Rolf Roos
We lezen na: Cees Sipkes, 1937: De werkzaamheden in Natuurmonument Voorne’s Duin. Ontleend aan: De Levende Natuur
Na de oorlog was Sipkes (die in 1989 overleed) decennia adviseur bij het Zuid-Hollands Landschap dat ruwweg de helft van de duinen van Voorne in beheer kreeg (andere helft: Natuurmonumenten). Omdat hijzelf fervent plantentuinen aanlegde (o.a. Tenellaplas) en in de ‘zuil’ thuishoort van plantenkenners die ook hovenier/tuinarchitect zijn (met o.a. Landwehr, Leopold, Koning, Kollee) zou je niet verwachten dat hij in de vooroorlogse discussie over ‘ingrijpen of niet’ voor terughoudenheid pleit. In het kader van de werkverschaffing rond 1935 waren er onder leiding van A.J. Boot in o.a. Quackjeswater en Breede water (die nog onder zeggenschap de fam. Hoey Smith vielen) baggerwerkzaamheden uitgevoerd en vegetaties vernietigd. Moest dat wel? Welke fouten werden gemaakt? Sommige discussiepunten kunnen bekend voorkomen. En de tijd achterhaalt menige stelling:
“Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.”
We treffen in een bijzin een goede, poetische suggestie: “Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind.”
En: “Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur.”
Enkele citaten:
Op verschillende plaatsen in ons land tracht men het gemis aan natuurschoon te vergoeden door plassen te graven, heuvels op te werpen en bosch aan te leggen. Waar we veel verlies aan natuurschoon zien door menschelijken invloed en waar de werkeloosheid aanleiding is tot het zoeken van objecten, zullen dergelijke plannen talrijker worden. (…)
Veel van deze werken verraden naast een goede bedoeling, onvoldoende kennis van hetnatuurlijke landschap, waarvan men de nabootsing nastreeft. In het algemeen zijn de taluds van de oevers te steil en verraden de hoogten de menschelijke hand. De beste en mooiste van deze werken zijn, voorzoover mij bekend, het Zuiderpark in den Haag en het duinmeer op het Provinciaal Landgoed van Noord-Holland. Maar ook de minder geslaagde brengen groen, water en relief in het landschap, de flora wordt rijker, de vogels vinden drink- en broedplaats en de mensch vindt verpoozing.
Ook in een natuurmonument is nu een dergelijk werk verricht, zooals Dr. Hofker beschreef, de uitdieping van het Breede Water en het Kwakjeswater bij Rockanje. In andere natuurmonumenten is dit nimmer geschied. In het Naardermeer heeft men zich beperkt tot het maaien van riet. In gedeelten waar men zelfs dit naliet, ontstond spontaan een uiterst interessant natuurbosch, van els, berk en lijsterbes, dat vanuit den trein voor ieder waarneembaar is en dat zich ontwikkelt tot een oerwoud, waar reeds nu een dierenwereld en plantengroei is, die men er zoo spoedig niet verwacht had. De gelegenheid tot bestudeering van die spontane begroeiing en de veranderingen daarvan, stempelt reeds, afgezien van de rijke vogelwereld, het Naardermeer tot een natuurmonument. Verbreking van deze successie door graverijen zou te betreuren zijn en ik durf wel zeggen, dat Natuurmonumenten zooiets nooit zou ondernemen.
Breede Water ca 1935 met zeewaarts nog deels stuivende duinen. Foto Th. van der Steeg. Streekarchief VP
(…)
Wat heeft men echter gedaan? Men heeft uitgediept, zoowel in het Breede Water, als in het Kwakjeswater, waar een zeer interessante phase van verlanding en spontane boschvorming aan de gang was en men heeft het materiaal uit de diepte op de oevers gebracht, daarmee de bestaande moerasflora ten deele begravend, de taluds naar het water heeft men steiler gemaakt, zoodat de gelegenheid tot begroeiing van verschillende zones geringer gemaakt is.
ledere soort van moerasplanten stelt zeer bepaalde eischen aan den bodem en in jaren met verschillende hoogte van het grondwater, groeien velen ook op andere plaatsen. Het is bekend, dat aan de steile kanten van de fasantendrinkplaatsen in de duinen nooit zoo gemakkelijk moerasplanten komen als op de meer vlakke hellingen, op even vochtige plaatsen elders. Allerhande factoren als wind, stabiliteit van de groeiplaats, humificatie, zonbestraling en bacterieleven, spelen een rol bij de vestiging van subtiele soorten, als orchideeën, gentiaanachtigen, Parnassia, e.d.
Nu kan ingrijpen van den mensch wel eens gunstig zijn voor dergelijke soorten. Een dunne laag zand over het Vliegveld van Oost-Voorne, heeft een vegetatie van Parnassia in het leven geroepen als nergens elders. Maar het Vliegveld lag niet in het Natuurmonument en het resultaat had evengoed anders uit kunnen vallen.
Zoo kan ik de landschaps-verfraaiing in het natuurmonument op Voorne niet toejuichen en de wijze waarop men uitgediept heeft, niet deskundig noemen, hoe goed men het ook bedoeld moge hebben.
(…)
Goed, desnoods had men op het terrein op Voorne nieuwe plassen kunnen graven in duingedeelten, die uit een biologisch oogpunt weinig waard waren en voor de studie van de successie van de vegetatie, de plantensociologie van minder beteekenis dan de bestaande plassen. Men had dan op zoo natuurlijk mogelijke wijze een plas kunnen graven. Men had het laatste woord kunnen geven aan den wind, die de taluds een natuurlijk profiel gegeven zou hebben en als het juiste oogenblik gekomen was, had men alles vast kunnen leggen met helm (ook als tegenwicht tegen een onnatuurlijken toestand, de vele konijnen) en men had in een nieuwe duinplas de interessante begroeiing van de eerste phase van Kruipende Vetmuur via Parnassia, Orchideeën, Gentianen tot een stadium van duin, weide of bosch opnieuw kunnen volgen. En elders verder naar het westen ontstaan spontaan weer nieuwe valleien met plassen water en kunnen we het proces ten derde male volgen.
Laten we ons echter niet verbeelden dat we het mooier en beter kunnen dan de Natuur, laten we wanneer we werken uitvoeren in een natuurmonument ons beperken tot herstellen van een natuurlijken toestand, kleine, weinig, ingrijpende bescherming van planten of dieren daargelaten.

Werkkamp de Schaapskooi, Rockanje, vanwaaruit werklozen aan het werk werden gezet in de natuur. Foto: Th. van der Steeg, ca 1936. Streekarchief VP
Cees Sipkes (1928)
(Red.) Wij troffen dankzij Ruud Vlek van de Heimans en Thijssestichting een handgeschreven manuscript met de titel ‘Natuurbescherming in de duinstreek’ (archiefnr. UBA512, bibliotheek Allard Piersonmuseum Amsterdam) en is hier als pdf te zien.
In de bibliografie van Sipkes (1895-1989) op Wikipedia en in De Levende Natuur, troffen we nergens een artikel of boek met deze titel dus we vermoeden dat het niet is gepubliceerd. Anderzijds: Sipkes verwijst in het slot naar een drukproef (cliche) en een voorstel voor fotobijschrift: “Welkom vreemdeling in veel duinen.” Dat is meteen een mooi tijdsbeeld. Een ‘vreemdeling’ betekende in de jaren 20 van de vorige eeuw: een toerist. En dat ‘veel’ slaat op de toegankelijkheid, want lang niet alles was vrij toegankelijk. Het ergst vond Sipkes (die net als Thijsse en zijn compaan Heimans bordjes verboden toegang haatte) dat voor het Zwanenwater: “Het is ook voor natuuronderzoek niet toegankelijk.”
Na een wat wollige inleiding volgt een beknopte en informatieve beschrijving van de duinen van het vasteland van Den Haag tot Den Helder, inclusief de bedreigingen. Met veel details over zijn lievelingsplanten, de orchideeën. Aan het eind nog wat wederwaardigheden over Zeeland, Goeree en de Wadden. Het geheel sluit af met een mooie slotquote die we onze lezers niet zullen onthouden.
Voor de hieronder opgenomen fragmenten hebben we vooral passages geselecteerd die een indruk geven van wat er destijds allemaal groeide en wat er speelde aan bedreigingen (woningbouw, waterleidingen etc. en bij Sipkes ook: konijnen) opgenomen. De spelling hebben we aangepast en Latijnse namen zijn bijna overal vervangen door Nederlandse; in onbruik geraakte plantennamen hebben we ook aangepast. Bespikkeld zonneroosje werd zo: gevlekt zonneroosje. Sturmia werd groenknolorchis.
De citaten van Sipkes hebben we van subkoppen voorzien, soms met een kort commentaar. Nu we honderd jaar verder zijn, zijn de verdwenen groeiplaatsen van harlekijn, honingorchis, muggenorchis, koraalwortel en vogelnestorchis interessant. Het aantal groeiplaatsen van hondskruid verminderde, maar de aantallen individuen zoals we die bij Wijk aan Zee de laatste decennia aantreffen telde Sipkes niet. Duinen werden in de jaren 20 met name bedreigd door woningbouw en waterwinning, over ‘recreatie door de natuurliefhebber’ is Sipkes mild, al willen ‘badgasten’ wel wat hondskruid plukken. Hij noemt de net aangelegde Zeeweg van Bloemendaal naar zee ‘prachtig’, maar is snijdend scherp over de gemeente Bloemendaal die met ‘bescherming van natuurschoon’ schermt maar woningen bouwt. Niets nieuws onder de zon. En ook voor Sipkes gold: vroeger was het mooier.
Wat zijn nu de oorzaken van de verarming van de natuur, van de duinen en bossen tussen Hoek van Holland en Bergen? Als dichtbevolkt land moeten we, in het belang van onze voeding, woningen, drinkwatervoorziening, bosbouw, land-en tuinbouw, werkverschaffing, vreemdelingenverkeer (om ons te beperken tot algemene belangen) gebruik maken van onze woeste gronden, van de natuur van onze bossen, moerassen en duin. (…)
<pag. 8 ontbreekt in manuscript>
Laten we de grote duincomplexen van Den Haag tot Den Helder beknopt behandelen, beginnende in het zuiden. Het duinlandschap tussen Den Haag en Katwijk behoort aan de gemeente ‘s-Gravenhage, in het belang van de drinkwaterwinning. Er loopt dan ook een ’sprank’, een overdekt kanaal, van de waterleiding van zuid naar noord doch de daarvoor gegraven geul is vrij smal en in het algemeen genomen is het landschap gaaf gebleven, een prachtig duincomplex met zandverstuivingen en duinbosjes.
Door de waterleiding is het grondwater gezakt, zodat de moerasflora verdwenen is. Op koele noordhellingen en in en bij de bosjes groeit in zeer groot aantal de elders in ons land ontbrekende kruisbladgentiaan (Gentiana cruciata). De enige onnodige en ernstige natuurvernieling die hier plaats gehad heeft, is de aanbouw van enkele villa’s in het terrein langs de weg van het Kievitspark naar Meijendel, doch gelukkig is de weinige animo om deze huizen te bewonen geen aansporing om aldaar meer te bouwen. Uit oogpunt van stadsuitbreiding was er geen reden om in die duinen te bouwen, terwijl in het Kievitspark en elders in het vlakke terrein nog zoveel bouwterreinen ongebruikt lagen.
De Wassenaarsche duinen zijn ten dele geheel open voor de wandelaar, ten dele alleen met kaarten toegankelijk en ten delen geheel verboden toegang. Er zijn konijnen, die aan het plantendek en aan het houtgewas schaden doen, toch niet in zeer erge mate. (…)
We slaan de duinen over tussen Katwijk en Noordwijk, welke zonder lage valleien zijn, doch uitstekend begroeid daar er vrijwel geen konijnen zijn. (….) De duinen tussen Noordwijk en Zandvoort behoren vrijwel geheel aan de gemeente Amsterdam in het belang van de drinkwatervoorziening. Het duinlandschap is doorsneden door een groot aantal diepe kanalen. Het zand daaruit is in de duinen gestort waar grote vlakten, zogenaamde ‘storten’, door gevormd zijn. Het landschap is dus geheel veranderd. Natte valleien zoals vroeger, zijn er dus vrijwel niet meer. De oorspronkelijke flora is dus ten dele verdwenen, doch de soorten die tegen droogte kunnen zijn aangevuld met een aantal adventief planten, soorten die er gebracht zijn met het fazantenvoer. De konijnen zijn er nog talrijk, doch wanneer er al te veel komen worden maatregelen genomen. Wandelaars kunnen er tegen kaarten toegang krijgen. (…).
Tussen deze duinen en de weiden aan de duinvoet liggen enkele bossen, het Vogelzangsche bosch (nog vrijwel ongerept) en het Naaldenveld en Bentveld, beschreven door van Eeden, nu vol villa’s en wegen zodat de oorspronkelijke flora en het landschap zeer geleden heeft. Onder deze bebouwing verdween de mooiste groeiplaats van stengelloze sleutelbloem in het Naaldenveld bij de wegenaanleg. Wel is aldaar een gedeelte uitgespaard, doch het mooiste gedeelte was gemakkelijker te exploiteren.
Tussen Zandvoort en de gemeente IJmuiden ligt een zeer groot duinencomplex, alleen van oost naar west doorsneden door de Zeeweg, door de gemeente Bloemendaal aangelegd voor werkverschaffing, een prachtige weg zoals deze zich door het landschap slingert en in een grote behoefte voorziend. Duizenden trekken er langs naar het strand en genieten daar met hun tenten van het strandleven. Van zuid naar noord ligt een overdekte prise d’eau van de Haarlemse waterleiding die weinig opvalt in het landschap, die behalve in de meest N.W. hoek de moerasflora geheel heeft doen verdwijnen. Overigens is dit duincomplex in de Provincie Noord-Holland het grootste ongerepte terrein met schitterende landschappen, met heuvelrijen, uitgestrekte reeksen van valleien en berkenbosjes.
Op de noordhelling groeien soms nog bijzondere soorten: honingorchis en maanvaren en in de valleien is de vroeger zo rijke flora zoals deze beschreven is door van Eeden vrijwel geheel verdwenen; soms door overstuiving, konijnen en door daling van het grondwater. Er is ook vrijwel geen terrein aan te wijzen waar zoveel konijnen zijn die het plantendek en houtgewas beschadigen en sommige planten als hondskruid, een roze orchideetje, en breedbladige wespenorchis, een groene orchidee, zeer bedreigen terwijl deze soorten de uitdroging door de waterwinning goed doorstaan hadden. Waar hier van nature herstel plaats heeft van de moerasflora door uitwaaien van stuifplekken tot het grondwater wordt dit door onmatige behandeling of ingebruikneming als aardappelland, tegen belachelijke lage pacht, weer teniet gedaan.
Onlangs zijn de duinen langs de Zeeweg aangekocht door de gemeente Bloemendaal in het belang van het behoud van het natuurschoon, zoals de motivering luidde van den aankoop. Doch tegelijkertijd wordt er aan een plan gewerkt vergunning te geven tot de bouw van landhuizen, wat een schending zou betekenen van het schitterende landschap dat zich noord- en zuidwaarts van de weg bevindt. Bovendien is deze bebouwing een gevaar voor verdere bebouwing plannen in dit grote ongerepte terrein tussen Bloemendaal en het strand gelegen tussen een zich ontwikkelende wereldstad van IJmuiden, Velzen, Santpoort, Haarlem tot Zandvoort, welke wereldstad behoefte heeft aan recreatieterrein voor de steeds meerdere natuurliefhebbers.
De afdeling Haarlem van de Nederlandse natuurhistorische vereniging voert momenteel actie tegen deze bebouwingsplannen, laten we hopen met succes. (…)
Het hondskruid kwam daar vroeger (1912, 1913, 1914, 1915) voor op lichte plekken tussen bosjes terwijl de breedbladige wespenorchis zich in de jonge dennenbossen bij honderden had uitgezaaid. (…)
De z.g. Breesaap, de duinen ten noorden van het Noordzeekanaal en ten zuiden van de weg Beverwijk-Wijk aan Zee, zijn gedeeltelijk nog ongerept hoewel niet konijnenvrij en gedeeltelijk geheel in beslag genomen door het hoogovenbedrijf. Enkele groeiplaatsen met aronskelk en daslook [Sipkes: berelook, red.] en enkele duinmoerassen met orchideeën en parnassia zijn hier als offer gevallen van havenuitbreiding en vestiging van de industrie. We kunnen hier niets tegen doen en alleen met des te meer klem op bescherming aandringen van terreinen welke niet door hun ligging voor dergelijke doeleinden dienstig zijn.
Ten noorden van Wijk aan Zee liggen duinen behorende aan de provincie waar Wandelaars met kaarten toegang hebben. Vlak bij het dorp zijn vrijwel geen konijnen, zodat het eerder genoemde hondskruid zich bovenop een goed begroeide noordhelling bij honderden gevestigd had. In sommige jaren werden bijna 1000 stuks geteld, welk aantal bloemen sterk vermindert door het plukken van de badgasten. De strenge winter van 1929 heeft deze groeiplaats, vroeger de mooiste van ons land, zoveel schade toegebracht dat er in 1929 niet één geteld is. Hondskruid komt reeds in de winter boven de grond, doorstaat in normale winters de vorst zonder schade doch de lage temperatuur van februari 1929 gepaard gaande met een droge bodem in die tijd (een niet te onderschatten bijkomende factor) later heeft de knol gedood.
Van Beverwijk tot castricum liggen particuliere duinen met veel tuinbouw (bollen , aardbeien en aardappelteelt), afwatering met het oog op wit cultuurland en veel jacht.
Bij Bakkum ten N.W. van Castricum zijn duinen behorende aan de provincie toegankelijk met kaarten. Hier is een kampeergelegenheid waar zeer veel gebruik van gemaakt wordt; als zeldzame plant noem ik gevlekt zonneroosje. Ten noorden van deze duinen liggen nog lange vochtige valleien dichtbij zee, waar vreemd genoeg vrijwel niets groeit dan duizenden parnassia’s en een uitgedroogde vlakte met dopheide.
Bij Egmond beginnen duinen met veel aardappelcultuur, wat konijnen en bij Bergen liggen nog prachtige duinpannen met veel hout en ondanks afwateringssloten en de nabijheid van de provinciale waterleiding vrij hoog grondwater. In de Verbrande Pan groeit nog de vogelnestorchis en de uiterst zeldzame koraalwortel, het gevlekt zonneroosje, veldgentiaan, jeneverbessen, grasklokje en de eerste struik- en dopheide. Het zand wordt hier kalkarmer zodat de flora verandert, en kalkschuwe planten als heide, kraaiheide, gagel, op enkele plekken zelfs dubbelloofvaren, bosbessen en wilde welriekende nachtorchis op te merken zijn.
In het Uilenvangers vlak vinden we een moeras met galigaan die we noordwaarts talrijker zullen aantreffen, gevlekte orchis en meer naar de zeekant vleeskleurige orchis, muggenorchis, rond wintergroen en als nieuwe verschijning klein wintergroen met kleine bloemen. De harlekijn orchis, bij Haarlem zeldzaam, is hier vooral in regenrijke jaren zeer talrijk, soms zelfs op noordhellingen maar meestal in de enigszins vochtige duinvlakten. In een enkele vallei groeit na regenrijke winters rond wintergroen en moeraswolfsklauw doch dit gedeelte van de duinen ligt al onder de werkingssfeer van de waterleiding.
Op de grens van de gemeente Schoorl beginnen de Staatsduinen.
Systematisch wordt het kale kalkarme duinzand beplant met Pinus nigra (Oostenrijkse en Corsicaanse den), Pinus montana en nog andere soorten naald- en loofhout. De waterstand is ten gevolge van lokale drainage, het steeds meer verdampende houtgewas en de nabijheid van de waterleiding nog vrij wat gedaald. In het noorden zijn er nog uitgestrekte plassen en de mooiste terreinen blijven als natuurmonument ongerept. In de dennenbossen heeft zich sinds 1913 bij duizenden de dennenorchis gevestigd welke nergens anders groeien kan dan in naaldbossen of gemengd bos van naald- en loofhout. Deze wilde orchidee met schroefvormige aartjes in juli-augustus heeft ‘s winters groene rozetten en vermeerdert zich door uitlopers en door zaad. De vogels zullen uit het noorden van ons land wel de zaden aangebracht hebben.
Ten noorden van de Hondsbossche zeewering liggen de Staatsduinen bij Petten. De valleien zijn hier nog rijk aan water vandaar vele parnassia’s, moeraswespenorchis, welke ook veel bij Bergen bij zee groeit, groenknolorchis, vleeskleurige orchissen, zelden honingorchis.
Bij Callantsoog licht het grote prachtige duinmeer ‘het Zwanenwater’ met een zeer rijke vogelbevolking en een mooie moerasflora van orchis, welriekende nachtorchis, waterdrieblad en dergelijke langs de oevers. Het is ook voor natuuronderzoek niet toegankelijk.
Ten noorden van Callantsoog worden de duinen vrij smal, te smal om flinke valleien te kunnen bevatten, en in het noorden bij Den Helder is het iets uitgedroogd door de waterleiding. Bij Den Helder groeit ook nog heide en wordt de rijsbes vermeld.
Onbesproken laat ik de duinen ten zuiden van Den Haag en ten noorden van Den Helder, ze lopen geen gevaar, zoals de behandelde. Op Voorne zijn ze eigendom van Natuurmonumenten, op de Wadden geheel van de Staat. Op de Wadden is de flora zeer rijk door de vele vochtige valleien, sommige gedeelten van Texel en Terschelling worden echter gedraineerd door afwateringssloten. Op Texel ontstaan door nieuwe duinenrijen prachtige zoetwatermeren.
In Zeeland zijn de duinen zeer kalkrijk en geheel begroeid (nog niet zeer veel konijnen) en vrij smal, soms zacht ( Noord Beveland) aangroeiend, elders (Walcheren) smaller wordend. Op Schouwen liggen uitgestrekte duinen met prachtige zandverstuivingen. Op Goedereede duinen met veel veeteelt en behorend aan vele eigenaars; hier groeit de herfstschroeforchis. (…)
De bedreiging van het natuurschoon in de duinen is het ernstigst in het dicht bevolkte gedeelte van de duinstreek en waar de duinen particulier eigendom zijn. (…)
Natuurbescherming heeft dus, naast de mooie zijde dat we iets doen voor het behoud van mooie bloemen en vogels, de nuttige ja noodzakelijke kant dat het meewerkt aan de lichamelijke en geestelijke verheffing van ons volk. Welke regeerders zouden dit middel niet wensen toe te passen?
Cees Sipkes
Red: Op Goeree ligt sinds ongeveer 150 jaar het gorzengebied van de Kwade Hoek. Wat smal en aarzelend begon is inmiddels de zilte top van het Deltagebied. Elders wordt ingegaan op de vele redenen waarom dit gebied groeide. Aangroei van de Kwade Hoek sinds einde 19e eeuw was ook deels (bewust) mensenwerk, o.a. door de aanleg van een stuifdijk begin jaren 60. Rond 2000 vond men die weer te kunstmatig en is er een doorgang in gemaakt. Zie ook het naschrift.
Cees Sipkes, 1965:
Een van de mooiste voorbeelden van kustaanwas is er wel ten westen van Goedereede, waar de Kwade Hoek op weg is een prachtig natuurmonument te worden. Op het brede strand heeft de Rijkswaterstaat hier de laatste jaren de vorming van een stuifdijk in de hand gewerkt en nu, in 1965, is er al iets wat op een duinenrij gelijkt, die het zoute water voor een deel tegenhoudt en het zoete regenwater vasthoudt, zoals in het begin van september duidelijk te zien was (fig. 3). Wat later, toen er minder regen gevallen was, zag het hier en daar groen van de algen. Als er geen tegenslag komt is daar over enige jaren een lange duinvallei van tientallen hectaren met ongekende perspectieven voor flora en fauna. Want ook bepaalde vogels, als Kieviten en Tureluurs, broeden liever in een korte vegetatie dan in de ruigte.
Speciaal voor Goeree is deze nieuwe ontwikkeling van grote waarde. Er komt nog de bovengenoemde Winterbitterling voor, maar het zand is er zeer voedselrijk in de zeeduinen, zodat de successie in de richting van een duinstruweel, gekenmerkt door Liguster en Duindoorn, er zeer snel gaat. Voor Parnassia, Winterbitterling en orchideeën zijn er dan geen levenskansen meer. In de nieuwe duinvallei zijn er weer kansen, vooral omdat er nog wel kleine plekjes zijn met bovengenoemde soorten in de nabije Kwade Hoek. Pirola is op Goeree niet te vinden; het lijkt mij toe dat daarvoor de grond te voedselrijk is. Maar er zijn nog, of in sommige gevallen al, Parnassia, Vleeskleurige orchis (echter niet de typische vorm van de Voornse duinvlakten, die meer moerasplant is en vroeger bloeit, maar de forse var. lobelii, die op Schouwen gevonden is en op Voorne verdwenen. Er is ook nog Moeraswespenorchis en als ik het terrein zo bezie, kan daar zeker Sturmia komen en Teer guichelheil (Anagallis tenella). Pirola en mogelijk ook Muggenorchis. Vóór dit er is verwacht ik in de jonge duinvallei de Gemeenschap van Duizendguldenkruid met Knopige vetmuur. De soorten van de zeereep, bv. de Zeewolfsmelk (in 1963 zelfs de Gele hoornpapaver) zullen op hun oude groeiplaatsen verdrongen worden door Helm en later duinstruweel, maar deze krijgen weer levenskansen op de nieuwe zeereep. Er komt wel weer „veek” (afval) en stikstofrijk zand in de vloedlijnen en het overvloedige plantenvoedsel, nodig voor deze soorten. Zoals deze „zeewering” er nu bij ligt is ze nog wat te kunstmatig van uiterlijk. Is ze eenmaal met Helm beplant en is de zandaanvoer wat ongelijk geworden, dan zal ze spoedig niet meer te onderscheiden zijn van andere zeeduinen, dat hebben we elders gezien.
Naschrift red.: Het stuk van Sipkes dat we hierboven citeren is een mooi tijdsdocument. Er kwamen echter ondanks zijn hoopvolle voorspellingen over de gevolgen van de stuifdijk weinig zoete duinvalleien maar des te meer ruige, brakke schorren. Lees hier meer over het ontstaan van de Kwade Hoek. Sipkes’ verhaal speelt in dezelfde tijd als de wederwaardigheden van boswachter Jan Vlietland uit 1965 en broedvogels in 1966 op deze website. Plantenmensen, boswachters en vogelaars leven deels in verschillende werelden. Sipkes meldt ‘hoge voedselrijkdom’ in de buitenduinen, die we behalve op door hem genoemde ‘veek’ (organisch afval uit zee en van het schor) ook mogen terugvoeren op de vloed aan meststoffen die ook toen al de Rijn kwam afzakken. Het Haringvliet lag nog open. Vogelonderzoeker John Beijersbergen vertelde ons in 2025: “Het heeft er zelfs in die jaren naar mest gestonken na zeer hoog water in de rivieren.”
Rolf Roos
Het landschap met de meeste sporen van de Tweede Wereldoorlog is het duinlandschap. Harde sporen als bunkers zijn makkelijk te zien, maar er zijn ook vele ‘zachte’ sporen zoals graafwerk in het zand die als oude loopgraven of wallen zijn te traceren. In dit artikel: bomkraters: ronde, onnatuurlijke kommen in het duin, soms lastig te onderscheiden van jachtpoelen, koeienpitten en ander gegraaf. Bonus voor natuurliefhebbers: ze zijn vaak rijk aan bijzondere planten en dieren.
Er zijn van 1943 tot 1945 veel bommen op het duin afgeworpen. Dat gaf harde klappen in zacht zand, waarvan de sporen in de loop der tijd vervagen. Soms werden ze afgeworpen om een doel te raken, zoals bij IJmuiden, maar meestal waren het dumpingen van niet boven Duitsland afgeworpen bommen die als te zware last werden gezien en niet weer naar Engeland mee terug konden. Brandstof moest worden bespaard op straffe van het niet halen van de overkant. Bomkraters bij IJmuiden staan in dit aardige artikel beschreven. Behalve dat bomkraters rond of ovaal zijn, hebben ze vaak als kenmerk dat ze niet eenzaam in het landschap liggen maar op een rijtje. Vele afgeworpen bommen sloegen soms op enkele meters van elkaar in en dat patroon is herkenbaar.
Omdat bomkraters van nature dichtgroeien is maaiwerk en uitbaggeren essentieel als je open water wilt behouden. Dit gebeurt vaak door vrijwilligers.
Onze oproep: stuur ons actuele foto’s van bomkraters (of een link naar uw beeld) en vermeldt a.u.b. de coördinaten of stuur een kaartje mee. Wij plaatsen deze op een overzichtskaart. Vermeldt a.u.b. erbij wat er groeit of leeft, als dat bekend is.
[artikel gaat verder onder de foto’s]

Voorbeeld van reeksen bomkraters op de Kwade Hoek op basis van de hoogtekaart. B = bomkrater. Bij A ligt een oude koeienpit (die stond al voor de oorlog op de kaart).

Mooie foto van poelen in de Kil, Noord Hollands Duinreservaat. Uit wandelroute van Roots https://www.frankwandelt.nl/noord-holland/roots-wandeling-egmond-binnen
In dit artikel geven we diverse voorbeelden van oude bomkraters, die vooral tijdens de periode van grote verdroging door de waterwinning (1950-2000) plekken waren waar bijzondere soorten standhielden. Zo maakte ik rond 1985 kennis met de honingorchis op aanwijzing van Harm Snater, destijds vegetatiekarteerder in dienst van het waterleidingbedrijf PWN. Even het pad af in het Reggers Sandervlak en ergens aan een steil open randje stond de enige honingorchis (in het vastelandsduin) van dat moment. Het was geen blijvertje maar nu kunnen we ze weer zien langs het Kennemerstrand. Het belang van bomkraters werd in 1979 onderkend door Bakker, Klijn en van Zadelhoff in Duinen en duinvalleien: een landschapsecologische studie van het Nederlandse duingebied. We citeren hieruit (pag. 112):
In het kalkrijke zuidelijke deel van het studiegebied [het Nederlandse duin, red.] hebben zich in enige bomkraters en berkenbosjes nog een relatief groot aantal soorten freatofyten [van grondwater afhankelijke soorten, red.] weten te handhaven. Daardoor is de achteruitgang in soortenrijkdom in het zuidelijk deel van het gebied minder groot dan in het kalkarme en sterker verdroogde noordelijke deel.

Voorbeeld van koeienpit die zeer sterk op bomkrater lijkt. Deze heeft zelfs een verhoogde rand: het is mogelijk een oude ‘holle stelle’: relatief zoet drinkwater in een verhoging op een schor, zie dit artikel.
Vooral in de vastelandsduinen zijn zo nog rijtjes poelen te vinden als getuigen van evenzovele ingeslagen bommen. Nu zijn er ook gegraven poelen (kleine voor de jacht of als veedrenkputten, grote voor de recreatie, soms voor zandwinning). Een klassieke bomkrater heeft door opgeworpen zand na de inslag een iets hogere rand rondom, maar na 75 jaar is daar meestal weinig meer van over. Zeker als er ook zand instuift is soms alleen de malse groene vegetatie een aanwijzing voor een oude bomkrater (foto hieronder).

Zeker als er ook zand instuift is soms na 75 jaar alleen de malse groene vegetatie een aanwijzing voor een oude bomkrater, zoals hier in het duin bij het Quackjeswater, Voorne

Bomkraters (met ster) en poelen in duinen Den Helder (ontleend aan Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater, Roos 2011). Let ook op de veldnamen met militaire achtergrond: Fort Kijkduin (Napoleontische tijd) Kroontjes bunker (WO-II), Startbaan (militair oefenterrein tot eind vorige eeuw). Bewoners noemden na de oorlog deze duinen wel ‘Bunkerstad’ of ‘ Verboden duinen’.
In de Grafelijkheidsduinen (dat is de oude naam) bij Den Helder zijn ook ongeveer 40 poelen en bomkraters te vinden uit de Tweede Wereldoorlog. Omdat er ook in de zomer water in blijft staan zijn het belangrijke plekken geworden voor flora (o.a. kranswieren en fonteinkruiden) en fauna (kikkers en salamanders, libellen). Sinds 2006 doen sommige bomkraters ook dienst als blusreservoir voor de brandweer, zodat duin- en bosbranden bestreden kunnen worden.
Rolf Roos
Waarom is er bijna geen enkel spoor van menselijk gebruik in het duin van Schiermonnikoog van voor 1800? Zijn de Schiere monniken alleen in naam nog verbonden aan dit eiland? Welke sporen liet o.a. landbouw en het waterbeheer in het duinlandschap en de kwelder achter?
Dankzij publicaties van Lisanne Rietman (2020) en Jeroen Wiersma e.a. (2022) is veel informatie over historisch landschapsgebruik en de spanningen tussen diverse gebruikers en eigenaren binnen en buiten het huidige Nationaal Park op een rij gezet. Beide publicaties en enkele andere die digitaal beschikbaar zijn staan onderaan de bronnenlijst. We staan hier vooral stil bij de verdiensten van de masterscriptie van Lisanne Rietman uit 2020 en voegen daar inzichten uit de andere publicaties aan toe.
Van grote betekenis voor Schier is dat het grondbezit van middeleeuwen tot na de tweede wereldoorlog grotendeels in één hand lag. Fascinerend is het om te lezen dat de eilandergemeenschap altijd heeft moeten dealen met grote eigenaren die het soms maar matig deden (de Staten van Friesland na 1580 en later de Stachouwers in de 18e eeuw), terwijl anderen, buitenstaanders, door hun inzet of investeringen het eiland mede vormgaven: o.a Banck, 19e eeuw en de Duitse graaf Von Bernstorff (tot 1945).
Het Nationaal Park omvat nu het gehele eiland buiten de dorpskern en de polder. Over de huidige Natuurmonumenten wordt door eilanders veel geklaagd en soms wellicht terecht, maar vooral dankzij de natuurbescherming floreert het eiland in economisch opzicht. Nu is het voor natuurbescherming de keus om eilanderbelangen een redelijke plek te geven en een van de mogelijkheden tot gesprek is via de historie. Bewoners hechten soms meer aan oude sporen en verhalen dan aan zeldzame vogels. Inzetten op een ‘wildernisverhaal’ spoort zeker niet met opvattingen over een meer arcadisch natuurbeeld, zo laat Lisanne Rietman in haar scriptie zien. Haar werk is heel gevarieerd omdat ze behalve bronnenonderzoek ook veldwerk deed en ook een 12-tal bewoners sprak.
We spraken Lisanne Rietman, thans beleidsambtenaar in Deurne over enkele hoofdlijnen. ” Uit de middeleeuwen, toen begin 14e eeuw Friese monniken hier een Uithof hadden, zijn alleen schriftelijke bronnen over, geen zichtbare sporen in het landschap.”
“Zeer kenmerkend voor Schier is de verplaatsingsgeschiedenis. Door afkalving verdwenen grote delen aan de westzijde in zee.” “Van de oudere (van voor 1700) nederzettingen is niets over. Er is ook nu nog discussie over waar het oorspronkelijke dorp Westerburen precies lag. ”

Op een detail van een kaart met zeediepten en bakens rond en op Schier uit 1762 staan niet onbelangrijke details: het nieuwe dorp ‘Oosterburen als rijtje huizen, een laatste bouwwerk waar ongeveer Westerburen lag en de economisch niet onbelangrijke Kooij. Bron: Tresoar.
Een zichtbaar spoor in het landschap is het ‘Westerburenpad’, net ten westen van het huidige dorp dat van na 1760 dateert en door de toenmalige landeigenaar Stachouer na desastreuze stormvloeden rond 1715 zeer planmatig is aangelegd. Het huidige dorp heeft sinds ca 1990 bordjes ‘Schiermonnikoog’ gekregen maar de bewoners noem(d)en hun dorp ook wel ‘Aisterbun’, ‘ Oosterburen’. Die inslag van het Fries is er nog steeds, al ligt het eiland in mentaal opzicht ver van de wal. ‘Buren’ is algemeen middeleeuws Nederland voor ‘bewoners’ wat we ook terug zien in buurt(t)schappen.
Vele landgebruikers
In haar afstudeerscriptie zet Lisanne Rietman op een overzichtelijke manier de belangrijkste landgebruikers in het duinlandschap op een rij en vat het ook steeds in kaartjes samen. Allereerst het (m.n.) vroegere landgebruik van het duin- en kustlandschap door boeren. De historische spanningen tussen (van buiten het eiland komende ‘polderboeren’ op door eigenaar Banck gestichte boerderijen (in de gelijknamige polder die hij aanlegde) en veel kleinschaliger ‘dorpsboeren’ met enkele koeien aan huis was groot. Is er nu sprake van een grotendeels plaatsgebonden veestapel op nog 6 bedrijven, anderhalve eeuw terug was er sprake van op west en oost grazende kuddes die in de ochtend naar graasgronden gingen en in de avond aan huis weer werden gemolken. Oude veldnamen van weggetjes als ‘ut Kupaid’ resteren tot op heden.
Oudste en nu nog meest herkenbare sporen zijn volgens Lisanne Rietman ook de Eendekooien (begin 19e eeuw), waarvan een fraaie bij boerderij Talsma ligt. Op de door haar gemaakte kaart staan relicten van het landgebruik in 5 groepen samengevat: agrarische activiteiten, jacht, infrastructuur en nederzettingen, waterbeheer en ‘overig’. <kaarten ) Recente ingrepen inzake natuurbeheer zijn niet meegenomen, wel belangrijke historische zaken als bosaanleg en ontwatering.
Rietman: “De huidige relicten die verband houden met agrarische activiteiten, hebben betrekking op restanten van oude duinakkers, dobbes, drinkputten voor vee, veedriften, een schaapskooi en ontwateringsstructuren. De jachtcultuur op het eiland heeft relicten achtergelaten in de vorm van wildplassen voor wild, een eendenkooi en een restant van een eendenkooi, en de percelering van een wildakker. Tegenwoordig zijn nog verschillende paden zichtbaar die verwijzen naar het historisch landgebruik, ook zijn er nog restanten zichtbaar van de oude bunkerdorpen uit de Tweede Wereldoorlog; Batterij en het Schleidorp.”
“De Stenen palen aan de westzijde van het eiland verwijzen naar het eigendomsrecht van de aanwas. Deze Stenen palen zijn kenmerkend voor de particuliere eigendomsgeschiedenis van het eiland.” <datering>
Uit haar scriptie: “Tot de jaren zestig van de vorige eeuw is het landschap op Schiermonnikoog sterk beïnvloed door de agrarisch-maritieme cultuur die op het eiland heerste. Door de toename van toeristische groei en erkenning van natuurwaarden, veranderde het eiland geleidelijk naar een ruraal/landelijk-recreatieve samenleving.”
Van ‘zelfvoorzieningslandschap’ naar ‘belevingslandschap’. Van 100 gasten per jaar een eeuw terug naar meer dan 100000.
Na een analyse van diverse landschapsgebruik en een waardering, komt Lisanne Rietman met enkele conclusies.
“Het arcadisch natuurbeeld zou bijvoorbeeld kunnen worden nagestreefd in de binnenduinrand nabij het dorp en op de Binnenkwelder. Ter plekke van de binnenduinrand wordt al relatief veel beheer uitgevoerd. Door de focus in dit gebied meer naar een arcadisch natuurbeeld te richten, zal het landschap wat opener worden en zullen oude ontginningsstructuren zichtbaar worden. De Binnenkwelder zou door het relatief intensieve beheer in het verleden door maaien, ontwatering en begrazing, geschikt zijn voor een beheer naar een arcadisch natuurbeeld. Op deze manier zullen oude ontwateringsstructuren zichtbaar worden in het landschap, kan het beheer worden gecombineerd met extensieve agrarische activiteiten et cetera.”
Bronnen
Jeroen Wiersma, Prof. dr. Marijn Molema, Mirthe Bos, Kayleigh van der Waard (2022?). Schiermonnikoog als Nationaal Park Een landschapsbiografisch essay. In opdracht van Nationaal Park Schiermonnikoog
Rietman, Lisanne. 2020 Schiermonnikoog: Onzichtbaar verleden. Een interdisciplinair onderzoek naar het historisch grondgebruik en landschapsbeheer in Nationaal Park Schiermonnikoog. Masterscriptie. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2020.
Digitale bronnen
Update 2 april 2026
In dit bericht staan links naar al onze routes langs en achter de Voornse kust. De gpx-bestanden van de getoonde routes zijn gratis downloadbaar; beschrijvingen staan online en achtergronden staan in onze boeken: Duinen en mensen Voorne (over natuur en cultuur van de duinen op Voorne) en Bloeiende duinen (over de hoogtepunten van onze duinflora).
Duinenenmensen-routes
De routes gaan over natuur en cultuur, over toen en nu, speciaal ontwikkeld bij het boek Duinen en mensen Voorne.
Kustroute: van Quackgors tot Kruiningergors
Omdat de Dijkroute en de Kustroute hetzelfde begin en eindpunt hebben zijn ze heel goed te combineren in een pittige, ruim 50km lange, Grote Ommeloop van Dijk en Kust.
Bloeiende duinen- routes
(hotspots met 10 kenmerkende bloemen per route, ontwikkeld bij het boek Bloeiende duinen)
Zie de kaart met alle routes en zoom in op Voorne.
Rolf Roos
De Kwade Hoek, de aangroeiende noordpunt van Goeree, is na 1975 twee keer zo groot geworden, maar wie op een topografische kaart van rond 1900 kijkt, ziet direct dat het gebied toen nog nauwelijks bestond. In dit artikel proberen we de aangroei en de vorm van het kustlandschap van ca 1820 tot ca 1970 te reconstrueren op basis van schriftelijke bronnen en kaarten. We houden ons aanbevolen voor meer bronnen en beeld van voor 1970, want voor wie goed leest: de schriftelijke verhalen lopen niet altijd synchroon met het kaartmateriaal. We kunnen wel concluderen dat het huidige natuurgebied ‘Kwade Hoek’ in de periode 1879 – 1910 ontstond.
De toenemende omvang nu (kort aangeduid in diverse recente plannen) staat in schril contrast met de situatie van enkele eeuwen geleden. Eind 17e en begin 18e eeuw was de noordkust van Goeree zo zwak dat na diverse inbraken inlaagdijken (o.a. de latere Bokkepolder) werden aangelegd bij de plek die in 1728 ‘Quaaden Hoek’ werd genoemd, de zwakste plek in de kust op dat moment. Dankzij o.a. strekdammen (uit 1800-1850) is er rond 1900 een ca 200 meter breed strand ontstaan en lijkt de dreiging voorbij.
Hoe is die aangroei precies gegaan? We starten bij de oudste, topografisch redelijk betrouwbare kaart, Gevers 1827, uit het Nationaal Archief. Het toont een smalle, nu nog herkenbare duinenrij en een smal strand. De stippellijn met het woord Cruquius laat zien wat sinds 1733 is verdwenen. De naam Kwade Hoek wordt niet (meer) vermeld; strekdammen zijn deels nog niet aangelegd en worden niet aangegeven. Deze kaart toont helaas niet de zwakke plek in het duin destijds, het Plaatse Gat, bekend van een (laatste) doorbraak op 26 december 1731. Dit punt ligt ter hoogte van de Bokkepolder aan het eind van het inlaagdijkje uit 1717 (onder Huize de Bult langs). Dit Plaatse Gat lag er volgens de polderboekhouding uit 1806 nog wel maar wordt in de 19e eeuw verder niet vermeld. Kortom, de vorm van de aangegeven duintjes en de rechte zeereep moeten we niet te exact interpreteren. Maar het is niet gewaagd te concluderen dat er aan de zeezijde nog geen sprake was van een gors of een strandweide, alleen van een ‘strand’. In de Bokkepolder zijn bosschages aangegeven, waarschijnlijk hakhout voor wilgenteelt ten behoeve van brandhout en voor ‘rijzen’ (rijen wilgentenen voor aanslibbing en aanstuiving c.q. kustbescherming).

Detail van de kaart van Goeree, Gevers, 1827. Nog geen Kwade Hoek te bekennen. De Bokkepolder is deels beplant met hakhout dat kan worden gebruikt voor o.a. stuifschermen. Rond Zeezicht zit echt bos, ook wel ’t Groote bos’ genoemd. De hoge iepen hier sneuvelden pas eind vorige eeuw.
Daarna beschikken we over kaartbeeld van het Kadaster uit 1835. Het verschilt t.a.v. de latere Kwade Hoek nauwelijks met de kaart van Gevers. Er zijn wel drie strekdammen verschenen, onderdeel van de kustzorg door de Staten van Holland.
Uit 1851 zijn veilingstukken bekend met een omschrijving voor ons studiegebied: “(…) de gorzen ten westen van de haven van Goedereede tot aan het strand”, d.w.z. geen melding van een ‘Kwade Hoek’, maar wel van schorren (in de Maasregio ‘gorzen’ genoemd). Dit was de aanduiding van groen, slikkig strand met zoutplanten en ook gras (mogelijk slijkgras, kweldergras, fiorin) (de naam ‘gors’ is hiervan afgeleid). Deze veilingstukken regelen o.a. de privatisering van grote delen van het zeeduin. Ze bevatten ook een onderhoudsplicht voor de kopers van de zeereep plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Uit 1874 is een ‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ bekend die meer strekdammen laat zien en ook een laagwaterlijn tussen de strekdammen die aanslibbing en uitbreiding van groene stranden suggereert. Nog steeds ontbreekt de veldnaam Kwade Hoek. De strekdammen bevatten, zoals we tot op heden kunnen zien (zie foto), ook deels rijen houten palen op de plek waar een kreek de strekdam doorsnijdt. Texeira beschrijft de aanleg in zijn standaardwerk (deel 10 over Goeree- Overflakkee uit 1941):
“Er werden nu van daar tot het hoofd van de haven van Goedereede rijzen hoofden gelegd, wier uitwerking dermate gunstig bleek, dat de kwade hoek nu een goede hoek begon te worden.”

‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ uit 1874 met strekdammen en een laagwaterlijn ertussen.
De aangroei wordt pas echt duidelijk na bestudering van de dissertatie van Wentholt, 1912. Hier zien we een bewerking van bovenstaande kaart en ook het gegeven dat er in 1875 nog een geul met zeer diep water (18m diep) aanwezig was, op slechts ca 200 à 300 meter van de ingang van het huidige natuurreservaat ter hoogte van ’t Plaatje.
We geven ook een detail uit een andere kaart waarin veel kennis samenkomt: het uitleggen van de pieren van Havenhoofd: de Westhavendam (vier keer tussen 1878 en 1905!) en Oosthavendam (alleen 1901). De vele verlengingen van de Westhavendam weerspiegelen de aangroei tussen 1879 en 1907: dan herkennen we voor het eerst de vorm van de Kwade Hoek van tegenwoordig met een kenmerkende dubbele bochel.

Detail kaart 8 uit Wentholt (1912) met o.a. jaartallen van aanleg van strekdammen. In nog geen dertig jaar is de Kwade Hoek ontstaan.
Uit dezelfde tijd komen de meer betrouwbare topografische kaarten. In de periode 1890-1910 (topografische kaart) bestond de Kwade Hoek als gebiedsnaam nog niet: het is dan de naam voor een stuk zee aan de westzijde van de ingang van de pieren bij Havenhoofd, bepaald geen prettige bocht voor de vissers van Havenhoofd en Goedereede. In plaats van het huidige weidse gorzen- en duingebied lag er een reeks strekdammen onder de kust met een licht aangroeiend strand, maximaal 100, wellicht 200 meter breed. Deze aangroei is mede op het conto van de strekdammen te zetten, maar is mogelijk ook ontstaan als gevolg van veranderingen in de delta door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1867). Daardoor komt er eind 19e maar vooral begin 20e eeuw meer zand en slib tegen de kust (vergelijk ook de aangroei van Voorne in de periode tot 1934).

Topografische kaart 1890-1910, de aangroei die er in 1910 was (zie Wentholt 1912), is nog niet in de kaart verwerkt.
Mede vanwege de aanzanding verlengt men de pieren van Havenhoofd, aan de westzijde zoals gezegd zelfs vier keer. Op de kaart uit ca 1916 zien we zowel de lange nieuwe Havenhoofden als een forse uitbreiding van het gors, inclusief een merkwaardig rechte kreek (gegraven?). De verspreid liggende streepjes tussen paal 5 en 8 tonen grote drassigheid, dan wel stagnerend water. Ter hoogte van paal 8 (bij ’t Plaatje) wordt enige jonge duinvorming aangegeven. Het is zeker niet uitgesloten dat de nieuwe havendammen van Havenhoofd de groei van de Kwade Hoek in die tijd hebben gestimuleerd.
De naam ‘Kwade Hoek’ hoort nu ook bij het nieuwe gebied. Interessant is dat de strekdammen uit de 19e eeuw niet meer worden weergegeven, terwijl we uit andere bronnen weten dat er rond 1960 nog op gelopen werd. Het gebied komt in een eeuw geleidelijk hoger te liggen (schatting ca 40cm); anno 2025 zijn de strekdammen onder het sediment verdwenen behalve plekken waar een kreek een oude strekdam aansnijdt (zie foto).
Prof. Th. Weevers schrijft twee keer uitgebreid over flora en vegetatie van Goeree, de eerste keer in 1920 (Weevers, 1920). We citeren een passage over de noordkust bij Havenhoofd, pag. 108 en 109, gebaseerd op terreinbezoek in de jaren vlak voor 1920. In de citaten zijn de Latijnse namen van planten door ons vervangen en vet gemaakt. Hij meldt een aantal zaken niet: de veldnaam Kwade Hoek, hij meldt in 1920 ook geen vee of strekdammen. Helaas geeft Weevers geen breedte op van het gebied. Maar wel veel informatie over de flora en zo weten we meer over het landschap. Weevers kunnen we zien als de eerste ooggetuige en beschrijver van de kustaangroei en geeft als plantenkenner een fraai inkijkje in die tijd.
“Vooral is de toeneming van de kust duidelijk ten noorden van de gemeente Goedereede en dit aangroeiende strand vertoont enkele bijzonderheden op floristisch gebied en tevens op dat der landschapsvorming.”
“Het is een zoogenaamd „groen strand”, een strandweide van eenigszins ander karakter dan die op het eiland Voorne. In het Oosten bij de Haven van Goedereede heeft het begroeide strand vrijwel het karakter van den plantengroei van een gors,(..), bij den duinvoet vond ik Fijn goudscherm. Het gors grenst direct aan het Haringvliet en heeft grootendeels een slibbodem met de typische geulen, toch liggen landwaarts in goed ontwikkelde duinen met begroeide valleien, waarvan de flora o.a. gekenmerkt is door Kleine ruit, die ik verder op het eiland niet aantrof. Meer westwaarts, dus naar de volle zee toe, komt vóór de begroeide strook een zandig zeestrand en gaat het gors geleidelijk over in een vochtige strandweide met grootendeels anderen plantengroei. Vóór die strandweide, aan de zeezijde ervan, was beginnende duinvorming en was duidelijk te zien, hoe op een aangroeiend strand de duinpan zich uit een strandweide ontwikkelen kan(…). De plantengroei wees dit ook uit door aanwezigheid v. Moeraswespenorchis, Geelhartje, Duindoorn, Parnassia e. a.”
” De typische strandweide, die tot laat in den zomer moerassig is met zoetwater, daar de jonge duinen ze tegen den vloed beschermen , heeft veel ijzeroer in den bodem. In het laagste deel, in ’t midden, dat den geheelen zomer moerassig blijft, groeien de planten hoog op en zijn de karakteristieke planten allereerst Zilt torkruid, Heen, Riet, Zeerus, Goudzuring, Dotterbloem, Selderij, Zilte zegge. Meer aan den omtrek is de grond iets droger, de plantengroei minder weelderig en komen o. a. voor: Kwelderzegge, Knopbies, Fioringras, Aardbeiklaver, Waterpunge, Dwergbloem, Strandduizendguldenkruid, Fraai duizendguldenkruid, Rode ogentroost. Ondanks herhaald zoeken was Bitterling, van ’t Voornsche groene strand bekend, hier met te vinden. Wel was de heer Kloos zoo vriendelijk mij op te geven, dat Gele hoornpapaver op Goeree voorkwam in de jonge duinen vóór ’t groene strand, even boven de vloedlijn; dus waar ook Zeewolfsmelk veel te vinden is. Dat het water niet brak is, wordt wel bewezen door het voorkomen van Dotterbloem. die brak water schijnt te mijden en dan ook aan slootkanten en in weiden op Goeree niet te vinden is.
Het voorkomen van dotterbloem tot op het strand is mij ook bekend uit Frankrijk, bij sterke kweldruk vanuit het duin. In zeer natte Voornse duinen zijn dotterbloemen niet zeldzaam in het Waterbosch. Thans ontbreekt deze soort op de Kwade Hoek.
Uit Weevers’ beschrijving van de flora spingen soms zeer herkenbare zaken naar voren: de kleine ruit die hij noemt, staat nog steeds in de rommelige ‘vrije’ duintjes tussen de Breenstraat van Havenhoofd en de Kwade Hoek, het is het enige stukje duin (ca 5 ha) dat op Goeree in bezit is van Natuurmonumenten (verworven rond 1975, de rest is door het rijk in bruikleen gegeven om te beheren als natuurgebied). Dit gebiedje achter de bebouwing van Havenhoofd heeft diverse kenmerken van het in vanaf Scheveningen tot Egmond voorkomende zeedorpenlandschap, wat nader onderzoek verdient.
Fijn goudscherm, een nauwelijks te vinden zeldzaamheid, stond bij Weevers in 1920, in 1961 (Westhoff ea, 1961) en ook nu (2025) op het hogere gors. Uit de vondst van deze soort is mogelijk op te maken dat het gors (deels) al ouder was, want het is een soort van latere, minder vaak overstroomde vegetaties.
Opvallend is dat Weevers de overgang nabij Havenhoofd beschrijft van zout gors via zoetere strandweide achter lage duintjes naar geheel zoete duinpan. Hieruit blijkt dat in de jaren voor 1920 het gebied in ecologische zin deels anders was dan nu, want inclusief een zeer zoet gedeelte dat niet of nauwelijks meer werd overstroomd door de zee en ook beschreven wordt door Meuleman en Joanknecht, 1980. Zij vermelden een Parnassiavallei (ook bekend als ‘Parnassiaslenk’) met de naamgevende plant en ook o.a. moeraswespenorchis. Deze zoete zone is vrijwel verloren gegaan na sluiting van het Haringvliet in 1971. Het vloedwater werd toen veel zouter en kwam ook dieper en mogelijk ook frequenter het gebied in. Daarvoor zijn wel overstromingen bekend (bv. verslagen Jan Vlietland, 1966). Nu staat parnassia alleen (?) nog in de Bunkervallei maar binnen enkele jaren kan dit weer verschuiven.
De beschrijving van een zoeter wordende strandweide met moeraswespenorchis en parnassia tegen de duinrand lijkt op het huidige groene strand aan de noordzijde van Schiermonnikoog. Hier gaan recreatie en natuur trouwens prima samen.
Hoewel valleivegetaties van jonge zoete duinen zich snel (10-20 jaar) kunnen vestigen, is ook duidelijk dat gors en duin die Weevers hier vlak voor 1920 zag, zeker al begin 1900 in aanleg aanwezig moeten zijn geweest, conform de inzichten van Wentholt, 1912.
Weevers biedt in een tweede publicatie (1940) aanvullingen
Weevers meldt in 1940 wederom geen veldnaam Kwade Hoek, die moet pas na de oorlog echt zijn ingeburgerd en gepromoot door de nieuwe beheerders (eerst Stichting Natuurmonument de Beer, later Natuurmonumenten). Hij meldt (Weevers, 1940):
“Het strand vlak ten noorden van de stad Goeree is hierbij het meest belangrijk. Daar wordt tengevolge van sterke zandaanvoer een vorming van jonge duinen waargenomen. Zoals in de (..) dissertatie van J. W. van Dieren is uiteengezet, hangt de aangroei of afname van strand en duin ten nauwste samen met de verplaatsing van de zandbanken voor de kust, die door hun nadering van het strand eerst tengevolge van de sterke stroming een afname veroorzaken, die weer voor toename van het duin plaats maakt als de zandbank bij het strand is aangesloten.”
“Hoe dit ook zij, het is duidelijk dat wat op het Groene strand van Goeree oorspronkelijk strandweide was, door latere duinvorming wordt ingesloten en in duinvallei verandert. Hierbij moet echter nog opgemerkt, dat bij de vorming van dit Groene strand de menging van het zand met klei ook een rol speelt. We zijn hier nl. vlak bij de monding van het Haringvliet, dat eigenlijk de hoofdmond van de Rijn genoemd mag worden. Hoe meer wij de monding van de Haven van Goeree naderen, hoe sterker die menging met klei wordt, zodat de strandweide in een gors begint over te gaan. Op die strandwei waren plassen van zeer veranderlijke vorm en geaardheid; in sommige tijden waren er jaren achtereen plassen, die zowel in de zomer als in de winter zoet water bevatten. Omstreeks 1918 was het water erin zo zoet, dat zelfs Dotterbloem er groeide, iets wat wegens het altijd min of meer brak zijn van het slootwater bijna nergens anders op Goeree en Overflakkee het geval is. Later toen door stormvloeden het water brak werd, verdween Dotterbloem en ontwikkelde zich een vegetatie van Zeerus, Zilt torkruid, Goudzuring, Zeerus. Goudzuring, Selderij, Zilte zegge, Heen en Riet (zie de publicatie Kruidk. Archief 1920). Hoewel in die tijd nog geen sprake was van het maken van een opname, is het duidelijk, dat we te maken hebben met de associatie van Zeerus en zilt torkruid (….)”
“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuld is.”
Kortom: na verzoeting volgt verzilting, het landschap vlak voor de oorlog stuift, en plassen komen en gaan. Hij meldt dat de vegetatie sterk verandert door de koeienbegrazing waarvan hij, anders dan de naoorlogse natuurbeheerders, geen voorstander was. Een heel simpele indicator (voor veel beweiding) is trouwens riet, dat snel wordt weggevreten door koeien en paarden (zie de thans aanwezige rietzone in het noordoosten waar het vee niet kan komen).
Uit de oorlog zijn weinig verhalen. De vader van Kommer Tanis uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam vertelde hem dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943 of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boek nog maar een enkele plag meenam toen meegenomen en toen was het hommeles met de Duitsers. ” Meer sporen uit de oorlog volgens Kommer: een restant van een spoorlijn door een slenk heen en er waren bomkraters.
Het kaartbeeld van rond 1950 geeft geen grote verrassingen ten opzichte van 30 jaar eerder. Er is een langgerekt gors/strandweide dat ter hoogte van paal 8 nog maar zelden wordt overstroomd en vanaf daar volgens andere bronnen westwaarts ‘Parnassiaweide’ heet. Drie effecten van het agrarisch gebruik zijn zichtbaar: ontwateringsslootjes, een tweetal koeienpitten en het ‘koeiengat’ (slurfje tussen paal 8 en paal 7). Zie hiervoor ons artikel over beweiding. Behalve bij paal 10 zijn geen duintjes aangegeven, maar het gebied was zeker niet overal vlak.
In 1957 doet de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie Goeree aan (verslag kamp Kijfhoek door Frans Beekman). Ze spreken over de “N.O. hoek van het eiland, bestaande uit een primaire duinvallei en een uitgestrekte, gedeeltelijk begroeide, vogelrijke strandvlakte”. Interessant is dat ze ook melden: “dat de primaire duinvallei al geruime tijd van de zee afgesloten was. Er waren enige meertjes ontstaan waarvan er een zich fantastisch mooi had weten ontwikkelen” met o.a. het boomkranswier Nitella. In een ander meertje ‘poelden’ (zwemmen of spartelen) de ‘wilde’ paardenkuddes van Goeree. Helaas maakten ze in die jaren geen foto’s. Wel kunnen we met luchtfoto’s uit 1943 en 1970 het beeld aardig completeren.

Luchtfoto van de Kwade Hoek uit 1943. Let op de afwezigheid van bomen en struiken, graaf- en loopwerk in de deels stuivende duinen.

Luchtfoto 1970: de lijn dwars door de Kwade Hoek is het koeienraster. Het slotenpatroon op het gors ook nog goed zichtbaar. Om Havenhoofd heen is al een nieuw duinlichaam gelegd, deels over het gors heen.
Begin 19e eeuw lag er ter hoogte van de latere Kwade Hoek een relatief smal strand zonder gors van betekenis, later die eeuw werd de kustlijn mede door beschermingsmaatregelen (strekdammen) geconsolideerd. Rond 1900 was het in slechts 30 jaar uitgegroeid tot een bescheiden en deels al verzoetend gors, getuige de beschrijvingen van Weevers uit 1920. Daarna is er een sprong voorwaarts door aanlanding van zand en mogelijk een versterking door de toenmalige verlenging van de pieren van Havenhoofd. Uit beschrijvingen blijkt een overwegend zilt milieu, met soms zelfs meertjes, aangroeiende duinen en (tijdelijk) ook verrassend zoete elementen en duinvalleiflora. Er zijn meldingen van sterke beweiding (1940) en ‘wilde paarden’ (na de oorlog). De rol van beweiding, deels door ons beschreven, verdient nader onderzoek. Helaas heeft de beheerder (sinds 1975 Natuurmonumenten) nergens te onderzoeken exclosures (tegen vee afgehekte delen) ingesteld. Ook heeft de beheerder er niet over gepubliceerd en blijven monitoringsrapporten van de vegetatie (elke zes jaar) helaas in de lade. Openbaarmaking zou aan een ieder inzicht kunnen geven in de geweldige allure van het gebied en de trends. Wel publiceert Rijkswaterstaat uitgebreide rapportages, zoals vegetatiekarteringen waarop we later hopen terug te komen. Een overheid is gelukkig tegenwoordig verplicht te laten zien wat er wordt onderzocht. Dat helpt onze kennis vooruit.
Recent zien we als gevolg van de grote zandsuppleties (aanzanding) bij het Flaauwe Werk weer zanden die verwaaien richting Kwade Hoek: allemaal mensenwerk met grote gevolgen voor een zo natuurlijk ogend landschap.
Eeuwenlang waren wegen zeldzaam in het waterrijke Nederland, en al helemaal in het kustgebied. Het was veel gemakkelijker, goedkoper en sneller om mensen en goederen per schip te vervoeren, langs de kust naar zeedorpen of havens. Wel kon men het strand als wandelweg gebruiken, of er met paard en wagen rijden.
[Noot van de redactie: dit is erfgoed-essay 4. Deze serie is tot stand gekomen met steun van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed]

De Scheveningse Zeestraat (1665) naar ontwerp van Constantijn Huygens. Het was de eerste geplaveide weg buiten de bebouwde kom in Holland, en de eerste echte ‘zeeweg’. Bron: Rijksmuseum
De kustlijn vormde vanwege zijn zeewerende functie een noodzakelijke en forse barrière tussen de zee en het binnenland. In de loop van de tijd zijn – meer landinwaarts en parallel aan de kust – wegen, spoorlijnen en vaarten aangelegd die steden en dorpen met elkaar verbinden. Op sommige plekken wordt de kuststrook onderbroken door infrastructuur die dwars door de kustlijn loopt: kanalen en rivieren, soms met (spoor)wegen erlangs, prikken door de zeewerende structuur van duinen of dijken heen om personen- en vrachtvervoer mogelijk te maken. Van het binnenland over water, per spoor of over de weg naar de kust, en vandaar buitengaats – en vice versa. Zo liggen er langs de kust en ook landinwaarts een aantal vervoersknooppunten, waarvan sommige al eeuwen bestaan.
Op historische kaarten is te zien hoe het kustgebied in de loop der eeuwen ontsloten is geweest. Tot in de 19e eeuw waren visserij en transport van personen en goederen de belangrijkste redenen om de kust toegankelijk te maken; daarna werd recreatie een belangrijk doel. Daarnaast is de kust altijd een belangrijke strategische lijn geweest in militair opzicht. Wegen, paden, spoorlijnen, rivieren en kanalen maakten ontwikkelingen langs de kust mogelijk. Wie de nettekeningen voor de topografisch militaire kaart (1839-1859) en de Bonnekaarten (ca. 1905)[1] met elkaar vergelijkt, ziet voor wat betreft de ontsluitingsstructuur grote onderlinge verschillen tussen de Waddenkust, de Hollandse kust en de Estuariumkust van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden.[2]
Waddenkust
In Friesland en Groningen liggen direct aan zee verschillende historische havenplaatsen die al eeuwen geleden over land bereikbaar waren: Delfzijl, Harlingen, Workum en Stavoren. Ook de belangrijkste doorgaande 19e-eeuwse wegen lopen daarheen, vanuit Leeuwarden en Groningen. Opvallend genoeg is in 1850 in Friesland op kaarten vele malen een ‘grintweg’ aangegeven. Niet alleen bij een voor de hand liggend tracé als Leeuwarden – Harlingen, maar ook tussen kleinere plaatsen langs de toenmalige Zuiderzeekust. Aan de Waddenzee ontbreken dat soort wegen vrijwel helemaal. Daar wordt het patroon bepaald door parallel aan de kust lopende dijken die de ingedijkte polders omsluiten. Wegen liggen meer naar binnen, op het oude land. Alleen in de buurt van Holwerd ligt in 1850 ook een ‘grindweg’.
De Waddeneilanden zelf hebben nauwelijks doorgaande wegen, noch spoorverbindingen. Wel zijn daar van oudsher actieve havens aan de Waddenzee, van waaruit schepen de zee opvaren om te vissen of handel te drijven. Zo lag bijvoorbeeld Oost-Vlieland gunstig aan bevaarbaar water in de luwte, waardoor handelszeilschepen hier een veilige haven hadden om op een gunstige windrichting te wachten. In de late middeleeuwen en in de 16e en 17e eeuw was Vlieland een belangrijke zogenaamde ‘rede’ voor de handel op de Oostzeelanden. Ook de Rede van Texel werd steeds belangrijker als plek van vertrek (wachtend op gunstige wind) en als eerste plek van thuiskomst voor de routes naar koloniale gebieden in Azië en Amerika.
Hollandse kust
Op een kaart van Blaeu uit 1640 zijn in het Hollandse kustgebied een paar smalle wegen te zien. Die lopen van een stad naar de dichtstbijzijnde vissershaven: van Haarlem naar Zandvoort, van Leiden naar Katwijk aan Zee en van Den Haag naar Scheveningen. Ook liggen er noord-zuid lopende wegen op de hoger gelegen strandwallen, parallel aan de kust. Die zijn langs een groot deel van de Hollandse kust aangelegd en zijn nu vaak (in veranderde vorm) nog aanwezig. In Noord-Holland heten ze nogal eens Herenweg; deze wegen zijn vaak van Middeleeuwse oorsprong. Ze verbinden de eveneens op de strandwallen gebouwde dorpen met elkaar en ook de buitenplaatsen in dit gebied zijn op de Herenwegen georiënteerd. Ze lopen van Alkmaar naar Castricum, Beverwijk en Haarlem en vandaar verder naar Leiden, Den Haag en ’s Gravenzande. Hier en daar zijn twee wegen parallel aan elkaar gelegd. Soms zijn ze van later datum. De nu nog bestaande weg ten noorden van Castricum – op de overgang tussen de duinen en polders – wordt op een kaart uit 1737 ‘Nieuwe Wegh’ genoemd. Vanaf deze doorlopende wegen zijn er doorsteken naar zee, meestal naar vissersplaatsjes. Dit wordt de ‘kamstructuur’ genoemd en de dwarswegen heten vaak veelzeggend ‘Zeeweg’. Het gaat dus om verbindingen tussen vissersdorpen en (later) badplaatsen met het relatief dichtbevolkte gebied erachter. Rond 1900 liepen dit soort zeewegen naar Egmond aan Zee, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee en Scheveningen, allen vissersplaatjes aan de kust.

Schulpweg in de duinen bij Bergen bij Blaeu ca. 1660. De huidige Zeeweg loopt deels over deze oude weg.
De kamstructuur van het wegenpatroon langs de kust heeft er voor gezorgd dat er geen aaneengesloten strook van badplaatsen is ontstaan, zoals in België, maar dat hier alleen op incidentele plekken zich badplaatsen hebben ontwikkeld. Onder invloed van het toerisme is tussen de historische ‘inprikkers’ ook op enkele andere plaatsen een weg naar zee aangelegd. Die geeft doorgaans alleen toegang tot (een parkeerplaats bij) het strand of een boulevard. Deze polariteit tussen druk/bebouwd en rustig/onbebouwd is een belangrijke kwaliteit van de Hollandse kust. Op een aantal plekken lag er van oudsher ook een ‘Schulpweg’ van het strand naar het binnenland, aangelegd voor het vervoer van schelpen. Schulpwegen waren te vinden in bijvoorbeeld Wijk aan Zee, Noordwijkerhout en Castricum.
Estuariumkust (Zeeuwse en Zuid-Hollandse Eilanden)
In het zuidelijk kustgebied was vervoer over land lange tijd geen alternatief voor vervoer per schip. Doorgaande wegen zijn daarom op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden later aangelegd dan in de rest van het kustgebied. De grote zeearmen, waar nog geen bruggen lagen, vormden immers voor weggebruikers een obstakel. Vervoer vond vooral over water plaats van en naar havenstadjes als Brielle, Hellevoetsluis, Goeree, Veere, Vlissingen en Breskens. Over ieder eiland liep – in elk geval vanaf ca. 1800 – wel een landweg die het noorden van het eiland met het zuiden verbond, bijvoorbeeld van Brielle naar Hellevoetsluis en van Veere via Middelburg naar Vlissingen. Veel buitenlanders arriveerden per schip in de haven van Hellevoetsluis. Vandaar ging de reis per postkoets naar Brielle, en dan verder via de weg of veerponten, of per boot direct naar Rotterdam. Rond 1850 liep de enige doorgaande weg van Vlissingen via Middelburg naar Bergen op Zoom en vandaar verder. Zeeuws-Vlaanderen had betere landverbindingen: rond 1810 werd door Napoleon een straatweg van Sluis naar Breskens aangelegd en in 1850 is er een weg direct zuidelijk daarvan naar België.
In het gebied van de Estuariumkust zijn vanaf de jaren zestig de Deltawerken gaan fungeren als wegverbinding, om uiteindelijk rond 1985 alle eilanden over land met elkaar te verbinden. De aanleg van bruggen, dammen en een tunnel verbeterde de infrastructuur in Zeeland en de Zuid-Hollandse Eilanden, maar zorgde er ook voor dat bijna alle veerdiensten en pontjes zijn verdwenen.
Anno 2015 lopen nog maar op enkele plekken spoorlijnen door tot aan de kust: bij Delfzijl, Eemshaven, Harlingen Haven, Den Helder, Zandvoort aan Zee, Hoek van Holland en Vlissingen. Daar kan de badgast vanuit het binnenland rechtstreeks bij de zee komen. Voorheen waren er veel meer spoorlijnen die tot aan de kust doorliepen. Bovendien waren er tal van tramlijnen die de badplaatsen met een grotere stad verbonden.
Zo legde bijvoorbeeld de Noord-Friesche Locaalspoorweg-Maatschappij (NFLS) rond 1900 een spoorlijn aan dicht langs de Waddenkust. Vanuit Leeuwarden liep een spoor naar het noorden en na een splitsing in Stiens ging een westelijke lijn via onder andere Sint Annaparochie, Koudeweg en Tzummarum naar Harlingen, met een zijtak naar Franeker. De oostelijke tak – ook wel het Dokkumer Lokaaltje genoemd – ging na Stiens oostwaarts via onder andere Ferwerd, Holwert en naar Metslawier. In 1913 werd de lijn nog naar Anjum doorgetrokken. Deze spoorlijn werd tot in de jaren dertig voor personenvervoer geëxploiteerd, waarna de concurrentie van de autobus te sterk werd om de spoorlijn in stand te kunnen houden.
Ook IJmuiden was een tijd lang per trein bereikbaar: de lijn tussen Velsen en IJmuiden werd in 1883 geopend als zijlijn van de spoorlijn tussen Haarlem en Uitgeest die al in 1867 was aangelegd door de HIJSM, de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. In IJmuiden liep de lijn aanvankelijk tot de sluizen in het Noordzeekanaal met de bedoeling dat passagiers van grote schepen er konden opstappen. De meeste passagiersschepen voeren echter door naar Amsterdam; reden om het spoor in 1899 te verleggen naar de Vissershaven, waar het Hoofdstation werd gebouwd. Het visvervoer per spoor maakte sinds die tijd een enorme groei door. De lijn werd in 1983 gesloten voor passagiersvervoer. Het station uit 1883, een ontwerp van architect Dirk Margadant, werd in 1995 afgebroken. Toch exploiteerde het bedrijf Lovers Rail de lijn tussen 1996 en 1999 opnieuw, nu met een perron dat werd opgebouwd als een tijdelijke stellage van steigerpalen. Toen exploitatie financieel toch echt niet levensvatbaar bleek te zijn, werd de lijn in 1999 definitief opgeheven en werd de rails opgebroken. De straat, waar nu kantoorgebouwen staan op de plaats van het stationsgebouw, is vernoemd naar de laatste stationschef van het station, Cornelis Kruiten.
Kustspoor
Op de website ‘Sporen’ staat een artikel over een plan van het Ministerie van Oorlog uit de late 19e eeuw om een militair kustspoor aan te leggen van Hoek van Holland naar Den Helder, met op bepaalde plaatsen aftakkingen naar het strand. De spoorlijn mocht in vredestijd gebruikt worden voor passagiersvervoer, maar tijdens een mobilisatie zouden er pantsertreinen overheen rijden: een efficiënte en goedkope manier om mankracht en materieel naar de – strategisch belangrijke – kustzone te brengen. Overigens zou er volgens deze plannen ook een doorlopende weg aangelegd worden langs de kustlijn. Uiteindelijk bleken deze ambitieuze plannen niet haalbaar.
De kustregio heeft wel diverse werkspoorwegen gekend. Van Groote Keeten liep bijvoorbeeld een werkspoorweg naar de kust, die vandaar door de duinen naar het zuiden liep tot Callantsoog. Vanaf Petten liep een werkspoorweg over de kruin van de hele Pettemer en Hondsbossche Zeewering tot Camperduin. Via het spoor werd bouwmateriaal afgeleverd voor de versterking van de zeewering; aannemers hadden berekend dat het aanleggen van een spoorlijn de goedkoopste manier was om bouwmateriaal aan te voeren.
Na de oorlog
In de Tweede Wereldoorlog zijn diverse stations beschadigd of verwoest. Later werden die door een nieuw exemplaar vervangen, zoals het station van Vlissingen dat in 1950 het zwaar gehavende 19eeeuwse gebouw verving. Het station naar ontwerp van architect Sybold van Ravesteyn werd iets naar het noorden herbouwd ten behoeve van een ruim voorplein met busstation, waar men ook op het veer naar Breskens kon overstappen. Van Ravesteyn hergebruikte onderdelen van het oude station, zoals perrons, perronoverkappingen en muurwerk – vanwege de schaarste in de wederopbouwperiode moest men zuinig zijn met bouwmaterialen. Het station kent een frivole architectuur van de bakstenen gevels met decoratieve elementen als halfronde topgevels, een prominent geplaatste klok, okergele overstekende kroonlijsten, bijzondere raamvormen en klassieke pilasters; het gebouw is sinds kort als rijksmonument beschermd.
Inmiddels hebben spoorlijnen duidelijk aan belang ingeboet, ten gunste de auto, die vaak ook kan worden ingescheept. Het aantal treinen is drastisch verminderd en sommige stations zijn gesloten. Bij stations die nog in gebruik zijn, is de dynamiek groot. Stations transformeren steeds meer in winkel-, werk- en horecagebieden. Om bij al die dynamiek oog te houden voor de cultuurhistorische kwaliteiten van stationsgebouwen heeft voormalig spoorbouwmeester Nathalie de Vries een specifieke visie op dit thema geformuleerd. Als gevolg daarvan is besloten om De Collectie op te stellen: stations die door hun geschiedenis of architectuur van grote waarde zijn en daarom een aparte behandeling verdienen in het dagelijks beheer en bij meer ingrijpende moderniseringen.
Meer nog dan spoorlijnen liepen er lokale tramlijntjes richting de kust, waarvan het overgrote deel vanaf de jaren dertig van de 20e eeuw weer is opgeheven ten gunste van het autoverkeer. Zo reed er van 1905 tot 1955 een stoomtram, plaatselijk bekend als Bello, van Alkmaar via Bergen naar Bergen aan Zee. Een ander voorbeeld is de tramlijn Oostburg–Cadzand die in 1912 werd geopend op Zeeuws-Vlaanderen. In 1948 werd op die lijn het reizigersvervoer gestaakt, in september 1949 werd ook het goederenvervoer stilgelegd en de lijn opgebroken. Ook langs de weg tussen Haarlem en Zandvoort liep van 1899 tot 1957 een elektrische tram. Er is geen overzicht van kustlijntjes, maar op Wikipedia staat een uitputtende lijst van historische tramlijnen voor heel Nederland,
Telegraaflijnen waren aanvankelijk nauw verbonden met het spoorwegennet. In 1845 nam de, al eerder genoemde, HIJSM tussen Amsterdam en Haarlem de eerste telegraaflijn in Nederland in gebruik. De lijn werd aangelegd langs de bestaande spoorlijn uit 1839 (ook van de HIJSM). In eerste instantie werd de telegraaf alleen door de spoorwegmaatschappij zelf gebruikt voor dienstberichten. Vanaf 1847 kon ook het publiek er gebruik van maken. Dit was in ons land het begin van wat het belangrijkste communicatienetwerk van de 19e eeuw zou worden. In 1877 nam de Rijkstelegraaf de eerste proeven met de telefoon, via de telegraafkabel. Het telegraafverkeer werd op die manier uitgebreid met gesproken berichten.
Op de nettekeningen (1839-1859) zijn telegraaflijnen langs wegen aangegeven. Zo is de weg langs het Noordhollandsch Kanaal tussen Den Helder en Alkmaar gekarteerd als ‘Grindweg’ met een telegraaflijn erlangs. En langs de ‘Straatweg van Haarlem naar Alkmaar’ ten zuiden daarvan vervolgt de telegraaf zijn weg, over de oude strandwal. In 1905 liep hier ook de (militaire) telefoonlijn.
Historische zeehavens liggen vooral in de luwte langs de Friese kust en aan de grote zeearmen in Zuid-Holland en Zeeland. Het gaat dan om onder meer Delfzijl, Dokkum, Harlingen en Den Helder in het noorden, Amsterdam, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen wat verder in het binnenland, en Brielle, Hellevoetsluis, Zierikzee, Middelburg, Vlissingen en Breskens aan de Estuariumkust. Ook de Waddeneilanden hadden aan de luwe zijde alle een haven. In de Gouden Eeuw was bijvoorbeeld een havenstad als Vlissingen van groot belang, als basis van de vloot van de VOC en WIC. De handel floreerde, ook kaapvaart werd vanuit Vlissingen gedreven en de scheepswerf van de Admiraliteit van Zeeland was er gevestigd, die voorzag de handelsvloot van schepen.
Aan de Hollandse kust liggen geen historische havensteden direct aan zee. Die was daarvoor te gevaarlijk. Bovendien was het lastig om weg te zeilen, vanwege de dominante westenwind vanaf zee. De grote havensteden – Amsterdam en Rotterdam – lagen daarom meer landinwaarts. Rotterdam was bereikbaar via Voorne-Putten en Amsterdam via de Zuiderzee. aan de Zuiderzee lagen door de ongeschiktheid van de Noordzeekust nog andere belangrijke havens. Harderwijk was in de middeleeuwen belangrijk, Hoorn had een VOC-kamer en Enkhuizen was lang een centrum voor de haringvangst.
De Noordzeekust was wel belangrijk voor een andere ‘infrastructuur’, namelijk het leveren van loodsen. Kustvissers hadden veel kennis van zandbanken en stromingen, en verdienden bij als loods. Dat gebeurde niet alleen langs de Hollandse kust (Petten, Huisduinen, Den Hoorn), maar ook op de Schelde in Zeeland.
Ondiepte en verzanding van de bestaande routes maakte de aanleg van nieuwe kanalen nodig om de zee te blijven bereiken. Het Noordhollandsch Kanaal, dat in 1824 werd gegraven van Amsterdam naar de Noordzee, maakte van het al bestaande marinehavenstadje Den Helder de voorhaven van Amsterdam. Rotterdam werd met zee verbonden door de in 1872 – direct westwaarts – gegraven Nieuwe Waterweg. Hier ontstond Hoek van Holland. Om de verbinding van Amsterdam met de zee te verkorten en te verbeteren werd in 1876 het Noordzeekanaal aangelegd. Bij de monding ontstond IJmuiden, oorspronkelijk net als Hoek van Holland als vestigingsplaats van kanaalarbeiders.
Op een paar plaatsen aan de kust zijn in de 19e eeuw belangrijke infrastructuurknooppunten ontstaan. Daar kwamen spoor-, weg- en waterwegen bij elkaar en ontstond een overstappunt naar reisdoelen buitengaats. Maar al eerder, aan het eind van de 17e en in de 18e eeuw, vervulde Hellevoetsluis voor ons land de rol van overstappunt tussen land en zee. Veel Engelse reizigers maakten de oversteek van Harwich naar Hellevoetsluis, omdat dat toen een veilige haven was. De overtocht duurde 24 uur en per postkoets of schip was de reiziger in 6 uur in Rotterdam en in 17 uur in Amsterdam. De trekschuit had voor dit navervoer de voorkeur omdat die het meest comfortabel, punctueel, frequent en goedkoop was.
Vanaf de late 19e eeuw waren Harlingen, Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland en Vlissingen de grote overstap-havens aan de Nederlandse kust. Interessant genoeg waren dit ook de satellietplaatsen voor grotere en belangrijkere steden in het achterland. In deze havens werd grootschalig personenvervoer per schip mogelijk dankzij de aanleg van een spoorverbinding. Soms werd een bootverbinding opgezet omdat er een spoorlijn aangelegd zou worden tot vlakbij de passagiershaven (Vlissingen), en soms andersom. Daarbij gaat het altijd om kopstations: de haven of het strand is de eindbestemming van de trein. De in de nabijheid gelegen kustplaatsen werden daardoor belangrijker en namen dus ook in omvang toe. De meeste knooppunten of overstappunten vervullen die functie nog steeds.
Harlingen
Het historische havenstadje Harlingen ligt direct aan de Waddenzee. Al sinds 1646 was de belangrijke stad Leeuwarden er via de Harlingertrekvaart (nu Van Harinxmakanaal) mee verbonden. Sinds 1863 is Harlingen Haven het eindstation van de spoorverbinding, voorzien van een eenvoudig houten haltegebouw. De lijn werd in eerste instantie alleen door veerbootreizigers gebruikt, die vanuit Harlingen naar Vlieland en Terschelling door konden reizen. De veerdienst is sinds 1923 in handen van rederij Doeksen. Voor wegverkeer vanuit Noord-Holland is de Afsluitdijk sinds 1932 de directe route naar de haven. Sinds 2010 is de dienstregeling van de trein door een regionale vervoerder in ere hersteld.
Den Helder
Napoleon heeft de – eind 18e eeuw aangelegde – zeehaven van Den Helder tot marinebasis gemaakt. Toen het Noordhollandsch Kanaal naar Amsterdam werd gegraven is tegelijkertijd, aan de westelijke oever, met de uitgegraven grond een dijk aangelegd met een weg erop, zodat ook de landverbinding verbeterde. Toen in 1876 het Noordzeekanaal werd geopend kreeg de stad een gevoelige terugslag, maar de stad bleef de belangrijkste marinehaven van het land. Het treintracé Den Helder – Alkmaar uit 1865 werd in 1887 doorgetrokken naar Amsterdam. In Den Helder werd het station aan het Nieuwe Diep gebouwd, niet ver van de haven. Dit werd het vertrekpunt voor schepen naar Nederlands-Indië. Texels Eigen Stoomboot Onderneming (TESO) werd in 1907 opgericht om de veerverbinding Den Helder-Texel te verzorgen. De Texelaars zelf namen aandelen in het bedrijf. Door de toename van het toerisme is het aantal vaarten gestaag gegroeid. In 1958 werd het treinstation van Den Helder vervangen door een iets zuidelijker gelegen gebouw.
IJmuiden
De haven van IJmuiden dankt, net als het dorp zelf, haar ontstaan aan de aanleg van het Noordzeekanaal, dat in 1876 werd geopend. IJmuiden verving vanaf dat moment Den Helder als voorhaven van Amsterdam. In 1887 werd besloten op de zuidoever de aparte Vissershaven te graven. De trein liep, zoals eerder genoemd, vanaf 1883 naar IJmuiden. Omdat de passagiers van grote schepen liever doorvoeren naar Amsterdam, werd in 1899 het spoor verlegd naar de vissershaven, waar het Hoofdstation werd gebouwd. In 1957 werd voor spoor- en wegverkeer de Velsertunnel geopend, waardoor IJmuiden gemakkelijker bereikbaar werd. Sinds 1994 dient de Vissershaven als afmeerplaats voor de DFDS Seaways Ferry naar Newcastle, voorheen ook voor veerdiensten naar Göteborg en Kristiansand. Tot 1994 meerden de schepen af in het Amsterdamse Havengebied.
Hoek van Holland
Hoek van Holland is in 1864 ontstaan als vestigingsplaats van arbeiders die werkten aan de aanleg van de Nieuwe Waterweg. In 1893 werd de spoorlijn Rotterdam-Hoek van Holland, de Hoekse Lijn, geopend. Deze lijn had twaalf stations, waaronder Hoek van Holland Haven en Hoek van Holland Strand. De veerdienst naar Engeland werd gelijktijdig met de spoorlijn in gebruik genomen, met een comfortabele verbinding Engeland–Duitsland–Scandinavië en Moskou als resultaat. Uiteraard was Hoek van Holland via Rotterdam of Den Haag ook over de weg bereikbaar. Vanaf 1946 werd Hoek van Holland – in plaats van Vlissingen – de afvaarthaven naar Harwich. Deze dienst werd tot 1989 verzorgd door de Stoomvaart Maatschappij Zeeland. Het spoorwegstation bestaat nog steeds; sinds begin 2014 rijden er nog maar weinig treinen. Er zijn echter plannen om de lijn te verlengen tot dichterbij het strand.
Vlissingen
De historische havenstad Vlissingen ligt direct aan de Westerschelde. Vanaf begin 19e eeuw fungeerde Vlissingen als haven van het meer landinwaarts gelegen Middelburg. Toen in 1872 de spoorlijn Roosendaal – Middelburg – Vlissingen in gebruik werd genomen, werd de Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) opgericht om een veerdienst op Engeland te beginnen. De eerste oversteek naar Sheerness werd in 1875 gemaakt, en daarna op Queensborough. Vanaf 1927 voer de maatschappij ook op Harwich. Na de oorlog was hervatting van de dienst vanuit Vlissingen onmogelijk vanwege de oorlogsschade aan havens en spoorwegen. Hoek van Holland werd toen het vertrekpunt en is dat gebleven. Al vanaf 1828 vond een geregelde veerdienst plaats tussen Vlissingen en Breskens, die door particulieren was opgezet. In 1913 werd de dienst overgenomen door de Provinciale Stoombootdiensten in Zeeland (PSD). De veerverbinding voor auto’s is opgeheven in 2003, toen de Westerscheldetunnel werd geopend. De verbinding Vlissingen-Breskens doet nog wel dienst voor langzaam verkeer.
Vanaf zee gezien heeft de kustlijn een andere betekenis dan vanaf land, zowel voor recreanten als voor de visserij en handelsvaart. Voor de scheepvaart vormen torens, opstanden en vuurbakens sinds jaar en dag oriëntatiepunten langs de – vaak behoorlijk eenvormige – kustlijn. Zeker in de tijd voordat de navigatie vrijwel geheel overgenomen was door (digitale) apparaten, was een toren met een licht erop van cruciaal belang voor de herkenbaarheid van de kustlijn.
Soms werd op een bestaande kerktoren een licht geplaatst, zodat deze ook in het donker als wegwijzer kon fungeren. Zo werd bijvoorbeeld de spits van de gotische kerktoren van Goedereede verwijderd zodat er een vuur gestookt kon worden ter alarmering van de schepen op zee, en op de Middeleeuwse Sint Willibrorduskerk van Westkapelle werd in 1817 een lantaarn geplaatst.
Maar er werden ook al heel vroeg specifieke vuurbaken en -torens gebouwd, zoals de Brandaris op Terschelling: de huidige toren verving in 1594 een ouder, bouwvallig geworden exemplaar. Een ander oud voorbeeld staat nog bij Den Briel: het Steenen Baken uit 1630. Langs de hele kust verrezen in de 16e en 17e eeuw dat soort (voorlopers van) vuurtorens, onder andere in Egmond (1613), Katwijk (1605), Petten (1641) en Scheveningen (1531), maar de meeste zijn afgebrand, ingestort, verwijderd of vervangen door meer recente exemplaren. Smokkelaars, jutters en piraten gebruikten valse lichtopstanden om schepen te misleiden en vervolgens te beroven.
In de 19e eeuw pakte het Departement van Marine de plaatsing van lantaarns op bestaande torens en de bouw van nieuwe vuurtorens systematisch aan om de zeevaart langs de kust veiliger en efficiënter te maken. Veel van de nog bestaande vuurtorens stammen dan ook uit deze periode, zoals de Buitentoren van Schiermonnikoog (1854), de Lange Jaap bij Den Helder (1878), het Van Speykmonument in Egmond aan Zee (1834), de vuurtoren van Nieuw-Haamstede (1840) en die van Breskens (1867).
Vuurtorens waren bedoeld om een plek te identificeren vanaf zee, maar werkten ook voor mensen aan land goed om de plaats te bepalen. Door het unieke ritme van lichtflitsen, dat ook op zeekaarten staat aangeduid, en hun kenmerkende vorm en kleur waren vuurtorens herkenbaar. Hoewel ze niet meer permanent bemand zijn en voor de professionele scheepvaart niet meer van doorslaggevende betekenis, blijft de symbolische waarde van vuurtorens en havenlichten bestaan. Vuurtorens spreken tot de verbeelding; vuurtorens spelen met grote regelmaat een rol in (kinder)boeken, gedichten, fotografie en de schilderkunst. Uiteindelijk schopte de vuurtoren van Haamstede het zelfs tot nationaal icoon toen hij werd afgebeeld op het briefje van 250 gulden.
De basis voor ontwikkelingen langs de kust is toegankelijkheid via infrastructuur. De zee is zelf een vorm van infrastructuur die de kust per boot bereikbaar maakt. Maar om verder landinwaarts te komen, werden andere structuren aangelegd: kanalen, trein- en tramsporen, voetpaden en wegen. Ter oriëntatie waren vuurtorens nodig, om direct te communiceren telegraaf- en telefoonlijnen. Zo is de natuurlijke barrièrewerking van de kustlijn door de eeuwen heen telkens lokaal doorbroken om op het strand en bij de zee te kunnen komen, met welk doel dan ook.
www.stationsweb.nl, wimwegman.wordpress.com (sporen), www.railromantiek.nl, watwaswaar.nl, historie.hdpnet.nl/schweg.htm, www.gahetna.nl, beeldbank.cultureelerfgoed.nl/, www.dereedevantexel.nl, www.cram.nl/ieni/940204.htm (over telegraaflijnen). De informatie over veerverbindingen is afkomstig van een groot aantal websites van vooral lokale vervoersmaatschappijen.
[1] De kaarten zijn te vinden via watwaswaar.nl of in te zien in fotoboeken in het Nationaal Archief, Den Haag
[2] Horsten, F.H., Doorgaande wegen in Nederland, 16e tot 19e eeuw. Een historische wegenatlas, Amsterdam 2005
[3] Joseph Taylor, beschrijving van Den Haag, dat hij bezocht in september 1707, in: Van Strien, K., Touring the Low Countries, accounts of British Travellers, 1660-1720, Amsterdam 1998, pp.198-200
[4] E. de Amicis, zijn vertaalde reisbeschrijving: www.gutenberg.org/files/27799/27799-h/27799-h.htm#THE_HAGUE, p. 214
Rolf Roos
“Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. ” (Opzichter Jan Vlietland, 1966)
Rond 1900 stond er, behalve in de polder, ook vee in bijna elk duin- of gors van het voormalige eiland Goeree. Het buitendijkse land was vanouds bezit van het waterschap of de staat, maar het werd uitgebaat (verpacht) of, later, in beheer gegeven aan terreinbeheerders. Op het gors stonden melkkoeien, jongvee en af en toe een stier. Ook paarden, die je in de avondzon vanaf het duin kon zien rondrennen. Het vee was van aanwonenden (tot ca 1950 had bijna iedereen in de duinrand wel een koe of varken), kleine veeboeren langs het duin of uit de polder. Soms kwamen er over water aangevoerde dieren voor zomerbeweiding. Uit bovenstaand citaat blijkt dat de boswachter in 1966 niet helemaal scherp had wie wel en niet boer was op het gors, en dat lag, zoals zal blijken, niet aan hem.
Want hoe ging dat met de beweiding op de Kwade Hoek, wie waren er eigenaren en pachters, wie waren er onderpachters? We focussen ons op de periode 1945-1975 en een conflict dat toen speelde, maar vermelden eerst de oudere gegevens. We onderzoeken oude teksten, kaarten en foto’s en spreken direct betrokkenen. Dat zijn o.a. bewoners van de Oostdijkseweg: Jan van Splunter (geb. 1940) en Annelies Breen (1942), die de jaren 50 – 70 actief hebben meegemaakt. Ook komen we meer te weten over de eerste boer op het gors na de oorlog, Kommer Tanis (bijgenaamd Kommer de Brommer sr.), via Maaike, de vrouw van boer Kommer de Brommer jr. Ook hàar zoon Kommer (jr. jr., veehouder) en dochter Lenie (van de bloemenwinkel de Korenbloem uit Goedereede) maken ons verder wegwijs. We putten verder uit schriftelijke bronnen, o.a. uit het Beheersplan 1971 (zie hiervoor ook het inleidend artikel op deze site) en gebruiken divers kaartmateriaal. Diverse koeienwachters passeren de revue en ook heibel over de pacht en de aantallen stuks vee waar zelfs de directeur van Natuurmonumenten zich nog mee bemoeit. Vreemdste bijvangst bij al dit speurwerk: een door koeien uitgelopen stuifgat in de zeereep werd een ook nu nog zichtbaar ‘koeiengat’. En we vonden in het gors een oude (vooroorlogse) veedrenkput terug, en wel een zeer grote met opgeworpen wallen rondom. Nodig als zoet water voor het rondzwervende vee? Daarover meer in een apart artikel.
Uit 1851 zijn veilingstukken bekend waarin een onderhoudsplicht van de zeereep wordt vermeld plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Of er echt al vee liep is niet bekend Waarschijnlijk wel in de duinen, maar niet op strand of het smalle gors van die tijd.
Uit het einde van de 19e eeuw (Wentholt, 1912) weten we dat het gors na 1879 tussen de toenmalige strekdammen ontstond en begroeid was. Het heette toen nog niet ‘Kwade Hoek’. Anno 1912 verpachtte het Rijk, de eigenaar, het stuk gors tussen Havenhoofd (paal 4) en de huidige opgang van de Kwade Hoek (paal 8) voor fl. 200 per jaar, voor beweiding. Zie verder ons artikel over het ontstaan van de Kwade Hoek als natuurgebied.
We hebben tot nu toe weinig andere bronnen over beweiding tot 1945. Zeker is dat er toen wel koeien liepen, zo meldt Cees Sipkes in ongepubliceerd manuscript, 1928: veel veeteelt in de duinen en Kees Hana toen hij in 1938 op de fiets richting Kwade Hoek reed:

Topografische kaart met landschap Kwade Hoek ca 1935 toen Kees Hana het bezocht: alleen gors (groen strand) en geen duinen. Klik op kaart voor uitvergroting.
“Het landschap van de buitenste duinrichels doet opvallend sterk denken aan de Muy op Texel, alleen het groote meer ontbreekt hier. Als je niet zoo duidelijk den Voornschen wal aan de overzijde van het Goereesche Gat zag, zou je kunnen denken op Noordvaarder, Vliehors of Onrust verzeild geraakt te zijn. Wat een strandvlakte! Even naar zee loopen is een heele wandeling. Maar wat is dat daar nu in de verte? Een kudde schapen? Het lijkt wel zoo, doch wanneer de dieren wat dichterbij komen, zien we ineens, dat het allemaal koeien zijn, die hier grazen op het breede, begroeide strand; een jongen houdt de kudde zoo’n beetje bij elkaar.”
Opvallend is dat Hana alleen spreekt van een ‘breed’ en ‘begroeid’ strand en niet van duinen.
Prof. Th. Weevers, kenner van de duinnatuur van Goeree, maakt in een publicatie uit 1940 gewag van ‘sterke beweiding’, maar specificeert dit helaas niet.
“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuldig is”.
Uit de oorlogsjaren zelf weten we tenslotte via een verslag van boswachter Arie Blokland dat er toen geen vee op het gors was, er geen mensen mochten komen en de vogels het gebied meer in bezit namen.
Voor de oorlog waren koeienwachters (kinderen, maar ook volwassenen) op Goeree een bekend fenomeen. Zie ook de waarneming van Kees Hana, 1938, een jongen hield de koeien bij elkaar. Kinderarbeid was nog gewoon, en mocht je niet te slim zijn uitgevallen of gewoon pech hebben dan was het bewaken van de koeien ook voor een ouder iemand een aardig baantje, zij het met een minimale verdienste. Zie de foto gemaakt in de nabijgelegen Oostduinen. Het beweidingsgebied kan zeker over de toen nog lage zeereep doorgelopen hebben naar de destijds kleinere Kwade Hoek richting Havenhoofd, maar van voor de oorlog hebben we daar geen beelden van. In grote delen van de duinen vindt stopzetting van de beweiding in de vijftiger en zestiger jaren plaats, behalve in de Westduinen, de Vuurtorenvallei en de Kwade Hoek. De Oost-en Middelduinen zullen mede daardoor verruigen; thans zijn ze weer beweid.
Ook in de oorlog waren er veehouders op de Kwade Hoek. De vader van Kommer Tanis (‘de kluve’) uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam, vertelde aan zijn zoon Kommer dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943 of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boer nog maar een enkele plag meenam toen was het hommeles met de Duitsers. ” (interview met Kommer Tanis dd. 16 januari 2026).
Een archiefstuk uit 1947 uit het Stadsarchief van Amsterdam schept helderheid over de pachtsommen en toegekende betekenis van het gors van de Kwade Hoek. Vogelkenner van der Kloot, (bestuurslid Stichting Natuurmonument de Beer die zich decennia over o.a. de Kwade Hoek ontfermde), achtte in een advies aan zijn bestuur de botanische waarden laag ’ten gevolge van de intensieve beweiding’, wellicht had hij Weevers, 1940, slecht gelezen want Weevers meldt vele bijzondere planten. Elders schrijft van de Kloot dat deze pachtsom ‘zeer laag’ is en men wellicht het oostelijk deel alleen hoefde te verpachten (en de rest tot ‘Natuurmonument’ bestempelen d.w.z. zonder beweiding. Dit is later (jaren ’70?) ook gebeurd.

Uit: Van de Kloot, 1947. Overzicht van de eigendoms- en beheersverhoudingen in het duingebied van het eiland Goeree. SAA 999-2639
Een tweede passage schetst de scheve verdeling van lusten en lasten van de na de oorlog ook door koeien begraasde particuliere duinen in bezit bij de familie (Jacob) Breen. Ze deden en faciliteerden alles wat maar een beetje geld opbracht: beweiding, jacht, kamperen en zandafgraven.
We lezen verder in een verslag uit 1957 van de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) dat er ‘wilde paarden’ spartelden in de meertjes die waren ontstaan. Hoe wild was deze noordwestelijke uithoek van Goeree? Of werd het gors zelfs gecultiveerd en behekt voordat vanaf ca 1975 het natuurbeheer de boventoon ging voeren bij de nieuwe beheerder, Natuurmonumenten? Uit 1961 hebben we de beschikking over een doorwrocht verhaal van Westhoff e.a.. We citeren wat hij over beweiding zegt, duidelijk met een opvallend positieve toon, geheel anders dan bij Weevers voor de oorlog en van der Kloot in 1947 (pag.56):
Beweiding Kwade Hoek rond 1965; het vee is van Kommer de Brommer sr. en jr. en werd gemolken nabij ‘Haveneind’ (Havenhoofd). We kijken noordwaarts richting lage duintjes die het gors van de zee afschermen. Een niet herkenbare figuur, mogelijk Kommer de Brommer jr., lijkt het vee oostwaarts richting melkplek bij Haveneind te drijven.
“De Kwade Hoek, aan de noordkust van Goeree langs het Haringvliet gelegen, behoort tot het terreintype dat men wel aanduidt als “groene stranden”. (..) Evenwijdig aan de kust strekken zich een aantal lage, smalle, onderbroken duinrichels uit, waartussen min of meer vochtige, langgerekte duinvalleien liggen, die op onregelmatige tijden nog door de vloed worden bereikt. Aan de landzijde wordt dit geheel tenslotte afgesloten door een hoger oprijzende duinenrij, die als zeewering fungeert. Het gebied wordt in uiteenlopende intensiteit matig tot licht door vee beweid. Vermoedelijk is dit in zoverre een stabiliserende factor, dat het vee, door de vegetatie en het oppervlak der lage duintjes te storen, deze verhindert verder op te groeien, zodat de valleien niet van de zee worden afgesloten. Uit het oogpunt van het voortbestaan van de botanische betekenis van het gebied is dit een positieve invloed.”
Bakker et al melden in hun duinvalleien-rapport uit 1979:
“In 1967 adviseerde het Biologisch Station “Weevers Duin” zelfs een uitbreiding van de beweiding: “In het gebied van de Kwade Hoek vindt beweiding plaats met jongvee; (tot 1967 melkvee op het schor) ± 100 stuks. Niet in het hele gebied (v.n.l. in het oostelijk deel). Voorgesteld wordt een iets groter aantal te laten grazen in het gehele terrein”.
“Momenteel (red.: 1979) wordt het oostelijk deel (Groene Strand) beweid met ongeveer 50 stuks melkvee, gedurende het gehele seizoen op één zelfde gedeelte, binnen afrastering. Vroeger schaarde men het vee op een klein deel in, men liet dit “afgrazen” en verplaatste het vee vervolgens naar een ander terreingedeelte.”
De topografische kaart van vlak na de oorlog toont een landschap, ogenschijnlijk zonder hekken. Gors, duin en dijk gingen in elkaar over. Let op enkele details, waarvan we sommige zullen bespreken: het kleine uitsteeksel van het duin richting zee, het ‘slurfje’ tussen een paal 7 en 8 en de rechte slootjes in twee kreken op het gors. Strekdammen uit ca 1830 zijn niet meer aangegeven, maar waren toen nog wel voor de weinige recreanten, stropers en de boswachter zichtbaar. Vlakbij de ‘lantaarn’ (’t Lichie van Moosje’) is met een rood puntje de rond 1978 onder de nieuwe zeereep verdwenen duinboerderij van Moosje Hoek te vinden met een klein door elzen omzoomd huiskaveltje, naast de ongetwijfeld toen zeer bloemrijke graasgronden van het Plaatje (met daarin nog dijkputten uit ca 1715). Het Plaatje is nu deels parkeerplaats. Bos was afwezig. Vrijwel de hele Bokkepolder bestond uit grasland (met weidevogels en orchideeën) en akkerland.
Jan van Splunter, jager, woont al levenslang op het buurtschap Oostdijk, aan de Oostdijkse weg nabij de opgang naar de Kwade Hoek. Hij maakt ons verder wegwijs. Hij is via familie verweven met de Oostdijkse weg en de Nieuwendijk en kent het landschap en al haar bewoners van net na de oorlog. Vroeger waren er duintjes bij en op de Helmdijk, die volgens Jan zijn afgegraven in 1953 (en eerder al in de oorlog, red.). Alles was destijds open; vee liep over dijken, duinen en gors (groene strand) en er waren nauwelijks bomen. Er liepen koeien van lokale bewoners en veehouders, maar ook kwamen er per boot koeien van elders (Putten, Dordrecht). In die tijd net na de oorlog waren er koeienwachters. Jan van Splunter: “Maar er verdronk wel eens een koe, zeiden ze, en die werd dan achter een bunker van de Stellingweg geslacht en verkocht.”
Op nr. 8 langs diezelfde Nieuwendijk woonde rond 1950 Leun Temmink, waarvan het verhaal de ronde doet dat hij de dag begon met een cognacje (vieux) met een rauw ei. Hij had 3-4 koeien en was ook koeienwacht in het duin tot aan Havenhoofd. Zijn vrouw heette Lammetje (Lammechien). Leun plaagde Lammetje met de oneliner: “als je niet ….doet dan breng ik je naar de markt”. Annelies Breen herinnert zich hoe ze met een akertje (kleine melkbus voor ca 5 liter) hier als kind melk ging halen (ca 1955).
Op Nieuwendijk 12 woonde een oom van Jan, Arend van Splunter. Volgens Jan had hij al voor de oorlog 5-6 koeien terwijl zijn oom Jaap van Splunter, boerenknecht geen vee had en in het buurhuisje op nr. 14 woonde.

Uit die tijd kennen een foto van het kaal gevreten gors met slechts een enkele koe, van de hand van Kees Hana (1963)
Uit het verhaal van Jan van Splunter komt een beeld naar voren van een open landschap waar een ieder naast een hoekje eigen grond ook dijk, duin en gors benutte en diverse personen koeienwachter waren of een paar koeien hadden, steeds met een schamel inkomen. Het gors heette in de volksmond “het weiland”, aldus Kommer Hoek uit Ouddorp. Bij boswachter Jan Vlietland heet het rond 1970 ‘de grasvlakte’ of het ‘grasland’.
Luchtfoto 1943. Na de oorlog was het landschap open en vrijwel boomloos. De Kwade Hoek was een smalle aangroeikust: een groen strand met slechts een enkele, onderbroken, duinenrij. De 19e-eeuwse strekdammen zijn hier al niet meer zichtbaar.
Annelies Breen woont met haar man sinds 1988 langs de Oostdijkse weg maar komt vanaf haar tiende, 1952, veel in het gebied omdat haar vader Jaap (Jacob) Breen (1905-1983) hier 40 hectare duin en duinrand bezat, die hij weer had geërfd van zijn vader, ook een Jacob (1865-1928). Het was familiebezit geworden bij een veiling van rijksgronden in 1851. Overigens inclusief een verbod op beweiding door paarden of vee 70 meter vanaf de buitenrand der zeeduinen. Maar of dit ooit is gecontroleerd? Jacob Breen bezat 40 hectare duin: o.a. bijna de hele zeereep tot aan Havenhoofd, die grotendeels werd onteigend toen de zeereep bij de Deltawerken moest worden verhoogd. Bovendien pachtte Jacob, in aanvulling op zijn duinbezit van 40 hectare, na de oorlog het gors dat hij weer onderverhuurde aan veehouders, waaronder Kommer de Brommer sr. en jr. 
Zeereep bij Kwade Hoek volgens hoogtekaart; klik op de kaart voor uitvergroting dan worden in het gors diverse sloten zichtbaar.
Over haar vader, Jacob, vertelt Annelies dat hij de naoorlogse beplanting van o.a. de Stellingweg op zich nam. Hij liet zich daarbij adviseren door Cees Sipkes uit Oostvoorne die diverse exoten aanvoerde. De Stellingweg en het duin van de zeereep waren ook zijn bezit (zie ook artikel elders op deze site). Jacob heeft volgens Annelies ook eigenhandig sloten gegraven op het gors om de afwatering te verbeteren waardoor het beter begaanbaar was voor koeien (zie de slootjes op de topografische kaart hierboven en bijgaand detail van de hoogtekaart 2025 met diverse slootjes en rechte kreken). Graafwerk van meer dan een halve eeuw geleden blijft lang zichtbaar.
Volgens Lenie Tanis is haar grootvader Kommer Tanis (Kommer de Brommer sr.) begonnen met vee dat er vlak na de oorlog rondliep en dat hij via Jacob Breen en een Dordrechtse veeboer voor een zacht prijsje kon overnemen. “Hij wilde helemaal geen boer worden, maar startte met 20 drachtige koeien en werd vervolgens levenslang boer, na 1975 op Breengronden aan de binnenduinrand.” Kommer jr. volgde hem op (maar na ca 1973 niet meer op het gors) en zijn zoon Kommer jr. jr. is tot op heden veehouder.
Annelies vertelt weer een ander verhaal door, van haar vader, namelijk dat rond 1947 Kommer de Brommer sr. vee weidde op het gors van de Kwade Hoek en naar haar vader Jacob riep: “Het duin bij ’t Plaatje gaat er aan”. Omdat de koeien een vaste looproute hadden van het gors naar de (melk)stal (destijds hier maar later ter hoogte van Havenhoofd) was er een pad geërodeerd en een stuifgat in de duinen ontstaan: het ‘koeiengat’. Het bevond zich tussen het lichtopstand (de lantaarn) ’t Lichie van Moosje en Huize De Bult. Het bijzondere is dat de plek op de luchtfoto 1943 en op de topografische kaart 1950 goed te zien is als een ‘slurfje’. En ook ann0 2025 zit hier nog een uitstulping. Omdat het duin op Goeree oost-west is georiënteerd kan in een periode met veel zuidenwind bij een stuifgat zo’n vorm zijn ontstaan. Annelies Breen vertelt dat Jacob Breen vele jaren helm heeft geplant om het duin te behouden, zeker van 1947 tot 1972, 25 jaar lang. Dit was overigens een verplichting vanuit het waterschap.
Dat brengt ons naar februari 1953, de ramp waarbij de zeereep het hield maar delen van Goeree (ook de Bokkepolder) ‘achterom’ onder liepen via dijkdoorbraken, waarbij veel vee verdronk. Daarna wilde de overheid het duin en zeker de zeereep weer in eigen hand hebben. Eind jaren 60 volgde gedeeltelijke onteigening en daarna de kunstmatige ophoging van de zeereep, zie ook onderstaande luchtfoto met de start van de aanleg van de nieuwe zeereep ter hoogte van de huizen van Haveneind. Op een luchtfoto uit 1970 met daarop de eerste sporen van duinverzwaring bij Havenhoofd, en enkele bomkraters en vele slootjes (ter ontwatering van het gors).
Volgens boswachter/opzichter Jan Vlietland in 1965 doen koeien in de Parnassiavallei (ook bekend als Parnassiaslenk) het gebied daar geen goed:
” Mijn inziens is het echter wel nodig om er een wijziging in aan te brengen voor wat betreft de Parnassiavallei. Het lijkt me voor de groei van de Parnassia niet bevorderlijk wanneer die vallei voor de bloei wordt beweidt. Door de drassige bodem worden dan veel planten in de grond getrapt. Ook na de bloei is dat wel zo, maar dan is in ieder geval het zaad eraf. Ik geloof dat maaien toch de beste oplossing zal blijken te zijn. Laat ook de heer Beeftink daar zijn mening eens over geven.” (Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)
Deze discussie zal later in de zeventiger jaren leiden tot een oostelijk (beweid) en westelijk (onbeweid) deel, een situatie die we tot op heden (2025) aantreffen. Bovendien is melkvee geheel verdwenen en het aantal stuks jongvee tegenwoordig te laag om zeekweek en verruiging geheel terug te dringen. De vroeger beschreven ‘grasvlakte’ vol gele rolklavers en roze kattendoorns (een typische soort die het bij veel beweiding goed uithoudt, want stekelig) is vervangen door een landschapsbeeld van lage duindoornduintjes en brakke moerasplanten (een zeer zeldzame levensgemeenschap) en in de laagtes veel ‘echte’ zoutplanten met daartussen plekken die kort begraasd worden, soms wat zoeter zijn met ook veel bijzondere soorten, waaronder, sinds 2025, moeraspaardenbloem. Zie artikel op deze site.
Maar terug naar 1965 en de aansturing van de beweiding. Ook daarover heeft Jan Vlietland in de richting van zijn bestuur een noot te kraken want hij blijkt onvoldoende zicht te hebben wie er vee inschaart en wil geen koeien meer buiten rasters waardoor ze in het water terecht komen:
“Zoals ik reeds zei zou het ook goed zijn op de een of andere manier te voorkomen dat, zoals dat woensdag het geval was, dieren in het water komen, dus dat er na 1 november geen vee meer aanwezig is. Ook zou ik graag in het vervolg willen weten van wie er niet op de Kwade Hoek loopt. Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. Het beroerde is namelijk dat zo’n bezoek zich meestal uitstrekt tot de broedkolonies, wat natuurlijk voor de grote stern niet goed is. Het zou wel goed zijn als ik dan op de inscharingsdag daarbij aanwezig was, om ook de mensen persoonlijk te zien. “(Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)
Ook uit maandverslagen 1971 (zie fragment mei) van Jan Vlietland blijkt dat de verhouding Kommer Tanis jr niet zonder zorgen is. Zo gaf Jan Vlietland geen toestemming voor het strooien van kunstmest. Maar of dat nooit gebeurd is valt niet te achterhalen. In juni maakt Jan Vlietland zich geen zorgen meer over de grasgroei voor het vee; zie fragment juni. In augustus rapporteert hij dat er sprake is van overbeweiding en schrijft in oktober over tijdig weghalen van het vee door de boer (Tanis) als de waterstanden in het najaar weer toenemen.
Jacob Breen, eigenaar van de duinrand, was sinds de oorlog hoofdpachter van het gors en we komen hem dan ook tegen in het Beheersplan van Stichting de Beer over de Kwade Hoek uit 1971:
“Een deel van bet Groene Strand is verpacht aan de heer J. Breen te Goedereede. Deze heeft weer onderverpacht aan een melkveehouder te Goedereede. Deze schaart in. Het aantal stuks melkvee is vastgesteld door bet Bestuur van de Stichting in overleg met een natuurwetenschappelijke adviescommissie en de pachter in verband met de botanische waarde van bet Groene strand. (…) De onderpachter beweidt volgens advies van een natuurwetenschappelijke adviescommissie. De beweiding vindt plaats in twee fasen. Het oostelijke deel eerst, na half juli het westelijke deel.
In de richting van de zee is het Groene Strand afgesloten door een puntdraadheining. De plaats hiervan kan wisselen. Overleg hierover vindt plaats via de natuurwetenschappelijk medewerker. Het melken van het vee gebeurt aan het eind van de toegangsweg naar het Groene Strand. Normaliter wordt het Groene Strand alleen betreden door de (geregistreerde) boeren tijdens het melken en bij eventueel bezoek van de veearts tijdens het inscharen of bij andere incidentele gebeurtenissen. Bij het inscharen is de opzichter aanwezig. Het hek dat toegang geeft tot de weg naar het Groene Strand is gesloten. Een slot is niet mogelijk en onpraktisch. De boeren moeten zorg dragen voor het sluiten na toegang of vertrek.”
Tot zover de regelgeving. De praktijk moet weerbarstiger zijn geweest. In de verhalen van Maaike, Lenie en Kommer Tanis (jr. jr.) komt deels een ander verhaal naar voren. “Er werd niet gemolken bij ‘Het Zwarte Hek” (thans een ijzeren hek dat de huidige pachter Grinwis gebruikt) maar helemaal achteraan bij het Haveneind (zie foto). Eerst met de hand, later stond daar een melkmachine.” Onderhoud van de heiningen was voor de boer. De foto’s vertellen een eigen verhaal.
In deze jaren verdwijnt Stichting de Beer geleidelijk uit het zicht en wordt de directeur van Natuurmonumenten, Hessels, penvoerder, soms ook op briefpapier van de Stichting. Er is gedoe over aantallen dieren en beweidingsschema’s en het is bepaald onhandig dat er niet één enkele pachter is (J. Breen) maar verschillende onderpachters. Er lopen koeien en soms paarden van diverse boeren, genoemd worden ‘de heer Tanis’ en ‘de heer Grinwis’. In de archieven van Natuurmonumenten bij het Amsterdams Stadsarchief lezen we de brieven die tenslotte aansturen op de beëindiging van de pacht aan Jacob Breen.

Eind jaren 60 was productie op gors zo hoog dat er werd gehooid. Op de trekker zitten Kommer Tanis (Kommer de Brommer jr.) en zoon Kommer; jongetje met wit overhemd: onbekend.
Uit een brief van Hessels aan ’s Rijks Domeinen (eigenaar van het gors) van 16 augustus 1974 weten we dat Jacob Breen op 16 november 1973 een brief kreeg van Stichting de Beer, waarin wordt gesteld dat het ‘weidegebied’, zoals het gors toen werd genoemd, door afsluiting van het Haringvliet ‘regelmatiger door de zee overspoeld’ is en er langer plassen blijven staan; het zoutgehalte van het grondwater is sterk gestegen.
“Een en ander heeft in ieder geval een duidelijke vermindering van de grasgroei ten gevolge gehad en onze verwachting is dat in de komende jaren de grasgroei nog verder zal afnemen. Zoals u zult begrijpen komt hierdoor minder gras voor het te weiden vee beschikbaar, zodat in de komende jaren minder stuks vee hier hun kostje kunnen ophalen.” Zie fragment uit archiefstuk 999-2634 SAA)
Door Jacob Breen wordt een regeling getroffen met Kommer de Brommer jr zodat bij binnendijks verder kon.
Op 24 juli 1974 (SAA 999-2634, zie fragment) schrijft Hessels weer een brief aan Breen met behalve een analyse een duidelijke aanzegging: na “te veel dieren” en misstanden wil hij via de Grondkamer van hoofdpachter Breen af. Op 16 aug 1974 verstuurt Hessels aan Domeinen, de grondeigenaar, met een analyse van de verminderde grasgroei en uitbrekend vee door meer overstroming na afsluiting van de Haringvliet. Hessels doet het verzoek aan de grondkamer tot beëindiging van het oude contract met Breen om later een nieuwe overeenkomst te sluiten met Grinwis (tot op heden de pachter, niet meer met melkvee maar alleen met jongvee). De resten van de melkinstallatie zijn nog te vinden bij opgang ‘Het Zwarte hek’. Hier staat tegenwoordig in de zomer een grote kuip met schoon leidingwater voor de pinken die in de zomer het gors begrazen.
Van een paar maanden later is er nog een document op briefpapier van Stichting de Beer (penvoerder Hessels) aan J. Breen (d.d. 9 sept 1974). In het handgeschreven stuk gaat het over een minimum van 30 G.V.E. (red.: grootvee-eenheden – hier wordt waarschijnlijk bedoeld: maximum) in het ‘weidegebied’ d.w.z. 100 pinken of, veel beter i.v.m. broedvogels, 20 melkkoeien. Ook wordt gesteld dat vijf paarden te veel is, drie is beter. Bovendien: alleen beweiding tussen 15 mei tot 15 oktober. Verwezen wordt naar vaste vakken en geen begrazing van een westelijk deel met o.a. ‘Parnassiavallei’ , dat tot op heden deels wordt gemaaid om het open te houden. Ook worden klachten over vertrapping gememoreerd.
In 1974 blijken er vier onderpachters te zijn in het gebied waar Jan Vlietland, opzichter in die jaren, het toezicht doet:
De noodzaak van beweiding ten behoeve van natuurbeheer staat niet ter discussie. Er komt daarna een regeling met Grinwis, “die van de beweiding zijn inkomen moet hebben”. Hessels concludeert: “voor het voeren van een optimaal natuurbeheer het beste zou zijn dat onze stichting zelf deze kwestie kan regelen”. Anno 2025 loopt er nog steeds vee van Kommer Grinwis uit Ouddorp. De grote openheid, nattigheid en de korte begrazing van de jaren 60 is voorbij. In het nog steeds bij hoogwater en springtij door zeewater overstroomde gebied zijn naast kortgrazige stukken ook vele plekken met hoge zeekweek en diverse lage duintjes waar de duindoorn het volhoudt.

Koeienschor Kwade Hoek 2025. Delen met dominantie van zeekweek worden afgewisseld met kreken en kortgrazige stukken. Het beeld van een strak begraasd gors uit de jaren 60 is verleden tijd. Uit vakliteratuur blijkt dat (op noordelijke kwelders) soortenrijkdom van planten bij ca 0,5 dier per hectare vooruitgaat, maar woelmuizen en insecten op o.a. zeeaster kunnen achteruitgaan en vertrapping van nesten kan een probleem zijn.
Meuleman & Joanknecht, 1980 berichten over 40 stuks melkvee rond die tijd en een positief effect op de natuur. Een algemeen artikel over effecten beweiding op de kwelders in het noorden treft u hier. Op de Kwade Hoek, een van de weinige meer dan een eeuw lang begraasde gorzen/kwelders in ons land (ook: Ameland, Schiermonnikoog, land van Saaftinge) is helaas door de beheerder geen systematisch onderzoek opgezet (met uitgerasterde delen zonder beweiding) om de effecten te volgen. De rijkdom aan rode lijstsoorten van zoute en brakke milieus is op de Kwade Hoek echter onmiskenbaar hoog.
Tenslotte. De analyse van historisch gebruik is onmisbaar om de huidige stand van een natuurgebied te begrijpen. Interessant in dit licht is een passage uit de ‘PAS Gebiedsanalyse Duinen Goeree & Kwade Hoek 2017’ (rijksoverheid, hier online te vinden): “De jonge delen van Duinen Goeree & Kwade Hoek (de jonge duinenrij en de Kwade Hoek) zijn dermate jong dat deze geen historisch gebruik hebben.” Op basis van het voorgaande mogen we concluderen dat dit niet berust op kennis van zaken. Zelfs in de wildste delen van de kust is de mensenhand aanwezig en is historische analyse van belang om de ecologische processen op waarde te kunnen schatten.
Rolf Roos (beeld: Machiel van Wijngaarden)
11 maart 2026
Het meest hoogmoedig, het meest onzinnig en het meest onmogelijk is een Theorie van Alles. Dat is natuurlijk geen reden om het niet te proberen. Alle feiten, waarden en processen op een rij in een groots verhaal. Van de kleinste deeltjes tot de meest complexe ecosystemen. Liefst inclusief het menselijk bedrijf. Zo’n theorie geeft houvast en het geeft ook fijn te denken. Sinds mensen dat doen, zo’n 100.000 jaar, zoeken ze ernaar en soms lijkt het een paar eeuwen of millennia dat ze het beest bij de staart hebben: een mooi afgerond en wellicht ook rustgevend wereldbeeld dat niet zelden al in de bronstijd werd rondverteld. Vanaf het spijkerschrift (dat alleen de priesters en boekhouders beheersten) stond het op een kleitablet of in een boek, om in navolgende eeuwen te worden aangevuld om vervolgens – niet zelden vanwege de machtspositie der priesters – heilig te worden verklaard. Pas later leerden we dat elk boek aanleiding is voor een nieuw en wellicht beter boek. Er zijn licht ironische varianten van zo’n overkoepelend verhaal met beschrijvingen van goden en hun daden, zoals bij de Grieken, maar die kostten niettemin Socrates het leven. Er valt niet te spotten met religie vooral als je het opneemt tegen een machthebber met het juiste geloof. Het is ook een delicate balans. Hoe kunnen we respect hebben, soms zelfs iets heilig verklaren en tegelijk de broodnodige scepsis en ironie niet de nek om draaien? Waar kunnen we eerbiedig schaterlachen? Bij de oude Grieken kon het voor een eerste keer.
Ruim voor het begin van onze jaartelling is het beschrijven (van de eigen geschiedenis) en waarnemen (van de hele wereld) begonnen en de eerste atoomtheorie was al vroeg een feit, 2500 jaar voor er een atoom kon worden waargenomen. Wellicht gaat het denken veel sneller dan het experiment. Aristoteles was wellicht ook een eerste ecoloog, eeuwen voor het woord bestond. In onze dagen zoeken nieuwe mythische helden, onze fysici, naar de kern van alle materie en zo zitten we met een Olympus vol met alleen voor hen waarneembare deeltjes met prachtige namen. Deeltjes die ze proberen te vangen in een web van eeuwige wetten. Het schijnt nog net niet gelukt te zijn. Het opperste geluk is het voorspellen van een deeltje dat pas na een halve eeuw of meer, door de steeds fijnere apparatuur, kan worden waargenomen om dan te worden verwelkomd met een ovationeel applaus in een zeer ruime symposiumzaal. Weer een bouwsteen voor de Theorie van Alles. De vrolijke filosoof Democritus, die van het eerste atoom, klapt trots mee vanuit zijn hemel.
Maar er is helaas iets vervelends met al die kennis aan de hand. Ik mocht dat ervaren op de universiteit, als eerstejaars bioloog. Vele tientallen onbekende vakken (analytische chemie, atoombouw en straling, plantenfysiologie etc.) werden ons gepresenteerd en evenzovele horizonnen werden verlegd. Dit uitdijende heelal was op zich al waardevol maar het meest waardevolle inzicht was dat je per deelgebied met enkele gerichte vragen al aan de kennishorizon zat en dat er dan wel deuren opengingen naar nog te ontdekken kennis, maar wel volgens een licht miskende oerwet, namelijk dat achter elke deur minstens drie andere deuren verschijnen. Eenieder begrijpt dan: de kennis dijt uit maar een volledig begrip is een illusie. Of meer positief: een lovenswaardig, maar altijd snevend streven. Toch blijven zoeken, al verbranden we onze vleugels.
Nog duivelser wordt het spel als we het over ‘kwaliteit’ willen hebben. Daar ontkomen we niet aan. De natuur en ons landschap staan onwaarschijnlijk onder druk, de planeet is in crisis en dan moet je een visie op kwaliteit ontwikkelen. Om de diffuse en door kennis alleen maar weidsere werkelijkheid behapbaar en bespreekbaar te maken, ontkomen we niet aan modellen. En plaatjes van modellen. Ecologen zijn goed in het timmeren van bouwwerken met een veelheid aan factoren, bouwstenen en relaties die een ecosysteem beschrijven. En de agenda is niet alleen dat we de bouwstenen (flora en fauna) willen kennen en de processen en hun relatief gewicht, we willen ook de natuur herstellen, beheren, kortom de kwaliteit verbeteren. Zie hieronder een mooi voorbeeld, ontleend aan Duinen en mensen Kennemerland (2009): het licht aangepaste model van Anton van Haperen, ontwikkeld voor beheer van duingebieden, maar als denkkader veel breder toepasbaar. Elke modellenbouwer zal zich uitputten in excuses dat lang niet met alles rekening kon worden gehouden. Zo’n model zet ons denken echter wel op de grond. En het moet liefst simpeler: hard nodig want figuren met twee of meer pijltjes doen het bestuurlijk doorgaans
belabberd.
Ik neem u mee naar de praktijk van mijn eigen achtertuin: een in 1727 bedijkt landschapje, een inlaagpolder, ooit ontworpen om de noordkant van het eiland Goeree niet te laten wegspoelen. Zo ontstond de Bokkepolder en toen men zich veilig waande verschenen er in dit poldertje in de 19e eeuw ook huisjes. Die bedijking, betaald door de Staten van Holland, was om de totale teloorgang van het eiland Goeree te verhinderen en de scheepvaartroutes naar de haven van Rotterdam veilig te stellen. Want de duinen waren hier destijds flinterdun. Het was een ‘quaaden hoeck’. En het is gelukt: in de 200 jaar erna is de zeereep hier zeewaarts aangegroeid en ontstond er benoorden het poldertje bovendien een uniek brak gorzengebied, de Kwade Hoek. Voor de oriëntatie: zie het kaartje. De Bokkepolder is een poldertje ingeklemd tussen Nieuwendijk (1727) en zeereep (opgehoogd ca 1970). Er zijn oude walletjes en dijken, deels vergraven en hoog begroeid, maar deels nog in oude glorie onderlangs het duin gelegen.
Omdat op de dijk van ‘onze’ Bokkepolder de lila beemdkroon bloeit tussen geel kruiskruid en witte wilde peen, streken we bijna tien jaar geleden neer tussen deze bloemdijk en de zeereep. Op een ruim bemeten erf, aan de polderzijde begrensd door enkele hectares overbemest en bespoten maisland. Bij het inlezen over de nieuwe leefomgeving kwamen we naast een lief boekje ‘Vogels, planten en dieren van de Bokkepolder’ uit 1989 – toen er nog weidevogels zaten – ook nog uit het vorige milennium daterende plannen tegen om de binnenduinrand te herstellen. Wat in die jaren lukte: gronden van een enkele particulier werd met flinke subsidie omgezet in ‘natuur’ en enkele poelen werden aangelegd. Maar verder bleef het vrij stil. Tot rond 2022 vanuit de provincie Zuid-Holland, de gure BBB-wind van dat moment ten spijt, opnieuw ambtelijk gas werd gegeven. Plannen voor ‘zelfrealisatie’ d.w.z. natuur op eigen erf naast de nadrukkelijke wens de hele binnenduinrand, de natuurlijke buffer tussen overmest polderland en de duinen, een meer natuurlijk karakter te geven. Goed idee, maar welke kant wilde men op? Kende men bv de trends bij de broedvogels de laatste 40 jaar? Dat bleek niet uit de ambtelijke stukken.
In ons poldertje stond er pardoes als doel’ habitattype vochtige duinvallei’ op het programma. Welk denken van de provincie zat hier nu achter? Dacht men eerst wel na over de meest geschikte kwaliteit nu men beleidsbudget had vrijgemaakt? Had men zich verdiept in de cultuurhistorie, de ontstaansgeschiedenis, de bestaande en historische natuurwaarden, de maatschappelijke mogelijkheden? De vogelstand op deze ogenschijnlijk stabiele plek is in 40 jaar enorm veranderd. Juist deze polder blinkt uit in soms drogere, maar bloemrijke graslanden. En wie moest het gaan beheren? Had men überhaupt een strategie? Voor zover we dit hebben kunnen waarnemen was het vooral een top-down: ergens in een oude beleidsnota stond dat er meer vochtige duinvalleien moesten komen en die beleidslijn zou boven elke redelijke twijfel zijn verheven Meer discussie volgde, want wat zijn de waarden van zo’n poldertje nu precies, waar kunnen we uit kiezen? En gaat het inmiddels landelijk sinds 2000 niet redelijk goed met die vochtige valleien terwijl drogere ecosystemen het moeilijk hebben?
Als natuurbewoner en pleitbezorger van alle waarden die ons landschap in zich draagt, moeten we ons startpunt kennen. Wat is ons fundament? In bijgaand beeld staat het fundament als gelaagde piramide afgebeeld met enkele hoofdvragen, waaronder het beschrijven van het ontstaan en het verwoorden van alle waarden, en dat zijn er flink veel meer dan alleen Rode Lijstsoorten. In de achtergrond van het beeld de bloemdijk waar we achter wonen en die we iedereen toewensen. Schoonheid, kortom.
Daarboven staan de grote groene knoppen waaraan we kunnen draaien. Ik heb me beperkt tot drie, dan blijft het goed bespreekbaar – voor wie een denkraam groter dan een Amerikaanse president heeft. Die knoppen zijn even belangrijk. Aan elke knop kan je draaien om de kwaliteit, hoe je die ook expliciet maakt, te verbeteren. En als je niet goed draait kan je de boel ook vernachelen. Bijvoorbeeld als je ruimtelijk de zaak verbindt kunnen heel goed allerlei exoten binnenkomen die je liever uitsluit. En met iets te voortvarend gegraaf ten behoeve van natuurherstel kun je de geschiedenis van bodem en archeologie vernietigen. Elke natuurbeheerder weet hoe het uitpakt als rustig bestaand historisch gebruik of zorgvuldig beheer– dat tot rijkdom heeft geleid – ineens wegvalt. Hoe werkt dit gesleutel en gedraai in de praktijk? We kiezen daarvoor een nog kleiner schaalniveau, het eigen landje.
In tien jaar op ons eigen erf (0,5 ha) kon ik als kleine grondbezitter in het geheel niet aan de knop ‘Ruimte’ draaien, aan ‘Milieu’ ietsje meer (houtwallen handhaven tegen inwaai van mest en gif, zelf alleen paardenmest opbrengen in de moestuin, geen chemie maar handwerk in de moestuin), maar aan ‘Beheer’ juist zeer veel. Uitgangspunt: langzaam meegroeien met het bestaande landschap en op kleine schaal veel leefgebieden scheppen: bos, hooiland, water, een heuvel, oevers. Een oude ervaring is dat hoe meer diversiteit er is aan milieutjes, hoe meer biodiversiteit, natuur, er wil opbloeien. Wie zoals wij wat uren neemt voor een beheer gericht op afvoer van voedingsstoffen en gevarieerd maaien (van veel tot zeer weinig) en het handhaven van rommelhoekjes, krijgt veel natuur gewoon cadeau. Inmiddels leven er meer dan 300 wilde planten op ons erf waarvan ik als spontane vestigingen noem: grasklokjes, beemdkroon, grote tijm, bijenorchis. Voor de tamelijk zinloze discussie of we dit ‘natuur’ mogen noemen verwijs ik naar mijn boekje ‘Erf’ uit 2025. Dat onze natuur niet goed past in provinciale denkramen met habitattypen die nuttig zijn in grote natuurgebieden, dat is evenwel zeker. En subsidie vragen we maar niet aan, want we blijven graag vrij in onze keuzes. De kern is evenwel: met rustig maar weloverwogen draaien aan slechts een van de knoppen en het nemen van tijd (heelmeester van vele wonden in het landschap) kunnen we prima vooruitgang boeken.
Ook als we verder kijken dan ons erf lang en breed is, zou de analyse van het fundament voorop mogen staan. Welke waarden heeft de polder, wat weten we, wat meten we?
Vanuit de provincie kwamen dure metingen aan het grondwater (het doel van de vochtige duinvalleien is inmiddels aangepast richting vochtig hooiland) maar veel natuurwaarden (vogels, zoogdieren e.d. en het grotere belang van het gebied voor omliggende natuurgebieden) werden nauwelijks aangestipt. De provincie bekijkt het landschap niet in haar geheel, maar concentreert zich op de lapjes grond die mogelijk te verwerven zijn. Een cruciaal proces als het voortdurend verder dichtgroeien (successie) van zowel zeereep (geen aanpak voorzien) als struweel en hydrologische onzekerheden i.v.m. klimaatverandering bleven onbenoemd. Andere waarden dan natuur hangen er verder een beetje bij hoewel de gemeente Goeree-Overflakkee een beleid heeft voor cultuurhistorie. Maar dat deze polder de fysieke reddingsboei is geweest voor het hele eiland en dijken kent vanaf de middeleeuwen tot de 18e eeuw staat niet goed op de agenda. Een dijk van een landschap, een cultuurmonument, het zou de kern kunnen zijn van een toekomstvisie.
Gezien de eigen ervaring trommelen we vervolgens primair op de drum van het natuurbeheer: als dat niet goed is verzorgd, kan je voor zo’n polder bedenken wat je wilt, wat ook wel bleek uit nieuw particulier ‘natuurland’ dat soms goed maar vaak ook slecht werd beheerd. Wil je weidevogels dan moet opgaand bos er uit. En het inroepen van een natuurbeschermingsorganisatie is ook geen garantie voor goed beheer, want die is geheel afhankelijk van de aannemer of boer die het beheer uitvoert, soms met te zware machines of te laat of te vroeg. Het aansturen daarvan is managementsvraag nr. 1. Wat hier zou helpen in de planvorming: met de beoogd beheerder aan tafel zitten. Daaromheen een team vormen. Of het nu gemeente, waterschap, particulier of natuurclub is.
Als oud-milieubeschermer trompetteren we bovendien over de milieukwaliteit: het inwaaien van mest en gif op o.a. de natuurdijk bleek daar al tot stagnatie en achteruitgang in de natuurlijke rijkdom te leiden, dus is het voor duur geld opkopen van overgewaardeerde landbouwgrond wel effectief? En weet men in Den Haag wel hoeveel geknal hier is van jager, carbid-burger en boer aan de rand van een officieel ‘stiltegebied’? Welk beleid zet provincie, rijk of gemeente in om ook dit milieubederf vanuit de meer landinwaarts gelegen polders te stoppen? Het bleef onheilspellend stil. De beleidspersonen voor natuur zijn niet die voor het milieu. Het adagium lijkt: als we die gronden nu maar binnenhalen dan komt dat met het beheer vast wel goed. We helpen het hopen, maar draaien graag mee aan de juiste knoppen. Met meer ruimte voor natuur valt wat te winnen, maar goed beheer vormt de crux en zonder verlichting van de milieudruk leidt natuurbeleid tot kortstondige succesjes maar soms zomaar tot weggegooid geld.
Ter relativering: ons model is maar een model, een kapstok voor discussie. Maar wel graag over alle elementen van ons landschap. Dood en levend, van natuurlijke oorsprong of voortkomend uit het menselijk bedrijf dat zo kenmerkend is voor het landschap in ons land. Over een te waarderen werkelijkheid. Niet een plannetje voor een landje maar graag een Theorie van Alles. En de volgende stap is om woorden te vinden om de ziel van het landschap te duiden. Waarom zo’n poldertje karakter heeft en wat dat is. Waarom we plekken en stemmen uit het verleden minimaal een beetje heilig moeten verklaren… daarover een andere keer.
——
We zijn een rijk land. Alleen al over een klein poldertje zoals de hierboven besproken Bokkepolder is een dossier van kennis aan te leggen. Specifiek over cultuurhistorie zie online en de toekomstplan: visie Bokkepolder.
Ook verscheen in 2025 een boekje: ERF. Over elke vierkante meter is een boekje te schrijven als je er maar induikt.
Frits David Zeiler
(update maart 2026)
(red.) Dankzij een groot digitaliseringsproject bij de bibliotheek van het PWN worden prachtige oude rapporten nu breed beschikbaar. Liefhebbers van taal, duin en geschiedenis hebben een prachtig naslagwerk er online bij: het rapport NOLLEN KROCHTEN BLINKEN (Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin). Destijds een belangrijke bron voor het (uitverkochte) boek ‘Bewogen kustlandschap, duinen en polders van Noord-Kennemerland’ (Roos, 1995). Hieronder citeren we in zijn geheel de welbespraakte inleiding van Frits David Zeiler.
De gehele pdf: Nollen krochten blinken, 1995
De Nederlandse kustduinen vormen, historiografisch gezien, een terra incognita. Het lijkt wel of degenen, die zich bezig houden met de geschiedenis van dorpen, steden en landschappen in de buurt van de Noordzee al even weinig greep op deze zandheuvels kunnen krijgen als de tekstschrijver van het oude Burgerlijk Wetboek (1). Het baanbrekende werk van De Cock over Kennemerland bijvoorbeeld behandelt de oude duinen, de strandvlakten en de veenontginningen vrijwel uitputtend, maar laat het jonge duinlandschap links liggen (2). Nu moet te zijner verdediging worden gezegd, dat het geomorfologisch en bodemkundig onderzoek van de duinen op het moment dat hij zijn studie afrondde, nog maar net op gang was gekomen, en dat niemand nog maar de geringste voorstelling had van de omvang en dynamiek van de laatmiddeleeuwse duinvorming. Ook het eerste en tot dusverre enige boek dat aan de geschiedenis van de duinen zelf is gewijd, Jelles’ historisch overzicht van het huidige Noordhollands Duinreservaat, moest over de periode vóór 1600 noodzakelijkerwijs vaag en algemeen blijven. Pas in 1970 zou immers het basale artikel van Jelgersma c.s. worden gepubliceerd, waarin het proces van jonge duinvorming in grote lijnen kon worden weergegeven. Ook sedertdien is er overigens door beroeps- en amateur historici maar spaarzaam gebruik gemaakt van deze nieuwe kennis. Alleen Rentenaar heeft zich serieus met de vroege geschiedenis van de duinen als zelfstandige eenheid beziggehouden, maar tot zijn lang verbeide overzichtswerk is het uiteindelijk evenmin gekomen. De grootste kenner van de geschiedenis van het kustgebied, de geograaf Schoorl, heeft zich voornamelijk gericht op het Noordhollandse waddengebied, dat eertijds bij de Zijpe begon. Een vergelijkbare intensieve en ingenieuze speurtocht naar het wedervaren van het ‘vasteland’ is nog door niemand ondernomen. Een poging van de gerenommeerde amateurarcheoloog Diederik, om het werk van De Cock met de nieuwverworven inzichten van de laatste dertig jaar aan te vullen, is op een mislukking uitgelopen. Misschien kwam dit mede, omdat ook hij zich niet heeft willen inlaten met het gebied, dat na 1200 door de zandstormen aan het zicht is onttrokken maar juist in de vroege middeleeuwen een integraal onderdeel vormde van een der kerngebieden van het graafschap ‘Vriesland’. Merkwaardig genoeg laten ook waterstaatshistorici de duinen voor wat ze zijn, terwijl de aanwezigheid ervan als kustbarrière alsmede het feit, dat zij nogal wat kwel ( duinval) aan het achterland afgeven, voor de hydrografie van geheel Holland van essentieel belang moeten worden geacht. Vanuit de beroepsarcheologie lijkt de aarzeling wat te verminderen, getuige de onlangs gepubliceerde archeologische kaart van Holland’s Noorderkwartier, waarop aanzetten tot een reconstructie worden gegeven van het vroegmiddeleeuwse kustlandschap vóór de grote verstuivingen.
Met dat alles is het verzamelen van duintoponiemen een hachelijke zaak. In de eerste plaats is het pionierswerk van een aanzienlijke omvang. Verschillenden zijn eraan begonnen, maar niemand heeft het ooit afgemaakt, laat staan gepubliceerd. In de tweede plaats is het materiaal buitengewoon divers. Er zijn lijsten met ‘uit de volksmond’ opgetekende namen (inclusief volksetymologische verklaringen over zoekgeraakte bakkers), kaarten uit vrijwel alle perioden van de cartografie, veldnameninventarisaties en historisch-kadastrale gegevens met betrekking tot de binnenduinrand, losse gegevens uit transportakten, verpondingsregisters en molenboekjes, en last but not least de werkelijk oude toponiemen uit het kustgebied zoals die in het Lexicon van Künzel c.s. bijeen zijn gebracht. Hoe en wat te kiezen? Het verzoek van n.v. PWN waterleidingbedrijf Noord-Holland, om met dit verzamelen een begin te maken, heeft geleid tot het formuleren van een aantal uitgangspunten. Deze zijn tijdens het onderzoek hier en daar wat bijgesteld, maar niet wezenlijk veranderd. We zullen deze nu allereerst behandelen.
De aanvankelijke opdracht sprak van veldnamen, d.w.z. namen van en in het terrein. Dit bleek om verschillende redenen een te beperkt begrip. In de eerste plaats is het vroege namenmateriaal dermate gering van omvang, dat elk toponiem iets over de vroegere landschappelijke situatie kan zeggen en dus van belang moet worden geacht. Als voorbeeld moge de plaatsnaam Arem dienen, die we volgens Rentenaar in het zuidwesten van de Egmonder duinen moeten localiseren en die door hem wordt afgeleid uit haar, begroeide heuvel. Deze naam is alleen uit een aantal schriftelijke bronnen bekend en zal, ook al zegt hij veel over de landschapsgeschiedenis, uit de twintigste-eeuwse volksmond niet meer worden gehoord. In de tweede plaats kunnen namen in hun onderlinge samenhang vaak veel beter worden begrepen. Een voorbeeld daarvan is de (water)naam Mare, die we zowel in historische bronnen als op de huidige topografische kaarten in allerlei gedaanten aantreffen in het gebied tussen Heemskerk en Castricum. Deze vermeldingen bieden zowel in hun samenhang als in combinatie met bodemkundige en historisch-geografische gegevens de mogelijkheid, het vroegmiddeleeuwse landschap ter plaatse op een redelijk betrouwbare wijze te reconstrueren. Daarmee is tegelijkertijd nog een derde reden gegeven om meer dan alleen pure veldnamen in het onderzoek te betrekken, nl. de relatie tussen duingebied en achterland.
Wanneer we in ogenschouw nemen, dat de jonge duinvorming zich in historische tijd heeft afgespeeld, en dat ze een aanzienlijk deel van het bewoonde en bebouwde land uit de periode 700-1200 heeft overdekt, is het niet meer dan logisch om de binnenduinrand integraal bij het onderzoek te betrekken. Daarbij moeten wel enige beperkingen worden gesteld, zowel in ruimte als in tijd. Wat het duingebied betreft- globaal gesproken het Noordhollands Duinreservaat, inclusief de Duinen van Six en het duingedeelte van het Bergerbos, en de Staatsduinen – zijn in beginsel alle namen opgenomen. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen oude en moderne namen en al evenmin tussen ‘echte’ namen en soortnamen als ‘pompstation’ en ‘blinker’. De laatste kunnen immers op den duur tot toponiemen worden, of hun functie op de omgeving overdragen, zoals uit de vele ‘kaapduinen’ en ‘baaknollen’ wel zal blijken. De enige beperking is gemaakt waar het de bebouwde kommen van Egmond aan Zee en Bergen aan Zee betreft (Wijk aan Zee viel net buiten het onderzoeksgebied). Hiervan zijn alleen een paar zeer typerende terreinnamen zoals Torensduin en Engelse Veld opgenomen. Ten aanzien van de binnenduinrand zijn de criteria nog wat verscherpt. Alleen het Bergerbos is, als enig oud en omvangrijk bosgebied met tal van relatief ongeschonden landschapselementen, integraal behandeld. Voor het overige zijn opgenomen: alle toponiemen van vóór 1200; alle namen van wegen en dijken zoals die vóór ca. 1920 bestonden; alle nederzettings- en huisnamen, voorzover ze op de geraadpleegde kaarten werden aangetroffen; alle min of meer natuurlijke landschapselementen, zoals beken en duinrellen, bosjes, nollengrond, resten van veen- en broekland, percelen waarvan de naam wijst op een specifieke begroeiing (Elstweyd, Geylcroften) of gesteldheid (de Tichels, de Wiert); en tenslotte enkele grotere landschappelijke eenheden zoals polders. Dit namenmateriaal is steeds aan de hand van de algemene overzichtskaarten verzameld, echter met uitzondering van de Egmonden, waar dankbaar gebruik kon worden gemaakt van de heldere schetskaartjes uit het Historisch Kadaster van W.J. van den Berg. Als oostgrens zijn voor de verschillende gemeenten de volgende lijnen aangehouden:
Het namenmateriaal is in de eerste plaats verzameld vanaf een aantal overzichtskaarten. Hiervan moeten met name de kaart van het Hoogheemraadschap der Uitwaterende Sluizen (eerste druk 1680, heruitgave 1745) en de topografische kaarten (1:50.000 uit 1857, 1:25.000 uit 1983) worden genoemd. Deze munten uit in nauwkeurigheid en gedetailleerdheid. De kaart van US is de eerste, die ook het Noordhollandse duingebied op een betrouwbare manier afbeeldt; eerdere kaarten van het Noorderkwartier, zoals die vansGrootenen Beeldsnijder, laten het als een conglomeraat van zandheuvels zien zonder enig verschil tussen zee- of binnenduin en tussen noord en zuid. Laatstgenoemde kaart levert overigens één duintoponiem op: het Swarte velt onder Schoor!.
Deze algemene kaartbronnen kunnen op verschillende manieren worden aangevuld. Daarvan behoren de beide kaarten van het duingebied bij Heemskerk en Castricum tot de belangrijkste, temeer omdat ze relatief vroeg zijn en, misschien gebruikmakend van ouder materiaal, een glimp weergeven van het laatmiddeleeuwse landschap. De ene kaart is gesigneerd en gedateerd: G.T. Langendijck, 1614, al gaat het om een laat-18de eeuwse kopie waarop in de weergave van de namen nogal wat slordigheden voorkomen. De andere kaart is anoniem en oogt archaïscher, maar moet uit vrijwel dezelfde tijd dateren. We hebben hem gesteld op ca 1612; terminus post quem is de nieuwe naam van het huis te Heemskerk, Marquette, terminus ante quem is de waarschijnlijk in 1613 gegraven Hoepbeek Wat dit laatste betreft, zowel het feit dàt deze duinbeek van menselijke oorsprong is als de datering ervan, was een vermoeden dat al tijdens het vergelijken van de verschillende 17de eeuwse kaarten rees, maar pas door een toevallige ontdekking kon worden bevestigd (3). De meeste andere dorpen zijn voorzien van wat jonger materiaal. Voor Castricum beschikken we over de kaart van Rollerus uit 1737, fraai maar wat betreft de duinen niet zeer gedetailleerd. Wat Egmond aangaat geeft de kaart van Zoutman uit 1665 voorallandschappelijke informatie over de binnenduinrand. Overigens is het historische materiaal van na 1600 op voorbeeldige wijze door Van den Berg in zijn reeds genoemde kadaster bijeengebracht. De kaart van Dou, uitgegeven door Blaeu, van de heerlijkheid Bergen uit omstreeks 1660 is ook nu weer een onuitputtelijke bron gebleken, zeker waar het gaat om reminiscenties aan situaties in het duin in de eeuwen daarvóór. Wat Schoorl betreft ontbreken helaas gedetailleerde kaarten van vóór 1900. Het materiaal van nà die tijd is echter dermate overvloedig, dat ook dit noordelijkstedeel van de duinen tussen Wijk aan Zee en Camperduin volop in de inventarisatie eninterpretatie kon worden betrokken. Overigens bewezen ook de vroege toeristenkaarten vande Berger duinen goede diensten.
Het verzamelde materiaal is vervolgens aangevuld met gegevens uit de regionaalhistorische literatuur en informatie van verschillende terzake kundigen. Onder hen moet allereerst de reeds genoemde R. Rentenaar te Amsterdam worden vermeld, die niet alleen wees op een aantal moeilijk vindbare vakpublicaties, maar ook zijn eigen fichemateriaal ter beschikking stelde en zijn deskundig licht liet schijnen over de voorlopige namenlijsten en de daarbij opgevoerde interpretaties. Voorts werd belangrijk aanvullend materiaal ontvangen van de heren H. Kranendonk over Heemskerk, E. Mooij (via R. Roos) over Castricum, F. Zeiler over Bergen en K. van Lienen (en via hem H.J. Snip) over Schoorl. Daarmee is voor deze gemeenten ook een groot deel van de nog in de volksmond bekende namen vastgelegd.
Het materiaal is als volgt verwerkt. Elk van de vijf gemeenten is verdeeld in twee paragrafen: a waarin het eigenlijke duingebied wordt behandeld, b waarin de namen van de binnenduinrand worden_ gegeven. De volgorde is alfabetisch in lexicografische zin, wat inhoudt dat de letter ij als i + j wordt beschouwd en dus onder de i is te vinden. Er is niet gestreefd naar een uniformering van de spelling. ·-Daarvoor bleken de verschillen te groot en in sommige gevallen te veelzeggend. Niet alleen de H-inde vroegste vermeldingen van de naam Arem kan ons op een spoor brengen! Er is evenwel één uitzondering gemaakt, nl. bij de spelling van de veelvuldig voorkomend bijvoeglijke naamwoorden, afgeleid van toponiemen op -urn. Hierover bestaat onder regionaalhistorisch geïnteresseerden al jaren discussie. De vraag is kortweg, of men Bakkumer of Bakkummer dient te schrijven. Het eerste is in Noord-Holland gebruikelijk, maar wordt op rijksniveau – bijvoorbeeld bij de Topografische Dienst -niet nagevolgd. In feite gaat het om een schrijfwijze zoals die ook in Friesland wordt gebezigd en die lijkt te zijn ingegeven door de weergave van de Friese uitspraak, al ligt het probleem ingewikkelder dan het hier kan worden geschetst (4). In dit rapport is over het algemeen de traditionele Noordhollandse spelling met één m aangehouden.
Achter ieder toponiem in de lijsten zijn in beginsel vier soorten gegevens vermeld. Onder 1 vindt men de relevante vermeldingen, vaak de oudste en altijd de varianten. De bronnen zijn daarbij verkort weergegeven; de volledige verwijzing is te vinden in de lijst van kaartbronnen of in de algemene lij st van afkortingen. Onder 2 vindt men de omschrijving van de ligging van de zo genoemde plek. Onder 3 wordt een interpretatie gegeven of een poging daartoe gedaan. Voorzover niet naar specifieke literatuur wordt verwezen of zegslieden worden aangehaald, zijn deze interpretaties voor verantwoording van de samensteller. Deze literatuur en eventuele andere bijzonderheden vindt men tenslotte onder de 4. Er is naar gestreefd zoveel mogelijk kruisverwijzingen op te nemen, zodat niet alleen verschillende namen van eenzelfde complex (zoals de herinneringen aan de Mare) maar ook overeenkomstige namen (zoals de Russenbergen en andere herinneringen aan 1799) met elkaar kunnen worden vergeleken. Zeer afwijkende spellingen (De Caeg – De Kaag) zijn beide in de lijst opgenomen en verwijzen eveneens naar elkaar.
Wanneer men de meer dan 1200 (5) verzamelde namen overziet, vallen zowel de overeenkomsten als de verschillen op. Rentenaar heeft in een van zijn vroegste artikelen al eens gewezen op de regionale verschillen in het gebruik van soortnamen en naamscombinaties. Zo zijn de in het hedendaags taalgebruik algemeen gebezigde begrippen als pan en duinrel vrijwel niet in het gebied benoorden Wijk aan Zee vertegenwoordigd; van het eerste troffen we er drie aan, van het tweede slechts twee. Blink en blinkerd daarentegen vonden we vrijwel alleen benoorden Egmond. De benaming vlak voor een duinvallei schijnt in oorsprong Noordhollands te zijn, maar zich in de loop der eeuwen enigszins ten koste van veld te hebben uitgebreid. Het woord kroft of krocht komt overallangs de binnenduinrand voor, maar wordt onder Heemskerk en Castricum ook gebruikt voor akkertjes in de duinen; dat zegt wellicht iets over de ouderdom daarvan. De aanduiding nol, in het huidige spraakgebruik gebezigd voor lage duintjes op de geestgronden, blijkt in het gehele gebied mede te zijn gebruikt voor ronde toppen in het eigenlijke duin. In het achterland komen locale eigenaardigheden nog sterker tot hun recht. Zo kennen Heemskerk en Castricum de cie en wellicht zee voor afwateringssloot, spreekt men onder Noord- en Zuid-Wimmenurn over duinvalsloot en betitelen de dorpen Schoorl en Groet hun weteringen als moor. Een aantal van deze begrippen is hieronder in een aparte verklarende woordenlijst opgenomen.
De meeste toponiemen zijn samengesteld met een tweede substantief, een adjectief of beide; zelfs als een begrip in zijn wijde omgeving uniek is, voorziet men het toch graag van een nadere aanduiding. Zo werd bijvoorbeeld de Nok tot Schoorlse Nok en heeft men de cies onder Heemskerk moeten onderscheiden in een Grote en een Kleine of Luttik Cie. Ofschoon ze niet zijn geteld, moeten de vogelnamen de grootste categorie onder de duintoponiemen vormen. Het vernoemen van kneutjes of nachtegalen is niet iets van romantische geesten uit de late 19de of 20ste eeuw; het blijkt van alle tijden. Nu was de liefde voor gevogelte in vroeger perioden bepaald niet onbaatzuchtig, want op de meeste soorten werd gejaagd. Vogelwaters, ganzevelden en meeuwenlekken kunnen dus in oorsprong jachtterreinen zijn geweest (waarbij we ons niet moeten verbazen over het feit dat ‘marels-‘ grutto’s kunnen zijn en uilen via ‘huijlers’ tot zwanen kunnen worden getransformeerd). Waar water was, en dat was blijkbaar bijna overal in het nog niet van pompstations voorziene duin, konden bovendien vogel-of eendenkooien worden aangelegd. Waarschijnlijk ontlenen ook de waterstallen op de grens van Castricum en Heemskerk daaraan hun naam, al is dat iets wat nader zou moeten worden uitgezocht (er ligt hier in het terrein nog het restant van zo’n kooi). In combinatie met het woord veld kan trouwens gedacht worden aan een jachtterrein. Dat zou omgekeerd een interpretatie versterken van het Egmondse Vossendal als ‘duinvallei waar roodbruine paarden werden geweid’ – in plaats van ‘plek waar op vossen werd gejaagd’.
Met die hippische vossen zijn we bij de namen beland, die duiden op agrarische activiteit in de duinen. Deze zijn wat betreft de noordelijke helft van het onderzochte gebied over het algemeen niet ouder dan de 19de eeuw, zulks met uitzondering van de ‘sHeerenweide en Bokkenweide in de Verbrande Pan-vallei. De akkertjes in de Schoorlse duinen, met vertederende namen als ‘Bas z’n tuintje’, reiken soms tamelijk ver westwaarts, doch over de ouderdom ervan is nagenoeg niets bekend. Anders ligt dit bij het duin bezuiden Egmond aan Zee. Daar vinden we zowel in de namen als op de vroegste kaarten sporen van een vrij intensieve duincultivering, bijvoorbeeld op de Kaag benoorden Wijk aan Zee en de Knor onder Bakkum, beide namen die associaties oproepen met aan het water gelegen laagland. De ouderdom van duinboerderijen als Berwout, de Kweekerij (achter het huidige Fochteloo) en de Vlotter is onbekend, maar deze zou verder kunnen teruggaan dan de vroege 17de eeuw. Dit houdt overigens niet in, dat de namen waarmee zij worden aangeduid even oud zijn. De onderneming van de heer van Marquette ten behoeve van de ontwatering van de Castricumer en Bakkumer duinen in of kort voor 1613, waaraan wij de Hoepbeek danken, is zeker niet als werkverschaffing of ‘Lustgrabung’ uitgevoerd. De Brabantse Landbouw heeft dus anderhalve eeuw eerder een voorganger gehad en deze zal mogelijk eveneens hebben teruggegrepen op een oudere traditie. We raken hier aan een buitengewoon interessante materie, die van de dynamiek van de duinvorming en de wisselwerking daarbij tussen mens en natuur. Enerzijds weten we, dat het kustgebied al meer dan duizend jaar last heeft van stuifzand – het verhaal over het met overstuiving bedreigde graf van de H. Adalbertus kan als authentiek worden beschouwd – anderzijds is het stuiven op veel plaatsen tot het begin van de 20ste eeuw doorgegaan. Het dichtstuiven van het Schulpslag onder Bergen als gevolg van de gevechten van 1799, door betrouwbare ooggetuigen gedocumenteerd, zegt iets over die voortdurende dynamiek. Rentenaar heeft Arem uit het zand in de buurt van het Vogelwater te voorschijn geredeneerd; met veel later verdwenen nederzettingen als Driehuizen en Zevenhuizen op het Uilenvangersvlak en vooral de dorpen Oudburg en Hargen moet dit ook mogelijk zijn. Wat het laatste dorp betreft, alleen al het feit dat het met Camp tot Schoorl behoorde en in het begin van de 15de eeuw niet aan het van Petten afgescheiden Groet werd toegewezen, zegt al iets over de loop van de toenmalige binnenduinrand; deze moet veel meer naar het zuidwesten hebben gelegen.
Dat brengt ons op de echte bewoning in het duin: de dorpen ‘op’ zee. Wijk aan Zee en Egmond aan Zee zijn in de late middeleeuwen ontstaan, midden in de periode van de jonge duinvorming. Ook de slagen van Zuid-Bakkum, Bergen en Hargen dateren uit die tijd; dat aan het eind daarvan in de 20ste eeuw badplaatsen zijn ontstaan en dat de duinsporen tot verharde zeewegen zijn geworden, is derhalve geen toeval. Egmond aan Zee ligt mogelijk aan een dichtgestoven zeegat, waarvan het gebied de Tichels het uiteinde aan de landzijde kan zijn; dit is opgevuld met jonge klei, die voor de steenbakkerij kon worden gebruikt (en naar verluid ten behoeve van het Slot op den Hoef). De Roosloot, de oude grens tussen Wimmenurn en Bergen, is een geul in de strandvlakte ten zuidwesten van de stroomwal Bergen-Schoorl; het bestaan ervan is zowel bodemkundig als toponymisch aangetoond. Hetzelfde geldt voor de reeds behandelde Mare tussen Castricum en Heemskerk. Deze vond zijn vervolg in de Hoepvallei en sloot ter hoogte van de huidige Zeeweg mogelijk aan op het verlengde van de Limmervaart. Een aantal toponiemen terplaatse -Zandgors, Glop, Zeeduin zou op een vroegere doorgang kunnen wijzen. Hoewel het bestaan van een of meer slufters ter hoogte van Wijk aan Zee mag worden verondersteld, zijn de naamkundige aanwijzingen hier het zwakst, ondanks de reeds vermelde Kaag. Het beeld bij Hargen aan Zee is daarentegen overduidelijk: hier liggen het Oude en Nieuwe Schuitegat en de Tjalkshoek. Een schuitegat is een algemeen begrip voor een slufter, waarin schepen hun toevlucht konden zoeken bij noodweer, of waar ze door de sterke wind juist in werden geblazen. De betreffende duinvalleien onder Hargen hebben een bij deze omstandigheid fraai passende zuidwest-noordoost ligging. Ze vormen een uitdaging om de morfologie van de duinen ooit aan een gedetailleerder historisch-geografisch onderzoek te onderwerpen.
Met de schuitegaten – en namen die van gestrande schepen afkomstig zijn, zoals de Jean Bartsblink en wellicht de Soeckebacker – komen we bij een laatste te behandelen categorie namen. Deze betreft de herinneringen aan historische gebeurtenissen. Het is niet verbazingwekkend, dat de invasie van Russische en Engelse troepen in 1799 zoveel sporen in de naamgeving heeft achtergelaten. Er is wekenlang gevochten, waarbij het dorp Schoorl nagenoeg is verwoest, in het Bergerbos, langs het Berger Schulpslag en bij Castricum veldslagen zijn geleverd, duizenden ontredderden bij de aftocht zijn voorbijgetrokken en voor honderden gesneuvelden een graf moest worden gedolven. In het eigenlijke duingebied vinden we drie naar de Russen genoemde toppen, één Russengat, een Franschman en een Fransch Haventje. Ook in het achterland zijn er verschillende herinneringen aan de gebeurtenissen, zoals de Russenweg en de Fransche Steeg in Bergen (niet in deze inventarisatie opgenomen) en misschien het Krengenbosch op de grens van Castricum en Heemskerk. Opvallend afwezig zijn de Engelsen; de suggestie dat het Engelse Veld in Bergen aan Zee verband zou houden met deze episode, kan bij een volstrekt gebrek aan gegevens niet nader worden getoetst.
Overigens is het opmerkelijk, dat een latere periode van militaire aanwezigheid – de Tweede Wereldoorlog – in de naamgeving van het duin nauwelijks sporen heeft achtergelaten.
Tot zover de toelichting op de werkwijze, die bij de voorliggende inventarisatie is gevolgd.Het werk is hiermee niet af. De verzameling is uiteraard niet compleet. Er zijn – behalve het door Van den Berg gepubliceerde Egmondse materiaal – geen historische bronnen geraadpleegd. Er zijn geen interviews afgenomen; alleen de heer Kranendonk heeft een deel van zijn materiaal afgestaan, een ander deel was nog bij hem in bewerking. Van het door Rentenaar verzamelde materiaal is het deel, dat uit de volksmond is opgetekend maar niet gelocaliseerd, niet gebruikt. De veldnamenkaarten van het achtergelegen poldergebied, gebaseerd op veldonderzoek in de jaren-1960 en aanwezig op het P.J. Meertens-Instituut, zijn wegens de omvang van het materiaal niet (meer) geraadpleegd. De meest gedetailleerde kaart van het Schoorlse duingebied was slechts in kopie beschikbaar, waardoor een aantal namen niet of niet goed kon worden gelezen. Met deze inventarisatie is het werk dus nog niet ten einde. Aan het slot van deze inleiding volgen derhalve nog enkele suggesties voor nader duinhistorisch onderzoek. Completering van het materiaal, mede gericht op de systematiek c.q. dynamiek van de naamgeving in de gebieden onder beheer van PWN en SBB. Ter toelichting: uit het gesprek met de heer Kranendonk bleek duidelijk, dat de arbeiders in het duin er hun eigen principes van spontane naamgeving op nahouden. Een deel daarvan kan door middel van interviews nu nog worden vastgelegd. Nader onderzoek naar de continuïteit van het gebruik van de duinen voor agrarische doeleinden en de vogelarij. Wat het eerste betreft zou het onderzoek zich moeten richten op de duinboerderijen tussen Egmond en Wijk aan Zee alsmede op de uit toponiemen en andere bronnen (6) bekende voorbeelden van begrazing in het gehele gebied. Wat het tweede betreft, zouden de sporen van vogelkooien (de waterstallen, vogel- en ganzewaters) aan een veel nauwkeuriger onderzoek moeten worden onderworpen. Tevens zou er moeten worden nagegaan, of zich in het ARA nog een dossier bevindt over het graven van de Hoepbeek en de gevolgen daarvan. Zo ja, dan zou dit materiaal moeten worden doorgenomen, geëxerpeerd en gepubliceerd. Nader onderzoek naar de morfologie van de duinen, de invloed van de menselijkeactiviteit daarop en de grote verschillen tussen het deel ten zuiden en dat ten noorden van Egmond. Deze verschillen kunnen niet alleen maar verklaard worden met een verwijzing naar de andere samenstelling van het duinzand; de kalkgrens ligt trouwens zoals bekend noordelijker. Mogelijk heeft ook de hydrografie van het achterland een rol gespeeld. Onderzocht zou moeten worden, of het vroege ontstaan van de Zijpe als zeegat de ontwatering en daarmee de verdroging van het noordelijk deel van het duingebied in de hand kan hebben gewerkt. Ook de wateroverlast rond de Limmer Zanddijk zou in dit licht moeten worden bezien.
Het Bergerbos is het enige grote boscomplex, dat vanouds in enigerlei vorm heeft bestaan en vanaf de 17de eeuw vrij ongeschonden bewaard is gebleven. Het was geen natuur- maar gebruiksbos. Sporen van dit gebruik zijn nog in allerlei vormen te vinden: lanenstelsel, houtwallen en greppels, boomsingels, voormalige akkertjes, bewoningssporen etc. Daartussen bevinden zich natuurlijke elementen als nollen, voormalige stuifzanden en waterlopen. Van een en ander is nooit een cultuurhistorische inventarisatie gemaakt. Mede in verband met op te stellen beheersplannen lijkt dit ten zeerste gewenst.
Kampen, december 1994
Frits David Zeiler
1 BW artikel 650: ‘De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar van den grond, waarop het zeeduin rust. Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door den wind met zand zoodanig wordt overstoven, dat het land met het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf jaren na de overstuiving, door eene afheining of grenspalen rij afgescheiden.’
2 De Cock 1965. Voor het volgende ook: Jelles 1968; Jelgersma c.s. 1970; Schoorl 1973, 1977 en 1990; Rentenaar 1971, 1977 en 1978; Diederik 1989; Danner c.s. 1994; Borger en Bruines 1994; Woltering c.s. 1994
3 Het initiatief tot het graven van deze duinwetering was afkomstig van de kersverse heer van Marquette. De plotselinge watertoevoer veroorzaakte echter grote problemen in het achterland. Na een gerechtelijke procedure verkregen de ingelanden van Bakkum, Limmen en Akersloot (c.q. de Groot- Limmerpolder) op 11 november 1613 een concessie voor het aanleggen van een nieuw afwateringskanaal. Hiervoor zou de Limmervaart of Schulpvaart worden gebruikt. Het ‘Octroy van de uitwateringen der Duynen’ staat afgedrukt in de Generale Privilegien ende Hantvesten van Kennemerlandt, p 83-85. Vermoedelijk berust in het archief van de Hoge Raad van Holland en Zeeland, bewaard in het Algemeen Rijksarchief, een compleet dossier over deze zaak.
4 In een brief van 21 december 1994 heeft de taalkundige Jarich Hoekstra van de Fryske Akademy desgevraagd de problematiek van de verdubbeling van medeklinkers in onbeklemtoonde lettergrepen behandeld; hieruit bleek inderdaad dat de zaak minder eenvoudig ligt dan gedacht.
5 Het aantal genummerde namen bedraagt 1123, maar de vele dubbele benamingen moeten daar nog bij worden opgeteld.
6 Zie bijvoorbeeld het ‘Request . . . roerende ’t weyden van de Beesten in de Aerdenberghse Duynen’ door Heemskerk, Castricum en Baldrum in 1608 ingediend, waarbij men zich beroept op een privilege uit 1441 (afgedrukt in de Generale Privilegien ende Hantvesten van Kennemer-landt, p 97-99).
| beek | min of meer natuurlijke afwatering van enige omvang |
| blink | witte, onbegroeide duintop, ook aangeduid met blinker of blinkerd |
| cie | afwateringssloot voor duinval; plaatselijk verbasterd tot scie, zie en wellicht zee |
| dal | laagte in het terrein; komt soms in de Zuidhollandse variant del voor |
| duin | algemeen begrip voor de jonge duinen; voor de duinen in het achterland gebruikt men vaak het begrip nol, zie aldaar |
| duinrel | tegenwoordig algemeen gebruikt woord voor beken of sloten waarlangs duinval wordt afgevoerd; als toponiem alleen aangetroffen bij Wijk aan Zee |
| duinval | kwel uit de duinen naar het achterland |
| kroft, krocht | met (hout)wal omheind stuk bouw- of weiland |
| moor | hoofdwetering in het poldergebied ten ono van Schoorl |
| nol | algemeen gangbaar woord voor lage, ronde duintjes in het achterland; wordt echter ook in de hoge, jonge duinen aangetroffen |
| pan | duinvallei, in Kennemerland zeldzaam |
| ree | grens, grenslijn |
| rel | duinbeek; zie ook duinrel |
| schei | grens |
| schulpweg | duinweg ten dienste van de schelpvissers; ook schulpslag genoemd |
| slag | weg door de duinen, die het achterland met het strand verbindt |
| stet | plaats aan het begin van een schulpvaart, waar de overslag van schelpen uit karren in vletten plaatsvond |
| veld | vlak gedeelte in de duinen, vaak extensief gebruikt voor veeteelt en wellicht landbouw |
| vlak | vlak gedeelte in de duinen |
| waterstal | duinmeertje, gebruikt als eendenkooi |
| wei | weidegrond |
| wildernis | algemeen woord voor met ruigte begroeid duin |
| zand | algemeen woord voor zandig terrein; meer specifiek gebruikt voor zandplaat of zandige aanwas |
| zee | zie cie |
Alders, G.P., et al. ,Raadselachtig Rampenbosch. Hernieuwd onderzoek naar een ‘kasteeltje’ te Bergen (NH). Westerheem 40 (1991), 173-190.
Baas, Th., et al., Zeedorpenlandschap in Noord-Holland. Leiden 1986.
Beekman, A.A., Spijkerboor. Nomina Geographica Neerlandica 7 (1930), 155-161.
Berg, W.J. van den, Historisch kadaster van de Binnen-Egmonden 1602-1811 I-IV. Utrecht 1985.
id., Kadastrale atlas van Noord-Holland 3: Bergen. Haarlem 1990.
id., Egmond op de grens. Geestgronden. Egmonds historisch tijdschrift 1 (1994), 10-24.
Blok, D.P., Drentse waternamen. In: P.L.M. Turnroers en D.P. Blok, Waternamen in Limburg en Drente. Amsterdam 1968, 5-21.
Buizer, D.A.G., Boeren in het duin. In: H. JeUerna (red.), Bergen aan Zee. badplaats sinds 1906. Schoor11981, 17-22.
Cock, J .K. de, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Assen 1965/ Arnhem 1980.
Danner, H.S., H.Th.M. Lambooij en C. Streefkerk, … die water keert: 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier. Alkmaar/Edam 1994.
Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum. Schoorl, 1973.
Diederik, F., Archeo-logica. De archeologie van het noorden van Noord-Holland in historisch en landschap_pelijk perspektief. Schoorl, 1989.
Eisma, D., enT. Fey, De kust van Rotturn tot Calais. Amsterdam 1982.
Goettsch, R.P., Schoorl: een mooi en rustig dom met een rijk verleden. Alkmaar z.j.
Groesbeek, J.W., Heemskerk onderweg van verleden naar heden. Heemskerk 1978.
id., Middeleeuwse kastelen van Noord-Holland: hun bewonersen bewogen geschiedenis. Rijswijk 1981.
Hilgen, P., en Q.L. Slings, Historisch onderzoek naar het beheer van bossen en natuurterreinen. Z.pl. 1981.
Jelgersma, S., et al., The Coastal Dunes of the western Netherlands; geology, vegetational history and archaeology. Mededelingen Rijksgeologische Dienst NS 21 (1970), 93- 167.
Jelgersma, S., De duinen en het strand bij Bergen aan Zee. In: H. Jellema (red.), Bergen aan Zee. badplaats sinds 1906. Schoor11981, 30-37.
Jelles, J.G.G., Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat.
Arnhem 1968.
Jong, S. de (red.), .Qn.._z;oek naar Castrienm’s verleden. Castricum 1992.
Künzel, R.E., D.P. Blok en J.M. Verhoeff, Lexicon vannederlandsetoponiemen tot 1200. Amsterdam 1988.
Lambooij, H., Getekend Land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier. Alkmaar 1987.
Lannoy, K., en B. Denneboom (red.), Derper-Hoever-Binder. Over geschiedenis en volksleven van De Drie Egmonden. ‘s-Gravenhage 1969.
Leijsen, A.F.J., Oude ansichten van Schoorl. Schoorl, 1969.
Merula, P.G.F.P.N .. Placcaten ende Ordonnancien op t stuck van de Wildernissen. Z.pl. 1605.
Mooy, P., H. Jellema en A.F.J. Leijsen, Oude Ansichten van Bergen. Schoorl,1969.
Pool, J., Het oude Schoörl – herinneringen van een geboren Schoorlaar. Schoorl 1981.
Reenen-Völter, M. van, De Heerlijkheid Bergen in Woord en Beeld. Alkmaar 1903, 1925.
Rentenaar, Die Namenlandschaft der niederländischen Dünen. In: H.W. Homung (red.), Disputationes ad Montium Votabula aliorumque nominum significationes pertinentes. Wien 1971, 83-95.
id., De Nederlandse duinen in de middeleeuwse bronnen tot omstreeks 1300. Geogt’flfisch Tijdschrift NR XI (1977), 361-376.
id., Topografische structuur en toponymische ontwikkelingen in middeleeuws Egmond. Naamkunde 10 (1978), 332-353.
id., Vemóemingsnatnen. Een onderzoek naar de rol van de vernoeming in de nederlandse toponymie. Amsterdam 1984.
id., Groeten van Elders. Plaatsnan’len en familienamen als s,piegel van onze cultuur. Naarden 1990.
id., Over Steile Banken en Dwars in de Weg: Zandbanken en ondiepten in de Zuiderzee. IJsselmeerberichten 1991-1, 6-7.
id., Balgen in de Waddenzee. Over de betekenis van het element-balgein Wadtoponiemen. Naamkunde 24 (1992), 5-13.
Ruijter, Q. de, Over duinboerderijen en haar bewoners. JaarboekJe Oud-Castricum 4 (1981), 3-10.
Rus, P., Gids voor Bergen en Bergen aan Zee. Bergen 1914-2
Santen, B. van, Generale Privilegien ende Hantvesten van Kennemer-landt ende Kennemergevolgh. ‘s-Gravenhage 1652.
Schermer, A., De Hoge Geest. Schoorl’s kleinste natuurgebied. Schoorl, 1985.
Scholtens, H.J.J., Uit het verleden van Midden-Kennemerland. ‘s-Gravenhage 1947.
Schönfeld, M., Veldnamen in Nederland. Arnhem 1980.
Schoor!, H., Zeshonderd jaar water en land. Groningen 1973.
id., ’t Oge. Hillegom 1979.
id., Kust en Kaart. Schoor11990.
Snip, H.J., Over naamgeving, aanleg en broodwinning in het Schoorlse duingebied. Scoronlo 5, april 1992, 1-4.
id., Zandafgravingen, Strandhoofden, Grenspalen. Scoronlo 6, aug. 1992, 5-6.
Swaan, A.E.H. (ed.), Jacht-bedryff (naar het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te ‘sGravenhage). Leiden 1948.
Swaan, J., De veldnaam kroft of krocht in relatie tot het grondgebruik in de gemeente Heemskerk (Noordholland). Naamkunde 14 (1982), 52-66.
Veer, A.A., Kroniek van Bergen aan Zee 1906-1946. In: H. Jellema (red.), Bergen aan Zee. badplaats ·sinds 1906. Schoor11981, 91-143.
Westenberg, J., Kennemer dijkgeschiedenis. Amsterdam/Londen 1974.
Woltering, P.J., et al., Vroegmiddeleeuws Noord-Holland in kaart gebracht. Amersfoort/Edam 1994.
Zeiler, F.D., Bergen. dom vol monumenten. Amsterdam 1975, 1977″.
id., Het Berger strand vóór 1906. In: H. Jellema (red.), “Bergen aan Zee. badplaats sinds 1906. Schoorl, 1981, 46-66.
id., Hoog en vrij. Schetsen uit de geschiedenis van de heerlijkheid Bergen tot 1798. Schoorl 1986.
id., Wimmenurn en Wimmenumerwoud. In: J.P. Berns et al., Feestbundel D.P. Blok. Hilversum 1990, 376-383.
id., Monnikenwerk? Egmond en de dijkzorg in Noord-Holland. In: G.N.M. Vis, Egmond tussen Kerk en wereld. Hilversum 1993, 215-221
id., ‘Harga, dat ook Ketel heet.’ Voor- en vroegchristelijke sporen in het Maasmond gebied. In: J.C. Okkema et al., Heidenen. Papen. Libertijnen en Fiinen. Delft 1994, 23-34.
Zel, K. van der, Over naamgeving in het Schoorlse duingebied. Scoronlo 6, aug. 1992, 3-4.
An ca 1612 anonieme kaart van het gebied tussen Beverwijk en Akersloot, omstreeks 1612 [ =Jelles bijlage ill]
Anthonisz 1568 kaart van de bedijkte Bergenneer door Adriaen Anthonisz uit 1568 [ = Westenberg kaart foto 6]
Blaeu na 1635 kaart van het Noorderkwartier door W. en J. Blaeu, na 1635 [RANH]
Blaeu 1660 kaart van de Heerlijkheid Bergen, getekend door J. Dou en uitgegeven door J. Blaeu omstreeks 1660
Duin 1986 veldnamenkaart, gevoegd bij het themanummer van het tijdschrift Duin door Th. Baas e.a. uit 1986
Gevers 1823 kaarten behorende bij het rapport over de duinen van D. T. Gevers uit 1826, vervaardigd in 1823
Gevers 1823 bis kaart alsvoren van de Hoepbeekse afwatering in een bijgewerkte versie [ = Jelles bijlage VIII]
Hengevelt 1698 kaart van de banscheiding tussen de Egmonder en Wimmenumer Duinen door G. Hengevelt, 1698 [ARA Hingman 40]
JCL 1935 kaart van de Kom der gemeente Bergen, getekend door J.C. Leijen in 1935
Karshoff 1844 kaart van het Kanton Beverwijk door C.Karshoff, 1844 [RANH K 8680]
KPZ 1926 kaart van de Schoorlse duinen, getekend door K.P. Zuurbier in 1926
Kranendonk 1994 bedrijfskaart van de duinen benoorden Wijk aan Zee, voorzien van veldnamen door H.Kranendonk in 1994
Langendijck 1614 kaart van de duinen tussen Wijk aan Zee en Egmond aan Zee, kopie door Willem van Regenmortel uit 1797 naar Gerardus Theodorus Langendijck uit 1614
Meeuws 1540 kaart van de onbedijkte Berger- en Egmondenneer, vervaardigd door Simon Meeuws van Edam omstreeks 1540 [= Westenberg kaart foto 1]
ND 1965 overzichtskaarten van de terreinen van het Noordhollands Duinreservaat volgens de gegevens van 1965 [ = Jelles bijlage X]
Pietersz 1564 kaart van de onbedijkte Berger- en Egmondenneer, vervaardigd door Laurens Pietersz, uiterlijk 1564 [ = Westenberg kaart foto 3]
PWN 1973/75176 bedrijfskaart van het PWN uit resp. 1973, 1975 en 1976
Rollerus 1737 kaart van de heerlijkheid Castricum door I.Rollerus, 1737 [ = Westenberg kaart foto 13]
SBB 1987 kaart, behorende bij het beheersplan voor de Schoorlse duinen, vervaardigd door Staatsbosbeheer in 1987
SK 1909 eerste versie van de zgn spinnewebkaart van Bergen; zie volgend lemma
SK 1914 zgn spinnewebkaart van Bergen, getekend door J. Veldheer in 1914 en gevoegd bij de Gids voor Bergen en Bergen aan Zee uit 1914; een tweede, ongedateerde kaart van de Rijksduinen in dezelfde gids is aangeduid met SK ca 1914
SK ca 1914 zie vorig lemma
Van Swieten 1661 kaarten van de voorkant van de duinen ( = de binnenduinrand) door Johan(nes) van Swietenuit 1661 [ = Jelles bijlagen V]
TK 1857, 1857-58 eerstetopografischekaarten 1:50.000, vervaardigdindejaren 1857 en 1858 [uitgegeven in facsimile in 1990]
TK 1907 topografische kaart 1:25.000, blad Bergen NH, uitgegeven in 1907
TK 1910 topografische kaart 1:25.000, blad Schoor!, uitgegeven in 1910
TK 1983 topografische kaart 1:25.000, uitgegeven in 1983
US 1680/1745 kaart van het Hoogheemraadschap der Uitwaterende Sluizen, uitgegeven in 1680, laatstelijk herzien in 1745 [uitgegeven in facsimilein 1980]
V dB [met nr] kaarten in deel 4 van W.J. van den Berg, Historisch Kadaster van de Binnen-Egmonden
VVV 1937 kaart van Bergen en een deel van de Schoorlseduinen, uitgegeven in 1937
VVV 1950 idem, uitgegeven in 1950
VVV ca 1960 ongedateerde kaart van Schoor!, uitgegeven door de VVV omstreeks 1960
WK 1934 wandelkaart van Bergen, Bergen aan Zee en de Staatsbossen, uitgegeven in 1934
Zoutman 1665 kaart van Egmond, Wimmenurn en Heiloo door J.Dz. Zoutman uit 1665 [RAA Vl. 294]
Rolf Roos
(update 10 maart 2026)
Na onze oproep voor beeld van verzopen duinen in februari 2024 stuurden twee fotografes opvallend roze getinte, drijvende cranberries. De normaliter donkerpaarse cranberry of grote veenbes, nog lager groeiend dan dopheide, is in de 19e eeuw ingevoerd uit Noord-Amerika en heeft een niche gevonden in de natste delen van zure duinvalleien. Nu groeit de soort op Ameland en Terschelling (en andere Waddeneilanden) en in diverse zure en natte terreinen landinwaarts, zie het kaartje. Een succesvolle exoot en door de grootte van de bes makkelijk te onderscheiden van de kleine veenbes, waardplant van de zeer zeldzame veenbesparelmoervlinder.

Verspreiding cranberry in ons land. Bron Verspreidingsatlas; klik op kaart voor link naar meer info.
De Verspreidingsatlas meldt over de grote veenbes: “Deze veel bladstrooisel producerende veenbes wordt door insecten bestoven, de bessen worden gegeten en de niet verteerde zaden worden uitgescheiden en zo verspreid. De bessen zijn rijk aan vitamine C en citroenzuur en worden gebruikt voor compote en bij drankbereiding.”
Wikipedia meldt: “De soort komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is in Europa een exoot. Het verhaal gaat dat in 1845 een vat bessen op Terschelling aanspoelde en door een jutter achter de eerste duinenrij werd gebracht, omdat hij dacht dat het om een waardevol vat wijn ging. Toen de inhoud uit bessen bleek te bestaan, liet hij die ter plaatse achter, waarna de soort zich op Terschelling uit kon zaaien. Levende planten werden daar in 1868 ontdekt door botanicus Franciscus Holkema. Vóór die tijd werd de soort al in Engeland en Duitsland gekweekt om de eetbare en vitamine C-rijke vruchten.”
Duidelijk is dat de cranberry zich goed gewapend heeft tegen snel bederf, mogelijk zouden benzeenverbindingen daarbij ook een rol spelen.
Ook vermeldenswaard (Wikipedia) is de werking als antibactieel middel bij urineweg-ontstekingen: “De proanthocyanidines in cranberry’s remmen de aanmaak van de bacteriële celwand en voorkomen de expressie van de haartjes (pili) waarmee de E. coli zich probeert te hechten aan het epitheel in de urinebuis.”
Zo blijkt de cranberry, die in overdaad in valleien groeit, vaak maandenlang een gave bes te behouden, deels gevuld met lucht. Zoals de natte opnames in de winter laten zien drijven de bessen uitstekend en worden door de wind naar lagerwal geblazen. Het zou niet vreemd zijn als de bessen ook op deze wijze worden verspreid. Niet (alleen) dus door besetende vogels, maar net als veel waterplanten via het water. Wie onderzoekt eens of die aanspoelzones veel kiemplanten hebben? Wie weet hebben we hier ten maken met een ook door het water verspreide heidesoort. En, hoewel de mythe van de juttende Terschellinger in 1845 die beteuterd een vat cranberries i.p.v. wijn opende erg mooi is….twee kanttekeningen hierbij: cranberries in een vat kan wel maar een gewone jute zak volstaat voor deze bessen prima en als ze zo goed drijven kunnen ze prima ook van overzee zijn gekomen en makkelijk vanaf het strand een eerste vallei in waaien..
Artikel dateert uit 2014. Hoe is de situatie bij de Castricumse Kerk nu?
Dit bijzondere bolgewas bloeit eind maart-begin april. De in het wild voorkomende weidegeelster (Gagea pratensis). Het lijkt op speenkruid maar is dan veel bescheidener, met geel-met groene bloemetjes en een slank, grasachtig blad. Het is een van de drie wilde soorten geelsterren in ons land. Staat helaas op een plek waar cultuurhistorie wel is beschermd maar de natuur (nog) niet….
In Nederland is deze zeldzaamheid bekend van langs de grote rivieren (lokaal langs de IJssel) en langs de binnenduinrand, bijvoorbeeld uit het landgoed Leyduin bij Heemstede of de Duin en kruidberg (Santpoort). Zie hiervoor het verhaal van Joop Mourik uit Duinen en mensen Kennemerland. De soort heeft in ons land een zogenaamde ‘bipolaire’ verspreiding langs de rivieren en in de duinen, het is een ‘stroomdalplant’ van kalkrijkere bodems. Op slechts 10 plekken wild bekend in Kennemerland en slechts een daarvan ligt boven het Noordzeekanaal: Castricum. Zie het kaartje uit de digitale Flora Atlas van Noord-Holland (2014).
In Castricum staat het op een zeer oude, maar qua natuur onbeschermde plek: de oude begraafplaats bij de middeleeuwse NH kerk, midden in het dorp tussen de graven. De kerk is ooit vanaf ca de 10e eeuw gebouwd op een oude oeverwal van het Oer-IJ en het is waarschijnlijk ook een overblijfsel van vegetaties uit deze Castricumse ‘oertijd’, waar precies bij Castricum een restant van een deels zandig rivierlandschap overgaat in een duinlandschap. Alleen aan de noordzijde van de kerk en daar bleek dat voorjaar 2015 nog maar een enkele pol staat. Teveel schoffelen en mogelijk ook onkruidbestrijdingsmiddelen houden de grond tussen de graven ‘schoon’, maar dat is voor de wilde flora funest. Ook zijn er plannen voor uitbouw van de kerk nabij die plek met weidegeelsterren. Wie de soort wil zien: kom niet later dan april en speur goed. Er staat nog een enkel polletje en wat sprieten aan een oude boomvoet. Als de bescherming van het Oer-IJ landschap op zoveel belangstelling kan rekenen dat men er een hele erfgoedzone van wil maken…wie werpt zich op voor dit laatste kleine kleine blommetje van een oeroud landschap? De begraafplaats is een gemeentelijk monument (met lelijke hekken) en als zodanig is de cultuurhistorie beschermd, maar voor de natuur is er nog een wereld te winnen.
Reactie Joop Mourik: “ Weidegeelster is geen stinzenplant maar volkomen wild langs oude lanen, op begraafplaatsen etc. op de strandwalllen vanaf Den Haag Wassenaar en dan via Leiden en Haarlem verder naar het noorden. Je kan de weidegeelster zien als een relict cq indicator van (vrij) ongestoorde oude duingrond. Hij komt meer voor op oude begraafplaatsen (Leiden, Wassenaar) of bij oude kerken want die werden al vroeg op de oude strandwal gebouwd. ”

NH kerk Castricum afgebeeld in 1622, uit Zegepralent Kennemerland De achtergrond zijn niet de duinen zichtbaar maar imponerende wolken.
Naschrift 19 april 2015
Pas onlangs kreeg ik een mooi oud artikel van A. L. J. van Ijzendoorn uit 1981 over Papenberg en oude dorp onder ogen dat we ook online weergeven. Van IJzerdoorn Papenberg in Natura 1981 vol 78 nr 7 pag 234 – 247
Een mooi citaat over ons onderwerp: “Het kerkhof rond de oude Sint Pancratius verdient eveneens bijzondere zorg. Dit schaarse milieu met de vele weidegeelsterren en andere ‘stinseplanten’ behoort zo beheerd te worden dat Gagea pratensis er blijft groeien en zo mogelijk nog beter gaat floreren. Daar behoort dus evenmin chemische onkruidbestrijding plaats te vinden en kunstmest strooien dient er ook vermeden te worden. De bloei van de geelsterren kan wellicht bevorderd worden door er op sommige plaatsen de grond licht te bewerken.”
Naschrift 19 april 2015
Nog een knipsel uit Nieuwsblad voor Castricum van 15 april 2015 naar aanleiding van bovenstaand verhaal : ‘Oer-IJ plantje dwarsboomt plan’: Nieuwsblad voor Castricum 15 april 2015 Weidegeelster
* Deze online versie is in beknoptere vorm op papier verscheen in het Jaarboek van van de werkgroep Oud-Castricum, oktober 2015.
Update januari 2026
“Als ik, in den voorzomer eens heerlijk en op mijn gemak langs en door mooie duinen wil zwerven, spoor ik naar Castricum.”
Ruim een eeuw geleden, rond 1906, maakte Eli Heimans, vriend en tijdgenoot van Jac.P. Thijsse, een wandeling die onder Castricummers wel bekend staat als ‘een rondje Papenberg’. Heimans (1861-1914) was evenals Thijsse (1865-1945) onderwijzer in de hoofdstad en een groot pleitbezorger van goed natuuronderwijs. Hij schreef onder andere in het tijdschrift De Levende Natuur; zijn wandelingen inspireerden hem ook tot verhalen die onder andere in het weekblad de Groene Amsterdammer en in het boek ‘Met kijker en bus’ verschenen.
Het verhaal van Heimans toont een andere natuur en ook andere machtsverhoudingen in het duin. Want in die jaren was het nog grotendeels verboden gebied en particulier bezit. Er stonden jachthuizen en de boswachter was een hele of halve jachtopziener, een man die je wegstuurde of op de bon slingerde. Stropers hoorden erbij en zo af en toe kwam er een lid van het Koninklijk huis om te jagen. Er was nog geen sprake van waterwinning. Zonder persoonlijke toestemming mocht je het gebied niet in. Geen wonder dat Eli als plantenverzamelaar gewend was gebodsbordjes te negeren. ‘Vrije duinen’, is dan ook de licht spottende titel van hier ook online te lezen verhaal. We volgen zijn relaas en ontrafelen zijn spoor.
Een rake openingszin: “Er is geen wetsartikel, dat meer overtreden wordt dan Art. 461 Wetboek van Strafrecht.” Artikel 461 is in 100 jaar niet van naam of nummer veranderd, maar hij wandelde wel in een andere wereld. Aan het begin van zijn verhaal meteen een verzuchting dat een duinwandeling “dubbel te waardeeren is als wij, ook zonder permissie, en zelfs in den fazantentijd, niet steeds herinnerd worden aan ’t feit dat wij op verboden terrein zijn.”
De fazantentijd was de tijd dat opgefokte fazanten voor de jacht werden uitgezet en tijdens grootscheepse jachtpartijen werden geschoten. Dat was in de nazomer en het najaar. Een voerhuis stond bij boerderij, thans Gasterij de Kruisberg. Een van de jachtopzieners woonde in Kijk Uit waar ook een fazantenhouderij was. De plek noemt Eli niet, want hij zal deze locatie vermeden hebben. Hij nam de duinen ‘onderlangs’ dat wil zeggen aan de meestal windstille oostzijde van het hoge duin, buiten het blikveld van jachtopzieners en bosbazen.
Het pad van Eli Heimans
“Sla voorbij het station dadelijk links om, neem den eersten overweg den besten aan den Alkmaarschen kant en houdt voortdurend links. Dan komt ge van zelf op een alleraardigst voetpad, dat eerst een paar minuten gaans tusschen tuinland doorloopt en u brengt tot vlak aan den voet van de hooge mooi belijnde duinengroep, die u uit den trein al zoo verleidelijk tot beklimmen lokte.”
Dit is navolgbaar. Hij nam de spoorovergang die nog steeds spoorovergang is en die we dun belijnd ook op de topografische kaart uit begin 20e eeuw tegenkomen. En wat is nog meer duidelijk: de duinen waren in die tijd goed zichtbaar vanuit de trein. Niet verscholen achter bomen en bebouwing als villa’s en een archeologisch centrum. Er lag ‘tuinland’: kleine kaveltjes met boerenhuisjes, deels omzoomd door elzensingels tegen de wind. Pal achter het duin was de waterspiegel hoog.

Ter hoogte van het tegenwoordige kaaspakhuis achter het spoor begon het Slingerpad. Het eindigde op de Kramersweg tussen de aansluitingen met de Puikman en Onderlangs.

Boerderij Papenberg met leden fam Stuifbergen er voor ca 1920; de boerderij verdween in de oorlogsjaren
De tuinderij, met teelt grotendeels voor de lokale markt, gedijde in de luwte van het hoge en deels stuivende duin. Hier lag de Duinderbuurt of, zoals het werd genoemd de Duinkant. Een buurtje dat in de oorlog in 1943 verloren ging. In het begin van de 19e eeuw stonden er nog maar een paar huisjes. Het buurtje breidde zich uit door de economische impuls van de kolossale zandafgraving voor de 19e-eeuwse spooraanleg. Dat ging met de hand en met gebruikmaking van een smalspoor.
De enig bekende foto van afgraving van de Papenberg is afkomstig uit het West-Fries Archief in Hoorn en gedateerd 1862. Het smalspoor op de voorgrond was een tijdelijke voorziening om het zand richting station af te voeren. Zandafgraven in zanderijen was is 17e, 18e en 19e eeuw een van de manieren om aan het landschap te verdienen. In veel zanderijen kwamen later duinboerderijen (bijv. Middenduin, Overveen), landgoederen (bijv. Elswout, Haarlem) of werden volgebouwd (wat nu dreigt in Castricum). De zanderij bij Schoorl (het Zandspoor, inderdaad daar lagen ook rails) kent een zeer rijke flora.

Kaart D.T. Gevers ca 1830 met daarop later ingetekend aankoop duin door Koning Willem 1 en bebossing; middelste deel Papenbergmassief, de Goudsbergen (direct onder het woord Willem I) zijn nog niet afgegraven. Van later datum is ook de intekende ster van de wegenaanleg bij Kijk Uit.
Een vergelijking met de kaart van de ‘Hoepbeeksche afwatering’ gemaakt in 1823 in opdracht van door D.T. Gevers en de topografische kaart uit de tijd van Eli laat zien dat uit het massieve duin ten westen van het dorp Castricum een enorm groot gat is gegraven: de vroegere Goudsbergen. Voor de eigenaar een heel rendabel stuk zand. De Zanderij resteerde en werd met sloten ontwaterde tuingrond. Niet alles was zo strak afgegraven als nu. De kaart van begin 20e eeuw toont nog een lob met duinterrein langs de huidige Geversweg. Er is nog een foto van: ‘Geiten op het Prikkelvlak.’
Waarschijnlijk liep Eli trouwens niet links af, zoals hij beschrijft, maar rechtsaf. Want het Slingerpad uit het volgende citaat lag ter hoogte van de kaasopslag Kaptein BV anno 2015, halverwege de overgang en het onderkomen van de Werkgroep Oud-Castricum aan het begin van de Geversweg die vanaf hier het voormalige duinland insteekt. Eerst rechts af en dan meteen links. Hij volgt dit bijzondere laantje.

Man op de Papenberg. Het had Eli kunnen zijn maar de foto dateert van circa 1930. Huizen op voorgrond liggen waar nu begraafplaats Onderlangs is. Helemaal rechts station Castricum. . Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen.
“Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”
Uitzicht vanaf de Papenberg, ca 1906
“Naar alle zijden vrij en eindeloos ver. Ge kijkt opeens over heel Noord-Holland heen, over Alkmaar in ’t noorden tot aan de echte witte Blinkerts achter Schoorl; boven de torentjes van Castricum en Limmen zeilt een beurtschipper met volle zeilen, er stoomt een bootje op ’t Alkmaardermeer. Door een dunne fabrieksrook heen draaien de molenwieken van de Zaanstreek, die nog lang niet alle door de stoom op non-activiteit zijn gesteld; en met wat goeden wil en een besten kijker ziet ge uw eigen Haarlem of Amsterdam, of althans St. Bavo en den Westertoren. Naar ’t westen zijn IJmuiden en Wijk aan Zee heel goed zichtbaar en een tipje van de Noordzee glinstert tusschen twee lage toppen door. De verre zeeduinen zelf zijn grootendeels verborgen achter een dicht gordijn van groen, dat zijn de bosschen achter de “Brabantsche Landbouw“.
Het uitzicht op de Papenberg vergeleken met Eli’s uitzicht, heeft een drievoudig gezicht. Naar het oosten op de voorgrond op de hellingen hoog opgaand geboomte dat het uitzicht deels ontneemt en daar achter het grotendeels verstedelijkte landschap van Castricum tot Uitgeest. Van open polders met kronkelende sloten, late restanten van het Oer-IJ met haar wadkreken van 2000 jaar terug, naar boomrijk land met huisjes, spoorwegen, rijks- en provinciale wegen, bedrijven en musea. De geschiedenis zichtbaar in het landschap zelf is vervangen door de vertelde geschiedenis van educatieve programma’s en films.

Oude kreekrest of rest van een duinbeek, in agrarisch gebruikt landschap onder het huidige klimduin, ca 1930 Iets ten zuiden waar nu het archeologisch centrum staat.
En zuidwaarts: heel goed zoeken levert de oude Wijkertoren van Beverwijk op, verscholen in een verder industriële horizon van Hoogovens en pijpen; lichtjes in de nacht en rumoer en stank.
Maar naar het westen strekt zich nog steeds alleen maar duin uit. Met veel meer bos dan een eeuw geleden. Ook hier is Eli wat losjes uit de pols met zijn plaatsaanduiding. Hij spreekt van bos achter de boerderij de Brabantse landbouw, maar elke, ook 19e-eeuwse kaart laat zien dat vrijwel al het bos er voor en ten oosten van lag.
Na het overzicht gaat de natuurliefhebber in Eli uitpakken. We krijgen zicht op de plantenwereld van een eeuw geleden, bovenop het duin. “De Papenberg zelf is niet sterk bewassen; wel groeien er verscheidene zeldzame planten, onder andere de mooie, kleine pyramiden-orchis, maar daar kijkt alleen een plantenkenner naar.“
Deze vroege waarneming van een bijzondere orchidee, die we nu hondskruid noemen (Anacamptis pyramidalis), is samen met elders door hem beschreven bijzondere planten van de Papenberg als oorsilene, nachtsilene en bitterkruidbremraap. Niet alleen een fraai veldboeket maar kenmerkend voor een landschapstype dat pas ruim een halve eeuw later door duinkenner Henk Doing geboekstaafd is als ‘zeedorpenlandschap’. Behalve het hondskruid zijn al deze soorten nog steeds aanwezig.Vele bijzondere planten kenmerken dit landschapstype dat ‘zeedorpenlandschap’ wordt genoemd. Een mede door lokale begrazing met wat vee en het beperken van de konijnenstand (want dat was het vlees dat op tafel kwam) uniek landschapstype. Veel aanwezig bij Egmond en Wijk aan Zee, maar een mooie snipper ook vlakbij Castricum, boven de Duinkant van Castricum.
In de Duinkant woonden al vanaf de 17e eeuw vele telgen van het geslacht Stuifbergen (de naam spreekt boekdelen). Vele naoorlogse leden van deze familie liggen begraven op de begraafplaats Onderlangs, net als PWN-natuurman Eldert Kortenoever die lang in het voerhuis bij de Kruisberg woonde, waarvan Niek Kaan een portret maakte.
In het 33e Jaarboek van Oud-Castricum (2010) is een vooroorlogs verhaal van Piet Stuifbergen door Niek Kaan opgetekend: “Mijn ome Klaas Stuifbergen had op de oude boerderij de Papenberg altijd zijn dubbelloops jachtgeweer in het stookhokkie voor de was. Dan zei ie: jongens vlieg effe die berg op. Dan klonken er een paar schoten en riep ie, ik heb er genoeg hoor! Dan kregen we een stuiver. Hij maakte de konijnen direct schoon.”
We volgen Eli weer verder. “De noordelijke helling evenwel (die naar ’t station is gekeerd) is onderaan geheel verscholen in een dichten kring van hooggeboomte en struikgewas. Wordt het u daar boven te warm of te zonnig, rol dan of duikel, hol of schuifel, al naar leeftijd en massa, de helling halverwege af, daar is het lekker koel; het ziet er rood en wit van nachtegaalskruid en koekoeksbloemen en het wemelt er van allerlei vogels, die u de ooren doof zingen.”
Heimans – ondanks zijn achtergrond als onderwijzer wederom niet erg nauwgezet in zijn topografie, want het is een helling op het oosten en niet op het noorden – vertelt van bomen die onderaan de helling stonden en niet, zoals nu, tot helemaal bovenaan. De kaart uit circa 1905 laat een smalle strook zien en de foto’s uit die tijd tonen nog minder: hier en daar een bossage aan de duinvoet. De koekoeksbloemen zijn wat we nu dagkoekoeksbloemen noemen. Maar nachtegaalskruid, wat is dat? Het staat ook in Frederik van Eeden’s ‘De kleine Johannes‘: ‘kreupelhout waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot’. Als we er van uitgaan dat het wit was komt fluitenkruid het meest in aanmerking. Het staat er nog steeds volop, net als die dagkoekoeksbloemen en tegenwoordig ook met bosplanten als de gele stinkende gouwe en lokaal sinds (alweer tientallen jaren) de exoot reuzenbalsemien die in Eli’s tijd ontbrak. Evenmin rept hij van nu algemene bosplanten als stinkende gouwe of het zeer zeldzame stofzaad dat Thea Spruijt op vele hellingen van de Papenberg in het bos heeft gevonden.
Er zijn niet veel paden op de Papenberg in die tijd, dus adviseert hij bovenaan te blijven of weer terug af te dalen langs wat ook nu nog Onderlangs heet en waar aan het begin de huidige, gelijknamige begraafplaats ligt die dateert van na de Tweede Wereldoorlog.
“Zorg maar dat de straatweg naar Beverwijk in zicht blijft, dan kunt ge niet dwalen. Maar wie ’t minder vermoeiend blieft aan te leggen, moet weer beneden komen en ’t pad verder volgen onder langs den Papenberg. Dat is inderdaad een van de mooiste wegjes, die ge in heel Holland bewandelen kunt nu hoog dan laag, breed of smal, met de begroeide duinen voortdurend aan de rechterhand; links, vlak land of heerlijke boschjes, van elzen, esschen, eiken en lijsterbes, alles door elkaar en vol met bloemen.”
Hier bezingt hij het boerenland aan zijn linkerhand om met evenveel gemak weer duinwaarts, zijn rechterzijde, te kijken:
“Straks bloeien daar in massa’s, het zeepkruid met zijn groote rose bloemen en een heel vreemde plant staat er overal tusschen: een woekerplant, die op een afstand voor een verdorde hyacinth zonder bladeren zou kunnen doorgaan; het is een bremraap met lila bloemen, die woekert op een plant met groote gele bloem, het bitterkruid. “

De door Eli Heimans genoemde bitterkruidbremraap. Landelijk zeer zeldzaam maar op de Papenberg en bij Wijk aan Zee bijna algemeen
“Reusachtige wit-wollige ezelsdistels met bloemen als een vuist staan er tusschen manshooge toortsen, met hun schitterend gele bloemknotsen; en om beide heen slingert zich de hagewinde met de groote witte kelken, of kronkelt in gezelschap van hop en kamperfoelie om stam en tak.”
“Links aan den zoom van het weiland, waar het afstroomend hemelwater den grond vochtig houdt, bloeit de heele zomerflora van den vochtigen zandgrond; prachtige wilgeroosjes en fijn getint leverkruid geven er den toon aan.” Dit moet in de buurt zijn van de laatste kleine tuinderij in dit gebied, sinds de Tweede Wereldoorlog aan de oostzijde begrensd door een tankmuur van circa 1,80 m hoog.

Overgang onderlangs en sportvelden met de in 1943 of 1944 gebouwde tankmuur. Ton Eli hier liep een geleidelijke overgang naar het boerenland.
Het was er veel natter dan nu. Leverkruid is de wat oudere naam voor het hoogopgaande koninginnekruid. Een ruigte plant van natte bodem, waar vele vlinders op afkomen.
Een enkel huisje dat hier in het duin stond (en op de kaart, zie de rode stip op de hierboven gepubliceerde topografische kaart) vermeld hij niet. Het ‘boshuisje’ zo genoemd door Trien Winkelman die er in 1930 werd geboren. Het is waarschijnlijk eind 19e eeuw gebouwd. Het had een oude waterput waaruit helder duinwater werd gehaald. De put is mogelijk nog in het terrein en terug te vinden. Nazoekingen in winter 2014 leverde helaas niets op. Er is ook een later gemaakt schilderijtje van met een de waterput aan de voorzijde. Uit deze put haalde ook de kerk een tijdlang water voor de heilige mis. Heidense gebruiken van de Friezen (Germanen) echoën tot in de 20e eeuw door.
“Opeens staat ge op den straatweg, nu moet ge rechts om. De weg ligt hier geheel in de schaduw van het hooge duinbosch, zodat de wandeling van een kwartiertje een genot is.”
Eli is bij de Rijkstraatweg aangekomen, nu voorzien van rotonde, fietspad en paddentunnels op de overgang van duin en cultuurland.
“Loop door tot even voor Paal 18.“
Dat is een flink stuk langs het pad. De locatie is met de kaart van 1905 (en de huidige) te traceren. Paal 18 staat tegenover de middeleeuwse ‘oergrens’ tussen Castricum en Heemskerk: de Maer- of Korendijk. En bij het nalopen van de route troffen we 2 oude paaltjes aan net naast de paal met gemeentegrens, met de letters RP. : Rijkspaal?. Onbezoldigd duinpalenkenner Joost Veer meldde me dat een vergelijkbare paal staat langs Herenweg op de grens van Bennebroek en Hillegom, maar dat met de niet minder raadselachtige letters ‘RB. Rode verf van recente origine, palen uit tweede helft 19e eeuw. Eli moet ze gezien hebben of zijn veters er op hebben gestrikt. Dan wordt het lastiger hem te volgen.

De vermoedelijk ingang van het duin die ook Eli nam, anno 2015 ruim van bordjes voorzien, destijds alleen met ‘verboden toegang’.
“Daar is toegang tot het duin langs een kleine zanderij. Een vijftig pas verder is ook een heel mooie weg, die het duin ingaat, maar daar staat weer zoo’n vervelend bordje. Wel niet met verboden toegang en het onmisbaar art. 461, alleen maar het verbod de paden te verlaten.“
Zandafgraving
Tegenwoordig geen spoor meer van een zanderij. Maar tot in het begin van de jaren 30 was hier een openbare plek waar de bevolking gratis zand mocht halen ‘Het zandwinkeltje van Jhr. Gevers’ . Na verwerving door de provincie van de particuliere duinterreinen werd dit (in oorspong middeleeuwse) gebruik beëindigd waarna menige overtreding werd beboet, zo lezen we in de Alkmaarsche Courant van 1933 en 1934. Door beëindiging van dit soort oude gebruiken maakte de provincie zich niet erg geliefd bij de lokale bevolking.
Een nu onzichtbare afgraving is nog wel bij het PWN in het zogenaamde digitaal terreinmodel terug te zien als hapje dat uit de Papenberg is genomen. Ook op de historische legger zijn daar nu volgens Rienk Slings twee inkepingen te zien. Hier kiest Eli waarschijnlijk niet voor het hoofdpad (destijds met de bekende ‘verboden toegang bordjes’) bij paal 18, maar voor een sluippaadje dat ook rond 1900 op de topografische kaart stond met een klein stippellijntje. Na dit sluippaadje speculeren we erop dat hij de ook nu nog bestaande de Diaconieweg en de Koekoekslaan langs de Russenbergen volgde (zie foto’s) om op de Helmweg uit te komen. Op de oude kaart is dit nog onbebost nollenterrein met in de laagtes veel mooie planten.

Bebording Dianonieweg anno 2015 met zinkstuk van zeemijn die er aan was vastgemaakt. Stond op palen in zee voor het strand van Castricum. Hergebruik is niet alleen een moderniteit maar is van alle tijden.
Het hele gebied was rond 1910 onderdeel van het uitgestrekte particuliere duinbezit van de kasteeleigenaren van Marquette, Paulina Johanna Rendorp van Marquette en haar echtgenoot Jan Hugo Gevers. Pas later, op 8 september 1933 werden deze eigendommen door hun erven verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van f 625.000,-. In de tijd van Eli was er sprake van lokale duinbenutting door zandafgraving ter hoogte van de huidige camping Geversduin.
“De weg langs de zandgraverij is bijna even mooi; en zeker komt ge na een uurtje weer bij het station uit, als ge maar niet ver links af gaat toeren; rechts is geen enkel zijpad zelfs, dat u op een dwaalspoor kan brengen.”
We moeten Eli nu zien te volgen in een ander, bosrijk landschap. En gaf hij eerst nog redelijk nauwkeurig zijn route aan, nu moeten we die maar zien te raden. De route op de kaart die we aangeven, is vanaf hier een vermoeden, een ‘best guess’. Hij liep door open duinen met op de natste plekken hier en daar een bosje en soms met een landje van een duinboer.
“In dat eene uurtje langzaam wandelen, krijgt ge een afwisseling van duinlandschap dat ge niet licht ergens anders sterker, mooier en gemakkelijker genieten kunt. Eerst, dicht bij den weg nog, de gewone droge duinen van Zandvoort en Scheveningen, in den voorzomer veel mooier dan later in ’t badseizoen. Binnen een kwartier merkt ge wel, als ge maar een heel klein beetje verstand van bloemen hebt, dat de duinen daar laag liggen en ’t grondwater hoog staat. Daar groeien die mooie gevlekte en de effen handekenskruiden, de lichtpaarse orchideeën van onze veenen en moerassen. Ronde blaadjes als van Oost-Indische kers, maar veel kleiner, dekken er den bodem met groene loovertjes; het nieuwe schittergroene leerblad van ’t Wintergroen zweeft hier en daar er boven.
Eli liep door een duin natter dan wij kennen, een deels niet meer bestaand landschap, al duiken de rietorchis en het wintergroen wel elders in het duin op. Volgens duinkenner Rienk Slings (tot 2013 duinbeheerder bij PWN) wandelde Eli toen door het nog niet beboste deel van het Sappenbos: “Qua relief een nollenterrein, ontstaan in de loopduinvlakte van de Papenberg. Tegenwoordig kunnen we ons daar, weliswaar in verdroogde vorm, nog een voorstelling van maken als we de ten westen aangrenzende zanderij bezoeken; pal ten noorden van camping Geversduin.” Sappenbos is de officiële ‘vaknaam’ die vermoedelijk wel in een oud toponiem zijn oorsprong vindt. Volgens Frits David Zeiler (historicus uit Bergen) is het mogelijk van afkomstig van ‘Sape’ wat mager en onvruchtbaar land betekent. Zie ook breeSAAP, SoerSOP en Sappeland: namen van duinvalleien en natte ontginningen. (Zie zijn rapport op deze site: Nollen krochten blinken)
Maar naar die ‘groene loovertjes’ van Eli Heimans met ‘ronde blaadjes als Oost-Indische kers’ moeten we maar raden. Waternavel is een mogelijkheid, of penningkuid dat hier en daar langs slootkanten en vochtige laagtes te vinden is. Anderen dromen van teer guichelheil. Ergens op de route langs de Helmweg komen we anno 2015 weer duinlandjes tegen met oude meidoorn en resten van elzenhagen. Eens kleine akkertjes, nu recreatieweidjes en voorzien van watertjes voor poelkikkers, libellen en de Schotse hooglanders van nu. Hier liggen ook de bossen van wat toe al ‘Russenbergen’ moet hebben geheten, de plek waar mogelijk honderden soldaten in de slag om de Papenberg in 1799 moeten zijn omgekomen. Aan deze slag herinnert mogelijk ook de ‘Doodelaan’ die naar de Papenberg leidt. Toen Eli hier wandelde waren de sporen van dit verleden al uitgewist, behalve in de taal van het landschap, de veldnamen.

Oude boerenlandjes zij nu nog herkenbare aan (doorgeschoten) elzen links op de voorgrond. In dit veldje is een poel aangelegd.
In Eli’s tijd waren koeien schaars (en lokaal) in het duin, in tegenstelling tot konijnen.

Hooglanders op het pad bij Kijk Uit, 2014. Koeien maken de bossen opener en houden de duingraslanden grazig.
Verdwenen dieren
‘De weg ligt nu verder geheel in de schaduw van sappige berkenboschjes, waar de zangvogels van heel de buurt bijeen zijn om te broeden en te zingen; van tijd tot tijd kort een fasanten-haan, wulpen schreien hoog in de lucht en een kievit verjaagt met moed en groot misbaar twee Vlaamsche Gaaien uit de buurt van zijn nest. ‘
Ik herinner ze me nog wel broedend op de Papenberg. Ook het geluid van de fazantenhaan is vrijwel verstomd en kievitten in het duin zijn pas echt schaars, al duikelen ze wel weer boven de nieuw afgegraven valleien die de laatste tien jaar er bij zijn gekomen in middenduin en in het zeeduin. Vlaamse gaaien zijn tegenwoordig niet meer ‘vlaams’ (de naam is veranderd) en zeer algemeen. Als eters en begravers van eikels spelen ze een niet onbelangrijke rol in de uitbreiding van het eikenbos. Havik, sperwer en buizerd noemt Eli niet; die waren toen te sterk vervolgd om tot broeden te komen. Nu tref je ze op bijna elke wandeling of hoor je hun roep door de bossen.
“Misschien valt langs den weg uw oog op een hier weinig in ’t oog vallende plant, die twee ronde bladeren heeft en een trosje groene bloemen, waarin een goudgeel stipje blinkt. Dat is een orchidee, de keverorchis, die hier in ontzaglijke hoeveelheid en in reusachtige exemplaren voorkomt.’
Volgen we zijn oude spoor dan komen we fraaie restanten van berkenbosjes tegen. Meteen achter de camping bij de Helmweg ligt een dichtgegroeid en nog steeds vochtig stuk met duinriet en braam maar wie weet zal goed speuren een keverorchis op kunnen leveren. In 1981 meldt A. van Ijzerdoorn deze plant wel in zijn doorwrochte verhaal over de flora. Maar wie vindt haar nu?
Andere bosjes met berken ogen droog maar hebben soms een aardige ondergroei met bosaardbei en valse salie, soms een plukje koninginnekruid, kattenstaart en agrimonie, allen vochtminnend.
Dan volgt de uitsmijter van Eli.
‘En stellig, tenminste als ge tegen den avond deze wandeling doet, hoort ge uit de boschjes aan uw linkerhand een zonderling geluid komen, een vreemd geratel of gesnor als van een groot spinnewiel, of van een tandrad dat langs een veer glijdt. Dat doet de geheimzinnige geitenmelker, een groote nachtvogel, half zwaluw, half valk, met heel vreemde gewoonten, waarvan ik nog wel eens iets vertellen zal.“
Het dier zou het er nog een halve eeuw minstens volhouden. Rienk Slings: “Tot rond 1960 broedde de nachtzwaluw jaarlijks in de eikenhakhoutbosjes. In plaats van een nachtegalentocht hield de vogelwerkgroep toen een nachtzwaluwexcursie. Laatste waarneming van dit dier in dit terrein: achter het voormalige jachthuis van jonkheer Gevers (nabij Kijk Uit) dat ik van het PWN een half jaar mocht benutten om mijn boek Duinen en mensen Kennemerland (2009) af te ronden. Nu een drukbezocht theehuis. Hier zaten we in de avond te wachten op de dwergvleermuis, grootoorvleermuis en de laatvlieger. Er ratelde een vreemde vogel in de stille nacht.
Rolf Roos, februari-april 2015
* Deze online versie is in beknoptere vorm op papier verscheen in het Jaarboek van van de werkgroep Oud-Castricum, oktober 2015.
Bronnen:
Heimans, Eli, Vrije duinen. Uit: Met kijker en bus. Amsterdam, 1906;
Heimans, Eli, Zeldzame planten in de duinen. De Levende Natuur, 13 (1908);
Kaan, Niek, De Duinkant, een verdwenen dorpje, 33e Jaarboek Oud-Castricum (2010);
Kaan, Niek, Wie was … jonkheer Frits Gevers, 26e Jaarboek Oud-Castricum (2003);
Roos e.a., Rolf, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam, 2009;
Ijzendoorn, A. L. J. van. 1981 Papenberg, een hok in Castricum. Natura 1981 vol 78 nr 7 pag 234 – 247
Zeiler, Frits David, Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin, PWN, Castricum, 1995.
Met dank aan:
Anneke Brouwer, Niek Kaan, Peter Levi, Rienk Slings, Thea Spruijt en Joost Veer.
(Noot van de redactie 9 maart 2026) Deze tekst is ontleend aan E. Heimans: Met Kijker en bus, 1906, uitgave van Holkema en Warendorf, Amsterdam; verklaring woord ‘bus’: botaniseertrommel. Wat is een botaniseertrommel? Een langwerpige afgeplatte zinken bus met grote opening om vers verzamelende planten in op te bergen om na de wandeling op naam te brengen.
Oorspronkelijke spelling gehandhaafd. Dit artikel beschrijft de wekelijkse wandeling van veel Castricummers maar dan ruim een eeuw geleden. Rondje Papenberg. Een vergelijking van zijn wandeling met de situatie anno 2015 staat hier online. De laatste 10 jaar is er nog meer veranderd. Wie schrijft een aanvulling?
Ely Heimans:
Er is geen wetsartikel, dat meer overtreden wordt dan Art. 461 Wetboek van Strafrecht. Wat mij betreft, als ik voor elke overtreding, die ik willens en wetens er tegen begaan heb, de daarop gestelde boete nog moest betalen, was ik geen dubbeltje meer rijk. Maar ’t is me gelukkig altijd nogal meegeloopen. Wel is mij vaak genoeg, vooral in de duinen, door een veld- of boschwachter behoorlijk uitgeleide gedaan; ik ben ook herhaaldelijk bekeurd als ik aan den eenen kant er uitgezet, aan de andere weer binnen was gekropen; en eens heb ik als een betrapte booswicht, mijn plantenbus moeten leeg pakken en een uitgestoken viooltje weer netjes in den grond moeten zetten.
Al storen wij natuurvrienden uit de stad ons maar een bitter beetje aan het verbiedend plankje, ’t is toch een vervelend gevoel ergens te loopen wandelen, waar je elk oogenblik een boschwachter kunt zien opduiken, die je nijdig vraagt of je permissie hebt; en dubbel te waardeeren is een duinwandeling als wij, ook zonder permissie, en zelfs in den fazantentijd, niet steeds herinnerd worden aan ’t feit dat wij op verboden terrein zijn.
Dat is werkelijk een half uurtje verder sporen waard. Als ik, in den voorzomer eens heerlijk en op mijn gemak langs en door mooie duinen wil zwerven, spoor ik naar Castricum.
Ik kan ieder aanraden dat ook eens te doen. Sla voorbij het station dadelijk links om, neem den eersten overweg den besten aan den Alkmaarschen kant en houdt voortdurend links.
Dan komt ge van zelf op een alleraardigst voetpad, dat eerst een paar minuten gaans tusschen tuinland doorloopt en u brengt tot vlak aan den voet van de hooge mooi belijnde duinengroep, die u uit den trein al zoo verleidelijk tot beklimmen lokte.
Zijt ge nog “jong en vlug ter been” dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers. Maar dat klimpartijtje valt niet mee; ’t is nog heel wat anders dan de zandhelling achter Kraantje Lek. Wie eindelijk boven is, gaat ongenoodigd wel even zitten, en die vergeet stellig zijn uitroep van verlichting voor een dito van bewondering; want het uitzicht is verassend. Naar alle zijden vrij en eindeloos ver. Ge kijkt opeens over heel Noord-Holland heen, over Alkmaar in ’t noorden tot aan de echte witte Blinkerts achter Schoorl; boven de torentjes van Castricum en Limmen zeilt een beurtschipper met volle zeilen, er stoomt een bootje op ’t Alkmaardermeer. Door een dunne fabrieksrook heen draaien de molenwieken van de Zaanstreek, die nog lang niet alle door de stoom op nonactiviteit zijn gesteld; en met wat goeden wil en een besten kijker ziet ge uw eigen Haarlem of Amsterdam, of althans St. Bavo en den Westertoren. Naar ’t westen zijn IJmuiden en Wijk aan Zee heel goed zichtbaar en een tipje van de Noordzee glinstert tusschen twee lage toppen door.
De verre zeeduinen zelf zijn grootendeels verborgen achter een dicht gordijn van groen, dat zijn de bosschen achter de “Brabantsche Landbouw”.
De Papenberg zelf is niet sterk bewassen; wel groeien er verscheidene zeldzame planten, o. a. de mooie, kleine pyramiden- orchis, maar daar kijkt alleen een plantenkenner na. De noordelijke helling evenwel (die naar ’t station is gekeerd) is onderaan geheel verscholen in een dichten kring van hooggeboomte en struikgewas. Wordt het u daar boven te warm of te zonnig, rol dan of duikel, hol of schuifel, al naar leeftijd en massa, de helling halverwege af, daar is het lekker koel; het ziet er rood en wit van nachtegaalskruid en koekoeksbloemen en het wemelt er van allerlei vogels, die u de ooren doof zingen.
Ge kunt ook wel dadelijk de duinen in gaan, steeds links houdend en tot ge aan den rand van ’t duin komt; zorg maar dat de straatweg naar Beverwijk in zicht blijft, dan kunt ge niet dwalen. Maar wie ’t minder vermoeiend blieft aan te leggen, moet weer beneden komen en ’t pad verder volgen onder langs den Papenberg. Dat is inderdaad een van de mooiste wegjes, die ge in heel Holland bewandelen kunt nu hoog dan laag, breed of smal, met de begroeide duinen voortdurend aan de rechterhand; links, vlak land of heerlijke boschjes, van elzen, esschen, eiken en lijsterbes, alles door elkaar en vol met bloemen. Straks bloeien daar in massa’s, het zeepkruid met zijn groote rose bloemen en een heel vreemde plant staat er overal tusschen: een woekerplant, die op een afstand voor een verdorde hyacinth zonder bladeren zou kunnen doorgaan; het is een bremraap met lila bloemen, die woekert op een plant met groote gele bloem, het bitterkruid. Reusachtige wit-wollige ezelsdistels met bloemen als een vuist staan er tusschen manshooge toortsen, met hun schitterend gele bloemknotsen; en om beide heen slingert zich de hagewinde met de groote witte kelken, of kronkelt in gezelschap van hop en kamperfoelie om stam en tak.
Links aan den zoom van het weiland, waar het afstroomend hemelwater den grond vochtig houdt, bloeit de heele zomerflora van den vochtigen zandgrond; prachtige wilgeroosjes en fijn getint leverkruid geven er den toon aan.
Opeens staat ge op den straatweg, nu moet ge rechts om. De weg ligt hier geheel in de schaduw van het hooge duinbosch zodat de wandeling van een kwartiertje een genot is.
Loop door tot even voor Paal 18. Daar is toegang tot het duin langs een kleine zanderij. Een vijftig pas verder is ook een heel mooie weg, die het duin ingaat, maar daar staat weer zoo’n vervelend bordje. Wel niet met verboden toegang en het onmisbaar art. 461, alleen maar het verbod de paden te verlaten. Hebt ge tijd genoeg neem dan dien laatstgenoemden weg, dan kunt ge het nooit genoeg te waardeeren genot smaken, den weg spoedig kwijt te zijn en in wilde, mooie duinen eens lekker te verdwalen.
De weg langs de zandgraverij is bijna even mooi ; en zeker komt ge na een uurtje weer bij het station uit, als ge maar niet ver links af gaat toeren; rechts is geen enkel zijpad zelfs, dat u op een dwaalspoor kan brengen.
In dat eene uurtje langzaam wandelen krijgt ge een afwisseling van duinlandschap dat ge niet licht ergens anders sterker, mooier en gemakkelijker genieten kunt. Eerst, dicht bij den weg nog, de gewone droge duinen van Zandvoort en Scheveningen, in den voorzomer veel mooier dan later in ’t badseizoen. Binnen een kwartier merkt ge wel, als ge maar een heel klein beetje verstand van bloemen hebt, dat de duinen daar laag liggen en ’t grondwater hoog staat. Daar groeien die mooie gevlekte en de effen handekenskruiden, de lichtpaarse orchideeën van onze veenen en moerassen. Ronde blaadjes als van Oost-Indische kers, maar veel kleiner, dekken er den bodem met groene loovertjes; het nieuwe schittergroene leerblad van ’t Wintergroen zweeft hier en daar er boven.
De weg ligt nu verder geheel in de schaduw van sappige berkenboschjes, waar de zangvogels van heel de buurt bijeen zijn om te broeden en te zingen; van tijd tot tijd kort een fasanten-haan, wulpen schreien hoog in de lucht en een kievit verjaagt met moed en groot misbaar twee Vlaamsche Gaaien uit de buurt van zijn nest. Misschien valt langs den weg uw oog op een hier weinig in ’t oog vallende plant, die twee ronde bladeren heeft en een trosje groene bloemen, waarin een goudgeel stipje blinkt. Dat is een orchidee, de keverorchis, die hier in ontzaglijke hoeveelheid en in reusachtige exemplaren voorkomt.
En stellig, tenminste als ge tegen den avond deze wandeling doet, hoort ge uit de boschjes aan uw linkerhand een zonderling geluid komen, een vreemd geratel of gesnor als van een groot spinnewiel, of van een tandrad dat langs een veer glijdt. Dat doet de geheimzinnige geitenmelker, een groote nachtvogel, half zwaluw, half valk, met heel vreemde gewoonten, waarvan ik nog wel eens iets vertellen zal. Ik heb heel wat avonturen beleefd met dat zonderlinge dier.
Dit artikel beschrijft de wekelijkse wandeling van veel Castricummers maar dan ruim een eeuw geleden. Rondje Papenberg. Een vergelijking van zijn wandeling met de situatie anno 2015 staat hier online. De laatste 10 jaar is er nog meer veranderd. Wie schrijft een aanvulling?
Rolf Roos
(update 4 maart 2026)
Dit stukje is voor hondenliefhebbers en hondenhaters en gaat over de helaas subtiele ecologische relatie tussen hondenpoep, bodem en bloemen. In elke column zit een kern van waarheid…leest!
Op 12 januari 2026 hadden de hondenbashers van Staatbosbeheer het NOS Journaal gestrikt om in het Ulvenhoutsebos bij Breda de stikstofdruk van honden te demonstreren. Oplossing: aanlijnen van de beesten en hun baasjes, dan wel geheel weren. Nu heeft Staatsbosbeheer hier toevallig gelijk, want dit bos is te bijzonder voor woorden, maar dat kwam helaas niet goed uit de verf. Het weer was somber, de flora onzichtbaar en de boswachter van dienst was wat strengig. Het Ulvenhoutse bos is zowat het laatste bos met witte rapunzel in dit van mest en mist vergeven land. En die kwetsbare schoonheid verdient een eigen paleis, met hoge hekken rondom. Dat het op 5 minuten autorijden vanaf Breda ligt, is een punt van zorg. De mevrouw die vond dat haar hond hier echt los moest lopen vanwege het ‘socialiseren’ verdient enige heropvoeding. Ook bij Schoorl worden hondenbezitters gemaand vanwege de stikstof, ook hier valt wat voor te zeggen.
Maar de relatie tussen drol en natuur is geen ecologisch appeltje-eitje. Geen simpele relatie tussen oorzaak en gevolg die overal geldig is. Ik verplaats mij naar de duinen om de zaak genuanceerd van drie kanten te bekijken. De eerste mogelijkheid zou kunnen zijn dat de drol (en de plas) er echt niet toe doen. Dat is overal het geval waar het landschap van nature al erg voedselrijk is. Langs de kust geldt dat voor alle kwelders die overstroomd worden door de zee en de randen van het strand waar met vloed veel aanspoelsel neerkomt (incl. wier en lijken). Dat is te zien aan de rijkelijke groei en bloei van zeeaster of zeeraket, een hond kan hier qua stikstof geen kwaad doen. Dat we ze toch uit onze slufters moeten weren komt omdat ze soms argeloze plantenonderzoekers bijten en vogels opjagen. En dat we ook op het strand hondenpoep opruimverplichting mogen instellen is een kwestie van beschaving. Geen drollen in de branding aub.
De tweede mogelijkheid die we – helaas! – onder ogen moeten zien zijn de plekken waar elke mest funest is. Juist in oudere delen van het duinlandschap, die tegenwoordig vaak zijn bebost, en de delen waar schrale hei staat zoals op de Waddeneilanden, is elke gram stikstof er eentje te veel. Je kan dat ook zien in de veel bezochte duinlandgoederen. Bossen, met een oudere, van nature voedselarme en licht zure bodem. In het Bergerbos in de gelijknamige kakgemeente in Noord-Holland is al jaren niet alleen de vogelbevolking gelijk aan die van een stadspark. Ook is de vroeger bescheiden ondergroei langs de paden vervangen door brandnetel, braam en kleefkruid.
Vergelijkbare effecten zien we in andere oude duinbossen, bv. het Landgoed Mildenburg in Oostvoorne, waar de bomenrijen allemaal op zo’n 40cm hoogte een keurige ‘pislijn’ hebben, zoals je die ook in het Amsterdamse Vondelpark ziet. Kijk zelf eens in andere, oudere duinbossen zoals Haagsche bos en Haarlemmerhout en begin ter plekke de dialoog over inperking van de hondenstand.
Maar dan wel meteen met alle luiken open: ook a.u.b. een nachtelijke ophokplicht voor katten binnen 5 kilometer van natuur-of weidegebieden. Een mooi onderwerp voor de a.s. gemeenteraadsverkiezingen.
Maar zouden die honden ook nog iets goeds kunnen doen? Voor de natuur dan? Een generatie geleden, in 2002, maakte ik een kort filmpje over de superrijke flora op het Paasduin, Wijk aan Zee, met een glansrol voor onze hond Lucky, die paradeerde in een bloemenzee met een van de meest zeldzame orchideetjes in het duin, het hondskruid. Af en toe ‘socialiseerde’ ze met een ander hondje. Na dit filmpje ben ik niet verketterd door collega-biologen voor mijn stelling dat een enkele drol in dit vroeger door geiten en een enkele koe (en visafval) bemeste landschap geen kwaad kan. Onder kenners is dit duin een beroemd voorbeeld van een ‘zeedorpenlandschap’. Ook te vinden bij de middeleeuwse vissersplaatjes Scheveningen, Noordwijk en Egmond. Dat een enkele drol hier wellicht zelfs noodzakelijk is nu bemesting door kleinvee al meer dan 100 jaar verleden tijd is. Ga zelf eens kijken in mei of juni aan de noord- of zuidzijde van Egmond aan Zee: wat een ratelaars en nachtsilenes. En wat een boel hondenuitlaters. Als ze nu met de fiets of te voet zouden komen en de te opzichtige stront even met wat zand zouden afdekken, ja, dan zouden we gewoon tolerant kunnen zijn voor honden en hondenbezitters.
Want open en bloot liggende drollen blijven aanstootgevend, net als die uitwerpselen waar de er naast liggende witte papiertjes een andere herkomst doen vermoeden. Foei! Maar in het jonge, kalkrijke duin bij oude vissersplaatsjes is nog toekomst voor de hond. Waar hopelijk (net als in de oude duinbossen en op onze kwelders) na de volgende gemeenteraadsverkiezingen geen enkele moordende kat nog wordt aangetroffen.
Korte reportage uit 2012 van enige orchideetje dat in duin bij Wijk aan Zee veel voorkomt en dan weer vrijwel nergens anders in de Nederlandse duinen. Is er een relatie met honden? Met oud gebruik als vissersdorp? Met de staalfabrieken? Camera: Clemens Jansen
Rob Rossel
Update 25 feb. 2026
In mei 2021 is er op mijn verzoek door Hans de Bruijn en DirkJan Dekker onderzoek gedaan naar mossen en korstmossen in de Bokkepolder. In zes dagen werden alle percelen bezocht en waarnemingen genoteerd. Het resultaat: vele tientallen soorten van beide groepen. Op bomen, op daken en soms op de grond. We geven in dit artikel zicht op deze intrigerende en versmade groepen organismen. En melden ook het een en ander over (korst)mos-etende insecten die ik hier aantrof.
(Overzicht van alle online artikelen over de omgeving van de Goereese Nieuwendijk/Bokkepolder: klik hier.)

Groot dooiermos is veel te zien op plekken met veel stikstof
Mossen en korstmossen lijken verwant, ze worden zelfs binnen één werkgroep onderzocht. De Bryologische + Lichenologische werkgroep (BLWG) van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) doet onderzoek naar mossen en korstmossen. Toch is er van een systematische verwantschap geen sprake. Mossen zijn primitieve planten (o.a. geen echte wortels), kostmossen zijn bijzondere symbioses tussen schimmels en algen (of cyanobacteriën/blauwwieren), waarbij de schimmel de alg steun geeft. Door een gebrekkige natuurwetgeving worden mossen en korstmossen niet beschermd, zelfs niet als ze op de Rode Lijst staan. In Nederland komen ongeveer 600 mossoorten voor. Hiervan staat ongeveer 38 procent op de Rode Lijst. Van de 700 soorten korstmossen staat ongeveer 46 procent op de Rode Lijst. Deze soorten zijn dus zeer kwetsbaar.

Variabele granietmot (Eudonia mercurella) foto Rob Rossel.

Zwart schriftmos
In de Bokkepolder zijn in totaal 53 soorten mossen gevonden. De vondsten van het duinsnavelmos (Rhynchostegium megapolitanum) en dwergwratjesmos (Cololejeunea minutissima) zijn bijzonder; het zijn vrij zeldzame soorten. Ook de uitbundige groei van schriftmossen (Graphidacea spec.) op oude populieren was op sommige plekken spectaculair.
Springstaarten en mosmijten zijn te vinden in het mos. Microvlinders van onder andere het geslacht Eudonia worden regelmatig gevangen in de Bokkepolder. De rupsen van dit geslacht foerageren op diverse mossoorten.
Korstmossen zijn schimmels die samenleven, in symbiose, met groenalg of een blauwalg (of cyano bacterie). De schimmels (mycobiont) geven de stevigheid, de algen (fotobiont) produceren de suikers uit zuurstof en kooldioxide. De blauwalg is bovendien in staat om stikstof (N2) te binden tot amoniak, wat weer een basis is om essentiële eiwitten aan te maken. De schimmel gebruikt kleine vingertjes (hausteria) om door de wand van de algcellen te prikken en zo een deel van de door de fotobiont geproduceerde producten er uit te halen voor eigen leven en groei. De schimmel produceert op zijn beurt licheenzuren die het korstmos bescherm tegen vraat. Door het produceren van kleurstoffen beschermt de schimmel de fotobiont tegen de UV straling van de zon. Een situatie waarin zowel de schimmel als de symbiont voordeel van hebben. Deze definitie heeft men lang gebezigd. Er is lang gedacht dat een korstmos een symbiose was van één schimmel en één alg, tegenwoordig is deze gedachte verlaten en ziet men het meer als een dynamische structuur van schimmels, algen, gisten en bacteriën. Ieder onderdeel van dit systeem levert een bijdrage voor de ontwikkeling van het korstmos. Het is moeilijk eenduidig te benoemen tot welke soort een korstmos behoort. Korstmossen zijn binnen de biologie voor de taxonomen dan ook een nachtmerrie. Ze bestaan namelijk uit een combinatie van organismen die niet samen geëvolueerd zijn maar op een bepaald moment van hun ontwikkeling zijn samengekomen. De naamgeving wordt hierdoor ingewikkeld. Deze wordt bij korstmossen bepaald door de schimmelpartner, ongeacht met welke andere bionten een verbond is gesloten.

Gewoon schildmos (links) en eikemos: een struikvormig korstmos, gevoeliger voor luchtvervuiling.
Korstmossen komen in veel vormen voor. We onderscheiden korst-, blad- en struikvormige korstmossen. Alle vormen komen in de Bokkepolder voor. Niet alle korstmossen groeien op de bomen, veel korstmossen groeien op de grond en zorgen voor het vastleggen van de bodem. . In de Bokkepolder is er veel hoogopgaande begroeiing waardoor de korstmossen zich op de grond niet tot nauwelijks kunnen ontwikkelen.
Korstmossen bezetten 8% van het landoppervlak en zijn zelfs in de meest extreme omstandigheden te vinden. Zelfs gedroogd, diep bevroren of een verblijf buiten de dampkring, het deert hen niet. In de Bokkepolder zijn de meeste korstmossen te vinden op bomen, , op hout en stenen (o.a. daken en terassen). De korstmossen hebben specifieke omstandigheden nodig om zich te ontwikkelen. Er moet zowel vocht als licht aanwezig zijn. Tussen de 50-70% vochtigheid is optimaal. Daaronder of erboven zorgt er voor dat de fotosynthese stil valt. Ook dient het substraat waarop het korstmos groeit geschikt te zijn. De structuur en zuurgraad van het schors van bomen kan bepalend zijn welke korstmossen hierop groeien. Op de akkers vind je geen korstmossen, hier wordt de grond teveel beroerd. Korstmossen staan aan het begin van de mineralencyclus. Ze groeien op gesteenten en verweren dit door het eerst te breken, waarna er met wortelzuren mineralen opgelost en opgenomen worden. Wanneer het korstmos dood gaat vormt het zo een voedingsboden voor andere planten. Ook op sommige huizen in de Bokkepolder bevinden zich korstmossen. Het zal echter nog vele eeuwen duren voordat de huizen in zullen storten als gevolg van een korstmos. De meeste soorten groeien maar een paar millimeter per jaar en kunnen allerlei kleuren hebben zoals grijs, geel, oranje, rood of zwart. Korstmossen kunnen, onder gunstige omstandigheden zeer oud worden. In het Zweedse Lapland in Fulufjället komt het oudste tot nu toe bekende gewoon landkaartkorstmos (Rhizocarpon geographicum ) voor, deze is zo’n 9000 jaar oud. Deze groeit echter maar een fractie van een millimeter per jaar.
Schriftmossen: natuurlijke kalligrafie op boomschors
Wie goed kijkt naar boomschors op de oude populieren ziet soms fijne, zwarte lijntjes die lijken op geheimzinnige letters of krabbels. Dat zijn schriftmossen, korstmossen uit onder andere het geslacht Graphis scripta, bekend om hun “geschreven” patronen. Op sommige plekken binnen de Bokkepolder was de aanwezigheid van deze korstmossen spectaculair te noemen. De zwarte lijntjes zijn de vruchtlichamen (zogeheten lirellen) van de schimmel. Ze liggen als barstjes of streepjes in het korstmos en bevatten sporen. De grillige vormen – recht, gebogen of vertakt – geven het geheel het uiterlijk van een onbekend alfabet. Schriftmossen houden van relatief schone lucht en zijn daarom gevoelig voor luchtvervuiling. Hun aanwezigheid kan wijzen op een gunstige luchtkwaliteit. Ze groeien vaak aan de vochtige zuidwestkant van bomen met ruwe schors, waar regen en wind voor een licht vochtig microklimaat zorgen. Oude populieren en eiken bieden door hun ruwe structuur een geschikte vestigingsplaats.

Korstmosspanner. Foto Jurrian van Deijk
Korstmossen worden gegeten door diverse dieren. Bekend zijn de rendieren die zich tegoed doen aan het bekende rendiermos. Ook deze korstmos komt voor in de Bokkepolder, maar bij de zoogdieren zal u het rendier niet tegenkomen. Korstmossen zijn rijk aan koolhydraten maar arm aan eiwitten en zijn moeilijk te verteren. Voor mensen is het niet aantrekkelijk vanwege het hoge gehalte aan licheenzuren maar eskimo’s, die vaak aangewezen zijn op korstmossen, weten het zo te bereiden dat de smaak en verteerbaarheid sterk verbetert. Gezien de oplopende temperaturen als gevolg van klimaatopwarming hoeven we ons daar gelukkig niet aan te wagen. Maar er zijn diverse ongewervelden waarvan de rupsen en larven wel graag van de korstmossen eten. Bekend is de zeldzame korstmosspanner (Cleorodes lichenaria) die één keer gezien is in de Bokkepolder. Verder de diverse soorten korstmosuilen waarvan de rupsen de korstmossen eten. Ook de rupsen van het rozenblaadje (Miltochrista miniata) fourageren op korstmossen, maar dan voornamelijk op korstmossen die op de eik groeien.
Verder zijn er nog tientallen andere insectensoorten waarvan de rups of larve zich tegoed doet aan de korstmossen. Daarnaast zijn er parasitaire schimmels, virussen en bacteriën die het leven van het korstmos zuur maakt.

Typische beeld van boom in stikstofrijke omgeving: veel gele en grijze korstmossen, geen struikvormige
Veel korstmossen zijn uiterst gevoelig voor veranderingen in het milieu. Ze reageren heel snel en zijn hiermee bruikbaar als indicator. In de jaren 70 waren er heel veel korstmossen verdwenen omdat de zwaveldioxide (SO2) giftig was voor deze soorten, zoals de groene schotelkorst. Alleen de soorten die sterk zuurminnend (acidofyt) waren floreerden. Na beperking van de uitstoot van zwaveldioxiden door fabrieken en auto’s reageerden deze korstmossen hierop en groeiden aanmerkelijk minder uitbundig. Momenteel, anno 2023, zijn het vooral de gele korstmossen welke positief reageren op de overmaat van stikstof in de lucht (nitrofyt). Ook in de Bokkepolder zijn op de bomen die langs de akkers staan de gele dooiermossen uitbundig aanwezig. Verder van de akkers weg zijn deze soorten aanmerkelijk minder uitbundig.
In de Bokkepolder zijn 44 soorten korstmossen gevonden. Per erf kwamen er tussen de 13 en 24 soorten voor.
(3 maart 2026)
We presenteren vijf verhalen van vier auteurs over een legendarische plek in de zeereep: De Kerf. Na jarenlange ‘bevriezing’ van de kunstmatig vastgehouden zeereep trad in het brede duin van Schoorl dooi in, in de vorm van nieuwe verstuiving, een Kerf in de zeereep werd bedacht en uitgevoerd. Het zoute water mocht naar binnen. De zeereep werd deels weggegraven, er achter werd ook een vallei uitgegraven. Hoe pakte deze ingrepen uit? We geven impressies door de jaren heen. Maar eerst enige recente foto’s van winter 2026.
16 januari 2026 berichtte duinconsulent Emiel Oost ons:
” Op de Kerf zag ik dat er daar aanzienlijke graafwerkzaamheden plaatsvonden (zie foto’s). Ik had daar nog niet eerder van gehoord. Zo te zien wil men aan de zeekant de opening van De Kerf gaan verbreden. Blijkbaar is de opening over de jaren steeds smaller geworden, waardoor de wind het zand niet meer de duinen in kan blazen. Direct na aanleg van de Kerf in 1997 was de ingang van De Kerf immers 50 meter breed en dat is nu zeker niet meer het geval.”

2026 Afgegraven en gezeefde bodem in het kader van bestrijding van exoten rimpelroos enAmerikaanse-vogelkers Foto Theo-Baas
Naast deze verhalen die we hier bundelen is er een mooi gefotografeerd verhaal op de website noordhollandse duinen en een tot nu toe flinterdun lapje tekst op wikipedia: “Soorten die bekend zijn van de kwelders als de gelobde melde, strandbiet en het zilt torkruid komen hier nu voor. Veel rode lijst soorten krijgen hier een plaats.” De Kerf verdient een weidser verhaal. Met deze collage van vijf verhalen (en extra mooie foto’s van o.a. Theo Baas) geven we hopelijk ruim zicht op dit iconische hoekje duin. Er is gepleit voor integraal begrazingsbeheer met PWN; nu is er geen beheer behalve de gefotografeerde ingrepen.

Foto uit 1997 van Koos Leek van nog open kerf met binnengestroomd water.
Met toestemming ontleend aan: Nieuwenhuizen, F. (1999) De Kerf. De Graspieper 19 (2): 25-28. Een leuk stuk omdat hij de situatie vanaf 1990 kende. Frans is inmiddels overleden.
De zeereep kent iedereen als een strakke met helm begroeide duinenrij, vrijwel altijd afgezet met prikkeldraad. Mocht dit puntdraad u al duidelijk maken dat u daar niet welkom bent, het overbekende bordje “Verboden toegang” doet daar nog eens een extra schepje bovenop. Zodra er door menselijke activiteiten of door weersomstandigheden stuifduinen ontstaan, worden er onmiddellijk maatregelen genomen om dit stuivende zand vast te leggen. Door deze maatregelen is de zeereep in de loop der tijd in een zware zanddijk veranderd, waardoor de zee geen schijn van kans maakt om er doorheen te breken. Allemaal best te begrijpen, de zeereep wordt immers altijd al in stand gehouden voor de veiligheid van het achterland?
In 1990 echter besloten parlement en regering tot een andere aanpak, het zogenaamde “dynamisch handhaven” van de kustlijn. Eenvoudig gezegd: daar waar het mogelijk is moeten water, wind en zand vrij spel kunnen krijgen. Het spreekt overigens vanzelf dat daar jaren denkwerk en studie aan vooraf zijn gegaan o.a. door de Stichting Duinbehoud en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Voor deze frisse en gedurfde aanpak werd voor Schoorl gekozen. Niet zo verwonderlijk aangezien het duingebied onder Schoorl tot het breedste van ons land behoort. Daar komt nog bij dat de zeereep en de achterliggende valleien relatief laag liggen, terwijl er na de valleien een tweede, hoge duinenrij ligt. Bovendien is de zee hier al eens twee keer eerder doorgebroken in 1928 en in 1953. Daarbij bleek de genoemde tweede duinenrij zeer wel in staat om het getij te keren. Ten gevolge daarvan werd in het najaar van 1997 met behulp van zwaar materiaal ter hoogte van paal 30.55 een kerf in de zeereep gemaakt. Hierbij werd zo’n slordige 130.000 m2 zand verzet. De achterliggende Parnassiavallei werd eveneens afgeplagd. De begroeiing hier bestond vrijwel uitsluitend uit kraaiheide, zandzegge en helmgras. Je zou in dit geval kunnen spreken van een soort eindfase in een successiereeks. Met andere woorden, deze vegetatie had daar tot in lengte van jaren kunnen blijven liggen zonder enige kans op verstuivingen of andere dynamische processen; vandaar deze ingreep. De eigenlijke kerf werd uitgediept tot 1.50 meter boven NAP, terwijl de vallei op 1.90 meter boven NAP werd afgeplagd. In het begin kreeg De Kerf door de vele publiciteit (radio, televisie en de grote landelijke dagbladen) veel bezoek te verwerken. Wanneer ik dit schrijf (mei 1999) is dit bezoek ietwat geluwd, al blijft het toch altijd nog een trekpleister van de eerste orde.
Het spreekt vanzelf dat voor de werkzaamheden de vegetatie in de vallei grondig is geïnventariseerd, terwijl eveneens het voorkomen van loopkevers werd onderzocht (Ten Haaf 1999, Brugge & Krijger 1999). Loopkevers vormen samen met de spinnen zo’n 90 procent van de bodemfauna in soorten en individuen. Tevens reageren loopkevers vrijwel onmiddellijk op veranderingen in het terrein en kunnen met name in pioniermilieus weer snel voorkomen, zowel in zoet/zoute biotopen als in stuifduinen. Vooral het voorkomen van ’zoute’ soorten is van groot belang, omdat zij in Europa een beperkt areaal hebben.
Wat zijn er nu ruwweg anderhalf jaar later voor veranderingen opgetreden? Wel, ondanks het feit dat het gebied nog maar net op de schop is gegaan en het er nog maagdelijk uitziet, zijn er toch al diverse interessante ontwikkelingen gaande. Zo is er met name in het noordelijk gedeelte van De Kerf vanwege de zeewind toch al sprake van nieuwe duinvorming. Onder invloed van enkele taaie rakkers als zeeraket en biestarwegras wordt het zand plaatselijk vastgehouden. Door de harde westelijke wind stuift het zand landinwaarts en daar krijgen genoemde plantensoorten hulp van onder meer zandzegge en helmgras. Langs de vloedmerken wisten zich in 1998 ook al redelijk wat nieuwe planten te vestigen. Vloedmerken zijn de randen van aanspoelsel als wier, schelpen, dode dieren, hout en helaas, tegenwoordig ook allerlei menselijk afval zoals plastic en glas. Deze randen worden hier en daar overstoven door zand en vormen op die manier een ideaal substraat voor sommige plantensoorten. Naast het reeds genoemde biestarwegras en zeeraket werden loogkruid, zeepostelein en enkele kiemplanten van de zeldzame zeewinde en zeewolfsmelk aangetroffen. Tevens kwam langs de gehele noordrand van De Kerf de weinig opvallende gelobde melde voor. Een grappige bijkomstigheid was de aanwezigheid van vrij veel “miniatuurzonnebloemen”. De zaden van deze soort zijn goed bestand tegen het zoute zeewater en ontkiemen vrij gemakkelijk. Op dit moment staan er vele tienduizenden exemplaren langs de vloedmerken; dat belooft wat wanneer ze gaan bloeien…
Verwacht wordt dat op de delen waar de zee regelmatig binnenstroomt zich kwelderplanten als zeekraal, schorrekruid en lamsoor zullen vestigen. In dit verband gloort er enige hoop, want de zee heeft een dun laagje zeeklei achtergelaten waardoor er een geschikt milieu voor deze planten zou kunnen ontstaan. Zoals gezegd is de recreatieve druk nog steeds vrij groot en dat is uiteraard niet bevorderlijk voor kiemplantjes. Door het plaatsen van enkele panelen met een duidelijke tekst hopen wij het publiek in goede banen te leiden. Onze verwachtingen zijn wat dit betreft hoopvol.
Wat de loopkevers betreft heeft de aanleg van De Kerf uiteraard grote veranderingen gebracht in de samenstelling. Het onderzoek in 1997 (vóór de ingreep) en 1998 laat duidelijk zien dat het terrein een veel interessantere fauna krijgt. Er komen nu veel gespecialiseerde soorten voor. Het zijn juist de aan de kust gebonden pionierssoorten van voedselarme bodems die wij tot de nieuwkomers kunnen rekenen. Een voorbeeld dienaangaande is de Strandzandloopkever, die veel op de gewone Bronzen zandloopkever lijkt, maar op meer vochtige plaatsen leeft. Deze soort kan zelfs tegen periodieke overstromingen en komt dus voor in de monding van De Kerf en op het strand. Een soort die ernstig te lijden heeft van de recreatiedruk en het dichtgroeien van het duingebied door mossen en grassen is de reeds genoemde Bronzen zandloopkever.
De verwachting is dat in het noordelijke gedeelte van De Kerf de soort zelfs door te veel betreding geheel zal verdwijnen. Over de vogels is nog niet zoveel te melden. Zilver-, Kleine Mantel-, Kok- en Stormmeeuw worden er zeer regelmatig aangetroffen. Bergeend, Bruine Kiekendief, Torenvalk, Scholekster, Koekoek, Veld- en Boomleeuwerik, Gras-, Boompieper en Zwarte Kraai worden eveneens in en in de onmiddellijke omgeving van De Kerf gesignaleerd. Ongetwijfeld zijn er veel meer soorten gezien dan hier zijn vermeld. Wat de broedvogels betreft mag zeker het succesvol broedgeval van de Bontbekplevier niet onvermeld blijven. Er werd een paartje met twee jongen gesignaleerd. Het paartje broedde in het noordoostelijk gedeelte op een plaats waar dagelijks honderden mensen waren te vinden… Hoewel vaak Bergeenden op het water worden aangetroffen, is van een broedgeval in De Kerf of de afgeplagde Parnassia-vallei tot nu toe niets gebleken. De zandhagedis kwam hier in vergelijking met andere duinterreinen vóór de ingreep sporadisch voor. Jonge dieren werden met enige regelmaat in de kevervallen gevonden. Na de ingreep is hij aan de rand van de vallei enkele keren waargenomen. De aanwezigheid van zand als gevolg van bestuivingen is essentieel voor de eiafzetting. Hoe het dit reptiel verder zal vergaan is nu nog een vraag. De tijd zal het leren. Ook de zee zelf neemt bij hoog water en harde wind, voornamelijk uit westelijke richtingen, regelmatig bezit van De Kerf. Dit gebeurt grotendeels gedurende het najaar. Wanneer je een ander vanaf het duingebied bekijkt is dat altijd weer een fantastisch en haast onwerkelijk gezicht. Daar zijn dan tijdens harde wind grote, schuimende golven te zien en dan te bedenken dat daar eens kraaiheide groeide…
Brugge, B & J.P. de Krijger 1999. Verslag van een monitoringonderzoek naar de loopkeverfauna in de Kerf bij Schoorl aan Zee paal 30-400 in 1998 ten behoeve van het natuurontwikkelingsproject Dynamiek in de kustzone. Schatgraven in de Schoorlse duinen. Instituut voor Systematiek en Oecologie–Zoologisch Museum Universiteit van Amsterdam, afdeling Entomologie.
Ten Haaf, C. 1999. De Kerf bij Schoorl, monitoring van vegetatie en flora. Ten Haaf en Bakker Ecologisch en hydrologisch adviesbureau, Alkmaar.
Voor in 1997 de bulldozers de opening mochten maken en Rijkswaterstaat uiteindelijk haar fiat gaf, was er al jaren nagedacht. In 1995 maakte Ulco Glimmerveen voor het boek Bewogen Kustlandschap deze vogelvlucht, als weergave van het denken op dat moment: de zoute zee zou binnendringen en het landschap herscheppen. In de zeereep zouden nieuwe parabolen zich vormen.

Bijschrift 1995 “Toekomstimpressie – in zuidelijke richting – van het kustlandschap ten noorden van Bergen aan Zee. De zeereep is geopend, het Parnassia- en Buizerdvlak zijn weer nat en een kluut zweeft door de lucht boven dit slufterlandschap.” (Ulco Glimmerveen – uit Bewogen kustlandschap p165)
Neem nu de Kerf van Schoorl. In 1995 stond in mijn boek Bewogen Kustlandschap het toekomstbeeld van de ontwerpers, als impressie getekend door Ulco Glimmerveen. De zee zou blijvend binnendringen; de zeereep zou gaan stuiven; er zou een zoutminnende vegetatie ontstaan met een paarsrode gloed van lamsoor en zeekraal en slechts een enkele bezoeker zou de drassigheid trotseren. De zoutminnende planten kwamen er inderdaad, alleen niet lamsoor, maar zeerus en de zeewinde. De kluten bleven weg, mede doordat dit nieuwe landschap een topattractie bleek. De Kerf bleef mede open door de vele wandelaars en crossers. Zee en wind vulden de luwe ruimtes achter de zeereep bij de Kerf weer relatief snel met zand en aanspoelsel. Overstroming is nu een incident. Een kerf zoals bij Schoorl, aangelegd op een plek waar de natuur dat niet zou doen, gaat vanzelf weer dicht. Als een huid die zich sluit. Wel hebben we ervaren dat een gat in de zeereep geen veiligheidsrisico hoeft te geven. En onverwachte dingen: een beetje extra zand overpoederde landinwaarts de heide en deze begon uitbundiger te bloeien, dus toch een paarse gloed al is het van andere bloemen dan voorzien. Kortom: niets veroudert sneller dan een toekomstvisie.

Meer bloei bij de struikheide, dankzij klein beetje overpoedering met overstuivend zand. Foto Theo Baas
Thea Spruyt, een uitmuntende floriste, is inmiddels overleden. Op deze site heeft zij een hoofdrol in een artikel over stofzaad.
In 2003 is het project geëvalueerd: dynamiek was aanwezig, zilte soorten en de natte duinvallei kwamen goed tot ontwikkeling. Parnassia en Moeraswespenorchis werden genoemd, en Zeewolfsmelk arriveerde aarzelend. Toeristen bleven komen, maar floristisch werd het stil. De ingang bij zee werd door instuivend zand minder breed en diep; zeewater kwam er zelden meer binnen. Er leek niets bijzonders meer te verwachten.
Het tij keerde toen in de voorzomer van 2009 een paar planten Zeewolfsmelk en Zeepostelein werden herontdekt. Zij lokten floristen die op hun beurt later die zomer meer exemplaren van beide soorten vonden. Daarnaast vonden zij nog méér zeldzame kustplanten: Zeevenkel en Zeelathyrus zijn juweeltjes, die je behalve bij het Kennemerstrand zelden langs de vastelandskust vindt. In De Kerf waren ze nog niet eerder gezien. Parnassia en andere soorten van natte duinvalleien zoals Sierlijke vetmuur groeien er volop, terwijl verderop buiten het zilte stuk Rond wintergroen massaal groeit. Waar wat klei is achtergebleven groeien Zulte (Zeeaster) en Zilte zegge; soorten die je eerder op kwelders verwacht. Op de droge delen in De Kerf waar het zand minder stuift bloeit Zeewinde.
In de droge zomer van 2010 werden deze zeldzame kustplanten opnieuw gemeld. Het lijken dus blijvertjes. Of ze voor 2009 verdwenen waren en opnieuw uit door zee aangevoerd zaad weer zijn ontkiemd, of dat ze jaren over het hoofd zijn gezien, is onbekend. Regelmatig kijken en melden blijft nodig, ook op andere ‘vergeten’ plekken.
De Kerf was het eerste experiment met een opening in de zeereep. De kust kon het aan, maar de beoogde zilte vegetaties hielden geen stand doordat de Kerf verzandde en geen gierend windgat werd waardoor zee en vooral zand blijvend naar binnen konden komen. De natuur voegt zich na 20 jaar naar het nieuwere zoete water in een iets kalkrijker, verjongd milieu. Zo dook bijvoorbeeld moeraslathyrus op en daar moet het echt zoet voor zijn.
Ik ben erg positief over de ontwikkeling. Het is erg kruidenrijk geworden met plaatselijk goed ontwikkelde vochtige heide en soorten van vochtige valleien. Het aandeel van soorten als knopbies is sterk toegenomen. De foto’s uit 2022 geven hier een goed beeld van. Ook in 2025 blijken nog veel soorten van zilte omstandigheden voor te komen als zilt torkruid, sierlijk vetmuur, zeewolfsmelk en stijve ogentroost maar ook soorten als parnassia en strandduizendguldenkruid doen het nog steeds goed.

Zeewinde groeit vaak op noordhellingen maar alleen bij een recente grote invloed van instuivend zand. Ook te zien aan de noordpunt van Texel waar extra zand aanstuift in ouder duin. Foto Theo Baas
Verrassend is dat moeraslathyrus er nog steeds staat. Nieuw voor mij zijn soorten als duinaveruit, kattendoorn, nachtsilene, veenpluis, gewone vleugeltjesbloem, driedistel en walstrobremraap. Bijzonder is het voorkomen van zeewinde. De soort staat hier een paar honderd meter van de zeereep tussen de eikvarens in een vegetatie van zandzegge en zandblauwtjes. Mogelijk onder invloed van stuivend zand, ze staan er in ieder geval vitaal bij. Een punt van aandacht betreft een flinke groeiplaats van rimpelroos en opslag van dennen. Hier moet niet te lang worden gewacht met ingrijpen.
Zeewinde groeit vaak op noordhellingen met recent een sterke verandering met instuivend zand. Ook te zien aan noordpunt Texel waar extra zand aanstuift in ouder duin.

2022 Op de voorgrond een vochtige dopheide vegetatie met kruipwilg op onvergraven bodem met nieuwvestiging van rietorchis en grote ratelaar. Daarachter een vochtige vallei op afgeplagde bodem met grote pollen knopbies. In het duin een (onvergraven) zone met donkergroene kraaiheide. Foto Theo Baas.

Toenemende bloemenrijkdom met o.a. rode klaver, kattendoorn, rolklaver en grote ratelaar maar ook opduiken van boompjes (den).

Dit was de droom. De realiteit pakte anders uit. Ook leuk maar niet conform de tekentafel. Het beeld uit 1995 is ontleend aan het slufterlandschap bij Texel; daar ligt de doorbraak op een natuurlijke plek in een wijds landschap, maar ook daar wordt aan de ingang soms gesleuteld en er waren in de 19e eeuw zelfs meerdere slufters… Maar achter deze kerf op Texel ligt een weids kwelderlandschap en daarvan is op Schoorl geen sprake. Een vrijwel natuurlijk slufterlandschap ligt behalve op Texel op de Kwade Hoek (Goeree) en op Schiermonnikoog natuurlijk. Beeld Ulco Glimmerveen/uit: Rolf Roos Bewogen kustlandschap 1995.
Bert de Boer
Barlia robertiana (hyacintorchis) is een nieuwe soort in de duinen. Het verspreidingsgebied ligt rond de Middellandse zee, maar langzamerhand rukt de soort naar het noorden op. Een eerste vondst in 2020 bij Noordwijk blijkt stand te houden. Net als bokkenorchis, poppenorchis en bijenorchis speelt het warmere klimaat deze soort in de kaart.
In 2017 werd de hyacintorchis waargenomen aan de Belgische kant van de St. Pietersberg (groeve van Loen). Vermoedelijk is het lichte zaad vanuit (Noord) Frankrijk, via het Maasdal, met zuidelijke wind verplaatst. In 2020 werd de soort voor het eerst ontdekt en gemeld in de Zuid-Hollandse duinen door boswachter Casper Zuyderduyn. De hyacinthorchis is een vroege bloeier, vanaf eind februari (2017) kunnen ze al bloeien. In 2025 viel de bloei later, pas tweede helft maart. Ik fotografeerde de soort op 18 maart.
De groeiplaats moet een beschutte ligging hebben met oriëntatie op het (warme) zuiden, zoals een zuidhelling van een duin. Het aantal gevonden exemplaren in 2025 was vooralsnog zes stuks, waarbij de grootste zo’n 40 cm hoog is. De planten gaan vergezeld van verschillende (helm)grassen en licht, open struweel (meidoorn en dennen). De bodem is vermoedelijk licht kalkhoudend tot neutraal, vanwege de locatie in het binnenduinrand gebied. De grootte van het rozet en de kleur maken voor de bloei verwarring met de bokkenorchis mogelijk.

(slothoofdstuk uit het boek: ‘Bewogen Kustlandschap, duinen en polders van Noord-Kennemerland’ uit 1995, bewerkt 2026)
[Noot 2026: In 1995 ben ik begonnen met lichtvoetig-stichtelijke slotpraatjes bij mijn boeken. Er was altijd van alles wat nog samen moest vloeien of met elkaar in verband moest worden gebracht. Het slothoofdstuk was ook steeds een stijlbreuk met de voorafgaande teksten: Niet geschreven in de derde maar in de eerste persoon en als ik een essayistische schaatsslag wilde uitproberen, niemand die me kon tegen houden op dit gladde ijs. In 1995 koos ik ook voor veel poezie, omdat ik niet ten onterechte dacht dat anderen het soms veel beter konden verwoorden. En kruidige citaten bleven. Er is al zoveel moois gezegd door eerdere duinminnaars, dat verdient steeds opnieuw afgestoft te worden.
We beginnen de epiloog van Bewogen kustlandschap met een bijna 100 jaar oud citaat van vogelkenner en fotograaf Jan Strijbosch, al was het maar vanwege woorden als ‘stommiteiten’ en ‘smullen’. En ook in dit stukje bak ik bouwstenen voor een synthese tussen natuur en het menselijk gewoel. Een streven, geen bouwwerk.]
Wel heeft Kennemerland in de laatste kwart eeuw heel veel verloren zien gaan, dankzij Wateronttrekking, Wegenaanleg, Werkverschaffing, Stadsuitbreiding en Stommiteiten, maar nog steeds is het een oord waar we naar hartelust kunnen smullen van planten en bloemen, vogels en insecten, een streek die met de beste en rijkste landschappen van ons land kan wedijveren.” (Jan. P. Strijbos, 1929)
In het jaar dat ik dit boek schreef (1994) kreeg ik een ander beeld van het duin. Ik had permissie om de meest kwetsbare hoekjes op de meest onmogelijke tijdstippen te mogen bezoeken. Dat is een voorrecht. Het duin krijgt, na een schemerig bezoek aan de duinrooshellingen bij Wimmenum of door het begluren van spelende vosjes in een stuifkuil, een heel ander aanzien.
Ik behoor sindsdien tot de mensen die het verwijderen van asfalt en overbodige bordjes toejuichen. Om -in deze tijd vol regeltjes- het zwerversbloed een beetje te kunnen laten stromen, vormt een nieuw plan als Het Voetspoor een uitdaging. Bij dit plan voor de duinroosrijke duinen ten zuiden van Bergen aan Zee, zal meer ruimte komen voor de duinwandelaar én voor de spontane verstuiving van het duin.
De behoefte om ook buiten het ‘braamseizoen’ – wanneer buitenpaads duinbezoek net wordt gedoogd – te mogen struinen is door de toenemende aantallen bezoekers echter niet onbeperkt te bevredigen. Nu is het bijzondere van een afwisselend duingebied dat bijna alles ook vanaf het pad is te zien, horen of ruiken. Soms groeien curieuze planten tamelijk brutaal pal naast die paden. Zoals (in april) de gele voorjaarsganzerik langs het pad in het Castricumse infiltratieveld, begin juni gevolgd door roze en wit stralende rozenkransjes bij Bergen aan Zee langs het Paadje van Praat of (in september) de bloeiende blauwe knoop op een duinkopje bij Bakkumse Noordweg. En waar een nachtvos het pad van de wandelaar heeft gekruist, hangt overdag de onzichtbare, maar goed te ruiken ‘geurvlag’ van verse urine: een markering van het territorium.
Tijdens het schrijven volgde ik het spoor van het heden naar het verleden. Eén spoor liep naar de anno 1995 uiterst zeldzame jeneverbes. Archeologen berichten over greppels die er mee in de ijzertijd werden afgedicht en ook de stuifmeelkenners (palynologen) melden op basis van fossiel jeneverbesstuifmeel een ruime verspreiding in het verre verleden. Dat maakt nieuwsgierig. Ik vond op aanwijzing van de beheerder in het uiterste hoekje van het Noordhollands Duinreservaat een eenzaam exemplaar. Helaas zonder de leven verspreidende bessen. Het was een mannetjesstruik of een onbevrucht vrouwtje. Rijkelijk groeiden de korstmossen in de bejaarde takken. Dankzij geologen kreeg ik een beeld van het oude duinlandschap waar deze sprookjesachtige struik deel van uitmaakte. Zo drong via de huid van de natuur vooral de geschiedenis zich op de voorgrond.
Het meest indrukwekkend vond ik in dit verband een polderperceel dat in 1995 op de kop af al 644 jaar met rust gelaten was. Op het oog een rommelig graslandje met wat kuilen en sloten, bij nadere beschouwing een sinds 1351 verlaten gebied, waar in dat jaar het kasteel Oud-Haerlem in puin werd gelegd. De bodemschatten en het reliëf bleef ongeschonden omdat het terrein tot voor kort adellijk bezit was, er geen nieuwbouw verrees en er alleen wat vee stond. En wat wellicht ook hielp: vanwege het ‘archeologisch bodemarchief’ is het een Rijksmonument.
[Rond 2017 later beschreef ik samen met Boudewijn Bakker een 17e eeuws werk van Roelant Roghman van deze plek: de ruine van het kasteel van Oud-Haerlem, te Heemskerk.]
Toen ik er in 1995 rondliep, raasde er een snelweg en een spoorbaan langs. Even verderop lag achter de middeleeuwse dijk van de Zuidermaatweg een motercrosterrein. De Heemskerkse nieuwbouw zat reeds op de eerste rij mocht het tot een eventuele opgraving komen. Door mijn bezoek verjoeg ik kortstondig hazen en watersnippen. Een oud landschapje met zich steeds verjongende natuur die zich al eeuwen voegt naar de historische vormen van vroegere burcht en wallen.
De ontdekking
Wij leefden eertijds, grazend als de dieren,
in een stil dal tussen de duinen in,
spelende met het licht en bruiloft vierend,
beschut tegen het raadsel van de wind.
Maar wie van ons ’t ruisen der zee vernamen,
wilden haar zien, stegen een duin ten top,
tuurden tot aan de kim en nieuwe namen
vielen hen in. Sindsdien gaan zij rechtop.
Het duin noemen zij zeewering, de stilte
ontdekten zij als een zwijgend geluid.
Het komt hun voor als liep een god op vilten
zolen hun dal onzichtbaar in en uit.
(G. van der Graft, uit Verzamelde gedichten I 1940-1946)
Op zaterdagavond 17 december 1994 belt de historicus Frits David Zeiler me op. Op een veiling had hij een 17e eeuws boek op de kop getikt. Hierin stond een conflict uit 1613 over de toenmalige duineigenaren bij Castricum, die de toen overal aanwezige duinmeren door middel van een gegraven waterloop hadden ontwaterd. En nu zaten de buren, de boeren van Bakkum, met de wateroverlast. Dit definitieve bewijs van de voorheen ‘natuurlijk’ geachte Hoepbeek -waarnaar het Bezoekerscentrum te Castricum is genoemd- laat wel zien dat de invloed van de mens op het duin niet van gisteren is. En waren er toen klachten over wateroverlast, rond 1935 klaagden dezelfde partijen over watertekort. En wat ‘natuur’ leek, bleek toch ‘geschiedenis’.
Door het achterhalen van de geschiedenis wordt het landschap een stuk spannender. Maar de natuur verliest haar onschuld.
Nu u tot deze bladzij bent gevorderd, herkent u dat wellicht. Wie niet gehinderd wordt door de in dit boek beschreven geschiedenis zal de duinen wellicht als een veel woester en gaver gebied ervaren. Als u die illusie zou willen koesteren, dan bent u nu te laat. Want wie weet van zaken als bosaanplant, de effecten van de jacht, het geploeter van kleine boeren, de geslaagde pogingen het stuifzand te bedwingen, de ongekende verdroging en het gesleep met zand en dieren, dan lijkt bijna niets meer ‘gaaf’. Zelfs de nu alom gewaardeerde konijnen bleken, in tegenstelling tot de vos, niet ‘echt’ inheems. Alleen in de brede strook achter de zeereep tot aan de rand van de bebossing is de bodem gaaf, zoals het Reggers Sandervlak en de duinen ten noorden van de Woudweg. In deze strook zal nog menige archeologische vondst worden gedaan.
Het beeld van een natuurrijk, maar vaak slechts gedeeltelijk natuurlijk, landschap wordt door minstens twee betrokkenen opgevijzeld: de natuur zelf en de beheerders.
De natuur en haar partner ’tijd’ schaven alle harde menselijke vormen bij tot zachte en kleurrijke overgangen in het landschap. Zelfs op een plek waar een bunker lag, kan na een halve eeuw weer een bosje gedijen, tot boven op het betonnen casco. En rechte sloten in bosgebieden waaien langzaam vol bladeren, die weer de voedzame basis vormen voor jonge elzen of varens. Dan duurt het ruwweg een eeuw of drie voor we er niets meer van terugzien.
De beheerders, PWN en Staatsbosbeheer, geholpen door vele vrijwilligers en onderzoekers, werken tegenwoordig ‘mee met de natuur’. Natuurlijke processen worden waar mogelijk de vrije hand gelaten en op vele plaatsen stuift het duin weer. In het Noordhollands Duinreservaat zijn bovendien redelijke kansen voor herstel van de grondwaterstand. Geholpen door een enige natte jaren staat er in de winter zelfs weer volop water in het eens verdroogde Tranendal. Drooggevallen duinrellen komen weer tot leven. De kleine stroompjes schoon water kunnen in de binnenduinrand natuurherstelprojecten gaan voeden. In ons verlangen naar vochtige valleien worden oude landbouwgronden soms afgeschaafd tot duinmeertjes of starre waterwinningswerken omgetoverd in rivierachtige baaien.
Het is deze nieuwe richting in de landschapsarchitectuur, die ik in navolging van de Franse (rechte lijnen, geschoren hagen) en Engelse (kronkelende weggetjes) de ‘Hollandse’ zou willen noemen. Op basis van ecologische uitgangspunten worden ongerechtigheden als vervuilde bodems verwijderd, de waterstand zo mogelijk hersteld en dan mag de natuur van alle kanten oprukken. Daarbij geldt het principe: ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. En niet zelden zal dat het door sommige beheerders verwenste esdoornzaadje zijn.
Welke inrichtingsstijl ergens past, hangt af van de geschiedenis en het gebruik van de plek. Tegenover een klooster of oud landhuis zie ik persoonlijk liever een goed geproportioneerd park met majestueuze bomen dan een poging tot oerbosje. Maar in het ruim bemeten duin, waar natuurwetten heersen boven de menselijke toevoegsels, is de ‘ecologische lijn’ thans gangbaar.
Soms brengen de natuurbeheerders het geduld op om de natuur zelf het werk te laten verrichten, zoals in het Watervlak bij Heemskerk, waar oude landbouwgrond door de wind tot op het grondwater is weggestoven. Op andere plekken doen de Grote Gravers machinaal het voorwerk. Voor de gemiddelde recreant lijken de natuurlijke en de ‘man-made’ plasjes overigens precies op elkaar, maar de natuur zal afhankelijk van de ontstaansgeschiedenis zich anders ontvouwen.
Ik wil nog iets anders onderstrepen. Wie het duin vooral als ‘natuurgebied’ wil ervaren, kan beter niet de in dit boek beschreven duintoppen bezoeken. Blijf op de grond en werp de blik omlaag. Want alleen dan hoeft u zich niet omringd te weten door Hoogovens, Afvalverbrandingsinstallaties, boorplatforms en een tweetal kernreactoren. En alleen bij chronische kortzichtheid lukt het ook om het snelle verdwijnen van het polderland uit het vizier te houden.
Wie deze realiteit gewoon wel onder ogen ziet, beseft hoezeer het duin een schoon eiland in een vieze omgeving is geworden. En hoezeer er na een recente fase gericht op herstel van de waterstand in duinen, vooral het achterland piept, kraakt en om herstel vraagt.
Voor de ‘overwoekering’ van de duinen door de waterwinning, lijkt recent een nieuwe synthese tussen ‘natuur’ en ‘water’ te zijn gevonden. Het zichtbare resultaat daarvan is de terugkeer van natte valleien voor parnassia en moeraswespenorchis. In de polder is het evenwicht nog volledig zoek. Het oude cultuurlandschap wordt overwoekerd door bebouwing, wegen en bollenland. Kleurrijke bollenakkers zijn prachtig in het voorjaar maar betekenen het ecologisch einde van wateren en een vogelrijk polderland.
Langs twee sporen wordt aan verbetering gewerkt: de eerste is het gedeeltelijk inperken van de lucratieve bollenteelt, waarbij gronden vrijkomen voor ‘agrarisch natuurbeheer’ (waar boeren proberen meer natuur toe te laten binnen hun bedrijf) of voor ‘natuurontwikkeling’ (waar natuurbeschermingsinstanties het heft in handen hebben).
Een tweede verbetering is het ‘ecologiseren’ van de teelten zelf. Van de 400 jaar tulpenteelt ging het ruim 300 jaar zonder gif, dus het uitbannen van dit milieuprobleem moet tot de mogelijkheden behoren. In het duin zelf dreigt een nieuwe vorm van overwoekering in de gedaante van een aanzwellende stroom recreanten, die bovendien in toenemende mate met de auto naar het duin gaan. Beheerders zullen de komende jaren heel wat hebben uit te leggen in hun keuze voor de ‘natuurgerichte recreant’ en terugdringen van allerlei vormen van (collectieve) sportrecreatie. Daarvoor lijkt het strand of de polder geschikter. Als boeren en bestuurders de unieke polderdijkjes in ere zouden herstellen en open stellen, vangen we twee vliegen in één klap. Of is dat desastreus voor de resterende weidevogels?
Een mooi voorbeeld van deze ontwikkeling ligt bij Bakkum, waar het 12e eeuwse Zeerijdtsdijkje het hart gaat vormen van herstel van de overgang tussen oud nollenland (begraasd duin) en het oudste polderland van Noord-Kennemerland.
Wie zich met natuur bezighoudt, ontkomt niet aan enige verwondering als het gaat om de verhouding tussen mens en natuur. Zo was soms de waardering voor natuur en landschap zelfs onder gerenommeerde kenners compleet anders dan nu. Treffend waren enige regels bij F. van Eeden die op zijn wandelingen rond Alkmaar in 1882 spreekt over ‘eentoonige graslanden’. Hè? Keek Van Eeden dan wel goed? Berichten zijn navolgers Heimans en Thijsse rond 1910 niet van de meest bloemrijke polders die we ons maar voor kunnen stellen? Of had de romantische aristocraat Van Eeden vooral binding met de stuivende duinen en oude Kennemerbossen van zijn tijd? Van Eeden baadde in de overdaad van open polderlandschappen, maar vluchtte naar de ‘wildernis’.
Ook bij de beroemde Jac. P. Thijsse zien we een boeiend verschil in waardering. Hij kon, in het kielzog van de ploeterende bosbouwers, vol afschuw schrijven over het konijn, die alle mooie boompjes en bloemen weg zou knagen. Maar in het tijdperk van luchtvervuiling en vergrassing is de waardering voor het knagende zoogdier met 180 graden gedraaid.
Hoge waardering kan ook in zijn tegendeel verkeren, want onderzoek heeft uitgewezen dat naaldbos (dat Thijsse verwelkomde) een grote bijdrage levert aan de verdroging van het duin, en wil menige bioloog een deel van dit bos kappen. Alleen veel vogelaars die er ‘hun’ roofvogelhorsten in vinden en paddestoelenkenners zijn terughoudender. Zo blijft er voor de beheerder wat over om te beslissen.
Natuurbeheer kan wellicht niet gevarieerd genoeg zijn, als het maar door de jaren heen hetzelfde is. Het leven past zich aan de geboden omstandigheden aan. Maar vooral natuur die gebonden is aan stabiele milieus (bossen, oude graslanden) zijn we met een verandering in beheersvorm (bijv. het goed bedoelde inzetten van grazers) soms sneller kwijt dan rijk. Ook wat dit betreft betekent natuurbeheer ‘leven met geschiedenis’. Zo is een goede beheerder doorgaans een conservatief met open vizier.
Maar soms kan leven zonder geschiedenis ook heel goed. Schep een nieuw milieu met overgangen van nat naar droog, zorg dat het niet te voedselrijk is en het wonder van nieuwe natuur zal zich snel ontvouwen. Voorwaarde: zaden moeten wel in de buurt zijn. Zo ontwikkelt zich op een (illegaal) omgegrond stuk land in de Damlanderpolder dat op het nippertje kon worden aangekocht door Natuurmonumenten de flora zich thans voorspoedig. Maar het bodemprofiel en de daarin ‘verpakte’ archeologische resten (‘het bodemarchief’) is hier voorgoed verloren.
En in het duin, waar oude vormen van landbouw op en onder het oppervlak liggen en waterwinning in de gedaante van NV PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland al 75 jaar present is, mag de geschiedenis van boeren, bosbouwers en waterwinners wat mij betreft zichtbaar blijven. Niet alles en overal behouden, maar wel de kenmerkende elementen. Bijvoorbeeld één oud Pompstation, half vervallen tot ruïne, ooit met bloembakken uitgerust toen men het duin als ‘park’ en ‘jachtveld’ werd behandeld, zegt de bezoeker meer dan een foto in een bezoekerscentrum.
Waardering voor de duinen is een kwestie van geur, hart en ruggemerg, maar ook van kennis van zaken. Vooral het inzicht dat landschappen als bij Egmond en langs de binnenduinrand het resultaat zijn van een eeuwenlang samenspel van menselijke bemoeienis en natuurlijke mogelijkheden, spreekt mensen aan. In de zeedorpenvegetaties en in de begraasde graslanden bij Bakkum geven natuur en geschiedenis elkaar op een prettige manier de hand.
En in het verlengde van dit ‘leven met geschiedenis’ is er iets voor ‘leven met het heden’ te zeggen: het onder het zand laten verdwijnen van moderne pompstations helpt wel mee aan een groene illusie, maar getuigt niet van veel trots voor het eigen produkt. Vooral als hierdoor ineens duintjes verrijzen in de vlakke ‘OerIJ’ vallei van het Geversduin verdient dit geen schoonheidsprijs.
Natuurlijk zou ik kunnen dromen van een duin zonder waterwinning, maar zonder waterwinning zou het duin veel meer in de verdrukking zijn gekomen dan nu het geval is. Zo gingen stapels plannen door mijn handen over paviljoens op duintoppen, nieuwe wegen door het duin, boorplatforms, voorgenomen bungalowparkjes, house-parties op het strand en glitterplannen van projectontwikkelaars. 9 van de 10 plannen sneuvelde. Natuurbeschermers op alle niveaus in de samenleving kregen het voor elkaar dat er nu nog steeds een ’topprodukt’ ligt langs de kust.
De zeggenschap van de gemeentes over het provinciaal en rijksbezit in Noord-Kennemerland is daarbij beperkt. Dat is enerzijds jammer, want de relatie dorp en duin is velerlei. En juist dankzij die duinen hebben de plaatsjes een grote aantrekkelijkheid voor de bevolking. Dankzij de natuur stijgen de prijzen van de huizen.
Maar aan de andere kant heeft nog geen enkele gemeente in het Noord-Kennemerland een landschaps- of milieubeleid dat maar in de verste verte kan tippen aan dat van het door de provincie bestuurde duingebied. Mijn droom is dat gemeentebesturen voor vitale functies als verkeer, groen, natuur, landbouw en milieu, binnen en buiten hun bebouwde kom, tot visies komen die recht doet aan aanwezige natuur- en cultuurwaarden. Dat als er plannen worden gemaakt waar sprake is van uitbreiding ten koste van natuur en milieu er elders binnen die gemeente adequate compensatie komt. Pas dan zal de grote overwoekering met wegen en woningen wellicht een einde nemen. Pas dan zullen we misschien een omslag in denken zien van als-maar-meer (waardoor voor de handliggende afsluitingen van wegen naar zee op verzet stuiten) naar zo-kan-het-ook. En pas dan zal wellicht minder oude architectuur en rust worden opgeofferd aan de wensen van verkeer en middenstand, die bijna elk dorpshart van de middeleeuwse dorpjes in Noord-Kennemerland weten om te vormen tot stedebouwkundige fiasco’s.
Ik hoop dat het moment nabij is waarop ook de gemeentebestuurders inzien dat nieuwe randwegen, zoals bepleit in o.a. Beverwijk (dwars door de stromende Beek in het landgoed Westerhout en op een steenworp van Huize Beekzang waar Herman Gorter het begin van Mei schreef), Castricum (dwars door een deels zeer gaaf landschap met oude geestgronden aan de rand van het OerIJ of door de duinrand) en Bakkum (dwars door een monumentaal poldergebied) alleen maar leiden tot verplaatsen van problemen.
En een wegenbouwer die mij persoonlijk blij wil maken, komt met een visionair plan voor afsluiting van wegen zoals de polderdoorsnijding tussen Castricum en Uitgeest door elders (ondergronds) een aansluiting op de niet meer weg te dromen A9 te realiseren. Maar misschien moeten we daar maar 75 jaar mee wachten. In het besef dat onkruid niet en beton altijd wel vergaat.
DROOM VAN DE OVERWOEKERDE SNELWEG
De vanen van de netels wapperen, smal spoor,
wie fietst trekt de schoenen aan, in korte schokjes wind
doen varens, gras onstuitbaar kruid, beton vergaan.
Het horen slaan van tennisballen achter hagen
wekt mij, het rinkelen van kopjes en van glazen
op nikkelen bladen rondgedragen door de tuin.
Chr.J. van Geel
[Dichter van Geel kreeg na het tragisch afbranden van zijn huis in Groet van het PWN het oude jachthuis bij het Vennewater in huur. Zijn metgezellin en dichteres Elly de Waard heeft er ook nog jaren gewoond.]
Rolf Roos
(slothoofdstuk uit: Duinen en mensen Kennemerland (2009), bewerkt 2026).
Over verschuivende meningen, niet in de laatste plaats bij de auteur zelf. Over de variatie in waarderingen (“alles van waarde is weerbaar”) en aan het slot een klein pleidooi: hoe houden we ruim zicht en lange stiltes in het duin, ons duin. Het kan wellicht geen kwaad dit laatste halfwilde randje Nederland een klein beetje heilig te verklaren.
De epiloog: een soort inleiding maar een tikje anders. Een inleiding achteraf. Een terugblik na het schrijven van een boek. Over keuzes: wat waarderen we in het duin en haar geschiedenis en waarom? Voorzichtig komen wat trends en grote lijnen terug: ontwikkelingen, niet in de laatste plaats in ons eigen denken. Stilstaan bij het vele verleden en het razende heden. En met lichte schroom en na verwijzingen naar eerdere, soms foute toekomstvoorspellingen, volgen enige futurologie en een wens.
Het duin oogt rustig. Tot je de geschiedenis kent. Het liefst schrijf ik over onderwerpen waar ik weinig van weet, dat maakt het kijken en schrijven net als bij de Chinese dichter van Dick van Weelden het meest fris, het gesprek met boswachter of onderzoeker het meest onbevangen. Ik doe of ik nog nooit van al die plantjes en dieren en het menselijke gewoel heb gehoord en stel zonder veel omhaal de drie moeilijkste vragen: wat is nu het kenmerkende hier (de kern, of meer poëtisch: de ziel van het gebied), wat is voor jou (boswachter, kenner) een hoogtepunt en tenslotte: wat zijn hier de trends, de ontwikkelingen? Onmogelijke vragen voor echte kenners!
Er blijken veel feitjes en uiteenlopende waarderingen te zijn zonder dat er lijn in zit. Of als er wel een lijn, een trend is, wat is dan de verklaring? De wetenschap geeft doorgaans niet thuis. Goed verklarend duinonderzoek bleek schaars ondanks zeer gevulde computers en honderden waarnemers in het duin. Veel waarnemingen, weinig interpretatie. Voor wie aan de kust geboren en getogen is lijkt alles van belang: van het soort zand tot het meest miniscule plantje, van jachthutjes tot kasteelfundamenten. Kennemerland blijkt geen maagdelijk zand te zijn, maar een vat vol verhalen.
Het relaas van de Chinese dichter in het verhaal van Dirk van Weelden stemt weemoedig: “Ik had nooit verwacht een landschap te ontdekken dat zo ijl en ongerept was, zo teer. Ik schreef een gedicht waarin ik zei dat het duinlandschap aan zee ligt te slapen als een eeuwig jong meisje.” De onbevangen ontmoeting: het duin als kwetsbaar landschap, het licht langs de kust. We herkennen het, we genieten ervan, maar zijn al schrijvende op een ander spoor gezet. De onschuld is voorbij: we zien een landschap met meer dan tien menselijke gezichten. Er waren de jacht met de bijbehorende konijnenfok, verstuivingen waarin de mens mede de hand had, er waren landbouw en bosbouw. Er werd oorlog gevoerd. Meer dan eens. Actueel zijn kustverdediging, waterwinning, recreatie, natuurontwikkeling, luchtvervuiling en de stedelijke omhelzing: hoogbouw, herrie, industrie, molens en mogelijk eilanden op zee. Sinds het boek ‘Bewogen Kustlandschap’ dat ik in 1995 over Noord-Kennemerland schreef, zijn er twee nieuwe menselijke invloeden bekend geworden c.q. bijgekomen: bewoning en benutting – van prehistorie tot het jaar 1000 – en de klimaatverandering van nu waardoor alles harder groeit en de kust niet zonder kunstmatige zandtoevoer op zijn plaats zal blijven.
Slechts af en toe neemt de invloed van de mens af: de verdediging van de zeereep werd minder rigide. Zeker sinds kustbeheerders weten dat een dynamisch duin meer groeit dan een gefixeerd, mag het duin weer stuiven. En natuurlijk grondwater keerde in delen van het landschap terug.

De Papenberg 1995 -2009
Natuurgebied of park
Het duin heeft een wonderlijke veerkracht, het kent de rijkste natuur van ons land en er is de kans om het te behouden. Het is een veelzijdig landschap waarover beheerders van mening verschillen. Er waren eigenaren die in volle ernst hebben gepleit voor uitroeiing van konijnen, aanplant van naaldhout en ruim baan voor mountainbikers. Maar er zijn ook beheerders die waterwinning stopzetten waar ze kunnen, wisenten introduceren, vossen ruim baan geven – behalve dan in weidevogelreservaten – en een oude tankmuur beschermingswaardig vinden. Ik ontdekte een aantal wetmatigheden. Bijvoorbeeld: een beheerder van een duinterrein is altijd kritisch over de buren. En: meningen van kenners botsen altijd. Een paddenstoelenkenner kijkt met veel plezier naar een perceel naaldbomen, vanwege de oranjegroene melkzwam en de okerkleurige vezeltruffel die eronder groeien. De watermanager weet dat dennen het duin mede verdrogen en wil ze eigenlijk kappen.
Meningen verschuiven, ook die van de duinbezoekers. Velen heb ik horen mopperen over al die nieuwe hekken en spandoeken bij de ingang: “het wordt één groot park.” Terwijl anderen genieten van de mogelijkheid eens een flink beest te ontmoeten. Twee jongetjes legden mij uit dat al die hekken nodig waren “om de dieren te beschermen.” Zo kan je het ook zien. Dat het wilde duin stilletjes aan meer op een park lijkt dan natuurbeheerders willen, doet misschien een beetje pijn. Maar mensen wonen nu eenmaal liever in parken dan woestijnen.
Natuurbeheerders ontkomen ook niet aan forse ingrepen: woekerende waterplanten als watercrassula worden letterlijk met vuur bestreden, Amerikaanse vogelkers laat zich alleen met drukmiddelen als ‘terreurbegrazing’ (met geiten) en een drupje bestrijdingsmiddel indammen, verwilderde schapen planten zich ongebreideld voort en moeten eruit. Met herten loopt een beheerder het risico op verkeersongelukken en de bijbehorende juridische procedures. We leven in metropool Nederland, niet ergens in de oerbossen aan de Pools-Russische grens. Als samenleving willen we natuur zonder risico’s.
Waardering
Schrijven is kiezen. Als ik denk dat iets een leuk feit is volgt de vraag: is het van waarde en het vertellen waard? Wat het boek haalde is gebaseerd op weging van feiten, meningen en beelden. Deels is dat politiek correct en marktconform en als bioloog ben je wat mopperiger over recreatie dan de eigenaar van een fietsenverhuurbedrijf. Deels is het eigen bagage en eigenwijzigheid (‘visie’). Neem nu mijn waardering voor de wisent.
Op 2 april 2007 werden drie wisenten uitgezet in het Kraansvlak, later nog drie. Allemaal uit Polen. Het verhaal: een experiment met een Europees bedreigde soort; beheerders gaan onderzoeken wat de invloed van het dier is op het teveel aan bos en gras. Ik bekeek de nieuwkomer in de duinnatuur en draaide meer dan 180 graden in mijn opinie en deels terug.
Voor ik één wisent in het duin gezien had was ik sceptisch over de Europese bizon. Mooie beesten, ik kende ze uit Artis en wist dat de wisenten in de voormalige Poolse jachtdomeinen van de Russische Tsaren bijgevoerd werden om schade aan de bossen te voorkomen. Maar een wisent in de duinen? Nieuwlichterij! Er zaten ooit wisenten in Nederland, maar elk spoor in de duinen ontbreekt. Archeologische vondsten van hoefafdrukken zijn zonder uitzondering van vee van prehistorische boeren. Een door een wolf of beer afgekloven wisentbot is evenmin aangetroffen. En de beheerders waren nog maar net begonnen met begrazing door vee (o.a. hooglanders) in het Kraansvlak, dus waarom niet eerst de resultaten daarvan afwachten? Met deze scepsis op zak ging ik op bezoek bij de boswachters van Beheereenheid Zuid van het pwn in Overveen, waar ik enkele zacht morrende tegenstanders trof en veel enthousiaste voorstanders. Ik zag beeldschermen met stipjes op de computerkaart van het duin – want de beesten zijn gezenderd. Het Kraansvlak bleek onder hoogspanning te staan en alleen met een boswachter of onderzoeker kon je erin.
Op een mooie namiddag in de herfst van 2008 was het zo ver. Ik kon met een pwn-jeep mee op safari. Want zonder auto: te veel risico. Onderweg vroeg ik de biologen uit: hoe de wisenten zich over het terrein verspreidden, wat ze aten en welk deel van die gigantische hoop gras en struiken, verspreid over 200 hectare, die zes dieren ooit op konden krijgen. En natuurlijk: of ze gevaarlijk waren. Ondanks de stipjes op de computer zagen we de eerste uren alleen een enkele pootafdruk en een dampende hoop stront waar met welbehagen in werd geschept: want wat eten ze nu precies? Hoe langer het zoeken duurde, hoe mooier het Kraansvlak werd: de kardinaalsmutsen begonnen rood te gloeien, het zand van het Verlaten Veld liet diepe schaduwen van een rijtje wisenthoeven zien, damherten renden over het duin en een vos deed of we niet bestonden. We besloten de auto te verlaten en trokken in linie als in een drijfjacht over de heuvelen. Aangekomen aan de voet van de Kennemeralpen – voorbij het punt waar het onmogelijk was geworden om in een sprint de auto te halen – hoorden we gesnuif en gekraak tussen populier en eik.
Ze toonden ons geen blik waardig. Er werd gegeten. De stier toonde alleen belangstelling voor een wisentkoe. Onderweg had ik opgevangen dat het vee dat eerst het Kraansvlak bevolkte een grotere invloed op de vegetatie had dan deze kleine kudde. Maar kennis en feitjes vallen weg als het Afrikagevoel in je opwelt. Ik liep eerder tussen bavianen, buffels en leeuwen en als je dat allemaal overleeft is de spanning gewoon aangenaam. Kortom: ik was meteen gewonnen voor de wisenten. Beleving is ook een argument, nietwaar?
Een week later ontving ik gegevens: de namen van de Poolse dieren, ze bleken een stamboek te hebben, droegen een hele geschiedenis met zich mee. Oorspronkelijk kwamen ze uit onze dierentuinen. Dat zit zo: de enige reden waarom wisenten in Europa niet net als oerossen zijn uitgeroeid, ligt in het grootgrondbezit op de Pools-Russische grens. Daar lagen grote, afgesloten gebieden van de tsaren: bossen, moerassen en ongetemde rivieren, die ook militair-strategisch van belang waren. Ze verschaften tevens redding en dekking aan bosbewoners als wisenten en beren – gewilde jachtobjecten van de Russische heersers in de 18e en 19e eeuw. In de 19e eeuw bloeide natuurstudie op, wat leidde tot dierentuinen. Vele wisenten kwamen als relatiegeschenk van een tsaar aan een bevriend vorstenhuis in dierentuinen terecht, wat de redding van de soort is geworden. Want na uitroeiing van de wisent in het wild in 1921 konden ze vanuit dierentuinen weer in Polen worden uitgezet, waar er nu weer duizend rondlopen. En daar komen onze zes introducés vandaan. Migratiestromen zijn er niet alleen van mensen. Toen ik dit wist dacht ik: wat een moeite. Maar ach, wat zijn ze mooi. Europese natuur.
Alles van waarde is weerbaar
De selectie van beelden en verhalen voor dit boek leidde tot een lijstje van criteria. Geen ranglijst, maar een verzameling waarderingen. We geven vaak een hogere waardering als het plantje, het verschijnsel, het gebied, het object:
[persoonlijke band]
– een eigen ontdekking is;
– méér tot onze verbeelding spreekt of beter past in ons denkraam;
– een minder bezwaard verleden heeft; spelen er negatieve emoties zoals bij oorlog, dan wisselen waarderingen sterk;
– de eigen verzameling aanvult en completer maakt (bijv. een nieuwe soort, een nieuwe nederzetting);
– je van kindsbeen af vertrouwd is (een bewoner van Schoorl die van het dennenbos houdt);
– door jou gemaakt of bedacht is;
[zeldzaamheid en authenticiteit]
– historisch gezien ouder is (bijv. een kasteel); resten uit de oorlog van 1799 zijn voor kenners waardevoller dan uit 19-0-19-5;
– zeldzaam is;
[bekendheid]
– meer zichtbaar of spectaculair is (ploegsporen in oude bodemlagen versus een muntschat); het hemd is nader dan de rok;
– net ontdekt is;
– de krant, het web, een film of boek haalt en daardoor bekend is onder een brede laag van de bevolking;
[wetenschappelijke status]
– wetenschappelijk gezien zeldzaam is (regionaal, nationaal, internationaal);
– door een deskundige van belang wordt geacht;
[status in beheer en beleid]
– door de persoon of de organisatie in kwestie (boswachter, beheerder, wethouder etc.) zelf is bedacht of uitgevoerd (bijv. nieuwe paraboolduinen);
– past in het geldende beheer van een terrein en omschreven staat in een beheerplan;
– in een beleidsdocument staat en zo juridische waarde krijgt: bijv. ‘habitatrichtlijn soort’, Rode Lijstsoort, beschermd natuurgebied.
Wat kan een terreinbeheerder hier nu in de praktijk mee? Allereerst wordt duidelijk dat waardering altijd ook persoonlijk is; waardering is een keuze. Er is steeds een emotioneel, economisch of politiek belang van een persoon of groep in de samenleving. Of het nu gaat om een stuk oud beton of een onooglijk korstmos, hoe iemand het ook waardeert: onzin is het nooit. Waarderingen zijn vaak niet zo bewust en kunnen verschuiven, zeker bij zo’n veelzijdig fenomeen als het duin van Kennemerland. Ieder speelt zijn eigen lied en in elke tijd klinkt andere muziek.
En dan de mooiste keerzijde van dit alles: wat we waarderen krijgt iets weerbaars want er is altijd wel een belangengroep, wetenschapper of kunstenaar, die zijn waardering van een landschap of soort zo belangrijk vindt dat hij invloed wil uit oefenen op hoe het duin beheerd wordt. Een prehistorische akkerlaag wordt weerbaar zodra een archeoloog de waarde ervan op de agenda weet te krijgen. De Bergense dichter Lucebert (‘Alles van waarde is weerloos’) had ongelijk. Alleen het onbenoemde verdwijnt geruisloos.
De zeilen verzetten
“Vergelijkende lijsten toonden aan, dat de flora van het Haarlemsche duin veel armer is dan die van Noordwijk en van Wijk aan Zee. Tal van foto’s toonden den treurigen toestand van ons duin aan. Wij reproduceeren hier het grafmonument (red.: de watertoren van Overveen) (..) we zouden er nog bij kunnen voegen: een woestijn, als gevolg van aardappelcultuur, doode berkebosschen in het gebied van de waterleiding, een drooge kuil, drie meter diep op een plek waar vroeger ‘swinters het water een meter hoog stond.”
Jac. P. Thijsse, 1908
Bossen, ruige duinruggen, meidoorns en hellingen vol duinrozen worden in Kennemerland afgewisseld met gegraven watertjes en laagtes: natte valleien met bloemen of droge vlakten. Er is veel heide in het noorden, weinig in het zuiden.
In de natuur veranderen de kleuren: van zuid naar noord en van oost naar west. En ook door de seizoenen en jaren heen. Hoger worden de bossen. In de natuur veranderen de geluiden. De melancholische jubel van wulpen is vrijwel verdwenen, de schreeuw van roofvogels is gewoon geworden.
Gaat het nu goed met de natuur van Kennemerland? Het ligt er aan waar je naar kijkt en waar je mee vergelijkt. Vergeleken met de rest van Noord-Holland gaat het hier met veel natuur uitstekend. Maar vergeleken met de natuur van 1880 is er veel achteruit gegaan. Soorten van open en natte terreinen verdwijnen, net als in de rest van Nederland. En onopvallend maar wel alarmerend: veel kleine beestjes houden het voor gezien. Het algemene wordt algemener, het zeldzame vaak zeldzamer. Beheerders doen wat ze kunnen. Er zijn gebieden waarmee het beter gaat, bijvoorbeeld: de Kennemerduinen, door herstel van de grondwaterstand. En er zijn gebieden met overwegend neerwaartse trends, bijvoorbeeld Schoorl, waar pas sinds kort begonnen is met het terugdringen van gras en naaldbos en de recreatie forser is dan de natuur aankan.
Dit boek illustreert de cyclus, die elke grote ingreep of functie (landbouw, bosbouw, waterwinning, natuurbescherming, recreatie) doormaakt. Telkens is er een groot of minder groot probleem (cholera door smerig stadswater!) of bijvoorbeeld een prijsvraag (landbouw in 1825), vervolgens een fase met veel ideeën en politiek getrompetter. Dan gaat decennialang de schop in de grond, zonder veel twijfel of noemenswaardige tegenstand. Waterwinning werd al in 1898 door J. van Baren als oorzaak van het verdwijnen van duinnatuur genoemd en tien jaar later wetenschappelijk gefileerd door Prof E. Dubois. Erkenning van het probleem van de overonttrekking volgde toch pas na tientallen jaren, de oplossing na een eeuw. Bosaanplant: eens veel enthousiasme, maar ach nu is er veel spijt…. Uitzichten verdwijnen, de bodem droogt uit, mede door het naaldbos. Evenzo lijkt natuurbescherming nu over haar hoogtepunt heen. Recreatie – en het antwoord van de beheerder: gastheerschap – bevindt zich nu op de weg omhoog. In 1992 was natuurontwikkeling net nieuw en vond het bij veel duinbeheerders een warm onthaal, maar wel in combinatie met een pleidooi voor afsluiting van grote delen van de duinen. Nu durft men dat niet meer zo te stellen.
Als de mammoettanker ‘Duingebruik en duinbeheer’ een bepaalde koers heeft ingezet duurt het wel even voor men beseft – of: voor men de gedachte toelaat – dat de bakens moeten worden verzet. Sinds kort spelen cultuurhistorie en archeologie een rol in de afweging van ingrepen. Maar kennis daarvan was al lang beschikbaar. Ook signalen om een visie te ontwikkelen op welke cultuursporen wel of niet behouden moeten worden klinken al geruime tijd. Ingrepen tegen verzuring, vermesting en verdroging zijn al minstens dertig jaar urgent, maar pas de laatste tien jaar hebben ze vleugels gekregen door een relatief ruimhartig rijks- en Europees beleid en de eigen inzet: het ombuigen van technieken voor waterwinning, het vrijstellen van menskracht voor projecten.
Over klimaatverandering is het denken maar net begonnen. In 2001 liep het pwn voorop door korstmosonderzoekers Laurens Sparrius en André Aptroot het Noordhollands Duinreservaat te laten inventariseren.
Het leverde een primeur op: koudeminnende soorten gingen achteruit en warmteminnende soorten verschenen. Hier een eerste bewijs voor invloed van klimaatverandering op natuur. En waar rook is, is vuur: overal blijkt de natuur op drift. Nu, bijna tien jaar later, staat het antwoord op klimaatverandering nog in de kinderschoenen.
Vooruitblik
In de aanloop tot dit boek heb ik duinbeheerders en boswachters gebruskeerd door te zeggen dat ik het niet over de toekomst wilde hebben. Verleden en heden zijn al complex genoeg en toekomstplannen….een flink deel haalt de uitvoering nooit en zou in dit boek ‘ruis’ geven. Wat wel uitgevoerd wordt pakt steevast anders uit dan gedacht. Neem nu de Kerf van Schoorl. In 1995 publiceerde ik het toekomstbeeld van de ontwerpers, als impressie getekend door Ulco Glimmerveen. De zee zou blijvend binnendringen; de zeereep zou gaan stuiven; er zou een zoutminnende vegetatie ontstaan met een paarsrode gloed van lamsoor en zeekraal en slechts een enkele bezoeker zou de drassigheid trotseren.
De zoutminnende planten kwamen er inderdaad, alleen niet lamsoor maar zeerus. De kluten bleven weg, mede doordat dit nieuwe landschap een topattractie bleek. De Kerf bleef mede open door de vele wandelaars en crossers. Zee en wind vulden de luwe ruimtes achter de zeereep bij de Kerf weer relatief snel met zand en aanspoelsel. Overstroming is nu een incident. Een kerf zoals bij Schoorl, aangelegd op een plek waar de natuur dat niet zou doen, gaat vanzelf weer dicht. Als een huid die zich sluit. Wel hebben we ervaren dat een gat in de zeereep geen veiligheidsrisico hoeft te geven. En onverwachte dingen: een beetje extra zand overpoederde landinwaarts de heide en deze begon uitbundiger te bloeien, dus toch een paarse gloed al is het van andere bloemen dan voorzien.
Kortom: niets veroudert sneller dan een toekomstvisie. In 1992 pleitte Stichting Duinbehoud in ‘Duinen voor de wind’ voor het uitzetten van edelherten in Zuid-Kennemerland. Geen mal idee. Maar hebben ze daar al niet teveel herten? Er kwamen wisenten. Eerst 6 Poolse dieren en die zaten niet stil; sinds mei 2009 zijn er 2 Hollandse duinwisentjes bij.
Een ree of damhert dat het Noordzeekanaal wist over te steken geeft hoofdbrekens: komen er straks niet teveel en wie betaalt de kosten bij auto-ongelukken? De ontwikkelingen gaan snel. Sinds 2009 staan er borden ‘overstekend wild’ aan de Zeeweg en Heereweg bij Castricum.
Intussen leek de duinlandbouw verdwenen, maar boeren uit de streek laten halfwilde rassen grazen in het duin en bezorgen mij via de lokale slager smakelijk duinlamsvlees. Het enige wat zeker lijkt over de toekomst van het duin: veel bewoning zal er niet zijn. Of stijgt het water net als 1500 jaar geleden, toen het achterland te nat werd voor bewoning, zodat we die stap vanzelf weer zullen maken?
Dat we een krachtige rijks- en provinciale overheid, weloverwogen beheerders en welbespraakte natuurverenigingen nodig hebben om dit tere landschap niet door kleine deelingrepen en snelle projectjes van lokale wethouders te laten verhakselen, is de open deur die aan het einde van een te liberaal tijdperk best een duwtje kan hebben. En aan de inhoudelijke voeding van zo’n overheid dragen boswachters met een enthousiast verhaal, duinonderzoekers met feiten en afwegingen, wetenschappers met een zekere distantie, kunstenaars met een eigen blik en, mogelijk, ook dit boek bij.
De lege plek
Bij de start van het schrijven kwam ik een kaartje tegen, waarop te zien was waar in West-Nederland 2000 jaar geleden mensen woonden (grijs)). Vergelijking met de kaart van nu – de verschillen in kustlijn negerend – toont een treffend contrast: waar vroeger mensen woonden – in het duin – woont nu bijna niemand meer. En op de plekken waar vroeger onherbergzame moerassen lagen wonen nu twee miljoen mensen. Het duin is de nieuwe lege plek. En: de laatste lege plek. Leeg geworden door een samenloop van omstandigheden. Er waren na bewoning rond het jaar 700 eeuwenlang verstuivingen met onvoorstelbare zandzeeën. De grootschalige pogingen tot duinlandbouw in de 19e eeuw gingen net voor de uitvinding van kunstmest ten onder. Bosbouw leek even rendabel. Vervolgens claimde waterwinning de volledige ruimte ten koste van zandwinning en bouwplannen; oorlog zorgde voor groot sloopwerk; natuurbescherming wees op de planten en dieren en wat ze nodig hebben en tenslotte kwam de recreatie: die miljoenen mensen willen ook wel eens wat anders dan rechte straten. Zonder lege ruimte geen heldere geest. En misschien is dat nu wel de grootste uitdaging: hoe houden we ruim zicht en lange stiltes in het duin, ons duin. Het kan wellicht geen kwaad dit laatste halfwilde randje Nederland een klein beetje heilig te verklaren.
Rolf Roos
(slothoofdstuk uit: Duinen en mensen Noordkop en Zwanenwater, 2011, bekort en bewerkt, 2026)
De Noordkop is een regio met te veel natuur en historie om binnen het tijdbestek van een jaar te kunnen zien, laat staan grondig te beschrijven. Het kustlandschap van de Noordkop bleek een fascinerende rommelzolder met menige verborgen schatkist. De geschiedenis is bonkig en ruig als de streek zelf eens was. En al die natuur… Al ben je bioloog en heb je de intentie om de beschikbare kennis van al die soorten, van insecten tot paddenstoelen, af te tasten op zoek naar wat hier nu zo kenmerkend is: de rijkdom is te groot en de grote lijnen zijn zelden simpel. We leven in een tijd waarin veel kennis beschikbaar is maar het zijn vooral verspreide gegevens en waarnemingen, goede analyses zijn meestal schaars. De verhalen in dit boek geven daarom een tussenstand weer, ook al omdat we niet weten hoe het verder gaat. Mensen pakken de natuur vaak stevig aan, meestal onbedoeld, en de natuur gaat haar eigen gang, wisselend van dag tot dag, soms heel rustig, dan weer keihard en verwoestend. Dat hebben geschiedenis en natuur in elk geval gemeen: soms kabbelt het aangenaam voort, soms is er een stroomversnelling, maar de onvoorspelbaarheid blijft.
Een jaar lang heb ik mij laten verrassen. Soms was het een woord dat opviel: Flors, Nollen of ‘haye’. Soms een plant: bijenorchis, pilzegge. Patrijzen op de rand van duin en polder. Dan weer een armband op het strand, een kogel in de hand van een oude man. Vondsten, ontdekkingen. De Noordkop kent vrijwel onbetreden gebieden zoals het Callantsoger Kooibosch met er boven de dreigende roep van een zich veilig wanende buizerd. Maar er zijn ook voormalige militaire oefenterreinen, zoals ‘Falga’, genoemd naar één van Napoleons getrouwen. ‘Botgat’ was een raadselachtige naam totdat er, op een dag dat ik in het gebied op bezoek was, bij toeval botten uit de grond kwamen.
De Grafelijkheidsduinen is ook zo’n van historie doordrenkt gebied, waarvan de naam verwijst naar een roemrucht Egmonds gravengeslacht. Soms wekte een oude naam het vermoeden van een ouder bouwwerk onder het zand. Zoals de Hazenkamer (genoemd naar de Antwerpse geldschieter Servaes de Haese), gelegen in de zuidoosthoek van het voormalige eiland Callantsoog, nu onderdeel van het Zwanenwater.
De naam Flors was de meest platte vondst. ‘Dunne ontlasting’ betekent het volgens de Dikke van Dale en ook wel: scheet. Een naam voor een uithoek, waarschijnlijk gegeven door de arme Pettemer bevolking, die tot diep in het duin landjes had. Een plek die ruim honderd jaar geleden nog door de zee werd overstroomd en op 22 mei 2011, in het droogste voorjaar sinds jaren, afbrandde, op de natte valleibodem na. Met deze platte naam is deze kleine historie nog niet af. De naam die de boswachters van het Zwanenwater aan het aangrenzende duinterrein geven sluit er naadloos op aan: het Achter. Je kunt een boek vullen met hoe mensen namen geven, we hebben er hier en daar een bladzijde of alinea voor vrijgemaakt.
Het verhaal als vondst Soms ontstaat een verhaal pas als vele kleine feiten boven komen drijven. Zoals het verhaal van archeoloog Frans Diederik, waarin hij vondsten uit de Vikingtijd op het strand van Callantsoog (waarschijnlijk afkomstig uit het oude, nu weggeslagen Huisduinen) met elkaar in verband brengt. Een schat ligt niet altijd in een kistje klaar. Een boek brengt lijn in al die vondsten en waarnemingen. Als bioloog verbaas ik mij steeds over de veelheid aan kennis die onder de mensen te vinden is. Ongepubliceerde, waardevolle kennis, soms goed geordend maar helaas niet ontsloten. Dan van Lunsen bleek als veteraan-vrijwilliger in het Zwanenwater over de meest uiteenlopende onderwerpen prachtige documentatie te hebben verzameld die deels, in kaarten en grafieken, gepubliceerd staat in dit boek (bijv. de vogels vroeger en nu). Alleen al met zijn documentatie over de lepelaar had een half boek gevuld kunnen worden: het mocht slechts op een dubbele pagina. Soms bood het web soelaas: niet zelden hebben we daar onze bronnen, tabellen of achtergronden geplaatst op duinenenmensen.nl.
Alle jachtopzieners, vele eigenaren en beheerders, het hele menselijke bedrijf is mede dankzij vele vrijwilligers als Dan, ook die van de historische verenigingen, ontsloten.
Mijn redactionele lijn was simpel: hoe leuk en anekdotisch het verhaal ook is: de hamvraag is en blijft wat de betreffende persoon voor het landschap van de Noordkop heeft betekend. Welke nu nog zichtbare sporen zijn er te vinden? Zo haalt een oude paardenkastanje achter een jachtopzienerswoning, de oudste van de streek, dit boek maar een sappig verhaal over een jagende jachtopziener, die een eigen familielid raakte, sneuvelt. Anders wordt het als het om een moord gaat die de verhoudingen in een bepaalde tijd kenmerkt, de strijd tussen duinmeiers en boeren (zie pag. 58).
Meer ontdekkingen
Soms gaan de ontwikkelingen snel. Kon ik in het vorige boek over Kennemerland (2009) diverse observaties van boommarters boven het IJ in de duinen bij Heemskerk melden, begin 2011 zaten ze al ter hoogte van de Wieringerwaard en in juni werd de eerste (dode) vondst in het Zwanenwater gemeld. Dieren die van bosschages en bosrijke omgevingen houden doen het in de eens zeer open Noordkop steeds beter, soorten die openheid waarderen vaak minder, tenzij beheerders ingrijpen.
Heel vaak was de ontdekking tijdens het schrijven of veldbezoek niet een plant, vogel of voorwerp maar een persoon. Na een tip van de plaatselijke historische vereniging belde ik, op de bonnefooi, bij een huis in een ruim bemeten, winderige achterafstraat in Callantsoog aan. Arie Doorn deed open en binnen vijf minuten stonden de potten met kogels en andere vondsten op tafel. De ets die dit boek siert op pag. 112 mocht ik meteen met lijst en al meenemen, zonder adres achter te laten. Als stedeling uit Castricum kwam ik terecht in de sfeer van open achterdeuren die ik ken van Waddeneilanden, maar dan 50 jaar terug. Arie opende voor mij zijn vitrine. Ik probeerde te achterhalen waar hij in het Zwanenwater 10 of 20 jaar geleden een benen pijpenrager (mogelijk van een duinmeier of jachtopziener) had gevonden. Maar dat was te lang geleden. De voorwerpen blijven, de herinneringen zijn schelpen op het strand. Wel wist hij ergens een plek, “voorbij de Verloren Dijk”, waar volgens hem nog graven lagen, maar in die tijd was er geen GPS of smartphone. Nu is zijn kansrijke vindplaats overwoekerd en opgenomen in de tijd totdat er weer eens een duin flink stuift.
Ik vertrok met een broekzak vol loden kogels. Toch wil ik niet al die oude jutters en strandvonders bewieroken. Ze waren ook nors, vierkant, ontoegankelijk en konden soms goed vertellen maar niet altijd met de voor een boek vereiste historische accuratesse. Een ‘Out Kerkhof’ van de in 1570 weggeslagen kerk van Callantsoog werd na 1799 een ‘Russenkerkhof’. Kennis onder de mensen kent allerlei aangroeisels.
De betekenis van diverse goed georganiseerde archieven kan in dit verband niet hoog genoeg worden ingeschat. Een jaar geleden, aan het begin van dit project, bezocht ik het provinciale archief te Haarlem en kreeg een bijna verkruimelde kaart in mijn handen, de eerste waarop het reliëf van het Zwanenwater met een oude kroontjespen staat ingetekend: archiefnummer NL-HlmNHA_129_28. Een stiltezaal met oudere mannen, mensen die de tijd nemen om iets uit te zoeken. Je geeft aan de balie het archiefnummer door en krijgt het originele stuk bij je leestafel afgeleverd. Krakend open je het papier en zoekt achterin naar de oude kaart. Je hoort de pen van de gerechtsdienaar krassen, die hier oude rechten moest verdedigen of nieuwe claims probeerde te verzilveren. De scans van deze kaart staan in dit boek, samen met materiaal van uiteenlopende instellingen als het Zijpermuseum, Westfries Archief en Hoogheemraadschap, universiteitsbibliotheken in binnen- en buitenland en vele particuliere collecties.
Kaart Zoutman 1665 met in pen aanvullingen 1722, Noordhollands Archief
Gemengde gevoelens
Het is niet zonder risico je te verdiepen in een van de meest afgelegen kusten van ons land. Veel liefhebbers passeren en gaan naar de Wadden, randstedelingen blijven dicht bij huis en verkiezen Kennemerland boven Noordkop. Ook bleek het geen verhaal met alleen trompetgeschal. Veel mensen die geboren en getogen zijn in Petten of Den Helder betreuren het dat hun zeeweringen de laatste tientallen jaren zijn verhoogd tot onneembare vestingen waarachter hun huizen schuilgaan. Zicht op zee is onmogelijk totdat je hoog genoeg bent geklommen. Genoemde plaatsen lijken nu veilig voor natuurgeweld, maar behoren wel tot de meest gehavende in Noord- Holland. Oorlog en economische terugval hielden stevig huis in de Noordkop, gevolgd door pijlsnelle ontwikkelingen in de vorm van campings en recreatiehuisjes en omzetting van een landschap met weilanden en koeien in een soms kleurig en attractief, maar meestal braakliggend en met gif besprenkeld, bollenteeltgebied. Oud-Den Helder is in de oorlog gesloopt, prachtige archeologische vindplaatsen met oude plaatsjes en begraafplaatsen (het Torp) zijn met domme kracht voor nieuwbouw ingewisseld, landschappen met duintjes zijn vlak geschoven voor intensieve bollenteelt: ontwatering, kunstmest, bestrijdingsmiddelen kunnen op veel kritiek rekenen. Ook Petten werd door de bezetter gesloopt. Het nieuwe dorp moest verderop komen te liggen, want het was toch niks zo vlak onder de dijk te moeten leven? Exit het, in de herinnering gekerfde, oude stratenplan.
Door naoorlogse vernieuwingsdrang verdween menige fraaie boerderij of villa en wat resteerde is vaak door schreeuwlelijke pandjes en lang niet altijd smaakvolle hotels vervangen. En waar is, behalve die enkele museumboerderij en de zeer bijzondere kerk uit 1580 (met kerkklok uit 1491), het oude Callantsoog gebleven? Waar komt die lelijke hoogbouw in Groote Keeten vandaan? En een kerncentrale midden in het duin… wie stond dat toe? Waarom werd in de vergunning niet vastgelegd dat het gebied na 50 jaar schoon opgeleverd moest worden, zoals menig politicus toentertijd beloofde?
Er is sprake van een lange traditie. De Noordkop is bepaald geen troetelkind, geen landgoed met een zorgvuldig vruchtgebruik, het is eerder wingewest. Zelfs de rijke eigenaren van het duin hier, de Brederodes, de graven van Egmond en de kooplieden die na hen kwamen, zoals de steenrijke Isaac Lemaire, gingen hier niet wonen. Ze hadden er geen kasteel, op zijn hoogst een uit de kluiten gewassen villa. De machtige Abt van Egmond bezat diep in de middeleeuwen bij Callantsoog een eigen pand, een stede, maar daar is geen steen van teruggevonden. En de oude middeleeuwse Heereweg, eens de levensader van Holland van de Noordkop tot ’s Gravenhage, is benoorden Schoorl weggeslagen. Hier lagen een rijtje mede door mensenhand ontstane Waddeneilanden, die deels ingepolderd en deels weggeslagen zijn. De zandige bodem bleek na eeuwen schrale landbouw en veeteelt het nieuwe goud voor bollenteelt.
Als we het landschap van nu overzien en we gaan van de minder fraaie, bebouwde omgeving via het omringend cultuurland naar het half wilde duin dan is er ook een andere beweging zichtbaar. In het landbouwgebied is, in aansluiting op belangrijke natuurgebieden, een aantal, soms grote, bufferzones gemaakt. Nieuwe natuurgebieden die er voor zorgen dat de duinen niet uitdrogen en beter nog het schone, van nature afstromende, water benutten. Van St. Maartenszee, via Callantsoog tot Den Helder zijn daar vele voorbeelden van. Kleurrijke natuur vol vogelgeluiden, vaak goed toegankelijk voor bezoekers.
Wil de Noordkop zich van haar mooiste kant laten zien dan moet de bevolking zich er sterk voor maken en alle positieve trends omarmen: van pogingen tot duurzamer bollenteelt, combinaties van recreatie en natuur, vervlechting van waterberging en natuur en het behoud van de ruimere duinreservaten waarin rust wordt gewaarborgd en resten van verstening of vervuiling worden gesaneerd. Met een redelijke toeristenbelasting kan een lokale overheid soms ook mooie dingen doen in het landschap.
Het duin zelf, die schijnbaar saaie bult zand, is er voor iedereen die zich van dag tot dag wil laten verrassen. Alleen hier kan je in ons land zo mooi en makkelijk tapuiten zien en wandelen tussen natuurlijke ‘bollenvelden’ van inheemse, witte orchideeën.
Alle mooie valleien op een enkele dag
In de vroege zomer van 2011 mocht ik samen met mijn lief, dankzij vergunningen van alle 3 beheerders, van noord naar zuid, dwars door alle gebieden. Het was een heel heet voorjaar geweest en de natuur was weken vroeger in bloei dan normaal. Bewust van het voorrecht om overal te mogen komen probeerde ik mijn eigen storende rol in te dammen. Ik hield afstand tot de mij bekende broedgevallen en verbleef nergens lang. Het werd een wandeling door alle dalen. Waarom bleken ze allemaal niet dichtgegroeid, terwijl bijna elke beheerder klaagt over te weinig knagende konijnen en een gebrek aan stuivende, wandelende duinen?
De wandeling begon in het noorden bij de oude en nieuwe valleien rond de Harmplas in de Grafelijkheidsduinen (van Landschap Noord-Holland), dan voorbij Falga naar de door een fietspad doorsneden Duinroosvallei, die zich uitstrekt tot strandopgang de Zandloper. Vervolgens ging het zuidwaarts naar de verscholen valleitjes in het Botgat, naar de Vlakte in het Zwanenwater, achterlangs via de vallei het Theehuis naar de Grote Flors (Natuurmonumenten) en tenslotte over een hek naar het gebied van Staatsbosbeheer bij Petten: via Kleine Flors naar het Tweede en Derde Korfwater. Op de Duinroosvallei met zeer veel tapuiten na, zijn dit allemaal vochtige valleien: het grondwater komt in de winter glinsterend tot aan de oppervlakte. Ze komen pas in de loop van de zomer tot volle bloei.
Al die valleien zijn heel verschillend (plantjes, vogels, ontstaanswijze) maar ze hebben één opvallend ding gemeen: er groeien haast geen struiken en de vegetatie is er laag, kort, soms een beetje open. Ze ogen als jonge valleien, terwijl sommige al honderd jaar of meer oud zijn. De eerste aanblik blik is wat simpel groen maar als je er induikt staan er allemaal bijzondere planten om je heen. Moeraswespenorchis, geelhartje, wintergroen. Het meest verrassende voor mij was dat de oorzaak van die openheid, die mooie korte vegetaties, telkens een ander beheer bleek. In de duinen bij Den Helder ligt het aan het gecombineerde gegraas van Konikpaard en Hooglander koe, dieren die ontbreken in de Duinroosvallei en het Botgat. Daar wordt het vallei-ecosysteem, net als in de hele strook Noordduinen, ‘ouderwets’ kort gehouden door konijnen, die hier nog in grote getale heen en weer rennen. Zelfs de kruipwilg moet eraan geloven, maar gelukkig worden de zeer vele wintergroenplantjes tussen het kruipwilg, kenmerkend voor het hele Botgat, versmaad en geven zo een heel eigen toon aan dit gebied. Verder zuidwaarts naar de Vlakte van het Zwanenwater met haar zee aan witte en roze orchideetjes, waar rond 2009 ook een eerste bijenorchis oprees. Waarom de valleien hier zo bloemrijk zijn is uiteengezet: laat in het jaar maaien, het maaisel afvoeren, inperken van de oprukkende wilgen. En al minstens twee eeuwen schoon vocht. Deels kalkrijk, deels zwak zuur, dat geeft pas rijkdom.
Voorbij deze voor iedereen toegankelijke plek ligt een lange, stille route richting de punt van het Tweede Water, waar in een geplagde vallei sinds enkele jaren weer groenknolorchis (van jonge en kalkrijke valleien) groeit en veel moeraskartelblad, een soort die evenals de grassoort bevertjes (foto) ook fraai in de blauwgraslanden van het Kooibosch van Callantsoog staat. Dan bereiken we de beide Florsen, waarvan de Grote gesierd wordt door een zeldzame, witte, brede orchis (foto) en veel addertong (foto), het meest sierlijke varentje van ons land. In de Kleine Flors staat o.a. Spaanse ruiter. Bij Petten, net achter de zeereep, waar door eeuwenlange golfslag, oorlog en torenhoge dijkenbouw, veel is verwoest en het resterende duin is verkruimeld door een bedrijventerrein met kernreactor, liggen schitterende valleitjes, want de natuur is niet klein te krijgen. Ze zijn licht overstoven vanuit de zeereep. Moeraswespenorchis staat er vlakbij het strand. Ook hier is de vegetatie kort en open, dit keer door de jaarrond aanwezige koeien, zwarte Galloways.
In het Tweede Korfwater ontdekt mijn lief een eerste bijenorchis, in knop (foto ). Zo oogden deze duinen voor mij als die van 500 km zuidelijker, in Frankrijk, de Boulonnais, 20 jaar geleden (red.: 1993). Franse toestanden in het noorden, nu niet door de Franse Revolutie maar het warmere klimaat. Dat die bijenorchissen de volgende decennia bij duizenden noordwaarts zouden kiemen en bloeien konden we op dat moment alleen vermoeden. Anno 2026 in onze tuin op Goeree: nog net te tellen.
(slothoofdstuk uit: Duinen en mensen Texel, 2013, licht bewerkt 2026)
Door langzame aangroei in het zuiden kruipt Texel richting Den Helder. Verheling met de wal wordt echter door geen geoloog voorzien, integendeel. Toch lijkt de Texelse natuur steeds meer op die van de wal, voor een deel omdat soorten spontaan het eiland weten te bereiken en een plekje veroveren. Maar veel meer door wat mensen bewust en onbewust naar het eiland verslepen. Verschillen tussen eiland en vasteland vervagen, waarbij de duinen het langst hun eigenheid lijken te behouden. 2012 was een zeer nat jaar vol met nieuwe beelden en verhalen over Texel, die in dit boek doorgaans langs historische lijnen zijn doorverteld. Ik was als rasechte ‘overkanter’ gespitst op dingen die op Texel anders zijn. Niet om de Texelaars te bewieroken met hun, inderdaad, geweldige duinen, maar om als boekenmaker over de Nederlandse kust te ontdekken wat Texel zo Texels maakt. Wat is, als we naar de duinnatuur kijken, het hart van dit eiland en hoe klopt het?
Mijn eerste kennismaking met Texel was als student biologie. In 1973 volgden we met vele studenten een practicum over allerlei zeebeesten bij het onderzoeksinstituut NIOZ: mossellarven en zeepieren, zeenaaktslakken en zandkokerwormen. Na afloop zwierven we bij guur weer wat rond bij de Mokbaai. Een paar jaar later, in 1980, verbleef ik weken op Texel en Vlieland voor een afstudeervak bij het inmiddels verdwenen Rijksinstituut voor Natuurbeheer. Met medestudent Gertjan Endedijk zocht ik uit of die als ‘bijzonder’ bekend staande Texelse noordse woelmuis last had van concurrentie met de bosmuis. Het bleek vooral andersom.
Waarnemingen uit die nazomer die mij bijbleven: de onverstoorbare vlucht van een velduil boven de oude vuilnisbelt vlak bij ‘t Horntje op de Schilbolsnol, op zoek naar o.a. dwergmuizen – nieuw sinds de vijftiger jaren. En in de Geul, waar de Moksloot onder de weg door naar de Mokbaai loopt: een hermelijn in winterkleed, wit met een zwarte staartpunt, wegvluchtend met zo’n vette noordse woelmuis in zijn bek. BBC Wildlife was er niets bij. Nu, 30 jaar later, spreek ik vogelwachter Aris die vertelt dat hermelijnen uit de Geul vaak de weg oversteken, om in de vruchtbare Mokbaai hun muizen te halen. Vele generaties hetzelfde gedrag.
Maar in enkele tientallen jaren verandert er ook veel. Aan de rand van een valleitje met lijsterbes en galigaan op camping Loodsmansduin, waar we in 2012 een seizoenskamp opslaan, ritselen heel andere muizensoorten rond de tent dan jaren geleden. Kinderen pakken met gemak de trage huisspitsmuisjes die er sinds enkele jaren ronddarren.
Als je niet knijpt bijten ze niet. Vogelwachter Dick Schermer toont mij later in de Slufter hun holletjes tussen het gras en wier, met aangespoelde houtplaten als dak. De natuur gebruikt alle cultuur die er maar voorhanden is. In het aanspoelsel liggen veel meeuwenlijken maar ook een enkele kattenschedel, een veeg teken: elke gevonden kattenschedel staat voor een veelvoud aan verwilderde katten. Met een enkele lifetrap (met wortel en pindakaas als aas) vang ik op de camping aan de lopende band rosse woelmuizen met hun fraaie roodbruine vachtjes. Ook nieuw voor Texel.
Op Texel gebeurt wat op elk eiland in deze wereld gebeurt: de vastelandsnatuur rukt op. Eilandnatuur blijft alleen in strikt isolement zichzelf en dat is voor Texel lang geleden. Veel introducties (bewust en onbewust) zijn blijvertjes, zoals het konijn, de zwarte honingbij, groene kikker, een bosmier, huisspitsmuis en vele anderen (zie ook pag. 52 in Duinen en mensen Texel).
Kattenstaart nabij Eierland
Veel kijken en luisteren is nodig voor je op Texel de honderden kleine accentverschillen met het vasteland of met andere Waddeneilanden begint door te krijgen. Met de Noordkop en de meeste Waddeneilanden deelt Texel velden met struikheide en noordhellingen vol eikvarens en kraaiheide. Andere natuur is in de eerste plaats een kwestie van andere verhoudingen, want echte bijzonderheden van Texel, zoals de waddenbraam zijn schaars. Wel zijn veel soorten hier veel meer en andere juist veel minder aanwezig dan elders.
Enkele algemene duinplanten, zoals kattenstaart en gagel, zijn op Texel relatief schaars, terwijl ze wel veel op Terschelling en in het Zwanenwater groeien. Ook de moerasplanten koninginnenkruid, grote engelwortel en moerasspirea zijn mondjesmaat aanwezig in het Texelse duin, daar heeft niemand een goede verklaring voor.
Welriekende nachtorchis is in kleine aantallen in slechts drie Texelse valleitjes te vinden, terwijl er zuidelijker in het Zwanenwater en noordelijker tot op Schiermonnikoog veel meer staan. Vroeger (lees 19e eeuw) was deze witte orchidee op Texel veel algemener maar hij verdween grotendeels als gevolg van bebossing (waardoor de mientgronden aan de binneduinrand verdwenen) en verdroging (ook deels door bos). De verschillen met de kalkrijke vastelandsduinen ten zuiden van Bergen zijn groter: salomonszegel, wilde tijm en kardinaalsmuts ontbreken.
Terug naar de hamvraag: wat is hier nu extra of uniek? Opvallend veel driedistel, vooral in soms iets vochtige duinen met een beetje kalk, zoals op Eierland. Typerend voor het oude land met tuinwallen en de zuidelijke duinen zoals de Bollekamer, zijn de in natte jaren overal rijk bloeiende grasklokjes, al staan deze ook aan de overkant in de duinen bij Huisduinen en bij Bergen.
Er is geen goede verklaring voor het fenomeen van de gevlekte orchis, een ‘echt Texels ding’. Nadat in 2009 oud bollenland werd afgegraven bij de Rommelpot, stonden ze binnen enkele jaren mannetje aan mannetje. Het is steeds deze orchidee (en niet bijv. de rietorchis) die het erg goed doet, ook op verschralend grasland zoals in het Alloo en de Tureluur. Hij staat zelfs massaal in de berm van de Ploegelanderweg, pal naast de straatklinkers. Het valt niet uit te sluiten dat de genetische bagage van deze Texelse gevlekte orchis anders is, want hij lijkt veel minder kieskeurig dan elders in het Hollandse duin. Een uitdaging voor de DNA-biologen van nu.
Veel Texelse troefkaarten zijn waterplanten van duinplassen, met landelijke zeldzaamheden als weegbreefonteinkruid. Op de overgang van vochtige naar droge heide, in duinvalleien en merkwaardig genoeg ook op de hoogste kwelders in de Slufter, staat de diepgeel bloeiende verfbrem, in grote aantallen. Elders in onze duinen staat hij slechts hier en daar. Ook kleurrijk en – door de toegenomen verspreiding – zeer Texels is het in juni bloeiende teer guichelheil. Een succesverhaal voor de plaggende beheerder en een weerspiegeling van schoon grondwater met wat kalk, zowel te zien in de net geplagde Nederlanden als in oudere veldjes, zoals het Kees Dekkers Hok langs het Hoornder Slag. Niet zomaar een zeldzaam bloemetje: roze en bijna lichtgevend, en zoals Kees Bruin het noemt, bij een beetje ‘mokkig’ weer met weinig wind en veel warmte sterk geurend. Teer guichelheil pronkt met ruim bemeten bloemen op minuscule steeltjes en een ragfijn blaadje. Daar kun je mee voor de dag komen, net als met parnassia. Die zit de laatste 10 jaar in alle kalkrijke, vochtige duinen aan de vaste wal in de lift en is op Texel vooral veel in het zuiden te zien.
Mijn botanisch hoogtepunt van 2012 was de bloei van blauwe knoop. Overal in de duinen een echt zeldzame plant die je haast nooit ziet. Maar neem in augustus met de vogelwachter het excursiepad pal achter de vogelhut aan het Westerslag en doorkruis de valleien van de Westerduinen richting de zeereep. De driedistels zijn uitgebloeid, een enkel duinroosje laat zich nog zien, maar in soms wat ruigere en al 50 jaar niet meer beheerde vegetaties staat in een regenrijk jaar als 2012 een zee aan blauwe bloemen, soms tussen de struikheide. Een bijzonder fenomeen in de Nederlandse duinen. Ook elders op Texel blijken flinke plukken van de blauwe knoop te staan.

Tijdens het werk aan dit boek, vanaf november 2011, probeerde ik bij te houden welke nieuwe soorten zich in een jaar op Texel vestigden. Ik trof zelf een timmerboktor, een kolossale met een spanwijdte van de voelsprieten van 10 cm, op de veerboot vanaf Den Helder. Hij vloog kwiek het eiland op, een eenzaam mannetje. Maar een losse waarneming is nog geen vestiging. Ook zwervende en langstrekkende vogels tellen niet meteen mee, ondanks de permanente stroom van dwerggorzen, zwarte ooievaars en een flink aantal Amerikaanse, Siberische en Aziatische dwaalgasten. Texel is voor hen van belang, maar kortstondig, al kan dat korte pleisteren en op adem komen natuurlijk van cruciaal belang zijn voor hun overleving (het zijn net toeristen). Van echte nieuwkomers is pas sprake als er een Texelse populatie is. Een groep die zich ter plekke voortplant en zich handhaaft. Daarvoor moest ik vooral bij de flora zijn. Het purper schorpioenmos werd na ruim een halve eeuw afwezigheid weer in ons land begroet, ook in de media. In meeuwenkolonies dook de glanzige ooievaarsbek op, in vloedmerken gifsla, de naamgever van een boek van Jan Wolkers, die tot mijn verbazing geen sporen na heeft gelaten in de Texelse natuur of het landschap.
In 2011 vonden medewerkers van Staatbosbeheer een bijzonder blaasjeskruid. Een jaar later kwam dit inmiddels als loos blaasjeskruid geïdentificeerde vleesetertje in bloei en niet zuinig ook: in heel licht brakke en heldere duinplasjes tussen kranswieren. Het kreeg, onterecht natuurlijk, veel minder media-aandacht dan boktor en mos. Als we op een eiland binnen een jaar al te maken hebben met nieuwe soorten, wat is er dan te melden als we een langere periode bekijken? In de 19e eeuw meldde Hugo de Vries na een excursie in 1867 (samen met F.W. van Eeden, Samuel en Dirk Huizinga): ”Het is namelijk zeer in ’t oog loopend dat die planten welke overigens in de Hollandsche duinen bijna nergens ontbreken, op Tessel in ’t geheel niet aangetroffen worden”. Voor een deel is deze waarneming terug te voeren op verschillen in duinmilieu (zuiden zeer kalkrijk, Texel overwegend kalkarm), maar een aantal soorten was halverwege de 19e eeuw gewoon nog niet op Texel gearriveerd.
In de huidige duinflora zien we nauwelijks nog eiland-effecten: gevolgen van het isolement. Voor veel zaden is de zee blijkbaar te overbruggen geweest. Dat geldt zeker voor sporenplanten als mossen en varens die met de wind overal kunnen komen. De door Holkema in 1870 uitputtend beschreven eilandflora was rijker aan zeer bijzondere soorten, maar er ontbrak een aantal nu vrij algemene duin- en bossoorten. Omdat van sommige van deze soorten pas enkele decennia waarnemingen bekend zijn, is hun vestiging en verspreiding goed bekend. De gewone ereprijs bijvoorbeeld is elders een zeer algemene duinplant, op Texel slechts hier en daar aanwezig langs paden en in graslanden, een recente nieuwkomer waarvan de langzame verspreiding op het eiland is te volgen. Enkele soorten zoals valse salie en viltganzerik, die tot en met Den Helder gedijen, zijn nog net niet gearriveerd, al is het eerste aangeplante exemplaar van de valse salie gespot in een heemtuin.
Bij vogels, zoogdieren en dagvlinders is veel duidelijker sprake van een eiland-effect op de soortensamenstelling dan bij de flora. Bij enkele zoogdieren wijkt het uiterlijk zelfs af, zoals bij de waterspitsmuis. Op Texel is het aantal vleermuizen opvallend laag, met alleen de overal algemene dwergvleermuis en de forse laatvlieger, een typische bosrandsoort. Bij de vlinders springt Texel er positief uit met de grote parelmoervlinder. Opvallend is het ontbreken van zilveren maan, koevinkje en oranje zandoogje, die wel alle drie op Terschelling voorkomen. Bij de vogels zijn wulp, blauwe kiekendief en velduil opvallend, maar de dalende aantallen baren zorgen.
Het is onbegrijpelijk dat er geen wetenschappelijk onderzoek loopt naar de effecten van recreatie, grote landschappelijke veranderingen (de hele bosgordel aan de duinvoet) of nieuwe predatoren als de havik. Een eiland dat leeft van recreatie en natuur is gebaat bij kennisvan zaken. Natuur en landschap zijn Texels rijkste, meest zichtbare erfgoed. Behalve over vogels en planten is er inmiddels ook veel bekend over minder aaibare soorten als wantsen en slakken. Vooral bij die laatste soortsgroep is de oversteek over zee een hachelijke, zo niet onmogelijke opgave, al nemen vogels aan hun veren soms slakkeneitjes mee. De noordwaartse slakkentrek is grotendeels – en onbewust – mensenwerk. Naast de al beschreven slakken van de Dennen werd ook de grote glansslak na het midden van de 20e eeuw op Texel per ongeluk geïmporteerd. Als agressieve carnivoor eet deze grote glansslak wormen, huisjesslakken en jonge naaktslakken. Waar deze soort verschijnt, verdwijnt volgens de Texelse slakken-expert Johan Reydon de kelder-glansslak. Ook de bolle duinslak is van oorsprong een Zuid- en West-Europese soort en nieuw op Texel. De oorvormige poelslak is recent aangevoerd, bewust of onbewust, mogelijk met waterlelies en andere vijverplanten. Aanvoer van waterplanten (en daarop zittende beestjes) gebeurt voortdurend, zie bijvoorbeeld de watergentianen in de Rommelweel en zwanenmossels in het Mokslootgebied.
Van de 610 uit Nederland bekende wantsen zijn er in 2005 op Texel 279 gespot, waarvan 10 voor het eerst (tevens nieuw voor de Waddeneilanden). Een voor kenners interessante soort als Emblethis denticollis gedraagt zich invasief en bereikt op Texel (tijdelijk?) de noordwestgrens van zijn verspreidingsgebied. Mogelijk een effect van het warmere klimaat. Zeer opvallend is dat op Texel geen enkel reptiel voorkomt. De zandhagedis komt in wisselende maar toenemende aantallen langs de Nederlandse kust tot bij Den Helder voor, ook op een drietal Waddeneilanden, maar niet op Texel. Mogelijk was de zandhagedis wel present toen de Waddenkust nog min of meer gesloten. Waarschijnlijk raakte Texel rond het jaar 1000 een groot deel van haar duinen kwijt. Toen de huidige duinen zich vanaf de 12e eeuw gingen vormen, was Texel al eiland geworden en onbereikbaar voor de zandhagedis.
Texel is al sinds de 12e eeuw een eiland, maar hangt in zekere zin nog aan de wal. Dat geldt voor de natuur, maar zeker ook voor de economie. Zonder toerisme zou Texel niet zo rijk zijn. Van schapen alleen houd je geen duizenden mensen in leven, de walvisvaart is al lang voorbij, de 17e-eeuwse VOC meert hier niet meer af. De boeren weten soms andere markten aan te boren (bier, cranberries). Van de overkant komt verreweg het meeste voedsel, het drinkwater, de meeste energie en het personeel om vakantiehuisjes en hotels schoon te maken.
Net als de economie is de natuur een en al handel, verkeer en wisselwerking. Voor vele vogels is Texel een tankstation: rusten, eten en weer verder. Andere soorten verblijven er permanent, weer andere wonen op Texel en ‘werken’ (lees: eten) elders. Nadat er vossen in het Zwanenwater kwamen, verhuisden de lepelaars naar Texel. Ze gaan echter nog dagelijks terug om te eten bij het Balgzand of in Noord-Hollandse slootjes. Ook de meeuwen van Texel vliegen vaak naar de overkant. Meeuwen die hier broeden snacken letterlijk tot in hartje Amsterdam, op het Leidseplein, zoals een onderzoek van het NIOZ aantoonde.
In dit boek plaatsten we bakens om de veranderingen te kunnen duiden. Jac.P. Thijsse was zo’n baken voor de periode 1900 tot 1940. Wie een boek over Texel maakt, begint met Holkema (1867) en kan daarna niet heen om Thijsses Verkade-album uit 1927. Ik las ook andere verhalen van zijn hand over Texel en plaatste een minder bekend deel online. We hebben voor dit boek geput uit die erfenis. De natuur en het landschap van Texel veranderden ook in zijn tijd al sterk (o.a. aanlanding Onrust, bebossing), een flink deel is verdwenen. Maar wat zag en hoorde Thijsse 100 jaar geleden niet en wij nu wel? Even niet dat verdrietige omkijken naar alles wat weg is (kemphanen, watersnippen, Fonteinsnol, mientgronden, oud boerenland, etc.): wat hebben we nu allemaal extra?
Vroeger en nu was er het kabaal van meeuwen, de snerpende roep van sterntjes, het altijd weer blijmoedige en tegelijkertijd melancholieke gejubel van wulpen. Samen vormen deze geluiden de grondtoon van Texel, met de wind en de vroege zang van veldleeuweriken, al is die boven het boerenland vrijwel verdwenen.
Als we vanaf het zuiden door de duinen wandelen, klinken al rond de Mokbaai nieuwe geluiden. In het struikgewas van de Geul zingen nu veel nachtegalen, waarvan de eerste net voor de oorlog opdook. In de nieuwe riet- en wilgenmoerassen op de Hors zitten volkomen nieuwe vogelsoorten die de sfeer bepalen. Blauwborsten in grote aantallen, ook makkelijk te spotten voor beginnende vogelaars zoals ik. Op de wandeling naar het noorden ook allerlei roofvogels die in Thijsses tijd ontbraken, zoals buizerden. Ook de roep van een broedende havik is nu op Texel te horen, net als het gekwetter van eksters. En al die ganzen natuurlijk. Vroeger alleen op trek, nu gewoon broedvogel, zo overvloedig dat het weer discussie geeft. Ver weg broedende slechtvalken komen af en toe een prooi pakken of rusten op de Razende Bol.
Al die andere geluiden zijn een echo van de wal. In de vastelandsduinen nemen bos- en roofvogels al jaren toe, terwijl vogels van hetopen duin als wulp en tapuit achteruit gaan. Het overvloedige bos, hoe aardig dat zich ook ontwikkelt, is in feite voor duinnatuur net zo kwalijk als een hoge recreatiedruk. De ligging van de meeuwenkolonies maakt in een oogopslag duidelijk dat deze dieren in de meest rustige, vaak afgesloten delen nestelen.
Het landschap van Thijsse (overleden in 1945) is te zien op de een na laatste pagina van dit boek. Een luchtfoto uit 1939 die opdook uit een militair archief. Zoek de honderden verschillen in het landschap: in duin en polderland, in de bebouwing, in de omvang van bos en beplanting. De vorm van de kustlijn. Het is een wonder dat het duin zo’n 75 jaar later nog steeds zo rijk is. En het is die rijkdom die het hart van het eiland mede laat kloppen.
’t Eiland: een splinternieuw deel van Texel. Het jongste en meest ongewisse deel. Het is het meest zuidelijk gelegen, de huidige voorpost in de eeuwenoude zuidwaartse beweging van Texel. Er is geen asfalt, geen stuifdijk, geen beheerder. Wellicht bestaat het al niet meer als de inkt van dit drukwerk opgedroogd is. Stormen nemen soms meer dan ze geven. Wie zo ver mogelijk naar het zuiden loopt door zand en vochtige laagtes, komt het vanzelf tegen. Ongeveer 5 meter hoog, 200 meter lang, 30 à 40 meter van het Texelse vasteland (c.q. de Horsduintjes) gescheiden door een bij hoogwater overspoelde strandvlakte. Zuidwaarts ligt het gevaarlijke Marsdiep, noordwaarts de broze aansluiting met Texel waarmee het mogelijk een keer zal versmelten. Goed te zien op de luchtfoto: het zijn de laatste begroeide bulten voor de zee begint. Op deze zeer jonge, wandelende duinen, ontstaan op de kale vlakte, domineren helm en biestarwegras. Voor wie goed zoekt is er een enkele pol zeeraket te zien. Fazanten hebben de weg naar deze zadenrijke duintjes al gevonden. En een drietal zoogdieren staken de laagte, het regelmatig overspoelde strand naar ’t Eiland, al over: konijnen, bosmuizen (’s nachts overal pionierend) en huisspitsmuizen. Die laatste nieuwkomer heeft Texel in slechts 6 jaar tot in haar uithoeken veroverd.
Voor ’t Eiland en haar nieuwe bewoners is Texel de overkant. En wat autochtoon is beslist de natuur uiteindelijk zelf. Wij zijn slechts de waarnemers van komende en gaande gasten, plant en dier.
(slothoofdstuk uit: Bloeiende duinen, 2019)
Met een kort bezoek aan Rottumeroog eindigde mijn reis langs de kust. Op 50 wandelingen legde ik telkens 10 kenmerkende bloemen vast. Zo kwam ik voor dit boek op veel plekken, maar niet overal. Op loopafstand vanaf Rottumeroog over het wad lag bijvoorbeeld het strikte reservaat Zuiderduintjes, echt heel verboden toegang, behalve voor een enkele gezegende onderzoeker met ontheffing. Een mens moet wat te verlangen houden.
Rottumeroog was zeer leerzaam, maar niet de ultieme natuurervaring. Daarvoor was de oostelijke horizon met hoge bouwwerken van het nabijgelegen Borkum te grootstedelijk. Meer nog dan het reizen door de ruimte hielp reizen door de tijd om mijn duinheelal te laten uitdijen. Het duurde 50 jaar voor ik er achter kwam dat ik tot mijn 15e levensjaar (1969) bovenop oude afgevlakte Haagse duinen woonde. Als kind had ik geen idee van het verhaal dat in de stadsbodem verstopt zat. Er waren wel aanwijzingen: de bodem van de kleine stadstuin in de Perenstraat, waar ik toen woonde, was schraal en zandig. Voorbij de nabijgelegen straatweg van de Mient (de eens gemeenschappelijk weidegronden) richting Loosduinen lagen de begraafplaatsen Nieuw en Oud Eyk en Duynen, ooit de rand van de stad. Al die namen hadden me op een idee kunnen brengen.
Ik sjeesde op mijn fietsje door de Vruchtenbuurt over de Segbroeklaan (hier was eens moeras, zo leerde ik veel later) langs de rommelige Bosjes van Pex naar het hoge duin achter de Fuutlaan. Daar lagen in de jaren 60 nog open bunkers, verboden maar aantrekkelijk. Zo leer je als kind van duinen houden. Er liepen nog echte veldwachters in het duin, met honden. Zo kreeg je respect voor een overheid die toezicht houdt. Het duin was eng, maar leuk. Mijn plantenkennis ging niet verder dan de witte abeel, vanwege die fraaie zilverachtige blaadjes, en de gemene duindoorn. Er lag een meertje bij de entree waar je niet in mocht. O ja, er waren eetbare bramen.
Als ik in 2018, na 50 jaar, het Haagse duin opnieuw verken, zie ik heel andere duinen. Er is veel kaal zand gekomen. De natuur wordt ontwikkeld. Bunkers liggen soms bloot in het landschap. De omvang van de gebieden valt me tegen – als kind is alles om je heen groot – en de brave Haagse horizon van de jaren 60 is een stedelijke skyline geworden. Omdat ik inmiddels veel planten ken, herken ik allerlei soorten en patronen die ik eerder niet zag.
Dankzij de kaart van Kruikius (ook gespeld als Cruquius) uit 1712 dringt het nu pas goed tot me door dat ongeveer heel Den Haag ooit uit hoge en lage duinen met daartussen strandvlaktes bestond. Dat Eyk en Duynen, waar we onze ouders begroeven, uit ‘oude duinen’ bestond en dat er een restant te zien is van een middeleeuwse kapel van de Hollandse graven (helaas geen spoor meer van oude flora hier). Ik kom erachter dat het Binnenhof op een strategische plek aan de rand van het duinlandschap lag. En dat die keurige Vruchtenwijk een 20e-eeuwse uitbreiding was op lage duinen en landerijen, net als de Vogelwijk en in de 19e eeuw het Statenkwartier. Enzovoorts. Het Westduinpark, het huidige duin bij Den Haag en nu beschermd Natura 2000-gebied, bleek een snipper van de voormalige, onafzienbare Westduinen: de naam uit de middeleeuw- en voor al het duin tussen het Binnenhof en de oude Maasmonding achter Ter Heijde en ’s Gravenzande (weer die graaf van Holland). Zo leer je al werkende, mijn duinheelal dijt voortdurend uit.

Het een na oudste (en door brand verloren) schilderij: een graaf in een duinlandschap nabij Den Haag. Jan van Eyck, 1432.
Wie van zuid naar noord met het boek is meegereisd, ontdekt vanzelf dat er telkens andere accenten zijn in flora en fauna, steeds andere grenzen, afhankelijk van o.a. regio, leeftijd van het gebied en ligging. De geschiedenis eist natuurlijk steeds haar rol op, want zonder kennis van het historisch gebruik (denk aan boeren, jagers, waterwinners) en het al dan niet bewuste gesleep met planten en dieren door de mens, is het duin niet te begrijpen. Er staan olijfwilgen in het huidige Westduinpark en heel veel bezemkruiskruid. Dat zijn soorten van respectievelijk 90 en 10 jaar geleden, maar er zijn er ook die op eeuwenlang gebruik wijzen (vanaf de middeleeuwen), zoals de bijzondere zeedorpensoorten nabij Scheveningen. Het oudst afgebeelde zeedorpenlandschap uit 1432 staat in dit boek en bleek tot mijn vreugde nabij Den Haag te liggen.
Als je wilt leren hoe een gebied is opgebouwd en hoe de natuur het spel met planten, dieren en de omgeving speelt, is er een goede tip waar ik me nu al bijna een halve eeuw jaar aan houdt: schrijf er een boek over, ook, of eigenlijk liefst, als je er nog niet teveel van afweet. Voor elk terrein en elke soort in dit boek was een veelheid aan teksten beschikbaar. Waarin een gebied uitblonk was meestal snel te traceren. Maar zelden trof ik een helder antwoord op de vragen die de leidraad voor dit boek vormen: wat is nu kenmerkend voor deze streek, en wat zijn de trends? Noch op papier noch online boden beheerders veel overzicht. Veel leuke PR-verhalen over verstuivingsprojecten en grote grazers, allerlei losse waarnemingen, maar op de vraag ‘Gaat het hier nu goed of slecht, en waarom?’ was zelden een helder antwoord te vinden.
Een aantal beheerders (Zeepeduinen, Voorne, Den Haag, Kennemerland, Hondsbossche duinen) kwam op verzoek met nieuwe getallen of mooie kaartjes die we hebben verwerkt. Het CBS en FLORON publiceerden in 2017 een landelijk overzicht waaruit bleek dat het met soorten van vochtige duinvalleien echt beter gaat, terwijl de soortenrijke droge duingraslanden slechts aarzelend herstellen. Maar teveel somberheid is misplaatst: bij tweederde van de duinsoorten uit de top 100 (zie pag. 238) is volgens de gegevens van FLORON de trend na 2000 positief. Dit past bij het pionierskarakter van veel valleien, waar op een weer vochtige, kale bodem snel veel soorten uit de voeten kunnen. Droog duinzand heeft meer rust en tijd nodig, bijvoorbeeld voor de opbouw van enige humus in de bodem of adequate beweiding. Intussen blijkt uit andere statistiek (van het CBS) dat tot 2017 de hoeveelheid struiken in natte maar vooral in droge duinen nog steeds toeneemt. Dit ondanks de uitgezette kuddes grazers van alle denkbare rassen en soorten; én ondanks al die natuurlijke en kunstmatige verstuivingsprojecten die alles bij elkaar maar enkele procenten van het duin uitmaken. De fraaie openingsbeelden van de hoofdstukken in dit boek weerspiegelen wellicht meer onze wens dan de realiteit.
Een egelstelling in het duinlandschap is dat het open duin (vochtige valleien, droge duinhellingen) moet concurreren met al het bos en struweel dat is aangeplant of zich spontaan uitzaait. Die bomen en struiken groeien bovendien onnatuurlijk hard door extra stikstof en duinvastlegging en ze dempen, zodra ze er eenmaal zijn, ook de dynamiek ter plaatse waardoor ze zich gemakkelijk verder uitbreiden. Met bos en struweel gaat het dus wel ‘goed’, inclusief de bijbehorende vogels en struweelvlinders, terwijl in het open duin de omvang van het leefgebied in 100 jaar veel kleiner werd (met nu mogelijk een aarzelend herstel). Het massaal terugdringen van struweel en bos zal ten koste gaan van de soorten die zich hier genesteld hebben, en van ons ‘conservatieve’ mensen die gehecht zijn aan wat er is, wat we kennen, het landschap van onze jeugd.
Ook ‘goed’ gaat het met honderden soorten planten en dieren die door het warmere klimaat de noordwaartse route door het duin makkelijk namen. Met voor mij als exemplarisch hoogtepunt een foto van Albert de Wilde van de (nieuwe) grote sprinkhaandoder met een eveneens nieuwe sprinkhaansoort – het zuidelijk spitskopje – als prooi. De hele voedselketen in een opgewarmde variant. Hoe het afloopt met de noordelijke soorten die het bij ons van- ouds nog net uithielden, wordt duidelijk gemaakt door André Aptroot aan de hand van korstmossen. Enorme bewegingen bij het bijna onzichtbare.
In fysieke zin werden de duinen tot voor kort (zeg het jaar 2000) steeds kleiner. Kustafslag zette de laatste duizenden jaren de toon, tot het grote verplaatsen van zand van zee naar land begon. Naast klimaatverandering is dit de tweede grote omwenteling van de laatste 20 à 30 jaar: de kust groeit aan door mensenwerk, tegen de geologische trend in. Door het massale opspuiten van zand en ook door aanleg van soms lange pieren (bij havens) of strekdammen (zoals bij Eierland op Texel) is in feite een grootschalig experiment met het duinlandschap ‘losgebroken’. Kustversterking staat voorop, maar kan bij slim ontwerp makkelijk samengaan met natuurherstel. En planten en dieren reageren: door al dat extra en vaak kalkrijke zand nemen in kalkarme duinen kleine kalkminnaars als zanddoddegras, middelgrote als zeewolfsmelk en grote als duindoorns toe. Oude grenzen tussen kalkrijk (zuiden) en kalkarm (noorden) vervagen. In het duin zelf zijn met een beetje goede wil meer positieve dan negatieve zaken te melden. We noemden het herstel van duinvalleien, nieuwe en liefst spontane verstuivingen in zeereep en binnen- duinen, de aandacht voor de natuur rond oude zeedorpen, de ‘man- made’ aangroei van de kust met zachte, zandige middelen. Aan de binnenduinrand zijn er door het uitkopen van agrariërs en omvormen van landbouwgrond tientallen nieuwe natuurgebiedjes bijgekomen, soms aaneengeregen tot heuse bufferzones zoals bij het Zwanenwater of op Texel. Oude landgoederenzones zoals op Walcheren, bij Wassenaar en Haarlem staan meer dan ooit in de belangstelling vanwege de onvervangbare natuur. Het duinlandschap wordt zo aarzelend weer een beetje groter, al zal het nooit meer zijn historische dimensies aannemen (inclusief enorme veenmoerassen in het achterland).
En we houden alles scherp in de gaten, want we willen niet verrast worden. Alle slufters van dit land vanaf het Zwin op de grens met België, alle kerven in de zeereep zoals op Schouwen, bij Heemskerk en op Terschelling worden permanent tot op de centimeter nauwkeurig door satellieten gemeten en met zandvangers gevolgd, behalve, wellicht, die op het onbewoonde Rottumeroog en Rottumerplaat. Is er aan de zeezijde enige ruimte, aan de landzijde liggen de kaarten anders. De druk op de ruimte is hier inmiddels zo groot dat er maar weinig binnenduin zal bijkomen. Grote lappen oud en jong duin- landschap zijn opgeslokt door woningbouw en bollenteelt, lang voordat in 1970 het woord milieucrisis werd uitgevonden. Het duin was in mijn woonwijk al dusdanig onder de voet gelopen, dat ik er als jeugdige bewoner geen weet van had. Vrolijke fruitnamen sierden de straten, geen oude namen van verdwenen duinvalleitjes of vergeten stropers. Het slopen van huizen in deze oude woonwijken of van riante villa’s op duintoppen in Bloemendaal en Wassenaar ten behoeve van duinherstel, heeft bij geen enkele partij prioriteit. Dat de doorgaande recreatie- en bebouwingsdruk (ook van hoogbouw) op de rijkste natuur van ons land moet stoppen en er snel een balans gevonden moet worden, is evenwel duidelijk. Graag een jaarlijkse politieke verantwoording over omgaan met ons natuurlijk kapitaal in elke gemeente die duurzaam wenst te zijn. Dan hoeft Wim de Bie niet meer boos te twitteren over de teloorgang van Kijkduin en kan het duinheelal wellicht niet alleen mentaal maar ook fysiek nog uitdijen.
“Ik vind het eigenlijk te gek dat je op deze wereld rondloopt en van niets weet, vandaar dat ik nog even doorwerk. Er is nog zoveel te doen. Van de vogels bijvoorbeeld, weet ik nog helemaal niks, ook helemaal niks!” (Wim de Bie)

De horizon van Terschelling van Noordsvaarder tot West-Terschelling in 2017. Zandgletsjers rukken op. Het meer ligt in een oude, aangelegde Kroonpolder. Bos staat op de horizon nabij de Brandaris. Er staan nu nog lage struiken in het tussengelegen duinlandschap. Wint de successie of het aanstuivende zand?
Rolf Roos
Juni 2015, update 19 februari 2026
Het was zo’n mooie dag met roepende spechten en nachtegalen in het duin, met zacht stromend water in een duinrel en zenuwachtige grutto’s in het achterland. Zes bijzondere plekken bij Bergen werden op een veldsymposium door even zovele kenners aangeprezen. In de Bergermeerpolder vertelde een agrarisch-natuurbeheer-boer een mooi verhaal over de randen van zijn ingezaaide raaigrasland. In de vogelrijke Loterijlanden van het Noordhollands Landschap vingen we tussen vele grutto’s een glimp van zomertaling en lepelaar op. Niet zonder verbazing zagen we zeer nieuwe natuur met soms bizarre combinaties van soorten in de Damlanderpolder, eerst door bollenteelt verwoest, nu van Natuurmonumenten. En in de duimzoom stroomde de duinrel, kleine echo van het grote stromen onder het duin door. In het Noordhollands Duinreservaat knielden we op een droge duinhelling vol duinrozen en mossen tussen de laatste rozenkransjes van ons land. Bedreigde overdaad.
Welke plek heeft nu de meeste kwaliteit? Iedere natuurliefhebber loopt tegen de moeilijkheid aan dat hij onder woorden moet brengen waarom een bepaald gebied behouden moet blijven. Getrainde biologen toveren dan een ecologisch konijn uit de hoed. Bijvoorbeeld: het gaat om het belang van de internationaal belangrijke en bedreigde soorten die daar leven. Of: dit gebied is zo groot dat fundamentele ecologische, hydrologische of geomorfologische processen zich kunnen ontvouwen. De omstanders luisteren en indien ze ontvankelijk zijn voor natuurwetenschappelijke zienswijzen, zullen ze de bioloog complimenteren met zijn adequate betoog. Een betoog met een dwingend karakter, een ecologische imperatief. Daarin gaat het vreemd genoeg zelden over wat mensen vaak het meeste aanspreekt: de schoonheid van natuur of landschap ter plekke, of de band die iemand met een landschap heeft. Maar we moeten er wel wat mee, met die schoonheid.
Schoonheid is voor biologen al lang niet het eerste argument – een veilige, maar wellicht ook wat benepen positie die de verwetenschappelijkte natuurbescherming na Thijsse kenmerkt. Een positie die ook ongemakkelijk aanvoelt als we zien hoeveel Thijsse wordt geciteerd, juist vanwege zijn vermogen om kennis en een schoonheidservaring harmonieus te verweven.
Want mensen zijn geen lid van natuurclubs vanwege ecologische en wetenschappelijke argumenten, maar omdat ze bepaalde landschappen waarderen. Ze vinden iets mooi, ze voelen zich verbonden, ze waarderen de rust, ze laten zich inspireren, etc. Biologen positioneren zich met al hun wetenschappelijke argumenten vaak aan de rand van het draagvlak onder de natuurbescherming. Maar wat moet de wetenschapper / natuurbeheerder nu met de esthetische dimensie van de natuur? Valt er iets zinvols te zeggen over schoonheid en kwaliteit, juist in het verlengde van de ecologische imperatief? Hoe slaan we een brug tussen esthetische ervaring en ecologisch inzichten?
Onderweg in het landschap van duinen en polders nabij Bergen kon ik mijn oordeelsvorming oefenen. We zagen allerlei positieve en negatieve kwaliteiten. Los van de leuke of zeldzame planten en dieren, zichtbare narigheid als verrijking met mest of verdroging, keken we naar de invloed van de mens als beheerder, de relatieve ongestoordheid van een gebied, de intactheid van de bodem. In feite gaat het dan over gaafheid. De duinen bleken soms redelijk gaaf als er geen effect van ontwatering zichtbaar was, door de veelheid aan mossen en hogere planten, door de vogelrijkdom, de door vrijwel iedereen gewaardeerde wildheid van natuurlijke processen als verstuiving en successie. Kortom, ik betoonde mij weer een volleerd bioloog. Men ging na de wandeling tevreden huiswaarts, ik niet.
Ik had verzuimd te zeggen dat het kleurenspel onovertroffen was, dat je naar de lucht kon kijken zonder steeds nieuwbouw tegen te komen, dat deze plek door de half-openheid van het landschap zich leende voor spannende ontmoetingen met langsscherende boomvalken of een neerstrijkende havik. En dat het mosrijke landschap lekker aanvoelde als ik op mijn rug lag. Argumenten uit de wereld van beleving, van esthetica. De boterzachte, maar interessantere wereld van docenten, schrijvers, filosofen en vormgevers.
En die schoonheid had toch ook met natuurlijke processen te maken, of liever: met het subtiele evenwicht tussen elkaar weerstrevende processen. Want op die duinhelling streed vraat tegen dichtgroeien, verstuiving tegen vastlegging door pionierplantjes, bekalking door stuivend zand tegen verzuring door uitloging en luchtvervuiling. Niet zozeer de natuurlijke processen zelf bleken een uitgangspunt voor mijn esthetische ervaring als wel de dynamische spanning tussen tegengestelde processen.
Zo komen schoonheid en ecologie een beetje bij elkaar, mede op basis van natuurlijke processen. Niet omdat die processen moeten, of intrinsiek goed zijn, maar omdat ze soms in een delicaat evenwicht verkeren en we er even aan kunnen ruiken.
Het leuke van elke esthetica is het filosofische karakter, je moet er over praten om je een beeld te vormen en je mening bij te schaven. De (pseudo)wetenschappelijke smaak (c.q. argumentatie) van biologen laat zich uitstekend afwegen tegenover andere smaken en opinies. Over smaak valt prima te twisten, moeten we zelfs twisten, liefst op een vrolijke toon die in wildernisland wel eens ontbreekt. Want dit soort debatten draagt bij aan het draagvlak van de natuurbescherming, niet de zekerheden van een proces-ecoloog die zijn eigen standpunt in beton heeft gegoten. En wie weet leidt het en passant tot wat meer beschaving: een aardig twistgesprek over ecologische en esthetische smaak.
Bewerking van een gelijknamig artikel uit: De Levende Natuur 98(4) 1997. Ook in langere versie gepubliceerd in: Woorden over de wildernis (Uitgeverij Natuurmedia, 2014)
Rolf Roos
Dankzij Streekarchief Voorne-Putten konden we voor het boek Duinen en mensen Voorne ruim putten uit de online beeldcollectie. Daarbij viel de vooroorlogse fotograaf Th. van der Steeg op door de kwaliteit van zijn foto’s van duinen, gebouwen en mensen. Vooral de glasnegatieven waren prachtig. De originelen daarvan liggen in het Streekarchief, scans zijn online te raadplegen. Daarnaast is van der Steeg de fotograaf van veel (ingekleurde) ansichtkaarten m.n. uit de periode 1910-1935. In dit artikel tonen we een kleine selectie uit zijn werk.
Deze fotograaf verdient een expositie in museum, bezoekerscentrum of gemeentehuis. We willen graag daarom ook meer weten van de persoon van deze fotograaf. Hij verdiende duidelijk zijn boterham met de fotografie, en dan was je doorgaans een opvallende figuur. Wie weet er meer over hem? Spit mee in andere archieven en bericht het ons.
Zo berichtte Nick Werring van het Streekarchief ons op 27 april 2024 het volgende:
Theodorus Jacobus van der Steeg is op 09-10-1882 te Haarlem geboren. Hij trouwde aldaar in 1911 met Cornelia Helena Becker (Haarlem, 1887 – Oostvoorne, 1969).
Binnen een maand vestigde het kersverse echtpaar zich in Rotterdam, waar zij woonden aan de Tiendstraat. Theo van der Steeg was toen werkzaam als handelsreiziger. Op 1 oktober 1917 vestigden zij zich in Oostvoorne, aan de Brielseweg. Daar wordt Van der Steeg voor het eerst vermeld als ‘photograaf’.
Later is het echtpaar naar de Molenweg verhuisd. Hij overleed op 72-jarige leeftijd 07-02-1955 in Rotterdam, vermoedelijk in het ziekenhuis. Zijn vrouw overleed 14 jaar later. Hun graf is te vinden op de begraafplaats aan de Voorweg te Oostvoorne.
Vele duinfoto’s van hem hebben we opgenomen in onze collectie dubbelfoto’s, waarvan Henk Terhell, thans fotograaf in Oostvoorne, de foto’s van nu (2022) verzorgde. We tonen hieronder enkele opvallende foto’s van van der Steeg uit het Streekarchief. Veel van zijn foto’s zijn uniek: soms is er geen ander beeld bekend, bijv. over de aanleg van het golfterrein en golfers te Rockanje of het gezicht op Hellevoetsluis toen het Quackgors nog Weergors heette en het Haringvliet geheel zout was. En veel van Koepel Zeeburg voor de oorlog (en de sloop).
Een overzicht van zijn foto’s in het Streekarchief is via deze link te vinden.

Weergors en gezicht op Hellevoetsluis ca 1910

Gezicht op Koepel Zeeburg, Oostvoorne, 1918

Kruiningergors, ca 1925
We sluiten af een collage. Klik op een beeld voor uitvergroting

Mooie lange route richting Schapenwei met bijna alle troeven van Voorne: lommerrijk bos, vogelrijk struweel, bloemrijke duingraslanden en natte valleien met veel vleeskleurige orchis. Het is vrij toegankelijk met aangelijnde hond. Het pad heeft jungle-allures inclusief zeer natte passages over boomstammen. Voor wie natuur wil maar tegelijk niet verrast moet zijn dat er ooit met de beste bedoelingen hier soorten zijn gezaaid (en na 50-60 jaar er nog staan). Is het dan wild?
Het achtergrondverhaal over Voorne wordt gepubliceerd in het boek ‘Bloeiende duinen’.
Het landschap van Voorne in zijn geheel: zie het boek Duinen en mensen Voorne (2023)
Bezoek andere hotspots met behulp van de overzichtskaart.
Rolf Roos
19 januari 2026
Op basis van een interview met Kommer Tanis, Havenhoofd, Goedereede, 16 januari 2026. Over hoe jongens het strand bij Kwade Hoek (’t strange) gebruikten rond 1975 ( en hoe daar een eind aan kwam. Over een bijzonder woord voor slenk in een schor: een sloei. Met aanvullingen van Ton van Kooten, schoolmeester 1969 -2004, Havenhoofd. Zie ook aansluitende verhalen over boswachter Jan Vlietland en gebruikte veldnamen rond Havenhoofd en Kwade Hoek. Overigens is ook de voornaam ‘Kommer’ bijzonder want sterk aan Goeree gebonden. Dit geldt ook voor ‘Tanis’ en een ieder die over het eiland leest zal menige ‘Kommer Tanis’ tegenkomen, meestal voorzien van een geheel eigen bijnaam

“Sloei op de plaats waar we altijd het stand opgaan” Sloei = slenk, tekst ca 1976 van Kommer Tanis in plakboek; een schaarse foto van een zeer open en laag begroeide Kwade Hoek. Deze slenk is er nog steeds maar veel breder (met naam ijsvogelkreek) en ligt tegenover de huidige vogelkijkhut.
Kommer Tanis, fossielenkenner met bijnaam ‘de kluve’ (kluif) en visser uit Havenhoofd was in 1976 12 jaar oud en heeft diverse herinneringen aan opzichter/boswachter Jan Vlietland en zijn opvolger Siep Kuiper.
(1976)
“We konden ze goed leven als Vlietland. Als hij jongens tegen kwam op het strand wat daar niet mocht, dan stuurde hij ze weg, maar dan moesten ze wel, wat hij noemde, langs de ‘Koninklijke Route’: het enige officiële pad dat er ook nu nog ligt langs ’t Lichie. Kortom: flink omlopen om terug te gaan. Dat deden we natuurlijk normaal nooit want we gingen vanaf Havenhoofd rechtstreeks vanaf het duin naar het ‘strang’ : het laag begroeide gors over richting het strand. We gingen zwemmen in de tweede sloei (slenk).” Zie de foto hierboven en hieronder.
Kommer Tanis zocht eieren met zijn neefje Jaap Witte op de Kwade Hoek: “Kievitseieren, maar ook eieren van kluten en scholeksters. Op een dag konden we er door de lage lichtval zoveel vinden dat we dat niet meer konden dragen in onze handen. Wat te doen?” Kommer: “In de verte zagen we iets wit liggen. Dat was een emmer die lag aan aan de rand van de kokmeeuwenkolonie en in die emmer zat iets van smurrie. Dat hebben we er een beetje uitgegooid en hebben ze daar eieren deels in gedaan en mee naar huis genomen. De volgende dag vroeg stond de moeder van Kommer, Huigtje, in de keuken en kwam boswachter Jan Vlietland langs die zei: die eieren die daar los liggen mag je hebben en eten, daar heb ik het niet over, maar wat in die emmer zit neem ik meteen weer mee, want daar heb ik iets ingestopt tegen de ratten. Daarin zat waarschijnlijk strychnine om ratten op de kolonie te bestrijden.”

” Het strandvan het Havenhoofd: “De kwade hoek”. De pijl geeft de plaats aan waar wij altijd zwemmen (1976). Het met helm beplante duin zonder struimen was er net aangelegd in het kader van de Deltawerken. Kommer zwom in de tweede sloei, waar het water diep genoeg was.
Ton van Kooten, woont anno 2026 in Zierikzee en was schoolmeester op Havenhoofd van 1969 tot 2004. Hij heeft Kommer Tanis in de klas gehad en ook zijn broer Ewout en wellicht zijn er foto’s van excursies die Jan Vlietland gaf. Over Jan: “Het was een gouden vent, hij wist veel en liet de kinderen struinen en liet ze het strand schoonmaken en aan planten ruiken. Kortom, hij leerde ze wat.”
Kommer Tanis nog over het einde van het eieren zoeken. “Op een dag gingen we ook weer zwemmen en eerst eieren zoeken. Mijn vader ging mee vissen op het strand en toen kwam de opvolger van Jan Vlietland, Siep Kuiper en daar kreeg mijn vader bijna slaande ruzie mee. Siep riep zelfs de politie er bij en is het zo gelopen dat we er echt niet meer mochten komen. We zijn ook gestopt met eieren zoeken, dat is dus na een conflict geëindigd, net als het vissen vanaf het strand.”
Siep Kuiper, kwam later in de klas bij Ton eind jaren ’70 en hij maande Ton: “wil je er voor zorgen dat je kinderen ophouden met loopgraven maken in de duinen.” Ton antwoordde: ” dat klopt dat ze dat doen, want ik heb net de Eerste Wereldoorlog behandeld. En ik ben geen toezichthouder.”
Rolf Roos
(12 april 2024, update 10 jan. 2026 met enige teksten over Thijsse die van ‘grazig’ duin spreekt, met dank aan Frans Beekman.)
In onze speurtocht naar gekleurde veldnamen komen we hier en daar een groen duin tegen (of een Groen Strand en, alleen op Schier: ’t Groene Glop). Op Schouwen ligt tussen Burgh en Westerschouwen een laag binnenduin: het Groene Duin. Maar echt vrolijke tinten ontbreken vrijwel. Het Rode Dal (ook Roondal), ook op Schouwen, blijkt afgeleid van rode vossen (paarden, niet het roofdier). Nu eerst aandacht voor zwarte en witte duinen en wat er tussen in zit. Want al 30 jaar is onder beleidsbiologen (en nog veel langer onder bijna vergeten duinwetenschappers) het woord ‘grijs duin’ in zwang. Wortelt dit ‘grijs’ inmiddels al in onze taal, althans de taal van veldnamen die op kaarten staan, op papier zijn gezet of digitaal te vinden? In deze speurtocht leren we in ieder geval dankzij Gerrit Knop (1948) waar – althans op Terschelling – de jongens en meisjes vandaan komen: uit Zwartduin de jongens en uit Witduin de meisjes. Onze voorlopige conclusie: als veldnaam leeft ‘grijs duin’ totaal niet.
Onze eerste stap in dit verkennende veldnaam-onderzoek bleek eenvoudig. We hoefden alleen maar af te romen wat door auteurs als Ed Buijsman (de Beer), Rob Rentenaar (heel Nederland), Frits David Zeiler (Kennemerland), Frans Beekman (o.a. Walcheren, Schouwen, Delfland, Meijendel), Kees Bruin en Erik van der Spek (Texel) is ontdekt. Zie hun artikelen op deze site en in de bronnenlijst. Belangrijke aanvullingen leverde het boek van Arjen Kok over veldnamen op Terschelling. Frans Beekman mailde ons een hele reeks van gekleurde veldnamen, maar, zoals hij zei: “zwart en wit overheersen in de bronnen.” Zie onze voorlopige lijst. Aanvullingen altijd welkom!

De term ‘wit’ heeft in het zeeduin geen verklaring nodig, maar blijkt nauwelijks frequenter voor te komen dan zwart, en dat is wel verrassend. Voor dat ‘zwart’ zijn meerdere verklaringen denkbaar. Op Ockenburgh betreft het een beweid Oud Duin met vermoedelijk struikheide. De donkere aanduiding lijkt vanwege kraaihei (een noordelijke soort) meer in het noorden voor te komen. Twee in de winter donkere en opvallende soorten zijn verder kruipwilg (noorden) en duindoorn (zuiden).
Voor Terschelling worden kruipwilgen expliciet genoemd: In ‘Brandarisflitsen: Een vacantieuitstapje van twee Amsterdammers naar het eiland Terschelling’ (1948) door de Terschellinger Gerrit Knop, later leraar Duits in Amsterdam, staat op blz. 95:
‘U spreekt daar van Zwartduin. Is dat misschien ook een duin, waar vroeger vuren gebrand werden? Zwartduin in tegenstelling tot Witduin werd zo genoemd naar de dichte begroeiing met riezen (kruipwilg). Als bijzonderheid kan ik U nog mededelen, dat de Ter-Schellinger moeders hier hun jongens vandaan haalden; de meisjes komen uit Witduin’.
Op hetzelfde eiland is nog een Swartduin (nu een camping) bekend, terwijl Van Eeden in 1885 een ander Zwartduin noemt: ten noorden van de vuurtoren. In zijn (sterke?) verhaal is dit duin vernoemd naar houtskoolresten afkomstig van het door Engelsen in 1666 afgebrande (oude) West-Terschelling. Een woord kan schijnbaar eenduidig zijn, de verklaringen zijn altijd divers. In het boek van Arjen Kok (2006) heet dezelfde (?) plek Kooltjesduin, maar dat wordt weer verklaard door houtkoolresten van de voormalige vuurboet op deze plek. Beide lezingen kunnen trouwens waar zijn. Ook Knop (1948, zie boven) heeft de vuurklepel horen luiden.
Verder bestaan er ‘Donkere Duinen’ bij Den Helder, en die heetten al zo voor er voor de oorlog in de 20e eeuw donker naaldbos op werd geplant.

Archetypische ‘grijze’ duinen
Tussenstand: grijze duinen worden op kaarten (nog) niet gevonden, wel een keer ‘grauw’ (op Schouwen), wat het meest in de buurt komt. Maar of hier ook de ‘grijze duinen’ van het gewilde ‘habitattype’ van het plaatje (rechts) liggen?
We zoeken het verder na in ‘Plantengroei der duinen’ van L. Vuyck uit 1898 die niet zonder enige trots het vastleggen van de duinen eind 19e eeuw memoreert: ” De stuifduinen of witte duinen zijn nagenoeg verdwenen en hebben plaats gemaakt voor vaststaande of grauwe duinen.” Dat ‘grauwe’ komt rechtstreeks uit het duits. Grau is grijs. In het beroemde Dünenbuch (1910) blijken de geleerden het over wit, zwart en grijs te hebben maar zijn ook niet geheel eenduidig.
Op pag 126, deelt prof. dr. F. Solger, de geoloog, de duinen in: witte en zwarte OF grijze: de laatste naam door de begroeiing veroorzaakt.
Maar op pag 222, meldt botanicus prof. dr.P. Graebner, dat dat grijs niet slaat op de begroeiing maar op de kleur van het zand eronder, dat door geleidelijke humusvorming haar witheid verliest:

Wat we hier in ieder geval ontdekt hebben is dat ‘zwarte duinen’ geen vreemd begrip waren (en inwisselbaar met grijs ?) en de verklaring bepaald niet eenduidig maar wel aan begroeiing gerelateerd is. Grijs komt door de korstmossen, zoals wel wordt gezegd, maar dat is onjuist.
Vrijwel alle auteurs die duinen voor een groter publiek beschrijven mijden het ‘grijs’. Lees bv. de prachtige bladzijden van Adriani cs in Ontdek de duinen uit 1981. Of het boek Blonde duinen van Jac. P. Thijsse uit 1911: een lyrisch boek vol krioelende dieren en ‘gulzige’ konijnen. Dat ‘blonde’ legt hij nergens uit, maar staat vanouds voor de het goudgele zand ten zuiden van Bergen N.H. dat meer ijzer bevat. Voor hagelwitte duinen moet je vanaf Schoorl noordwaarts. Thijsse zelf heeft een hoofdstuk over ‘witte duinen’ en wijdt enkele zinnen aan duinvorming, een proces dat pas later in de 20e eeuw werd ontrafeld: ” er wordt wel beweerd, dat eerst in den Romeinschen tijd de zandheuvels langs het noordzeestrand zich noemenswaard boven de zee begonnen te verheffen.‘ Hij beschrijft het leven in het buitenduin met helm en zandzegge en het begroeid raken aan de landzijde met o.a. wondklaver en “sappige, enigszins zure, bramen”. Over grijs duin treffen we bij Thijsse geen woord, wel “heel fijne mosloovertjes die beginnen rond te kruipen (..), rendiermos en aardige bekermosjes.” In het najaar de stuifballetjes, in de zomer de muurpeper. En hoe wit duin overgaat in grazig duin (pag. 71, eerste druk):
” Als ’t eenmaal zoover is, dat ’t duin begroeid raakt met mossen en muurpeper dan kunnen in die vochtige laag weer allerlei zaden en sporen ontkiemen en in weinig jaren – op Terschelling kun je dat mooi bestuderen – komen er dan viooltjes, pimpernel, walstro, reigersbek, duinroosjes (..) zodat het witte duin dan mettertijd een grazig duin geworden is.”
Onze conclusie: grijze duinen blijken nergens op kaarten te bestaan, ontbreken ook als veldnaam, zijn ingeburgerd vakjargon bij beleidsbiologen, maar niet bij natuurschrijvers. Ons advies: schrap dat ‘grijs’ en noem het heel eenduidig: bloemrijk. Het zijn allemaal duingraslanden: min of meer gesloten, vaak mosrijke duinvegetaties op licht humeuze bodem met groen in alle kleuren van de regenboog en bijzonder veel bloemen: roze, geel wit en paars. Bij uitzondering (of bij laag licht of op een bewolkte dag): grijs of zwart.
Zie als inleiding op de vele bloemen van het ‘grijze’ duin het verhaal van Theo Baas. met prachtige foto’s.
Ps Engelse duit: gangbare termen in vakliteratuur anno 2025: ‘embryo dunes, yellow dunes, and fixed dunes’, dat herkennen we makkelijk als: embryonale, witte of blonde en vastgelegde duinen met bloemrijk duingraslanden.
Ps. Een laatste Duitse duit in het zakje door Frans Beekman: “Met ‘feldgrau’ bedoelen onze oosterburen camouflage groen. In de oorlog hadden ze de vuurtoren van Haamstede die kleur gegeven. Door de regen spoelde dat er langzamerhand vanaf en kwam de rood-wit spiraal weer tevoorschijn.”
Bronnen (deels online op duinenenmensen.nl)
Frans Beekman (2021) Veldnamen in Meijendel
Frans Beekman (2022) Veldnamen van de Delflandse duinen
Ed Buijsman (2023) Topografie en toponiemen (veldnamen) van een verdwenen natuurgebied: de Beer
Kees Bruin & Erik van der Spek (2012) ‘Veldnamen in de duinen van Texel’
Arjen Kok (2006) Aastermiede & Wachthuisplak. Veldnamen op Terschelling in duin en polder. Van Gorcum, z.p.
Rolf Roos (2015) Recensie boek Arjen Kok over Terschelling.
Solger, F. e.a (1910) Dünenbuch. Enke, Stuttgart.
Vuyck (1898) De plantengroei der duinen. Dissertatie. Uitgave Adriani, Leiden.
Frits David Zeiler (2008) Hel en paradijs: duintoponiemen (veldnamen) in Zuid-Kennemerland
Frits David Zeiler (1995) NOLLEN KROCHTEN BLINKEN Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin
Website natuurkennis.nl over o.a. grijze duinen.
Rolf Roos
(8 januari 2026)
Toen we begin 2025 op deze site in een artikel uitlegden dat de oorsprong van de veldnaam Kwade Hoek niet kwam door strandingen, maar door de sterk verzwakte kust rond 1715, kwam er enige dialoog op gang, omdat iedereen die nu leeft, geleerd heeft dat het door scheepsstrandingen komt. Ook het bordje van de terreinbeheerder versterkt dit recente verhaal, dat echter een halve waarheid is. Nu is taal heel flexibel, flexibeler soms dan wat zich in ons hoofd heeft vastgezet. De ‘Quaaden Hoeck’ als een bijna weggeslagen kust (incl. doorbraken, de laatste in 1731) kan moeiteloos een ‘plek van scheepstrandingen’ worden, vooral als na redding van de kust (door inlaagdijken en dammen) de aangroei eerst aarzelend (19e eeuw) en daarna spectaculair (20e eeuw) doorzet en de havenmond van Havenhoofd steeds verder moest worden uitgelegd. Zie het verhaal over ontstaan en aangroei.
Er zijn echter nauwelijks gedocumenteerde strandingen die de huidige betekenisgeving onderstrepen dus we houden ons aanbevolen. Maar een lastige bocht voor de vissers was het zeker! Een erg aansprekende foto van een stranding ontvingen we begin 2026, naast een oorspronkelijk krantenbericht van 1 mei 1964.
Kaart Havenhoofd, Goedereede e.o. ca 1964. Met een ster is de vermoedelijke strandingsplek van GO.17 weergegeven. Vanaf paal 4 bij het Haveneind had men in die tijd vrij zicht over de aangroeiende Kwade Hoek. Let op de geprojecteerde havenwerken rechtsonder en de bouwput.
Vette kop in het Eilandennieuws van 1 mei 1964:
„Kwade Hoek” bij Goeree hield botter G.O. 17 vier dagen onwrikbaar vast
Vijf noordzeekotters hadden zwaar karwei
Botter GO.17 lag op de zandbanken bij de Kwade Hoek begin mei 1964. In de krant stond: ” Toen deze foto genomen werd was de botter al plm. 35 meter „gekomen”, waarna hij weer op een rug stootte. De bemanning werd er bij laag water met een roeiboot afgehaald.”We citeren enkele passages uit de krant van 1 mei 1964. In het eerste citaat is duidelijk dat de hoge zeereep van ca 1970 er nog niet was en kon men alles volgen vanaf het Haveneind.
“Ieder die lopen kon op Goeree Havenhoofd stond zaterdag- en zondagmiddag op het Haveneind vanwaar men kon zien hoe op het water met de reuzenkracht van een vijftal kotters en de reddingsboot werd gewerkt aan de bevrijding van de op de Kwade Hoek vastgelopen botter G.O. 17. Wie thuis bleef luisterde voor de radio waar de vorderingen via de visserij golf te volgen waren. Met een flinke „bries” in de rug liep deze botter tijdens hoogwater op een zandbank.”
(…)
“De haven van Goeree is door het verzanden van de Kwade Hoek nagenoeg onbereikbaar. Omdat het flink hoog water was wilde de heer Groenendijk (de schipper) de kans wagen de haven te bereiken om daar, dicht bij huis van vistuig te verwisselen. Direct al raakte de boot vast en de hulp liet niet lang op zich wachten.”
Er waren diverse pogingen en kabelbreuken en uiteindelijk was het hard werken op zondag. De krant besluit:
“De vissers die eigenlijk naar zee moesten vertrekken gaven de moed niet op en verletten die dag in de vaste overtuiging dat ze het ’s middags zouden klaren. Inderdaad is ’s middags nadat ’s morgens een geul was gegraven en de kabel was bevestigd de boot vlot gekomen waarvoor de vissers die hieraan hun steentje hebben bijgedragen een flinke pluim toekomt.”