen van het ‘begraasde strand’: 224 gemeten en 192 roeden ofwel zo’n 100 hectare, gelegen ongeveer waar nu het Breede Water ligt. ‘Windgat’ blijkt ook een zwervende naam:  het is niet het huidige bos en het ligt ook op een andere plek – niet naast maar achter de Pietersdijk, waar nu Paardenwei en Vogelwei liggen.

Windgat en omgeving bij Van Rest

We kunnen gevoeglijk aannemen dat het groene strand van 1816 is ontstaan uit dat van 1712. De beschrijving van de ligging in de veilingakte uit 1816 spoort redelijk met de ligging van het kleinere (smallere?) begroeide strand op de kaart van Van Rest. in het detail van de kaart is te zien dat het ‘begraasde strand’ op zijn breedst is achter de St Pietersdijk en het Windgat, precies op de grens van de ‘Ollaartsduijnen’ en de ‘Kiesduijnen’. Naar het noorden toe loopt een smalle strook door tot voor de duinen van Oostvoorne (de ‘Graefflijcheyts Duijnen’). De erfpachtbrief heb ik tijdens een bezoek aan het Nationaal Archief niet boven water kunnen krijgen, ondanks de duidelijke specificaties in de veilingakte.

Tijdens de veiling in 1816 verwerven Bastiaan Jacob Verhey en Johannes van der Minne, Brielse notabelen, de duingebieden van Rockanje en Oostvoorne én ze nemen de eeuwigdurende erfpacht van het groene strand over.

Vervolg 1827

Tijdens zijn reis langs de Nederlandse en Vlaamse kust in het najaar van 1827, bezoekt Daniël Gevers van Endegeest Voorne op 22 september. Hij gaat per koets over het strand en door de duinen. Ter hoogte van het Windgat ontmoet hij Johannes van der Minne en Willem Hoijer. De laatste is één van de pachters van het Windgat, dan een hakhoutbos. Van der Minne vertelt aan Gevers dat begrazen van het groene strand tegenvalt, o.a. door het stuivende zand. Hij en zijn compaan Verhey overwegen om te stoppen met het betalen van de erfpacht, en zo het terrein terug te laten vallen aan Domeinen. Zover komt het niet. Als het eerste kadaster opgemaakt wordt, zijn de twee mannen nog steeds in bezit van het hele duin van Rockanje en Oostvoorne, om er later de Quackse (Kwakse) duinen (nu de Punt) aan toe te voegen. Er staat geen ‘groen strand’ meer op de kaart, het is opgegaan in het aangroeiende duingebied. Waarschijnlijk is rond 1840 de eeuwigdurende erfpacht overgegaan in eigendom. Op topografische kaarten rond 1900 is op de hoogte van het (huidige) Windgat ook het ‘Groene Strand’ te zien, maar dat ligt westelijker. Voorne groeide aan.

Groene Strand Schiermonnikoog vanaf zeewering

Groen strand op Schiermonnikoog gezien vanaf de zeewering

 

Door Henk Terhell, 13 augustus 2022

Keizersmantel

Zie je tegenwoordig in de duinen ’s zomers een grote oranjekleurige vlinder met hoge snelheid langs bosranden vliegen, dan is dat vast en zeker de keizersmantel (Argynnis paphia). Hoewel de bekende gehakkelde aurelia vanuit de verte wat gelijkenis heeft, is op korte afstand de vleugelrand en grootte overduidelijk verschillend. Een keizersmantel is een parelmoervlinder, en gebonden aan bossen. Na uit ons land te zijn verdwenen in 1980 is de soort na 2015 teruggekeerd en recent ook weer op Voorne.

De verspreiding in Nederland is goed af te lezen van de verspreidingskaart.

Gehakkelde aurelia

De keizersmantel is na vele jaren van afwezigheid op Voorne ’s zomers weer te bewonderen. Vooral in de buurt van het AJ Bootpad wordt deze vlinder gezien vanaf eind juni tot in augustus. De voortplanting vindt ook in het duingebied plaats. Eitjes worden niet op de waardplant waar de rupsen van moeten groeien afgezet maar op de schors van bomen. In het voorjaar verplaatst de rups zich naar de waardplant, verschillende soorten viooltjes. In de duinen zal dit waarschijnlijk ook het duinviooltje en het bosviooltje zijn.

Paring van keizersmantels

Een nieuwe vondst in 2022 in de Voornse duinen is de aanwezigheid van een variant van het vrouwtje van de keizersmantel, die niet de gebruikelijke felle oranje kleur heeft maar meer bronsgroen is, de zgn. valesina of valezina vorm (Argynnis paphia forma Valesina) . De beroemde vlinderkundige Frederick William Frohawk (1861-1946) was zo onder de indruk van deze variant dat hij zijn dochter Valezina noemde.

Keizersmantel (forma Valesina – vrouwtje) op de bloem van heelblaadjes

(Door Rolf Roos m.m.v. Erik Ketting en met dank aan Dick van der Laan en Jolien Morren-van der Aa van Waarneming.nl)

Rapport nr. 2022/02 van Natuurvereniging Hollandse Delta, een afd. van de KNNV.

Dit artikel werd geschreven als voorstudie voor het boek Duinen en mensen Voorne

SAMENVATTING

Van de reeds lang van Voorne bekende, maar in de Nederlandse duinen zeer zeldzame, grote boterbloem wordt op basis van gegevens van Waarneming.nl  de verandering in het aantal waarnemingen in de duinen van Voorne vanaf 2008 beschreven en een mogelijke verklaring van de geconstateerde toename gegeven. Gezien een mogelijk waarnemerseffect (er keken recent 2-3 keer zoveel mensen) is een toename lastig hard te maken, ondanks dat de (grotere) toename van het aantal locaties (vindplaatsen) en deelgebieden fors lijkt en het aantal waarnemingen van grote boterbloem sterker toenam dan het totaal aantal waarnemingen. Opvallend is verder dat  op Voorne de toename in aantal waarnemingen vooral optreedt in die (noordelijke) duingedeeltes die het minste zoutspray ontvangen en dat geeft te denken. Gedetailleerde waarnemingen de komende jaren moet uitwijzen of de soort echt toeneemt.

Grote boterbloem is makkelijk te herkennen: grote bloemen tot 5 centimeter in doorsnede en grote lancetvormige bladeren (vergelijkbaar met die van de egelboterbloem, maar de bladen daarvan zijn klein). Niet te missen, ook vegetatief niet. In de duinen is het echter een zeer zeldzame soort, met grotere populaties alleen bekend van Texel en het Zwanenwater. Op Voorne is de soort al lang aanwezig  (in de database van FLORON al vanaf 1900). F. van Eeden (1874) vermeldt in zijn lijst van Nederlandse duinsoorten de grote boterbloem voor Voorne echter niet. De verspreidingsatlas beschrijft de ecologie: “Grote boterbloem staat op zonnige, zelden licht beschaduwde plaatsen in ondiep of zwakstromend, weinig of niet vervuild water of op natte, matig voedselrijke, zwak zure tot zwak basisch, vaak wat kalkhoudende en stikstofrijke bodems (laagveen, leem, zand en rivierklei). Ze staat vaak op kwelplekken en is zoutmijdend.” Eddy Weeda in de Oecologische Flora, deel 1: “Aan duinplassen vestigt deze zoutmijdende plant zich pas als het water geheel ontzilt is.” Over verspreiding en bedreiging meldt de verspreidingsatlas: “Plaatselijk vrij algemeen in laagveengebieden en de beekdalen in Drenthe en vrij zeldzaam in het rivierengebied. Elders zeer zeldzaam.”

Hoewel de trend sinds 1950 een achteruitgang van 25-50 procent laat zien, is het geen soort die als ‘bedreigd’ wordt beschouwd. De zeldzaamheid in de duinen en het directe achterland komt door een gebrek aan wat ouder moerasbiotoop (en het neemt tijd voor de soort zich kan vestigen), maar vooral door het zoutmijdende karakter van deze boterbloem.

Op Voorne

Vanaf 2008 zijn op Waarneming.nl locaties en schattingen van aantallen ingevoerd. Aantallen per vindplaats worden lang niet altijd genoteerd dus dat laten we rusten, maar aantallen vindplaatsen zijn goed te onderscheiden. We hebben de gegevens in twee bijna even lange periodes verdeeld. Aantallen waarnemingen en aantallen locaties/deelgebieden staan samengevat in de tabel; kaartjes zijn toegevoegd.

Overzichtstabel waarnemingen grote boterbloem in de duinen van Voorne 2008-juli 2022 op basis van Waarneming.nl

2008 t/m 2014 2015 t/m 16 juli 2022
Totaal aantal waarnemingen duinen Voorne 44821 133700
Aantal waarnemingen grote boterbloem 11 43
Aantal locaties 6 binnen 4 deelgebieden nl.: 15 binnen 8 deelgebieden nl.:
Stekelhoek Stekelhoek
Vogelpoel e.o. Vogelpoel e.o.
Sipkesslag/Vliegveld Sipkesslag/Vliegveld
Mildenburg Mildenburg
Quackjeswater
Inspectiepad
Tenellaplas/Spartelvijver
Parnassiavlak/Oostvoornse Meer

Links: locaties waarnemingen grote boterbloem 2008 t/m 2014; rechts 2015 t/m juli 2022

Op de kaarten en in de tabel is goed te zien dat er meer waarnemingen van grote boterbloem zijn gedaan, op meer locaties en in meer deelgebieden. Een verdubbeling als we de twee periodes vergelijken. Hoe is dit te verklaren?

Voor een groot deel is de toename een waarnemerseffect, er wordt steeds meer ingevoerd in waarneming.nl. Zo vond de eerste auteur in 2022 een grote (d.w.z. waarschijnlijk al veel oudere) populatie in een secundaire natte, niet gemaaide en tamelijk verborgen duinvallei nabij het Quackjeswater die niet van een openbare publicatie bekend was.

Jolien Morren-van der Aa van Waarneming.nl wijst ons er terecht op dat: 

“Als je op de statistiekpagina van de grote boterbloem kijkt, zie je inderdaad een toename in aantal waarnemingen in heel het land welke iets minder sterk is dan het totaal op de site (https://waarneming.nl/species/7296/statistics/). Ik heb gerekend en kom op gemiddeld 150 waarnemingen per jaar in de eerste periode en 365 in de tweede. Dat is nog steeds ruim twee keer zo veel, wat ongeveer overeenkomt met de waargenomen toename in het aantal waarnemingen in het betreffende gebied.”

(Red: Deze verhouding is coherent met aantal waarnemingen van wilde planten in het gehele duin van Voorne; m.a.w. ruim 2,5 keer zo veel is gekeken in de recente periode. Bovenop dit waarnemerseffect lijkt er een surplus op Voorne want grote boterbloem neemt nog meer toe dan 2,5 keer)

De toename in aantal waarnemingen (in de tweede periode bijna 4 keer zo veel) zit opvallend veel in het (noordelijke) duin van Oostvoorne, niet in dat van Rockanje. Juist dit noordelijk duin ligt door alle haven- en deltawerken minder in het bereik van zee-invloeden en mist al jaren de normale saltspray: de fijne nevel met zout die neerdaalt in het duin. Deze verminderde ‘neerslag’ van zout kan de grote boterbloem mede een boost hebben gegeven. Bovendien is maaibeheer in veel valleien in het noorden (van Het Zuid-Hollands Landschap) al in jaren 90 omgezet in gedeeltelijke beweiding, wat mede leidde tot veel verruiging en bosontwikkeling. Niet verkeerd voor de grote boterbloem. Moerassige ruigte is het voorkeursbiotoop van deze valleisoort. Ondanks meer maai- en plagbeheer in het zuiden (bij Natuurmonumenten) lijkt ook daar nog voldoende ruiger en nat biotoop aanwezig. De toename aan waarnemingen zit duidelijk in de noordelijke terreinen met minder zout.

Dichtgegroeide secundaire duinvallei: vindplaats van grote boterbloem samen met o.a. stijve moerasweegbree en hoge cyperzegge

Tot slot

Het verdient aanbeveling dat alle terreinbeheerders, particulieren en overheden, meer complete soortenlijsten per deelgebieden laten maken en die ook publiceren. Dus niet alleen van de ‘subsidie-soorten’ in interne rapporten. Alleen zo is objectieve analyse van trends mogelijk en houden we zicht op de gehele natuur.

Deze analyse was gebaseerd op ‘burgerwaarnemingen’ ingevoerd op waarneming.nl en afgesloten op 16 juli. Begin augustus  2022 was de populatie nabij het Quackjeswater vrijwel geheel verdwenen in de koeienmagen die er op bezoek kwamen…zo snel kan het gaan.

Bronnen

https://www.verspreidingsatlas.nl/1051

https://duinenenmensen.nl/wp-content/uploads/2021/02/FWvEedenLijstfloraVoorne1874.pdf

Dit artikel werd geschreven als voorstudie voor het boek Duinen en mensen Voorne

 

Door: Nick Werring, Archivist Streekarchief Voorne-Putten

(Red.: voor het boek Duinen en mensen Voorne kregen we veel meer verhalen een studies onder ogen dan we in een boek van 200 pagina’s kwijt kunnen. Dit mooie verhaal van een zeer ongewone camping met een bijzondere en soms roerige ontstaansgeschiedenis is er eentje van en plaatsen we graag online.)

In 1942 liet de 92-jarige Johanna Vijfvinkel, weduwe van Cornelis Gabriël Trouw haar testament opmaken. Haar gezamenlijke erfgenamen zouden, onder meer, de bijna 32 hectare grote ‘Ronde Wei’ erven. Hoe het zich toen ontwikkelde tot camping kon worden ontrafeld omdat in 2017 het archief van Camping Rondeweibos (dat berust bij het Streekarchief Voorne-Putten) werd geïnventariseerd. De aangetroffen stukken vertellen een interessante geschiedenis. Hoewel de naamloze vennootschap dateert van 1961 kent het kampeerterrein een veel langere voorgeschiedenis, beginnend in 1809! 

Rond 1900 groeiden Rockanje en Oostvoorne uit tot populaire badplaatsen. Dagjesmensen kwamen per fiets of met de bekende RTM-stoomtram vanuit Rotterdam naar het strand om daar te wandelen, zwemmen of zonnebaden. Om deze vroege recreanten te vermaken werden in de loop der jaren tal van toeristische voorzieningen aangelegd, zoals een golfbaan, een openluchttheater en speeltuinen. De aanleg van (bad)hotels maakte een langer verblijf aan de kust van Voorne mogelijk. Delen van het duin zijn sinds 1927 in beheer bij Natuurmonumenten. Een van de trekpleisters vormde het bekende Quackjeswater. Dit moerassige gebied, ontstaan door een uitgestoven duinvallei, dreigde te verlanden en werd in de jaren ’30 in het kader van de werkverschaffing uitgediept.

Recreëren was begin twintigste eeuw niet voor iedereen weggelegd. Het eerste officiële kampeerterrein in Nederland, bij Vierhouten op de Veluwe, dateert van 1925. In de loop van de jaren twintig en dertig ontstonden meer en meer kampeerterreinen. De vrije zaterdagmiddag werd gemeengoed en de toename in welvaart en in vrije dagen maakten kamperen steeds populairder. Bovendien werd het in Nederland makkelijker tentdoek te verkrijgen om zelf een tent te naaien. Wie echter dacht  zomaar onvoorbereid een tentje op te kunnen zetten vergiste zich. In een tent slapen mocht dan wel avontuurlijk zijn, maar het was ook een serieuze zaak die een gedegen kennis van zaken vereiste. Er verschenen dan ook dikke boeken over de techniek van de ‘kampeersport’ en over de bijbehorende etiquette. Ondanks de crisisjaren kwam er in 1936 een systeem van kampeerkaarten, een verplichte registratie voor ieder die wilde kamperen. In 1939 kwam de uitgifte van kampeerkaarten onder de hoede van de ANWB, die zich tot dan toe nauwelijks had bemoeid met het fenomeen kamperen. Hoewel de Duitse bezetter reeds in het begin van de oorlog verbood om ’s nachts in de openlucht te verblijven, organiseerde de ANWB midden in diezelfde oorlog, in augustus 1942, de eerste ‘kampeercursus’, ter verbetering van het kampeergedrag.

Een lommerrijke laan in het Rondeweibos, ruim vóór de tijd van de camping (ca.1920) Collectie SAVP.

In de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog keerden de recreanten terug naar Voorne-Putten. Een van de toeristische trekpleisters bevond zich iets ten noordoosten van het Quackjeswater: het Rondeweibos van de familie Trouw.

Het Rondeweibos aan de Schapengorsedijk in Rockanje heeft een bijzondere geschiedenis. Het bos is bijna 200 jaar lang privé-eigendom geweest van de familie Trouw, bekend van de Grutterij en Spliterwtenfabriek in Geervliet. Spil in de geschiedenis van bos en kampeerterrein is Krijna Simons (1811-1879). Krijna trouwde in december 1834 met Cornelis Herweijer (1789-1848), zoon van Lodewijk Herweijer (1761-1815). Vader en zoon Herweijer, grondeigenaren woonachtig in Nieuwenhoorn, kochten in de jaren 1809-1828 diverse grote stukken ‘bosch, tuin en boomgaardland, als mede een Boschwagtershuis en schuur’, gelegen onder de ambachtsheerlijkheid Sint-Annapolder en het Schapengors. Na de dood van Cornelis Herweijer erfde zijn echtgenote Krijna deze percelen ‘boschland’. Krijna hertrouwde in 1850 met Gabriël Trouw.

In november 1887 bood het Rondeweibos een extra attractie: de heer Trouw toonde de bezoekers van het bos met enige trots een ware zeearend. Bron: NBC, 20-11-1887

 Aanvankelijk bestond het terrein uitsluitend uit bos, bestemd voor hakhout. De enige recreanten vormden leden van de familie Trouw. Begin twintigste eeuw stelde de familie het lommerrijke gebied open voor buitenstaanders: deze eerste recreanten kregen de mogelijkheid om tegen betaling van een kwartje een wandeling te maken in het Rondeweibos. In 1942 liet de 92-jarige Johanna Vijfvinkel, weduwe van Cornelis Gabriël Trouw haar testament opmaken. Haar gezamenlijke erfgenamen zouden, onder meer, de bijna 32 hectare grote ‘Ronde Wei’ erven. Johanna overleed nog datzelfde jaar, de wens van het oude echtpaar Trouw om het Rondeweibos onverdeeld te laten werd door haar kinderen gerespecteerd. Het was de taak van de erfgenamen om het geheel wat rendabeler te maken. Kort na de oorlog overwoog men om er bouwland van te maken, maar zover kwam het niet. Nadat eerst de padvinderij gebruik had gemaakt van het terrein verschenen in de jaren vijftig de eerste echte recreanten. Kleinzoon Cornelis Gabriël Trouw, de Geervlietse grutter, kwam in 1954 met het idee om op bescheiden schaal een camping te realiseren in het Rondeweibos. De exploitatie startte uiteindelijk in 1955, uit dat jaar dateert eveneens de eerste vermelding van inkomsten uit kampeerders en verkoop van wandelkaarten.

In januari 1958 startte men, bij wijze van proef, met de inrichting van een caravankamp. De exploitatie was van meet af aan een succes.

Een luchtopname van het kampeerterrein, 1963.   Collectie SAVP

De eerste bouwvergunning voor een paviljoen met kampwinkel werd verleend in april 1958. In 1959 concludeerden de beheerders (de familie Trouw), dat de inkomsten wat caravans en tenten betreft, de afgelopen twee jaren reeds waren verdubbeld. Alleen de opbrengsten van de verkoop van wandelkaarten bedroeg al 1.000 gulden in 1958. Er moesten al snel meer voorzieningen komen, het kampeerterrein was reeds toe aan uitbreiding. In 1958 werd al zo’n zevenduizend gulden geïnvesteerd. Door uitbreiding van het terrein met een halve hectare, zou de camping tot 300 kampeerders kunnen huisvesten. Uitbreidingen volgden elkaar dan ook in rap tempo op in de jaren 1959, 1961, 1963, 1968 en 1971. Het terrein groeide uit tot een camping met ca. 800 plaatsen voor stacaravans en ca. 100 toeristische plaatsen voor tent en caravan.

Beeld uit de jaren ’60. Bron: Collectie SAVP

De onderneming zelf werd op 29-03-1961 voortgezet onder de naam “N.V. Rondeweibos” (statutair gevestigd te Geervliet). De vennootschap had ten doel de exploitatie van het onder Rockanje gelegen complex weide- en bosterrein, genaamd de Rondewei. Officieel omvatte de exploitatie van het complex nog steeds de verzorging en verkoop van de houtopstand, maar de nadruk kwam steeds meet te liggen op exploitatie van het kampeercentrum. De naamloze vennootschap was nog steeds een strikte familieaangelegenheid, zo werden met ingang van 27 december 1962 105 aandelen à fl. 500,– uitgegeven aan de familie Trouw en verwanten, de totale grootte bedroeg fl. 52.500,–. Exact tien jaar later, op 27-12-1972 werd de naamloze vennootschap omgevormd tot een besloten vennootschap.

De camping was een succes, eigenlijk een te groot succes. Reeds in april 1956 vond er in de raadzaal van het Oostvoornse gemeentehuis een vergadering plaats van de natuurbeschermingswachten. ‘De perscommissie verzorgde vele oproepen, zowel ter bescherming van de meidoorns als om hulp in te roepen voor de in nood verkerende vogels’. Het toegenomen aantal toeristen kende dus een keerzijde. Zo gaf het ‘overmatig grote bezoek’ aan het strand aanleiding om een speciale circulaire rond te zenden met het verzoek om nog intensiever te patrouilleren. De politie was in de weekeinden reeds overbelast en kon daarom te weinig aandacht aan de natuurbescherming besteden.

Toegang tot het recreatiegebied vormde een ander struikelpunt: ‘Polderwegen een probleem’, kopte de Nieuwe Brielsche Courant reeds in februari 1960. De toename van het ‘vreemdelingenverkeer’ zorgde niet alleen voor conflicten met natuurbeheerders. De toenmalige burgemeester van Rockanje, de heer Spaans, pleitte voor meer geld voor recreatiegemeenten, onder meer voor onderhoud aan de toegangswegen. De Rondeweiweg vormde onder andere de toegangsweg naar speeltuin ‘De Houten Paardjes’ en het Quackjeswater. De weg was eigendom van Natuurmonumenten, maar in onderhoud bij de polder St. Annagors en Schapenpolder. Er volgde een langdurige discussie over de toegangswegen. Een bijdrage van de belanghebbenden (Natuurmonumenten als duineigenares en de familie Trouw als exploitant van het Rondeweibos) vonden velen niet meer dan billijk.

Door toename van het aantal toeristen en de steeds uitbreidende camping raakten de eigenaren, nog steeds de familie Trouw, in ditzelfde licht eveneens verwikkeld in een langdurig conflict met Natuurmonumenten over de toegang tot een pad dat de verbinding vormde tussen de Rondeweiweg, het Rondeweibos en via de Koepelberg naar het strand. Het pad was cruciaal voor de exploitanten omdat het de enige mogelijkheid vormde om bezoekers vanuit het Rondeweibos het strand te laten bereiken. Beide partijen namen advocaten in de arm en er volgde een verhitte discussie en uitgebreide correspondentie. De familie Trouw voerde diverse getuigen op die te kennen gaven dat het pad reeds vanaf het begin van de twintigste eeuw voor iedereen toegankelijk was, zonder dat het ooit was afgesloten of was voorzien van borden. De kwestie sleepte zich voort totdat het pad in 1967 definitief door Natuurmonumenten aan beide zijden met palen en prikkeldraad werd afgesloten. Om deze barricade kon de familie Trouw niet heen, bovendien vonden zij dat ze lang genoeg hadden geprocedeerd. De directie van de camping heeft tenslotte maar besloten om de kampeerders over een eigen weg naar het strand te leiden.

In de jaren ’60 en ’70 bood het Rondeweibos een totaal andere aanblik: de camping draaide op volle toeren.Collectie SAVP.

Ondanks deze conflicten werden steeds grotere stukken bos gekapt voor de immer groeiende camping. Het terrein werd in de loop der jaren steeds verder uitgebreid en er verrezen allerlei voorzieningen. Naast de noodzakelijke faciliteiten realiseerde men er een dienstwoning voor het beheerdersechtpaar (uiteraard een familie Trouw), een aparte caravanloods, een restaurant, een speeltuin en in 1987 opende men een eigen verwarmd openluchtzwembad op het terrein.

De familie Trouw bleef eigenaar van de succesvolle camping totdat zij deze in 2001 aan Molecaten Vakantieparken verkochten: na bijna 200 jaar kreeg het Rondeweibos een nieuwe eigenaar.

Tenslotte

(Klik op de afbeelding voor een uitvergroting) Eén van de oudste afbeeldingen van de duinrand, de kaart van Gevers 1827, Nationaal Archief. Perceel 84 van het Quackjewater is nog  geen bos, maar waarschijnlijk beweid duingrasland met wat struiken. Naast perceel 85 is de ronde weijer al te vinden, inclusief een weggetje er om heen. De hele kaart staat met een uitgebreide bespreking in het boek Duinen en mensen Voorne

De naam ‘Ronde wei’ vraagt om een verklaring. Lag hier een rond weiland dat later bos werd? Vanaf de 19e eeuw is al op kaarten een ronde vijver te zien, een ronde ‘weijer’,  in het dialect van de streek. Deze ronde vijver ligt er nog steeds. Mogelijk is in de 19e eeuw de vijver gebruikt als bron voor schoon drinkwater dat uit de nabijgelegen duinhelling omhoog kwam. Wie weet er meer van? De helling achter de Ronde weijer heette voor de oorlog Koepelduin…heeft iemand een vooroorlogse foto hiervan met de koepel? Reageer onder dit artikel.

Dubbelfoto van de ronde vijver (ronde weijer) 1920 – 2022. Klik op de foto.

Bij het boek Duinen en mensen Voorne werken we aan nieuw overzicht van natuur en historie.  Als voorproef dit korte hoofdstuk over het Kaapduin waar de geschiedenis van het gebruik de natuur van het heden dicteert. Klik op de foto en de pdf van het concept wordt leesbaar. Een kleine stap voorwaarts! Omdat het een concept is zijn correcties welkom! Leen Hoogerwerf  uit Rockanje wist veel van deze waterwinning (waarover geen publicaties bestaan) en zijn reactie wordt ook verwerkt in onze eindversie. Commentaar altijd welkom tot eind 2022, maar aub geen bozige toon. De ‘echte’ geschiedenis bestaat niet; we kunnen alleen nieuwe feiten steeds beter in een verhaal gieten.

Jan Alewijn Dijkhuizen op zoek naar…

Bij  het boek Duinen en mensen Voorne zitten 4 grote routes die een overzicht bieden op dit unieke en sterk veranderende kustlandschap. Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige ronde van bijna 50km: de Grote Voornse Ommeloop van Dijk en Kust. Advies: fiets de Dijkenroute en wandel de Kustroute. Spreek met iemand af aan eindpunt of beginpunt om van vervoermiddel te wisselen. Zo wordt het een fraaie estafette.

Kustroute langs de zee

Dijkenroute langs de binnenduinrand

De Grote Ommeloop van de duinen van Oostvoorne

De Grote Ommeloop van de duinen van Rockanje

Voor uitgebreide toelichting en achtergronden: zie Duinen en mensen Voorne.

(verslag) Rolf Roos m.m.v. Erik Ketting en Dick van der Laan

Meewerkenden:  Herma & Nico Enthoven, Henk Gazan, Theo Hagedoorn,  Erik Ketting, Ineke Kuijs, Dick van der Laan,  Aletta de Ruiter,  Rolf Roos & Willemien Troelstra

Voor: Het Zuid-Hollands Landschap

Korte omschrijving

Om een goede indruk te krijgen van de huidige terreinkwaliteit werd kortdurend (1 middag) met veel floristen tegelijk het terrein HEV8  (zie kaartje, 1,5 ha) geïnventariseerd. Ruwweg omvat het 70%  droog duingrasland, 20% bos en bosrand en 10% water en vochtig terrein. Hoewel het terrein ogenschijnlijk ‘saai’ oogt zijn er diverse botanische bijzonderheden van deze vroeger door konijnen begraasde Heveringen. De recreatiedruk is hoog: paden en kommen zijn kaal dan wel licht verruigd. De soortenrijkdom met ruim  140 soorten is redelijk (in de zestiger jaren ging het voor de hele Heveringen om 186 soorten) en kent een aantal botanische smaakmakers die we per biotoop bespreken. De Rode Lijstsoorten die in 2022 werden aangetroffen: stijve en rode ogentroost en voorjaarzegge.

Stijve ogentroost

Voorjaarszegge, foto Ronald van Wijk

Methode

Op 9 juli 2022 op 21 mei werd de flora van bovenstaand terreindeel grondig  (alle soorten, hele gebied doorkruist) door 10 man/vrouw onderzocht, in die zin dat duingraslanden de meeste aandacht kregen en bos en bosrand slechts zijdelings. Bij de Spartelvijver werd zowel het water/oever als het vochtige grasland aan de zuid en noordoostzijde onderzocht.

Er werd een complete soortenlijst van hogere planten gemaakt en soorten zijn met aantalsschattingen ingevoerd in iOBS en zo beschikbaar in de ZHL database; deze data zijn samengevoegd naar een eenvoudiger schaal per deelbiotoop (Tansley-schaal: r, o, f, ,a, (c)d voor schaars, af en toe, frequent, abundant en (co)dominant. Zie de bijgevoegde tabel: een soortenlijst van drie biotopen: vochtig terrein nabij vijver (uit de jaren ’60) , bos en bosrand, droge duingrasland.

Hazenpootje, een klaversoort van droge duingraslanden

Duingrasland

Het beeld in de duingraslanden is  van een matig schraal,  redelijk hoog opgaand hooiland met reukgras en gewoon struisgras als abundante soorten, maar ook met regelmatig veel duinroosjes die op Voorne kenmerkend lijken voor de oude(re) duinen met gedeeltelijke ontkalking van de bovenlaag.  Regelmatig staan er de meer voedselrijkdom indicerende soorten glanshaver en gestreepte witbol, lokaal ook kamgras en Engels raaigras. Duinriet en buntgras alleen heel lokaal. Het geheel maakte geen bloemrijke indruk. Duingraslandsoorten als liggende klaver, geel walstro, gewone rolklaver en schermhavikskruid (nog niet bloeiend) werden slechts mondjesmaat gevonden. Bijzondere soorten als stijve ogentroost, rode ogentroost en voorjaarzegge slechts op een enkele vindplaats. Juist deze laatste soorten (die met tandjesgras in het traject van net vochtige duingraslanden voorkomen) laten zien dat de vochtsituatie suboptimaal is voor deze soorten en dat waar mogelijk ZHL omringende duinrellen zou moeten verondiepen dan wel amoveren.

Regelmatig voorkomen van brem en tandjesgras wijzen op ontkalking maar soorten van echt kalkloze duinen als vroege haver, zandblauwtje of klein tasjeskruid werden niet aangetroffen. Het voorkomen van pijpenstrootje, dopheide en struikheide op de Heveringen is van decennia geleden.

In een terreindeel in het NW is het wat kalkrijker met o.a. meer geel walstro, grote tijm en zachte haver. In 2021 is hier ook gestreepte klaver gevonden die we in 2022 niet troffen.

Regulier hooilandbeheer met laat maaien en afvoeren is prima maar late nabeweiding met schapen zou heel goed kunnen uitpakken.

Naast verbetering van waterhuishouding is vermindering beschaduwing/ bladinwaai door deels terugsnoeien en opkronen van bosranden essentieel. Stikstof komt niet alleen van buiten maar ook van binnen het graslandsysteem!

De recente bestrijding van Japanse duizendknoop bij de entree Berkenrijsweg was in die zin effectief dat het  kaal was en er mogelijk geen uitbreiding plaatsvindt.

Bos- en bosrand

Zoals gezegd is bos niet grondig onderzocht: het is matig voedselrijk (zevenblad, brandnetel, look zonder look) met naast veel zomereik zowel soorten van kalkrijke bodem (meidoorn, kardinaalsmuts) als van ontkalkte bodems (kamperfoelie, hulst,  lijsterbes, Amerikaanse vogelkers). De aangetroffen verjonging met o.a. esdoorn en beuk laat de tendens naar hoger opgaand bos zien. Het advies is om een deel  van de hoge bomen te verwijderen en bosranden terug te zetten en/of op te kronen, maar wel met lichte middelen want sterke verstoring zal verruiging en verbraming in de hand werken. Daarna opnemen bosranden (mogelijk worden het bloemrijke zomen) in maaibeheer als hooiland. Bosschages blijven wel  gehandhaafde het oog op lokaal draagvlak, vogels en vlinders. Amerikaanse vogelkers en esdoorn handmatig verwijderen!

Rond de Spartelvijver

In het matig voedselrijke water werd hoge cyperzegge aangetroffen en ook, als nieuwkomer, de in duingebieden beslist zeldzame grote boterbloem. In de vochtige graslanden troffen we aardige accenten als borstelbies, bosorchis en gevlekte rietorchis aan.

Teneinde weer iets van de floristische grandeur van de Heveringen terug te krijgen dient het hooilandbeheer te worden  doorgezet

Om de resultaten van het beheer te kunnen beoordelen is het gewenst de evaluatie als deze eens in de twee à drie jaar te herhalen.

Tabel soortenlijst Heveringen deelgebied HEV8, 2022

species name scientific name  totaal met Tansley vochtige delen spartelvijver bos& bosrand droge duingraslanden
Akkerwinde Convolvulus arvensis r ja
Amerikaans krentenboompje Amelanchier lamarckii r ja
Amerikaanse vogelkers Prunus serotina f ja
Bermzuring Rumex x pratensis (R. crispus x obtusifolius) r ja
Beuk Fagus sylvatica r ja
Bittere wilg Salix purpurea r ja
Borstelbies Isolepis setacea r ja
Bosorchis Dactylorhiza fuchsii o ja
Brem Cytisus scoparius o ja
Buntgras Corynephorus canescens o ja
Dagkoekoeksbloem Silene dioica o ja
Dauwbraam Rubus caesius o ja
Duinriet Calamagrostis epigejos o ja
Duinroos Rosa spinosissima a ja
Duizendblad Achillea millefolium f ja
Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna f ja ja
Egelboterbloem Ranunculus flammula o ja
Engels raaigras Lolium perenne f ja
Es Fraxinus excelsior o Ja
Fijn schapengras Festuca filiformis f ja
Fioringras Agrostis stolonifera o ja
Fluitenkruid Anthriscus sylvestris o ja ja
Geel nagelkruid Geum urbanum f ja
Geel walstro Galium verum o ja
Gele lis Iris pseudacorus o ja
Gele morgenster Tragopogon pratensis r ja
Geoorde wilg Salix aurita r ja
Geplooide stokbraam Rubus plicatus r ja
Gestreepte witbol Holcus lanatus a ja
Gevlekte rietorchis Dactylorhiza praetermissa subsp. Junialis o ja
Gewone brunel Prunella vulgaris f ja
Gewone esdoorn Acer pseudoplatanus f ja
Gewone glanshaver Arrhenatherum elatius subsp. elatius f ja
Gewone hoornbloem Cerastium fontanum o ja
Gewone rolklaver Lotus corniculatus o ja
Gewone veldbies Luzula campestris f ja
Gewone waterbies Eleocharis palustris o ja
Gewone waternavel Hydrocotyle vulgaris o ja
Gewoon biggenkruid Hypochaeris radicata f ja
Gewoon reukgras Anthoxanthum odoratum a ja
Gewoon struisgras Agrostis capillaris a ja
Gewoon timoteegras Phleum pratense f ja
Greppelrus Juncus bufonius o ja
Grote boterbloem Ranunculus lingua r ja
Grote brandnetel Urtica dioica r ja
Grote kattenstaart Lythrum salicaria o ja
Grote ratelaar Rhinanthus angustifolius f ja
Grote tijm Thymus pulegioides o ja
Grote waterweegbree Alisma plantago-aquatica f ja
Grote wederik Lysimachia vulgaris f ja
Haagwinde Convolvulus sepium f ja
Harig wilgenroosje Epilobium hirsutum f ja
Hazelaar Corylus avellana o ja
Hazenpootje Trifolium arvense o ja
Heen Bolboschoenus maritimus o ja
Heermoes Equisetum arvense o ja
Hoge cyperzegge Carex pseudocyperus o ja
Hondsdraf Glechoma hederacea f ja
Hondsroos groep Rosa Subsec. Caninae r ja
Hulst Ilex aquifolium o ja
Iep spec. Ulmus spec. o ja
IJle dravik Anisantha sterilis f ja
Jakobskruiskruid Jacobaea vulgaris f ja
Kamgras Cynosurus cristatus o ja
Kleefkruid Galium aparine o ja
Klein streepzaad Crepis capillaris f ja
Kleine klaver Trifolium dubium o ja
Kleine lisdodde Typha angustifolia o ja
Klimop Hedera helix o ja
Kluwenzuring Rumex conglomeratus o ja
Koninginnekruid spec. Eupatorium spec. f ja
Kraailook Allium vineale f ja
Kromhals Anchusa arvensis r ja
Kropaar Dactylis glomerata f ja
Kruidkers spec. Lepidium spec. o ja
Kruipende boterbloem Ranunculus repens f ja
Kruipwilg Salix repens r ja
Krulzuring Rumex crispus r ja
Lidsteng Hippuris vulgaris f ja
Liggende klaver Trifolium campestre o ja
Look-zonder-look Alliaria petiolata o ja
Madeliefje Bellis perennis o ja
Moerasvergeet-mij-nietje Myosotis scorpioides o ja
Moeraswalstro Galium palustre r ja
Muizenoor Pilosella officinarum f ja
Paardenbloem Taraxacum officinale s.l. (incl. all sec.) f ja
Pitrus Juncus effusus o ja
Platte rus Juncus compressus o ja
Riet Phragmites australis a ja
Rietzwenkgras Schedonorus arundinaceus o ja
Robertskruid Geranium robertianum f ja
Rode klaver Trifolium pratense o ja
Rode ogentroost Odontites vernus r ja
Rode waterereprijs Veronica catenata o ja
Rood zwenkgras Festuca rubra f ja
Ruige zegge Carex hirta o ja
Ruw beemdgras Poa trivialis f ja
Ruw walstro Galium uliginosum o ja
Ruwe bies Schoenoplectus tabernaemontani o ja
Schapenzuring Rumex acetosella o ja
Schermhavikskruid Hieracium umbellatum f ja
Scherpe boterbloem Ranunculus acris o ja
Sint-Janskruid Hypericum perforatum o ja
Slanke waterkers Nasturtium microphyllum o ja
Smalle weegbree Plantago lanceolata f ja
Stijve ogentroost Euphrasia stricta s.l. r ja
Tandjesgras Danthonia decumbens f ja
Taxus Taxus baccata r ja
Tengere rus Juncus tenuis o ja
Veenwortel Persicaria amphibia o ja
Veldbeemdgras Poa pratensis f ja
Veldzuring Rumex acetosa o ja
Vergeten wikke Vicia sativa subsp. segetalis r ja
Vijfvingerkruid Potentilla reptans o ja
Viltige basterdwederik Epilobium parviflorum o ja
Vogelwikke Vicia cracca o ja
Voorjaarszegge Carex caryophyllea r ja
Watermunt Mentha aquatica f ja
Waterpunge Samolus valerandi o ja
Wegedoorn Rhamnus cathartica o ja
Wilde kamperfoelie Lonicera periclymenum r ja
Wilde kardinaalsmuts Euonymus europaeus r ja
Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia o ja
Witte abeel Populus alba r ja
Witte klaver Trifolium repens o ja
Witte paardenkastanje Aesculus hippocastanum r ja
Wolfspoot Lycopus europaeus f ja
Zachte dravik Bromus hordeaceus o ja
Zachte haver Avenula pubescens o ja
Zandzegge Carex arenaria f ja
Zeegroene rus Juncus inflexus o ja
Zevenblad Aegopodium podagraria f ja
Zilverschoon Potentilla anserina o ja
Zomereik Quercus robur f ja
Zomprus Juncus articulatus o ja
Zompvergeet-mij-nietje Myosotis laxa o ja
Zwart knoopkruid Centaurea jacea subsp. nigra o ja
Zwarte braam Rubus Sec. Rubus f ja
Zwarte els Alnus glutinosa o ja
Zwenkdravik Anisantha tectorum o ja