Rolf Roos
(18 januari 2026)
Dit stukje is voor hondenliefhebbers en hondenhaters en gaat over de helaas subtiele ecologische relatie tussen hondenpoep, bodem en bloemen.
Op 12 januari 2026 hadden de hondenbashers van Staatbosbeheer het NOS Journaal gestrikt om in het Ulvenhoutsebos bij Breda de stikstofdruk van honden te demonstreren. Oplossing: aanlijnen van de beesten en hun baasjes, dan wel geheel weren. Nu heeft Staatsbosbeheer hier toevallig gelijk, want dit bos is te bijzonder voor woorden, maar dat kwam helaas niet goed uit de verf. Het weer was somber, de flora onzichtbaar en de boswachter van dienst was wat strengig.
Het Ulvenhoutse bos is zowat het laatste bos met witte rapunzel in dit van mest en mist vergeven land. En die kwetsbare schoonheid verdient een eigen paleis, met hoge hekken rondom. Dat het op 5 minuten autorijden vanaf Breda ligt, is een punt van zorg. De mevrouw die vond dat haar hond hier echt los moest lopen vanwege het ‘socialiseren’ verdient enige heropvoeding.
Maar de relatie tussen drol en natuur is geen ecologisch appeltje-eitje. Geen simpele relatie tussen oorzaak en gevolg die overal geldig is. Ik verplaats mij naar de duinen om de zaak genuanceerd van drie kanten te bekijken. De eerste mogelijkheid zou kunnen zijn dat de drol (en de plas) er echt niet toe doen. Dat is overal het geval waar het landschap van nature al erg voedselrijk is. Langs de kust geldt dat voor alle kwelders die overstroomd worden door de zee en de randen van het strand waar met vloed veel aanspoelsel neerkomt (incl. wier en lijken). Dat is te zien aan de rijkelijke groei en bloei van zeeaster of zeeraket, een hond kan hier qua stikstof geen kwaad doen. Dat we ze toch uit onze slufters moeten weren komt omdat ze soms argeloze plantenonderzoekers bijten en vogels opjagen. En dat we ook op het strand hondenpoep opruimverplichting mogen instellen is een kwestie van beschaving. Geen drollen in de branding aub.
De tweede mogelijkheid die we – helaas! – onder ogen moeten zien zijn de plekken waar elke mest funest is. Juist in oudere delen van het duinlandschap, die tegenwoordig vaak zijn bebost, en de delen waar schrale hei staat zoals op de Waddeneilanden, is elke gram stikstof er eentje te veel. Je kan dat ook zien in de veel bezochte duinlandgoederen. Bossen, met een oudere, van nature voedselarme en licht zure bodem. In het Bergerbos in de gelijknamige kakgemeente in Noord-Holland is al jaren niet alleen de vogelbevolking gelijk aan die van een stadspark. Ook is de vroeger bescheiden ondergroei langs de paden vervangen door brandnetel, braam en kleefkruid.
Vergelijkbare effecten zien we in andere oude duinbossen, bv. het Landgoed Mildenburg in Oostvoorne, waar de bomenrijen allemaal op zo’n 40cm hoogte een keurige ‘pislijn’ hebben, zoals je die ook in het Amsterdamse Vondelpark ziet. Kijk zelf eens in andere, oudere duinbossen zoals Haagsche bos en Haarlemmerhout en begin ter plekke de dialoog over inperking van de hondenstand.
Maar dan wel meteen met alle luiken open: ook a.u.b. een nachtelijke ophokplicht voor katten binnen 5 kilometer van natuur-of weidegebieden. Een mooi onderwerp voor de a.s. gemeenteraadsverkiezingen.
Maar zouden die honden ook nog iets goeds kunnen doen? Voor de natuur dan? Een generatie geleden, in 2002, maakte ik een kort filmpje over de superrijke flora op het Paasduin, Wijk aan Zee, met een glansrol voor onze hond Lucky, die paradeerde in een bloemenzee met een van de meest zeldzame orchideetjes in het duin, het hondskruid. Af en toe ‘socialiseerde’ ze met een ander hondje. Na dit filmpje ben ik niet verketterd door collega-biologen voor mijn stelling dat een enkele drol in dit vroeger door geiten en een enkele koe (en visafval) bemeste landschap geen kwaad kan. Onder kenners is dit duin een beroemd voorbeeld van een ‘zeedorpenlandschap’. Ook te vinden bij de middeleeuwse vissersplaatjes Scheveningen, Noordwijk en Egmond. Dat een enkele drol hier wellicht zelfs noodzakelijk is nu bemesting door kleinvee al meer dan 100 jaar verleden tijd is. Ga zelf eens kijken in mei of juni aan de noord- of zuidzijde van Egmond aan Zee: wat een ratelaars en nachtsilenes. En wat een boel hondenuitlaters. Als ze nu met de fiets of te voet zouden komen en de te opzichtige stront even met wat zand zouden afdekken, ja, dan zouden we gewoon tolerant kunnen zijn voor honden en hondenbezitters.
Want open en bloot liggende drollen blijven aanstootgevend, net als die uitwerpselen waar de er naast liggende witte papiertjes een andere herkomst doen vermoeden. Foei! Maar in het jonge, kalkrijke duin bij oude vissersplaatsjes is nog toekomst voor de hond. Waar hopelijk (net als in de oude duinbossen en op onze kwelders) na de volgende gemeenteraadsverkiezingen geen enkele moordende kat nog wordt aangetroffen.
Korte reportage uit 2012 van enige orchideetje dat in duin bij Wijk aan Zee veel voorkomt en dan weer vrijwel nergens anders in de Nederlandse duinen. Is er een relatie met honden? Met oud gebruik als vissersdorp? Met de staalfabrieken? Camera: Clemens Jansen
Rolf Roos
(8 januari 2026)
Toen we begin 2025 op deze site in een artikel uitlegden dat de oorsprong van de veldnaam Kwade Hoek niet kwam door strandingen, maar door de sterk verzwakte kust rond 1715, kwam er enige dialoog op gang, omdat iedereen die nu leeft, geleerd heeft dat het door scheepsstrandingen komt. Ook het bordje van de terreinbeheerder versterkt dit recente verhaal, dat echter een halve waarheid is. Nu is taal heel flexibel, flexibeler soms dan wat zich in ons hoofd heeft vastgezet. De ‘Quaaden Hoeck’ als een bijna weggeslagen kust (incl. doorbraken, de laatste in 1731) kan moeiteloos een ‘plek van scheepstrandingen’ worden, vooral als na redding van de kust (door inlaagdijken en dammen) de aangroei eerst aarzelend (19e eeuw) en daarna spectaculair (20e eeuw) doorzet en de havenmond van Havenhoofd steeds verder moest worden uitgelegd. Zie het verhaal over ontstaan en aangroei.
Er zijn echter nauwelijks gedocumenteerde strandingen die de huidige betekenisgeving onderstrepen dus we houden ons aanbevolen. Maar een lastige bocht voor de vissers was het zeker! Een erg aansprekende foto van een stranding ontvingen we begin 2026, naast een oorspronkelijk krantenbericht van 1 mei 1964.
Kaart Havenhoofd, Goedereede e.o. ca 1964. Met een ster is de vermoedelijke strandingsplek van GO.17 weergegeven. Vanaf paal 4 bij het Haveneind had men in die tijd vrij zicht over de aangroeiende Kwade Hoek. Let op de geprojecteerde havenwerken rechtsonder en de bouwput.
Vette kop in het Eilandennieuws van 1 mei 1964:
„Kwade Hoek” bij Goeree hield botter G.O. 17 vier dagen onwrikbaar vast
Vijf noordzeekotters hadden zwaar karwei
Botter GO.17 lag op de zandbanken bij de Kwade Hoek begin mei 1964. In de krant stond: ” Toen deze foto genomen werd was de botter al plm. 35 meter „gekomen”, waarna hij weer op een rug stootte. De bemanning werd er bij laag water met een roeiboot afgehaald.”We citeren enkele passages uit de krant van 1 mei 1964. In het eerste citaat is duidelijk dat de hoge zeereep van ca 1970 er nog niet was en kon men alles volgen vanaf het Haveneind.
“Ieder die lopen kon op Goeree Havenhoofd stond zaterdag- en zondagmiddag op het Haveneind vanwaar men kon zien hoe op het water met de reuzenkracht van een vijftal kotters en de reddingsboot werd gewerkt aan de bevrijding van de op de Kwade Hoek vastgelopen botter G.O. 17. Wie thuis bleef luisterde voor de radio waar de vorderingen via de visserij golf te volgen waren. Met een flinke „bries” in de rug liep deze botter tijdens hoogwater op een zandbank.”
(…)
“De haven van Goeree is door het verzanden van de Kwade Hoek nagenoeg onbereikbaar. Omdat het flink hoog water was wilde de heer Groenendijk (de schipper) de kans wagen de haven te bereiken om daar, dicht bij huis van vistuig te verwisselen. Direct al raakte de boot vast en de hulp liet niet lang op zich wachten.”
Er waren diverse pogingen en kabelbreuken en uiteindelijk was het hard werken op zondag. De krant besluit:
“De vissers die eigenlijk naar zee moesten vertrekken gaven de moed niet op en verletten die dag in de vaste overtuiging dat ze het ’s middags zouden klaren. Inderdaad is ’s middags nadat ’s morgens een geul was gegraven en de kabel was bevestigd de boot vlot gekomen waarvoor de vissers die hieraan hun steentje hebben bijgedragen een flinke pluim toekomt.”
Frans Nieuwenhuizen (1999)
Rolf Roos (1995/2009)
Thea Spruyt (2011)
Rolf Roos (2019)
Theo Baas (2025)
(6 januari 2026)
We presenteren vijf verhalen van vier auteurs over een legendarische plek in de zeereep: De Kerf. Na jarenlange ‘bevriezing’ van de kunstmatig vastgehouden zeereep trad in het brede duin van Schoorl dooi in, in de vorm van nieuwe verstuiving, een Kerf in de zeereep werd bedacht en uitgevoerd. Het zoute water mocht naar binnen. De zeereep werd deels weggegraven, er achter werd ook een vallei uitgegraven. Hoe pakte deze ingrepen uit? We geven impressies door de jaren heen.
Naast deze verhalen die we hier bundelen is er een mooi gefotografeerd verhaal op de website noordhollandse duinen en een tot nu toe flinterdun lapje tekst op wikipedia: “Soorten die bekend zijn van de kwelders als de gelobde melde, strandbiet en het zilt torkruid komen hier nu voor. Veel rode lijst soorten krijgen hier een plaats.” De Kerf verdient een wijdser verhaal. Met deze collage van vijf verhalen (en extra mooie foto’s van o.a. Theo Baas) geven we hopelijk ruim zicht op dit iconische hoekje duin.

Foto uit 1997 van Koos Leek van nog open kerf met binnengestroomd water.
(1) 1999, Frans Nieuwenhuizen in de Graspieper
Met toestemming ontleend aan: Nieuwenhuizen, F. (1999) De Kerf. De Graspieper 19 (2): 25-28. Een leuk stuk omdat hij de situatie vanaf 1990 kende. Frans is inmiddels overleden.
De zeereep kent iedereen als een strakke met helm begroeide duinenrij, vrijwel altijd afgezet met prikkeldraad. Mocht dit puntdraad u al duidelijk maken dat u daar niet welkom bent, het overbekende bordje “Verboden toegang” doet daar nog eens een extra schepje bovenop. Zodra er door menselijke activiteiten of door weersomstandigheden stuifduinen ontstaan, worden er onmiddellijk maatregelen genomen om dit stuivende zand vast te leggen. Door deze maatregelen is de zeereep in de loop der tijd in een zware zanddijk veranderd, waardoor de zee geen schijn van kans maakt om er doorheen te breken. Allemaal best te begrijpen, de zeereep wordt immers altijd al in stand gehouden voor de veiligheid van het achterland?
In 1990 echter besloten parlement en regering tot een andere aanpak, het zogenaamde “dynamisch handhaven” van de kustlijn. Eenvoudig gezegd: daar waar het mogelijk is moeten water, wind en zand vrij spel kunnen krijgen. Het spreekt overigens vanzelf dat daar jaren denkwerk en studie aan vooraf zijn gegaan o.a. door de Stichting Duinbehoud en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Voor deze frisse en gedurfde aanpak werd voor Schoorl gekozen. Niet zo verwonderlijk aangezien het duingebied onder Schoorl tot het breedste van ons land behoort. Daar komt nog bij dat de zeereep en de achterliggende valleien relatief laag liggen, terwijl er na de valleien een tweede, hoge duinenrij ligt. Bovendien is de zee hier al eens twee keer eerder doorgebroken in 1928 en in 1953. Daarbij bleek de genoemde tweede duinenrij zeer wel in staat om het getij te keren. Ten gevolge daarvan werd in het najaar van 1997 met behulp van zwaar materiaal ter hoogte van paal 30.55 een kerf in de zeereep gemaakt. Hierbij werd zo’n slordige 130.000 m2 zand verzet. De achterliggende Parnassiavallei werd eveneens afgeplagd. De begroeiing hier bestond vrijwel uitsluitend uit kraaiheide, zandzegge en helmgras. Je zou in dit geval kunnen spreken van een soort eindfase in een successiereeks. Met andere woorden, deze vegetatie had daar tot in lengte van jaren kunnen blijven liggen zonder enige kans op verstuivingen of andere dynamische processen; vandaar deze ingreep. De eigenlijke kerf werd uitgediept tot 1.50 meter boven NAP, terwijl de vallei op 1.90 meter boven NAP werd afgeplagd. In het begin kreeg De Kerf door de vele publiciteit (radio, televisie en de grote landelijke dagbladen) veel bezoek te verwerken. Wanneer ik dit schrijf (mei 1999) is dit bezoek ietwat geluwd, al blijft het toch altijd nog een trekpleister van de eerste orde.
Het spreekt vanzelf dat voor de werkzaamheden de vegetatie in de vallei grondig is geïnventariseerd, terwijl eveneens het voorkomen van loopkevers werd onderzocht (Ten Haaf 1999, Brugge & Krijger 1999). Loopkevers vormen samen met de spinnen zo’n 90 procent van de bodemfauna in soorten en individuen. Tevens reageren loopkevers vrijwel onmiddellijk op veranderingen in het terrein en kunnen met name in pioniermilieus weer snel voorkomen, zowel in zoet/zoute biotopen als in stuifduinen. Vooral het voorkomen van ’zoute’ soorten is van groot belang, omdat zij in Europa een beperkt areaal hebben.
Wat zijn er nu ruwweg anderhalf jaar later voor veranderingen opgetreden? Wel, ondanks het feit dat het gebied nog maar net op de schop is gegaan en het er nog maagdelijk uitziet, zijn er toch al diverse interessante ontwikkelingen gaande. Zo is er met name in het noordelijk gedeelte van De Kerf vanwege de zeewind toch al sprake van nieuwe duinvorming. Onder invloed van enkele taaie rakkers als zeeraket en biestarwegras wordt het zand plaatselijk vastgehouden. Door de harde westelijke wind stuift het zand landinwaarts en daar krijgen genoemde plantensoorten hulp van onder meer zandzegge en helmgras. Langs de vloedmerken wisten zich in 1998 ook al redelijk wat nieuwe planten te vestigen. Vloedmerken zijn de randen van aanspoelsel als wier, schelpen, dode dieren, hout en helaas, tegenwoordig ook allerlei menselijk afval zoals plastic en glas. Deze randen worden hier en daar overstoven door zand en vormen op die manier een ideaal substraat voor sommige plantensoorten. Naast het reeds genoemde biestarwegras en zeeraket werden loogkruid, zeepostelein en enkele kiemplanten van de zeldzame zeewinde en zeewolfsmelk aangetroffen. Tevens kwam langs de gehele noordrand van De Kerf de weinig opvallende gelobde melde voor. Een grappige bijkomstigheid was de aanwezigheid van vrij veel “miniatuurzonnebloemen”. De zaden van deze soort zijn goed bestand tegen het zoute zeewater en ontkiemen vrij gemakkelijk. Op dit moment staan er vele tienduizenden exemplaren langs de vloedmerken; dat belooft wat wanneer ze gaan bloeien…
Verwacht wordt dat op de delen waar de zee regelmatig binnenstroomt zich kwelderplanten als zeekraal, schorrekruid en lamsoor zullen vestigen. In dit verband gloort er enige hoop, want de zee heeft een dun laagje zeeklei achtergelaten waardoor er een geschikt milieu voor deze planten zou kunnen ontstaan. Zoals gezegd is de recreatieve druk nog steeds vrij groot en dat is uiteraard niet bevorderlijk voor kiemplantjes. Door het plaatsen van enkele panelen met een duidelijke tekst hopen wij het publiek in goede banen te leiden. Onze verwachtingen zijn wat dit betreft hoopvol.
Wat de loopkevers betreft heeft de aanleg van De Kerf uiteraard grote veranderingen gebracht in de samenstelling. Het onderzoek in 1997 (vóór de ingreep) en 1998 laat duidelijk zien dat het terrein een veel interessantere fauna krijgt. Er komen nu veel gespecialiseerde soorten voor. Het zijn juist de aan de kust gebonden pionierssoorten van voedselarme bodems die wij tot de nieuwkomers kunnen rekenen. Een voorbeeld dienaangaande is de Strandzandloopkever, die veel op de gewone Bronzen zandloopkever lijkt, maar op meer vochtige plaatsen leeft. Deze soort kan zelfs tegen periodieke overstromingen en komt dus voor in de monding van De Kerf en op het strand. Een soort die ernstig te lijden heeft van de recreatiedruk en het dichtgroeien van het duingebied door mossen en grassen is de reeds genoemde Bronzen zandloopkever.
De verwachting is dat in het noordelijke gedeelte van De Kerf de soort zelfs door te veel betreding geheel zal verdwijnen. Over de vogels is nog niet zoveel te melden. Zilver-, Kleine Mantel-, Kok- en Stormmeeuw worden er zeer regelmatig aangetroffen. Bergeend, Bruine Kiekendief, Torenvalk, Scholekster, Koekoek, Veld- en Boomleeuwerik, Gras-, Boompieper en Zwarte Kraai worden eveneens in en in de onmiddellijke omgeving van De Kerf gesignaleerd. Ongetwijfeld zijn er veel meer soorten gezien dan hier zijn vermeld. Wat de broedvogels betreft mag zeker het succesvol broedgeval van de Bontbekplevier niet onvermeld blijven. Er werd een paartje met twee jongen gesignaleerd. Het paartje broedde in het noordoostelijk gedeelte op een plaats waar dagelijks honderden mensen waren te vinden… Hoewel vaak Bergeenden op het water worden aangetroffen, is van een broedgeval in De Kerf of de afgeplagde Parnassia-vallei tot nu toe niets gebleken. De zandhagedis kwam hier in vergelijking met andere duinterreinen vóór de ingreep sporadisch voor. Jonge dieren werden met enige regelmaat in de kevervallen gevonden. Na de ingreep is hij aan de rand van de vallei enkele keren waargenomen. De aanwezigheid van zand als gevolg van bestuivingen is essentieel voor de eiafzetting. Hoe het dit reptiel verder zal vergaan is nu nog een vraag. De tijd zal het leren. Ook de zee zelf neemt bij hoog water en harde wind, voornamelijk uit westelijke richtingen, regelmatig bezit van De Kerf. Dit gebeurt grotendeels gedurende het najaar. Wanneer je een ander vanaf het duingebied bekijkt is dat altijd weer een fantastisch en haast onwerkelijk gezicht. Daar zijn dan tijdens harde wind grote, schuimende golven te zien en dan te bedenken dat daar eens kraaiheide groeide…
Literatuur
Brugge, B & J.P. de Krijger 1999. Verslag van een monitoringonderzoek naar de loopkeverfauna in de Kerf bij Schoorl aan Zee paal 30-400 in 1998 ten behoeve van het natuurontwikkelingsproject Dynamiek in de kustzone. Schatgraven in de Schoorlse duinen. Instituut voor Systematiek en Oecologie–Zoologisch Museum Universiteit van Amsterdam, afdeling Entomologie.
Ten Haaf, C. 1999. De Kerf bij Schoorl, monitoring van vegetatie en flora. Ten Haaf en Bakker Ecologisch en hydrologisch adviesbureau, Alkmaar.
(2) 1995/2009, Rolf Roos in Bewogen kustlandschap en Duinen en mensen Kennemerland
Prelude 1995
Voor in 1997 de bulldozers de opening mochten maken en Rijkswaterstaat uiteindelijk haar fiat gaf, was er al jaren nagedacht. In 1995 maakte Ulco Glimmerveen voor het boek Bewogen Kustlandschap deze vogelvlucht, als weergave van het denken op dat moment: de zoute zee zou binnendringen en het landschap herscheppen. In de zeereep zouden nieuwe parabolen zich vormen.

(Bijschrift 1995) Toekomstimpressie – in zuidelijke richting – van het kustlandschap ten noorden van Bergen aan Zee. De zeereep is geopend, het Parnassia- en Buizerdvlak zijn weer nat en een kluut zweeft door de lucht boven dit slufterlandschap.
Tussenstand 2009 (ontleend aan Duinen en mensen Kennemerland)
“Neem nu de Kerf van Schoorl. In 1995 stond in mijn boek Bewogen Kustlandschap het toekomstbeeld van de ontwerpers, als impressie getekend door Ulco Glimmerveen. De zee zou blijvend binnendringen; de zeereep zou gaan stuiven; er zou een zoutminnende vegetatie ontstaan met een paarsrode gloed van lamsoor en zeekraal en slechts een enkele bezoeker zou de drassigheid trotseren. De zoutminnende planten kwamen er inderdaad, alleen niet lamsoor, maar zeerus en de zeewinde. De kluten bleven weg, mede doordat dit nieuwe landschap een topattractie bleek. De Kerf bleef mede open door de vele wandelaars en crossers. Zee en wind vulden de luwe ruimtes achter de zeereep bij de Kerf weer relatief snel met zand en aanspoelsel. Overstroming is nu een incident. Een kerf zoals bij Schoorl, aangelegd op een plek waar de natuur dat niet zou doen, gaat vanzelf weer dicht. Als een huid die zich sluit. Wel hebben we ervaren dat een gat in de zeereep geen veiligheidsrisico hoeft te geven. En onverwachte dingen: een beetje extra zand overpoederde landinwaarts de heide en deze begon uitbundiger te bloeien, dus toch een paarse gloed al is het van andere bloemen dan voorzien. Kortom: niets veroudert sneller dan een toekomstvisie.”

Meer bloei bij de struikheide, dankzij klein beetje overpoedering met overstuivend zand. Foto Theo Baas
(3) 2011, Theo Spruyt ontleend aan Nature Today
Thea Spruyt, een uitmuntende floriste, is inmiddels overleden. Op deze site heeft zij een hoofdrol in een artikel over stofzaad.
” In 2003 is het project geëvalueerd: dynamiek was aanwezig, zilte soorten en de natte duinvallei kwamen goed tot ontwikkeling. Parnassia en Moeraswespenorchis werden genoemd, en Zeewolfsmelk arriveerde aarzelend. Toeristen bleven komen, maar floristisch werd het stil. De ingang bij zee werd door instuivend zand minder breed en diep; zeewater kwam er zelden meer binnen. Er leek niets bijzonders meer te verwachten.
Het tij keerde toen in de voorzomer van 2009 een paar planten Zeewolfsmelk en Zeepostelein werden herontdekt. Zij lokten floristen die op hun beurt later die zomer meer exemplaren van beide soorten vonden. Daarnaast vonden zij nog méér zeldzame kustplanten: Zeevenkel en Zeelathyrus zijn juweeltjes, die je behalve bij het Kennemerstrand zelden langs de vastelandskust vindt. In De Kerf waren ze nog niet eerder gezien. Parnassia en andere soorten van natte duinvalleien zoals Sierlijke vetmuur groeien er volop, terwijl verderop buiten het zilte stuk Rond wintergroen massaal groeit. Waar wat klei is achtergebleven groeien Zulte (Zeeaster) en Zilte zegge; soorten die je eerder op kwelders verwacht. Op de droge delen in De Kerf waar het zand minder stuift bloeit Zeewinde.
In de droge zomer van 2010 werden deze zeldzame kustplanten opnieuw gemeld. Het lijken dus blijvertjes. Of ze voor 2009 verdwenen waren en opnieuw uit door zee aangevoerd zaad weer zijn ontkiemd, of dat ze jaren over het hoofd zijn gezien, is onbekend. Regelmatig kijken en melden blijft nodig, ook op andere ‘vergeten’ plekken.”
(4) 2019, Rolf Roos, ontleend aan: Van Kerf naar Parnassiavallei.
” De Kerf was het eerste experiment met een opening in de zeereep. De kust kon het aan, maar de beoogde zilte vegetaties hielden geen stand doordat de Kerf verzandde en geen gierend windgat werd waardoor zee en vooral zand blijvend naar binnen konden komen. De natuur voegt zich na 20 jaar naar het nieuwere zoete water in een iets kalkrijker, verjongd milieu. Zo dook bijvoorbeeld moeraslathyrus op en daar moet het echt zoet voor zijn.”
(5) 2025, Theo Baas
Ik ben erg positief over de ontwikkeling. Het is erg kruidenrijk geworden met plaatselijk goed ontwikkelde vochtige heide en soorten van vochtige valleien. Het aandeel van soorten als knopbies is sterk toegenomen. De foto’s uit 2022 geven hier een goed beeld van. Ook in 2025 blijken nog veel soorten van zilte omstandigheden voor te komen als zilt torkruid, sierlijk vetmuur, zeewolfsmelk en stijve ogentroost maar ook soorten als parnassia en strandduizendguldenkruid doen het nog steeds goed. Verrassend is

Zeewinde, een soort van net tot rust gekomen stuivend zand tussen eikvarens: soort van oudere, zure bodems, vaak noordhellingen. Dit beeld kan alleen in een landschap met recent een sterke verandering met instuivend zand. Ook te zien aan noordpunt Texel waar extra zand aanstuift in ouder duin.
dat moeraslathyrus er nog steeds staat. Nieuw voor mij zijn soorten als duinaveruit, kattendoorn, nachtsilene, veenpluis, gewone vleugeltjesbloem, driedistel en walstrobremraap. Bijzonder is het voorkomen van zeewinde. De soort staat hier een paar honderd meter van de zeereep tussen de eikvarens in een vegetatie van zandzegge en zandblauwtjes. Mogelijk onder invloed van stuivend zand, ze staan er in ieder geval vitaal bij. Een punt van aandacht betreft een flinke groeiplaats van rimpelroos en opslag van dennen. Hier moet niet te lang worden gewacht met ingrijpen.

2022 Voorgrond vochtige heide vegetatie met kruipwilg op onvergraven bodem met nieuwvestiging van rietorchis en grote ratelaar. Daarachter een vochtige vallei op afgeplagde bodem met grote pollen knopbies. In het duin een zone met donkergroene kraaiheide. Foto Theo Baas.

Toenemende bloemenrijkdom met o.a. rode klaver, kattendoorn, rolklaver en grote ratelaar maar ook opduiken van boompjes (den)
Naschrift

Dit was de droom. De realiteit pakte anders uit. Ook leuk maar niet conform de tekentafel. Het beeld uit 1995 is ontleend aan het slufterlandschap bij Texel; daar ligt de doorbraak op een natuurlijke plek in een wijds landschap, maar ook daar wordt aan de ingang soms gesleuteld en er waren in de 19e eeuw zelfs meerdere slufters…Maar achter deze kerf op Texel ligt een wijds kwelderlandschap en daarvan is op Schoorl geen sprake. Een vrijwel natuurlijk slufterlandschap ligt behalve op Texel op de Kwade Hoek, Goeree en op Schier natuurlijk.
Rolf Roos
(met dank aan Frans Beekman)
Update 29 december 2025
Turf in de duinen? We kennen van Vincent van Gogh duistere Drentse turftaferelen, maar er blijkt ook een Haagse pendant. Maar waar zat dat veen in het Haagse duin? Als we ons in het landschap van Den Haag in de 19e eeuw verdiepen, blijken hier wel degelijk pakketten veen (voor turfwinning) naast veel afgraafbaar zand te liggen. Op het zand van de landinwaarts gelegen Oude Duinen ligt ook de oudste stadskern met Binnenhof en het Haagse Bos. Veen en zand weerspiegelen zich in de taal van de bewoners: rijke ‘Hagenaars’ woonden hoog & droog op zandgrond en arme ‘Hagenezen’ laag & nat op veengrond. Bij van Gogh, die rond 1883 kort in Den Haag verbleef, komen we beide accenten, zand en veen, droog en nat, tegen in zijn afbeelding van de Hagenezen die turf staken en verzamelden in manden en afvoerden in hun houten kruiwagens. De steiger links in de compositie lijkt een afvoer naar een erachter gelegen schuit of vaart.
We veronderstellen dat de schets van dit duidelijk gecomponeerde werk de realiteit het meest weerspiegelt, bv. de lage duinen op de achtergrond. In het uiteindelijke werk (boven) zijn de duinen hoger en verschijnen er een turfscheepje, wat boerderijen en mogelijk een kerk. In 2 brieven van Gogh over dit werk geeft hij duidelijk aan naar een eigen compositie te werken. Op basis van deze informatie gaan we het werk niet duiden als ware het een foto. Al zijn de zwaaiende houwelen op de achtergrond die hij (zie werk bovenaan) tegen het hoge duin mooi uit laat komen even dreigend als intrigerend: in het zachte Hollandse landschap van veen en zand volstaat een spade. Een houweel hier als symbool van de zwoegende arbeider? “Het heeft iets van ’t opwerpen van een barricade.”, schrijft van Gogh zelf.
Als mogelijke lokatie voor dit werk (en de schets die er aan vooraf ging) wordt online het Dekkersduin (of het Oostblok daaruit) genoemd; maar het iets ten oosten ervan gelegen Kleine Veentje (zie pijl) is waarschijnlijker omdat daar in de jaren 1870 -1890 veel graafwerk plaatsvond ten behoeve van de stadsuitbreiding. Zand en veen grenzen hier aan elkaar. Ook in een ander werk van van Gogh is het Dekkersduin te zien. Volgens Frans Beekman waren er in de oude duinen ook lokaal pakketten veen aanwezig als restant van natuurvalleien eeuwen geleden. t Kleine Veentje was volgens hem te nat om veen te steken. In het Oostblok was droge afgraving voor zand mogelijk met af en toe een kleine of grote laag veen.
De Dekkersduinen zijn de tegenwoordig vrijwel geheel verdwenen binnenduinen (Oude Duinen). Ze liepen van het smalle deel van de Laan van Meerdervoort tot Loosduinen. Ter weerszijden van deze binnenduinen lagen meer dan 2000 jaar terug natte strandvlaktes met zeer natte omstandigheden waar zich veen kon vormen. Veldnamen herinneren aan dit natte verleden: het Segbroek bijvoorbeeld, maar ook ’t Kleine Veentje. En tussen de oude duinen en de jonge nabij zee stroomde de Haagse beek.
De naam Dekkersduin(en) met Oost-, Middel-, en Westblok zien we op de topografische kaarten van voor 1900. Veen werd gestoken en de zwak golvende binnenduinen werden afgraven. Zand werd gebruikt voor de stadsuitbreiding en daarna werd het geestgrond voor de tuinbouw. Als de stad oprukt worden ook de mobiele vinkenbaantjes, gebruikt als hobby voor de betere klasse, verplaatst naar het volgende stuk natuurlijk binnenduin. Het was ook een uitloopgebied voor wandelaars uit de stad. Er zijn veel toponiemen, rusthuizen e.d. die Dekkersduin heten. Schilders als Mauve hadden in het duin een atelier. De destijds al beroemde schilder Mauve, die rond 1883 in contact stond met van Gogh maakte in geheel andere stijl hier o.a. zijn romantische werk ‘Dekkersduin’ dat in elke slaapkamer zou passen en ook beter verkocht dan het werk van Gogh in die tijd maakte (alleen de turfstekers vonden destijds een koper). Van Gogh had het minder op schapen en meer op mensen in het duin.In deel 2 van de brieven van van Gogh staat pag 157: “Ik ben laatst met v.d. Weele in ’t duin geweest. We vonden daar een plek waar de duinen afgegraven worden voor zand, een mooi ding met kerels en kruiwagens.”
Het oostelijk gedeelte van het in blokken opgedeelde Dekkersduin heette Oostblok. Na vergraving is het nu het Zeeheldenkwartier en Regentessekwartier. Het grootste gedeelte is gebouwd tussen 1870-1890 in de veenpolder ‘t Kleine Veentje. Voordat in 1868 de aanleg begon, lagen op deze plaats boerderijen, buitens en tuinen. Tot de oudste straten behoort de nu nog bestaande Veenkade (1870), waarvan de naam verwijst naar het oude veenlandschap.

Landschap en mogelijke werkplek en kijkrichting van van Gogh, 1883. Klik op beeld voor uitvergroting.

Zelfde plek rond 2000 met Regentessekwartier en nu nog herkenbare Beeklaan. Klik op beeld voor uitvergroting.
Bijna alles in het landschap veranderde behalve de oriëntatie van de wegen.
Van Gogh bezocht ongetwijfeld verschillende plekken waar werd afgezand en/of veen gewonnen. De vele plekken waar dit vanaf de middeleeuwen is gedaan staan in een overzichtsartikel van L. van der Falk en A. P. Pruissers uit 1988. Zij veronderstellen in navolging van Visser, 1973 , dat het werk ‘Turfspitters” is gemaakt nabij Loosduinen, maar daar zien we te weinig aanknopingspunten voor. Wel voor de door ond genoemde locatie. Van Gogh, 1883: ” Ik was met v.d. Weele in Dekkersduin en we kwamen daar aan die zandgraving en ging ik er sedert heen, en had druk model dag in dag uit, en zoo staat de tweede er ook op.”
Bronnen
Anja Verbers (red.), Eigen Aardig Nederland. KNNV. 2005
Visser, 1973. Van Gogh in s-Gravenhage . Jaarboek Die Haghe 1973.
Zie ook: Vincent van Gogh, aardappelakker op Scheveningen 1885: een alternatieve locatie
Rolf Roos
Najaar 2025 onderging een groot deel (12 ha) van de Westduinen (uit ca 800 nChr, een langdurig beweid duinlandschap) op Goeree een ‘herstelplan voor kwetsbare natuur’. Althans, zo noemt het persbericht van terreinbeheerder en initiatiefnemer Zuid-Hollands Landschap het. Daarin is te lezen dat achteruitgang wordt bestreden met graaf- en ploegwerk, ook streeft men naar ‘meer dynamiek’. Kloppen de argumenten en de plannen? Wordt hier inderdaad iets hersteld of is er juist sprake van vernietiging van habitats in de Westduinen? Zie dit stuk als een aanmoediging voor natuurbeheerders: verzamel vooraf alle beschikbare kennis en evalueer het beheer (inclusief vroegere ingrepen). Publiceer onderzoeksresultaten en afwegingen: openbaar, begrijpelijk en vooral ook compleet. En heb respect voor het bestaande langzaam gegroeide landschap want graafwerk is vaak een te ruw instrument. Mocht u als beheerder kritische vragen ‘van buiten’ lastig vinden in plaats van ze te verwelkomen: heroverweeg of u de juiste baan heeft.
———————————————————————————————————————————————————————————————————-

Kaart van de Westduinen van Kouter uit 1610, gekanteld naar noord-zuid. Een aantal nog steeds bekende plekken en dijken (wegen) zijn aangegeven. Tot 2025 (meer dan 400 jaar) bleef de structuur vrijwel onaangetast m.u.v. een zendstation, wegaanleg en een vliegstrip. Klik op kaart voor vergroting (Nationaal Archief).
De Westduinen (ca. 160 ha) is een van de oudste duingebieden in Nederland en is onderdeel van Natura 2000 gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. Het terrein is belangrijk voor habitats als zure droge duingraslanden, vochtige heischrale duingraslanden en zure duinvalleien. D.w.z. deels van nature al zure leefgebieden voor bijzondere soorten en niet te vergelijken met bv. de kalkrijke duinen bij Den Haag of Haarlem.
(Red.: dit is een doorgroeiend opiniestuk en net als elk ander stuk op deze site is het voor rekening van de auteur. Wij geven altijd ruimte aan wederhoor. Heeft u een korte beargumenteerde reactie, dan kan dit onderaan dit bericht. Heeft u een heel ander of aanvullend verhaal? Stuur het in als artikel; graag inclusief foto’s). Zo ontvingen we 9 oktober 2025 overzichtgegevens van Dick Kerkhof. Zie zijn artikel over de vegetatie 1979 -2024. aangevuld met prachtige mossenfoto’s van Ron Poot. Ook kwamen we dankzij Pieter Slim een belangrijk stuk over paddenstoelen van Eef Arnolds tegen dat we hebben verwerkt, inclusief aanvullingen van Leo Jalink (zie ook zijn reactie onder dit bericht). De vragen die we zelf gesteld hebben aan ZHL staan hier. Ten dele kregen we antwoord en dat is in de laatste versie van dit artikel verwerkt. Grote openstaande zaken zijn nog: het waarom (was er hier achteruitgang?) en een wetenschappelijk onderbouwde motivering van gebruikte technieken (frezen en afgraven); en waar zijn de beschrijvingen van de resultaten van eerdere ingrepen van ZHL in dit gebied o.a. 2013)? Waren die succesvol?)
Een klein deel van genoemd herstelwerk in de Westduinen dat in september 2025 werd uitgevoerd kunnen we goed billijken vanwege sanering van oude kabels en masten van het zendstation dat deze duinen al decennia ontsiert. Maar is hier terreinbreed sprake van achteruitgang en zo ja, waarvan? Uit onderzoek uit 2016 van Bureau van der Goes en Groot bleek dat hier maar liefst 27 plantensoorten van Rode Lijst voorkomen, waaronder veldgentiaan, harlekijn en herfstschroeforchis die het gebied een wijd verspreide faam geven. Net als de vorm van dit landschap: een eeuwenoude, steeds beweide ‘hobbelwei’ van oude, deels ontkalkte duinen. Een morfologie die voortvloeit uit eeuwenlange beweiding en ongestoordheid. In hetzelfde rapport uit 2016 staat klip en klaar dat er eerder sprake is van vooruitgang dan achteruitgang. En er staan ook niet onbelangrijke opmerkingen over de beweiding (het belangrijkste instrument voor de terreinbeheerder), namelijk dat schapenbegrazing slecht kan uitpakken en koeien selectief moeten worden uitgerasterd. Uit 2016 stamt ook het advies om de poelen uit te baggeren. Dat is natuurlijk prima.

Herfstschroeforchis: bloeit rond 1 september
Maar is er recente documentatie over achteruitgang? En is het beheer de laatste twintig jaar goed geëvalueerd? De beheerder publiceert dit niet. In 2023 bericht onderzoeker Joop Mourik dat de populatie van ernstig bedreigde herfstschroeforchis die hij 25 jaar lang samen met Maarten Bongertman onderzocht, ‘vitaal’ is. Bij veldgentiaan laten de gegevens op waarneming.nl zien dat deze bedreigde soort van oude valleibodems van jaar tot jaar sterk wisselt, een en ander afhankelijk van de jaarlijkse (zomer)neerslag. In 2021 en 2023 waren er meer dan duizend exemplaren terwijl in het gortdroge 2025 slechts een enkel plantje zich laat zien. Topjaren afgewisseld met lage aantallen, is dit niet de gewone gang van zaken in deze natuur? Geen duidelijke achteruitgang derhalve. Zie de tabel. Alleen bij de harlekijn zijn de aantallen recent lager, maar daar zou de beheerder ook naar de begrazing met schapen mogen kijken.
De flora is gewoon nog rijk en al hoorden we dat paddenstoelen van zgn. wasplatengraslanden deels zouden zijn achteruitgegaan. Gedocumenteerd is alleen een verhaal van Eef Arnolds uit 2015 in het vakblad Stratiotes waar hij wijst op het buitengewone belang van de Westduinen (een van de twee beste terreinen in ons land) en het noodzaak dat de bodem ongestoord blijft. Paddenstoelenkenner Leo Jalink maakt in een reactie op deze blog (zie onderaan dit bericht) de nuancering dat de verruigde duintjes met schapenbeweiding ten noorden van de Klarenbeekweg achteruit zijn gegaan en dat in het zuiden aanvullend maaiwerk en soms plagwerk in de valleien veel goeds zou kunnen brengen voor bijzondere wasplaten. Maatwerk derhalve. Daar over lezen we bij het Zuid-Hollands Landschap echter niets. Laat staan over de insecten- en bodemfauna in dit soort oude landschappen. Wat weten we hiervan? Zonder nauwkeurig vooronderzoek is graven en afvoeren van oude bodems kinderen met het badwater weggooien.

Harlekijn: bloeit rond 1 mei
In het online persbericht van het Zuid-Hollands Landschap geen verwijzing naar meer informatie, onderzoek of een voorlichter. Dus we vroegen informatie op en stuurden aanvullende vragen in, maar kregen pas na weken een inhoudelijke reactie. De opzichter bleek tijdens uitvoering van de werkzaamheden eind september op vakantie en liet het toezicht aan een ingehuurde, externe, ecoloog. We gingen kijken en de werkzaamheden, waarvan ook vele omwonenden flink schrokken, hadden al geleid tot afvoer van complete duinbodems het gebied uit. Vegetaties waarvan we weten dat ze tot bijzondere ‘grijze’ duinen horen met buntgras, zandblauwtje en korstmossen werden geploegd of geëgd. Al in de 17e eeuw ‘molde’ men stranden en duinen met paarden en ploegen om ze weer te laten verstuiven richting een stuifdijk, nu ging het met tractoren die bodemverdichting, bandensporen en soms zandwegen achterlieten. Vele bodems waren bovendien niet netjes afgeplagd of geschaafd maar verrommeld. Overal liggen brokken oude humusrijkere bodems. Omdat zo ook de vorm van het oude landschap wordt aangetast, roept dit vragen op. Waren aardkundige en archeologische waarden wel vooraf onderzocht en gewogen? Hierover is in bescheiden mate gepubliceerd. Zie ook een bespreking van de eerste kaart van Kouter van dit gebied uit 1610. En heeft men het plan in een zo belangrijk gebied voorgelegd aan een landelijke deskundigen zoals het OBN deskundigenteam duinen? Het schijnt van wel maar wat is hierover gemeld?
Van de maatregelen die Zuid-Hollands Landschap heeft uitgevoerd, is onduidelijk hoe die kunnen bijdragen aan behoud of herstel van habitats als ‘Grijze duinen’ en ‘Vochtige duinvalleien’. De belangrijkste maatregel betreft het ‘griezelen’, dat wil zeggen het omwoelen van de bodem waarbij de humushoudende laag wordt verbrokkeld en gemengd met humusarm zand. In de wetenschappelijke onderbouwde herstelstrategieën die in Nederland worden toegepast voor het uitwerken van herstelpannen voor Natura 2000 gebieden, wordt deze maatregel niet genoemd (zie de bronnen onderaan). Het omwoelen van de bodem is geen bewezen effectieve maatregel en geldt ook niet als hypothetische maatregel die mogelijk een positief effect zou kunnen hebben op deze habitattypen.
In de Nederlandse vakliteratuur wordt het omwoelen of ploegen van de bodems ook niet genoemd als herstelmaatregel voor duinhabitats. Evenmin is dat het geval in de internationale wetenschappelijke duinliteratuur. Als daar al melding wordt gemaakt van ploegen dan is dat in relatie tot het ontginnen van duinen voor agrarisch of recreatief gebruik (dus het vernietigen van duinhabitats). Bovendien wordt bij deze maategel gemeld dat die ruderale plantensoorten bevordert. Ook leidt het omwoelen van de bodem tot een sterke afname van bijvoorbeeld mycorrhiza ’s die in duinecosystemen een belangrijke rol spelen in het bodemleven. Het omwoelen van duingrasland wordt ook niet genoemd als geschikte maatregel om eolische dynamiek (verstuiving) te bevorderen. De aanwezigheid van humus en plantenresten in vegetatieloze bodems heeft een remmende werking op verstuiving van zand. Als in de Westduinen het bevorderen van verstuiving de bedoeling was, dan is het omwoelen van stroken duingrasland dus een slechte keus.
Opvallend is dat in de onderbouwende studie ter beoordeling van de maatregelen op ecologische effecten, geen enkele literatuurverwijzing is opgenomen die verwijzen naar kennis over effectief ecologisch herstel. Sterker nog, in dit rapport komt geen enkele literatuurverwijzing voor.

Opgebaggerde plastic resten verdienen verwijdering voor er vee in de buurt komt. Ook de bagger hoort hier niet. Reactie ZHL dd 7 november 2025: “Verwerken van de bagger op de kant had inderdaad anders gemoeten en dat proberen we te herstellen.”
Poelen, ook koeienpitten genoemd, zijn in dit gebied historisch van belang, hebben soms als oorsprong een laat 16e-eeuwse dijkdoorbraak (zie de kaart van Kouter uit 1610), en periodiek uitdiepen van de veedrenkplaatsen is logisch. Helaas werd bij veel poelen de bagger niet afgevoerd, maar op de oever gezet, wat lokale voedselverrijking met brandnetels en ruigtekruiden tot gevolg zal hebben. Bij minstens twee poelen konden we constateren dat een oude vindplaats van de zeer zeldzame draadklaver (een van die 27 Rode Lijstsoorten) is aangeplempd en dat bovendien op een andere plek bijzondere biezen zijn weggegraven. De dienstdoende boswachter wist mogelijk niet wat er stond of stond er niet naast toen er gedregd werd. En waarom is de bagger niet afgevoerd nu ze toch met groot materieel waren uitgerukt? En waarom zijn bij diverse poelen ruige hoekjes met pitrus en bramen toch blijven staan?

Grof goudkorrelmos. Een zeldzame soort van de vochtige valleitjes werd gevonden door Dick Kerkhof. Foto Ron Poot
In een vallei die al jaren met schraal gras en biezenknoppen is dichtgegroeid is best wat voor plaggen te zeggen, maar is de waterhuishouding en de waterkwaliteit in dit geval wel zo goed dat het straks beter wordt? Is er straks het benodigde uitgekiende beheer (seizoensbeweiding met vee)? Anders is al dit werk vergeefse moeite. Zuid-Hollands Landschap maakt dat niet duidelijk.
Per af te graven vallei of te ‘mollen’ duinhelling hoort bovendien bekend te zijn wat er al stond en wat er dus als biodiversiteit wordt afgevoerd (of omgeploegd) in de hoop iets mooiers te krijgen. Ook bij afschaven van de bodem is toezicht vereist, dat moet heel rustig en voorzichtig. Als men wat men nu gedaan heeft in een enkel valleitje had uitgeprobeerd, dan was dit best te begrijpen. Een experiment, mits goed onderzocht, is te overwegen. Nu is er sprake van lokale kaalslag en van goede nazorg plus onderzoek (dat men publiceert) lijkt geen sprake. En als je niet weet wat er stond is het cynische adagium: ‘na kaalslag altijd succes!.’Wat waren de resultaten van eerder plagwerk in 2012?
Zoals o.a. op deze site eerder is besproken is twijfel bij natuurherstelplannen heel gezond. Een ander plan om veldgentiaan te redden (op Voorne) lijkt gestrand door gebrek aan de vereiste nazorg door de terreinbeheerder. Hoe het wel kan? Dat is nauwkeurig beschreven voor de Middel- en Oostduinen, een duingebied vlakbij de Westduinen. Dat verhaal is terug te vinden in ‘Het vroon ontrafeld’, het boek van Marten Annema e.a. (2020). Het kan niet anders dan in de kast staan bij het Zuid-Hollands Landschap. En voor wie geen boeken leest: delen staan online. Daarnaast bestaat er een voorstudies in opdracht van ZHL en Provincie door Kiwa Water Research (KWR) over dit gebied die veel voorzichtiger en kleinschaliger aanpak hebben bepleit. Helaas niet online beschikbaar.
In 2022 ging het Zuid-Hollands Landschap zonder goed vooronderzoek en goede verantwoording ruw aan de slag in de duinen van Voorne. Het leervermogen van deze natuurorganisatie is lager dan we hoopten. Het is verdrietig om te zien dat organisaties die echt een goed doel hebben aan het modderen slaan. Waar ligt dit aan?
Op de webpagina van Zuid-Hollands landschap over de recente maatregelen in de Westduinen wordt gemeld dat ”In een duinlandschap is dynamiek ontzettend belangrijk. Vochtige duinvalleien, stuivende duinen en geleidelijk overgangen zorgen voor veel afwisseling. De afgelopen decennia is deze dynamiek in de Westduinen langzaam maar zeker weggevallen.”
Deze uitspraak past niet goed in de landschapsecologische context en historische ontwikkeling van de Westduinen. De Westduinen zijn al heel lang een stabiel duingebied. Het is zeer de vraag of het afgelopen eeuwen veel dynamiek heeft gehad. Een luchtfoto uit de jaren 70 van de 20e eeuw (aanwezig bij Zuid-Hollands Landschap) laat zien dat er toen weinig eolische dynamiek optrad. Bodemonderzoek in 2013 wees uit dat er weinig overstoven humusprofielen voorkomen. Dat is een belangrijke indicatie dat het duin hier in de afgelopen eeuwen weinig is verstoven. De algemene aanname dat kustduinen per definitie eolische dynamiek hebben is ook niet valide. Uiteraard zijn ze ontstaan onder invloed van uiteenlopende vormen van verstuiving. Allerlei duingebieden hadden of hebben nog steeds zandverstuiving, maar er zijn er ook die niet meer verstuiven en in een eolisch stabiele fase van hun ontwikkeling zijn beland. Een belangrijk en ook waardevol aspect van de Westduinen is dat hier zeer oude bodems (mogelijk meerdere eeuwen) voorkomen. In duinsystemen zijn niet alleen jonge pionierstadia als gevolg van verstuiving van belang voor de biodiversiteit. Oude stadia met stabiele bodems zijn dat evengoed. Zo is een rijke flora van Wasplaten vaak gebonden aan oude bodems die rijk zijn aan organische stof.
Bovendien zijn de Westduinen ontstaan in de vroege Middeleeuwen (tussen 600 en 1100 na Chr.) en het gebied is daarmee een van de oudste duingebieden in Nederland. Dit is een belangrijke reden om hier terughoudend te zijn met ingrepen in de bodem. Verder heeft het inzetten op verstuiving weinig perspectief als het gaat om habitatherstel, omdat het grootste deel van de Westduinen diep ontkalkt is. De bodem kan hier zo diep ontkalkt zijn dat het dieper gelegen kalkhoudende zand onder de grondwaterstand zit. In dit gebied is hooguit verstuiving door kleine stuifkuilen mogelijk en die zullen niet of weinig de dieper gelegen kalkhoudende zandlaag bereiken, en zeker niet als het kalkhoudende zand waterverzadigd is. Verstuiving van kalkhoudend zand draagt sterk bij aan de kwaliteit van duingraslanden. Bij verstuiving van alleen kalkarm zand zijn die effecten veel geringer. Verder is de kans op het stimuleren van stuifkuilen in de Westduinen klein wegens de geringe hoogte en helling van de duinen. Door deze duinmorfologie is de windsnelheid gering en dus ook de kans op het ontstaan van stuifkuilen.
Het nastreven van eolische dynamiek in een gebied dat al zeer langdurig laag dynamisch was, waar het perspectief op herverstuiving gering is en gunstige ecologische effecten beperkt zullen zijn, is daarmee een curieuze keuze als herstelstrategie.
Er is voor de Westduinen eerder, in 2013, een herstelplan opgesteld in opdracht van Zuid-Hollands Landschap en de Provincie Zuid-Holland. Dat was gericht op het verbeteren van de kwaliteit van duingraslanden en duinvalleien. Dit plan is gebaseerd op veldonderzoek aan bodem en vegetatie en bevatte een afweging over welke beschikbare maatregelen uit de herstelstrategieën voor deze habitats zinvol konden worden toegepast.
Een belangrijke overweging bij de uitwerking van dit herstelplan was dat een effectieve maatregel met de minste impact op de bodem de voorkeur had boven plaggen, mede vanwege de hoge ouderdom van de bodems in de Westduinen. Daarnaast is afgezien van het op grote schaal plaggen in de duinvalleien omdat in de meeste valleien de bodem diep is ontkalkt. Soortenrijkere vochtige duinvalleivegetatie en vochtige heischrale duingraslanden hebben een relatief hoge bodem-pH nodig. De kans dat in de diep ontkalkte duinbodems in de Westduinen na plaggen beter gebufferde omstandigheden ontstaan werd ingeschat als gering. In geplagde vochtige valleien, zo dacht men, zou daardoor weer vrij snel opnieuw een soortenarme zure duinvalleivegetatie ontstaan.
Er is met het herstelplan van 2013 vooral ingezet op het kleinschalig chopperen van verruigde duinvalleien en vergraste duingraslanden. Er is wel beperkt plaggen voorgesteld en dan juist in de duinvalleien die ondiep ontkalkt waren, zodat er een kans was op het ontstaan van relatief basenrijke, soortenrijkere vochtige duinvalleien en heischrale duingraslanden.
Het herstelplan is uitgevoerd in ca. 2013-2015 en het is onduidelijk of de effecten van de maatregelen zijn geëvalueerd. In de recente natuurdoelanalyse uit 2022 van Provincie Zuid-Holland worden geen effecten van de uitgevoerde maatregelen beschreven. Op basis van de informatie die Zuid-Hollands Landschap heeft verstrekt over de recente werkzaamheden, blijkt niet dat het herstelplan uit 2013 en een evaluatie van de herstelmaatregelen uit 2013-15 een rol hebben gespeeld bij het onderbouwen van de nu gekozen maatregelen. Onduidelijk is ook waarom het Zuid-Hollands landschap gekozen heeft voor een herstelstrategie die fundamenteel afwijkt van het herstelplan uit 2013. Een ander opmerkelijk punt is dat in de natuurdoelanalyse uit 2022 het omwoelen van de bodem niet wordt gemeld als geplande natuurherstelmaatregel voor de Westduinen. Dit gegeven heeft blijkbaar geen rol gespeeld in het verlenen van de natuurvergunning voor de maatregelen.
Met de bestaande kennis over herstelecologie van duinhabitats is niet te onderbouwen dat de uitgevoerde maatregelen bijdragen aan herstel van duingraslanden en vochtige duinvalleien. Dit komt omdat nog nooit aangetoond is dat het omwoelen van de bodem leidt tot het gewenste herstel. Het omwoelen van bodems op aanzienlijke schaal (ca. 12 ha) heeft juist geleid tot vernietiging van genoemde habitats. Dat betreft ca. 7 procent van de Westduinen en betekent dus significante schade aan een Natura 2000 gebied. Daarmee zijn de maatregelen in strijd met de Habitatrichtlijn. Bovendien zijn duingraslanden in Europa aangemerkt als prioritair habitat. Dat betekent dat terreineigenaren en overheden extra zorgvuldig moeten zijn. Daarmee zijn zowel de terreinbeheerder als de verlener van de natuurvergunning (Provincie Zuid-Holland gedelegeerd aan Omgevingsdienst Haaglanden) ernstig de mist in gegaan. De vergunningverlener, die de instandhouding van Natura 2000 gebieden dient te waarborgen, heeft hier geen adequate en onderbouwde afweging gemaakt. In de verleende vergunning is men er zelfs zeer stellig over dat de maatregelen bijdragen aan habitatherstel.
<naschrift>
Ruim een maand na ons verzoek aan Het Zuid-Hollands Landschap (hierna: ZHL) voor meer onderbouwing van en informatie over het natuurherstel in de Westduinen ontvingen we als reactie op onze vragen een uitgebreide mail, wat we zeer waardeerden. Het heeft geleid tot enkele aanpassingen in ons artikel Goed Fout in de Westduinen, o.a. de grootte van het gebied dat is vergraven/geploegd (12 hectare). We zien echter ook dat ons verzoek om volledige openheid niet is gehonoreerd. Denk aan een projectplan, een kaart met vergraven en geploegde delen, de wetenschappelijke argumentatie over veronderstelde achteruitgang, een motivatie voor het ploegwerk en de omvang ervan. Dit o.a. met beroep op geheimhouding omdat het Ministerie van Defensie dat zou eisen. ZHL stuurde wel de verleende vergunning en een stippenkaart met het voorkomen van o.a. bijzondere plantensoorten in het behandelde gebied in 2023.
Via de Omgevingsdienst Haaglanden (vergunningverlener inzake Natura2000) ontvingen we ook het onderliggende ‘Ecologisch werkprotocol definitief Westduinen Ouddorp‘ van januari 2025. Het stuk is opgesteld door ‘Adviesbureau Landschap en Onderzoek’, een eenmanszaak zonder website. ZHL is verantwoordelijk voor dit protocol. Bijgaand enige gedachten n.a.v. al deze stukken.

Stippenkaart van de flora van het Westduinen in 2023 (het noordwestelijke deel); klik op kaart voor uitvergroting; bron NDFF
De NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) is in principe een goed uitgangspunt voor afwegingen (andere zijn: bestaand onderzoek, eigen onderzoek, vegetatiekarteringen, etc.). Helaas verschilt een stippenkaart van jaar tot jaar met minstens 50 procent want o.a. het weer is elk jaar anders en de waarnemingsintensiteit verschilt ook van jaar tot jaar. Om een goed beeld te krijgen (zonder al die jaarlijkse variatie) zou sommatie van tien jaren beter zijn, ook al omdat de topsoort herfstschroeforchis zich soms maar eens in de acht jaar laat zien (Mourik, 2023). Data op waarneming.nl laten van jaar tot jaar zelfs verschillen zien van een factor 100 (bv. veldgentiaan) (zie ook Van der Goes en Groot, 2023). In het kaartbeeld van 2023 ontbreken daardoor enkele van de 27 eerder in de Westduinen aangetroffen Rode Lijstsoorten waaronder de overjarige hardbloem, ernstig bedreigd en samen met een locatie van herfstschroeforchis onder de voet gereden/afgeplagd bij de entree van het station.
Maar wat biedt deze incomplete kaart wel? Zonneklaar is dat zelfs bij de gegeven selectie van vindplaatsen (dus bekend uit één enkel meetjaar) er schade door de ingrepen moet hebben plaatsgevonden. ZHL ontkent dit. In de mail staat (t.a.v. de habitattypen duinvalleien en droog duin en het voorkomen van paddestoelen): “Met name de overgangen tussen beide habitattypen bieden de beste plekken voor deze soorten. Deze plekken zijn sowieso niet aangeraakt tijdens de werkzaamheden.” In het veld blijkt echter dat vele kansrijke overgangen zijn beschadigd of vergraven.
De kaart met werkzaamheden hieronder heeft in de ondergrond slechts drie belangrijke soorten (data van een enkel jaar, mogelijk 2022?). Uit het werkprotocol is wel duidelijk dat men naar meerdere soorten/soortgroepen gekeken heeft, maar alleen al dit beeld maakt duidelijk dat schade onvermijdelijk zou zijn. Een vergunningsaanvraag had moeten worden heroverwogen.

Noordwestelijke deel van de Westduinen: kaart met werkzaamheden (bruin en blauw) en transportbanen (rood) uit het ‘Ecologisch werkprotocol’. De werkzaamheden staan geprojecteerd op een kaartondergrond met drie soorten (data 2022?): harlekijn, herfstschroeforchis en veldgentiaan.
Een analyse van de zeer hoge waarden van paddenstoelen in de Westduinen is vanwege te weinig gegevens in de databank NDFF door ZHL niet gedaan. Maar die gegevens zijn helemaal niet beperkt (zie Arnolds, 2015) plus je kunt ook verder kijken dan de NDFF. Bij de Nederlandse Mycologische Vereniging en enkele experts die het terrein eerder (met ZHL-vergunning) onderzochten, is er een schat aan informatie. Deze lacune, het missen van relevante bronnen en ook het gebrek aan openbare informatie over avifauna en entomofauna hadden relatief eenvoudig in de voorbereiding (deels met extra veldonderzoek) kunnen worden meegenomen. Ook teruglegging van een concept-plan bij het landelijke OBN Kennisteam Duinen was een mogelijkheid geweest. Zo’n betere wetenschappelijke onderbouwing had een fractie gekost van het zeer hoge bedrag dat met dit project gemoeid blijkt (bijna 900.000 euro).
En niet onbelangrijk is opgedane ervaring in eigen terrein: “In 2014 en 2015 een oppervlakte van 0,9 ha geplagd en afgevoerd binnen de habitattypen H2130 Grijze duinen en H2190 Vochtige duinvalleien. De voedselrijke toplaag werd verwijderd om de successie terug te zetten en de ontwikkelen van kwalificerende vegetaties te bevorderen.“ (uit: Ontwerpbeheerplan Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek, 2025). Men is nu tien jaar verder. Waar staan hiervan de resultaten beschreven? Dat zou de discussie vooruit helpen.
Hoe groot was het werk nu eigenlijk? Omdat ons geen kaartbeelden van de te saneren plekken zijn toegestuurd, schatten we nu zelf dat de locaties van de op te ruimen zendmasten (de voetstukken) en het ruimtebeslag van de kabels niet groter dan 0,5-1 hectare kan zijn geweest. Maar ZHL heeft ingegrepen in een gebied dat meer dan 20 keer zo groot is, deels ook ook buiten het zendstationgebied. Saneren was hier (geschat 0,5 à 1 ha) volledig gerechtvaardigd en dat geeft altijd schade. Om dit saneren evenwel natuurherstel te noemen, moet men met betere argumenten en solide voorlichting komen (en fair durven zeggen wat men ook vernietigt of niet heeft onderzocht). Uit de reactie van ZHL is ons tot nu toe niet duidelijk of enkele door ons aangereikte studies (zie o.a. KWR 2013) bij ZHL bekend waren en zijn verwerkt in de afweging. Omdat bronnen nu buiten beeld blijven en onafhankelijke toetsing daardoor niet mogelijk is, resteert een kater die ZHL zichzelf en de natuur had kunnen besparen, ook door zich te oriënteren op eerder (2023, 2025) door ons geformuleerde kritiek op onzorgvuldig uitgevoerde herstelprojecten. Een dun zinnetje over dat ‘meer dynamiek’ goed zou zijn volstaat niet. Het grootschalig eggen van oude duinhellingen is zoiets als krassen met een mes in een Rembrandt.
In de verleende vergunning van ‘Omgevingsdienst Haaglanden’ (heeft men daar kennis van zaken?) wordt tenslotte gerept van 25 hectare ‘nieuwe duinnatuur’. Dat getal lijkt drijfzand. Als eerst op zo’n 10 hectare natuur wordt vernield en na jaren is dat wellicht deels terug, dan kan je dat niet met droge ogen ‘herstel’ noemen. En waar die 25 hectare vandaan komen is een raadsel.
En hoe variabel is de natuur: zie onderstaand citaat over veldgentianen van onderzoeksburo Van der Goes en Groot over 2023.
Onze uitnodiging aan ZHL is om onder dit stuk of op hun eigen site met een reactie met volledig feitenrelaas plus openheid over de stukken te komen. We wachten dit verder af.
<einde naschrift>

Gebruik van rijplaten bij entree zendstation. In de berm rechts groeide (in ieder geval tot voor kort) de ernstig bedreigde overjarige hardbloem. Die berm werd daar net na de entree ‘geplagd’.

Het mollen (eggen) van de vegetatie. Te voorspellen is de komst van de exoot bezemkruiskruid.
Rolf Roos
(Gepubliceerd 8 oktober, update 19 december 2025, met dank aan Frans Beekman)
Vraag: wie kent vergelijkbare oude landmarks op een schor van Goeree of Flakkee; ze zijn wel bekend uit Zeeland.
Uit de 17e eeuw zijn verschillende auteurs die een oude nederzetting vlak voor de kust van Goeree zouden hebben gezien, zeewaarts ongeveer ter hoogte van de Oostduinen. Uit deze ‘Oude Waerelt’ werden diverse munten met afbeeldingen van o.a. Romeinse keizers gemeld, die evenwel in geen enkel museum meer zijn te zien, reden waarom er altijd twijfel is over deze ooit bij zeer laag water zichtbare stedelijke nederzetting. Zeer sterke kustafslag in o.a de 18e eeuw -wanneer de veldnaam Kwade Hoek voor het eerst opduikt- maken het waarschijnlijk dat eventuele resten zijn weggespoeld, maar liefhebbers, dromers en kenners blijven uitkijken naar sporen. Dat die Oude Waerelt op een groen strand zou liggen dat pas na 1920 flink zou groeien tot het huidige natuurreservaat, dat is ook wat te optimistisch, maar menselijke sporen zijn er wel degelijk in deze wild ogende natuur van het gors.
We zoomen nu in op een klein deel van de Kwade Hoek. Zie de kaart links. Zelf ben ik al een tijdje geïntrigeerd door een alleen op de hoogtekaart (hieronder) zichtbare, ronde vorm van ca 5m in doorsnede met een lage wal er om heen die op twee zijdes is geopend (A). Voor wie wil fantaseren kan er een oud heiligdom in zien met in- en uitgang. Of een kleine ronde burcht, een motte wellicht. Of een ringwal. Er zijn veel hypotheses mogelijk, maar duidelijk is slechts één ding: de van de natuur afwijkende vorm is manmade. Maar wat is het?

Detail zeereep met hoogteverschillen in het Koeiengors van de Kwade Hoek en bij A de hier besproken ‘ringburcht’ en bij B een bomkrater (eentje uit een rommelige rij).
Nu zijn er wel meer sporen van menselijke aanwezigheid op de Kwade Hoek, zoals sloten (in de 20e eeuw gegraven) en een hele reeks bomkraters (B) uit de oorlog die van oost naar west lopen. Wanneer en door wie afgeworpen is niet bekend, maar geallieerde vliegtuigen die op de terugweg naar Engeland waren en nog ongebruikte bommen kwijt moesten zijn zeer waarschijnlijk. De door mij op de hoogtekaarten van AHN gespotte structuur (zie de A hierboven en uitvergroting) was echter veel groter dan een bomkrater en lag buiten de reeks bomkraters. Wat kon het dan wel zijn?
Bij mij viel het muntje toen ik de locatie van de kleine ‘ringburcht’ vergeleek met de topografische kaart van ca 1950. Precies op die plek ligt een een klein rond water. Dat is alleen te interpreteren als een koeienpit, een plek waar vee werd gedrenkt. Maar toch net iets anders. Normaal graaf je een kuil in de grond en heb je zoet water. Maar dat werkt niet op het zoute gors. Er is een ronde wal omheen gelegd in de hoop dat regenwater er in kon worden bewaard. Of begin met een ophoging waarin een kuil werd uitgespaard? Was het niet een kleine stelle, een kleine opgeworpen (vlucht)heuvel in onbedijkt gebied? Met een wateropvang er in en dan hollestelle geheten? Een ringwal tegen vloedwater om een koeienpit? Maar wie helpt me nu aan een goede verklaring van de openingen? In 1943 (luchtfot0) was de hollestelle nog puntgaaf, in 1970 niet meer. Onderaan een detail van de luchtfoto uit 1943 met een gave wal om deze hier waarschijnlijk reeds lang voor de oorlog aangelegde, hollestelle. En wat zegt de luchtfoto 1970 hieronder over recenter gebruik? Staat er op de luchtfoto niet een rond vat voor water in het midden? Het is een getuige uit de tijd (vanaf eind 19e eeuw) dat er wel al vee (koeien en paarden) rondliep, maar niet zoals nu, er een bak met schoon leidingwater voor de koeien aan de duinvoet klaar staat. Het begin hangt samen met de gorsvorming en beweiding eind 19e eeuw. Het einde hangt samen met de beschikbaarheid van een waterleiding.

Op de topografische kaart Kwade Hoek ca 1950 staat bij de pijl een rond watertje aangegeven op de plek van de huidige ronde structuur.
Bronnenlijst historie Kwade Hoek

Detail luchtfoto 1970 na ontstaan van twee openingen (met zand) en wat is de nieuwe ronde structuur in het midden? Een tijdelijk watervat?
Tenslotte: Veel natuurgebieden herbergen cultuurhistorische schatten, zoals de gevonden hollestelle. Het zou de beheerder, hier Natuurmonumenten, sieren als met deze waarden ook rekening wordt gehouden (en niet alleen met vogels en ‘habitattypes’), want de zware machines die tegenwoordig bij terreinbeheer worden gebruikt wissen makkelijk oude sporen uit. Vraag aan Natuurmonumenten: bestaat er al een goede inventarisatie van cultuurhistorische waarden en eerder gebruik op de Kwade Hoek?
Wikipedia Hollestelle : een hollestelle blijkt op de Waddeneilanden een ‘dobbe’ te heten. Net als hollestelle werd dit ook een familienaam, zoals bij de bekende bioloog Han van Dobben.
Rolf Roos
De Kwade Hoek, de aangroeiende noordpunt van Goeree, is na 1975 twee keer zo groot geworden, maar wie op een topografische kaart van rond 1900 kijkt, ziet direct dat het gebied toen nog nauwelijks bestond. In dit artikel proberen we de aangroei en de vorm van het kustlandschap van ca 1820 tot ca 1970 te reconstrueren op basis van schriftelijke bronnen en kaarten. We houden ons aanbevolen voor meer bronnen en beeld van voor 1970, want voor wie goed leest: de schriftelijke verhalen lopen niet altijd synchroon met het kaartmateriaal. We kunnen wel concluderen dat het huidige natuurgebied ‘Kwade Hoek’ in de periode 1879 – 1910 ontstond.
De toenemende omvang nu (kort aangeduid in diverse recente plannen) staat in schril contrast met de situatie van enkele eeuwen geleden. Eind 17e en begin 18e eeuw was de noordkust van Goeree zo zwak dat na diverse inbraken inlaagdijken (o.a. de latere Bokkepolder) werden aangelegd bij de plek die in 1728 ‘Quaaden Hoek’ werd genoemd, de zwakste plek in de kust op dat moment. Dankzij o.a. strekdammen (uit 1800-1850) is er rond 1900 een ca 200 meter breed strand ontstaan en lijkt de dreiging voorbij.
Hoe is die aangroei precies gegaan? We starten bij de oudste, topografisch redelijk betrouwbare kaart, Gevers 1827, uit het Nationaal Archief. Het toont een smalle, nu nog herkenbare duinenrij en een smal strand. De stippellijn met het woord Cruquius laat zien wat sinds 1733 is verdwenen. De naam Kwade Hoek wordt niet (meer) vermeld; strekdammen zijn deels nog niet aangelegd en worden niet aangegeven. Deze kaart toont helaas niet de zwakke plek in het duin destijds, het Plaatse Gat, bekend van een (laatste) doorbraak op 26 december 1731. Dit punt ligt ter hoogte van de Bokkepolder aan het eind van het inlaagdijkje uit 1717 (onder Huize de Bult langs). Dit Plaatse Gat lag er volgens de polderboekhouding uit 1806 nog wel maar wordt in de 19e eeuw verder niet vermeld. Kortom, de vorm van de aangegeven duintjes en de rechte zeereep moeten we niet te exact interpreteren. Maar het is niet gewaagd te concluderen dat er aan de zeezijde nog geen sprake was van een gors of een strandweide, alleen van een ‘strand’. In de Bokkepolder zijn bosschages aangegeven, waarschijnlijk hakhout voor wilgenteelt ten behoeve van brandhout en voor ‘rijzen’ (rijen wilgentenen voor aanslibbing en aanstuiving c.q. kustbescherming).

Detail van de kaart van Goeree, Gevers, 1827. Nog geen Kwade Hoek te bekennen. De Bokkepolder is deels beplant met hakhout dat kan worden gebruikt voor o.a. stuifschermen. Rond Zeezicht zit echt bos, ook wel ’t Groote bos’ genoemd. De hoge iepen hier sneuvelden pas eind vorige eeuw.
Daarna beschikken we over kaartbeeld van het Kadaster uit 1835. Het verschilt t.a.v. de latere Kwade Hoek nauwelijks met de kaart van Gevers. Er zijn wel drie strekdammen verschenen, onderdeel van de kustzorg door de Staten van Holland.
Uit 1851 zijn veilingstukken bekend met een omschrijving voor ons studiegebied: “(…) de gorzen ten westen van de haven van Goedereede tot aan het strand”, d.w.z. geen melding van een ‘Kwade Hoek’, maar wel van schorren (in de Maasregio ‘gorzen’ genoemd). Dit was de aanduiding van groen, slikkig strand met zoutplanten en ook gras (mogelijk slijkgras, kweldergras, fiorin) (de naam ‘gors’ is hiervan afgeleid). Deze veilingstukken regelen o.a. de privatisering van grote delen van het zeeduin. Ze bevatten ook een onderhoudsplicht voor de kopers van de zeereep plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Uit 1874 is een ‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ bekend die meer strekdammen laat zien en ook een laagwaterlijn tussen de strekdammen die aanslibbing en uitbreiding van groene stranden suggereert. Nog steeds ontbreekt de veldnaam Kwade Hoek. De strekdammen bevatten, zoals we tot op heden kunnen zien (zie foto), ook deels rijen houten palen op de plek waar een kreek de strekdam doorsnijdt. Texeira beschrijft de aanleg in zijn standaardwerk (deel 10 over Goeree- Overflakkee uit 1941):
“Er werden nu van daar tot het hoofd van de haven van Goedereede rijzen hoofden gelegd, wier uitwerking dermate gunstig bleek, dat de kwade hoek nu een goede hoek begon te worden.”

‘Situatie-schets van het gedeelte Duin en Strand aan de Noordzijde van Goedereede’ uit 1874 met strekdammen en een laagwaterlijn ertussen.
De aangroei wordt pas echt duidelijk na bestudering van de dissertatie van Wentholt, 1912. Hier zien we een bewerking van bovenstaande kaart en ook het gegeven dat er in 1875 nog een geul met zeer diep water (18m diep) aanwezig was, op slechts ca 200 à 300 meter van de ingang van het huidige natuurreservaat ter hoogte van ’t Plaatje.
We geven ook een detail uit een andere kaart waarin veel kennis samenkomt: het uitleggen van de pieren van Havenhoofd: de Westhavendam (vier keer tussen 1878 en 1905!) en Oosthavendam (alleen 1901). De vele verlengingen van de Westhavendam weerspiegelen de aangroei tussen 1879 en 1907: dan herkennen we voor het eerst de vorm van de Kwade Hoek van tegenwoordig met een kenmerkende dubbele bochel.

Detail kaart 8 uit Wentholt (1912) met o.a. jaartallen van aanleg van strekdammen. In nog geen dertig jaar is de Kwade Hoek ontstaan.
Uit dezelfde tijd komen de meer betrouwbare topografische kaarten. In de periode 1890-1910 (topografische kaart) bestond de Kwade Hoek als gebiedsnaam nog niet: het is dan de naam voor een stuk zee aan de westzijde van de ingang van de pieren bij Havenhoofd, bepaald geen prettige bocht voor de vissers van Havenhoofd en Goedereede. In plaats van het huidige weidse gorzen- en duingebied lag er een reeks strekdammen onder de kust met een licht aangroeiend strand, maximaal 100, wellicht 200 meter breed. Deze aangroei is mede op het conto van de strekdammen te zetten, maar is mogelijk ook ontstaan als gevolg van veranderingen in de delta door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1867). Daardoor komt er eind 19e maar vooral begin 20e eeuw meer zand en slib tegen de kust (vergelijk ook de aangroei van Voorne in de periode tot 1934).

Topografische kaart 1890-1910, de aangroei die er in 1910 was (zie Wentholt 1912), is nog niet in de kaart verwerkt.
Mede vanwege de aanzanding verlengt men de pieren van Havenhoofd, aan de westzijde zoals gezegd zelfs vier keer. Op de kaart uit ca 1916 zien we zowel de lange nieuwe Havenhoofden als een forse uitbreiding van het gors, inclusief een merkwaardig rechte kreek (gegraven?). De verspreid liggende streepjes tussen paal 5 en 8 tonen grote drassigheid, dan wel stagnerend water. Ter hoogte van paal 8 (bij ’t Plaatje) wordt enige jonge duinvorming aangegeven. Het is zeker niet uitgesloten dat de nieuwe havendammen van Havenhoofd de groei van de Kwade Hoek in die tijd hebben gestimuleerd.
De naam ‘Kwade Hoek’ hoort nu ook bij het nieuwe gebied. Interessant is dat de strekdammen uit de 19e eeuw niet meer worden weergegeven, terwijl we uit andere bronnen weten dat er rond 1960 nog op gelopen werd. Het gebied komt in een eeuw geleidelijk hoger te liggen (schatting ca 40cm); anno 2025 zijn de strekdammen onder het sediment verdwenen behalve plekken waar een kreek een oude strekdam aansnijdt (zie foto).
Prof. Th. Weevers schrijft twee keer uitgebreid over flora en vegetatie van Goeree, de eerste keer in 1920 (Weevers, 1920). We citeren een passage over de noordkust bij Havenhoofd, pag. 108 en 109, gebaseerd op terreinbezoek in de jaren vlak voor 1920. In de citaten zijn de Latijnse namen van planten door ons vervangen en vet gemaakt. Hij meldt een aantal zaken niet: de veldnaam Kwade Hoek, hij meldt in 1920 ook geen vee of strekdammen. Helaas geeft Weevers geen breedte op van het gebied. Maar wel veel informatie over de flora en zo weten we meer over het landschap. Weevers kunnen we zien als de eerste ooggetuige en beschrijver van de kustaangroei en geeft als plantenkenner een fraai inkijkje in die tijd.
“Vooral is de toeneming van de kust duidelijk ten noorden van de gemeente Goedereede en dit aangroeiende strand vertoont enkele bijzonderheden op floristisch gebied en tevens op dat der landschapsvorming.”
“Het is een zoogenaamd „groen strand”, een strandweide van eenigszins ander karakter dan die op het eiland Voorne. In het Oosten bij de Haven van Goedereede heeft het begroeide strand vrijwel het karakter van den plantengroei van een gors,(..), bij den duinvoet vond ik Fijn goudscherm. Het gors grenst direct aan het Haringvliet en heeft grootendeels een slibbodem met de typische geulen, toch liggen landwaarts in goed ontwikkelde duinen met begroeide valleien, waarvan de flora o.a. gekenmerkt is door Kleine ruit, die ik verder op het eiland niet aantrof. Meer westwaarts, dus naar de volle zee toe, komt vóór de begroeide strook een zandig zeestrand en gaat het gors geleidelijk over in een vochtige strandweide met grootendeels anderen plantengroei. Vóór die strandweide, aan de zeezijde ervan, was beginnende duinvorming en was duidelijk te zien, hoe op een aangroeiend strand de duinpan zich uit een strandweide ontwikkelen kan(…). De plantengroei wees dit ook uit door aanwezigheid v. Moeraswespenorchis, Geelhartje, Duindoorn, Parnassia e. a.”
” De typische strandweide, die tot laat in den zomer moerassig is met zoetwater, daar de jonge duinen ze tegen den vloed beschermen , heeft veel ijzeroer in den bodem. In het laagste deel, in ’t midden, dat den geheelen zomer moerassig blijft, groeien de planten hoog op en zijn de karakteristieke planten allereerst Zilt torkruid, Heen, Riet, Zeerus, Goudzuring, Dotterbloem, Selderij, Zilte zegge. Meer aan den omtrek is de grond iets droger, de plantengroei minder weelderig en komen o. a. voor: Kwelderzegge, Knopbies, Fioringras, Aardbeiklaver, Waterpunge, Dwergbloem, Strandduizendguldenkruid, Fraai duizendguldenkruid, Rode ogentroost. Ondanks herhaald zoeken was Bitterling, van ’t Voornsche groene strand bekend, hier met te vinden. Wel was de heer Kloos zoo vriendelijk mij op te geven, dat Gele hoornpapaver op Goeree voorkwam in de jonge duinen vóór ’t groene strand, even boven de vloedlijn; dus waar ook Zeewolfsmelk veel te vinden is. Dat het water niet brak is, wordt wel bewezen door het voorkomen van Dotterbloem. die brak water schijnt te mijden en dan ook aan slootkanten en in weiden op Goeree niet te vinden is.
Het voorkomen van dotterbloem tot op het strand is mij ook bekend uit Frankrijk, bij sterke kweldruk vanuit het duin. In zeer natte Voornse duinen zijn dotterbloemen niet zeldzaam in het Waterbosch. Thans ontbreekt deze soort op de Kwade Hoek.
Uit Weevers’ beschrijving van de flora spingen soms zeer herkenbare zaken naar voren: de kleine ruit die hij noemt, staat nog steeds in de rommelige ‘vrije’ duintjes tussen de Breenstraat van Havenhoofd en de Kwade Hoek, het is het enige stukje duin (ca 5 ha) dat op Goeree in bezit is van Natuurmonumenten (verworven rond 1975, de rest is door het rijk in bruikleen gegeven om te beheren als natuurgebied). Dit gebiedje achter de bebouwing van Havenhoofd heeft diverse kenmerken van het in vanaf Scheveningen tot Egmond voorkomende zeedorpenlandschap, wat nader onderzoek verdient.
Fijn goudscherm, een nauwelijks te vinden zeldzaamheid, stond bij Weevers in 1920, in 1961 (Westhoff ea, 1961) en ook nu (2025) op het hogere gors. Uit de vondst van deze soort is mogelijk op te maken dat het gors (deels) al ouder was, want het is een soort van latere, minder vaak overstroomde vegetaties.
Opvallend is dat Weevers de overgang nabij Havenhoofd beschrijft van zout gors via zoetere strandweide achter lage duintjes naar geheel zoete duinpan. Hieruit blijkt dat in de jaren voor 1920 het gebied in ecologische zin deels anders was dan nu, want inclusief een zeer zoet gedeelte dat niet of nauwelijks meer werd overstroomd door de zee en ook beschreven wordt door Meuleman en Joanknecht, 1980. Zij vermelden een Parnassiavallei (ook bekend als ‘Parnassiaslenk’) met de naamgevende plant en ook o.a. moeraswespenorchis. Deze zoete zone is vrijwel verloren gegaan na sluiting van het Haringvliet in 1971. Het vloedwater werd toen veel zouter en kwam ook dieper en mogelijk ook frequenter het gebied in. Daarvoor zijn wel overstromingen bekend (bv. verslagen Jan Vlietland, 1966). Nu staat parnassia alleen (?) nog in de Bunkervallei maar binnen enkele jaren kan dit weer verschuiven.
De beschrijving van een zoeter wordende strandweide met moeraswespenorchis en parnassia tegen de duinrand lijkt op het huidige groene strand aan de noordzijde van Schiermonnikoog. Hier gaan recreatie en natuur trouwens prima samen.
Hoewel valleivegetaties van jonge zoete duinen zich snel (10-20 jaar) kunnen vestigen, is ook duidelijk dat gors en duin die Weevers hier vlak voor 1920 zag, zeker al begin 1900 in aanleg aanwezig moeten zijn geweest, conform de inzichten van Wentholt, 1912.
Weevers biedt in een tweede publicatie (1940) aanvullingen
Weevers meldt in 1940 wederom geen veldnaam Kwade Hoek, die moet pas na de oorlog echt zijn ingeburgerd en gepromoot door de nieuwe beheerders (eerst Stichting Natuurmonument de Beer, later Natuurmonumenten). Hij meldt (Weevers, 1940):
“Het strand vlak ten noorden van de stad Goeree is hierbij het meest belangrijk. Daar wordt tengevolge van sterke zandaanvoer een vorming van jonge duinen waargenomen. Zoals in de (..) dissertatie van J. W. van Dieren is uiteengezet, hangt de aangroei of afname van strand en duin ten nauwste samen met de verplaatsing van de zandbanken voor de kust, die door hun nadering van het strand eerst tengevolge van de sterke stroming een afname veroorzaken, die weer voor toename van het duin plaats maakt als de zandbank bij het strand is aangesloten.”
“Hoe dit ook zij, het is duidelijk dat wat op het Groene strand van Goeree oorspronkelijk strandweide was, door latere duinvorming wordt ingesloten en in duinvallei verandert. Hierbij moet echter nog opgemerkt, dat bij de vorming van dit Groene strand de menging van het zand met klei ook een rol speelt. We zijn hier nl. vlak bij de monding van het Haringvliet, dat eigenlijk de hoofdmond van de Rijn genoemd mag worden. Hoe meer wij de monding van de Haven van Goeree naderen, hoe sterker die menging met klei wordt, zodat de strandweide in een gors begint over te gaan. Op die strandwei waren plassen van zeer veranderlijke vorm en geaardheid; in sommige tijden waren er jaren achtereen plassen, die zowel in de zomer als in de winter zoet water bevatten. Omstreeks 1918 was het water erin zo zoet, dat zelfs Dotterbloem er groeide, iets wat wegens het altijd min of meer brak zijn van het slootwater bijna nergens anders op Goeree en Overflakkee het geval is. Later toen door stormvloeden het water brak werd, verdween Dotterbloem en ontwikkelde zich een vegetatie van Zeerus, Zilt torkruid, Goudzuring, Zeerus. Goudzuring, Selderij, Zilte zegge, Heen en Riet (zie de publicatie Kruidk. Archief 1920). Hoewel in die tijd nog geen sprake was van het maken van een opname, is het duidelijk, dat we te maken hebben met de associatie van Zeerus en zilt torkruid (….)”
“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuld is.”
Kortom: na verzoeting volgt verzilting, het landschap vlak voor de oorlog stuift, en plassen komen en gaan. Hij meldt dat de vegetatie sterk verandert door de koeienbegrazing waarvan hij, anders dan de naoorlogse natuurbeheerders, geen voorstander was. Een heel simpele indicator (voor veel beweiding) is trouwens riet, dat snel wordt weggevreten door koeien en paarden (zie de thans aanwezige rietzone in het noordoosten waar het vee niet kan komen).
Uit de oorlog zijn weinig verhalen. De vader van Kommer Tanis uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam vertelde hem dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943 of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boek nog maar een enkele plag meenam toen meegenomen en toen was het hommeles met de Duitsers. ” Meer sporen uit de oorlog volgens Kommer: een restant van een spoorlijn door een slenk heen en er waren bomkraters.
Het kaartbeeld van rond 1950 geeft geen grote verrassingen ten opzichte van 30 jaar eerder. Er is een langgerekt gors/strandweide dat ter hoogte van paal 8 nog maar zelden wordt overstroomd en vanaf daar volgens andere bronnen westwaarts ‘Parnassiaweide’ heet. Drie effecten van het agrarisch gebruik zijn zichtbaar: ontwateringsslootjes, een tweetal koeienpitten en het ‘koeiengat’ (slurfje tussen paal 8 en paal 7). Zie hiervoor ons artikel over beweiding. Behalve bij paal 10 zijn geen duintjes aangegeven, maar het gebied was zeker niet overal vlak.
In 1957 doet de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie Goeree aan (verslag kamp Kijfhoek door Frans Beekman). Ze spreken over de “N.O. hoek van het eiland, bestaande uit een primaire duinvallei en een uitgestrekte, gedeeltelijk begroeide, vogelrijke strandvlakte”. Interessant is dat ze ook melden: “dat de primaire duinvallei al geruime tijd van de zee afgesloten was. Er waren enige meertjes ontstaan waarvan er een zich fantastisch mooi had weten ontwikkelen” met o.a. het boomkranswier Nitella. In een ander meertje ‘poelden’ (zwemmen of spartelen) de ‘wilde’ paardenkuddes van Goeree. Helaas maakten ze in die jaren geen foto’s. Wel kunnen we met luchtfoto’s uit 1943 en 1970 het beeld aardig completeren.

Luchtfoto van de Kwade Hoek uit 1943. Let op de afwezigheid van bomen en struiken, graaf- en loopwerk in de deels stuivende duinen.

Luchtfoto 1970: de lijn dwars door de Kwade Hoek is het koeienraster. Het slotenpatroon op het gors ook nog goed zichtbaar. Om Havenhoofd heen is al een nieuw duinlichaam gelegd, deels over het gors heen.
Begin 19e eeuw lag er ter hoogte van de latere Kwade Hoek een relatief smal strand zonder gors van betekenis, later die eeuw werd de kustlijn mede door beschermingsmaatregelen (strekdammen) geconsolideerd. Rond 1900 was het in slechts 30 jaar uitgegroeid tot een bescheiden en deels al verzoetend gors, getuige de beschrijvingen van Weevers uit 1920. Daarna is er een sprong voorwaarts door aanlanding van zand en mogelijk een versterking door de toenmalige verlenging van de pieren van Havenhoofd. Uit beschrijvingen blijkt een overwegend zilt milieu, met soms zelfs meertjes, aangroeiende duinen en (tijdelijk) ook verrassend zoete elementen en duinvalleiflora. Er zijn meldingen van sterke beweiding (1940) en ‘wilde paarden’ (na de oorlog). De rol van beweiding, deels door ons beschreven, verdient nader onderzoek. Helaas heeft de beheerder (sinds 1975 Natuurmonumenten) nergens te onderzoeken exclosures (tegen vee afgehekte delen) ingesteld. Ook heeft de beheerder er niet over gepubliceerd en blijven monitoringsrapporten van de vegetatie (elke zes jaar) helaas in de lade. Openbaarmaking zou aan een ieder inzicht kunnen geven in de geweldige allure van het gebied en de trends. Wel publiceert Rijkswaterstaat uitgebreide rapportages, zoals vegetatiekarteringen waarop we later hopen terug te komen. Een overheid is gelukkig tegenwoordig verplicht te laten zien wat er wordt onderzocht. Dat helpt onze kennis vooruit.
Recent zien we als gevolg van de grote zandsuppleties (aanzanding) bij het Flaauwe Werk weer zanden die verwaaien richting Kwade Hoek: allemaal mensenwerk met grote gevolgen voor een zo natuurlijk ogend landschap.
Nico van der Wel
Laatste update 27 oktober 2025
Begin 2025 verscheen het ‘Toekomstperspectief Haringvlietmonding 2060 – Zuid-Hollandse Wadden’. Wat nu, de wadden liggen toch ten noorden van Den Helder? Leidt vooruitkijken tot luchtkastelen?
In ‘Duinen en mensen Voorne’ en ook de eerdere boeken uit de serie hebben we ons altijd verre gehouden van toekomstscenario’s voor de kust. De toekomst is onzeker en niets veroudert zo snel als beleid. Voor je het weet zit je als boekenmakers met oud papier. Maar online maken we graag een uitzondering.

Voorne met noordelijk Europoort en de Maasvlakte en in het zuiden Goeree-Overflakkee (bron: google maps).
Op Voorne ‘verslibben’ de stranden en is de branding verdwenen. Bij Rockanje is het tot ver in zee een veredeld soort pootje baden. Recreatieondernemers maken zich zorgen. In 2021 deed Arcadis in opdracht van o.a. gemeenten en provincie onderzoek naar de kust van Voorne en Goeree. In juli 2021 kwam de bittere pil: die verzanding is een grootschalig proces, er is niets aan te doen en het zal doorzetten (zie Verzanding monding Haringvliet zet door in de toekomst). Uit een factsheet: “Ter hoogte van de Groene Punt ontstaat over een aantal jaren waarschijnlijk een grote strandvlakte. Dat komt omdat de zandplaten die nu nog voor de kust liggen aan het strand vastgroeien [o.a. de Hinderplaat]. Hoofdoorzaak hiervan is de afsluiting van het Haringvliet.” Zie het kleine kaartje. Het rapport van Arcadis (begin 2022) vind je hier.
Aangroei van de kust geldt als goed voor de veiligheid, want een brede kuststrook plus vooroever is minder gevoelig voor stormen. Als de Hinderplaat gaat aanlanden (2030-2035?) is het volgens Arcadis wel opletten geblazen: dan is er een kleine kans dat er tijdelijk een diepe geul ontstaat die het strand kan uitschuren. Daarnaast zal het onderhoud van de vaargeul naar Stellendam, het Slijkgat, intensiever en duurder worden.
Nu ligt er dan een rapport van 96 pagina’s met twee folders, allemaal HIER te vinden (website gemeente Voorne aan Zee). H2O online en het AD schreven er al over. Het rapport is opgesteld door KuiperCompagnons samen met Sweco, Deltares en Kenniscentrum Kusttoerisme van Hogeschool Zeeland. KuiperCompagnons, een ontwerp- en adviesbureau uit Rotterdam, is de trekker. Het was anderhalf jaar werk, waarin met allerlei betrokkenen is overlegd. Er zijn maar liefst tien opdrachtgevers: drie gemeenten, de provincie, Rijkswaterstaat, Port of Rotterdam, het waterschap, recreatieschap Voorne-Putten, Natuurmonumenten en Zuid-Hollands Landschap. Indirect waren ook het maritieme cluster in Stellendam en andere ondernemers betrokken. Centrale boodschap: “De Haringvlietmonding kan een iconisch waddengebied worden, waar natuur en recreatie/economie in balans zijn en elkaar versterken.”
Wat is dit nu voor rapport? Toekomstperspectief – dat klinkt niet als een beleidsvoornemen, of als juridisch bindend. Het is een gezamenlijke visie van tien partijen, ter inspiratie en ‘een vertrekpunt voor verdere samenwerking’. De uitkomst? Men ziet kansen voor een andere vermarkting van de Haringvlietmonding. De wetenschappelijke blik in de toekomst uit 2021 is vertaald in ‘Kansen voor Waddenecologie!‘ (4.2.1, p46) en ‘Kansen voor Waddeneconomie!‘ (4.2.2, p55). Hoewel het ruikt naar marketing, met de geleende merknaam ‘wadden’, is dit voor natuur natuurlijk beter dan een toekomstbeeld ‘Zandvoort’. Men lijkt te kiezen voor kwaliteit en niet voor massatoerisme.
Voor een beter begrip van wat men bedoelt met Zuid-Hollandse Wadden zie de grote kaart hieronder. Het vergt een hele studie van vooral hoofdstuk 4 om overzicht te krijgen en deze bomvolle kaart te snappen. Grote lijn: de autonome ontwikkeling van de kust leidt tot een gebied met uitgestrekte slikken, schorren en ‘grote groene gorzen’ (vgl. kwelders). Een begin daarvan zien we op de Slikken van Voorne. Kan heel mooi en natuurrijk worden en een groter publiek trekken. Maar: de Wadden, de echte, zijn geliefd en onvergelijkelijk. Als je op zo’n naam inzet voor de toekomst van de regionale economie, liggen teleurstellingen op de loer. Goeree en vooral Voorne missen twee heel belangrijke kwaliteiten van de Wadden: stilte en duisternis. Er is vaak veel geluid én licht vanaf Europoort (A15/N15) en de Maasvlakte. Ons advies: schrap in het vervolg die ‘Wadden’, dat ga je nooit waarmaken. Voorne en Goeree hebben hun eigen kwaliteiten (de opstellers willen trouwens ook ‘uitgaan van de kracht van het gebied’ (een paragraaftitel)).

Kaart Toekomstperspectief Haringvlietmonding 2025, aanklikken voor vergroting. Onderaan de opdrachtgevers. Bron: brochure bij het besproken rapport
Er zitten voor natuur en landschap zeker interessante elementen in de plannen. Zo is er het predicaat ‘zoekzone ontwikkeling verblijfsrecreatie in combinatie met natuur- en landschapswaarden’ voor het landschap aan de binnenduinrand (tussen de duinen en de Heveringseweg – Verlengde Lodderlandse Dijk – Boomweg). Daar zijn ook twee ‘landschappelijk-ecologische en recreatieve verbindingen’ geprojecteerd. Twee keer een hele mond vol, maar als men serieus werk wil maken van een natuurrijker landschap aan de binnenduinrand zou dat geweldig zijn. We zijn benieuwd.

De Voordelta strekt zich uit van de Maasvlakte tot Walcheren. Licentie via Wikimedia Commons (EU)
Wat de natuur ‘in zee’ betreft gaat het toekomstperspectief terug op het Arcadis-onderzoek (2022). Belangrijk om te weten: heel het gebied voor de kust tussen de Maasvlakte en West-Kapelle (op Walcheren) is Natura2000-gebied Voordelta (835 km2). Het is ontstaan na de afronding van de Deltawerken en bestaat uit stranden, zandplaten, zandbanken en geulen. Het valt zowel onder de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. De bescherming betreft tien habitattypen (van zandbanken tot witte duinen), dertig niet-broedvogels en vier trekvissen (zeeprik, beekprik, elft en flint) plus gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis. Als compensatie voor het natuurverlies door de Tweede Maasvlakte is bijna 300 vierkante kilometer (30.000 hectare) verboden voor de zware boomkorvisserij, waarbij de zeebodem wordt omgeploegd.
Wat gaat hier in de komende decennia qua natuur gebeuren?
Hoe moeten we ons het samengaan van natuur en recreatie nu voorstellen? Ter inspiratie behandelt het rapport drie voorbeeldprojecten: Groene Strand Terschelling, Beleefstrand Ballum (Ameland) en de Marker Wadden. Boodschap: “Dit kan natuur van wereldklasse worden en een bijzondere recreatie attractie.” De ene gloedvolle en optimistische alinea volgt op de andere, geïllustreerd met prachtige foto’s. Het ‘Dynamisch actieplan’ uit hoofdstuk 5 noemt achttien acties, acht daarvan betreffen recreatieprojecten die vrij concreet ogen. O.a.: de Haringvlietdam moet een trekpleister worden (o.a. bezoekerscentrum, nieuwe strandtent aan de zeekant, op Voorne) en o.a. Rockanje en het Oostvoornse Meer als recreatiebestemmingen worden doorontwikkeld.
De acties voor natuur klinken minder daadkrachtig:
Veel onderzoek, veel voortbouwen op bestaande plannen en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld: punt 4 over Voordelta-Haringvliet bouwt voort op de kier in de Haringvlietsluizen. Sinds een aantal jaren wordt zout water toegelaten in het Haringvliet en kunnen trekvissen in principe de Noordzee weer bereiken. Het was een proces van jaren om zover te komen en het heeft vele miljoenen gekost, o.a. voor de zoetwatervoorziening van Goeree-Overflakkee.
Duidelijk is: volgend jaar nog geen resultaat. Natuur is een zaak van lange adem. Toch is het, voor het vertrouwen, jammer dat er bijvoorbeeld niet een flinke noot is gekraakt over kustbroeders. Die moeten het nu doen met een soort vrijwillige vogelbescherming, wat veel werk is voor de betrokken vrijwilligers (nestmarkering, afzettingen, voorlichting aan recreanten) en de aantallen broedparen van strandplevier, bontbekplevier en kleine plevier blijven laag. En wat ‘ruimte ontwikkelen voor strandbroeders’ (zie kaart) concreet gaat betekenen is, alweer, afwachten. Over inspiratie gesproken: Schouwen zet sinds kort de Algemene Politieverordening ofwel APV in om broedvogels op het Verklikkerstrand te beschermen: toegang beperkt van 15 maart tot 1 oktober!

Kleine plevier (Peter van der Sluijs, licentie via Wikimedia Commons)
Dat komt natuurlijk ook doordat onzeker is hoe de aanlanding van de Hinderplaat zal uitpakken. Er zal in de Voordelta deels andere natuur gaan ontstaan dan nu is vastgelegd in Natura2000 (een hele klus voor de adviesbureaus die dat moeten gaan ‘bepalen’…..). Zeker is dat de zonering natuur en recreatie (actiepunt 1) cruciaal wordt voor o.a. vogels en zeehonden. Wat gaat die zonering in de praktijk betekenen? Moeten we ongerust worden van ‘indicatieve zoekzone rustgebied’ op de kaart of juist blij? Een indicatie was fijn geweest, bijvoorbeeld een percentage. Kortom: wat zijn de randvoorwaarden voor natuur zodat dit goed kan komen? We vragen het na bij de terreinbeheerders.
In ‘Duinen en mensen Voorne’ zagen we vooral in de hoofdstukken over Weevers’ Duin (p72-79) en ‘De Voornse en Rotterdamse Duinen’ (p198-201) hoe de natuur vaak het onderspit delft. We nodigden met een knipoog ‘Rotterdam’ om de regie nemen over natuur en landschap op Voorne. De achtergrond daarvan is dat er veel natuur ten prooi is gevallen aan de Rotterdamse Haven (o.a. natuurmonument De Beer). In de jaren 60 hebben de biologen van Weevers’ Duin veel betekend voor het behoud van de duinen van Voorne, maar de toen afgesproken demarcatielijn tussen natuur en haven is gewoon niet gehandhaafd.
Bij alle verlies is de positie van natuurorganisaties nu wel sterker dan zestig jaar geleden. Bij het huidige plan heeft ‘natuur’ duidelijk een vinger in de pap gehad, gelukkig maar. Maar tegenstellingen tussen natuur en recreatie, tussen natuur en visserij en natuur en ‘Port of Rotterdam’ blijven onder tafel, terwijl die natuurlijk in die toekomst wel gaan opspelen. Gaat men dan werkelijk voor natuur? Of wordt het zo’n compromis waarmee de natuur met de gebakken peren blijft zitten? Zo blijf je als natuurliefhebber na lezing van het toekomstperspectief vooral zitten met vragen. Temeer daar sinds het rapport uitkwam, een grote stilte is neergedaald over dit rapport. Is het op weg naar de spreekwoordelijke la?
Voor wie er nog niet genoeg van heeft, hieronder nog een toekomstkaartje, van het project Delta21. Dat is andere koek. Waar men bij de ZH Wadden de autonome kustontwikkeling volgt, wordt hier ingegrepen, met grote graafwerken in zee, dammen en nieuwe duinen voor de kust. Delta 21 is een ambitieus initiatief ‘voor waterveiligheid, natuurherstel en energieopslag’: een zgn. valmeer (links, aan de Maasvlakte vast) van 20 vierkante kilometer met duinen eromheen. Een ‘getijmeer’ voor de kust van Voorne en Goeree, waaraan ook het Oostvoornse Meer en het Haringvliet meedoen. Wat is een valmeer: een ringdijk waarbinnen het water kunstmatig laag staat, en “als je stroom nodig hebt, laat je water via turbines het valmeer in stromen” (aldus Vincent Dekker in Trouw). Klik hier voor een animatiefilmpje over het initiatief, dat een lange voorgeschiedenis kent. Je begrijpt, we houden het hier kort, en we zwijgen voorlopig maar helemaal over de ‘eerste verkenning naar de Derde Maasvlakte’, waar het Havenbedrijf Rotterdam onlangs mee begonnen is.

Impressie van het Delta21-plan in de stijl van een satellietfoto. Westelijk, tegen Maasvlakte 2 aan, ligt het Valmeer; oostelijk daarvan het getijmeer. Copyright Esmee van Eeden
Bert de Boer
Update 18 feb. 2026: wie weet meldingen 2026? graag zo doorgeven dat ongenood bezoek geen kans heeft.
Barlia robertiana (hyacintorchis) is een nieuwe soort in de duinen. Het verspreidingsgebied ligt rond de Middellandse zee, maar langzamerhand rukt de soort naar het noorden op. Een eerste vondst in 2020 bij Noordwijk blijkt stand te houden. Net als bokkenorchis, poppenorchis en bijenorchis speelt het warmere klimaat deze soort in de kaart.
In 2017 werd de hyacintorchis waargenomen aan de Belgische kant van de St. Pietersberg (groeve van Loen). Vermoedelijk is het lichte zaad vanuit (Noord) Frankrijk, via het Maasdal, met zuidelijke wind verplaatst. In 2020 werd de soort voor het eerst ontdekt en gemeld in de Zuid-Hollandse duinen door boswachter Casper Zuyderduyn. De hyacinthorchis is een vroege bloeier, vanaf eind februari (2017) kunnen ze al bloeien. In 2025 viel de bloei later, pas tweede helft maart. Ik fotografeerde de soort op 18 maart.
De groeiplaats moet een beschutte ligging hebben met oriëntatie op het (warme) zuiden, zoals een zuidhelling van een duin. Het aantal gevonden exemplaren in 2025 was vooralsnog zes stuks, waarbij de grootste zo’n 40 cm hoog is. De planten gaan vergezeld van verschillende (helm)grassen en licht, open struweel (meidoorn en dennen). De bodem is vermoedelijk licht kalkhoudend tot neutraal, vanwege de locatie in het binnenduinrand gebied. De grootte van het rozet en de kleur maken voor de bloei verwarring met de bokkenorchis mogelijk.

Rolf Roos
Juni 2015, update februari 2026
Het was een mooie dag met roepende spechten en nachtegalen in het duin, met zacht stromend water in een duinrel en zenuwachtige grutto’s in het achterland. Zes bijzondere plekken bij Bergen werden op een veldsymposium door even zovele kenners aangeprezen. In de Bergermeerpolder vertelde een agrarisch-natuurbeheer-boer een mooi verhaal over de randen van zijn ingezaaide raaigrasland. In de vogelrijke Loterijlanden van het Noordhollands Landschap vingen we tussen vele grutto’s een glimp van zomertaling en lepelaar op. Niet zonder verbazing zagen we zeer nieuwe natuur met soms bizarre combinaties van soorten in de Damlanderpolder, eerst door bollenteelt verwoest, nu van Natuurmonumenten. En in de duimzoom stroomde een duinrel, kleine echo van het grote stromen onder het duin door. In het Noordhollands Duinreservaat knielden we op een droge duinhelling vol duinrozen en mossen tussen de laatste rozenkransjes van ons land.
Welke plek heeft nu de meeste kwaliteit? Iedere natuurliefhebber loopt tegen de moeilijkheid aan dat hij onder woorden moet brengen waarom een bepaald gebied behouden moet blijven. Getrainde biologen toveren dan een ecologisch konijn uit de hoed. Bijvoorbeeld: het gaat om het belang van de internationaal belangrijke en bedreigde soorten die daar leven. Of: dit gebied is zo groot dat fundamentele ecologische, hydrologische of geomorfologische processen zich kunnen ontvouwen. De omstanders luisteren en indien ze ontvankelijk zijn voor natuurwetenschappelijke zienswijzen, zullen ze de bioloog complimenteren met zijn adequate betoog. Een betoog met een dwingend karakter, een ecologische imperatief. Daarin gaat het vreemd genoeg zelden over wat mensen vaak het meeste aanspreekt: de schoonheid van natuur of landschap ter plekke, of de band die iemand met een landschap heeft.
Schoonheid is voor biologen al lang niet het eerste argument – een veilige, maar wellicht ook wat benepen positie die de verwetenschappelijkte natuurbescherming na Thijsse kenmerkt. Een positie die ook ongemakkelijk aanvoelt als we zien hoeveel Thijsse wordt geciteerd, juist vanwege zijn vermogen om kennis en schoonheidservaring harmonieus te verweven.
Want mensen zijn geen lid van natuurclubs vanwege ecologische en wetenschappelijke argumenten, maar omdat ze bepaalde landschappen waarderen. Ze vinden iets mooi, ze voelen zich verbonden, ze waarderen de rust, ze laten zich inspireren, etc. Biologen positioneren zich met al hun wetenschappelijke argumenten vaak aan de rand van het draagvlak onder de natuurbescherming. Maar wat moet de wetenschapper / natuurbeheerder nu met de esthetische dimensie van de natuur? Valt er iets zinvols te zeggen over schoonheid en kwaliteit, juist in het verlengde van de ecologische imperatief? Hoe slaan we een brug tussen esthetische ervaring en ecologisch inzichten?
Onderweg in het landschap van duinen en polders nabij Bergen kon ik mijn oordeelsvorming oefenen. We zagen allerlei positieve en negatieve kwaliteiten. Los van de leuke of zeldzame planten en dieren, zichtbare narigheid als verrijking met mest of verdroging, keken we naar de invloed van de mens als beheerder, de relatieve ongestoordheid van een gebied, de intactheid van de bodem. In feite gaat het dan over gaafheid. De duinen bleken soms redelijk gaaf als er geen effect van ontwatering zichtbaar was, door de veelheid aan mossen en hogere planten, door de vogelrijkdom, de door vrijwel iedereen gewaardeerde wildheid van natuurlijke processen als verstuiving en successie. Kortom ik betoonde mij weer een volleerd bioloog. Men ging na de wandeling tevreden huiswaarts, ik niet.
Ik had verzuimd te zeggen dat het kleurenspel onovertroffen was, dat je naar de lucht kon kijken zonder steeds nieuwbouw tegen te komen, dat deze plek door de half-openheid van het landschap zich leende voor spannende ontmoetingen met langsscherende boomvalken of een neerstrijkende havik. En dat het mosrijke landschap lekker aanvoelde als ik op mijn rug lag. Argumenten uit de wereld van beleving, van esthetica. De boterzachte, maar even interessante wereld van onderwijzers, voorlichters, filosofen en vormgevers.
En die schoonheid had toch ook met natuurlijke processen te maken, of liever: met het subtiele evenwicht tussen elkaar weerstrevende processen. Want op die duinhelling streed vraat tegen dichtgroeien, verstuiving tegen vastlegging door pionierplantjes, bekalking door stuivend zand tegen verzuring door uitloging en luchtvervuiling. Niet zozeer de natuurlijke processen zelf bleken een uitgangspunt voor mijn esthetische ervaring als wel de dynamische spanning tussen tegengestelde processen.
Zo komen schoonheid en ecologie bij elkaar, mede op basis van natuurlijke processen. Niet omdat die processen moeten, of intrinsiek goed zijn, maar omdat ze soms in een delicaat evenwicht verkeren en we er even aan kunnen ruiken.
Het leuke van elke esthetica is het filosofische karakter, je moet er over praten om je een beeld te vormen en je mening bij te schaven. De (pseudo)wetenschappelijke smaak (c.q. argumentatie) van biologen laat zich uitstekend afwegen tegenover andere smaken en opinies. Over smaak valt prima te twisten, moeten we zelfs twisten, liefst op een vrolijke toon die in wildernisland wel eens ontbreekt. Want dit soort debatten draagt bij aan het draagvlak van de natuurbescherming, niet de zekerheden van een proces-ecoloog die zijn eigen standpunt in beton heeft gegoten. En wie weet leidt het en passant tot wat meer beschaving: een aardig twistgesprek over ecologische en esthetische smaak.
Bewerking van een gelijknamig artikel uit: De Levende Natuur 98(4) 1997
Ook in langere versie gepubliceerd in: Woorden over de wildernis (Uitgeverij Natuurmedia, 2014)
Rolf Roos
Dankzij Streekarchief Voorne-Putten konden we voor het boek Duinen en mensen Voorne ruim putten uit de online beeldcollectie. Daarbij viel de vooroorlogse fotograaf Th. van der Steeg op door de kwaliteit van zijn foto’s van duinen, gebouwen en mensen. Vooral de glasnegatieven waren prachtig. De originelen daarvan liggen in het Streekarchief, scans zijn online te raadplegen. Daarnaast is van der Steeg de fotograaf van veel (ingekleurde) ansichtkaarten m.n. uit de periode 1910-1935. In dit artikel tonen we een kleine selectie uit zijn werk.
Deze fotograaf verdient een expositie in museum, bezoekerscentrum of gemeentehuis. We willen graag daarom ook meer weten van de persoon van deze fotograaf. Hij verdiende duidelijk zijn boterham met de fotografie, en dan was je doorgaans een opvallende figuur. Wie weet er meer over hem? Spit mee in andere archieven en bericht het ons.
Zo berichtte Nick Werring van het Streekarchief ons op 27 april 2024 het volgende:
Theodorus Jacobus van der Steeg is op 09-10-1882 te Haarlem geboren. Hij trouwde aldaar in 1911 met Cornelia Helena Becker (Haarlem, 1887 – Oostvoorne, 1969).
Binnen een maand vestigde het kersverse echtpaar zich in Rotterdam, waar zij woonden aan de Tiendstraat. Theo van der Steeg was toen werkzaam als handelsreiziger. Op 1 oktober 1917 vestigden zij zich in Oostvoorne, aan de Brielseweg. Daar wordt Van der Steeg voor het eerst vermeld als ‘photograaf’.
Later is het echtpaar naar de Molenweg verhuisd. Hij overleed op 72-jarige leeftijd 07-02-1955 in Rotterdam, vermoedelijk in het ziekenhuis. Zijn vrouw overleed 14 jaar later. Hun graf is te vinden op de begraafplaats aan de Voorweg te Oostvoorne.
Vele duinfoto’s van hem hebben we opgenomen in onze collectie dubbelfoto’s, waarvan Henk Terhell, thans fotograaf in Oostvoorne, de foto’s van nu (2022) verzorgde. We tonen hieronder enkele opvallende foto’s van van der Steeg uit het Streekarchief. Veel van zijn foto’s zijn uniek: soms is er geen ander beeld bekend, bijv. over de aanleg van het golfterrein en golfers te Rockanje of het gezicht op Hellevoetsluis toen het Quackgors nog Weergors heette en het Haringvliet geheel zout was. En veel van Koepel Zeeburg voor de oorlog (en de sloop).
Een overzicht van zijn foto’s in het Streekarchief is via deze link te vinden.

Weergors en gezicht op Hellevoetsluis ca 1910

Gezicht op Koepel Zeeburg, Oostvoorne, 1918

Kruiningergors, ca 1925
We sluiten af een collage. Klik op een beeld voor uitvergroting
* Deze online versie is in beknoptere vorm op papier verscheen in het Jaarboek van van de werkgroep Oud-Castricum, oktober 2015.
Update januari 2026
“Als ik, in den voorzomer eens heerlijk en op mijn gemak langs en door mooie duinen wil zwerven, spoor ik naar Castricum.”
Ruim een eeuw geleden, rond 1906, maakte Eli Heimans, vriend en tijdgenoot van Jac.P. Thijsse, een wandeling die onder Castricummers wel bekend staat als ‘een rondje Papenberg’. Heimans (1861-1914) was evenals Thijsse (1865-1945) onderwijzer in de hoofdstad en een groot pleitbezorger van goed natuuronderwijs. Hij schreef onder andere in het tijdschrift De Levende Natuur; zijn wandelingen inspireerden hem ook tot verhalen die onder andere in het weekblad de Groene Amsterdammer en in het boek ‘Met kijker en bus’ verschenen.
Het verhaal van Heimans toont een andere natuur en ook andere machtsverhoudingen in het duin. Want in die jaren was het nog grotendeels verboden gebied en particulier bezit. Er stonden jachthuizen en de boswachter was een hele of halve jachtopziener, een man die je wegstuurde of op de bon slingerde. Stropers hoorden erbij en zo af en toe kwam er een lid van het Koninklijk huis om te jagen. Er was nog geen sprake van waterwinning. Zonder persoonlijke toestemming mocht je het gebied niet in. Geen wonder dat Eli als plantenverzamelaar gewend was gebodsbordjes te negeren. ‘Vrije duinen’, is dan ook de licht spottende titel van hier ook online te lezen verhaal. We volgen zijn relaas en ontrafelen zijn spoor.
Een rake openingszin: “Er is geen wetsartikel, dat meer overtreden wordt dan Art. 461 Wetboek van Strafrecht.” Artikel 461 is in 100 jaar niet van naam of nummer veranderd, maar hij wandelde wel in een andere wereld. Aan het begin van zijn verhaal meteen een verzuchting dat een duinwandeling “dubbel te waardeeren is als wij, ook zonder permissie, en zelfs in den fazantentijd, niet steeds herinnerd worden aan ’t feit dat wij op verboden terrein zijn.”
De fazantentijd was de tijd dat opgefokte fazanten voor de jacht werden uitgezet en tijdens grootscheepse jachtpartijen werden geschoten. Dat was in de nazomer en het najaar. Een voerhuis stond bij boerderij, thans Gasterij de Kruisberg. Een van de jachtopzieners woonde in Kijk Uit waar ook een fazantenhouderij was. De plek noemt Eli niet, want hij zal deze locatie vermeden hebben. Hij nam de duinen ‘onderlangs’ dat wil zeggen aan de meestal windstille oostzijde van het hoge duin, buiten het blikveld van jachtopzieners en bosbazen.
Het pad van Eli Heimans
“Sla voorbij het station dadelijk links om, neem den eersten overweg den besten aan den Alkmaarschen kant en houdt voortdurend links. Dan komt ge van zelf op een alleraardigst voetpad, dat eerst een paar minuten gaans tusschen tuinland doorloopt en u brengt tot vlak aan den voet van de hooge mooi belijnde duinengroep, die u uit den trein al zoo verleidelijk tot beklimmen lokte.”
Dit is navolgbaar. Hij nam de spoorovergang die nog steeds spoorovergang is en die we dun belijnd ook op de topografische kaart uit begin 20e eeuw tegenkomen. En wat is nog meer duidelijk: de duinen waren in die tijd goed zichtbaar vanuit de trein. Niet verscholen achter bomen en bebouwing als villa’s en een archeologisch centrum. Er lag ‘tuinland’: kleine kaveltjes met boerenhuisjes, deels omzoomd door elzensingels tegen de wind. Pal achter het duin was de waterspiegel hoog.

Ter hoogte van het tegenwoordige kaaspakhuis achter het spoor begon het Slingerpad. Het eindigde op de Kramersweg tussen de aansluitingen met de Puikman en Onderlangs.

Boerderij Papenberg met leden fam Stuifbergen er voor ca 1920; de boerderij verdween in de oorlogsjaren
De tuinderij, met teelt grotendeels voor de lokale markt, gedijde in de luwte van het hoge en deels stuivende duin. Hier lag de Duinderbuurt of, zoals het werd genoemd de Duinkant. Een buurtje dat in de oorlog in 1943 verloren ging. In het begin van de 19e eeuw stonden er nog maar een paar huisjes. Het buurtje breidde zich uit door de economische impuls van de kolossale zandafgraving voor de 19e-eeuwse spooraanleg. Dat ging met de hand en met gebruikmaking van een smalspoor.
De enig bekende foto van afgraving van de Papenberg is afkomstig uit het West-Fries Archief in Hoorn en gedateerd 1862. Het smalspoor op de voorgrond was een tijdelijke voorziening om het zand richting station af te voeren. Zandafgraven in zanderijen was is 17e, 18e en 19e eeuw een van de manieren om aan het landschap te verdienen. In veel zanderijen kwamen later duinboerderijen (bijv. Middenduin, Overveen), landgoederen (bijv. Elswout, Haarlem) of werden volgebouwd (wat nu dreigt in Castricum). De zanderij bij Schoorl (het Zandspoor, inderdaad daar lagen ook rails) kent een zeer rijke flora.

Kaart D.T. Gevers ca 1830 met daarop later ingetekend aankoop duin door Koning Willem 1 en bebossing; middelste deel Papenbergmassief, de Goudsbergen (direct onder het woord Willem I) zijn nog niet afgegraven. Van later datum is ook de intekende ster van de wegenaanleg bij Kijk Uit.
Een vergelijking met de kaart van de ‘Hoepbeeksche afwatering’ gemaakt in 1823 in opdracht van door D.T. Gevers en de topografische kaart uit de tijd van Eli laat zien dat uit het massieve duin ten westen van het dorp Castricum een enorm groot gat is gegraven: de vroegere Goudsbergen. Voor de eigenaar een heel rendabel stuk zand. De Zanderij resteerde en werd met sloten ontwaterde tuingrond. Niet alles was zo strak afgegraven als nu. De kaart van begin 20e eeuw toont nog een lob met duinterrein langs de huidige Geversweg. Er is nog een foto van: ‘Geiten op het Prikkelvlak.’
Waarschijnlijk liep Eli trouwens niet links af, zoals hij beschrijft, maar rechtsaf. Want het Slingerpad uit het volgende citaat lag ter hoogte van de kaasopslag Kaptein BV anno 2015, halverwege de overgang en het onderkomen van de Werkgroep Oud-Castricum aan het begin van de Geversweg die vanaf hier het voormalige duinland insteekt. Eerst rechts af en dan meteen links. Hij volgt dit bijzondere laantje.

Man op de Papenberg. Het had Eli kunnen zijn maar de foto dateert van circa 1930. Huizen op voorgrond liggen waar nu begraafplaats Onderlangs is. Helemaal rechts station Castricum. . Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen.
“Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”
Uitzicht vanaf de Papenberg, ca 1906
“Naar alle zijden vrij en eindeloos ver. Ge kijkt opeens over heel Noord-Holland heen, over Alkmaar in ’t noorden tot aan de echte witte Blinkerts achter Schoorl; boven de torentjes van Castricum en Limmen zeilt een beurtschipper met volle zeilen, er stoomt een bootje op ’t Alkmaardermeer. Door een dunne fabrieksrook heen draaien de molenwieken van de Zaanstreek, die nog lang niet alle door de stoom op non-activiteit zijn gesteld; en met wat goeden wil en een besten kijker ziet ge uw eigen Haarlem of Amsterdam, of althans St. Bavo en den Westertoren. Naar ’t westen zijn IJmuiden en Wijk aan Zee heel goed zichtbaar en een tipje van de Noordzee glinstert tusschen twee lage toppen door. De verre zeeduinen zelf zijn grootendeels verborgen achter een dicht gordijn van groen, dat zijn de bosschen achter de “Brabantsche Landbouw“.
Het uitzicht op de Papenberg vergeleken met Eli’s uitzicht, heeft een drievoudig gezicht. Naar het oosten op de voorgrond op de hellingen hoog opgaand geboomte dat het uitzicht deels ontneemt en daar achter het grotendeels verstedelijkte landschap van Castricum tot Uitgeest. Van open polders met kronkelende sloten, late restanten van het Oer-IJ met haar wadkreken van 2000 jaar terug, naar boomrijk land met huisjes, spoorwegen, rijks- en provinciale wegen, bedrijven en musea. De geschiedenis zichtbaar in het landschap zelf is vervangen door de vertelde geschiedenis van educatieve programma’s en films.

Oude kreekrest of rest van een duinbeek, in agrarisch gebruikt landschap onder het huidige klimduin, ca 1930 Iets ten zuiden waar nu het archeologisch centrum staat.
En zuidwaarts: heel goed zoeken levert de oude Wijkertoren van Beverwijk op, verscholen in een verder industriële horizon van Hoogovens en pijpen; lichtjes in de nacht en rumoer en stank.
Maar naar het westen strekt zich nog steeds alleen maar duin uit. Met veel meer bos dan een eeuw geleden. Ook hier is Eli wat losjes uit de pols met zijn plaatsaanduiding. Hij spreekt van bos achter de boerderij de Brabantse landbouw, maar elke, ook 19e-eeuwse kaart laat zien dat vrijwel al het bos er voor en ten oosten van lag.
Na het overzicht gaat de natuurliefhebber in Eli uitpakken. We krijgen zicht op de plantenwereld van een eeuw geleden, bovenop het duin. “De Papenberg zelf is niet sterk bewassen; wel groeien er verscheidene zeldzame planten, onder andere de mooie, kleine pyramiden-orchis, maar daar kijkt alleen een plantenkenner naar.“
Deze vroege waarneming van een bijzondere orchidee, die we nu hondskruid noemen (Anacamptis pyramidalis), is samen met elders door hem beschreven bijzondere planten van de Papenberg als oorsilene, nachtsilene en bitterkruidbremraap. Niet alleen een fraai veldboeket maar kenmerkend voor een landschapstype dat pas ruim een halve eeuw later door duinkenner Henk Doing geboekstaafd is als ‘zeedorpenlandschap’. Behalve het hondskruid zijn al deze soorten nog steeds aanwezig.Vele bijzondere planten kenmerken dit landschapstype dat ‘zeedorpenlandschap’ wordt genoemd. Een mede door lokale begrazing met wat vee en het beperken van de konijnenstand (want dat was het vlees dat op tafel kwam) uniek landschapstype. Veel aanwezig bij Egmond en Wijk aan Zee, maar een mooie snipper ook vlakbij Castricum, boven de Duinkant van Castricum.
In de Duinkant woonden al vanaf de 17e eeuw vele telgen van het geslacht Stuifbergen (de naam spreekt boekdelen). Vele naoorlogse leden van deze familie liggen begraven op de begraafplaats Onderlangs, net als PWN-natuurman Eldert Kortenoever die lang in het voerhuis bij de Kruisberg woonde, waarvan Niek Kaan een portret maakte.
In het 33e Jaarboek van Oud-Castricum (2010) is een vooroorlogs verhaal van Piet Stuifbergen door Niek Kaan opgetekend: “Mijn ome Klaas Stuifbergen had op de oude boerderij de Papenberg altijd zijn dubbelloops jachtgeweer in het stookhokkie voor de was. Dan zei ie: jongens vlieg effe die berg op. Dan klonken er een paar schoten en riep ie, ik heb er genoeg hoor! Dan kregen we een stuiver. Hij maakte de konijnen direct schoon.”
We volgen Eli weer verder. “De noordelijke helling evenwel (die naar ’t station is gekeerd) is onderaan geheel verscholen in een dichten kring van hooggeboomte en struikgewas. Wordt het u daar boven te warm of te zonnig, rol dan of duikel, hol of schuifel, al naar leeftijd en massa, de helling halverwege af, daar is het lekker koel; het ziet er rood en wit van nachtegaalskruid en koekoeksbloemen en het wemelt er van allerlei vogels, die u de ooren doof zingen.”
Heimans – ondanks zijn achtergrond als onderwijzer wederom niet erg nauwgezet in zijn topografie, want het is een helling op het oosten en niet op het noorden – vertelt van bomen die onderaan de helling stonden en niet, zoals nu, tot helemaal bovenaan. De kaart uit circa 1905 laat een smalle strook zien en de foto’s uit die tijd tonen nog minder: hier en daar een bossage aan de duinvoet. De koekoeksbloemen zijn wat we nu dagkoekoeksbloemen noemen. Maar nachtegaalskruid, wat is dat? Het staat ook in Frederik van Eeden’s ‘De kleine Johannes‘: ‘kreupelhout waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot’. Als we er van uitgaan dat het wit was komt fluitenkruid het meest in aanmerking. Het staat er nog steeds volop, net als die dagkoekoeksbloemen en tegenwoordig ook met bosplanten als de gele stinkende gouwe en lokaal sinds (alweer tientallen jaren) de exoot reuzenbalsemien die in Eli’s tijd ontbrak. Evenmin rept hij van nu algemene bosplanten als stinkende gouwe of het zeer zeldzame stofzaad dat Thea Spruijt op vele hellingen van de Papenberg in het bos heeft gevonden.
Er zijn niet veel paden op de Papenberg in die tijd, dus adviseert hij bovenaan te blijven of weer terug af te dalen langs wat ook nu nog Onderlangs heet en waar aan het begin de huidige, gelijknamige begraafplaats ligt die dateert van na de Tweede Wereldoorlog.
“Zorg maar dat de straatweg naar Beverwijk in zicht blijft, dan kunt ge niet dwalen. Maar wie ’t minder vermoeiend blieft aan te leggen, moet weer beneden komen en ’t pad verder volgen onder langs den Papenberg. Dat is inderdaad een van de mooiste wegjes, die ge in heel Holland bewandelen kunt nu hoog dan laag, breed of smal, met de begroeide duinen voortdurend aan de rechterhand; links, vlak land of heerlijke boschjes, van elzen, esschen, eiken en lijsterbes, alles door elkaar en vol met bloemen.”
Hier bezingt hij het boerenland aan zijn linkerhand om met evenveel gemak weer duinwaarts, zijn rechterzijde, te kijken:
“Straks bloeien daar in massa’s, het zeepkruid met zijn groote rose bloemen en een heel vreemde plant staat er overal tusschen: een woekerplant, die op een afstand voor een verdorde hyacinth zonder bladeren zou kunnen doorgaan; het is een bremraap met lila bloemen, die woekert op een plant met groote gele bloem, het bitterkruid. “

De door Eli Heimans genoemde bitterkruidbremraap. Landelijk zeer zeldzaam maar op de Papenberg en bij Wijk aan Zee bijna algemeen
“Reusachtige wit-wollige ezelsdistels met bloemen als een vuist staan er tusschen manshooge toortsen, met hun schitterend gele bloemknotsen; en om beide heen slingert zich de hagewinde met de groote witte kelken, of kronkelt in gezelschap van hop en kamperfoelie om stam en tak.”
“Links aan den zoom van het weiland, waar het afstroomend hemelwater den grond vochtig houdt, bloeit de heele zomerflora van den vochtigen zandgrond; prachtige wilgeroosjes en fijn getint leverkruid geven er den toon aan.” Dit moet in de buurt zijn van de laatste kleine tuinderij in dit gebied, sinds de Tweede Wereldoorlog aan de oostzijde begrensd door een tankmuur van circa 1,80 m hoog.

Overgang onderlangs en sportvelden met de in 1943 of 1944 gebouwde tankmuur. Ton Eli hier liep een geleidelijke overgang naar het boerenland.
Het was er veel natter dan nu. Leverkruid is de wat oudere naam voor het hoogopgaande koninginnekruid. Een ruigte plant van natte bodem, waar vele vlinders op afkomen.
Een enkel huisje dat hier in het duin stond (en op de kaart, zie de rode stip op de hierboven gepubliceerde topografische kaart) vermeld hij niet. Het ‘boshuisje’ zo genoemd door Trien Winkelman die er in 1930 werd geboren. Het is waarschijnlijk eind 19e eeuw gebouwd. Het had een oude waterput waaruit helder duinwater werd gehaald. De put is mogelijk nog in het terrein en terug te vinden. Nazoekingen in winter 2014 leverde helaas niets op. Er is ook een later gemaakt schilderijtje van met een de waterput aan de voorzijde. Uit deze put haalde ook de kerk een tijdlang water voor de heilige mis. Heidense gebruiken van de Friezen (Germanen) echoën tot in de 20e eeuw door.
“Opeens staat ge op den straatweg, nu moet ge rechts om. De weg ligt hier geheel in de schaduw van het hooge duinbosch, zodat de wandeling van een kwartiertje een genot is.”
Eli is bij de Rijkstraatweg aangekomen, nu voorzien van rotonde, fietspad en paddentunnels op de overgang van duin en cultuurland.
“Loop door tot even voor Paal 18.“
Dat is een flink stuk langs het pad. De locatie is met de kaart van 1905 (en de huidige) te traceren. Paal 18 staat tegenover de middeleeuwse ‘oergrens’ tussen Castricum en Heemskerk: de Maer- of Korendijk. En bij het nalopen van de route troffen we 2 oude paaltjes aan net naast de paal met gemeentegrens, met de letters RP. : Rijkspaal?. Onbezoldigd duinpalenkenner Joost Veer meldde me dat een vergelijkbare paal staat langs Herenweg op de grens van Bennebroek en Hillegom, maar dat met de niet minder raadselachtige letters ‘RB. Rode verf van recente origine, palen uit tweede helft 19e eeuw. Eli moet ze gezien hebben of zijn veters er op hebben gestrikt. Dan wordt het lastiger hem te volgen.

De vermoedelijk ingang van het duin die ook Eli nam, anno 2015 ruim van bordjes voorzien, destijds alleen met ‘verboden toegang’.
“Daar is toegang tot het duin langs een kleine zanderij. Een vijftig pas verder is ook een heel mooie weg, die het duin ingaat, maar daar staat weer zoo’n vervelend bordje. Wel niet met verboden toegang en het onmisbaar art. 461, alleen maar het verbod de paden te verlaten.“
Zandafgraving
Tegenwoordig geen spoor meer van een zanderij. Maar tot in het begin van de jaren 30 was hier een openbare plek waar de bevolking gratis zand mocht halen ‘Het zandwinkeltje van Jhr. Gevers’ . Na verwerving door de provincie van de particuliere duinterreinen werd dit (in oorspong middeleeuwse) gebruik beëindigd waarna menige overtreding werd beboet, zo lezen we in de Alkmaarsche Courant van 1933 en 1934. Door beëindiging van dit soort oude gebruiken maakte de provincie zich niet erg geliefd bij de lokale bevolking.
Een nu onzichtbare afgraving is nog wel bij het PWN in het zogenaamde digitaal terreinmodel terug te zien als hapje dat uit de Papenberg is genomen. Ook op de historische legger zijn daar nu volgens Rienk Slings twee inkepingen te zien. Hier kiest Eli waarschijnlijk niet voor het hoofdpad (destijds met de bekende ‘verboden toegang bordjes’) bij paal 18, maar voor een sluippaadje dat ook rond 1900 op de topografische kaart stond met een klein stippellijntje. Na dit sluippaadje speculeren we erop dat hij de ook nu nog bestaande de Diaconieweg en de Koekoekslaan langs de Russenbergen volgde (zie foto’s) om op de Helmweg uit te komen. Op de oude kaart is dit nog onbebost nollenterrein met in de laagtes veel mooie planten.

Bebording Dianonieweg anno 2015 met zinkstuk van zeemijn die er aan was vastgemaakt. Stond op palen in zee voor het strand van Castricum. Hergebruik is niet alleen een moderniteit maar is van alle tijden.
Het hele gebied was rond 1910 onderdeel van het uitgestrekte particuliere duinbezit van de kasteeleigenaren van Marquette, Paulina Johanna Rendorp van Marquette en haar echtgenoot Jan Hugo Gevers. Pas later, op 8 september 1933 werden deze eigendommen door hun erven verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van f 625.000,-. In de tijd van Eli was er sprake van lokale duinbenutting door zandafgraving ter hoogte van de huidige camping Geversduin.
“De weg langs de zandgraverij is bijna even mooi; en zeker komt ge na een uurtje weer bij het station uit, als ge maar niet ver links af gaat toeren; rechts is geen enkel zijpad zelfs, dat u op een dwaalspoor kan brengen.”
We moeten Eli nu zien te volgen in een ander, bosrijk landschap. En gaf hij eerst nog redelijk nauwkeurig zijn route aan, nu moeten we die maar zien te raden. De route op de kaart die we aangeven, is vanaf hier een vermoeden, een ‘best guess’. Hij liep door open duinen met op de natste plekken hier en daar een bosje en soms met een landje van een duinboer.
“In dat eene uurtje langzaam wandelen, krijgt ge een afwisseling van duinlandschap dat ge niet licht ergens anders sterker, mooier en gemakkelijker genieten kunt. Eerst, dicht bij den weg nog, de gewone droge duinen van Zandvoort en Scheveningen, in den voorzomer veel mooier dan later in ’t badseizoen. Binnen een kwartier merkt ge wel, als ge maar een heel klein beetje verstand van bloemen hebt, dat de duinen daar laag liggen en ’t grondwater hoog staat. Daar groeien die mooie gevlekte en de effen handekenskruiden, de lichtpaarse orchideeën van onze veenen en moerassen. Ronde blaadjes als van Oost-Indische kers, maar veel kleiner, dekken er den bodem met groene loovertjes; het nieuwe schittergroene leerblad van ’t Wintergroen zweeft hier en daar er boven.
Eli liep door een duin natter dan wij kennen, een deels niet meer bestaand landschap, al duiken de rietorchis en het wintergroen wel elders in het duin op. Volgens duinkenner Rienk Slings (tot 2013 duinbeheerder bij PWN) wandelde Eli toen door het nog niet beboste deel van het Sappenbos: “Qua relief een nollenterrein, ontstaan in de loopduinvlakte van de Papenberg. Tegenwoordig kunnen we ons daar, weliswaar in verdroogde vorm, nog een voorstelling van maken als we de ten westen aangrenzende zanderij bezoeken; pal ten noorden van camping Geversduin.” Sappenbos is de officiële ‘vaknaam’ die vermoedelijk wel in een oud toponiem zijn oorsprong vindt. Volgens Frits David Zeiler (historicus uit Bergen) is het mogelijk van afkomstig van ‘Sape’ wat mager en onvruchtbaar land betekent. Zie ook breeSAAP, SoerSOP en Sappeland: namen van duinvalleien en natte ontginningen. (Zie zijn rapport op deze site: Nollen krochten blinken)
Maar naar die ‘groene loovertjes’ van Eli Heimans met ‘ronde blaadjes als Oost-Indische kers’ moeten we maar raden. Waternavel is een mogelijkheid, of penningkuid dat hier en daar langs slootkanten en vochtige laagtes te vinden is. Anderen dromen van teer guichelheil. Ergens op de route langs de Helmweg komen we anno 2015 weer duinlandjes tegen met oude meidoorn en resten van elzenhagen. Eens kleine akkertjes, nu recreatieweidjes en voorzien van watertjes voor poelkikkers, libellen en de Schotse hooglanders van nu. Hier liggen ook de bossen van wat toe al ‘Russenbergen’ moet hebben geheten, de plek waar mogelijk honderden soldaten in de slag om de Papenberg in 1799 moeten zijn omgekomen. Aan deze slag herinnert mogelijk ook de ‘Doodelaan’ die naar de Papenberg leidt. Toen Eli hier wandelde waren de sporen van dit verleden al uitgewist, behalve in de taal van het landschap, de veldnamen.

Oude boerenlandjes zij nu nog herkenbare aan (doorgeschoten) elzen links op de voorgrond. In dit veldje is een poel aangelegd.
In Eli’s tijd waren koeien schaars (en lokaal) in het duin, in tegenstelling tot konijnen.

Hooglanders op het pad bij Kijk Uit, 2014. Koeien maken de bossen opener en houden de duingraslanden grazig.
Verdwenen dieren
‘De weg ligt nu verder geheel in de schaduw van sappige berkenboschjes, waar de zangvogels van heel de buurt bijeen zijn om te broeden en te zingen; van tijd tot tijd kort een fasanten-haan, wulpen schreien hoog in de lucht en een kievit verjaagt met moed en groot misbaar twee Vlaamsche Gaaien uit de buurt van zijn nest. ‘
Ik herinner ze me nog wel broedend op de Papenberg. Ook het geluid van de fazantenhaan is vrijwel verstomd en kievitten in het duin zijn pas echt schaars, al duikelen ze wel weer boven de nieuw afgegraven valleien die de laatste tien jaar er bij zijn gekomen in middenduin en in het zeeduin. Vlaamse gaaien zijn tegenwoordig niet meer ‘vlaams’ (de naam is veranderd) en zeer algemeen. Als eters en begravers van eikels spelen ze een niet onbelangrijke rol in de uitbreiding van het eikenbos. Havik, sperwer en buizerd noemt Eli niet; die waren toen te sterk vervolgd om tot broeden te komen. Nu tref je ze op bijna elke wandeling of hoor je hun roep door de bossen.
“Misschien valt langs den weg uw oog op een hier weinig in ’t oog vallende plant, die twee ronde bladeren heeft en een trosje groene bloemen, waarin een goudgeel stipje blinkt. Dat is een orchidee, de keverorchis, die hier in ontzaglijke hoeveelheid en in reusachtige exemplaren voorkomt.’
Volgen we zijn oude spoor dan komen we fraaie restanten van berkenbosjes tegen. Meteen achter de camping bij de Helmweg ligt een dichtgegroeid en nog steeds vochtig stuk met duinriet en braam maar wie weet zal goed speuren een keverorchis op kunnen leveren. In 1981 meldt A. van Ijzerdoorn deze plant wel in zijn doorwrochte verhaal over de flora. Maar wie vindt haar nu?
Andere bosjes met berken ogen droog maar hebben soms een aardige ondergroei met bosaardbei en valse salie, soms een plukje koninginnekruid, kattenstaart en agrimonie, allen vochtminnend.
Dan volgt de uitsmijter van Eli.
‘En stellig, tenminste als ge tegen den avond deze wandeling doet, hoort ge uit de boschjes aan uw linkerhand een zonderling geluid komen, een vreemd geratel of gesnor als van een groot spinnewiel, of van een tandrad dat langs een veer glijdt. Dat doet de geheimzinnige geitenmelker, een groote nachtvogel, half zwaluw, half valk, met heel vreemde gewoonten, waarvan ik nog wel eens iets vertellen zal.“
Het dier zou het er nog een halve eeuw minstens volhouden. Rienk Slings: “Tot rond 1960 broedde de nachtzwaluw jaarlijks in de eikenhakhoutbosjes. In plaats van een nachtegalentocht hield de vogelwerkgroep toen een nachtzwaluwexcursie. Laatste waarneming van dit dier in dit terrein: achter het voormalige jachthuis van jonkheer Gevers (nabij Kijk Uit) dat ik van het PWN een half jaar mocht benutten om mijn boek Duinen en mensen Kennemerland (2009) af te ronden. Nu een drukbezocht theehuis. Hier zaten we in de avond te wachten op de dwergvleermuis, grootoorvleermuis en de laatvlieger. Er ratelde een vreemde vogel in de stille nacht.
Rolf Roos, februari-april 2015
* Deze online versie is in beknoptere vorm op papier verscheen in het Jaarboek van van de werkgroep Oud-Castricum, oktober 2015.
Bronnen:
Heimans, Eli, Vrije duinen. Uit: Met kijker en bus. Amsterdam, 1906;
Heimans, Eli, Zeldzame planten in de duinen. De Levende Natuur, 13 (1908);
Kaan, Niek, De Duinkant, een verdwenen dorpje, 33e Jaarboek Oud-Castricum (2010);
Kaan, Niek, Wie was … jonkheer Frits Gevers, 26e Jaarboek Oud-Castricum (2003);
Roos e.a., Rolf, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam, 2009;
Ijzendoorn, A. L. J. van. 1981 Papenberg, een hok in Castricum. Natura 1981 vol 78 nr 7 pag 234 – 247
Zeiler, Frits David, Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin, PWN, Castricum, 1995.
Met dank aan:
Anneke Brouwer, Niek Kaan, Peter Levi, Rienk Slings, Thea Spruijt en Joost Veer.

Mooie lange route richting Schapenwei met bijna alle troeven van Voorne: lommerrijk bos, vogelrijk struweel, bloemrijke duingraslanden en natte valleien met veel vleeskleurige orchis. Het is vrij toegankelijk met aangelijnde hond. Het pad heeft jungle-allures inclusief zeer natte passages over boomstammen. Voor wie natuur wil maar tegelijk niet verrast moet zijn dat er ooit met de beste bedoelingen hier soorten zijn gezaaid (en na 50-60 jaar er nog staan). Is het dan wild?
Het achtergrondverhaal over Voorne wordt gepubliceerd in het boek ‘Bloeiende duinen’.
Het landschap van Voorne in zijn geheel: zie het boek Duinen en mensen Voorne (2023)
Bezoek andere hotspots met behulp van de overzichtskaart.
Rolf Roos
19 januari 2026
Op basis van een interview met Kommer Tanis, Havenhoofd, Goedereede, 16 januari 2026. Over hoe jongens het strand bij Kwade Hoek (’t strange) gebruikten rond 1975 ( en hoe daar een eind aan kwam. Over een bijzonder woord voor slenk in een schor: een sloei. Met aanvullingen van Ton van Kooten, schoolmeester 1969 -2004, Havenhoofd. Zie ook aansluitende verhalen over boswachter Jan Vlietland en gebruikte veldnamen rond Havenhoofd en Kwade Hoek. Overigens is ook de voornaam ‘Kommer’ bijzonder want sterk aan Goeree gebonden. Dit geldt ook voor ‘Tanis’ en een ieder die over het eiland leest zal menige ‘Kommer Tanis’ tegenkomen, meestal voorzien van een geheel eigen bijnaam

“Sloei op de plaats waar we altijd het stand opgaan” Sloei = slenk, tekst ca 1976 van Kommer Tanis in plakboek; een schaarse foto van een zeer open en laag begroeide Kwade Hoek. Deze slenk is er nog steeds maar veel breder (met naam ijsvogelkreek) en ligt tegenover de huidige vogelkijkhut.
Kommer Tanis, fossielenkenner met bijnaam ‘de kluve’ (kluif) en visser uit Havenhoofd was in 1976 12 jaar oud en heeft diverse herinneringen aan opzichter/boswachter Jan Vlietland en zijn opvolger Siep Kuiper.
(1976)
“We konden ze goed leven als Vlietland. Als hij jongens tegen kwam op het strand wat daar niet mocht, dan stuurde hij ze weg, maar dan moesten ze wel, wat hij noemde, langs de ‘Koninklijke Route’: het enige officiële pad dat er ook nu nog ligt langs ’t Lichie. Kortom: flink omlopen om terug te gaan. Dat deden we natuurlijk normaal nooit want we gingen vanaf Havenhoofd rechtstreeks vanaf het duin naar het ‘strang’ : het laag begroeide gors over richting het strand. We gingen zwemmen in de tweede sloei (slenk).” Zie de foto hierboven en hieronder.
Kommer Tanis zocht eieren met zijn neefje Jaap Witte op de Kwade Hoek: “Kievitseieren, maar ook eieren van kluten en scholeksters. Op een dag konden we er door de lage lichtval zoveel vinden dat we dat niet meer konden dragen in onze handen. Wat te doen?” Kommer: “In de verte zagen we iets wit liggen. Dat was een emmer die lag aan aan de rand van de kokmeeuwenkolonie en in die emmer zat iets van smurrie. Dat hebben we er een beetje uitgegooid en hebben ze daar eieren deels in gedaan en mee naar huis genomen. De volgende dag vroeg stond de moeder van Kommer, Huigtje, in de keuken en kwam boswachter Jan Vlietland langs die zei: die eieren die daar los liggen mag je hebben en eten, daar heb ik het niet over, maar wat in die emmer zit neem ik meteen weer mee, want daar heb ik iets ingestopt tegen de ratten. Daarin zat waarschijnlijk strychnine om ratten op de kolonie te bestrijden.”

” Het strandvan het Havenhoofd: “De kwade hoek”. De pijl geeft de plaats aan waar wij altijd zwemmen (1976). Het met helm beplante duin zonder struimen was er net aangelegd in het kader van de Deltawerken. Kommer zwom in de tweede sloei, waar het water diep genoeg was.
Ton van Kooten, woont anno 2026 in Zierikzee en was schoolmeester op Havenhoofd van 1969 tot 2004. Hij heeft Kommer Tanis in de klas gehad en ook zijn broer Ewout en wellicht zijn er foto’s van excursies die Jan Vlietland gaf. Over Jan: “Het was een gouden vent, hij wist veel en liet de kinderen struinen en liet ze het strand schoonmaken en aan planten ruiken. Kortom, hij leerde ze wat.”
Kommer Tanis nog over het einde van het eieren zoeken. “Op een dag gingen we ook weer zwemmen en eerst eieren zoeken. Mijn vader ging mee vissen op het strand en toen kwam de opvolger van Jan Vlietland, Siep Kuiper en daar kreeg mijn vader bijna slaande ruzie mee. Siep riep zelfs de politie er bij en is het zo gelopen dat we er echt niet meer mochten komen. We zijn ook gestopt met eieren zoeken, dat is dus na een conflict geëindigd, net als het vissen vanaf het strand.”
Siep Kuiper, kwam later in de klas bij Ton eind jaren ’70 en hij maande Ton: “wil je er voor zorgen dat je kinderen ophouden met loopgraven maken in de duinen.” Ton antwoordde: ” dat klopt dat ze dat doen, want ik heb net de Eerste Wereldoorlog behandeld. En ik ben geen toezichthouder.”
Rolf Roos
(12 april 2024, update 10 jan. 2026 met enige teksten over Thijsse die van ‘grazig’ duin spreekt, met dank aan Frans Beekman.)
In onze speurtocht naar gekleurde veldnamen komen we hier en daar een groen duin tegen (of een Groen Strand en, alleen op Schier: ’t Groene Glop). Op Schouwen ligt tussen Burgh en Westerschouwen een laag binnenduin: het Groene Duin. Maar echt vrolijke tinten ontbreken vrijwel. Het Rode Dal (ook Roondal), ook op Schouwen, blijkt afgeleid van rode vossen (paarden, niet het roofdier). Nu eerst aandacht voor zwarte en witte duinen en wat er tussen in zit. Want al 30 jaar is onder beleidsbiologen (en nog veel langer onder bijna vergeten duinwetenschappers) het woord ‘grijs duin’ in zwang. Wortelt dit ‘grijs’ inmiddels al in onze taal, althans de taal van veldnamen die op kaarten staan, op papier zijn gezet of digitaal te vinden? In deze speurtocht leren we in ieder geval dankzij Gerrit Knop (1948) waar – althans op Terschelling – de jongens en meisjes vandaan komen: uit Zwartduin de jongens en uit Witduin de meisjes. Onze voorlopige conclusie: als veldnaam leeft ‘grijs duin’ totaal niet.
Onze eerste stap in dit verkennende veldnaam-onderzoek bleek eenvoudig. We hoefden alleen maar af te romen wat door auteurs als Ed Buijsman (de Beer), Rob Rentenaar (heel Nederland), Frits David Zeiler (Kennemerland), Frans Beekman (o.a. Walcheren, Schouwen, Delfland, Meijendel), Kees Bruin en Erik van der Spek (Texel) is ontdekt. Zie hun artikelen op deze site en in de bronnenlijst. Belangrijke aanvullingen leverde het boek van Arjen Kok over veldnamen op Terschelling. Frans Beekman mailde ons een hele reeks van gekleurde veldnamen, maar, zoals hij zei: “zwart en wit overheersen in de bronnen.” Zie onze voorlopige lijst. Aanvullingen altijd welkom!

De term ‘wit’ heeft in het zeeduin geen verklaring nodig, maar blijkt nauwelijks frequenter voor te komen dan zwart, en dat is wel verrassend. Voor dat ‘zwart’ zijn meerdere verklaringen denkbaar. Op Ockenburgh betreft het een beweid Oud Duin met vermoedelijk struikheide. De donkere aanduiding lijkt vanwege kraaihei (een noordelijke soort) meer in het noorden voor te komen. Twee in de winter donkere en opvallende soorten zijn verder kruipwilg (noorden) en duindoorn (zuiden).
Voor Terschelling worden kruipwilgen expliciet genoemd: In ‘Brandarisflitsen: Een vacantieuitstapje van twee Amsterdammers naar het eiland Terschelling’ (1948) door de Terschellinger Gerrit Knop, later leraar Duits in Amsterdam, staat op blz. 95:
‘U spreekt daar van Zwartduin. Is dat misschien ook een duin, waar vroeger vuren gebrand werden? Zwartduin in tegenstelling tot Witduin werd zo genoemd naar de dichte begroeiing met riezen (kruipwilg). Als bijzonderheid kan ik U nog mededelen, dat de Ter-Schellinger moeders hier hun jongens vandaan haalden; de meisjes komen uit Witduin’.
Op hetzelfde eiland is nog een Swartduin (nu een camping) bekend, terwijl Van Eeden in 1885 een ander Zwartduin noemt: ten noorden van de vuurtoren. In zijn (sterke?) verhaal is dit duin vernoemd naar houtskoolresten afkomstig van het door Engelsen in 1666 afgebrande (oude) West-Terschelling. Een woord kan schijnbaar eenduidig zijn, de verklaringen zijn altijd divers. In het boek van Arjen Kok (2006) heet dezelfde (?) plek Kooltjesduin, maar dat wordt weer verklaard door houtkoolresten van de voormalige vuurboet op deze plek. Beide lezingen kunnen trouwens waar zijn. Ook Knop (1948, zie boven) heeft de vuurklepel horen luiden.
Verder bestaan er ‘Donkere Duinen’ bij Den Helder, en die heetten al zo voor er voor de oorlog in de 20e eeuw donker naaldbos op werd geplant.

Archetypische ‘grijze’ duinen
Tussenstand: grijze duinen worden op kaarten (nog) niet gevonden, wel een keer ‘grauw’ (op Schouwen), wat het meest in de buurt komt. Maar of hier ook de ‘grijze duinen’ van het gewilde ‘habitattype’ van het plaatje (rechts) liggen?
We zoeken het verder na in ‘Plantengroei der duinen’ van L. Vuyck uit 1898 die niet zonder enige trots het vastleggen van de duinen eind 19e eeuw memoreert: ” De stuifduinen of witte duinen zijn nagenoeg verdwenen en hebben plaats gemaakt voor vaststaande of grauwe duinen.” Dat ‘grauwe’ komt rechtstreeks uit het duits. Grau is grijs. In het beroemde Dünenbuch (1910) blijken de geleerden het over wit, zwart en grijs te hebben maar zijn ook niet geheel eenduidig.
Op pag 126, deelt prof. dr. F. Solger, de geoloog, de duinen in: witte en zwarte OF grijze: de laatste naam door de begroeiing veroorzaakt.
Maar op pag 222, meldt botanicus prof. dr.P. Graebner, dat dat grijs niet slaat op de begroeiing maar op de kleur van het zand eronder, dat door geleidelijke humusvorming haar witheid verliest:

Wat we hier in ieder geval ontdekt hebben is dat ‘zwarte duinen’ geen vreemd begrip waren (en inwisselbaar met grijs ?) en de verklaring bepaald niet eenduidig maar wel aan begroeiing gerelateerd is. Grijs komt door de korstmossen, zoals wel wordt gezegd, maar dat is onjuist.
Vrijwel alle auteurs die duinen voor een groter publiek beschrijven mijden het ‘grijs’. Lees bv. de prachtige bladzijden van Adriani cs in Ontdek de duinen uit 1981. Of het boek Blonde duinen van Jac. P. Thijsse uit 1911: een lyrisch boek vol krioelende dieren en ‘gulzige’ konijnen. Dat ‘blonde’ legt hij nergens uit, maar staat vanouds voor de het goudgele zand ten zuiden van Bergen N.H. dat meer ijzer bevat. Voor hagelwitte duinen moet je vanaf Schoorl noordwaarts. Thijsse zelf heeft een hoofdstuk over ‘witte duinen’ en wijdt enkele zinnen aan duinvorming, een proces dat pas later in de 20e eeuw werd ontrafeld: ” er wordt wel beweerd, dat eerst in den Romeinschen tijd de zandheuvels langs het noordzeestrand zich noemenswaard boven de zee begonnen te verheffen.‘ Hij beschrijft het leven in het buitenduin met helm en zandzegge en het begroeid raken aan de landzijde met o.a. wondklaver en “sappige, enigszins zure, bramen”. Over grijs duin treffen we bij Thijsse geen woord, wel “heel fijne mosloovertjes die beginnen rond te kruipen (..), rendiermos en aardige bekermosjes.” In het najaar de stuifballetjes, in de zomer de muurpeper. En hoe wit duin overgaat in grazig duin (pag. 71, eerste druk):
” Als ’t eenmaal zoover is, dat ’t duin begroeid raakt met mossen en muurpeper dan kunnen in die vochtige laag weer allerlei zaden en sporen ontkiemen en in weinig jaren – op Terschelling kun je dat mooi bestuderen – komen er dan viooltjes, pimpernel, walstro, reigersbek, duinroosjes (..) zodat het witte duin dan mettertijd een grazig duin geworden is.”
Onze conclusie: grijze duinen blijken nergens op kaarten te bestaan, ontbreken ook als veldnaam, zijn ingeburgerd vakjargon bij beleidsbiologen, maar niet bij natuurschrijvers. Ons advies: schrap dat ‘grijs’ en noem het heel eenduidig: bloemrijk. Het zijn allemaal duingraslanden: min of meer gesloten, vaak mosrijke duinvegetaties op licht humeuze bodem met groen in alle kleuren van de regenboog en bijzonder veel bloemen: roze, geel wit en paars. Bij uitzondering (of bij laag licht of op een bewolkte dag): grijs of zwart.
Zie als inleiding op de vele bloemen van het ‘grijze’ duin het verhaal van Theo Baas. met prachtige foto’s.
Ps Engelse duit: gangbare termen in vakliteratuur anno 2025: ‘embryo dunes, yellow dunes, and fixed dunes’, dat herkennen we makkelijk als: embryonale, witte of blonde en vastgelegde duinen met bloemrijk duingraslanden.
Ps. Een laatste Duitse duit in het zakje door Frans Beekman: “Met ‘feldgrau’ bedoelen onze oosterburen camouflage groen. In de oorlog hadden ze de vuurtoren van Haamstede die kleur gegeven. Door de regen spoelde dat er langzamerhand vanaf en kwam de rood-wit spiraal weer tevoorschijn.”
Bronnen (deels online op duinenenmensen.nl)
Frans Beekman (2021) Veldnamen in Meijendel
Frans Beekman (2022) Veldnamen van de Delflandse duinen
Ed Buijsman (2023) Topografie en toponiemen (veldnamen) van een verdwenen natuurgebied: de Beer
Kees Bruin & Erik van der Spek (2012) ‘Veldnamen in de duinen van Texel’
Arjen Kok (2006) Aastermiede & Wachthuisplak. Veldnamen op Terschelling in duin en polder. Van Gorcum, z.p.
Rolf Roos (2015) Recensie boek Arjen Kok over Terschelling.
Solger, F. e.a (1910) Dünenbuch. Enke, Stuttgart.
Vuyck (1898) De plantengroei der duinen. Dissertatie. Uitgave Adriani, Leiden.
Frits David Zeiler (2008) Hel en paradijs: duintoponiemen (veldnamen) in Zuid-Kennemerland
Frits David Zeiler (1995) NOLLEN KROCHTEN BLINKEN Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin
Website natuurkennis.nl over o.a. grijze duinen.
In 2026 heeft Henk Terhell uit Oostvoorne een schitterend fotoboek samengesteld over Strypemonde dat hier in zijn geheel is te zien.
Een selectie van paddenstoelenfoto’s genomen door Henk Terhell in de periode 2019-2022 in landgoed Strypemonde en rondom de Tenellaplas te Rockanje.
Klik op de foto voor uitvergroting. Zie je een fout in de naam? Meld het ons!
Meer over paddenstoelen: zie het boek Duinen en mensen Voorne.
Boudewijn Bakker en Rolf Roos
(oorspronkelijk feb. 2017 update 5 januari 2026)
Jan van der Heyden (1637-1712)
Het landgoed Elswout te Overveen, gezien in vogelvlucht
ca. 1663
Olieverf op paneel
39,5 x 34 cm
Haarlem, Frans Hals Museum, inv.nr. os 74-352
Jan van der Heyden (ook gespeld als Van der Heijden) was ingenieur en uitvinder (onder andere van de slangbrandspuit en de straatlantaarn), maar daarnaast ook een virtuoos kunstschilder. Naast de vele stadsgezichten, waardoor hij beroemd is geworden, heeft hij ook een aantal buitenplaatsen geportretteerd, waaronder Elswout.
Van der Heyden beheerste volledig de kneepjes van het mathematische perspectief, dat hij naar believen kon toepassen en manipuleren. Daardoor was hij in staat Elswout waarheidsgetrouw ‘in vogelvlucht’ weer te geven, als het ware vanuit een helikopter, een techniek die in de zestiende eeuw in Antwerpen was ontwikkeld. Op deze manier worden de inrichting van de buitenplaats en de ligging in het omringende landschap veel beter duidelijk dan in het schilderij van Gerrit Berckheyde, dat uit de zelfde tijd stamt (zie onderaan dit bericht). Overigens is dit het enige gezicht in vogelvlucht door Van der Heyden dat bekend is.
Locatie
De oorspronkelijke ‘hofstede’ is aangelegd in een afzending van oude duinen (die toen nog niet geheel voltooid was) en is op kaarten van rond 1600 al aanwezig. De Amsterdamse koopman Carl Jansz. du Moulin heeft de hofstede vanaf 1634 als eerste ontwikkelt, waarschijnlijk naar ontwerp van de classicistische architect Jacob van Campen (van het Amsterdamse stadhuis) en de landmeter Pieter Wils, die toen allebei in Haarlem woonden. In 1654 moest eigenaar Du Moulin het landgoed verkopen. De nieuwe eigenaar, Gabriël (van) Marselis, gaf het landgoed de naam Elswout. Hij liet de tuinen rooien, afgraven en opnieuw aanleggen, waardoor het huis op een talud kwam te liggen. De ingang van Elswout werd verlegd van het zuiden naar het oosten, met een nieuwe oprijlaan en een nieuw (en nu nog steeds te zien) poortgebouw. Deze nieuwe situatie is omstreeks 1663 geschilderd door Jan van der Heyden.
De zandafgraving waar het landgoed ligt was nog niet voltooid. Links achter is ook een steilrand zichtbaar die volgens J.-W. van Velzen niet zozeer naar een historische realiteit verwijst maar er is aangegeven om compositorische overwegingen. 
Op de zanderij met de rechte vaarten liet Marselis een weelderige tuin in de formele Franse stijl aanleggen met kunstig geschoren hagen, tuinbeelden en fonteinen. Aan het eind van de 18e eeuw vormde tuinarchitect Michaël de tuin om tot een landschapspark in Engelse stijl, dat grotendeels bewaard is gebleven. In de negentiende eeuw zijn huis en tuinen meermalen drastisch aangepakt, onder andere naar ontwerp door de Duitse tuinarchitect Eduard Petzold.
In 1882, toen Willem Borski III de scepter zwaaide, begon de bouw van het kolossale huis met terrassen en de oranjerie. Na een aantal veranderingen van eigenaar en functie is het huis tegenwoordig eigendom van een particulier en het landgoed namens de Staat in beheer van Staatsbosbeheer.
Hoogzomer, geen duidelijk tijdstip op de dag
We zien het landgoed vanuit het zuiden i.v.m. de ligging van de beeldentuin destijds en het aanzicht van het ene koetshuis dat nu nog terug te vinden is (linksonder); maar dit conflicteert duidelijk deels met achtergrond van deels stuivende duinen die immers grotendeels westelijk lagen. Wel lag er nog het zgn. Hemelduintje dat nog moest worden afgegraven en dat lag ten noorden van het grote huis. De contour zoals geschilderd t.o.v. de weilanden klopt echter ook niet met de realiteit van dat moment. Ook de wijze waarop de duinen zijn geschilderd, komt meer overeen met de jonge duinen. Kortom: wat we als horizon zooien is ontleend aam een blik op het westen.
Aan de hand van kaartmateriaal en schriftelijke bronnen, beide ouder dan het schilderij, blijkt dat de situatie zoals geschilderd beslist niet de werkelijke situatie was van dat moment.
Het verhaal dat hij de tuinen liet rooien, afgraven en opnieuw aanleggen klopt maar voor de helft: ja hij liet inderdaad tuinen aanleggen. In hoeverre er ooit oude tuinen hebben bestaan in barokstijl is maar zeer de vraag. Deze veronderstelling is hoofdzakelijk gebaseerd op de kaart van Wils. Dit is echter een ONTWERP (voor wat betreft Molijns hofstede, het latere Elswout), dus daar valt weinig met zekerheid over te zeggen. Wat wel zeker is, is dat de meeste gronden rondom de hofstede op dat moment al afgegraven waren.
De steilrand achterin, moet met een flinke dosis wantrouwen worden beschouwd: dit stemt namelijk niet overeen met kaarten van vóór 1650. Het lichte zand dient hier vooral een artistiek doel: verkrijgen van contrast (met donkerder huis) en compositorische opbouw (merk in dit verband op hoezeer die lijn mooi doorloopt met de bosschage ter rechterzijde van het huis en hoe fraai deze tussen daklijst van poortgebouw en duinvoet is gelegen).
J-W. van Velzen

Dit is het meest gelijkende uitzicht anno 2017. Het rechter (oostelijk gelegen) koetshuis staat op het schilderij links onder. Waterpartijen en grote villa zijn 19e eeuws.Onderstaand aanzicht is vanuit ‘ het kleine stuk’ ten westen van het (verdwenen) grote huis in zuidelijke richting geschilderd; de voorgrond zou volgens J.W. van Velzen volledig verzonnen zijn, hoewel deze fraaie overeenkomsten heeft met de zandafgraving met steilrand in het schilderij van van der Heijden. Centraal in het beeld ligt een destijds nog rechte grote vijver, die thans in Engelse stijl wordt aangetroffen. Centraal midden op de horizon ligt het westelijk gelegen koetshuis dat nu nog bestaat, als enige bouwelement uit dit geheel.

Gerrit Adriaensz Berckheyde
Het landgoed Elswout te Overveen
1673/85
Olieverf op paneel
52 x 80 cm
Haarlem, Frans Hals Museum, (langdurig bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), inv.nr. os 75-315
Literatuur:
Peter C. Sutton e.a., Jan van der Heyden (1637-1712), New Haven enz. 2006 (algemeen over Van der Heyden)
Inger Groeneveld, ‘What’s in a name? Nieuw licht op Moulins hofstede, de vroegste aanleg van buitenplaats Elswout te Overveen’, in: Bulletin KNOB 111 (2012) 2, 111-12
Heimerik M.J. Tromp, Elswout te Overveen, Zeist 1983
Boudewijn Bakker en Rolf Roos
(oorspronkelijk 15 jan. 2016, update 5 jan. 2026)
Rembrandt was niet de enige kunstenaar die het uitzicht bij Bloemendaal ter hoogte van het toenmalige landgoed Saxenburg als onderwerp nam. Ten minste drie oud-leerlingen en vrienden hebben hetzelfde uitzicht weergegeven: Ferdinand Bol, Philips Koninck en Gerbrand van den Eeckhout.
Een ander blad, toegeschreven aan Roelant Roghman (ook een goede kennis van Rembrandt) laat hetzelfde landschap zien maar nu gezien vanaf het hoge zandduin rechts op de tekening van Bol, in noordelijke richting, met rechts boven de Wijkermeer.

Roelant Roghman (toegeschreven), Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden, ca 1651?, pen in bruin, penseel in kleur, 16,6 x 27,5 cm, Dresden, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett, inv.nr. C 1920-150

Roghman schetst prachtige waarheidsgetrouwe storthellingen (uiterst rechts).
Fascinerend is ook dat we geologisch gezien de zogenaamde Oude duinen zien (een zgn. strandwal daterend vanaf ca 5000BP), waarop Bloemendaal is gelegen, daarnaast het restant van een oude natte strandvlakte waar Saxenburg in ligt en vervolgens de uit de hand gelopen verstuiving van de Jonge duinen (daterend vanaf 1000BP) en de strandvlakte deels hebben ‘overlopen’. Deze stuifduinen bereikten aan de binnenduinrand de grootste hoogte en werden bovendien door bewoners en eigenaren deels beplant, zodat ze door invallend zand nog hoger werden. Zo ontstonden verderop de beroemde – nu niet meer stuivende – Kopjes van Bloemendaal. In het werk van Bol zien we de landwaartse doorbraak van de zandzee die hier ooit woelde. En Roghman klom er bovenop en had ruim zicht noordwaarts.
Zie verder voor schilderijen van Rembrandt e.a. van dezelfde regio het artikel Duinbeeld. Rembrandt, Bol e.a.: Saxenburg bij Bloemendaal
Door: Boudewijn Bakker, Rolf Roos & Rienk Slings
(april 2017, update 5 januari 2026)

Rembrandt van Rijn (1606-1669)
ets en droge naald (tegendruk)
12 x 32 cm
Londen, British Museum, inv.nr. F,5.215
Rembrandt en enkele vrienden en bekenden schilderden en tekenden deze in een soort vlak dal liggende buitenplaats vanuit verschillende gezichtspunten op de omringende duinen. Al deze werken en de kijkrichtingen worden op een 17de-eeuwse kaart getoond en vergeleken. Waar nu bos hoog oprijst tussen villaatjes hadden schilders destijds ruime vergezichten.
Rembrandt heeft in de jaren omstreeks 1640-1650 een groot aantal landschappen getekend en geëtst. Veel daarvan zijn herkenbaar als gezichten rondom Amsterdam en enkele in het Gooi, Utrecht en Gelderland. Maar ten minste éénmaal moet Rembrandt de duinstreek bezocht hebben, zoals blijkt uit het hierbij afgebeelde panorama bij Bloemendaal. Het gaat hier om een zogenaamde tegendruk, verkregen door een wit papier samen met een nog natte afdruk van de ets door de pers te halen. De spiegelbeeldige voorstelling op de ets is hierdoor weer ontspiegeld.

Rembrandt van Rijn, Panorama bij Bloemendaal [II] met het landgoed Saxenburg, 1651; l.o. (in de plaat): Rembrandt.1651; ets en droge naald (eerste staat); 121 x 319; Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-P-1962-91. Door het afdrukken via de koperen plaat is de oorspronkelijke voorstelling gespiegeld.
De situatie is duidelijk terug te vinden op een 17e-eeuwse kaart van dit gebied.

Kaart J.Dou 1660
waf (Westfries Archief) 1V47 Uitsnede Bloemendaal e.o.

De buitenplaats met zijn streng geometrische plattegrond is in de jaren na 1620 aangelegd door de Haarlemse bierbrouwer Joost Vergraft. In 1638 kocht Christoffel Thijs het landgoed en noemde het Saxenburg. Latere eigenaren bouwden in de 18de eeuw het zogenaamde ‘Pannekoekenhuisje’ en een fraai inrijhek. Omstreeks 1800 werd het huis zelf afgebroken, de huidige villa Saxenburg (Mollaan 1, Bloemendaal) dateert van 1917. Anders dan op deze kaart wordt op latere uitgaven ervan Saxenburg met naam genoemd. Ook op de topografische kaart van ca 1850 staat het landgoed nog duidelijk aangegeven, maar tegenwoordig resteren alleen nog het Pannekoekenhuisje (Heuvelweg 7), het inrijhek en de naam van de villa.
Laten we nu de Londense tegendruk eens beter bekijken. Uit de boomgroep links van het midden verrijst tegen de horizon het torentje van het landhuis Saxenburg, en rechts daarachter het torentje van de kerk van Bloemendaal. Over de volle breedte van het blad strekken zich de rechthoekig verkavelde tuinen en landerijen van Saxenburg uit, met uiterst rechts een paviljoentje in een vijver en langs de randen nog een paar bijgebouwen. Links, dicht bij de weg van het huis naar de duinen, zijn mensen bezig op een bleekveld. Rechts tegen de horizon en half achter een oplopende duinhelling, doemt Haarlem op, gedomineerd door de Sint Bavo (het blad is hier licht beschadigd).
De voorstelling vertoont een zeldzame combinatie van losheid en nauwkeurigheid. Sommige kenners vermoeden daarom dat Rembrandt in dit geval een eerste schets niet op papier maar direct met de etsnaald op de – met was bestreken – koperen plaat heeft getekend. Daarbij zat hij ergens tegen de helling van een duin, op een plek die even hoog was als de beide torentjes. Maar hij heeft in elk geval één tekening in zijn schetsboek gemaakt, en wel op een wat hoger gelegen punt en wat verder naar links (naar het noorden), zodat de torentjes onder de horizon raakten en Haarlem beter te zien was, evenals de duinhellingen aan de rechterkant. Deze schets is overigens minder nauwkeurig dat de ets.

Rembrandt, Gezicht op Saxenburg, ca 1651, pen en penseel in bruin met enig wit, 8,9 x 15,2 cm, Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, inv.nr. R 130
Bijzonder is ook dat naast deze tegendruk er nog zeker vijf andere zijn bewaard. Dat is nogal ongewoon en het doet vermoeden dat er destijds veel belangstelling was voor het gezicht op Saxenburg in ontspiegelde dus makkelijk herkenbare vorm.
De verklaring voor dit alles ligt vermoedelijk in het feit dat de eigenaar van Saxenburg, de Amsterdamse koopman Christoffel Thijsz, een goede bekende van Rembrandt was. Hij was mede-eigenaar van het huis dat Rembrandt in 1639 had gekocht en hoewel Rembrandt zijn schuld noooit heeft afgelost leende Thijsz hem in deze jaren nog meer geld. Men mag daarom veronderstellen dat zowel de tekening als de ets zijn ontstaan bij een bezoek aan deze weldoener, en wellicht zijn ook enkele afdrukken en tegendrukken voor hem bestemd geweest.
Rembrandt was bepaald niet de enige kunstenaar die dit uitzicht als onderwerp nam. Ten minste drie oud-leerlingen en vrienden hebben hetzelfde uitzicht weergegeven: Ferdinand Bol, Philips Koninck en Gerbrand van den Eeckhout. Een schilderijtje van Koninck biedt zelfs vrijwel hetzelfde blikveld als de ets van Rembrandt, gezien vanuit hetzelfde gezichtspunt maar meer ‘in elkaar gedrukt’.

Philips Koninck, Panorama met gezicht op Haarlem, 1651?, olieverf op paneel, 30 x 45 cm, Part.verz. (Veiling Sotheby’s Londen 12-12-2002, nr. 22)
Dit doet vermoeden dat Rembrandt en Koninck samen deze plek hebben uitgezocht om te tekenen. Dit deed Rembrandt vaker met zijn leerlingen of vrienden.
Dat kunstenaars inderdaad samen hier kwamen tekenen blijkt uit een blad van Ferdinand Bol.

Ferdinand Bol (1616-1680), Gezicht bij Bloemendaal, ca 1650?), zwart krijt, penseel in grijs en bruin, 14,7 x 29,2 cm, Parijs, Fondation Custodia, Collection Frits Lugt, inv.nr.
Bol zat ongeveer op hetzelfde plekje als Rembrandt toen hij de opzet voor zijn eigen tekening schetste, maar hij keek nog meer naar rechts, waardoor nu de hoge duinen aan de zuidkant volledig in beeld komen.
Maar er is nog iets interessants te zien: links vooraan zitten drie figuurtjes naar het landschap te kijken, van wie de meest linkse duidelijk zit te tekenen.
Het is verleidelijk om te speculeren dat een van deze tekenaars Rembrandt was, en Philips Koninck een van de andere twee. Maar Rembrandt kan ook na een eigen bezoek zijn vrienden op deze interessante plek hebben gewezen.
Een ander blad, toegeschreven aan Roelant Roghman (ook een goede kennis van Rembrandt) laat hetzelfde landschap zien maar nu gezien vanaf het hoge zandduin rechts op de tekening van Bol, in noordelijke richting, met rechts boven de Wijkermeer.

Roelant Roghman (toegeschreven), Het landgoed Saxenburg gezien naar het noorden, ca 1651?, pen in bruin, penseel in kleur, 16,6 x 27,5 cm, Dresden, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett, inv.nr. C 1920-150
Op de ets van Rembrandt en het schilderij van Koninck is het – afgaand op de korte schaduwen aan de noordzijde en het geboomte dat vol in blad staat – een mooie zonnige zomerdag, omstreeks het middaguur. Dit was ook de ideale omstandigheid voor een uitvoerig en gedetailleerd panorama zoals dit. Maar de gezichten van Bol en ‘Roghman’ zijn blijkbaar op een vroeger moment gemaakt, in de ochtend.

Alle gezichtspunten met (met de klok mee) Groen (toegeschreven aan Roghman). Rood (Rembrandt 1 en Koninck). Geel (Rembrandt 2). Blauw (Bol). Let op: de oriëntatie van de kaart is liggend, d.w.z. noord is links en zuid is rechts.




Natuur en landschap
De kunstwerken van Rembrandt en tijdgenoten geven samen met kaartmateriaal uit die tijd een buitengewone blik op het landschap in de 17e eeuw. We zien herkenbare elementen als de St Bavo en de duinen maar wat sfeer en karakter van het landschap betreft leefden de kunstenaars in een andere wereld. Waar nu de binnenduinrand is dichtgegroeid met een mengeling van villaatjes en hoge bomen en het duin zelf – voorzover nog zichtbaar vanuit de laagtes – met gras, struiken en bos is bedekt, lagen destijds met laag elzenhout afgezette landerijen, werd er graan geteeld, waren er vele bleekvelden en werd het ruim aanwezige kwelwater uit het duin landschappelijk ingepast in de buitenplaatsen van de 17e-eeuwse rijken. Het duin zelf laat zich (althans bij Ferdinand Bol) van zijn meest wilde kant zien: hoog, kaal en stuivend, maar ook bij Rembrand zien we weliswaar lage meer landinwaarts gelegen duinen, maar ook deze zijn open en onbegroeid. Op de tekening van Rembrandt zien we rechts een steile storthelling die hoort bij een zeer actief stuivend duin. Links daarvan, voor de St. Bavo, kun je zelfs een actieve barchaan of sikkelduin vermoeden (een stuifduin in de vorm van een langgerekte halve maan, met de open zijde van de wind af). Roghman schetst prachtige waarheidsgetrouwe storthellingen (uiterst rechts).
Fascinerend is ook dat we geologisch gezien de zogenaamde Oude duinen zien (een zgn. strandwal daterend vanaf ca 5000BP), waarop Bloemendaal is gelegen, daarnaast het restant van een oude natte strandvlakte waar Saxenburg in ligt en vervolgens de uit de hand gelopen verstuiving van de Jonge duinen (daterend vanaf 1000BP) en de strandvlakte deels hebben ‘overlopen’. Deze stuifduinen bereikten aan de binnenduinrand de grootste hoogte en werden bovendien door bewoners en eigenaren deels beplant, zodat ze door invallend zand nog hoger werden. Zo ontstonden verderop de beroemde – nu niet meer stuivende – Kopjes van Bloemendaal. In het werk van Bol zien we de landwaartse doorbraak van de zandzee die hier ooit woelde. En Roghman klom er bovenop en had ruim zicht noordwaarts.

Bij Bol zien we rechts op de tekening (ook hij keek enigszins in de rondte) een binnenduinlandschap in zuidwestelijke richting. Het gekke is dat de duinen ”omgekeerd” lijken liggen. Normaal ligt zo’n holle vorm, een open stuifkop op het westen georiënteerd (door de westenwind) maar hier kijken we er pal in vanuit het noordwesten. Misschien vond de tekenaar de loefzijde van duinen indrukwekkender dan de geheel begroeide lijzijde? Of is dit beeld toch naar de natuur getekend? Uit hoogtekaarten kunnen we de hoge stuifruggen afleiden die vanaf de middeleeuwen hier tot voorbij de 17e eeuw landinwaarts schoven.

Hoogtekaart met duidelijk zichtbare paraboolreeksen in de Jonge duinen, ophoging aan de binnenduinrand, lage restanten van de binnenste strandwal met nog een smalle strandvlakte tussen de Strandwal en de jonge Binnenduinrand. Waar de Strandwal tussen Bloemendaal en Overveen opgaat in de Jonge Duinen is te zien dat de extra zandmassa tot een uitstulping van de binnenduinrand heeft geleid.

Front Jonge Duinen Zuid-Kennemerland met doorbraak ten zuiden van Bloemendaal; hoogtes AHN; tekenwerk Wim Bosman, Santpoort-Zuid
Literatuur
Boudewijn Bakker, Mária van Berge-Gerbaud, Jan Peeters en Erik Schmitz, Het landschap van Rembrandt. Wandelingen in en om Amsterdam, Bussum/Amsterdam/Parijs 1998, pp. 374-379
Erik Hinterding, Ger Luijten en Martin Royalton-Kisch, Rembrandt the printmaker, cat.tent. Londen/Amsterdam 2000, p. 268-271
Erik Hinterding and Jaco Rutgers, The New Hollstein enz. … Rembrandt (red. Ger Luijten), 7 dln., Ouderkerk a/d Amstel (Sound & Vision), 2013, Text II, p. 189, cat.nr. 257
A.M. van den Broek, Nieuwe topografische aspecten betreffende de voormalige buitenplaats ‘Saxenburg’ te Bloemendaal. Haerlem Jaarboek 1988. Zie pdf: Haerlem Jaarboek 1988
A .M. G. Nierhoff. De hofstede Saxenburg in Aelbertsberg of Bloemendaal (Haarlem, 1971).
Historische feiten rond Saxenburg http://www.buitenplaatseninnederland.nl/NoordHolland_beschrijvingen/Bloemendaal_Saxenburg.html
[mappress mapid=”163″]
Henk Terhell & Rolf Roos
update 5 januari 2025
Hier treft u een collectie dubbele foto’s van de duinen van Voorne, van vroeger en nu. Klik op de kaart en zie een unieke collectie die veel ingrepen vroeger en nu in de duinen van Voorne verhelderen.
Oude beelden zijn vooroorlogs, doorgaans afkomstig van het Streekarchief Voorne-Putten (vaak van de hand van Th. van der Steeg) of het ansichtkaarten-archief van Frans Beekman, de meeste huidige zijn van de hand van Henk Terhell, tenzij anders vermeld.
Heeft u zelf ook zulke dubbele foto’s? Mail het ons.
Een groot deel van deze foto’s wordt toegepast in het boek Duinen en mensen Voorne, voorzien van uitgebreide toelichting.
Boudewijn Bakker en Rolf Roos
(oorspronkelijk 17 maart 2017; update 5 januari 2026)
Cornelis van Noorde (1731-1795), Een zandvaart op het landgoed Elswout, 1773, pen en penseel in kleur, 19,5 x 31 cm
Opschrift r.o.: C.V.N. 1773; m.o.: Buiten Haarlem, by ’t Kraantje-Lek
Haarlem, Noord-Hollands Archief, Inventarisnummer NL-HlmNHA_53003890_K
Het kunstwerk
Cornelis van Noorde werkte tot omstreeks 1770 vooral als reproductiegraveur voor de firma Enschedé. Daarnaast maakte hij veel portretten in verschillende technieken. Ook tekende hij planten en dieren, maar tegenwoordig is hij vooral nog bekend om zijn topografische tekeningen van plaatsen rondom Haarlem. Ook droeg hij bij aan het prentwerk Aangenaame Gezichten in de Vermakelijke Landsdouwen van Haarlem, naar ’t leven getekend door H. Spilman en C.V. Noorde (1763). In 1772 werd Van Noorde een van de directeuren van de in dat jaar opgerichte Haarlemse Tekenacademie.
Meer dan eens heeft Van Noorde Elswout bezocht en daar getekend. De hierbij afgebeelde tekening dateert uit het jaar 1773, maar is de uitwerking van een eerdere schets die niet gedateerd is. Het bijschrift maakt duidelijk dat we hier aan de noordelijke oever staan van een zandvaart die op dit moment nog in exploitatie was maar die enig jaren later het landgoed zou doorsnijden van oost naar west, ten zuidoosten van De Blinkert en de uitspanning Kraantje Lek. We staan ongeveer halverwege de lengte van de latere vaart in voltooide toestand en kijken in de richting van Kraantje Lek. Op de plattegrond uit 1812 is dit de enigszins geknikt lopende vaart aan de onderzijde van het afgebeelde detail, op de grens tussen het oude en het noordelijke deel.
Beneden ons zijn vier ‘zanders’ aan het werk met kruiwagens en kleine vletten. Zij werkten elk voor eigen rekening, en droegen voor elke schuitlading zand een stuiver af aan de eigenaar. In 1773 was dat Gualtherus Petrus Boudaen, burgemeester van Amsterdam. Vermoedelijk heeft Van Noorde deze tekening ook voor hem vervaardigd (in diezelfde periode heeft ook Jan de Beyer veel op Elswout gewerkt).
Overigens was dit de laatste vaart die bijdroeg aan de gestage uitbreiding van het park in formele, geometrische stijl. Boudaens opvolger, Jacob Boreel, trok de tuinarchitect Johan Georg Michaël aan, die begon met de transformatie van Elswout in een park in Engelse landschappelijke stijl met serpentinevormige lanen en vaarten. Na hem zou Willem Borski in dit spoor verder gaan met de ontwikkeling van het noordelijke deel van Elswout, zoals op dit kaartfragment goed te zien is.

Hendrik van Zutphen (1757-1830), Plattegrond van Elswout, 1812, pen in zwart, penseel in kleur, 22,3 x 21,5 cm (detail)
Haarlem, Noord-Hollands Archief, Inventarisnummer NL-HlmNHA_51046923
De besproken tekening is de uitgewerkte versie van een schets die Van Noorde eerder had gemaakt, samen met een tweede schets met dezelfde vaart gezien in tegengestelde richting, naar Haarlem. Een vierde tekening van dezelfde locatie maar uit 1777 bevindt zich nog in het oorspronkelijke schetsboek, eveneens in het Noord-Hollands Archief.

Cornelis van Noorde, Zandvaart op Elswout, gezien naar Haarlem (‘Bij Kraantje Lek’), 1773[???], pen en penseel in kleur, 19,5 x 31 cm
Haarlem, Noord-Hollands Archief, Inventarisnummer NL-HlmNHA_53003961_K

Topografische kaart 2015
Uur en seizoen
De zon komt uit het noordwesten, laat op een zomerdag.
Natuur en landschap
In 1636 kreeg de eerste eigenaar van Elswout toestemming van de heer van Brederode om zand af te graven. Hij begon met een kaarsrechte zandvaart te graven, de tegenwoordige Marcelisvaart, vanaf de Houtvaart bij Haarlem naar de duinen. Zijn opvolgers zetten de zandwinning voort, waarbij de ligging van de vaarten bijdroeg aan de inrichting van het park in classicistische stijl. Deze tekeningen laten het gebied nog zien met de bestaande begroeiing.
Literatuur
Bert Sliggers, Het schetsboek van Cornelis van Noorde 1731-1795: het leven van een veelzijdig Haarlems kunstenaar, Haarlem 1982
C.W.D. Vrijland, ‘De zanderij van Elswout’, in Haerlem, Jaarboek 1953, pp. 64-76
Website Monumentenzorg > Elswout > Parkaanleg
Boudewijn Bakker en Rolf Roos
(update 5 januari 2026)

Esaias van de Velde (1587-1630)
Winterlandschap bij Haarlem
1614
olieverf op paneel
21 x 40,6 cm
opschrift: m.o.: E.VANDEN VELDE / 16[1]4
Cambridge, Fitzwilliam Museum, Object Number: M.79
In 1614 woonde en werkte Esaias van de Velde in Haarlem, waar hij veel in de omgeving wandelde en tekende. Dit buitengewoon fijn gedetailleerde en genuanceerde schilderij is een van de twee vroegste gedateerde landschapsschilderijen uit de Nederlandse geschiedenis (zie Esaias van de Velde, Zandweg in de duinen, 1614). Bovendien is het een zeldzaam vroeg beelddocument van dit gebied.
Een groepje jagers en ruiters komt ons tegemoet over een bochtige zandweg. Links rijzen wat lage zandduintjes op en in de verte zet een lage duinrand zich voort achter de twee boerderijen. Blijkbaar was veeteelt hier regel. De hooibergen zijn vol en er staat nog vee in de wei, wat lijkt te wijzen op november of december. Op de weg liggen hier en daar sneeuwresten. Hekken lijken de omheining te vormen van een vangkraal met afsluitbare hekken naar de weg en naar de wei.
Vermoedelijk kijken we hierin zuidoostelijke richting over een voormalige strandvlakte op een oude strandwal. (Deze waren destijds niet geheel bebost, pas in de loop van de zeventiende eeuw werden hier landgoederen gesticht, zoals Leijduin bij Vogelenzang). Zo’n situatie was te vinden ten zuidwesten van Haarlem. Een mogelijke locatie van de weg kan een herenweg zijn, hoofdverkeersader van die tijd.
Kees van Rixoort
Dit interview stond in het boek ‘Het Flaauwe Werk, De zee geeft, de zee neemt’, een uitgave van historische vereniging De Motte, Ouddorp, 2008. Het boek werd uitgegeven ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de vereniging in 2009. Toegevoegd 2025 online-versie: topografische kaarten 1953, 1965 en 2025

Plaats van dit verhaal aan de noordkust van Goeree. Na wegslaan oude dijk in buitenset duinenrij in 1953 stonden huizen met uitzicht op zee…zo lang het duurde.
Het lijkt een idylle. Een huis op het strand biedt prachtige vergezichten en — in de zomerse hitte — vrijwel directe toegang tot de verkoelende zee. Een gevoel ergens tussen vrijheid en verlatenheid. Verlatenheid kan de idylle verstoren, maar het wassende zeewater nog veel meer. ‘Als het hoogwater was, stond het water helemaal rondom ons huis. We hebben vaak natte voeten gehad.” Het huis waar Riet Tanis-Hoek opgroeide stond twee jaar op het strand. Ter hoogte van het Flaauwe Werk. De hoge bitumendijk was er nog niet. Toen Rijkswaterstaat die aanlegde, enkele jaren na de watersnoodramp van 1953, was het afgelopen. Weg idylle, weg natte voeten.
De kleine Riet was altijd bij haar vader. Bram Hoek was strandwacht en een van de oprichters van de reddingsbrigade. ‘Dat was nadat de dominee en zijn vrouw waren verdronken. Aan het eind van de pieren waren van die kolken.” Vader Hoek had ook nog een ‘echt’ beroep. Hij was kantonnier in dienst van Rijkswaterstaat. Zijn dochter: ‘Mijn vader hield de duinen in de gaten, van het Plaatje bij de Oostdijk tot de vuurtoren toe. Als het stormde ging hij bij de peilschalen de waterhoogte noteren. De gegevens belde hij door aan Rijkswaterstaat. Als het nodig was riep hij de dijkbewaking bij elkaar. Ja, dat kwam nogal eens voor. Op konijnen jagen deed hij ook, helm planten, doorns knippen. En ik ging altijd mee. Ik vond het prachtig. Die konijnen namen we mee naar huis en daar slachtten we ze. Een slag achter de oren en het was gebeurd.”
Ze laat een luchtfoto zien van het huis. Een L-vormig gebouw met een langwerpige schuur erachter. Eromheen: alleen zand, duinen en helmgras, verder niets. Boer Westhoeve en Klepper waren de dichtstbijzijnde buren. De laatste woonde in een huis van Den Hollander. Op een klein fotootje met witte rand zijn de drie woningen te zien. In de duinen, geen strand of zee te zien. 1 februari 1953 lag nog in de toekomst. ‘De duinen waren prachtig.”
Hun huis was een dienstwoning met een kantoor. In het kantoor vergaderden de mensen van Rijkswaterstaat. ‘In de directiekamer waren altijd wel vier man’, herinnert Riet zich. ‘Meer foto’s heb ik niet van het huis.” Wel is er een hele stapel van de aanleg van de bitumendijk. Draglines, grondverzet, stoere mannen, vader Bram die riet snijdt of een spade in de grond steekt.
Ze vertelt over de ramp en de onheilspellende dag daarvoor. 11 jaar was ze toen. ‘Om twaalf uur was er geen water meer. Het moest hoog water wezen, maar er was niks. Helemaal niks. Mijn vader zat in het praathuis, in het dorp en ik ging naar hem toe om hem te waarschuwen. Maar hij ging niet mee naar huis, hij geloofde het niet.” Riet kreeg een reep chocolade voor de moeite. Later, toen ze weer thuis was, hoorde ze de motor van haar vader. ‘Hij reed direct door naar het strand. Er is nu echt iets aan de hand, zei hij toen hij terug was.
Een zeebeving. Dat voorspelt niet veel goeds. Hij bracht de patronen van het jachtgeweer naar boven. We hebben nog brood gegeten en gingen toen ook naar boven. Moeder moest weg, Die was zwanger en ging naar het Noordje bij de Langedijk.”
9 Avonds om een uur of tien ging pa nog eens kijken. Het was laag water in plaats van hoog,’ De twee radio’s op accu’s, in het kantonniershuis aanwezig voor als er wat aan de hand was, konden nu wel eens van pas komen. ‘Om elf uur gingen we weer kijken. Wat we zagen was niet normaal: de basaltblokken vlogen als suikerklontjes weg. Eén voor één. Golven zo hoog als de vuurtoren.
Geen mens kan het begrijpen, als hij het niet gezien heeft. Die witte schuimkoppen allemaal…” ‘Toen was het 1 februari. “Om tien over twaalf ging het licht van de vuurtoren uit. Een teken dat het water overal was ingebroken.” Met de boot van de reddingsbrigade ging Bram Hoek naar de haven van Ouddorp. Kijken of er mensen in nood waren. Riet ging mee in het bootje. Bij het haventje zag ze een man die zijn stoel op een tafel had gezet. ‘Ik zit droog’, zei hij bovenop zijn meubelstukken. Nee, hij hoefde niet mee in het bootje. ‘Later keerden we terug. Hij had een hartinfarct gekregen.”
‘De dijken waren helemaal weg, maar er was geen water’, beschrijft Riet de situatie rond het kantonniershuis nadat het vuurtorenlicht doofde. ‘Het was ineens weg. In ons huis had een klein beetje water gestaan.” “We gingen met de boot naar Goeree. Kijken of we misschien nog mensen konden redden. Wat je onderweg allemaal niet tegenkwam, drijvend in het water: kippen, andere dieren, huishoudelijke spullen, mensen… Bij Stellendam waren zoveel mensen verdronken, er was gewoon geen beginnen aan. Ach, het is een stukje van je leven wat je nooit meer vergeet. ‘Toen gingen we zakken zand vullen. Om de gaten te vullen Ja, ook toen was ik altijd bij pa.’
De ene dag woon je ‘veilig’ achter een dijk, de volgende dag is alles anders. ‘Na de ramp stond ons huis op het strand’, zegt Riet. De dijk was weggeslagen, veel duinen ook. ‘Het was fantastisch. Als je zat te eten, zag je zo de schepen naar je toe komen varen. Raar, maar mooi. In de zomer zag je alle badgasten op het strand. Zelf kon je zo vanuit huis in je badkleding het zeewater in. Terug gingen we douchen in het kantoor van Rijkswaterstaat. Als het hoogwater was, stond het water helemaal rondom ons huis Ja, we hebben die twee jaren vaak natte voeten gehad.”
‘Het huis was niet aangetast door de ramp, er was niks kapot. We hebben nog twee jaar op het strand gewoond. In oktober of november 1955 was er weer een westerstorm. Een hele hoek van het huis sloeg toen weg. Het was te link om er te blijven wonen, want als het water hoog kwam, zou je absoluut natte benen krijgen.”
Het gezin Hoek betrok een noodwoning, afkomstig uit Den Bommel. Later, in 1958, volgde opnieuw een verhuizing. Naar een andere kantonnierswoning, binnen de dijk. Het strandhuis werd gesloopt. Riet: ‘Als het huis er nog zou staan, zou ik niet graag terug willen. Je was er van God en alle mensen verlaten. Alleen in de zomer was er wat drukte op het strand.”
Desondanks kijkt Riet met plezier terug op die periode uit haar leven. ‘Behalve de ramp dan. Dat hoop ik nooit meer mee te maken.’ Verder was het één groot avontuur in een fantastische omgeving. Bijna een idylle. Naar de peilschalen om de waterhoogte vast te stellen, konijnen vangen, helm aanplanten, varen in de reddingsboot. Altijd met vader Bram, die het werk bleef doen tot zijn overlijden in 1967. ‘Bang ben ik nooit geweest. Pa zei: als het water over de bitumendijk komt, dan verzuipen we allemaal. Het is nooit gebeurd.”

Topotijreis 2025 met zandsuppleties voor de kust en na ophoging ligt de bitumendijk grotendeels onder zand.
Naschrift
Recente info over het Flaauwe werk op Wikipedia
Hierin staan o.a.: “De kruin van de zeedijk lag in het begin van de 21e eeuw op NAP + 9,7 meter. Het buitentalud en de kruin waren voorzien van een deklaag van asfalt. Over de dijk was een fietspad aangelegd. In de Wet op de Waterkering is vastgesteld dat de zeedijk moet voldoen aan de veiligheidsnorm van 1/4000 per jaar. Het Flaauwe Werk voldeed niet aan de veiligheidseisen. Besloten is tot een structurele verbetering en in 2007/2008 is de bestaande dijk over een afstand van 1.5 kilometer 3 meter hoger en landinwaarts 30 meter breder gemaakt. Tevens zijn nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd. De asfaltdijk is niet meer zichtbaar doordat de dijk is overdekt met zand en een geheel vormt met de duinen eromheen.”
Kees van Rixoort
Ontleend aan: Eilandennieuws, 23 december 2025
“ Al jaren is de website Duinenenmensen.nl het forum voor iedereen die zich verdiept in het Nederlandse duinlandschap. ‘Voor wie het landschap wil doorzien’, luidt de veelzeggende leuze. Dat ‘doorzien’ is breed. De website focust niet alleen op natuur en landschap, maar ook op historie, cultuur, exploitatie en archeologie.”
Lees hier recente hulpvragen van de redactie over de Kwade Hoek. Wie helpt ons aan meer info en beeld?
“De website is geen TikTok-hit, zegt de initiatiefnemer met een glimlach. Maar met 50.000 bezoekers per jaar is Duinenenmensen.nl zeker een website die de aandacht trekt. Zowel van wetenschappers en andere deskundigen als van liefhebbers: van de lokale gebiedskenner tot de fotograaf en van de vogelaar tot de amateurarcheoloog. ”
Rolf Roos
Publicatiedatum: 18 december 2025. Aanvullingen welkom.
De titel van dit stukje verwijst naar één van de mooiste Romeinse zegswijzen, ook bij Asterix gebezigd: “Wat (de oppergod) Jupiter mag, mag een rund nog niet” (Quod licet jovi non licet bovi). Kortom: een hooggeplaatste heeft andere rechten dan het voetvolk. Deze antieke wijsheid schittert in volle glorie bij de afgifte van vergunningen door Natuurmonumenten rond 1975. We belichten een drietal gebruikers van de Kwade Hoek: een lokale grondbezitter van de Oostdijk, een vogelliefhebber uit Ouddorp en een strandvisser uit Hellevoetsluis aan wie, zo zal blijken, heel verschillende rechten worden gegund. Vogelman, Visser en Vermogende buur komen elk weer anders uit de papierwinkel te voorschijn. We duiken in de aanvragen en vergunningen uit het archief van Natuurmonumenten, ondergebracht in de Stadsarchief Amsterdam, archiefnr. SAA 999-833.
Voor het goede begrip van de geciteerde brieven (die allemaal als link zijn opgenomen): Natuurmonumenten was toen (en nu) strak georganiseerd en van directie tot opzichter kreeg men schriftelijke aanvragen en correspondentie te zien. Alle meelezers staan ook met initialen op de brieven, die dan door de diverse lagen in de interne bureaucratie konden worden afgevinkt. Bij deze correspondentie spelen in wisselende bezetting een rol: de directeuren Hessels en Gorter, inspecteur Prins, hoofd van de Afd. Onderzoek en Beheerplannen Kop, districtbeheerder Hamer, opzichters Vlietland (1975) en Kuiper (1977). Het siert Natuurmonumenten dat er nette brieven kwamen als antwoord op nette verzoeken. Verder: hulde dat ze ook zijn gearchiveerd!
We beginnen met het eenvoudig verzoek van Krijn Tanis in 1975 om nestkasten te controleren waarvan een aantal op de Kwade Hoek hingen. Voor het goede begrip, omdat er vele vele mannen op Goeree de naam ‘Krijn Tanis’ dragen, dit is de besnorde timmerman uit Ouddorp, al meer dan 50 jaar natuurbeschermer op Goeree, waarvan op deze site ook een portret staat. Uit zijn handgeschreven aanvraag blijkt dat hij al enkele jaren in overleg met boswachter Vlietland nestkasten voor torenvalk en mezen volgt, ook toen het terrein nog niet aan Natuurmonumenten in gebruik was gegeven. Hij krijgt na de check door diverse andere heren
uiteindelijk van hoofd afd. onderzoek Kop de vergunning, maar let op de veelzeggende, maar kleine aantekeningen: “Voor mijn part toestaan..(..) maar heeft dit in zo’n terrein wel zin?” De waardering voor vrijwillig vogelonderzoek spat er niet van af. En vooral niemand meenemen. Krijn Tanis zou de komende decennnia een van de waakhonden zijn van het natuurbeheer op de Kwade Hoek en het hele gebied doorkruisen en van veldnamen voorzien die we op deze site hebben gepubliceerd. Personeel van Natuurmonumenten komt en gaat, grond en aanwonenden blijven. 
In 1977 vraagt strandvisser Breur uit Hellevoetsluis om een doorgangsbewijs (tegen laag tarief) om vlot op het strand te kunnen komen (hij is al 65). Daarvòòr deed hij dat waarschijnlijk altijd vanaf Havenhoofd, wat oogluikend werd toegestaan door Jan Vlietland, boswachter tot 1975. Natuurmonumenten, dan net terreinbeheerder van de Kwade Hoek, wijst Breur’s handgeschreven verzoek af. We citeren uit de afwijzingsbrief de motivering van Prins, Inspecteur.
“Het is niet onze gewoonte om via allerlei bijzondere regelingen de toegangsbepalingen van de terreinen te verruimen. Zoals u zich wellicht kunt voorstellen, bent u niet de enige die daar gaarne gebruik van zou willen maken. Indien wij willen dat er tenminste op nog enige plaatsen in Nederland sprake is van ongerepte natuur, dan dienen wij daar de consequenties uit te trekken.”
In het licht van dit argument van Prins in zijn brief aan de visser (‘geen bijzondere regelingen’) is het frappant om te lezen dat rond 1975 Jacob Breen, lokaal grondeigenaar en pachter (ook van een deel van de Kwade Hoek) inclusief een fijn zomerhuis op het aangrenzende duin, voor zichzelf en familie wel ruime rechten krijgt om het gebied te betreden, inclusief het beweide gors (‘het weiland’). Directeur Gorter, ondertekenaar van deze brief, wilde zo de bij tijd en wijle best gespannen relatie met deze rijke & lastige buren mogelijk apaiseren. Zie ook ons artikel over de conflicten met directeur Hessels over beëindiging van de pacht van het gors rond 1973. We citeren Gorter, die gul is, maar wel de puntjes op i zet:
“Hierbij verlenen wij u – na overleg en op verzoek van de heer Breen te Goedereede, Oostdijkseweg 30, toestemming tot betreding van het natuurmonument de Kwade Hoek voor het jaar 1975; kinderen tot uw gezin behorend mogen eveneens terrein bezoeken echter slechts onder leiding van u resp. één uwer. De toegangsvoorwaarden, zoals vermeld in het nabij de toegang bij het “Lichtje” geplaatst oriënteringskastje, zijn op deze vergunning van toepassing. Daarenboven is in deze vergunning begrepen het afgerasterde weiland, zodat u ook dit kunt bezoeken. Wij verzoeken u echter op dagen en tijdstippen waarop veel bezoekers de Kwade hoek Bezoeken, betreden van het weiland zoveel mogelijk te beperken, respectievelijk na te laten ter voorkoming van navolging van uw voorbeeld door andere bezoekers.”
Veelzeggend is dan weer de handgeschreven dankbrief van Jacob Breen, die vast wel vermoedde dat dit voorrecht niet eeuwig zou duren. Interessant in onderstaand citaat is dat Jacob Breen meldt dat ‘de familie vanaf het ontstaan vee liet grazen’. Dit waren op het gors echter altijd kleine boeren, onderpachters van Jacob Breen, die hier hun inkomen uit haalden. Het toedelen van credits voor instandhouding door beweiding van het terrein aan de eigen familie (zie de laatste zin) is dan ook niet echt kies. Zie ook het redelijk vernietigende commentaar uit 1947 van Van der Kloot (Stichting Natuurmonument de Beer, voorganger van Natuurmonumenten op de Kwade Hoek) over het beheer door de fam. Breen van de zeereep (eigendom van de familie Breen): wel de lusten, niet de lasten. Hieronder het kenmerkende citaat van Jacob Breen, die natuurlijk zeer aan het gebied verknocht was:
Zeer regelmatig komen we in de papieren wereld mooie artikelen tegen die we ook graag welkom heten op duinenenmensen.
Bijgaand een ‘late recensie’ van drie prachtige duinboeken uit eind jaren ’50, begin ’60 door Frans Beekman.
Link naar alle nummers Holland’ Duinen vanaf 2009:
Zeer regelmatig komen we in de papieren wereld mooie artikelen tegen die we ook graag welkom heten op duinenenmensen.
Van de hand van ‘historisch ecoloog’ Bert Maes bijgaand een verhaal over de duinstruwelen van Meijendel en Solleveld. Hij begint zijn verhaal met een klein eerbetoon aan Clara Sloet van Oldruitenborgh, een pionier op duinstruweelonderzoek.
Link naar De Duinstruwelen Meijendel Solleveld
Meteen attenderen we onze lezers op meer artikelen van Bert Maes op deze site:
Wilde rozen in het duin – determinatietabel
Een film met hem over rozen op Schiermonnikoog uit 2001:
Wilde rozen op Schiermonnikoog
Link naar alle nummers Holland’ Duinen vanaf 2009:
Zeer regelmatig komen we in de papieren wereld mooie artikelen tegen die we ook graag welkom heten op duinenenmensen.
Van de hand van historisch geograaf Frans Beekman bijgaand een verhaal over wandelende duinen, die, ook als ze tot stilstand komen, het verhaal over ontstaan en gebruik van de duinen vertellen.
“De meeste geomorfologische namen van duinvormen zijn bedacht door wetenschappers, zoals paraboolduin of binnenduinrand. Een oude volksnaam uit de Hollandse duinen is ‘looper’ (loper) voor een vrij bewegend loopduin, in het Duits Wanderdüne. Er zijn van ‘looper’ al vroeg vermeldingen. In het gebied Meijendel heet een duin De Loopert.”
Link naar artikel ‘Loopers’ in de Wassenaarse duinen
Meteen attenderen we onze lezers op een artikel over de duinen van Schouwen van zijn hand in een tijdschrift ‘Aarde & Mens’ dat maar drie jaar bestond, en bij deze ook is gered uit de papieren wereld: ‘Brede binnenduinrand een zeldzame gradient‘.
Link naar alle nummers Holland’ Duinen vanaf 2009:
Rolf Roos
(met dank aan Gerard Lokker en Gerard Ouweneel)
9 december 2025
Rond 1947 maakte Stichting Natuurmonument de Beer een inventarisatie van eigendommen en beheer in het duin- en kustgebied van Goeree waarvan een mooi kaartje is overgeleverd. Van de Kwade Hoek, aangegeven met dun lijntje, wordt op deze kaart geen eigenaar aangegeven, maar het was net als nu van de staat (Domeinen) en werd voor een laag bedrag verpacht, reden waarom ook deze stichting interesse had en het tot ca 1975 in beheer kreeg. Daarna werd het tot op heden in bruikleen gegeven aan Natuurmonumenten.
In de periode ca 1953 – 1973 waren Arie Blokland en Jan Vlietland voor Stichting Natuurmonument de Beer bewaker van terreinen van deze stichting op Goeree zoals de Punt, de Kwade Hoek en de Scheelhoek. Ze maakte verslagen waarvan een deel is bewaard gebleven in het Stadsarchief van Amsterdam (archiefnr. 999-2639). Dit geeft onverwachte inkijkjes in de gebieden zelf, maar ook hoe beheerders er vroeger mee om gingen. En hoe natuur vroeger werd beschermd en beheerd. In hun gebieden waren ze zeker geen alleenheerser. Werkzaamheden van gemeentes of van Rijkswaterstaat passeerden soms zonder dat ze op de hoogte waren gesteld, er waren vissers die vanaf het strand op kabeljauw gingen vangen, er was zeer veel stroperij in de nacht en overdag kwam een langzaam toenemende stroom dagjesmensen op gang. In de teksten van Blokland veel aandacht voor diverse nieuwe toeristenstromen, inclusief kampeerders ‘in de staatsduinen’. Maar door aangroei van de kust en meer slib ziet hij het er voor de vogels gunstig in. Deels een heel andere wereld dan anno 2025: veel patrijzen, een groeiende konijnenstand en er zijn rapers van kievitseieren alsof we in Friesland zitten!

Lokatie van de Zeemeeuw (tussen dijk en duin gelegen) ter hoogte van strandpaal 10 op kaart van ca 1980
Arie Blokland, aan wie volgens Gerard Ouweneel, vogelkenner, kleefde dat hij in de oorlog te amicaal met een Duitse officier was omgegaan (ook een natuurliefhebber), had een karakteristieke kop met hoed en eeuwige sigaar. In 1959 en 1960 nam hij de bewaking van Jan Vlietland op de Kwade Hoek deels waar en uit die zomers hebben we een aantal interessante rapporten. Voor het goede begrip: zijn werkterrein liep van Havenhoofd (toen nog met pieren rond de havenmonding) over het gors met lage duintjes en de slikken richting het strand tot aan de andere kant in het westen de uitspanning ‘De Zeemeeuw’ lag 6km kuststrook. Richting de zuidgrens met de waterleidingduinen (Oost- en Middelduinen) werd het terrein minder overstroomd en ook zoeter. Maar ook het gors zelf werd niet door puur zout water overspoeld maar was brak en relatief rijk aan slib, doordat uitstromend zoet Rijnwater zich in de monding van hert Haringvliet kon vermengen met zeewater.

Strandafgang met trappen nabij de Zeemeeuw. Arie Blokland memoreert hier de kustafslag en gebrek aan daadkracht van het waterschap. (Dat zou later wel uitpakken met hele herstelwerk rond Flauwe Werk).
In september 1959 meldt Blokland aan zijn bestuur een gemengde aanklacht tegen de toestroom volk : “Bijzonder druk langs het strand, het drukste wel nabij de Zeemeeuw, waar het werkelijke strand is, maar ook twee trappen vanaf de duin en zijn gemaakt (..) Tot op de punt van de Kwade Hoek overal zijn dan mensen ze komen er vanaf het strand bij de Zeemeeuw en dwars door de duinen bij de buitenkant.”
En:
” In de omgeving van het Licht (red.: bij paal 8) heb ik ook wel kampeertenten zien staan in de staatsduinen.”
En:
” Er waren mensen die de woonbunkers wilden kopen van de waterstaat.”
Tenslotte meldt hij: ‘niet veel wild’ maar wel patrijzen!
Maart 1960 treffen we weer een verslag van Blokland: een vroeg voorjaarsbeeld wanneer door kou en nattigheid en zout het gras nog niet wil groeien. Een een mooi citaat over de weidevogels op de Kwade Hoek:
” Kievitten en Tureluurs zijn er weer een flink aantal, er zijn nog weinig kievitten die eieren hebben. De eierzoekers meest jongens Goereese hoofd treft men daar weer zoekende aan.”
Juli 1960: behalve bezoekers van alle kanten komen er ook plezierbootjes vanaf Goereese hoofd.
Hij meldt in juli ook sterke aangroei bij ‘de uitstekende punt’ en met ‘kleinere soorten vogels’ en konijnenstand gaat het goed.
Dan is het september 1960 en meldt Blokland gevolgen van Deltawerken: de kust komt meer naar buiten, er komt meer slib, “zodat de vogels daar ok wat meer aas kunnen vinden.” En hij voorspelt een strand bijde haven van Goedereede ‘als de dam verder dicht gaat.’ Ook weer met kansen voor de vogels.
In een bewaard jaaroverzicht 1960 meldt Blokland ook vermindering van nesten uithalen,” hoewel nog lang niet afdoende.”
Tenslotte troffen we in zijn jaarverslag 1960 nog een reflectie op de oorlogsjaren die, zo suggereert hij tussen de regels door, goed waren voor de natuur (geen vee, geen betreding, geen eierzoekers en meer vogels waaronder dwergstern en grote stern). ” Maar de eieren werden weggehaald zodat ze vertrokken zijn.”

Via Gerard Ouweneel ontvingen we een prachtige foto van Arie Blokland rond de jaren ’50 waarin hij 2 of 3 bestuursleden van de Stichting Natuurmonument de Beer, oudere heren in smetteloze hemden en keurige plusfours, afzet op onbekende lokatie, mogelijk de Scheelhoek. Na een roeitochtje op een windstille dag. Een leeg en plasticvrij landschap.
Bronnenlijst historie Kwade Hoek
Rolf Roos
“Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. ” (Opzichter Jan Vlietland, 1966)
Rond 1900 stond er, behalve in de polder, ook vee in bijna elk duin- of gors van het voormalige eiland Goeree. Het buitendijkse land was vanouds bezit van het waterschap of de staat, maar het werd uitgebaat (verpacht) of, later, in beheer gegeven aan terreinbeheerders. Op het gors stonden melkkoeien, jongvee en af en toe een stier. Ook paarden, die je in de avondzon vanaf het duin kon zien rondrennen. Het vee was van aanwonenden (tot ca 1950 had bijna iedereen in de duinrand wel een koe of varken), kleine veeboeren langs het duin of uit de polder. Soms kwamen er over water aangevoerde dieren voor zomerbeweiding. Uit bovenstaand citaat blijkt dat de boswachter in 1971 niet helemaal scherp had wie wel en niet boer was op het gors, en dat lag, zoals zal blijken, niet aan hem.
Want hoe ging dat met de beweiding op de Kwade Hoek, wie waren er eigenaren en pachters, wie waren er onderpachters? We focussen ons op de periode 1945-1975 en een conflict dat toen speelde, maar vermelden eerst de oudere gegevens. We onderzoeken oude teksten, kaarten en foto’s en spreken direct betrokkenen. Dat zijn o.a. bewoners van de Oostdijkseweg: Jan van Splunter (geb. 1940) en Annelies Breen (1942), die de jaren 50 – 70 actief hebben meegemaakt. Ook komen we meer te weten over de eerste boer op het gors na de oorlog, Kommer Tanis (bijgenaamd Kommer de Brommer sr.), via Maaike, de vrouw van boer Kommer de Brommer jr. Ook hàar zoon Kommer (jr. jr., veehouder) en dochter Lenie (van de bloemenwinkel de Korenbloem uit Goedereede) maken ons verder wegwijs. We putten verder uit schriftelijke bronnen, o.a. uit het Beheersplan 1971 (zie hiervoor ook het inleidend artikel op deze site) en gebruiken divers kaartmateriaal. Diverse koeienwachters passeren de revue en ook heibel over de pacht en de aantallen stuks vee waar zelfs de directeur van Natuurmonumenten zich nog mee bemoeit. Vreemdste bijvangst bij al dit speurwerk: een door koeien uitgelopen stuifgat in de zeereep werd een ook nu nog zichtbaar ‘koeiengat’. En we vonden in het gors een oude (vooroorlogse) veedrenkput terug, en wel een zeer grote met opgeworpen wallen rondom. Nodig als zoet water voor het rondzwervende vee? Daarover meer in een apart artikel.
Uit 1851 zijn veilingstukken bekend waarin een onderhoudsplicht van de zeereep wordt vermeld plus een verbod op beweiding ca 70 meter (100 ellen) “van den buitenrand der zeeduinen” en “nimmer paarden of eenig vee”. Of er echt al vee liep is niet bekend Waarschijnlijk wel in de duinen, maar niet op strand of gors (dat er toen nog niet was).
Uit het einde van de 19e eeuw (Wentholt, 1912) weten we dat het gors na 1879 tussen de toenmalige strekdammen ontstond en begroeid raakte. Het heette toen nog niet ‘Kwade Hoek’. Anno 1912 verpachtte het Rijk, de eigenaar, het stuk gors tussen Havenhoofd (paal 4) en de huidige opgang van de Kwade Hoek (paal 8) voor fl. 200 per jaar, voor beweiding. Zie verder ons artikel over het ontstaan van de Kwade Hoek als natuurgebied.
We hebben tot nu toe weinig andere bronnen over beweiding tot 1945. Zeker is dat er toen wel koeien liepen, aldus Kees Hana toen hij in 1938 op de fiets richting Kwade Hoek reed:

Topografische kaart met landschap Kwade Hoek ca 1935 toen Kees Hana het bezocht: alleen gors (groen strand) en geen duinen. Klik op kaart voor uitvergroting.
“Het landschap van de buitenste duinrichels doet opvallend sterk denken aan de Muy op Texel, alleen het groote meer ontbreekt hier. Als je niet zoo duidelijk den Voornschen wal aan de overzijde van het Goereesche Gat zag, zou je kunnen denken op Noordvaarder, Vliehors of Onrust verzeild geraakt te zijn. Wat een strandvlakte! Even naar zee loopen is een heele wandeling. Maar wat is dat daar nu in de verte? Een kudde schapen? Het lijkt wel zoo, doch wanneer de dieren wat dichterbij komen, zien we ineens, dat het allemaal koeien zijn, die hier grazen op het breede, begroeide strand; een jongen houdt de kudde zoo’n beetje bij elkaar.”
Opvallend is dat Hana alleen spreekt van een ‘breed’ en ‘begroeid’ strand en niet van duinen.
Prof. Th. Weevers, kenner van de duinnatuur van Goeree, maakt in een publicatie uit 1940 gewag van ‘sterke beweiding’, maar specificeert dit helaas niet.
“In de laatste jaren beginnen deze plassen vol te stuiven en zijn ’s zomers bijna droog, de vegetatie begint daardoor sterk te veranderen, iets waaraan ook de sterke beweiding door koeien schuldig is”.
Uit de oorlogsjaren zelf weten we tenslotte via een verslag van boswachter Arie Blokland dat er toen geen vee op het gors was, er geen mensen mochten komen en de vogels het gebied meer in bezit namen.
Voor de oorlog waren koeienwachters (kinderen, maar ook volwassenen) op Goeree een bekend fenomeen. Kinderarbeid was nog gewoon, en mocht je niet te slim zijn uitgevallen of gewoon pech hebben dan was het bewaken van de koeien ook voor een ouder iemand een aardig baantje, zij het met een minimale verdienste. Zie de foto gemaakt in de nabijgelegen Oostduinen. Het beweidingsgebied kan zeker over de toen nog lage zeereep doorgelopen hebben naar de destijds kleinere Kwade Hoek richting Havenhoofd, maar van voor de oorlog hebben we daar geen beelden van. In grote delen van de duinen vindt stopzetting van de beweiding in de vijftiger en zestiger jaren plaats, behalve in de Westduinen, de Vuurtorenvallei en de Kwade Hoek. De Oost-en Middelduinen zullen mede daardoor verruigen; thans zijn ze weer beweid.
Ook in de oorlog waren er veehouders op de Kwade Hoek. De vader van Kommer Tanis uit Havenhoofd die in de oorlog op de Kwade Hoek kwam, vertelde aan Kommer dat de vee- of paardenhouders daar voor de Duitsers plaggen moesten steken om de bunkers mee af te dekken, 1943 of 1944. “Die boeren hadden daar weinig zin in en deden een wedstrijdje gedaan wie het minste plaggen tegelijk op de kar kon laden. Toen een boer nog maar een enkele plag meenam toen was het hommeles met de Duitsers. ” (interview met Kommer Tanis dd 16 januari 2026)
Een eerste archiefstuk uit 1947 schept helderheid over de pachtsommen en toegekende betekenis van het gors van de Kwade Hoek. Vogelkenner van der Kloot, (bestuurslid Stichting Natuurmonument de Beer die zich decennia over o.a. de Kwade Hoek ontfermde), achtte in een advies aan zijn bestuur de botanische waarden laag ’ten gevolge van de intensieve beweiding’, wellicht had hij Weevers, 1940, slecht gelezen want Weevers meldt vele bijzondere planten. Elders schrijft van de Kloot dat deze pachtsom ‘zeer laag’ is en men wellicht het oostelijk deel alleen hoefde te verpachten (en de rest tot ‘Natuurmonument’ bestempelen d.w.z. zonder beweiding. Dit is later (jaren ’70?) ook gebeurd.

Uit: Van de Kloot, 1947. Overzicht van de eigendoms- en beheersverhoudingen in het duingebied van het eiland Goeree. SAA 999-2639
Een tweede passage schetst de scheve verdeling van lusten en lasten van de na de oorlog ook door koeien begraasde particuliere duinen van de familie Breen. Ze deden en faciliteerden alles wat maar een beetje geld opbracht: beweiding, jacht, kamperen en zandafgraven.
We lezen verder in een verslag uit 1957 van de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) dat er ‘wilde paarden’ spartelden in de meertjes die waren ontstaan. Hoe wild was deze noordwestelijke uithoek van Goeree? Of werd het gors zelfs gecultiveerd en behekt voordat vanaf ca 1975 het natuurbeheer de boventoon ging voeren bij de nieuwe beheerder, Natuurmonumenten? Uit 1961 hebben we de beschikking over een doorwrocht verhaal van Westhoff e.a.. We citeren wat hij over beweiding zegt, duidelijk met een opvallend positieve toon, geheel anders dan bij Weevers voor de oorlog en van der Kloot in 1947 (pag.56):
Beweiding Kwade Hoek rond 1965; het vee is van Kommer de Brommer sr. en jr. en werd gemolken nabij ‘Haveneind’ (Havenhoofd). We kijken noordwaarts richting lage duintjes die het gors van de zee afschermen. Een niet herkenbare figuur, mogelijk Kommer de Brommer jr., lijkt het vee oostwaarts richting melkplek bij Haveneind te drijven.
“De Kwade Hoek, aan de noordkust van Goeree langs het Haringvliet gelegen, behoort tot het terreintype dat men wel aanduidt als “groene stranden”. (..) Evenwijdig aan de kust strekken zich een aantal lage, smalle, onderbroken duinrichels uit, waartussen min of meer vochtige, langgerekte duinvalleien liggen, die op onregelmatige tijden nog door de vloed worden bereikt. Aan de landzijde wordt dit geheel tenslotte afgesloten door een hoger oprijzende duinenrij, die als zeewering fungeert. Het gebied wordt in uiteenlopende intensiteit matig tot licht door vee beweid. Vermoedelijk is dit in zoverre een stabiliserende factor, dat het vee, door de vegetatie en het oppervlak der lage duintjes te storen, deze verhindert verder op te groeien, zodat de valleien niet van de zee worden afgesloten. Uit het oogpunt van het voortbestaan van de botanische betekenis van het gebied is dit een positieve invloed.”
Bakker et al melden in hun duinvalleien-rapport uit 1979:
“In 1967 adviseerde het Biologisch Station “Weevers Duin” zelfs een uitbreiding van de beweiding: “In het gebied van de Kwade Hoek vindt beweiding plaats met jongvee; (tot 1967 melkvee op het schor) ± 100 stuks. Niet in het hele gebied (v.n.l. in het oostelijk deel). Voorgesteld wordt een iets groter aantal te laten grazen in het gehele terrein”.
“Momenteel (red.: 1979) wordt het oostelijk deel (Groene Strand) beweid met ongeveer 50 stuks melkvee, gedurende het gehele seizoen op één zelfde gedeelte, binnen afrastering. Vroeger schaarde men het vee op een klein deel in, men liet dit “afgrazen” en verplaatste het vee vervolgens naar een ander terreingedeelte.”
De topografische kaart van vlak na de oorlog toont een landschap, ogenschijnlijk zonder hekken. Gors, duin en dijk gingen in elkaar over. Let op enkele details, waarvan we sommige zullen bespreken: het kleine uitsteeksel van het duin richting zee, het ‘slurfje’ tussen een paal 7 en 8 en de rechte slootjes in twee kreken op het gors. Strekdammen uit ca 1830 zijn niet meer aangegeven, maar waren toen nog wel voor de weinige recreanten, stropers en boswachters zichtbaar. Vlakbij de ‘lantaarn’ (’t Lichie van Moosje’) is met een rood puntje de rond 1978 onder de nieuwe zeereep verdwenen duinboerderij van Moosje Hoek te vinden met een klein door elzen omzoomd huiskaveltje, naast de ongetwijfeld toen zeer bloemrijke graasgronden van het Plaatje (met daarin nog dijkputten uit ca 1715). Het Plaatje is nu deels parkeerplaats. Bos was afwezig. Vrijwel de hele Bokkepolder bestond uit grasland (met weidevogels en orchideeën) en akkerland.
Jan van Splunter, jager, woont al levenslang op het buurtschap Oostdijk, aan de Oostdijkse weg nabij de opgang naar de Kwade Hoek. Hij maakt ons verder wegwijs. Hij is via familie verweven met de Oostdijkse weg en de Nieuwendijk en kent het landschap en al haar bewoners van net na de oorlog. Vroeger waren er duintjes bij en op de Helmdijk, die volgens Jan zijn afgegraven in 1953 (en eerder al in de oorlog, red.). Alles was destijds open; vee liep over dijken, duinen en gors (groene strand) en er waren nauwelijks bomen. Er liepen koeien van lokale bewoners en veehouders, maar ook kwamen er per boot koeien van elders (Putten, Dordrecht). In die tijd net na de oorlog waren er koeienwachters. Jan van Splunter: “Maar er verdronk wel eens een koe, zeiden ze, en die werd dan achter een bunker van de Stellingweg geslacht en verkocht.”
Op nr. 8 langs diezelfde Nieuwendijk woonde rond 1950 Leun Temmink, waarvan het verhaal de ronde doet dat hij de dag begon met een cognacje (vieux) met een rauw ei. Hij had 3-4 koeien en was ook koeienwacht in het duin tot aan Havenhoofd. Zijn vrouw heette Lammetje (Lammechien). Leun plaagde Lammetje met de oneliner: “als je niet ….doet dan breng ik je naar de markt”. Annelies Breen herinnert zich hoe ze met een akertje (kleine melkbus voor ca 5 liter) hier als kind melk ging halen (ca 1955).
Op Nieuwendijk 12 woonde een oom van Jan, Arend van Splunter. Volgens Jan had hij al voor de oorlog 5-6 koeien terwijl zijn oom Jaap van Splunter, boerenknecht geen vee had en in het buurhuisje op nr. 14 woonde.

Uit die tijd kennen een foto van het kaal gevreten gors met slechts een enkele koe, van de hand van Kees Hana (1963)
Uit het verhaal van Jan van Splunter komt een beeld naar voren van een open landschap waar een ieder naast een hoekje eigen grond ook dijk, duin en gors benutte en diverse personen koeienwachter waren of een paar koeien hadden, steeds met een schamel inkomen. Het gors heette in de volksmond “het weiland”, aldus Kommer Hoek uit Ouddorp. Bij boswachter Jan Vlietland heet het ‘de grasvlakte’ of het ‘grasland’.

Luchtfoto 1943. Na de oorlog was het landschap open en vrijwel boomloos. De Kwade Hoek was een smalle aangroeikust: een groen strand met slechts een enkele, onderbroken, duinenrij. De 19e-eeuwse strekdammen zijn hier al niet meer zichtbaar.
Annelies Breen woont met haar man sinds 1988 langs de Oostdijkse weg maar komt vanaf haar tiende, 1952, veel in het gebied omdat haar vader Jaap (Jacob) Breen (1905-1983) hier 40 hectare duin en duinrand bezat, die hij weer had geërfd van zijn vader, ook een Jacob (1865-1928). Het was familiebezit geworden bij een veiling van rijksgronden in 1851. Overigens inclusief een verbod op beweiding door paarden of vee 70 meter vanaf de buitenrand der zeeduinen. Maar of dit ooit is gecontroleerd? Jacob Breen bezat 40 hectare duin: o.a. de hele zeereep tot aan Havenhoofd, die grotendeels werd onteigend toen de zeereep bij de Deltawerken moest worden verhoogd. Bovendien pachtte Jacob, in aanvulling op zijn duinbezit van 40 hectare, na de oorlog het gors dat hij weer onderverhuurde aan veehouders, waaronder Kommer de Brommer sr. en jr. 
Zeereep bij Kwade Hoek volgens hoogtekaart; klik op de kaart voor uitvergroting dan worden in het gors diverse sloten zichtbaar.
Over haar vader, Jacob, vertelt Annelies dat hij de naoorlogse beplanting van o.a. de Stellingweg op zich nam. Hij liet zich daarbij adviseren door Cees Sipkes uit Oostvoorne die diverse exoten aanvoerde. De Stellingweg en het duin van de zeereep waren ook zijn bezit (zie ook artikel elders op deze site). Jacob heeft volgens Annelies ook eigenhandig sloten gegraven op het gors om de afwatering te verbeteren waardoor het beter begaanbaar was voor koeien (zie de slootjes op de topografische kaart hierboven en bijgaand detail van de hoogtekaart 2025 met diverse slootjes en rechte kreken). Graafwerk van meer dan een halve eeuw geleden blijft lang zichtbaar.
Volgens Lenie Tanis is haar grootvader Kommer Tanis (Kommer de Brommer sr.) begonnen met vee dat er vlak na de oorlog rondliep en dat hij via Jacob Breen en een Dordrechtse veeboer voor een zacht prijsje kon overnemen. “Hij wilde helemaal geen boer worden, maar startte met 20 drachtige koeien en werd vervolgens levenslang boer, na 1975 op Breengronden aan de binnenduinrand.” Kommer jr. volgde hem op (maar na ca 1973 niet meer op het gors) en zijn zoon Kommer jr. jr. is tot op heden veehouder.
Annelies vertelt weer een ander verhaal door, van haar vader, namelijk dat rond 1947 Kommer de Brommer sr. vee weidde op het gors van de Kwade Hoek en naar haar vader Jacob riep: “Het duin bij ’t Plaatje gaat er aan”. Omdat de koeien een vaste looproute hadden van het gors naar de (melk)stal (destijds hier maar later ter hoogte van Havenhoofd) was er een pad geërodeerd en een stuifgat in de duinen ontstaan: het ‘koeiengat’. Het bevond zich tussen het lichtopstand (de lantaarn) ’t Lichie van Moosje en Huize De Bult. Het bijzondere is dat de plek op de luchtfoto 1943 en op de topografische kaart 1950 goed te zien is als een ‘slurfje’. En ook ann0 2025 zit hier nog een uitstulping. Omdat het duin op Goeree oost-west is georiënteerd kan in een periode met veel zuidenwind bij een stuifgat zo’n vorm zijn ontstaan. Annelies Breen vertelt dat Jacob Breen vele jaren helm heeft geplant om het duin te behouden, zeker van 1947 tot 1972, 25 jaar lang. Dit was overigens een verplichting vanuit het waterschap.
Dat brengt ons naar februari 1953, de ramp waarbij de zeereep het hield maar delen van Goeree (ook de Bokkepolder) ‘achterom’ onder liepen via dijkdoorbraken, waarbij veel vee verdronk. Daarna wilde de overheid het duin en zeker de zeereep weer in eigen hand hebben. Eind jaren 60 volgde gedeeltelijke onteigening en daarna de kunstmatige ophoging van de zeereep, zie ook onderstaande luchtfoto met de start van de aanleg van de nieuwe zeereep ter hoogte van de huizen van Haveneind.

Een luchtfoto uit 1970 met daarop de eerste sporen van duinverzwaring bij Havenhoofd, en enkele bomkraters en vele slootjes (ter ontwatering van het gors).
Volgens boswachter/opzichter Jan Vlietland in 1965 doen koeien in de Parnassiavallei (ook bekend als Parnassiaslenk) het gebied daar geen goed:
” Mijn inziens is het echter wel nodig om er een wijziging in aan te brengen voor wat betreft de Parnassiavallei. Het lijkt me voor de groei van de Parnassia niet bevorderlijk wanneer die vallei voor de bloei wordt beweidt. Door de drassige bodem worden dan veel planten in de grond getrapt. Ook na de bloei is dat wel zo, maar dan is in ieder geval het zaad eraf. Ik geloof dat maaien toch de beste oplossing zal blijken te zijn. Laat ook de heer Beeftink daar zijn mening eens over geven.” (Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)
Deze discussie zal later in de zeventiger jaren leiden tot een oostelijk (beweid) en westelijk (onbeweid) deel, een situatie die we tot op heden (2025) aantreffen. Bovendien is melkvee geheel verdwenen en het aantal stuks jongvee tegenwoordig te laag om zeekweek en verruiging geheel terug te dringen. De vroeger beschreven ‘grasvlakte’ vol gele rolklavers en roze kattendoorns (een typische soort die het bij veel beweiding goed uithoudt, want stekelig) is vervangen door een landschapsbeeld van lage duindoornduintjes en brakke moerasplanten (een zeer zeldzame levensgemeenschap) en in de laagtes veel ‘echte’ zoutplanten met daartussen plekken die kort begraasd worden, soms wat zoeter zijn met ook veel bijzondere soorten, waaronder, sinds 2025, moeraspaardenbloem. Zie artikel op deze site.
Maar terug naar 1965 en de aansturing van de beweiding. Ook daarover heeft Jan Vlietland in de richting van zijn bestuur een noot te kraken want hij blijkt onvoldoende zicht te hebben wie er vee inschaart en wil geen koeien meer buiten rasters waardoor ze in het water terecht komen:
“Zoals ik reeds zei zou het ook goed zijn op de een of andere manier te voorkomen dat, zoals dat woensdag het geval was, dieren in het water komen, dus dat er na 1 november geen vee meer aanwezig is. Ook zou ik graag in het vervolg willen weten van wie er niet op de Kwade Hoek loopt. Het komt namelijk in de zomer nogal eens voor dat er mensen zijn die zeggen bij hun vee te komen kijken en dat dan later blijkt dat ze er niet eens vee hebben. Er zit hier ergens iemand die ze zo wijs maakt. Het beroerde is namelijk dat zo’n bezoek zich meestal uitstrekt tot de broedkolonies, wat natuurlijk voor de grote stern niet goed is. Het zou wel goed zijn als ik dan op de inscharingsdag daarbij aanwezig was, om ook de mensen persoonlijk te zien. “(Brief van Jan Vlietland aan de Voogd, 21 november 1966)
Ook uit maandverslagen 1971 (zie fragment mei) van Jan Vlietland blijkt dat de verhouding Kommer Tanis jr niet zonder zorgen is. Zo gaf Jan Vlietland geen toestemming voor het strooien van kunstmest. Maar of dat nooit gebeurd is valt niet te achterhalen. In juni maakt Jan Vlietland zich geen zorgen meer over de grasgroei voor het vee; zie fragment juni. In augustus rapporteert hij dat er sprake is van overbeweiding en schrijft in oktober over tijdig weghalen van het vee door de boer (Tanis) als de waterstanden in het najaar weer toenemen.
Jacob Breen, eigenaar van de duinrand, was sinds de oorlog hoofdpachter van het gors en we komen hem dan ook tegen in het Beheersplan van Stichting de Beer over de Kwade Hoek uit 1971:
“Een deel van bet Groene Strand is verpacht aan de heer J. Breen te Goedereede. Deze heeft weer onderverpacht aan een melkveehouder te Goedereede. Deze schaart in. Het aantal stuks melkvee is vastgesteld door bet Bestuur van de Stichting in overleg met een natuurwetenschappelijke adviescommissie en de pachter in verband met de botanische waarde van bet Groene strand. (…) De onderpachter beweidt volgens advies van een natuurwetenschappelijke adviescommissie. De beweiding vindt plaats in twee fasen. Het oostelijke deel eerst, na half juli het westelijke deel.
In de richting van de zee is het Groene Strand afgesloten door een puntdraadheining. De plaats hiervan kan wisselen. Overleg hierover vindt plaats via de natuurwetenschappelijk medewerker. Het melken van het vee gebeurt aan het eind van de toegangsweg naar het Groene Strand. Normaliter wordt het Groene Strand alleen betreden door de (geregistreerde) boeren tijdens het melken en bij eventueel bezoek van de veearts tijdens het inscharen of bij andere incidentele gebeurtenissen. Bij het inscharen is de opzichter aanwezig. Het hek dat toegang geeft tot de weg naar het Groene Strand is gesloten. Een slot is niet mogelijk en onpraktisch. De boeren moeten zorg dragen voor het sluiten na toegang of vertrek.”
Tot zover de regelgeving. De praktijk moet weerbarstiger zijn geweest. In de verhalen van Maaike, Lenie en Kommer Tanis (jr. jr.) komt deels een ander verhaal naar voren. “Er werd niet gemolken bij ‘Het Zwarte Hek” (thans een ijzeren hek dat de huidige pachter Grinwis gebruikt) maar helemaal achteraan bij het Haveneind (zie foto). Eerst met de hand, later stond daar een melkmachine.” Onderhoud van de heiningen was voor de boer. De foto’s vertellen een eigen verhaal.
In deze jaren verdwijnt Stichting de Beer geleidelijk uit het zicht en wordt de directeur van Natuurmonumenten, Hessels, penvoerder, soms ook op briefpapier van de Stichting. Er is gedoe over aantallen dieren en beweidingsschema’s en het is bepaald onhandig dat er niet één enkele pachter is (J. Breen) maar verschillende onderpachters. Er lopen koeien en soms paarden van diverse boeren, genoemd worden ‘de heer Tanis’ en ‘de heer Grinwis’. In de archieven van Natuurmonumenten bij het Amsterdams Stadsarchief lezen we de brieven die tenslotte aansturen op de beëindiging van de pacht aan Jacob Breen.

Eind jaren 60 was productie op gors zo hoog dat er werd gehooid. Op de trekker zitten Kommer Tanis (Kommer de Brommer jr.) en zoon Kommer; jongetje met wit overhemd: onbekend.
In een brief van Hessels aan ’s Rijks Domeinen (eigenaar van het gors) van 16 augustus 1974 weten we dat Jacob Breen op 16 november 1973 een brief kreeg van Stichting de Beer, waarin wordt gesteld dat het ‘weidegebied’, zoals het gors toen werd genoemd, door afsluiting van het Haringvliet ‘regelmatiger door de zee overspoeld’ is en er langer plassen blijven staan; het zoutgehalte van het grondwater is sterk gestegen.
“Een en ander heeft in ieder geval een duidelijke vermindering van de grasgroei ten gevolge gehad en onze verwachting is dat in de komende jaren de grasgroei nog verder zal afnemen. Zoals u zult begrijpen komt hierdoor minder gras voor het te weiden vee beschikbaar, zodat in de komende jaren minder stuks vee hier hun kostje kunnen ophalen.” Zie fragment uit archiefstuk 999-2634 SAA)
Door Jacob Breen wordt een regeling getroffen met Kommer de Brommer jr zodat bij binnendijks verder kon.
Op 24 juli 1974 (SAA 999-2634, zie fragment) schrijft Hessels weer een brief aan Breen met behalve een analyse een duidelijke aanzegging: na “te veel dieren” en misstanden wil hij via de Grondkamer van hoofdpachter Breen af. Op 16 aug 1974 verstuurt Hessels aan Domeinen, de grondeigenaar, met een analyse van de verminderde grasgroei en uitbrekend vee door meer overstroming na afsluiting van de Haringvliet. Hessels doet het verzoek aan de grondkamer tot beëindiging van het oude contract met Breen om later een nieuwe overeenkomst te sluiten met Grinwis (tot op heden de pachter, niet meer met melkvee maar alleen met jongvee). De resten van de melkinstallatie zijn nog te vinden bij opgang ‘Het Zwarte hek’. Hier staat tegenwoordig in de zomer een grote kuip met schoon leidingwater voor de pinken die in de zomer het gors begrazen.
Van een paar maanden later is er nog een document op briefpapier van Stichting de Beer (penvoerder Hessels) aan J. Breen (d.d. 9 sept 1974). In het handgeschreven stuk gaat het over een minimum van 30 G.V.E. (red.: grootvee-eenheden – hier wordt waarschijnlijk bedoeld: maximum) in het ‘weidegebied’ d.w.z. 100 pinken of, veel beter i.v.m. broedvogels, 20 melkkoeien. Ook wordt gesteld dat vijf paarden te veel is, drie is beter. Bovendien: alleen beweiding tussen 15 mei tot 15 oktober. Verwezen wordt naar vaste vakken en geen begrazing van een westelijk deel met o.a. ‘Parnassiavallei’ , dat tot op heden deels wordt gemaaid om het open te houden. Ook worden klachten over vertrapping gememoreerd.
In 1974 blijken er vier onderpachters te zijn in het gebied waar Jan Vlietland, opzichter in die jaren, het toezicht doet:
De noodzaak van beweiding ten behoeve van natuurbeheer staat niet ter discussie. Er komt daarna een regeling met Grinwis, “die van de beweiding zijn inkomen moet hebben”. Hessels concludeert: “voor het voeren van een optimaal natuurbeheer het beste zou zijn dat onze stichting zelf deze kwestie kan regelen”. Anno 2025 loopt er nog steeds vee van Kommer Grinwis uit Ouddorp. De grote openheid, nattigheid en de korte begrazing van de jaren 60 is voorbij. In het nog steeds bij hoogwater en springtij door zeewater overstroomde gebied zijn naast kortgrazige stukken ook vele plekken met hoge zeekweek en diverse lage duintjes waar de duindoorn het volhoudt.

Koeienschor Kwade Hoek 2025. Delen met dominantie van zeekweek worden afgewisseld met kreken en kortgrazige stukken. Het beeld van een strak begraasd gors uit de jaren 60 is verleden tijd. Uit vakliteratuur blijkt dat (op noordelijke kwelders) soortenrijkdom van planten bij ca 0,5 dier per hectare vooruitgaat, maar woelmuizen en insecten op o.a. zeeaster kunnen achteruitgaan en vertrapping van nesten kan een probleem zijn.
Meuleman & Joanknecht, 1980 berichten over 40 stuks melkvee rond die tijd en een positief effect op de natuur. Een algemeen artikel over effecten beweiding op de kwelders in het noorden treft u hier. Op de Kwade Hoek, een van de weinige meer dan een eeuw lang begraasde gorzen/kwelders in ons land (ook: Ameland, Schiermonnikoog, land van Saaftinge) is helaas door de beheerder geen systematisch onderzoek opgezet (met uitgerasterde delen zonder beweiding) om de effecten te volgen. De rijkdom aan rode lijstsoorten van zoute en brakke milieus is op de Kwade Hoek echter onmiskenbaar hoog.
Tenslotte. De analyse van historisch gebruik is onmisbaar om de huidige stand van een natuurgebied te begrijpen. Interessant in dit licht is een passage uit de ‘PAS Gebiedsanalyse Duinen Goeree & Kwade Hoek 2017’ (rijksoverheid, hier online te vinden): “De jonge delen van Duinen Goeree & Kwade Hoek (de jonge duinenrij en de Kwade Hoek) zijn dermate jong dat deze geen historisch gebruik hebben.” Op basis van het voorgaande mogen we concluderen dat dit niet berust op kennis van zaken. Zelfs in de wildste delen van de kust is de mensenhand aanwezig en is historische analyse van belang om de ecologische processen op waarde te kunnen schatten.
Bronnenlijst historie Kwade Hoek
Rolf Roos
“6 – 12 toezicht stroperij. bij paal 6 tegen hoge duin. 12 strikken gevonden, waarin 1 haas, 2 konijnen, 2 fazanten, gepost. en ‘s middags tot 17:45 uur gepost, niemand gekomen, voor de koude gevlucht, buit meegenomen. “ (Jan Vlietland, 8 januari 1965)
De paar zinnen van Jan Vlietland hierboven schetsen een onherkenbaar beeld. Het is een tekst, een beetje in telegramstijl, met al bijna verouderde woorden als ‘stroperij’ en ‘buit’ en het woord ‘gepost’ dat staat voor: ‘op wacht staan om iemand in de kraag te grijpen’. Die ‘buit’ kreeg een goede bestemming overigens. “Elken zondag hadden we een knientje op tafel”, vertelt Mina, zijn vrouw ons in 2025. Jan Vlietland was bewaker, boswachter en opzichter vanaf ongeveer 1952, eerst op de Punt en Hompelvoet en vanaf ca 1960 ook op de Kwade Hoek. Als we kijken naar de natuur van de duinrand van de Kwade Hoek is het gebied 60 jaar later compleet veranderd: konijnen, waar zie je ze nog? Behalve waar nog zout water komt of flink wordt gemaaid, staan tegenwoordig overal struiken. In de half open bunkers, waarvan er eentje door Jan werd onderhouden (en gelucht!) voor verblijf voor onderzoekers en soms NJN-ers (jongeren die aan natuurstudie doen), zaten zwaluwen. ‘Jan van de Veugeltjes’ patrouilleerde in het zeer open kustlandschap met het gors, onbegroeide slikken en lage duintjes. Een enkele keer nam het landschap hem te grazen:
“13 – 18 aanvankelijk controle, doch door ’t hoog opgezweepte water ingesloten en moeten wachten op eb! Zat met twee hazen op een heuveltje van ± 30 m2!” (9 december 1965)
We troffen in Stadsarchief Amsterdam een pak met ca 400 vellen, (archiefstuk 999-2639, onderdeel van het papieren archief van Natuurmonumenten) o.a. vier maandverslagen en veel dagrapporten uit 1965. Allemaal met de hand geschreven. Soms een halve pagina, soms een enkele zin. De helft van zijn tijd was voor het waterleidingbedrijf (Oost- en Middelduinen). In de Kwade Hoek was hij parttimer met eigen werktijden. Hij maakte lange dagen van soms 5 uur in de ochtend tot laat in avond, en hij had geen personeel. Wat oudere lezers belanden via de verslagen van Jan in een paar zinnen in de vrolijke TV-wereld van Swiebertje: zwerver, goedmoedig op het pad gehouden door een veldwachter, Bromsnor, en Saar, een oudere vrouw, die altijd wel een ‘kopjen kofjen’ voor hem te drinken had. Jan Vlietland was zo’n veldwachter. Zijn snor kreeg hij op latere leeftijd. In de vijftiger jaren was zijn functie ‘bewaker’, in zijn laatste jaren noemde men hem boswachter of, veel sjieker, ‘opzichter’. Meningen van mensen die hem gekend hebben lopen sterk uiteen van ‘veel van geleerd op excursie’, ‘vervelende man’, ‘hij kende zijn vogels’, ‘een ouderwetse boswachter’ tot ‘hij was heel soepel voor de lokalen’ en ‘hij gaf zelden een bekeuring’. In de schrijfsels van Jan Vlietland komen geen zwervers voor, wel jongens en dubieuze types met ‘hazen hitsende’ honden en meestal ongrijpbare stropers. Hij reed op een brommertje dat hij parkeerde bij een bunker bij het Plaatje (inmiddels verdwenen). Niet op slot, zodat de telgen Breen van de Oostdijkseweg er hun jolige rondjes op konden rijden als Jan op de Kwade Hoek liep. Want als er 1 familie was die zich niet aan de regels hield waren dat wel ‘die van Breen’.
Wat zag hij als hij rond liep, behalve vogels, konijnen en strikken? Een enkele keer toont hij zijn kennis van de flora en pakt hij lyrisch uit, zoals aan het eind van zijn broedvogelverslag van juni 1965:
“De vlier is nu prachtig in bloei en ook de liguster zit volop in knop, echter nog niet veel bloeiende struiken.Er is nu volop gras voor het vee. Opmerkelijk zijn de grote velden met rolklaver, zodat dit met de vele bloeiende kattendoorn, de groene vlakte een prachtige aanblik geeft. Ook zijn weer een groot aantal zeedistels aanwezig. In de buurt van paal 6 is ook het laksteeltje weer aanwezig, hoewel in niet te groot aantal en slecht ontwikkeld. Bij paal 4½ werden enkele bremrapen gezien op wortels van de kruisdistel. In de buurt bij “De Zeemeeuw” werden langs het grindpad enkele exemplaren van het bilzenkruid gevonden.”
Jan Vlietland deed mee aan landelijke vogeltellingen (destijds georganiseerd door de ITBON). Hij gaf af en toe een excursie en maakte zijn rondjes. We liepen zijn verslagen na op contacten, vogelwaarnemingen, bekeuringen en bedreigingen. Steeds heel veel vogels, maar geen saaie kost. Hij schreef sobere zinnen met weinig spellingsfouten. Nieuwe of speciale woorden bij hem zijn ‘Ritpad’ – dat blijkt een ‘rondritpad’ maar waar lag precies lag weten we niet. Wie wel? Het gors noemt hij regelmatig ook ‘grasvlakte’ of ‘grasland’, de plek waar vee of paarden staan. Ander eigen taalgebruik: vogels ‘azen’ op prooi, ransuilen azen op muizen die in de schemering het pad oversteken, fazanten azen op helmzaad. Hazen en ganzen ‘babbelen’ op de grasvlakte. En we leren dat ‘lichtbakken’ ook een werkwoord kan zijn en ‘lichtbakker’ de persoon die dat doet.
“Vier personen op het pad aangetroffen in bunker (…) gedeelte deur kapot gestompd en twee ruiten stuk uitgeslagen; moet gezien de sporen gisteren gebeurd zijn. Zaak met politie opgenomen. “ (Zondag 16 januari 1965)
En:
“Zaak bij bunker met politie bekeken en enkele jeugdige knapen verhoord, echter niets bewezen kunnen krijgen.” (17 januari 1965)
Het zijn veelal sobere verslagen van surveillances met zeer veel aangetroffen strikken. Zoveel dat wel duidelijk is dat stropen in 1965 nog een gewone manier was om vlees op het bord te krijgen. Strikken hadden soms een dunne draad (speciaal voor fazanten). Hij maakte ze onklaar door ze ‘op te trekken’. Hij vindt ook wildklemmen, soms met konijn of kat er in. Maar zelden rapporteert hij een bekeurde stroper. Wel ‘jongens’ die worden gegrepen of verjaagd (“nozems”). Je weet echter nooit wat hij onvermeld liet. De verslagen waren onderdeel van zijn werk, ze kwamen terecht bij het bestuur van Stichting Natuurmonument de Beer die hem betaalde. Een vast werkcontract was het niet, want hij werkte ook voor het waterleidingbedrijf en incidenteel voor Rijkswaterstaat. Begin jaren 50 ontving Vlietland bovendien geld van lokaal grondeigenaar Jacob Breen (zie apart artikel over beheerplan en verhoudingen langs de duinrand in 1971). Waarschijnlijk waren dit pachtgelden bestemd voor Stichting de Natuurmonument Beer. De Fam. Breen werd door hem in 1965 wel verdacht van jacht met lichtbakken en patronen (dat mocht wel in Jacobs eigen duin – de zeereep richting Havenhoofd – maar niet op het gors).
De toegangsregels waren destijds streng en overzichtelijk: behalve de boer mag niemand erin tenzij met bramenplukvergunning (afgegeven voor Rijkswaterstaat!) of met een betaalde dag- of weekkaart (afgegeven door o.a. de VVV). Door de hoge waterstanden wilden verbodsbordjes nog wel eens wegspoelen. De boswachter van vroeger deed alle klussen en hij rapporteerde ze netjes. Een voorbeeld: de Bunker (bij de gelijknamige Bunkervallei) die werd gebruikt voor verblijf van onderzoekers, leidde tot het laatste karwei van 1965:
“Bunker, welke door de vele regen was volgelopen, leeggeschept en matten enzovoort buiten gedroogd, bedden gelucht.” (31 december 1965)
Als man die het werk in het open veld alleen deed, moest je op je tellen letten als je drie stropers tegelijk betrapte. Hij trekt zelfs een keer zijn pistool.
“Een paar jongens 10 tot 12 jaar met herdershond weggejaagd.” (25 september)
“Vijf uur ‘s ochtends gepost bij strikken geen stropers komen opdagen. (…) 17:15 u. weer gepost bij strikken waar nu twee jongens bij gesnapt werden; beiden 12 jaar! Flink gewaarschuwd ook de ouders. (8 oktober)
“13:15 u nazoeken wat persoon bij paal zes uitspookte waarbij 28 wild strikken gevonden, alles opgetrokken.” (9 oktober)
“Posten bij strikken; konijn afgemaakt en laten liggen.” (19 oktober)
“Stroperij op grasvlakte; iemand met hond gezien, echter niet kunnen benaderen.”(19 november)
“Intussen af en toe controle stroperij enzovoort waarbij in het geheel 182 strikken opgetrokken.” (24 oktober tot en met 12 november vakantie)
“Controle duinen en grasvlakte toch weer verse patronen gevonden. Er is dus toch gelichtbakt; na onderzoek bleek dat het niet de heer Breen is geweest.” (27 november)
“13 strikken gevonden; twee jongens (18 en 19 jaar) bekeurd met honden welke achter hazen gehitst werden. (5 december)
“Controle 32 strikken gevonden waarin drie konijnen en een kat! 17:15 uur tot 19:30 uur gepost bij strikken niets gekomen en buit meegenomen. (20 december)
“Gepost bij strikken; weer niets 13 uur tot 17 uur. Controle strikken weggehaald door de stroper.” (21 december)
“Controle te verwachten stroperij in verband met kerstdagen. ± 200 m van ’t lichtje, drie personen bezig met uitdelven van konijnen, gesnapt en weggestuurd; met veel tact en geluk en een flink bad rammel ontlopen. Heb trouwens ook pistool laten zien.” (24 december)
Wat concluderen we hier nu uit? Duidelijk is dat het oude gebruik onder aanwonenden van de Oostdijkse weg en de Nieuwendijk (of een neef of een oom) om regelmatig een strik te zetten, nog niet was beëindigd. Honderden strikken van mogelijk tientallen aanwonenden treft Jan aan, en hij rapporteert dat aan zijn bestuur. Jan Vlietland, zelf geboren aan de duinrand bij de Westduinen, was ook volgens zijn vrouw Mina én volgens Annelies Breen, dochter van landheer Jacob, heel coulant tegen het eigen volk. Slechts een enkele stroper wordt echt gepakt en een enkele keer is het ook echt spannend. Ja, rotjongens, die waren er volop.
Personen die met naam genoemd worden zijn er slechts een handvol: ‘Tanis’ (boer uit Goedereede, bijnaam Kommer de Brommer jr), ‘Hoek’ (mogelijk Moosje Hoek van de boerderij bij ’t Plaatje of Kommer Hoek uit Ouddorp die werkte bij Rijkswaterstaat en ook vlinders onderzocht) en diverse keren (Jacob of Jaap) ‘Breen’ (eigenaar duin richting Havenhoofd, tevens hoofdpachter van het gors).
Hij noemt diverse excursies: met Cees Sipkes (bekend van Voorne) en vogelwacht Schouwen, met Sipkes met Prof. Heimans (zoon van de legendarische Eli, compaan van Thijsse) en Kierewit, bestuurslid van Natuurmonumenten. Uit Haarlem twee excursies met Vogelwacht Haarlem en Vogeltrekstation Haarlem. Ook twee schoolklassen o.l.v. mej. Doorn uit Oude Tonge komen een ochtend langs. Van extern onderzoek wordt alleen de ‘planologische dienst’ gemeld die van alles wilde weten over beheer en toezicht, want daar was een “schrikbarende gebrek” aan gegevens.
Behalve het fraaie verhaal dat hij samen met hazen op een eilandje werd ingesloten, treffen we meer guur weer en hoog water. Zo is er een melding dat het water zo hoog stond dat het over de Parnassiavallei tot bijna bij de bunker kwam. Die destijds zoete, gewoon door vee beweide vallei westelijk van het pad bij het Lichie, kreeg af en toe een zoute onderdompeling.
“Weer vreselijk hoog water; de hele Kwade Hoek onder, zelfs tot bijna bij de bunker (paal 10) stond het water en slechts enkele van de hoogste heuveltjes bleven boven water. Veel hazen waren genoodzaakt naar de kant te zwemmen waar ze doodvermoeid bleven zitten. Een paar mensen trachten met de hand deze te vangen. Heb ze dat spoedig met een bekeuring afgeleerd. Een paar anderen konden daardoor ontsnappen… ” (10 december 1965). Op 11 december zijn er veel lijken:
In 1965 weinig notities hierover. In het maandverslag over mei staat een verwijzing naar eerdere problemen:
“Met het uitbreken van de koeien gaat het nog goed. Schrikdraad wordt niet meer gebruikt. De draden zijn er nog wel aangevuld met prikkeldraad.“
En:
“Melkvee vandaag door Tanis weggehaald. Alleen dat jongvee is nog aanwezig.” ( 21 oktober 1965)
In maandverslag juni 1965 treffen we een bijzondere observatie die past in het beeld van vergiftiging door DDT en ander landbouwgif in de zestiger jaren.
“Opmerkelijk is het grote aantal onbevruchte eieren onder vrijwel alle vogelsoorten. Bij de scholeksters vaak twee van de drie. Ook bij de fazanten, die toch een kleiner legsel hadden (7 tot 10 eieren) waren er soms vier onbevrucht.“
Ook doet hij meldingen van stookolieslachtoffers (papegaaiduiker, Jan van Gent). Omdat in die jaren ganzen maar bescheiden voorkwamen worden ze gemeld en geteld. Roofvogels waren zeer schaars, maar een groep ransuilen passeert regelmatig zijn pad. Uit een maandverslag over broedvogels van juni 1965 op pag.7 blijkt een vooruitziende blik: de grote sterns proberen zich te vestigen, maar zullen dat pas onder dekking van de vele kapmeeuwen (kokmeeuwen) in 1966 succesvol gaan doen. Zie hieronder.
“8 volwassen ransuilen gezien; 18 ganzen zien neerstrijken; bij paal 5½ enkele eenden komen azen in plassen; bij paal 6 en 7 ook waren veel eenden bij en op de slikken waartussen nog enkele bergeenden. Een achttal lepelaars waren ook op de slikken (oostzijde).” (21 september)
“16u controle Kwade Hoek; 120 ganzen op het gors; op de slikken een twaalftal lepelaars zes blauwe reigers 150 bergeenden waarvan 75% jong; wat plevieren en in de poeltjes op het gors wat watersnippen. (…) Rattenkolonie aangetroffen waar kapmeeuwenkolonie heeft gezeten. Deze hebben er waarschijnlijk reeds eerder gezeten, maar dan in het lange gras, maar nu door het hoge water naar hoger terrein verdreven.” (30 september)
“Ook enkele nieuwe gevallen van myxomatose onder de konijnen.” (1 oktober)
“Trek vinken kievieten lijsters kauwtjes, leeuwerikken, kneuen, kepen, putters witte kwikstaarten, ringmussen, graspiepers, spreeuwen en enkele strandleeuwerikken. Hoog in de lucht (plus minus 500 m) waarschijnlijk een ruigpootbuizerd zien schroeven. Deze trok schroevende in zuidwest richting. Mis voor zulke dingen goede kijker. “(4 oktober)
“16 uur controle helmreep van 11 tot 14 paal en terug over het pad een velduil gezien; 13 hazen 85 fazanten (azen op helmzaad), in de helm groeien de duindoornbessen. Terug op het pad veel fazanten in ondergaande zon plusminus 150. In de schemering, vijf ransuilen azen boven het pad op overstekende muizen. (6 oktober)
“± 4000 spreeuwen kwamen roesten in riet, duindoorn en vlier bij Paal 9½ ook veel kramsvogels aanwezig ± 500.”(21 oktober)
“Bij het krieken van de dag enkele troepen ganzen gepasseerd (waarschijnlijk grauwe) in het terrein. Weinig vogels, meest kramsvogels nog een zestal pestvogels gezien. Ook een paar goudvinken verder wat gewone gewoon goed koperwieken merels heggenmussen. Op het strand een honderdtal strandleeuwerikken.” (11 december)
Kortom: 1965 kende een rijke natuur. Over wat hij zelf jaagde rept hij helaas met geen woord en ook missen we de reacties van de vaak geleerde bestuursleden uit de Randstad die zijn verslagen onder ogen kregen, afgezien van een enkele markering in de kantlijn. Dingen die niet veranderd zijn: toen en nu waren verwilderde katten een groot probleem. Toen en nu figureren er haast geen vrouwen in het duin. Natuur, zeker de wilde, is een mannenwereld. Het allergrootste verschil tussen vroeger en nu is niet de toegankelijkheid (nu is er toegang op paden vrij behoudens afgesloten stukken), maar het beheer! In 1966 was het een ouderwets ‘Natuurmonument’ in de zin dat men vrijwel niets deed behalve toezicht en vogels tellen (en wat onderhoud aan eigen gebouwen en de bunker). De paden en wegen waren voor Rijkswaterstaat. Wel plantte de boswachter zelf nog duindoorns en helm om verstuiving tegen te gaan, waar nu wel anders over wordt gedacht. Het inscharen van vee door pachters werd destijds eerder getolereerd dan dat men er veel voordelen van zag. Er werd (nog) niet gemaaid in valleien, struikgroei werd niet tegengegaan (ook niet nodig als er veel vee en konijnen zijn). In 1966 rukte de konijnenziekte myxomatose al op, wat later grote gevolgen zou hebben voor het open duin – het ging massaal dichtgroeien. Het gevolg van wegvallen van konijnen, wegvallen van beweiding en stikstof uit de lucht.
Zie ook:
Bronnen: Jan Vlietland, archieven 1965
Meer artikelen met of over Jan Vlietland:
Zwemmen in de tweede sloei en daarna eieren rapen (tot ca 1977)
Nico van der Wel
Op Voorne is, zo denken we nu, niet zoveel duin afgegraven voor de winning van zand. Er is in de archieven erg weinig over te vinden. Het gebeurde wel maar vooral kleinschalig, en natuurlijk soms ook clandestien. Op één uitzondering na: in 1906 verkoopt de NV Voorne’s Duin een partij van 23.036 kuub duinzand “voor ƒ 2.800,– voor de aanleg van de weg van Oostvoorne-Rotterdam.” De bron van deze vermelding is de onvolprezen H. van der Graaf (1916-2000) uit Rockanje, wiens omvangrijke speurwerk in de archieven de basis verschafte voor de geschiedenishoofdstukken in ons boek Duinen en mensen Voorne (verder: DMV). Alleen, zo denken we nu: de transactie betrof zeer waarschijnlijk niet de weg, maar de tramweg naar Rotterdam.

Strand van Oostvoorne in 1913, met de stoomboot (de Maasnymph?) aan de steiger (met vuiltjes); collectie F. Beekman (klik voor vergroting)
Eerst die transactie: begin 20e eeuw was het duin van Voorne in bezit van William Smith, later de familie van Hoey Smith. Smith stichtte een exploitatiemaatschappij, de NV Voorne’s Duin, om het duin te beheren en exploiteren (DMV p54 e.v.). In die tijd kwamen toerisme en recreatie op Voorne op gang, met als belangrijke mijlpaal de start van de stoombootverbinding tussen Rotterdam en Oostvoorne, in 1902. Vanaf de Boulevard ter hoogte van de Zwartelaan liep een aanlegsteiger over het strand een eindje de zee in. Een belangrijke impuls voor toerisme en recreatie langs de kust van Voorne, terwijl tegelijkertijd bijvoorbeeld schoolreisjes naar Rotterdam haalbaar werden.
In 1906 kwam ook de tram. De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij ontsloot in die jaren de Zuid-Hollandse eilanden en Schouwen-Duiveland. De tramlijn van de RTM van Spijkenisse naar Brielle werd doorgetrokken naar Oostvoorne, tot op de Boulevard langs het strand. Daarbij werkte men vanuit Brielle naar het westen en vanaf Oostvoorne naar het oosten. Een fantastische bron daarvoor is de oude ansichtkaart hieronder, verstuurd naar een mevrouw in Nieuw Helvoet, aldaar afgestempeld in juli 1906. Een locomotief trekt een tiental wagonnetjes (voor zover zichtbaar) met 25 arbeiders erop, die zand uit de duinen wegvoert. Twee vragen moeten we nu oplossen: hoe kwam al dat materieel in Oostvoorne, en waar werd het zand gewonnen?

‘Oostvoorne, Zandtrein in de duinen’, ansichtkaart uit 1906. “Verscheidene personen uit deze gemeente zijn er ook aan werkzaam, wat met recht in dit jaargetijde een buitenkansje genoemd kan worden.” (NBrC 4feb 1906). Ansichtkaart uit 1906, uitgegeven door J.W. Robijns te Brielle.
Hoe kwam die locomotief in Oostvoorne? We hebben het niet zwart op wit, maar het kan eigenlijk niet anders of de locomotief en de wagonnetjes zijn per schip aangevoerd. Moeilijk voorstelbaar misschien, maar andere kandidaten zijn ook niet waarschijnlijk. Oostvoorne was in 1906 een moeilijk bereikbare uithoek vanwege slechte wegverbindingen. Pas in de jaren 30 werd de Groene Kruisweg aangelegd. Bovendien bezat het bedrijf achter de stoombootverbinding, Fop Smit & Co, een sleepboot (de Hellegat) en drie zgn. sleepschepen, ”geschikt voor het vervoer van vier tramwagens van 10 ton” (lees meer over Fop Smit op Wikipedia, en over de schepen lees je hier).
Een bericht in de Nieuwe Brielsche Courant van 4 februari 1906 lijkt dit te bevestigen: “Vanaf het strand is men [met de aanleg van de trambaan] begonnen hoofdzakelijk omdat van daar het materiaal wordt aangevoerd. Gisteren arriveerde de eerste locomotief bestemd voor de aanvoer van het benodigde zand, en denkelijk ook om later dienst te doen voor het vervoer van personen en goederen van hier naar Rotterdam en tusschengelegen plaatsen. Het is een prachtig stoompaardje, en het schijnt ons toe fonkelnieuw te zijn. Aan beide zijden prijkt in koper uitgehouwen letters de naam Oostvoorne, hieruit maken wij op dat er met ter tijd meer van zal worden gevorderd dan zand te vervoeren.”
In de boekhouding van de NV Voorne’s Duin ging het om ruim 23.000 kuub zand, aldus van der Graaf, maar volgens de verslaggever is het meer: “(..) want naar wij vernemen moet er voorloopig dertig duizend kubieke meters zand uit het duin worden vervoerd, een zaakje waarmede men niet zo spoedig gereed is.”
Dus: vanaf februari 1906 werd een grote partij zand gewonnen uit de duinen van Voorne, voor de tramweg. Materieel bereikte Oostvoorne via het strand, vanaf zee. Het ging zeker niet om de aanleg van een weg want de Groene Kruisweg (N218) stamt uit de jaren 30. De aansluiting van Oostvoorne gebeurde pas in 1937 (volgens de pagina over de N218 op wegenwiki).
Volgende vraag: waar werd dit zand gewonnen? Het Hoogheemraadschap van Voorne was verantwoordelijk voor de zeewering en was streng. Zand opzuigen uit zee kon nog niet. Het ligt voor de hand dat er werd afgegraven waar het duin breed was, en dan nabij de binnenduinrand. Dus zeker niet aan de noordoostkant van Oostvoorne, waar Mildenburg lag (eigendom van de burgemeester) en waar het duin verderop smal tot zeer smal was. Dus we kijken zuidwaarts.
Een week na het vorige bericht, op 11 februari, meldt de Nieuwe Brielsche Courant: “Voor het vervoeren van het duinzand (..) is een zijlijn aangelegd, welke later natuurlijk weer wordt opgebroken.” Hoe lag die zijlijn en waar voerde hij heen? We hebben een kandidaat, want in het duin c.q. de Heveringen ligt een duinpad, het Locomotiefpad! Dat pad brengt de wandelaar naar … Tenellaplas (zie kaart).

Uitsnede veldnamenkaart van de Duinen van Oostvoorne. Het Locomotiefpad loopt van rechtsboven naar linksonder, naar Tenellaplas. Beeld Zuid-Hollands Landschap
Voor we te vroeg juichen: de plek rond het huidige bezoekerscentrum Tenellaplas is in de oorlog door de Duitsers gebruikt als winplek van zand, en ook bij de Watersnoodramp in 1953 is veel zand weggehaald langs de Berkenrijsweg. In 1999 wees Jan Timmermans, destijds opzichter van het Zuid-Hollands Landschap, in een interview in de Volkskrant op het kaarsrechte verloop van het Locomotiefpad en meldde dat dit pad inderdaad in de oorlog diende “(..) voor de boemel naar de diep in het stuifzand verscholen Duitse commando- en communicatiebunkers” (lees hier het hele verhaal, Volkskrant 23-1-1999).
Maar toch: wie op Topotijdreis Tenellaplas en omgeving opzoekt, zie dat daar tussen 1900 en 1918 veel akkerbouwpercelen zijn bijgekomen. Daar (maar niet alleen daar) is het hobbeltjesduin van de Heveringen overduidelijk op vele plekken afgegraven en geëgaliseerd. Legden de Duitsers het treinspoor aan op het oude traject uit 1906?
Wie helpt ons aan documenten, familieherinneringen en sterke verhalen over deze kwestie? Mail ons!

De Heveringen net ten noorden van het Windgat in 1904 (links) en 1921 (rechts, met veel meer ontginningen, en met de Duinstraat). De onderbroken lijn rechtsboven is ongeveer 1 kilometer. Topotijdreis